H.

[H]

H, v. 8e letter van het alfabet; H.M., Hare Majesteit; HH. MM., Hunne Majesteiten; de HH., de Heeren; H.S., handschrift of Heilige Schrift; H.E.G., Hoog-Edel-Gestrenge; H.E.G.A., Hun-Edel-Groot-Achtbaren; H.E.A., Hun-Edel-Achtbaren; HD., Hoogstdezelve, Hoogstdeszelfs, Hoogstderzelver; H.K.H., Hare Koninklijke Hoogheid; HH. KK. HH,, Hunne of Hare Koninklijke Hoogheden; H.K.M., Hare Koninklijke Majesteit; HH. KK. MM, Hunne Koninklijke Majesteiten; H. KK. H., Hare Keizerlijke en Koninklijke Majesteit; HH. KK. HH., Hunne Keizerlijke en Koninklijke Majesteiten; H.W.G., Hoog-Wel-Geboren; H.R.R., het Heilige Roomsche Rijk; H.L., hoc loco, van -, op deze plaats.

[Ha]

Ha, tw. ha, ha! (om het lagchen uit te drukken).

[Haaf]

Haaf, v. zie HAVE.

[Haag]

Haag, v. (hagen), hegge; eene digte -; (spr.) het roer in de - steken, wegloopen, deserteren; den -, (verkorting van 's Gravenhage). *-, (fig.) rij. *-APPEL, m. (-s, -en). -BOOM, m. (-en). *-BES, v. (-sen). *-BEZIE, v. (...ën). *-BEUK, m. (-en), soort beukenboom. *-BOSCH, o. (...sschen), struik. *-DIS, v. zie HAGEDIS.

[p. 453]

*-DOORN, m. zie HAGEDOORN. *-EIK, m. (-en), lage eikenboom, steeneik. *-MES, o. (-sen), snoeimes. *-SCH, bn. van 's Gravenhage.

[Haai]

Haai, m. (-jen), zekere groote roofvisch; (fig.) hij is naar de -jen, hij is verloren; er zijn -jen op de kust, er is gevaar.

[Haak]

Haak, m. (...aken), ijzeren of koperen werktuig (met of zonder steel om iets tot zich te trekken of er aan op te hangen); zie de zamenst., als: ANKERHAAK, BOOTSHAAK, PUTHAAK enz.; (timm.) winkelhaak; in den - schaven; (fig.) iets aan den - hangen, eene zaak opgeven, (ook) op de lange baan schuiven; dat is niet in den -, dat is niet zoo als het behoort; (naaist.) haken en oogen, kleine koperen haakjes en ringetjes; de wereld is vol haken en oogen, vol wederwaardigheden, vol twist en tweedragt. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), van haken voorzien, (ook fig.). *-BAND, m. (-en), band -, ring met haken. *-BEENTJE, (B. -N), o. (-s), hakig beentje. *-BLOK, o. (-ken). *-BOUT, m. (-en). *-BUS, v. (-sen), soort vuurwapen. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine haak. -s, mv. tusschen -, parenthesis; (fig.) tusschen twee -s, in vertrouwen er bij opgemerkt. *-JESMAKER, m. (-s). *-LASCH, v. (...lasschen), (timm.) vergaring. *-NOOT, v. (-en), (muz.). *-PLOEG, m. (-en), soort ploeg met eenen haak. *-S, *-SWIJS, bijw. (timm.) behoorlijk naar den winkelhaak; - werken. *-VORMIG, bn. *-WERKSTER, v. (-s). *-WORMEN, m. mv. ingewandswormen.

[Haal]

Haal, m. (halen), trek (met de schrijfpen); op-, neder-; ruk; trekking; (fig.) vlugt; aan den - gaan. *-, v. keukenhaak met ketting. *-BIER, o. (-en), dat bij pinten wordt uitverkocht; slecht bier. *-BOOM, m. (-en), ijzeren stang waaraan de (keuken)haak wordt opgehangen. *-KAN, v. (-nen), gebruikt tot het inhalen van drank, olie enz. *-KETTING, m. (-en), keukenschoorsteenketting. *-, *-MAAT, v. zie HAALKAN. *-OVER, m. gmv. jong zeeman. *-STEEN, m. (-en), sluissteen. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine trek, krul. *-WIJN, m. gmv. slijterswijn.

[Haam]

Haam, o. (B.m. en o.), (hamen), halsband (van een paard).

[Haan]

Haan, m. (hanen), mannetjesvogel (inz. eener hen); kapoen; eenen - snijden, ontmannen; (fig.) zijn - kraait koning, hij behaalt de overwinning; daar kraait geen - meer naar, dat is een verloren zaak, dat is gevlogen; den rooden - laten kraaijen, een schip in brand steken; den gebraden - spelen, den grooten heer uithangen; de - op een toren, een haan van koper op eene torenspits (windwijzer); klep op de kruidpan (van een geweer); sleutel (van eene kraan). *-DER, m. (-s), korf om vruchten in te zamelen. *-STEEN, m. (-en), ingewandsteen (der hanen). *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine haan; (fig.) voorvechter, voorvechtster.

[Haar]

Haar, pers. vnw. zeg, geef -, (aan haar); ik zie, roep -; zie ZIJ. *-, bez. vnw. - man, - kind, zie HARE. *-, (B. HAIR), o. (haren), ruigte op de huid (van dieren en menschen; inz. op het hoofd), grof -, zacht -, ros -; grijs -, blond -, zwart -; het - snijden, - dunnen; zijne haren vallen uit; wild -, (in den neus, in het oor); loshangende haren; valsch -; (fig.) zorg maakt grijze haren;

[p. 454]

geen - op mijn hoofd dat er aan denkt; geen - breed van zijn plan afwijken; het scheelde geen - breed of ...; de haren rezen mij te berge van angst; - op de tanden hebben, niet vervaard zijn, durven spreken; er is geen goed - aan hem, hij deugt niets; zij gelijken elkander op een -, volkomen; met de handen in het - zitten, in grooten angst verkeeren; hij weet er geen - (niets) van; dat is bij de haren er bij getrokken, dat is gedwongen, gezocht. *-ACHTIG, bn. naar haar gelijkende. *-BAND, m. (-en), lint om in de haren te vlechten; wrong. *-BLES, v. (-sen), vlok haar. *-BORSTEL, m. (-s.), -TJE, (B. -N), o. *-BOS, m. (-sen), bos haren. *-BUIS, v. (...zen), -JE, (B. -N), o. (-s), (nat.) zeer naauw glazen buisje.

[Haard]

Haard, m. (-en), stookplaats (met rooster), fornuis; een engelsche -, beweegbare toestel (gewoonlijk van gepolijst ijzer) om te stoken; spr. eigen - is goud waard, men is nergens beter dan te huis; in het hoekje van den -, aan den huiselijken -, de gemeene -, de salon, de koffijzaal, gelagkamer (in eene herberg). *-ASCH, v. gmv. gewone asch. *-GELD, o. (-en), belasting op de haardsteden. *-GODEN, m. mv. (fab.) zie HUISGODEN. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine haard. *-IJZER, o. (-s), vuurijzer, rooster.

[Haardoek]

Haardoek, m. (-en), haren doek; (ook) doek om het gesneden haar op te vangen, kapdoek.

[Haardplaat]

Haardplaat, v. (...aten). *-s, v. (-en). *...STEDE, v. (-n), stookplaats; (fig.) woning, verblijf; voor -n en altaren vechten, voor zijn vaderland strijden; naar zijne -n terugkeeren. -GELD, o. schoorsteengeld.

[Haarkam]

Haarkam, m. (-men). *...KIES, o. zekere delfstof. *...KLEIN, bijw. in alle bijzonderheden; alles - vertellen. *...KLOVEN, ow. gel. (ik haarkloofde, heb gehaarkloofd), kleingeestig onderzoeken, uitpluizen, vitten. *...KLOVER, m. (-s), *...KLOOFSTER, v. (-s), uitpluizer, vitter, vitster. -IJ, v. (-en), uitpluizing, vitterij. *...KNIPPER, m. (-s), kapper. *...LOK, v. (-ken), bosje -, bundeltje haar, krul. *...LOOS, bn. zonder haar, beroofd van haar. *...MOS, o. (plant.) vedermos, vrouwenhaar. *...NAALD, v. (-en), *...SPELD, v. (-en), langwerpig -, gebogen -, dun ijzerdraad om de haren aaneen te houden. *...NET, o. (-ten), -JE, (B. -N), o. (-s), netje bewerkt om de haren er in op te houden. *...PIJN, v. gmv. onaangenaam gevoel na een dag of nacht in brasserij doorgebragt. *...PLUIS, o. gmv. wollen pluis of haartjes. *...POEDER, o. (-s). *...ROOK, m. gmv. veenrook. *...SNIJDEN, o. gmv. *...SNIJDER, m. (-s), kapper. *...SNOER, o. (-en). *...STAR, *...STER, v. (-ren), staartster. *...TJE, (B. -N), o. (-s), kleine haarvezel; hij weet alles op een - (zeer naauwkeurig). *...TOOISEL, o. (-s), kapsel. *...TANGETJE, (B. -N), o. (-s). *...TREKKER, m. (-s). *...TRENS, v. (-en), gevlochten haarvlokken. *...TUIT, v. (-en). *...VISCH, m. (...visschen), zekere visch. *...VEZEL, v. (-s), -TJE, (B. -N), o. (-s). *...VLECHT, v. (-en). *...VLECHTER, m. (-s). *...VLECHTSTER, v. (-s). *...WORM, m. (B.v.), gmv. zekere huidziekte, schurft. *...WORTEL, m. (-s), wortel der haren. *...ZIEKTE, v. (-n).

[Haas]

Haas, m. (hazen), zeker viervoetig dier; eenen - jagen, er jagt op maken; (spr.) veel honden zijn der hazen dood, voor overmagt

[p. 455]

moet men wijken. *-, (slag.) zeker deel van het rund; naam van een sterrebeeld. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine haas; - over, soort gymnastisch kinderspel.

[Haast]

Haast, m. gmv. spoed, snelheid, gezwindheid, ijl, drift; - hebben, - maken; hoe meer - hoe minder spoed, overijling bederft eene zaak. *-, bijw. spoedig, weldra; bijna; kunt gij -? ik ware - (bijna) gevallen; - komt de winter. *-EN (ZICH), ww. gel. (ik haastte mij, heb mij gehaast), zich spoeden, ijlen, snellen; haast u langzaam, doe alles met overleg. -, bw. gij moet mij niet zoo -; zijt gij zoo gehaast? hebt gij zoo weinig tijd om te wachten? *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), ijlend, spoedig, driftig, opvliegend, met spoed, vaardiglijk; -e luî (lieden) zijn geen verraders, wie driftig is van aard gebruikt geen omwegen; - gebakerd (driftig van aard) zijn. -LIJK, bijw. *-IGHEID, v. gmv. overijling, drift, haast.

[Haat]

Haat, m. gmv. gevoel van diepen afkeer, vijandschap, wrok; - opvatten, - voeden - toedragen, - toonen, - aan den dag leggen. *-DRAGEND, bn. wrokkend; een - mensch, die steeds haat blijft voeden. -HEID, v. gmv. wrok, wraakzucht. *-STER, v. (-s), vijandin, die steeds haat.

[Haauwtje]

Haauwtje, (B. *-N), o. (-s), (plant.) soort bloembol.

[† Habeas-corpus-acte]

Habeas-corpus-acte, v. engelsche wet van 1679 (sedert ook elders ingevoerd), volgens welke iem. die in hechtenis genomen is, binnen 24 uren na zijne aanhouding voor den bevoegden regter moet staan.

[† Habilleren]

Habilleren, bw. gel. (ik habilleerde, heb gehabilleerd), kleeden. *...BILE, *...BIEL, bn. bekwaam, behendig; bevoegd. *...BILITEIT, v. gmv. bekwaamheid, behendigheid. *...BILITEREN (ZICH), ww. gel. zich geschikt of bewaam maken. *..BITUDE, v. (-n), gewoonte. *...BITUEEL, bn. en bijw. gewoonlijk. *...BITUÉ, m. (-s), gewoon bezoeker (in een koffijhuis, eenen schouwburg enz.).

[† Hach]

Hach, v. gmv. *-JE, (B. *-JEN, *-TJEN), o. gmv. balddadig kind; het is een -! (fig.) het leven; er het - bij inschieten; het - laten varen, de prooi loslaten. *-T, v. (-en), brok, een - brood.

[† Haematine]

Haematine, v. bloedrood, kleurstof in het bloed.

[† Haemodinamometer]

Haemodinamometer, m. (-s), bloedskrachtmeter (werktuig).

[† Haemorrhoïden]

Haemorrhoïden, v. mv. aanbeijen.

[† Haeresie]

Haeresie, v. ketterij.

[Haft]

Haft, o. (-en), dagvlieg (die slechts één dag leeft); (fig.) zoo dik als -, digt bezaaid, opgestapeld.

[Hagchelijk]

Hagchelijk, bn. en bijw. (-er, -st), gevaarlijk, netelig. *-HEID, v. gmv. gevaar, het gevaarlijke, neteligheid.

[Hagedis]

Hagedis, v. (-sen), langstaartig viervoetig dier. *...DOORN, m. (-en), doornachtig heestergewas.

[Hagel]

Hagel, m. gmv. bevrozene regendroppels; looden stukjes of bolletjes om te schieten (inz. op de vogeljagt). *-BUI, v. (-jen), digte vlaag van hagelsteenen; (fig.) eene - van kogels, van steenen. *-EN, onp. w. gel. (het hagelde, heeft gehageld), het vallen van hagel; (fig.) in digte massa neêrvallen; het hagelde slagen op zijn lijf; het

[p. 456]

hagelde steenen. *-GANS, v. (...zen), soort water- of wilde gans. *-SLAG, m. gmv. schade -, verwoesting door den hagel; verzekering tegen -. *-STEEN, m. (-en), bevrozen regendroppel uit de lucht gevallen. *-TASCH, v. (tasschen), zak om den (schiet)hagel er in te bewaren. *-WIT, bn. zeer wit.

[↑ Hagen]

Hagen, ow. zie BEHAGEN, ↑ *-DEVELD, bn. behagelijk; uitstekend.

[↑ Haid]

Haid, v. (-s), oud-friesche vlaktemaat.

[Hair]

Hair, o. zie HAAR.

[Hak]

Hak, v. (-ken), houweel; hiel (van eenen schoen of eene laars); (fig.) iem. op de hakken zitten, hem achterna zitten (bij den arbeid). *-, m. houw, snede; zie HOUTHAK; (spr.) van den - op den tak, van het eene op het andere, onbestendig, wild. *-BANK, v. (-en), (bij slagers). *-BIJL, v. (-en), groote bijl. *-BLOK, o. (-ken), slagersblok (om vleesch fijn te hakken); (ook kuipersblok). *-BORD, o. (-en), houten plankje tot vleeschhakken; (oudt.) zeker harpje; (fig.) slecht instrument; (bouwk.) bovenlijst, fries; (zeew.) bovendeel van den achtersteven. *-BOSCH, o. (...sschen), kreupelbosch. *-JE, (B. -N), o. (-s), hieltje.

[Haken]

Haken, bw. en ow. gel. (ik haakte, heb gehaakt), vast maken; grijpen (met eenen haak); knoopen met een haakje (vrouwen-handwerk), een boordje -; aan iets blijven -; (fig.) verlangen, naar iets -. *...KING, v. het haken.

[Hakkebord]

Hakkebord, o. zie HAKBORD. *...LAAR, m. (-s, ...aren), -STER, v. (-s), stamelaar; sukkelaar, -ster. *...LARIJ, v. (-en), stottering. *...LEN, ow. en bw. gel. (ik hakkelde, heb gehakkeld), stotteren; aan stukjes hakken. *...LING, v. het hakkelen, hakkelarij.

[Hakkelbout]

Hakkelbout, m. en v. (-en), *...KEES, (...zen), *...TONG, (-en), m. en v. stamelaar, -ster, (spotnaam).

[Hakken]

Hakken, bw. gel. (ik hakte, heb gehakt), met den scherpen kant (van eene bijl of een mes) op iets slaan; hout -, vleesch -; (fig.) den vijand in de pan -, hem op de vlugt drijven.

[↑ Hakkenei]

Hakkenei, v. (-en), paard, merrie, telganger.

[Hakker]

Hakker, m. (-s), hij die hakt. *...KETEREN, ow. gel. (ik hakketeerde, heb gehakketeerd), kibbelen, krakeelen. *...KETEERDER, m. ...STER, v. (-s), kibbelaar, -ster. *...KETERING, v. (-en), twist, kibbelarij. *...KING, v. het hakken.

[Hakleder]

Hakleder, o. gmv. hielleder. *...MES, o. (-sen), *...MOES, o. gmv. kleingehakte groente. *...PAP, v. gmv. lepelpap. *...SEL, o. gmv. kleingehakt stroo; (ook) gehakt (vleesch). *...STROO, o. gmv. *...STUK, o. (-ken), (schoenm.) hieltje. *...TIJD, m. gmv. tijd voor de boomvelling. *...VLEESCH, o. gmv.

[Hal]

Hal, v. (-len), overdekte verkoopplaats; (oudt.) ridderzaal; zie de zamenst., als: SAAIHAL, LAKENHAL, VLEESCHHAL enz. *-, o. bevrozen plek in den grond. *-BANK, v. (-en), bank -, staanplaats in de hal. *-BEWAARDER, m. (-s), opzigter der hal.

[Halen]

Halen, bw. gel. (ik haalde, heb gehaald), trekken; (ergens van daan) nemen; iets gaan -, laten -; haal uwen broeder van school;

[p. 457]

zie AANHALEN. AFHALEN, INHALEN, UITHALEN enz.; adem -; een kind -, eene vrouw verlossen; in dien winkel haal ik alles; (fig.) zou ik de schuit nog -? zou ik niet te laat komen? men vreest dat de zieke den avond niet haalt, niet tot den avond leeft; men ziet hem overal waar wat te - (schrapen) is; er is geen eer bij te -, (verwerven); alles overhoop -, onderst boven werpen; dit haalt er niet bij, is er niet bij te vergelijken; waar haalt hij het van daan? hoe verzint hij het? die baal haalt de 50 pond niet, weegt geen 50 pond; (zeew.) water -, de watervaten vullen; het anker te huis -, ophalen; de duivel hale mij als..., (vloek); oude koeijen uit de sloot -, half vergeten zaken weder oprakelen; zich (iets) op den hals -, (altijd in kwaden zin) zich zelven eenig ongeval veroorzaken.

[Half]

Half, bn. en bijw. in twee gelijke deelen gesplitst; een - pond, een halve gulden; deze klok slaat de halve uren; (muz.) een halve toon; een halve broeder, - zuster, stiefbroeder, -zuster; halve laarsjes, laarzen die slechts even over den enkel komen; (fab.)-paard-mensch; de halve maan, (ook) standaard der Turken; (fig.) het Turksche rijk; een halvesteens muur, van 1/2 dikte; een halven cirkel beschrijven (vormen); het vat is - (op de helft) vol; (fig.) hij verstaat mij met een - woord, (zeer spoedig, gemakkelijk); - October (de 15de); - een (uur), 12 1/2 uur; - vijf, 4 1/2 uur; - geopend, - open; eene halve quadrille, vier dansers; (fab.) een halve god, god in de derde klas der goden; (ook) held; (iets) ten halve doen; een halve (onvoldoende, niet beslissende) maatregel; dit staat mij maar - (volstrekt niet) aan. *-BEWIJS, o. (regt.) een begin van bewijs. *-CIRKELVORMIG, bn. *-DEELIG, bn. (meetk.). *-DEK, o. (-ken), (zeew.). *-DOEK, o. gmv. demi-drap. *-DOOD, bn. - van angst, - van schrik. *-DRONKEN, bn. *-DOEN, ow. onr. (ik deed half, heb halfgedaan), voor de helft deel nemen, portie staan (in een spel). *-EBBE, v. gmv. *-EILAND, o. (-en), schiereiland. *-GELEERDE, m. (-n), onvolkomen geleerde. *-GEZIGT, o. (-en), (schild.) profiel. *-GOD, m. zie op HALF. *-HEMD, o. (-en), -JE, (B. -N), o. (-s), overhemd, (ook) engelsch hemd. *-JAAR, o. (...aren), zes maanden. *-JARIG, bn. van zes maanden, zesmaandelijksch. *-MAN, m. (-nen), hermaphrodiet. *-MENSCH, o. (-en). *-WIJF, o. (...ven). *-METAAL, o. (...alen), (als: kwik, bismuth enz.). *-OPEN, bn. ten halve geopend. *-RIJP, bn. *-ROND, o. (-en), (aardr.) het oostelijk -, westelijk -, † hemispheer. *-SCHADUW, v. (schild.). *-SCHILDEN, o. mv. voorvleugels der kevers. *-SLACHTIG, bn. van twee geslachten, - soorten, amphibie. *-SLAG, m. *-STEEK, m. (...eken). *-TER, m. zie HALSTER. *-VASTEN, v. gmv. (r.k.) feesttijd vóór Paschen. *-VENSTER, o. (bouwk.). *-VERHEVEN, bn. bas-relief; (beeldh.) - beeldwerk. *-VLAK, o. (schild.). *-VLEUGELIGEN, m. mv. zekere insekten. *-WIND, m. gmv. (zeew.). *-ZIJDEN, bn. - damast.

[† Hallel]

Hallel, o. (-s), *-UJA, o. (-as), lofzang.

[† Hallo-gas]

Hallo-gas, o. zeker draagbaar gas ter verlichting gebezigd, naar den uitvinder genoemd.

[† Hallucinatie]

Hallucinatie, v. (...ën), vizioen.

[Halm]

Halm, m. (-en), scheut; aar (van koren); buis; de -en tot schoven

[p. 458]

binden. *-KNOOP, m. (-en), holle korenaar. *-STEEL, m. (...elen). *-STROO, o. gmv. gedorschte halmen, riet. *-PJE, (B. -N), o. (-s), kleine dunne halm.

[† Halo]

Halo, m. (-os), luchtverschijnsel, gekleurde kring om de zon.

[† Halochemie]

Halochemie, v. gmv. de scheikunde en de geschiedenis der zouten. *...METER, *...SCOOP, m. zoutmeter (werktuig).

[Hals]

Hals, m. (B. ook v.), (...zen), deel van het ligchaam tusschen het hoofd en de schouders, buitenzijde der keel; nek; (ook nog van enkele voorwerpen, b.v. de - eener flesch, eener viool); - van een hemd; (zeew.) kluiver-, bezaans-; den - omdraaijen; den - breken; om - brengen, dooden; om - raken, omkomen; (ook fig.) dat zal u den - breken, in het verderf storten; § als gij het weêr doet breek ik u den -; iem. om den - vallen, omhelzen; op den - gevangen zitten, wegens eene misdaad met doodstraf bedreigd; het met zijnen - betalen, zijn leven er bij inschieten; - over kop, overhaast. *-, (fig.) onnoozel mensch; die arme -, bloed. *-ADER, v. (-en, -s). *-BAND, m. (-en), een koperen - (van eenen hond); (ook) halssieraad. *-BEUGEL, m. (-s), ijzeren ring om den hals der galeiboeven. *-BLOK, o. (zeew.), (-ken). *-BREKEND, bn. hoogstgevaarlijk. *-DOEK, m. (-en), cravate (van mannen); omslagdoek (van vrouwen). *-GAT, o. (-en). *-GEDING, o. (-en), lijfstraffelijk geding. *-GEREGT, o. criminele regtbank; - teregtzitting. *-GEZWEL, o. (-len), (gen.) zweer aan den hals. *-HAAK, v. (...haken), ↑ *-HEER, m. (-en), opperregter. *-JICHT, v. gmv. *-IJZER, o. (-s), zie HALSBEUGEL. *-KETEN, v. (-s), *-KETTING, m. (-en), sieraad. *-KLAMP, m. (zeew.) *-KLIER, v. (-en). *-KRAAG, m. (...kragen), losse kraag; (oudt.) ring-, ridderkraag; dameskraag. *-KRUIS, o. (...zen), sieraad. *-KWABBE, v. (-n), (der runderen). *-REGT, o. gmv. voltrekking der doodstraf; er wordt heden - gehouden. *-REGTER, m. (-s), criminele regter. *-REGTERLIJK, bn. lijfstraffelijk. *-RIEM, m. (-en). *-SIERAAD, o. (...aden). *-SPIER, v. (-en). *-STARRIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. hardnekkig. *-STARRIGHEID, v. gmv. hardnekkigheid, stijfhoofdigheid. *-STRAF, v. gmv. doodstraf.

[Halster]

Halster, m. (-s), halsriem der paarden; den - afwerpen; bij den - leiden.

[Halsstreng]

Halsstreng, v. (-en), halsriem. *...STUK, o. tot de oude wapenrustingen behoorende; (slag.) van geslagt vee; (naaist. en kleêrm.) aan een hemd of rok. *...TALIE, v. (...ën), (zeew.). *...VRIEND, m. (-en), boezemvriend. *...ZAAK, v. zie HALSGEDING. *...ZEEL, m. hennepzeel.

[Halt!]

Halt! tw. (kommando-woord), sta! staat stil; houdt op; - maken, - houden.

[Halters]

Halters, m. mv. handkogels (bij de gymnastische oefeningen).

[† Halurgie]

Halurgie, v. gmv. kennis der zoutwerken; leer van het zout-zieden.

[Halve]

Halve, bijw. ter oorzake van, om reden van, duidelijkheids-; ten wille van, mijnent-, zijnent-; zie verder HALF.

[Halveren]

Halveren, bw. gel. (ik halveerde, heb gehalveerd), in tweeën deelen; (rek.) door twee deelen.



[p. 459]

[Halzen]

Halzen, ow. gel. (ik halsde, heb gehalsd), (zeew.) wenden; (fig.) zich afwerken.

[Ham]

Ham, v. (-men), mager deel van het varken; eene westfaalsche -. *-METJE, (B. -N), o. (-s). *-MEBEEN, o. (-deren). *-MEVET, o. gmv.

[Hamei]

Hamei, v. (-jen, B. -en), uiterste slagboom.

[Hamel]

Hamel, m. (-s), mannetje van een schaap. *-VLEESCH, o. gmv.

[Hamer]

Hamer, m. (-s), werktuig geschikt om spijkers in te slaan, te kloppen en te smeden; tusschen - en aanbeeld (in groote verlegenheid) zijn; (uitroep) wat - is dat! *-BAARHEID, v. gmv. eigenschap van sommige ligchamen dat hunne vormen door hamerslagen eene duurzame verandering ondergaan. *-BIJL, v. (-en), kuipersdissel. *-EN, ow. gel. (ik hamerde, heb gehamerd), kloppen met den hamer; aanhoudend kloppen op iets. *-SLAG, m. (-en), slag van den hamer; - houden, op de maat (het ijzer) smeden; (fig.) naar rangorde spreken. -, o. afval -, schilfers van ijzer. *-STEEL, m. (-en), handvatsel van den hamer. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine hamer; opstaand zaadspiertje eener bloem; deel van eene klaviersnaar. *-VISCH, m. (...visschen).

[Hamster]

Hamster, m. (-s), zeker knaagdier.

[Hand]

Hand, v. (-en), ligchaamsdeel dat zich uitstrekt van den pols tot het uiteinde der vingers; de vlakke -, de platte -, het binnendeel; de rug (het buitendeel) der -; iem. de - geven, - reiken; eene fraaije - schrijven, fraaije letters maken, goed -, duidelijk schrijven; deel aan onderscheidene werktuigen, - van een anker, de -en eener weegschaal; de -en opleggen, zegenen; (r.k.) wijden (tot het priesterambt); eene valsche - maken, iemands handteekening namaken (met oneerlijke bedoelingen); in 's vijands - vallen; de - leenen, tot iets medewerken; het is in mijne -en, in mijne magt; van hooger -, in naam der regering, van den koning; de hoogere hand, de eereplaats, de voorrang; regterzijde naast iemand; de -en in de zijde steken; iem. iets aan de - geven, eene gelegenheid verschaffen om iets te verrigten, een beroep bezorgen; (fig.) goederen in de doode -, goederen van zedelijke ligchamen of gestichten; iem. de - boven het hoofd houden, beschermen; de - van iem. aftrekken, hem niet langer begunstigen; de -en te huis houden, iem. niet feitelijk aanvallen, (ook) zich met iets niets bemoeijen; de -en vol (veel te doen) hebben; iem. op de -en zien, de oogen op iemands handen gevestigd houden, (ook fig.) hem naauwkeurig gadeslaan; van de - in den tand leven, een sober inkomen hebben; § twee -en op één buik, in alles het eens zijn (inz. ten kwade); uit de eerste -, (kooph.) van den eersten voortbrenger, - planter, - fabriekant; (fig.) het goedkoopst; aan de - laten, den makelaar met de order belast laten; van goeder - (uit eene goede bron) weten; bij de -, digt bij, (ook) behendig, bedreven, listig; zie BIJDEHANDSCH; iets bij de - nemen, een beroep kiezen; (aan iets) de - slaan, (er aan) beginnen, (ook) schenden; de laatste - (aan iets) leggen, het voltooijen; de - ligten (met iets), gemakkelijk maken; goedkoop weggeven; gewapender-; (fig.) iem. de -en binden,

[p. 460]

hem beletten iets te doen; (kaartsp.) voor of achter de - zijn, het eerst -, het laatst uitspelen; aan de winnende - zijn, winnen; iets uit - en geven, in regten laten vervolgen; iem. in de - komen, hem behulpzaam zijn; in de -, uit de - vallen, meêvallen, tegenvallen; beter -, slechter uitkomen dan men dacht; men kan geen ijzer met -en breken, het onmogelijke kan men niet doen; met de - over zijn hart strijken, afschuiven, in het beursje blazen; de - in iets hebben, er heimelijk deel aan nemen; medehelpen; -en uit de mouw steken, ijverig beginnen mede te werken; met de -en in den schoot zitten, werkeloos iets toezien; (spr.) als de eene - de andere wascht worden zij beide schoon, elkander bijstaan is pligtmatig en nuttig; de winter is op - of op-en (is nabij); onder de -, in stilte, verborgen; (ook) zonder tusschenkomst van een derde; uit de - (te koop), door eene bijzondere gelegenheid; (iets) uit de - eten; het neemt -over - (langzamerhand) toe; iem. geld op - geven, bij den aankoop van iets als wederkeerige verbindtenis; om de - (van een meisje) vragen, haar ten huwelijk vragen; ik geef er u mijne - op, ik beloof het u plegtig; de -en aan zich zelven slaan, zich om het leven brengen; (iem.) de - bieden tot, behulpzaam zijn; de sterke -, de hulp der geregtsdienaars; aan de betere - zijn, beginnen te herstellen van eene ziekte; iem. onder -en nemen, hem (over zijn gedrag) onderhouden, berispen; het verzoek is gewezen van de - (afgeslagen); het loopt over de -, het is drok; ik neem het met beide -en aan, ik neem het verheugd of volgaarne aan. *-BEKKEN, o. (-s). *-BERRIE, *-BURRIE, v. (...ën), platte schraag. *-BEUGEL, m. (-s). *-BIEDING, v. (regt.) hulp der geregtsdienaars. *-BIJBEL, m. (-s), kleine bijbel. *-BIJL, v. (-en), kleine bijl. *-BLAKER, m. (-s). *-BOEI, v. (-jen, B. -en). *-BOEK, o. (-en), boek over eenige wetenschap of kunst tot dagelijksche raadpleging geschikt, manuel, vade-mecum. *-BOOG, m. (...bogen), die met de hand gespannen wordt. *-BOOM, m. (-en), hefboom; (ook) schippersboom. *-BOOR, v. (...boren), kleine boor. *-BREED, bn. zoo breed als eene hand. -TE, v. (-n), breedte der hand. *-DADIG, bn. met de hand aangrijpende; (ook) medepligtig. -E, m. en v. (-n), medepligtige. *-DOEK, m. (-en).

[Handel]

Handel, m. gmv. onderlinge koop en verkoop of ruil (van goederen, waarden enz.); - drijven, uitoefenen; de wetten op den -; de - bloeit, - kwijnt; (fig.) handelsstand, al de personen die handelen; de Amsterdamsche -; gedrag, levenswijze; zijn - en wandel; (oudt.) onderhandeling; de - werd afgebroken. *-AAR, m. (-s, -aren), *-AARSTER, v. (-s), die handel drijft. *-BAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), inschikkelijk, toegeeflijk; goed te bewerken. *-DRIJVEND, bn. (-er, -st), een - volk. *-EN, bw. en ow. gel. (ik handelde, heb gehandeld), handel drijven, - (in iets); hij handelt in lakens; verrigten, doen, zich gedragen, dat is braaf gehandeld; hij handelt niet fraai (jegens); (oudt.) onderhandelen, er werd lang over den vrede gehandeld; bespreken, behandelen, dit boek handelt over de sterrekunde. *-GEEST, *-SGEEST, m. gmv. aanleg tot -, regt begrip van den handel. *-ING, v. (-en), het handelen; daad; geschrift; de -en der

[p. 461]

apostelen; zie BEHANDELING. *-HUIS, *-SHUIS, o. (...zen), gevestigd huis dat -, firma die handel drijft; (ook) de personen die aan het hoofd staan. *-MAATSCHAPPIJ, v. (-en), gezelschap van handelaren onder ééne firma; (inz.) de nederlandsche -, opgerigt in 1824 door koning Willem I. *-RIJK, bn. met veel handel. *-SCHOOL, v. (...olen). *-SPOLITIEK, v. gmv. *-STAD, v. (...steden). *-STRAKTAAT, o. (...aten), *-SVERDRAG, o. (-en), verdrag -, overeenkomst van koophandel. *-WIJS, *-WIJZE, v. gmv.

[Handenloos]

Handenloos, bn. zonder handen. *-HEID, v. gmv.

[Handeuvel]

Handeuvel, o. (-s), gebrek aan -, ziekte in de hand. *...GAAUW, bn. gaauw -, behendig (om te stelen, te vechten). -HEID, v. gmv. diefachtigheid; vaardigheid om te vechten. *...GEBAAR, o. (...baren), beweging met de handen, † geste. *...GEKLAP, o. gmv. bijvalsbetuiging, † applaudissement. *...GELD, o. (-en), premie tot aanwerving (van soldaten of matrozen); (kooph.) geld op handen. *...GEMEEN, bn. - worden, beginnen te vechten, elkander aangrijpen. -HEID, -SCHAP, v. gmv. vechtpartij. *...GETROUW, bn. en bijw. getrouw op handslag. *...GIFT, v. gmv. het eerste geld dat een koopman op een dag ontvangt. *...GREEP, m. (...grepen), zooveel een hand grijpen kan; (oorl.) behandeling der wapens; eenen rekruut de handgrepen leeren. *...HAVEN, bw. gel. (ik handhaafde, heb gehandhaafd), in stand houden, steunen, begunstigen. *...HAVER, m. *...HAAFSTER, v. (-s), (altijd fig.) - van het regt; - van den roem eens volks; - van de kunst. *...HAVING, v. gmv. het handhaven, bescherming.

[Handig]

Handig, bn. en bijw. (-er, -st), behendig, bedreven; een - kind; iets - doen. *-HEID, v. gmv. behendigheid, bedrevenheid, vaardigheid.

[Handijzers]

Handijzers, o. mv. zie HANDBOEI.

[Handje]

Handje, (B. -N), o. (-s), kleine hand; -gaauw, die ligt de handen gebruikt om te slaan (inz. van kinderen). *-PLAK, o. zeker kinderspel.

[Handjicht]

Handjicht, v. gmv. *...KAR, v. (-ren). *...KIJKER, m. (-s), kleine tooneelkijker. -, *...KIJKSTER, v. (-s), waarzegger -, waarzegster uit de hand. *...KIJKKUNST, v. gmv. *...KOUD, bn. niet erg koud. *...KUS, m. (-sen), kus op de hand; tot den - worden toegelaten (bij eene vorstin). *...LANTAREN, v. (-s). *...LANGER, m. ...STER, v. (-s), hulp -, dienaar voor geld; (mets.) helper. *...LEÊR, *...LEDER, o. (-s), (schoenm.). *...LEIDING, v. (-en), leerboek. *...LIGTING, v. (regt.) ontheffing van minderjarigheid; - verleenen. *...LOB, *...LUB, v. (-ben). *...MERK, o. (-en). *...MOLEN, m. -TJE, (B. -N), o. (-s). *...OPENING, v. (-en), verlof tot benoeming eens predikants. *...OPLEGGING, v. (kerk.) wijding (eens priesters). *...PAARD, o. (-en), bijdehandsch paard. *...PERS, v. (-en). *...PIJL, m. (-en), werpschicht. *...RASP, v. (-en). *...REIKER, m. (-s), ...STER, v. die iets met de hand toereikt. *...REIKING, v. gmv. overgave met de hand; hulp, ondersteuning. *...SCHERM, o. (-en), vuurscherm.

[Handschoen]

Handschoen, m. (-en), den - toewerpen, tot een tweegevecht uitdagen; (ook) zich als vijand verklaren. *-FABRIEK, v. (-en). -ANT, m. (-en). *-LEDER, o. gmv. zeemleder. *-MAKER, m. *-MAAKSTER, v. (-s).

[Handschrift]

Handschrift, o. (-en), ongedrukt en onuitgegeven werk; manuscript;

[p. 462]

(boekdr.) kopij; eigenhandig schrift, dat is mijn - niet; fac-similé. *...SCHROEF, v. (...ven). *...SLAG, m. gmv. slag op de hand; iets op - verkoopen, met -, onder - verzekeren. *...SLEDE, v. (-n), kleine slede, ijsslede. *...SPAAK, v. (...aken), koevoet. *...SPADE, v. (-n), kleine spade. *...SPIES, v. (...zen), kleine lans, halve piek, jagt-spriet. *...SPRAAK, v. het te kennen geven zijner gedachten door middel van teekens met de hand. *...STELLING, v. ter-, overreiking. *...STEEN, m. (-en), steen in den vorm eener hand. *...TASTING, v. (-en), aantasting -, aangrijping van de hand, bevoeling met de hand. *...TASTELIJK, bn. (-er, -st), bevoelbaar, tastbaar; (inz. fig.) eene -e (zeer duidelijke) waarheid; een - bewijs. *...TEEKENEN, o. lijnregt teekenen. *...TEEKENING, v. (-en), onderteekening, naamteekening. *...TROUW, v. gmv. beproefde trouw. *...VATSEL, o. (-s), oor, steel enz. waarbij iets aangevat wordt; (spr.) elke zaak heeft twee -s, alles kan van twee zijden beschouwd worden. -TJE, (B. -N), o. (-s), oortje, hengseltje. *...VEGER, m. (-s), soort grove borstel. *...VEST, v. (-en), oorkonde, oude stedelijke keur, privilegie. *...VOGEL, m. (-s), valk. *...VOL, v. (B.o.) gmv. zooveel eene hand omvatten kan; eene - noten, - zout; (fig.) weinig, eene - menschen. *...VORMIG, bn. (plant.) in den vorm eener hand. *...WAARZEGGER, m. ...STER, v. (-s), handkijker, -kijkster. -IJ, v. gmv. *...WAGEN, m. -TJE, (B. -N), o. (-s). *...WATER, o. gmv. (warm) water om de handen te wasschen; (fig.) dat haalt er geen - bij, dat is er niet bij te vergelijken. *...WERK, o. (-en), ambacht; hij is schoenmaker van zijn - (van beroep); vrouwelijke -en, (als naaijen, breijen, borduren enz.), *...WERKER, m. (-s), *...WERKSMAN, m. (...lieden), ambachtsman; (fig.) man uit de lagere volksklasse. *...WERKSTER, v. (-s), die in vrouwelijke handwerken bedreven is, er haar beroep van maakt. *...WEVERIJ, v. het weven buiten de fabriek. *...WINDSEL, o. (-s), (gen.) verband. *...WIJZER, m. (-s), paal (op den weg). *...WOORDENBOEK, o. (-en), zakwoordenboek. *...ZAAG, v. (...zagen), kleine zaag. *...ZAAM, bn. handelbaar, gedwee. -HEID, v. gmv. gedweeheid.

[Hanebalk]

Hanebalk, m. (-en), hoogste balk (van een gebouw); (fig.) hij woont in de -en (onder de dakpannen). *...GEKRAAI, o. gmv. het kraaijen van den haan. *...KAM, m. (-men), kam -, kuif van den haan; (soort) kruid. *...MAT, v. (-ten), vechtplaats der hanen.

[Hanengevecht]

Hanengevecht, o. (-en), strijd van hanen.

[Hanepoot]

Hanepoot, m. (-en), (ook zeew.) - der gaffel; (fig.) hanepooten, slecht schrift, gekrabbel; gij maakt niets dan -en. *...SPOOR, v. scherp -, puntig nageltje aan den poot der hanen. *...TRED, m. (-en), kiem van een kippenei. *...VEDER, *...VEÊR, v. (-en), (fig.) boos wijf. *...VOET, m. (-en).

[Hang]

Hang, m. gmv. hout -, ijzer -, (ook) plaats waar men iets aan- of ophangt, (b.v. bokkinghang). *-BAST, *-EBAST, m. verdikte melk met beschuit; (fig.) guit, schavuit. *-BLAKER, m. (-s), blaker met haak; keukenblaker, olielamp. *-BORD, o. (-en), houten bord aan eenen staak hangende. *-BRUG, v. (-gen), hangende -, kettingbrug. *-BUIK, m. en v. (-en), dikbuik. *-DIEF, m. (...ven), beul.



[p. 463]

[Hangen]

Hangen, bw. en ow. ong. (ik hing, heb of ben gehangen), iets bij een einde aan een ander voorwerp vastmaken zonder dat het aan den grond raakt; op deze wijze vastzitten; zijnen, hoed of rok aan eenen spijker -; den ketel over het vuur -; eenen degen op zijde -; men heeft den dief gehangen; (spr.) den mantel naar den wind -, naar de omstandigheden zijne meening buigen; (fig.) de lier aan de wilgen -, ophouden te dichten, - te schrijven; zijn hart aan iets -; aan iemand -, op iem. verzot raken; tusschen - en wurgen, tusschen twee dreigende gevaren; op zijde -, naar eene zijde overhellen; de zaak is nog -de (nog onbeslist); hij hangt overal aan hem, verzelt hem overal; aan woorden moet men niet blijven -, men moet zich niet aan de doode letter houden; de lip laten -, pruilen; het hoofd laten -, treuren; over het hoofd -, dreigen (van ongelukken); ik wil - als het waar is; de boom hangt (is) vol vruchten; staan te -, leunen; (zeew.) aan den wind -. *-, o. gmv. hij heeft het - verdiend. *-D, bn. -e ooren; met -e lip, in biddende houding; met -e pootjes, (fig.) gedwee, onderdanig; -e, gedurende (het geding enz.). *-SWAARD, bn. *...ER, m. (-s), toestel waaraan iets hangt; degenhaakriem. -S, m. oor-, oorsieraad der vrouwen.

[Hanggat]

Hanggat, m. en v. (-en), treuzelaar, -ster. *...IJZER, o. (-s), drievoet -, treeft met hengsel; (spr.) dat is een heet - om aan te vatten, dat is een netelige zaak. *...KAMER, v. (-s), -TJE, (B. -N), o. (-s), kamer tusschen twee verdiepingen. *...KLOK, v. (-ken), hangend uurwerk. *...KORF, m. (...ven), draagkorf op den rug. *...MAT, v. (-ten), hangende legerstede (op schepen, in kazernen enz.). *...OOR, o. (-en), tafel met neêrslaande bladen. -, m. en v. die lange ooren heeft; (ook) hond met hangende ooren. *...RIEM, m. (-en), waarin een rijtuig hangt. *...OP, m. zie HANGBAST. *...SLOT, o. (-en), hangend slot (aan eenen koffer). *...SELS, o. mv. (zeew.) aan de valpoorten. *...STUK, o. (-ken), (aan eenen riem). *...WERK, o. gmv.

[Hanig]

Hanig, bn. (-er, -st), geil, wulpsch.

[Hannekemaaijer]

Hannekemaaijer, m. (-s), westfaalsche -, bovenlandsche hooiwerker.

[Hans]

Hans, m. en v. (-en), Johannes, Johanna, (verkort); (fig.) een groote -, een rijke kerel. *-JE, (B. -N), o. Jantje; - in den kelder, een ongeboren kind; (spr.) wat Hansje niet leert leert Hans nooit. *-OP, m. (-pen), lange wijde overjurk, apenrokje; kleedingstuk voorheen als dwangmiddel bij de krankzinnigen gebezigd (wambuis, broek en kousen aan elkander vast); papieren pop met beweegbare armen en beenen. *-WORST, m. (-en), potsenmaker, tooneelzot.

[† Hansa]

Hansa, Hanse, v. zie HANZE.

[Hanteren]

Hanteren, bw. gel. (ik hanteerde, heb gehanteerd), behandelen, (inz. de wapenen). *-ING, v. (-en), beroep, ambacht; neringen en -en; de - der wapenen.

[† Hanze]

Hanze, v. gmv. verbond, broederschap; (oudt.) handelsverbond der duitsche steden (waartoe ook nederlandsche behoorden). *-ATISCH, bn. tot het Hanzeverbond behoorende. *-BEKER, m. (-s), groote bokaal of roemer. *-STAD, (B. HANSEESTAD), v. (-steden), stad die

[p. 464]

tot het Hanzeverbond behoorde. *-VERBOND, o. zie HANZE. *-VLAG, v. (-gen), vlag der Hanze.

[Hap]

Hap, m. (-pen), afgebeten stuk. *-JE, (B. -N), o. (-s); lust gij nog een -? een beetje, een weinig; hij verdient er een - (klein winstje) aan. *-PEN, bw. gel. (ik hapte, heb gehapt), bijten, de tanden slaan in; naar iets -. *-PIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. verlangend, gretig, gulzig; ik ben er niet - naar. -HEID, v. gmv. gretigheid, vratigheid, gulzigheid. § *...SCHAAR, v. het geregt, de justitie. -, m. (...aren), vrek, inhalige kerel.

[Haperen]

Haperen, ow. gel. (ik haperde, heb gehaperd), ontbreken, falen, stuiten; (zeew.) het roer hapert (stuit); (fig.) waar hapert het aan? het kan niet -. *...ING, v. (-en), stuiting, verhindering; - in de tong, stottering.

[† Haptisch]

Haptisch, bn. -e misleiding, misleiding van het gevoel of van den tastzin.

[† Harangeren]

Harangeren, ow gel. (ik harangeerde, heb geharangeerd), toespreken, eene redevoering houden (tot). *...RASSEREN, bw. gel. (ik harasseerde, heb geharasseerd), afmatten, vermoeijen.

[† Harceleren]

Harceleren, bw. gel. bestoken, plagen. *...CEREN, bw. gel. (teek., grav.) schaduwlijnen trekken. *...CERING, v. (-en), zulke lijnen. *...DIESSE, v. gmv. stoutheid.

[Hard]

Hard, bn. en bijw. (-er, -st), tegenovergesteld van week; ruw; de steen is -; het brood is -; een - (gekookt) ei; een -e (koude) winter; het waait -; (fig.) ruw, wreed, een - woord, eene -e bejegening; hij heeft het - te verantwoorden, kan er moeijelijk doorkomen; onaangenaam, grievend, dat is een - geval; de armen hebben het dezen winter zeer -; het valt - zich met ondank beloond te zien; sterk, luid, eene -e stem, - schreeuwen, luid lagchen; snel, - loopen; ter dege, het is nu goed - gedroogd, - gebakken; (rijsch.) - in den bek (van paarden); - worden, zich verharden; gestreng, barsch; het gaat - tegen -. *-ACHTIG, bn. een weinig hard. *-BEKKIG, *-BITTIG, bn. (-er, -st), (rijsch.). *-DRAVEN, ow. gel. (ik harddraafde, heb geharddraafd), rennen, snel loopen (inz. van paarden). *-DRAVER, m. (-s), paard dat snel loopt, - rent, (ook de berijder). *-DRAAFSTER, v. (-s), paardrijdster. *-DRAVERIJ, v. (-en), *-DRAVING, v. gmv. wedloop van paarden; het harddraven.

[Hardebol]

Hardebol, m. (-len), stijfkop, eigenzinnig mensch. *-LEN, ow. gel. (ik hardebolde, heb gehardebold), met de hoofden tegen elkander stooten; (fig.) tegen het noodlot -, ijdele klagten doen hooren.

[Harden]

Harden, bw. en ow. gel. (ik hardde, heb gehard), hard maken; staal -, gloeijend staal plotseling afkoelen om er een grootere hardheid aan te geven; (fig.) verdragen, dulden; hoe kunt gij het -? zie VERHARDEN. *...ING, v. het harden (van metaal).

[Harder]

Harder, m. (-s), soort visch; (oudt.) herder.

[Hardhandig]

Hardhandig, bn. (-er, -st), hard -, ruw van hand. *...HARTIG, bn. hard van gemoed. *...HEID, v. onzachtheid; (ook fig.) wreedheid, ongevoeligheid; het barre (van de koude). *...HOOFD, o. (-en), domoor; (ook) lomperd. -IG, bn. (-er, -st), stijfhoofdig; lomp. -IGHEID, v. gmv. stijfhoofdigheid, hardnekkigheid. *...HOOREND, *...HOORIG,

[p. 465]

bn. doof. -HEID, o. gmv. doofheid. *...IGHEID, v. zie HARDHEID. *...LEEREND, bn. moeijelijk -, log van begrip, dom. -HEID, v. domheid, moeijelijkheid van begrip. *...LIJVIG, bn. (-er, -st), moeijelijk van natuurlijke ontlasting. -HEID, v. gmv. *...LOOPER, m. ...STER, v. (-s), die hard kan loopen, - te paard rijden; (fig.) hij -, zij is geen -, niet vlug (in het leeren). *...NEKKIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. stijfhoofdig, halsstarrig; een - gevecht, iets - volhouden. -HEID, v. gmv. stijfhoofdigheid, halsstarrigheid. *...STEEN, m. gmv. arduin (zeer harde steensoort). -EN, bn. van hardsteen. *...VOCHTIG, bn. (-er, -st), ongevoelig, onaandoenlijk; wreed. -HEID, v. gmv. ongevoeligheid; wreedheid.

[Hare]

Hare, vnw. zie HAAR.

[Harem]

Harem, m. (-s), vrouwenverblijf in de turksche huizen en paleizen.

[Haren]

Haren, bn. van haar; een - kleed, boetekleed. *...RIG, bn. (-er, -st), met haren bezet, ruig; eene -e huid; eene -e (ruige) bloem. -HEID, v. gmv. ruigheid, ruigte.

[Haring]

Haring, m. (en), kleine visch in de IJs- en Noordzee; nieuwe -, groene -; - kaken (bereiden); - droogen; zie PEKELHARING, PANHARING; als - (zeer digt) opeengepakt zijn; ik zal er kuit of - (ten minste iets) van hebben. *-BUIS, v. (...zen), schip ter haringvangst uitgerust. *-DROOGER, m. (-s). *-KAKEN, o. *-KAKER, m. (-s). *-KAAKSTER, v. (s). *-KELDER, m. (-s), waar men haring verkoopt. *-MARKT, v. (-en). *-NET, o. (-ten). *-MAN, m. (-nen), die haring verkoopt. *-PAKKER, m. (-s). -IJ, v. plaats waar haring bereidt of van waar hij verzonden wordt. *-SALADE, v. gmv. *-SAUS, v. (...zen). *-TIJD, m. gmv. tijd van het jaar waarin de haring gevangen wordt. *-TON, v. (-nen). *-VANGER, *-VISSCHER, m. (-s). *-VANGST, *-VISSCHERIJ, v. gmv. *-VROUW, v. (-en). *-VERKOOPSTER, v. (-s). *-WIJF, o. (...ven). *...ZOUT, o. gmv. pekel.

[Hark]

Hark, v. (-en), (tuin.) soort getande schop om de aarde te evenen. *-EN, bw. gel. (ik harkte, heb geharkt), met de hark werken. *-ER, m. (-s). *-STER, v. (-s). *-SEL, o. gmv. wat door de hark bijeengeschraapt is.

[Harlekijn]

Harlekijn, m. (-en), (vroeger: koddig personaadje in de kluchtspelen) thans: begunstigde minnaar in het ballet; potsenmaker. *-ENPAK, o. (-ken), bont pak van gekleurde lapjes. *-ENPLAK, m. (-ken), (in de tooverballetten). *-MUTSJE, (B. -N), o. (-s). *...KINADE, ARLEQUINADE, v. (s), tooverballet; (fig.) goochelspel, fopperij.

[† Harmattan]

Harmattan, m. zekere zeer heete oostenwind.

[Harmen]

Harmen, m. een mansnaam; (spr.) met den tijd komt - in 't wambuis, langzaam gaat zeker.

[Harmonij]

Harmonij, *...NIE, v. welluidendheid, zoetvloeiendheid; (fig.) overeenstemming, vrede; te zamen in - leven. *...NICA, v. (-as), zeker blaasspeeltuig; (ook) glazen toestel op welks rand door zachte bestrijking met de vingers welluidende toonen worden voortgebragt. *...NIEREN, ow. gel. (ik harmoniëerde, heb geharmoniëerd), overeenkomen; - met; te zamen -. *...NISCH, bn. - evenredige getallen.

[Harnas]

Harnas, o. (-sen), metalen -, hardlederen borstkuras; (ook voor

[p. 466]

paarden); het - aangespen; (fig.) iem. in het - jagen, boos maken; voor iem. het - aantrekken, zijne verdediging op zich nemen. *-MAKER, *-SMEDER, m. (-s).

[Harp]

Harp, v. (-en), snarenspeeltuig; op de - spelen, de - tokkelen. *-AGON, m. (-s), vrek. *-ENAAR, m. (-s), harpspeler; de koninklijke -, koning David. *-EN, bw. gel. (ik harpte, heb geharpt), koren ziften.

[Harpij]

Harpij, (B. HARPY), v. (-en), (fab.) soort vrouwelijke draak met klaauwen.

[Harpluis]

Harpluis, o. gmv. (zeew.) geteerd touw tot kalefaten.

[Harpoen]

Harpoen, m. (-en), wapen -, scherpe weêrhaak der walvisch-vangers; den - schieten (werpen). *-EN, bw. gel. (ik harpoende, heb geharpoend). *-IER, m. (-s, -en), *-SCHIETER, m. (-s), die den harpoen werpt.

[Harpspeler]

Harpspeler, m. (-s). *...SPEELSTER, v. (-s).

[Harpuis]

Harpuis, o. gmv. mengsel van zwavel en hars gebezigd tegen den houtworm (inz. op schepen). *...ZEN, bw. gel. (ik harpuisde, heb geharpuisd), met harpuis bestrijken.

[Harrewarren]

Harrewarren, ow. gel. (ik harrewarde, heb geharreward), krakeelen, kibbelen. *...WARDER, (B. ...WARRER), m. (-s), *...WARSTER, v. (-s), kibbelaar, -ster. *...WARRERIJ, v. (-en), kibbelarij.

[Hars]

Hars, v. (B. HARST, o.) gmv. zekere gomachtige zelfstandigheid (uit het hout); viool-, colophaan. *-ACHTIG, bn. (-er, -st). *-DRAGEND, bn. *-BOOM, m. (-en), boom die bij uitnemendheid hars draagt. *-KOEK, m. (nat.) deel van den electrophoor. *-ZEEP, v. gmv.

[Harsenen]

Harsenen, mv. zie HERSENEN.

[Harst]

Harst, m. (B.v.), (-en), lendenstuk (van een rund).

[Hart]

Hart, o. (-en), deel van den mensch of het dier in de borstholte; het beginsel van den bloedsomloop; binnenste van iets; het - van een boom, - van een schip, - eener vrucht; (ook) het - van een land, - der aarde; midden; (fig.) geliefd voorwerp; (fig.) zich het - uit het lijf braken; zich verligt om het - voelen; gevoel, gemoed, God kent -, peilt de -en; iets (te) ter -e nemen, zich om iets bedroeven; zijn - aan iets ophalen, zich met of aan iets verlustigen; iem. een goed -, een kwaad - toedragen; hij heeft een - van steen; het gaat mij na aan het -, ik heb er zeer veel belang bij; uit den grond mijns -en; het gaat mij aan het -, ik ben er diep bewogen door; van -e gaarne; die man heeft geen -, geen menschelijk gevoel; hij heeft - voor de zaak, is er aan toegedaan; iem. zijn - uitklagen; het - wil een klager hebben; (spr.) bitter voor den mond is voor het - gezond; (spr.) uit het oog, uit het -, de afwezigen vergeet men ligt; waar het - van vol is, loopt de mond van over, men spreekt dikwijls van hetgeen men gaarne heeft. *-JE, (B. -N), o. (-s), klein hart; (fig.) in het - (midden) van den zomer; mijn -! mijn liefje. *-ADER, v. (-en), groote slagader. *-BESCHRIJVING, v. deel der ontleedkunde. *-BREKEND, *-ROEREND, bn. treffend, schokkend.

[Harteleed]

Harteleed, o. gmv. innige -, hevige droefheid. *...ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), opregt, welgemeend, innig. -HEID, v. gmv. innigheid,

[p. 467]

welmeenendheid. *...LOOS, bn. ongemeend, onopregt. -HEID, o. gmv. *...LUST, m. gmv. hoogst genoegen; naar -, met innig genoegen.

[Harten]

Harten, v. gmv. een der vier figuren van het kaartspel.

[Hartenet]

Hartenet, o. gmv. (ontl.). *...VRIEND, m. (-en). -IN, v. (-nen), innige -, boezemvriend, -vriendin. *...WEE, o. (-ën), innige droefheid. *...WENSCH, m. (-en), hoogste wensch; naar -.

[Hartgrondig]

Hartgrondig, bn. en bijw. hartelijk; een - gebed.

[Hartig]

Hartig, bn. (-er, -st) zout, gezouten, gekruid; hartelijk. -HEID, v. gmv.

[Hartjesdag]

Hartjesdag, m. (-en), (oudt.) dag van vrije konijnenjagt in het duin bij Haarlem.

[Hartkamer]

Hartkamer, v. (-s), (ontl.). *...KLIER, v. (-en). *...KLOPPING, v. (-en), het geregeld kloppen van het hart; (ook) ziekelijke aandoening des harten; aan -en lijden. *...KOLK, v. *...KUIL, m. -TJE, (B. -N), o. *...KRUID, o. gmv. zekere plant. *...ONTLEDING, v. gmv. *...VERSTERKING, v. gmv. *...PIJN, v. (-en). *...PUTJE, (B. -N), o. (ontl.). *...ROEREND, bn. en bijw. (-er, -st), treffend, wegslepend; op treffende wijze. *...STERKEND, bn. en bijw. (-er, -st), opwekkend, versterkend. *...STERKING, v. (-en), geneesmiddel dat de levenskrachten versterkt; (fig.) bemoediging.

[Hartstogt]

Hartstogt, (B. *...TOCHT), m. (-en), natuurlijke aandrift; verslingerdheid aan eenige ondeugd; de - sleept hem mede; het spel is een verderfelijke -. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, st), met hartstogt, met drift; op hartstogtelijke wijze; hij is een - minnaar der jagt; - sprak hij haar aan; gij moet zoo - (zoo driftig, zoo toornig) niet zijn. *...TONG, v. (-en), hertetong. *...VANGER, m. (-s), zijdgeweer, sabel.

[Hartvang]

Hartvang, m. bezwijming, flaauwte. *...VERSCHEUREND, bn. (-er, -st), (fig.) treffend, hoogst beklagenswaard. *...VINGER, m. (-s), ringvinger. *...VORMIG, bn. *...WORM, m. (B.v.) (-en). *...WORTEL, m. (-s), boomwortel. *...ZAKJE, (B. -N), o. (ontl.). *...ZEER, o. gmv. innig leed, - verdriet.

[Haspel]

Haspel, m. (-s), garenhaspel, afwinder (werktuig); ziel (eener viool); sluitboom; (fig.) onbestendig -, grillig mensch; zot, zottin; op den - passen, het oog op alles hebben; dat sluit als -s in een zak, dat raakt kant noch wal. *-AAR, m. (-s), -STER, v. (-s), (garen-) afwinder, afwindster; (fig.) twistzoeker, kibbelaar, -ster; zot, zottin. *-EN, bw. en ow. gel. (ik haspelde, heb gehaspeld), garen afwinden; (fig.) verwarren, in de war brengen, - sturen; alles dooreen -; over iets -, twisten, kibbelen. *-RAAM, v. en o. (...amen), soort garen-afwinder. *-WERK, o. knoeiwerk.

[Hassebassen]

Hassebassen, ow. gel. (ik hassebaste, heb gehassebast), kibbelen; vinnig kijven. *-, o. *...BASSERIJ, v. (-en), kibbelarij.

[Hatelijk]

Hatelijk, bn. (-er, -st), waard gehaat te worden; vijandig, haat-verwekkend. *-HEID, v. (...heden), vijandigheid, boosheid.

[Haten]

Haten, bw. gel. (ik haatte, heb gehaat), eenen afkeer hebben van, - tegen; kwaad gunnen aan. *...TER, m. (-s), vijand, die steeds haat.

[† Hausse]

Hausse, v. rijzing (der effekten enz.).

[† Haute-volée]

Haute-volée, v. hooge -, verfijnde klasse, de adellijke huizen.

[Have]

Have, v. gmv. bezit, goed; tilbare -, meubelen; levende -,

[p. 468]

vee, huisgedierte. *-LOOS, bn. (...zer, -st), slordig, morsig, met gescheurde kleederen; school voor havelooze kinderen. -HEID, v. gmv. slordigheid, morsigheid.

[Haven]

Haven, v. (-s), ligplaats voor schepen vóór of binnen eene stad, aan de zee of eene rivier, veilige -, ruime -; de stad zelve, Amsterdam is eene der schoonste havens; eene - aandoen, er binnenloopen; de - uitzeilen; eene beslotene (geblokkeerde) -; (fig.) toevlugtsoord, schuilplaats; er is geene - met hem te bezeilen, hij is onverdragelijk in den omgang. *-BOOM, m. (-en). *-CIJNS, m. gmv. regt dat betaald wordt om vrij in eene haven te ankeren. *-EN, bw. en ow gel. (ik havende, heb gehavend), binnenloopen; (eene haven) uitbaggeren; (oudt.) kinderen reinigen; (ook) scheuren, verfrommelen; afrossen; wat is dat boek gehavend! hij ziet er deerlijk gehavend uit. *-FRONT, o. open -, ligplaats der schepen vóór de stad. *-HOOFD, o. (-en), gemetselde toegang tot eene haven, steenen beer. *-ING, v. het havenen. *-KAPITEIN, m. (-s). *-KOM, v. (-men), uitgestrektheid der haven. *-MEESTER, m. (-s). *-REGT, o. zie HAVENCIJNS; (ook) het regt door den havenmeester uitgeoefend. *-REGLEMENT, o. (-en). *-SCHENDER, m. (-s), die het havenregt schendt, - verkracht. *-SLUITER, m. (-s). *-TON, v. (-nen), baak.

[Haver]

Haver, v. gmv. zeker graangewas; (spr.) van - tot klaver, sinds onheugelijke tijden; de paarden die de - verdienen krijgen ze niet, de ware verdienste wordt zelden beloond; hij weet het van - tot gort (van stukje tot beetje). *-AKKER, m. (-s). *-BEZIE, v. (...ën). *-BIER, o. gmv. bier uit haver gestookt. *-BLOESEM, m. (-s). *-BRIJ, m. gmv. *-BROOD, o. (-en). *-ESCH, m. (-esschen), zekere boom. *-GORT, v. gmv. *-GRAS, o. gmv.

[Haverij]

Haverij, v. (-en), schade (door een schip beloopen), het vaartuig heeft - bekomen, is met - binnen (geloopen).

[Haverkaf]

Haverkaf, o. gmv. *-KLAP, v. (fig.) nietigheid, kleinigheid; zij vechten om een - (alle cogenblikken). *-KIST, v. (-en). *-KNEU, v. (en), groene vlasvink. *-KORREL, v. (-s). *-MEEL, o. gmv. *-PAP, v. gmv. *-STROO, o. gmv. uitgedorschte haversteel; (fig.) zie HAVERKLAP. *-VELD, o. (-en). *-ZAK, m. (-ken). *-ZOLDER, m. (-s).

[Havezathe]

Havezathe, v. (-n), landgoed, boerderij.

[Havik]

Havik, m. (-ken), zekere roofvogel. *-SKRUID, o. gmv. soort wilde latuw. *-SNEST, o. (-en). *-SNEUS, m. gebogene -, (beter) arendsneus. *-SSTEEN, m. (-en). *-SVANGST, v. gmv. jagt op den havik.

[† Hazardspel]

Hazardspel, o. (-en), dobbelspel, kaartspel.

[† Hazardeus]

Hazardeus, bn. (...zer, -st), onzeker, gewaagd, hagehelijk.

[Hazebek]

Hazebek, m. (plant.) zeker kruid. *...DREK, m. gmv. uitwerpselen -, (ook) leger van den haas. *...JAGT, v. gmv. *...KOP, m. (-pen); (fig.) domoor, botterik.

[Hazelaar]

Hazelaar, m. (-s, ...aren), hazelnootboom. *-SBOSCH, o. (...sschen). *-SHOUT, o. gmv.

[Hazelhoen]

Hazelhoen, o. (-ders), wildhoen, frankolijn.

[Hazeleger]

Hazeleger, o. (-s), hol -, ligplaats van den haas. *...LIP, v. (-pen), gespleten -, gekorven lip; die zoodanige lip heeft.



[p. 469]

[Hazelmuis]

Hazelmuis, v. (...zen), soort bergmuis. *...NOOT, v. (-noten), kleine noot met harden bruinachtigen bast. -BOOM, *...NOTENBOOM, m. (-en). *...NOTENKRAKER, m. (-s). *...NOTENOLIE, v. gmv. *...NOTENROEDE, v. (-n). *...WORM, m. (B.v.) (en). *...WORTEL, m. (plant) mansoor.

[Hazemond]

Hazemond, m. zie HAZELIP. *...OOG, o. gmv. (gen.) zekere oogziekte. *...OOR, o. (-en), zeker kruid. *...PAD, o. gmv. (jagt) weg dien de haas heeft ingeslagen; (fig.) het - kiezen, aan den haal -, op de vlugt gaan. *...PASTEI, v. (-jen, B. -en). *...PEPER, v. gmv. zekere spijs van hazevleesch bereid. *...POOT, m. (-en). *...SLAAP, m. (fig.) onvaste -, ligte slaap. *...SPOOR, o. (jagt) weg dien de haas heeft ingeslagen. *...VEL, o. (-len). *...VET, o. gmv. *...VOET, m. (-en), poot van den haas; (ook) zeker kruid. *...WIND, -HOND, m. (-en), hond van bijzonder ras, bijzonder geschikt hazen te jagen.

[He!]

He! tw. aanroep; -, zeg ereis; he, he!

[Hebachtig]

Hebachtig, bn. (-er, -st), inhalig; (beter) hebzuchtig. *-HEID, v. gmv.

[Hebbelijk]

Hebbelijk, bn. (-er, -st), gewoon, aangeboren, eigen; welvoegelijk; het liegen is hem -. *-HEID, v. (...heden), gewoonte, manier; (ook) bedrevenheid; men moet er de - (geschiktheid) van bezitten.

[Hebben]

Hebben, bw., hulpw. onr. (ik had, gehad), bezitten; ik heb iets (eenig ongemak) aan mijnen voet; (spr.) - is -, en krijgen is de kunst, de wereld let zelden op den oorsprong der rijkdommen; wat hebt gij er aan dit te doen? welk voordeel hebt gij er bij? zie AANHEBBEN; ik wil het niet - (niet veroorloven); wat kan hij tegen mij -? wat kan hij op mij aanmerken? iets moeten -, benoodigd zijn, (ook) eene schuld te vorderen hebben; hoe laat hebt gij het (is het op uw horologie)? daar - wij het! zie, nu is het zoo ver.

[† Hebdomadair]

Hebdomadair, bn. wekelijksch (van tijdschriften).

[† Hebraïsmus]

Hebraïsmus, o. hebreeuwsche taalwending. *...BREÊR, m. (-s), die tot het hebreeuwsche volk behoort. *...BREEUWSCH, bn. tot de Hebreërs behoorende. -, o. de hebreeuwsche taal.

[Hobzucht]

Hobzucht, v. gmv. gierigheid, inhaligheid. *-IG, bn. (-er, -st), gierig, inhalig.

[† Hecatombe]

Hecatombe, v. (oudh.) offer van 100 stieren, zoenoffer.

[Hecht]

Hecht, bn. en bijw. (-er, -st), sterk, vast; op -e grondslagen gebouwd, (ook fig.). *-, o. (-en), handvatsel; het - van een mes; (fig.) het - in handen houden, meester blijven. *-DRADEN, m. mv. (wondh.). *-EN, bw. en ow. gel. (ik hechtte, heb of ben gehecht), vastmaken; verbinden; eene wonde -; aan iets -, er verkleefd aan zijn; hij hecht aan zijne gewoonten; ik was daar nooit zeer aan gehecht. *-ENIS, v. gmv. gevangenschap; kerker; in - nemen, in - brengen. *-HEID, v. gmv. vastheid, sterkte. *-ING, v. (wondh.) het hechten. *-SEL, o. de toestel (pleisters enz.) van het hechten. *-PLEISTER, v. (-s). *-RANKJES, o. mv. (tuin.) dunne bloemrankjes.

[† Hectare]

Hectare, v. (-s), zekere vlaktemaat, bunder (= 100 roeden).

[† Hectisch]

Hectisch, bn. teringachtig.

[† Hectoliter]

Hectoliter, m. 1 ned. vat (= 100 kan); 1 ned. mud (= 100 kop). *...GRAM, v. (-men), 1 ons (= 100 wigtjes). *...METER, m. (-s), 100 ned. ellen (= 10 roeden).



[p. 470]

[Heden]

Heden, bijw. van daag; de dag van -; - ten dage; in den tegenwoordigen tijd, thans; het -, de tegenwoordige tijd; - mijn tijd! (uitroep van verwondering). *-DAAGSCH, bn. van den tegenwoordigen tijd, † modern, nieuwerwetsch; -e manieren; -e schrijvers.

[† Hedschira, Hegira]

Hedschira, Hegira, v. gmv. vlugt (inz. van Mahomed); begin der mahomedaansche jaartelling.

[Heel]

Heel, bn. en bijw. geheel, gansch; zeer; een -e appel; het glas is nog -; de wond is - beter; dat is - mooi; - vroeg, - weinig *-, o. zie GEHEEL. *-AL, o. gmv. het Al, al het geschapene. *-BAAR, bn. (-der, B. ...barer, -st), geneeslijk. *-EN, bw. gel. (ik heelde, heb geheeld), genezen (eene wonde); beter worden. *-HEID, v. gmv. het geheel; achterhoudendheid. *-ING, v. het heelen, genezing. *-KRUID, o. geneeskruid. *-KUNDE, *-KUNST, v. gmv. wondheelkunst. *-KUNDIG, bn. tot de heelkunde betrekkelijk; onder -e behandeling. *-MEESTER, m. (-s), wondheeler. *-PLEISTER, v. (-s). *-STER, v. (-s), zij die heelt, verbergt (b.v. gestolen goed). *-VLEESCH, o. gmv. vleesch dat ligtelijk geneest, - heelt.

[Heem]

Heem, o. (-en), huis, hoeve; boerderij. *-RAAD, m. (...raden), lid van het dijkbestuur, - den dijkstoel. *-RAADSCHAP, o. (-pen), dijk- of polderbestuur. *-STEDE, v. zie HEEM. -GELD, o. belasting op de heemen, - op de pachthoeven.

[Heen]

Heen, bijw. daar, derwaarts, weg; waar -? daar -; - en weder (weêr), her- en derwaarts; waar moet dat -? *-BEGEVEN (ZICH), ww. onr. *-BRENGEN, bw. onr. 1)   wegvoeren. *-DRIJVEN, bw. ong. *-GAAN, ow. onr. vertrekken; sterven; onder het - zeide hij; (fig.) dat gaat nog heen, dat kan er nog door; (gemeenzame stijl) toen ging hij heen en zond mij den brief; hij gaat er meê heen, zal er aan sterven. *-KOMEN, ow. onr. wegraken; waar is hij heen gekomen? een goed - zoeken, op de vlugt gaan. *-LOOPEN, ow. ong. weggaan, vlugten; er -; loop heen! ik geloof er niets van. *-MOETEN, ow. onr. haast hebben weg te komen; er -, genoodzaakt zijn zich ergens te begeven. *-PRATEN, ow. gel. over iets -, wegredeneren. *-REIS, v. (...zen), vertrek; heen- en terugreis. *-REIZEN, ow. gel. vertrekken. *-RIJDEN, ow. ong. *-SLEPEN, bw. gel. (ook fig.). *-STAPPEN, ow. gel. met vaste treden heengaan; (fig.) over iets -, iets met stilzwijgen voorbij gaan. *-TOGT, m. zie HEENREIS. ↑ *-TIJGEN, ow. onr. zij togen heen of henen, zij vertrokken. *-TREKKEN, ow. ong. wegreizen; heen en weêr trekken, overal rondreizen. -, bw. iets naar zich toe en van zich aftrekken. *-VAREN, ow. gel. en ong. *-VLIEGEN, ow. ong. *-WAAIJEN, ow. gel. en ong. *-WERPEN, bw. ong. *-WILLEN, ow. gel. *-ZEILEN, ow. gel. *-ZIJN, ow. onr. hij is reeds ver heen, (in onderscheidene beteekenissen) ver op weg, (ook fig.) den dood nabij. *-ZULLEN, ow. onr. heenmoeten. *-ZWERVEN, ow. ong. ver heen komen; waar is hij niet al heengezworven!

 1)  Voor de vervoeging der met HEEN zamengestelde werkwoorden, zie de oorspronkelijke werkwoorden, als: voor HEENBRENGEN BRENGEN, enz.

[Heep]

Heep, v. (-en), snoeimes.



[p. 471]

[Heer]

Heer, m. (-en), God, de Eeuwige; God de Heere; onze lieve -, God; de groote -, de sultan van Turkije; (kaarts.) koning, harten -; meester, wie is hier -? den - NN., den -en NN., (adres); het gebed des Heeren, credo; mijn -! mijne -en! (titel); (spr.) zoo -, zoo knecht, aan de bedienden kent men den meester; op 's -en straten of wegen, op den grooten weg; den grooten - uithangen, een groot leven leiden; § heere, mijn tijd! het zal wat zijn als het voor de -en komt, men behoeft er zulke groote verwachting niet van te koesteren; een jonge -, een jongeling van den gegoeden stand; de oude -, bejaard man; (ook) de vader. *-, leger, heir. *-BAAN, v. (...banen), groote weg, koninklijke weg. *-BIJL, v. (-en), strijdaks.

[Heerenboer]

Heerenboer, m. (-en), iem. niet tot den boerenstand behoorende die het landbouwbedrijf uitoefent. *...DIENST, v. (-en), (leenst.) verpligte dienst der lijfeigenen. *...GELD, o. belasting op de dienstboden. *...HUIS, o. ridderverblijf; (in Pruissen) eerste kamer van den landdag; 's Heeren huis, tempel, kerk. *...KNECHT, m. (-en), lakei. *...LOON, o. (-en), ruime betaling. *...REGT, o. (-en), regt van den leenheer. *...WEG, m. (-en), zie HEERBAAN. *...WONING, v. (-en).

[Heergewaden]

Heergewaden, bw. zie VERHEERGEWADEN. *...LEGER, o. (-s), groot leger; (fig.) groote menigte, een - van rampen, van ongedierte. *...LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), prachtig, schitterend, rijk. -HEID, v. (...heden), pracht, rijkdom, glans; buitenplaats, adellijk landgoed; (oudt.) vrijheerschap; de - van Zutphen. *...OOM, m. titel onder de burgerklasse aan een pastoor gegeven. *...SCHAAR, v. (...scharen), leger; (bijb.) de God der heerscharen.

[Heerschachtig]

Heerschachtig, (-er, -st), heerschzuchtig; heerschend, meesterachtig. *-HEID, v. gmv. trots, overmoed.

[Heerschap]

Heerschap, o. (B.v. en o.) meester (bij wien men dient). *-PIJ, v. (-en), magt, regering, gebied; de - uitoefenen; (ook fig.) - over zijne hartstogten.

[Heerschen]

Heerschen, ow. gel. (ik heerschte, heb geheerscht), magt uitoefenen, heerschappij voeren; de bovenhand hebben; algemeen zijn; eene -de godsdienst; eene -de ziekte. *-ER, m. (-s), -ES, v. (-sen). *...ING, v. het heerschen.

[↑ Heerschouw]

Heerschouw, v. gmv. monstering, inspectie.

[Heerschzucht]

Heerschzucht, v. gmv. lust -, dorst naar heerschen; dwingelandij. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st). *-IGLIJK, bijw.

[Heerspits]

Heerspits, v. gmv. hoofd -, voorhoede van een leger. ↑ *...TOGT, m. (-en), groot leger; marsch van een leger. *...TROS, m. zie LEGERTROS. *...VAART, v. zie HEERTOGT; ter - oproepen. *...VORST, m. (-en), legerhoofd.

[Heesch]

Heesch, bn. (-er, meest heesch), schor; ik ben -; eene -e keel. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), een weinig heesch. *-HEID, v. gmv.

[Heester]

Heester, m. (s), struik, boompje. *-GEWAS, o. (-sen).

[Heet]

Heet, bn. en bijw. (-er, -st), meer dan warm, brandend; - maken, doen gloeijen, (ook fig.); op -e kolen staan, ongeduldig zijn; (fig.) een -e dag, een vinnige veldslag; (fig.) eene -e drift; een - gevecht; prikkelend, bijtend, -e peper; verzot, verslingerd, - op

[p. 472]

het spel zijn; ontuchtig, geil; tochtig, bronstig (van dieren). *-EN, bw. gel. (ik heette, heb geheet), warm -, heet maken; den oven -. -, bw. en ow. (ik heette, heb geheeten), eenen naam geven, - voeren; noemen, zich noemen; iem. iets - liegen, in het aangezigt logenstraffen; dat heet ik eten! dat is ter deeg -, veel gegeten; ik heet (zeg) u welkom; (fig.) het heet (voor: men zegt); in de duitsche dagbladen heet het, (beter: leest men). *-ER, m. (-s), stoker. *-STER, v. (-s), stookster. *-HOOFD, o. (-en), driftkop, oproerling, belhamel; de -en der partij. *-HOOFDIG, bn. (-er, -st), driftig, vurig, overhaast. -IGHEID, v. gmv. drift, vurigheid, overhaasting.

[Hef]

Hef, *-FE, v. gmv. grondsop, droesem, het onderste; (fig.) de heffe des volks, het laagste gemeen, het graauw. *-BOOM, m. (-en), koevoet, dommekracht; (zeew.) handspaak. *-DEEG, o. gmv. gest. *-FEN, bw. ong. (ik hief, heb geheven) optillen; verhoogen; ten doop -, houden; zie VERHEFFEN; geld - (opnemen); schattingen - (doen innen). *-FER, m. (-s), *-STER, v. (-s), die heft, gaarder, gaardster. *-FING, v. (-en), inzameling; inning (der belasting). *-OFFER, o. (-s), offer der eerstelingen bij de Hebreeuwen. *-T, o. hecht (van een mes enz.). *-TIG, bn. en bijw. (-er, -st), driftig, geweldig; stevig.

[Heg]

Heg, *-GE, v. (-n), struik, haag. *-GESCHAAR, v. (...aren), tuinschaar.

[† Hegemonie]

Hegemonie, v. gmv., heerschappij van een grooteren staat over kleinere.

[Hei!]

Hei! tw. he, hei daar!

[Hei]

Hei, gmv. (fig.) aan de - werken, zwaren arbeid verrigten. *-BLOK, o. (ken), toestel tot het inheijen van palen, - van steenen. *-, *-DE, v. (-n), dun rijshout; takjes; onvruchtbare zandvlakte (in westelijk Europa). *-BAAS, m. (...azen), opzigter der heiwerkers. *-BEZEM, m. (-s). *-BLOEM, v. (-en). -PJE, (B. -N), o. (-s). *-BOENDER, m. (-s). *-DEACHTIG, bn. (-er, -st). *-DESTRUIK, v. (-en).

[Heiden]

Heiden, m. (-en), afgodendienaar; den -en prediken; het Evangelie onder de heidensche volken verkondigen; (fig.) aan booswichten de deugd prediken. *-, m. (-s), waarzegger, horoskooptrekker; landlooper, zigeuner, bohemer. *-DOM, o. gmv. afgodendienst; al de heidenen. *-SCH, bn. afgodisch; (fig.) een - (afschuwelijk) geweld of leven maken. *...DIN, v. (-nen), afgodendienaarster; waarzegster, heks. -NETJE, (B. -N), o. (-s).

[Heiduk]

Heiduk, m. (-ken), trawant; (oudt.) soldaat der lijfwacht (in Hongarije).

[Heijen]

Heijen, bw. gel. (ik heide, heb geheid), met een heiblok (palen) inslaan; (zeew.) stampen (van een te diep geladen schip). *...ER, m. (-s), heiwerker. *...ING, v. gmv. het heijen.

[Heil]

Heil, o. gmv. geluk, gelukstaat; zaligheid; ik wensch u - en zegen; het eeuwig -; aanhef der brieven bij de ouden, Cicero aan Atticus, heil! *-AND, (B. *-ANT), m. Zaligmaker; Jezus Christus, de - der menschheid. *-BEDE, v. (-n). *-BEGEERIG, bn. *-BOT, v. (-ten), soort visch. *-BRON, v. gmv. (beter:) bron des heils.



[p. 473]

[Heigrond]

Heigrond, m. (-en), grond waarop men heit of geschikt tot heijen; (ook) heidegrond.

[Heilig]

Heilig, bn. en bijw. (-er, -st), godswaardig, goddelijk; hemelsch; plegtig, -lijk, op heilige wijze; de -e Geest; de -e Schrift, de boeken Mozes, het Evangelie; een -e dag, (r.k.) feestdag; een -e avond, zie HEILIGAVOND; Heilig, Heilig! (lofzang); het -e land, Palestina; de -e Stoel, het pauselijk gezag; de -e Vader, de paus; de -e plaatsen, oorden waar Jezus geleefd heeft en gestorven is; het -e graf, Jezus graf; het -e der Heiligen, binnenste heiligdom van den tempel van Salomo te Jeruzalem; ik verklaar u bij alles wat - is. *-AVOND, m. (en), (r.k.) avond waarop een feest ingaat; vieravond. *-BEEN, o. (-en), (ontl.) sluitbeen. *-BITTER, o. zek. medicijnbitter. *-DOM, o. (-men), tempel, heilige plaats; (ook fig.) heilig of als heilig gehouden voorwerp. -SHUISJE, (B. -N), o. (r.k.) sakristij. *-E, m. en v. (n), heilig verklaarde; sint. *-EN, bw. gel. (ik heiligde, heb geheiligd), heilig verklaren, - maken; zegenen; uw naam worde geheiligd (gebed). *-HEID, v. gmv. zijne -, titel van den paus. *-JE, (B. -N), o. (-s), heiligenbeeldje. *-ING, v. (-en), het heiligen. *-KAS, v. (-sen), relikie-kas. *-LIJK, bijw. zie HEILIG. *-MAKEND, bn. *-MAKER, m. *-MAAKSTER, v. (-s). *-SCHENDER, m., ...STER, v. (-s), die het heilige, - den tempel enz. schendt, kerkroover, godslasteraar. *-SCHENDING, *-SCHENNIS, v. gmv. kerkschennis, ontwijding, ontheiliging, godslastering. *-VERKLAARDE, m. en v. (-n). *-VERKLARING, v. (-en).

[Heilloos]

Heilloos, bn. en bijw. (...zer, -st), rampspoedig, ongelukkig, noodlottig; een heillooze raad; dit had een - gevolg. *-HEID, v. gmv. rampspoed, noodlottigheid, boosheid.

[Heilrijk]

Heilrijk, bn. en bijw. (-er, -st), gelukkig, voorspoedig, zegenrijk. *...WEG, m. (-en), weg des heils, - des geluks. *...WENSCH, m. (-en), gelukwensch. *...ZAAM, bn. en bijw. (...amer, -st), heilgevend, nuttig, geluk -, gezondheid bevorderende; een - voedsel; een - middel; een heilzame raad. -HEID, v. gmv. nut, gezondheid; de - van dit geneesmiddel, - dezer luchtstreek.

[Heimelijk]

Heimelijk, bn. en bijw. (-er, -st), verborgen, stil, verscholen, geheim, steelsch; op heimelijke wijze; het - gemak; iem. iets - ontstelen; ergens - binnensluipen. *-HEID, v. gmv. verborgenheid, steelsche wijze.

[Heimpje]

Heimpje, (B. *-N), o. (-s), krekel, zeker diertje.

[Heimwee]

Heimwee, o. gmv. zucht naar het geboorteland, landziekte.

[Heinde]

Heinde, bijw. digt bij; alleen gebruikelijk in: - en ver (of veer).

[Heinen]

Heinen, bw. gel. zie OMHEINEN. *...ING, v. (-en), schutting, hegge. *...SLOOT, v. (-en), greppel.

[Heipaal]

Heipaal, m. (...alen), mast, juffer. *...ROOK, HEIDEROOK, m. gmv. veenrook.

[Heir]

Heir, o. (-en), zie HEER. *-LEGER, o. (-s), groote massa.

[Heisa!]

Heisa! tw. lustig! moedig!

[Heistelling]

Heistelling, v. (-en), paalwerk. *...WERK, o. (-en), werk waaraan geheid wordt; geheide palen.



[p. 474]

[Hek]

Hek, o. (-ken), afsluiting, traliewerk, afschutsel; (zeew.) achterwerk, spiegel; (fig.) de -ken zijn verhangen, er zijn andere personen aan het bestuur; (ook) de omstandigheden zijn veranderd; het -sluiten, de laatste zijn; daar stond hij als Jut voor het -, hij stond te gapen, zag er onnoozel uit. *-BALK, m. (-en), zeew. *-BOOT, v. (-en), soort plat vaartuig.

[Hekel]

Hekel, m. (-s), getand werktuig tot bemerking van vlas of hennep; (fig.) iem. over den - halen, iem. belasteren, kwaadspreken van iem.; met het hoofd tegen den - loopen, zich teleurgesteld zien; (fig.) afkeer, een - (aan iets, aan iem.) hebben. *-AAR, m. (-s), -STER, v. (-s), die (vlas of hennep) hekelt; (fig.) vitter, berisper. *-DICHT, o. (-en), satire; (ook) hekelende dichtsoort. *-DICHTER, m. (-s), -ES, v. (-sen), die hekeldichten schrijft. *-EN, bw. gel. (ik hekelde, heb gehekeld); (vlas of hennep) bewerken; (fig.) vitten, berispen. *-ING, v. gmv. het hekelen. *-SCHRIFT, o. (-en), schimp -, schotschrift, satire. *-STER, v. zie HEKELAARSTER. *-TEEF, o. (...teven), boos wijf; xantippe.

[Hekgeld, Hekkegeld]

Hekgeld, Hekkegeld, o. (-en), tolgeld. *...JES, o. mv. (zeew.). *...KENSPRINGER, m. (-s), (fig.) wilde -, onbesuisde knaap, zwierbol.

[Heks]

Heks, v. (-en), toovenaarster, tooverheks; (fig.) leelijk oud wijf; (ook) sluw -, schalksch meisje; die kleine -! *-SCHEI, v. (-jen, B. -en), boom, slagboom. *-EN, ow. gel. (ik hekste, heb gehekst), tooveren (inz. van vrouwen). *-ENDANS, m. (-en). *-ENLIED, o. (-eren). *-ENMEEL, o. zekere plant. *-MEESTER, m. (-s), toovenaar, duivelbezweerder. *-ENPROCES, o. (-sen), (oudt.) regtsgeding wegens hekserij of tooverkunsten. *-ENWERK, o. gmv. tooverij; het is geen -, het is niet zeer moeijelijk. *-ENZANG, m. (-en).

[Heksluiter]

Heksluiter, m. (-s), de laatste van eenen stoet; (fig.) de laatstgeborene. *...STUK, o. (-ken), (zeew.) oplanger. *...STUT, m. (-ten), steunbalk. -TER, *...WERK, o. (-en), (zeew.) achterwerk.

[Hel]

Hel, v. gmv. onderwereld; verblijf der verdoemden; ga naar de -! (vloek); ter -le varen; zulk een leven is eene - (eene bestendige plaag); de - is los! de vervolging begint. *-, (zeew.) bergplaats; hok (voor oude lappen, oud ijzer enz.); pakhuis (voor aangehaalde goederen). *-, bn. en bijw. (-ler, -st), helder; vonkelend; schel (van stem).

[Helaas!]

Helaas! tw. uitroep van smart, - van droefheid.

[Held]

Held, m. (-en). *-IN, v. (-nen), die door moed -, (ook) door zielskracht uitmunt; (fab.) halfgod; hoofd-persoon (van eenen roman, een tooneelstuk enz.). *-DADIG, bn. en bijw. zie HELDHAFTIG.

[Heldenbloed]

Heldenbloed, o. gmv. bloed -, (ook) afkomst van eenen held. *...BRIEF, m. (...ven), brief in dichtmaat (dien beroemde mannen of vrouwen konden hebben geschreven). *...DAAD, v. (...aden). *...DEUGD, v. (-en). *...DICHT, o. (-en), uitgebreid dichtwerk (in zangen of boeken verdeeld), epos. -ER, m. (-s), episch dichter. *...EEUW, v. *...FEIT, o. (-en). *...GEEST, m. gmv. *..MOED, m. gmv. *...STUK, o. (-ken), heldendaad; (ook) hoog treurspel. *...TEELT, m. heldengeslacht. *...TIJD, m. (-en), heldeneeuw; (gesch.)

[p. 475]

tijd waarin Herkules, Theseus enz. hebben geleefd. *...TIJDVAK, o. gmv. eeuw der helden.

[Helder]

Helder, bn. en bijw. (-der, -st), klaar, licht; zuiver; blank; blinkend, doorzigtig; een - glas; een -e vloer; eene -e streep aan den hemel; - weêr; eene -e lucht; eene -e (zindelijke) meid; zij ziet er knap en - uit; een - oordeel; een - verstand; -e oogenblikken (van eenen krankzinnige); - (luid) op zingen; die zaak is mij niet -, niet duidelijk. *-EN, ow. zie OPHELDEREN. *-HEID, v. gmv. klaar-, lichtheid, welk eene - van denkbeelden; zindelijkheid, er heerscht netheid en -. *-TJES, (B. *-TJENS), bijw. zindelijk; dat hebben zij - opgeknapt (schoon gemaakt); (fig.) opgegeten; ter dege, zoo als het behoort.

[Heldhaftig]

Heldhaftig, bn. en bijw. (-er, -st), moedig, onversaagd, dapper. *-LIJK, bijw. op moedige wijze. *-HEID, v. gmv. heldenmoed.

[Heldin]

Heldin, v. (-nen), zie HELD.

[Heldoek]

Heldoek, m. (-en), (eert.) hoofdbekleedsel der friesche vrouwen. *...DONKER, *...DUISTER, bn. en o. gmv. halfdonker.

[Helen]

Helen, bw. gel. (ik heelde, heb geheeld), verbergen, verduisteren; gestolen goed koopen. *...LER, m. (-s), HEELSTER, v. (-s), verberger, opkooper, opkoopster (van gestolen goed); de heler is zoo goed (even strafwaardig) als de steler. *...LING, v. gmv. het helen.

[Helft]

Helft, v. (-en), het halve deel; (op recepten van geneesheeren aangewezen door het teeken §); ter -e; iets op de - doorsnijden.

[Helhond]

Helhond, m. gmv. (fab.) cerberus.

[† Helicon, Helikon]

Helicon, Helikon, m. (fab.) berg -, woonplaats der zanggodinnen.

[Heliocentrisch]

Heliocentrisch, bn. (sterr.) -e lengte, -e breedte. *...CHROMIE, v. de kunst om door de photographie de beelden der voorwerpen in hunne natuurlijke kleuren te verkrijgen. *...GRAPHIE, v. gmv. zonsbeschrijving. *...METER, m. (-s), *...SCOOP, m. (...open), zekere toestel (om in de zon te zien), zonnekijker, -glas, donker-kleurig glaasje. *...STAAT, m. (...aten), werktuig om eenen zonnestraal gedurende eenigen tijd in eene standvastige rigting te behouden. *...TROOP, v. (...open), zeker werktuig; (ook) zonnebloem.

[Hellebaard]

Hellebaard, m. (-en), (oudt.) lans, (ook) strijdbijl. *-IER, (ook HELLEBARDIER), m. (-s, -en), lansdrager; eene wacht van -s.

[Hellen]

Hellen, ow. gel. (ik helde, heb geheld), zie OVERHELLEN; (zeew.) op zijde -; een schip doen -; (fig.) dit laken helt naar (valt in) het groene. *-D, bn. (wisk.) een - vlak; de -e zijden.

[† Heller]

Heller, m. (-s), duitsch koperen muntje, penning (= 1/16 stuiver); (fig.) het is geen - (niets) waard.

[Hellenen]

Hellenen, m. mv. naam der oude Grieken (ook thans in verheven stijl). *...LENIST, m. (-en), griekenvriend; kenner der oud-grieksche taal.

[Helleveeg]

Helleveeg, v. (...egen), kwaadaardig wijf. *...WAARTS, bijw. naar de hel. *...WACHT, v. wachter der hel; helhond. *...WICHT, m. en v. (-en), booswicht, monster, verdoemde.

[Helling]

Helling, v. (-en), overhanging, schuinsche stand; schuinte; glacis; de - van eenen berg; (zeew.) zie SCHEEPSHELLING; OVERHELLING;

[p. 476]

(plant.) wijfjeshennep; (fig.) neiging, begeerte. *-SMETER, m. (bouwk.) werktuig om de meerdere of mindere helling te meten.

[Helm]

Helm, m. (B.v. als kruid, m.), metalen hoed, stormhoed; (apoth.) deksel van eene distilleerkolf; (plant.) duingras; vlies dat bij de geboorte over het hoofd des kinds zit; met den - geboren zijn, (waaraan door het bijgeloof een voorspellend vermogen wordt gegeven); orde van den ijzeren -, keurhessische ridderorde. *-BINDSEL, o. gedeelte van den helmdraad dat de beide hokjes van de helmknoppen aan elk. verbindt. *-DEK, o. (-ken), (wap.) uitgesneden dekstuk op den helm. *-DRAAD, m. (plant.). *-ET, o. (-ten), (dicht.) helm. *-GAT, o. (-en), kijkgat in het vizier. *-KAM, m. (-men). *-KNOP, m. (pen). *-KRANS, m. (-en), *-KUIF, v. (...ven), *-PLUIM, v. (-en), tooi -, sieraad boven op den helm. *-MAKER, m. (-s). *-PLANT, v. (-en), zeker gewas dat op de duinen groeit. *-PUNT, v. (-en). *-RIET, o. gmv. *-SPITS, v. (-en). *-STIJLTJE, (B. -N), o. (-s), (plant.) zaadstijltje. *-STOK, m. (-ken), (zeew.) stok -, handvatsel van het roer. *-STUK, o. (-ken). *-TEEKEN, o. (-s), (wap.) dekstuk boven een wapen. *-TOP, m. (-pen).

[Heloot]

Heloot, m. (...oten), (gesch.) naam der boeren of landbouwers van Lacedemonië, die naderhand tot slaven werden gemaakt; (fig.) een volk van heloten, (van onderdrukten).

[Helpen]

Helpen, bw. en ow. ong. (ik hielp, heb of ben geholpen), bijstaan, ondersteunen, redden; iem. in of bij iets -; God helpe mij! God sta mij bij; iem. uit den nood -; kunt gij mij met honderd gulden -? dat zal niet - (niet baten); ik kan het niet -, het is mijne schuld niet; zijne waren aan den man -, er koopers voor weten te vinden; een meisje aan den man - (uithuwen); kunt gij mij niet aan eene betrekking - (mij die bezorgen)? (spr.) van den wal in de sloot -, de zaak erger maken dan zij was; iem. naar de andere wereld -, hem doen sterven; iem. ergens van daan -, zorgen dat hij weg komt. ZICH -, ww. hij weet zich in alles te - (zich uit alles te redden); (spr.) helpt u zelven, zoo helpt u God; helpt u zelven, heeren! (aan tafel); help! help! noodkreet (inz. wanneer iem. in het water is gevallen); zoo waarlijk helpe mij God Almagtig! (formulier van den eed voor den regter). *...ER, m., *...STER, v. (-s), die helpt, bijstaat enz.; hulp; eene helpster op eene bewaarschool.

[Helpoel]

Helpoel, m. (-en), afgrond der hel.

[Helpzeel]

Helpzeel, o. (-en), gekruisde (meest) platte banden tot gemakkelijk voortstuwen van eenen kruiwagen dienstig.

[Helsch]

Helsch, bn. en bijw. (-er, meest -), tot de hel behoorende, uit de hel; op helsche -, duivelsche wijze; een - (afschuwelijk) bedrog, plan; - liegen; het -e werktuig (machine infernale), moordtoestel (tegen Napoleon I in 1800 en tegen Lodewijk Filips in 1831); -e steen, (nat.) lapis infernalis, salpeterzuur zilveroxyde.

[Hem]

Hem, pers. vnw. hem zien; hem (aan hem) geven. *-! tw. (ook hm!) om iem. te roepen.

[Hemd]

Hemd, o. (-en), kleedingstuk met mouwen (van linnen of katoen)

[p. 477]

dat men onder de andere kleêren draagt; engelsch -, overhemd van fijn linnen met plooisels; (spr.) het - is nader dan de rok, zich zelven of zijne naaste bloedverwanten moet men het eerst bedenken; iem. tot op het - uitkleeden of uitschudden, hem van alles berooven; tot op het - nat (doornat) zijn; geen - aan het lijf hebben, dood arm zijn. *-EBOORD, m. (-en), *-EKNOOP, m. (-en), -JE, (B. -N), o. (-s). *-EKRAAG, m. (...agen). *-ELOOS, bn. zonder hemd; (fig.) zeer arm.

[Hemdendoek]

Hemdendoek, *...LINNEN, o. (-s), stof -, linnen voor hemden. *...KLEED, o. (-en), doodshemd. -JE, (B. -N), o. (-s). *...NAAISTER, v. (-s). *...WASCHSTER, v. (-s). *...WASCHVROUW, v. (-en).

[Hemdrok]

Hemdrok, m. (-ken), borstrok. *...SLIP, v. (-pen). *...SMOUW, v. (-en), (spr.) alle dagen een draad is eene - in een jaar, met kleinigheden komt men er ook. *...STROOK, v. (-en).

[Hemel]

Hemel, m. (-en), het azuren gewelf waarin de wolken drijven; het uitspansel; onder den blooten -, niet onder dak; (spr.) - en aarde bewegen, alles in rep en roer brengen; (fig.) God; Voorzienigheid; de - zegene u; regtvaardige -! o -! alle huwelijken worden in den - gesloten; verblijf der gelukzaligen, het paradijs; hij is ten - gevaren; den - verdienen. *-, verhemelte (van een ledekant, boven eene troon, een altaar enz.). *-BESCHOUWING, v. (-en), waarneming der hemelverschijnselen, (ook) verhandeling daarover. *-BESCHRIJVING, v. (-en). *-BODE, m. en v. (-en), engel, godsgezant. *-BOL, m. (-len), globe; (ook) ster. *-BOOG, m. (...ogen), hemelsch gewelf. *-BROOD, o. gmv. manna (der Israelieten in de woestijn). *-DAUW, m. gmv. *-DRAGONDER, m. (-s), (fig.) vervolgzuchtige priester; (schijnheilige) vrome.

[§ Hemelen]

§ Hemelen, ow. gel. (ik hemelde, heb gehemeld), sterven.

[Hemelgewelf]

Hemelgewelf, o. gmv. *...GLOBE, m. (-s). *...HEER, m. gmv. de Heer des hemels, God. -, o. heirschaar der engelen. *...HOF, o. gmv. paleis der hemelen. -, m. gmv. paradijs, Eden. *...HOOG, bn. en bijw. zoo hoog als de hemel. *...KAART, v. (-en), (sterr.) kaart die de sterrebeelden aanschouwelijk voorstelt. *...KLOOT, v. (-en), hemelbol. *...KRING, m. (-en), hemelspheer. *...LICHT, o. (-en), ster, gestarnte. *...LIGCHAAM, o. (...amen), dwaalster; zon; hemelbol. *...LING, (B. HEMELING), m. en v. (-en), engel; gelukzalige. *...LOOP, m. gmv. loop der hemelligchamen, - van den dampkring. -KUNDE, v. gmv. sterrekunde. *...POORT, v. (-en). *...PLEIN, o. planispheer, afbeelding van minstens de helft des sterrenhemels op een plat vlak. *...RIJK, o. gmv. hemel, paradijs.

[Hemelsblaauw]

Hemelsblaauw, bn. en o. azuur; het -, kleur. *...BREED, bn. en bijw. naar de regte lijn; (ook fig.) dit verschilt - (oneindig veel) van elkander. -TE, v. gmv. kortste afstand. *...BROOD, o. zie HEMELBROOD.

[Hemelsch]

Hemelsch, bn. naar -, uit den hemel, goddelijk; de - e magten; (fig.) een - geluid; eene -e (goddelijke) stem. *-GEZIND, bn. vroom, godgevallig.

[Hemelstreken]

Hemelstreken, m. mv. windstreken. *...SFEER of *.. SPHEER, v.

[Hemelt]

Hemelt, o. masker van de meikever.

[Hemelteeken, Hemelsteeken]

Hemelteeken, Hemelsteeken, o. (-s), een der twaalf sterrebeelden van den dierenriem. *...TERGEND, bn. godslasterlijk; boos-aardig.

[p. 478]

*...TOORTS, v. (-en), (dicht.) dagtoorts, de zon. *...VAART, v. (r.k.) opstijging naar den hemel (inz. van Jezus Christus en Maria). -SDAG, m. (-en), het feest van Jezus hemelvaart. *...VAL, m. gmv. goddelijke zang; (ook) hemelsche wet. *...VERSCHIJNSEL, o. (-en), meteoor. *...VREUGD, v. gmv. zalig genot. *...WAARTS, bijw. naar den hemel; rigt uwe blikken -. -CH, bn. eene -e beweging, in de rigting van den hemel.

[† Hemispheer]

Hemispheer, v. (...eren), halfrond (der aarde, des hemels). *...STICHE, v. (-s, -n), (dichtk.) halve alexandrijnsche regel (6 of 7 lettergrepen).

[Hemmen]

Hemmen, bw. (w.g.) (ik hemde, heb gehemd), iem. hem! hem! toeroepen.

[† Hemorrhoïden]

Hemorrhoïden, v. (m.) aanbeijen.

[Hen]

Hen, pers. vnw. *-, v. (-nen), wijfje van eenen haan; kip; (fig.) eene - met sporen, een boos wijf.

[Hendrik]

Hendrik, orde van den Heiligen -, saksische ridderorde; orde van - den Leeuw, brunswijksche ridderorde.

[Henen]

Henen, bijw. zie HEEN.

[Hengel]

Hengel, m. (-s), lange stok met een snoer er aan om te visschen; hengelroede. *-AAR, m. (-s, -aren), -STER, v. (-s), die met eenen hengel vischt. *-EN, ow. (gel.) (ik hengelde, heb gehengeld), met den hengel visschen; fladderen; (zeew.) laveren; steeds op iemands zijde zijn (om iets te verkrijgen); om of naar iets -. *-KORF, m. (...ven), mand met hengsel en deksel. *-ROEDE, v. (-n), angelroede. *-SNOER, o. (-en), lijn aan den hengel vast; vischlijn.

[Hengsel]

Hengsel, o. (-s), oor, gekromd handvatsel; langwerpig ijzeren oor (aan deuren, vensters enz.), scharnier. *-KORF, m. (...ven). *-MAND, v. (-en). *-STOOF, m. (...oven), stoof met hengsel. *-TJE, (B. -N), o. (-s).

[Hengst]

Hengst, m. (-en), ongesneden paard; (fig.) fraai -, trotsch paard. *-EBRON, v. gmv. (fab.) bron van Apollo op den Helikon, dichterbron. *-IG, bn. (-er, -st), tochtig, heet.

[Henker]

Henker, m. (-s), beul, scherpregter.

[Hennebezie]

Hennebezie, v. (...ën), soort framboos. *...BOOM, m. (-en). *...GAT, o. (-en), (zeew.) opening waardoor de kop van het roer steekt. *...KLEED, o. doodkleed.

[Hennentaster]

Hennentaster, m. zie JANHEN.

[Hennep]

Hennep, m. gmv. vezelgewas; - braken, - hekelen, - broeiien, - te rotten leggen. *-BRAAK, v. gmv. *-AKKER, m. (-s). *-BREKER, m. (-s). *-BROEIJER, m. (-s). *-BROEIJING, v. (-en). *-EN, bn. van hennep; (fig.) een - venster, de galg. *-GOED, o. gmv. *-HEKEL, m. (-s). *-HEKELAAR, m. (-s). *-HEKELSTER, v. (-s). *-KAARDER, m. ...STER, v. (-s). *-LINNEN, o. (-s), linnen van hennep geweven. *-STOK, m. (-ken). *-TEELT, v. gmv. bebouwing -, aankweeking van den hennep. *-ZAAD, o. (...zaden). *-ZEEL, o. (-en), zie HELPZEEL.

[Her, Har]

Her, Har, v. (-ren), duim van eenen hengsel (van deuren enz.). *-, bijw. van ouds -, sedert ouden tijd. *-, onscheidbaar voorzetsel

[p. 479]

van vele werkwoorden, eene vernieuwing of herhaling aanduidende. 1)  

 1)  Kortheidshalve is bij de met HER zamengestalde werkwoorden de vervoeging niet opgegeven.

[Herademen]

Herademen, ow. gel. op nieuw ademen, bekomen.

[† Heraldiek]

Heraldiek, v. gmv. wapenkunde.

[† Heraut]

Heraut, m. (-en), wapenkoning; - van wapenen.

[Herbakken]

Herbakken, bw. gel. op nieuw bakken. *...BAREN, bw. gel. weder -, op nieuw baren.

[† Herbarium]

Herbarium, o. (-s), kruiden-, plantenboek, -kast; verzameling van kruiden.

[Herberg]

Herberg, v. (-en), huis waar men sterken drank tapt, - in het klein verkoopt; logement; (fig.) huisvesting; (spr.) de waarheid kan geen - vinden. *-EN, bw. gel. (ik herbergde, heb geherbergd), huisvesten; (fig.) toelaten. *-IER, m. -STER, v. (-s), die eene herberg houdt, logementhouder, -houdster. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine herberg. *-ZAAM, bn. en bijw. (...zamer, -st), gastvrij, bewoonbaar.

[Herbinden]

Herbinden, bw. ong. weder -, op nieuw binden. *...BLINKEN, ow. ong. weder -, op nieuw blinken. *...BLOEIJEN, (B...IEN), ow. gel. weder -, op nieuw bloeijen; (ook fig.). *-BOREN, bn. (B. van het oude BOREN verschijnen) weder geboren; - worden, herleven.

[Herbouw]

Herbouw, m. gmv. *-ING, v. (-en), hernieuwde bouw, nieuwe bouw. *-EN, bw. gel. weder -, op nieuw bouwen. *...BRENGEN, bw. onr. weder -, op nieuw brengen.

[† Herboriseren]

Herboriseren, ow. gel. (ik herboriseerde, heb geherboriseerd), kruiden zoeken, - zamelen.

[† Herculisch]

Herculisch, *...KULISCH, bn. zeer sterk, krachtig (naar Hercules).

[Herdagen]

Herdagen, bw. gel. op nieuw indagen, dagvaarden. *-, onp. w. weder dagen, dag worden. *...DENKEN, bw. onr. zich herinneren; doen -, weder in de gedachte brengen; eene gebeurtenis -, de herinnering er aan vieren; iem. -, hulde aan zijne nagedachtenis brengen; deze held werd plegtig herdacht. *...DENKING, v. gmv. herinnering (aan iets of iem.).

[Herder]

Herder, m. (-s), *-IN, v. (-nen), leider -, hoeder -, hoedster eener kudde; (fig.) geestelijke, priester. *-DOM, o. al de herders te zamen; de herdersstand. *-SLEVEN, o. gmv. *-LIJK, bn. en bijw. van -, als een herder; - leven; (fig.) een -e raad; -e brief, brief van een hoofd der kerk, van eenen bisschop of den paus, mandement. *-LOOS, bn. zonder herder; (fig.) zonder geestelijken leider.

[Herdersambt]

Herdersambt, o. (-en), ambt eens geestelijken. *...DANS, m. (-en), landelijke dans. *...DICHT, o. (-en). *...FLUIT, v. (-en). -JE, (B. -N), o. (-s). *...HOND, m. (-en). *...HOREN, m. (-s), horen waarop de herder blaast. *...HUT, v. (-ten). -JE, (B. -N), o. (-s). *...JONGEN, m. (-s), bediende van eenen herder. *...KNAAP, m. (...knapen), jonge herder. *...KOUT, m. gmv. onderhoud -, gesprek der herders onderling