I.[I]I, v. 9e letter van het alfabet; (rom. get.) 1; IV, 4; IX, 9; IL, 49; IC, 99; IICIɔ, 2000; IIICIɔ, 3000; IMI, 10000; i.p.i., in partibus infidelium, in het gebied of land der ongeloovigen (der niet-roomsch-katholieke christenen), van bisschoppen die slechts dezen titel voeren, doch geen bisdom onder hun beheer hebben; I.H.S., in hoc salis, hierin [ligt] de zaligheid; (ook) Jesus homine salvator, Jezus de heiland der menschen; (ook) Jesus hortator sanctuorum, Jezus de vermaner der heiligen; I.N.R.I., Jesus Nazarenus Rex Iudaeorum, Jezus van Nazareth, koning der Joden; I.N.D., in nomine Dei of Domini, in den naam Gods of des Heeren; I.N.S.T., in nomine Sanctae Trinitatis, in den naam der heilige Drieëenheid; ib., ibid., ibidem, aldaar, op dezelfde plaats, op dezelfde bladzijde; Ictus, Iurisconsultus, regtsgeleerde; id., idem, hetzelfde; imp., imperator, de Keizer, de bevelhebber; impr., zie IMPRIMATUR; inf., infra, beneden, verder in het boek; inz., inzonderheid; inv., invenit, hij heeft het uitgevonden (onder teekeningen enz.); it., item, insgelijks. [† Ibis]† Ibis, m. (-sen), Nijlreiger (vogel), bij de oude Egyptenaren als afgod vereerd. [† Icarus]† Icarus, m. (fig.) zinnebeeld van de onbezonnenheid der jeugd. [† Ichnographie]† Ichnographie, v. (...ën), plattegrond van een gebouw. [† Ichthyocolla]† Ichthyocolla, v. vischlijm. *...GRAPHIE, v. beschrijving der visschen. *...LITHEN, m. mv. versteeningen van visschen. *...LOGIE, v. gmv. vischkunde, kennis der visschen. *...PHAGEN, m. mv. vischeters. *...SAURUS, v. (-sen), vischhagedis (zeker dier uit de voorwereld). [† Icosaeder]† Icosaeder, m. (meetk.) twintigvlak. [† Ideaal]† Ideaal, o. (...alen), denkbeeldige voorstelling van iets in den toestand van volkomenheid; droombeeld. *-, *...ALISCH, bn. slechts in de gedachte bestaande, denkbeeldig. *...ALISEREN, bw. gel. (ik idealiseerde, heb geïdealiseerd), boven de werkelijkheid verheffen, veredelen. [† Idee, Idé]† Idee, Idé, v. en o. (...ën), voorstelling, begrip; denkbeeld, gedachte; ontwerp, plan. [† Identisch]† Identisch, bn. eenerlei, gelijkgeldend; gelijk en gelijkvormig;
gelijkluidend. *...TITEIT, v. gmv. eenzelvigheid, volkomene overeenstemming, persoonsgelijkheid. [† Idioom]† Idioom, o. landspraak, tongval, taaleigen. *...OOT, m. (...oten), halve krankzinnige, stompzinnige, iem. met een zwak hersengestel. *...OTISMUS, o. stompzinnigheid. [† Idiosyncrasie]† Idiosyncrasie, v. eigenaardige vatbaarheid voor zekere indrukken. [† Idus]† Idus, m. (ides), (bij de oude Romeinen) de 15de dag der maanden Maart, Mei, Julij en October en de 17de dag der overige maanden. [† Idylle]† Idylle, v. (-n), herdersdicht, landelijk gedicht. *...LISCH, bn. landelijk, eenvoudig. [Iebenboom]Iebenboom, m. (-en), iepenboom, taxis. [Ieder]Ieder, bn. en vnw. elk, elke, iedereen; een -. *...GELIJK, vnw. ieder, wie ook; elk en een -. *...MAND, vnw. (aanduiding van een onbepaalden persoon); een zeker -; - anders. [Iep]Iep, *-ENBOOM, m. (-en), zekere boom. [Ier]Ier, m. (-en), inboorling van Ierland. *-SCH, bn. van -, uit Ierland. *-SCHE, v. vrouw uit Ierland. [Iet]Iet, *-WES, mv. iets; als niet komt tot - dan is 't allemans verdriet, daar is niet erger dan een gek die fortuin gemaakt heeft. [Iets]Iets, o. eene onbepaalde zaak, een ongenoemd voorwerp; een weinig, een gedeelte; - of wat, min of meer. [↑ Iewers]↑ Iewers, bijw. ergens. [† Ignorantie]† Ignorantie, v. gmv. onwetendheid, domheid. *...REREN, bw. gel. (ik ignoreerde, heb geïgnoreerd), niet weten, niet willen weten, zich onkundig (van iets) houden. [† Ijar]† Ijar, m. (hebr. woord) de achtste maand van den israel. kerkelijken kalender. [IJdel]IJdel, bn. en bijw. (-er, -st), ledig; niet omsloten; onnut, vruchteloos, beuzelachtig; ongegrond; niet duurzaam; een - mensch, een zot, een ingebeelde; -e (onnutte) dingen; -e (vergeefsche) pogingen; -e hoop, die niet vervuld wordt of kan worden; het -, de ledige ruimte, de lucht. *-DARM, m. (-en), (fig.) veelvraat, gulzigaard. *-HEID, v. (...heden), onbestemdheid, nietigheid. *-LIJK, bijw. zonder nut, buiten noodzakelijkheid; gij zult den naam des Heeren niet - uitspreken. *-TUIT, v. (-en), ligtzinnig vrouwspersoon. *-TUITEN, ow. gel. (ik ijdeltuitte, heb geijdeltuit), los -, onbedachtzaam leven; zich dom houden. *-TUITIG, bn. (-er, -st), dom; onbesuisd, los; behaagziek. -HEID, v. [IJf]IJf, m. (ijven), (B. YFEL), iepenboom. [IJk]IJk, m. (-en), geslagen of gebrand merk op maten en gewigten (ten teeken hunner echtheid); (ook) plaats waar geijkt wordt. *-EN, bw. gel. (ik ijkte, heb geijkt), zulke merken inslaan of inbranden; (fig.) als wettig erkennen; deze uitdrukking is geijkt (heeft het burgerregt in de taal gekregen); herijk, tweede ijk. *-ER, m. (-s), ambtenaar met het ijken belast; arrondissements-. *-ING, v. het ijken. *-KANTOOR, o. (...oren). *-IJZER, o. (-s), werktuig van den ijker. *-MAAT, v. (...aten). *-MEESTER, m. (-s), ijker. [IJl]IJl, v. (B.m.), haast, spoed; bespoediging; in der -, in aller -. *-, bn. (-er, -st), ledig, hol; -e haring; (nat.) digt, poreus. *-BODE, m. (-n), in allen haast afgezonden bode. *-EN, ow. gel. (ik ijlde, heb geijld), haast -, spoed hebben; ijlings voortloopen; verward -, onzamenhangend spreken (van eenen koortslijder); eene -de koorts. *-GOED, o. (-eren), goederen die op eenen spoorweg met den sneltrein vervoerd worden. *-HOOFD, o. (en), dolleman, onbesuisde. *-HOOFDIG, bn. (-er, -st), ijl in het hoofd; onbesuisd. -HEID, v. (...heden), buitensporigheid, onbesuisde handeling; leêgheid; onlijvigheid. *-INGS, of *-LINGS, bijw. in aller ijl, in grooten haast; met veel spoed. *-TUIT, m. zie IJDELTUIT. [IJm]IJm, v. (-en), imme, honigbij. [IJp]IJp, *-ENBOOM, m. (-en), iepenboom, soort olmboom. *-ELAAR, m. (-s), (dicht.) ijpenboom. *-EN, bn. van ijpenhout. *-ENBOSCH, o. (...bosschen), bosch van ijpenboomen. *-LAAN, v. (...anen). [IJs]IJs, o. gmv. bevrozen water; verversching uit ijs bereid (bij banketbakkers); beslagen of onbeslagen ten - komen, voorbereid of niet voorbereid op iets zijn; het - breken, de eerste moeijelijkheden te boven komen; op glad - staan, in gevaar verkeeren. *-BAAN, v. (...banen), geveegde plek op het ijs voor de schaatsenrijders. *-BANK, v. (-en), opeengestapelde ijsschotsen (in eene rivier of in de zee) die de vaart belemmeren. *-BEER, m. (-en), witte beer in de noordelijke ijsstreken. *-BERGEN, m. mv. drijvende ijsschotsen (opeengepakt en van ontzaggelijke grootte). *-BLINK, v. (zeew.), helderwitte glans aan den gezigteinder (een gevolg van den weêrschijn der ijsvelden). *-BREKER, m. (-s), schip van eene zaag voorzien om door het ijs te komen. *-BRUG, v. (-gen), brug over het ijs gelegd. *-DAM, m. (-men), zie IJSBANK. *-GANG, m. gmv. het losgaan van het ijs, sterke drift van het ijs. *-GROTTEN, v. mv. natuurlijke holte in bergen waarin het ijs gedurende het geheele jaar gevonden wordt. *-HAAK, m. (...haken), *-HAMER, m. (-s), werktuig om het ijs los te maken. *-KEGEL, m. (-s), bevrozen groote hangende waterdroppel. *-KELDER, m. (-s), kelder waarin ijs bewaard wordt (van de banketbakkers); (fig.) het is hier een -, hier in de kamer is het verschrikkelijk koud. *-KOUD, bn. zoo koud als ijs. *-KRAP, v. (-pen), soort spoor onder de schoenen om gemakkelijk op het ijs te kunnen loopen. *-KRUID, o. gmv. zekere plant. *-LANDSCH, bn. van het eiland IJsland; -e mos, geneeskrachtig mos; -e spath, dubbelspath. *-MAKER, m. (-s), bereider van ververschings-ijs. *-MEEUW, v. (-en), zekere vogel. *-PLANT, v. (-en), zekere plant. *-PUNT, o. zie VRIESPUNT. *-SCHOL, v. (-len), *-SCHOTS, v. (-en), zwaar stuk ijs. *-SCHOTELTJE, (B. -N), o. (-s), bakje waarop het ververschings-ijs wordt toegediend. *-SLEDE, v. (-n), slede waarmede men over het ijs of de sneeuw rijdt. *-SPOOR, v. (...oren), zie IJSKRAP. *-VOGEL, m. (-s), zekere watervogel. *-ZEE, v. [IJselijk, IJsselijk]IJselijk, IJsselijk, (B. IJSLIJK), bn. en bijw. (-er, -st), verschrikkelijk, afgrijselijk. *-HEID, v. (...heden). [IJsselsteen]IJsselsteen, m., *...MOPPEN, mv. soort metselsteen. [IJvenboom]IJvenboom, m. (-en), iepenboom. [IJver]IJver, m. gmv. sterke drift (bij de behartiging van iets); hevig gevoel (voor iets); het vurig streven (ter bereiking van zeker doel); hartstogt; vuur; voortvarendheid; liefde; zucht. *-AAR, m. (-s), *-AARSTER, v. (-s), vurig aanhanger, vurige aanhangster. *-EN, ow. gel. (ik ijverde, heb geijverd), (eene zaak) met warmte voorstaan of behartigen; (iemands belangen) met opoffering waarnemen; eene sterke drift (voor iets) toonen. *-END, bn. *-GLOED, m. gmv., *-HITTE, v. gmv. vuur van den ijver. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), vurig, driftig; vlijtig, arbeidzaam, naarstig. *-LOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), zonder ijver, achteloos, koel. *-LOOSHEID, v. gmv. *-VUUR, o. gmv., *-ZUCHT, v. gmv. jaloezij, jaloerschheid; naijver. *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st). [IJzegrim]IJzegrim, m. (-men), verdrietig -, knorrig -, korzelig mensch, uitbijter. *-MIG, bn. (-er, -st). [IJzel]IJzel, gmv. bevrozen fijne regen. *-EN, onp. w. gel. (het ijzelde, heeft geijzeld), neêrvallen van bevroren fijnen regen (waardoor de straten glad worden). [IJzen]IJzen, ow. gel. (ik ijsde, heb geijsd), verstijven, koud worden (van schrik); beven van vrees; van afgrijzen bevangen worden; ik ijs er van of voor; zie DOORIJZEN. *...ZIG, bn. (-er, -st), met ijs bedekt; zeer -, scherp koud; het - noorden. *...ZING, v. het ijzen. [IJzer]IJzer, o. metaal; blad-, staf-, gegoten -, geslagen -; ijzeren plaat; ijzerblad; het - van eene werpspies of lans; oud -, oude ijzeren voorwerpen; hang-, ploeg-, oor-, strijk-, wafel- enz., zie op deze woorden; ik heb -, ik houd het (eenig voorwerp) vast (in een kinderspel); (spr.) nood breekt -, als men in nood verkeert ontziet men niets; dat is een heet - om aan te vatten, dat is eene moeijelijke zaak om te beginnen; het - smeden terwijl het heet is, eene gunstige gelegenheid niet ongebruikt laten voorbijgaan; men kan geen - met handen breken, het onmogelijke is niet te doen; hij is van - en staal, hij is een zeer sterk (grof) mensch; -s, boeijen, kluisters. *-AARDE, v. gmv. aarde met ijzerdeelen vermengd. *-AARDIG, *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als ijzer, op ijzer gelijkende. *-ADER, v. (-s), ader eener ijzermijn. *-ARTSENIJ, v. (-en), artsenij waarin ijzer en ijzerroest zijn opgenomen. *-BAAN, v. (...anen), ijzeren spoorweg. *-BESLAG, o. gmv. (op eene deur enz.). *-BLAD, o. (-en), geslagen ijzer. *-BLIK, o. gmv. dunne ijzeren plaat. *-BLOEM, v. (scheik.). *-BOOM, m. (-en), (scheik.). *-BOUT, m. (-en), ijzeren bout. *-CHLORUUR, *-CHLORIDE, o. (scheik.) verbinding van het ijzer met chloor. *-CYANUUR, *-CYANIDE, o. (scheik.) verbinding van ijzer met cyan. *-DRAAD, m. (...aden), draad van ijzer getrokken. *-DRAADTREKKER, m. (-s). *-DROPPELS, m. mv. (gen.). *-EN, bn. van ijzer, uit ijzer vervaardigd; - kist, geldkist; de - eeuw, tijd van vervolging en slechtheid onder de menschen; een - (vaste, onwrikbare) wil. *-ERTS, m. gmv. aarde met ijzer vermengd. *-FABRIEK, v. (-en), fabriek waar ijzer verwerkt wordt. *-GAREN, o. (-s), zeer sterk naaigaren. *-GIETER, m. (-s). *-GIETERIJ, v. (en). *-GLANS,
o. verbinding van ijzer met zuurstof. *-GRAAUW, bn. (-er, -st), zekere kleur. *-GROEF, v. (...ven), *-GROEVE, v. (-n), ijzermijn. *-HANDEL m. gmv. handel in ijzer, - in ijzerwaren. *-HARD, bn. zoo hard als ijzer. *-HOUDEND, bn. ijzerdeelen bevattende. *-HUT, v. (-ten), smidse, ijzergieterij. *-JODUUR, o. verbinding van ijzer met jodium. *-KLEUR, v. gmv. *-KLEURIG, bn. (-er, -st). *-KLOVERIJ, v. het kloven van het ijzer tot staven. *-KOEK, m. (-en), wafel, oublie. *-KOOPER, m. (-s), handelaar in ijzer. *-KRAAM, v. (...amen). *-KRAMER, *-VERKOOPER, m. (-s). *-KRUID, o. gmv. zekere plant. *-MELK, v. gmv., *-MIDDEL, o. (-en), geneesmiddel waarin ijzer- of staaldeelen komen. *-MIJN, v. (-en). *-OER, o. een phosphorus bevattende ijzererts. *-OXYDE, *-OXYDULE, o. verbinding van ijzer met zuurstof. *-PLAAT, v. (...aten), ijzeren plaat. *-PROEF, v. (...ven), onderzoeking van het ijzer; (oudt.) zeker godsoordeel, ordalie. *-ROEST, m. gmv. *-SCHROOT, o. kleine korrels en brokjes ijzer. *-SCHUIM, o. gmv. schuim van ijzer dat gesmolten wordt. *-SINTELS, m. mv. (scheik.). *-SLAG, o. gmv. hamerslag, wat onder het smeden van het ijzer afvliegt. *-SMEDERIJ, v. (-en). * -SMELTERIJ, v. (-en). *-SMET, v. (-ten), roestvlek. *-SMID, m. (...eden). *-VARKEN, *-VERKEN, o. (-s), egel, zeker dier. *-VERKOOPER, m. (-s). *-VIJLSEL, o. gmv. wat bij het vijlen van het ijzer afvalt. *-VITRIOOL, o. gmv. *-VONK, v. (-en), vonk van gloeijend ijzer.*-VRETER, m. (-s), (fig.) voorvechter, vechtersbaas. *-WAREN, v. mv. *-WERK, o. (-en), allerlei ijzeren voorwerpen. *-WINKEL, m. (-s). *-WORDING, v. gmv. *-ZOUT, o. (scheik.). *-ZUUR, o. (scheik.). [Ik]Ik, pers. vnw. *-, o. het -. *-HEID, v. individualiteit, persoonlijkheid. [Ikker]Ikker, m. zie NIKKER. *-IG, bn. (-er, -st), trotsch, hoovaardig. *-IJ, *-SCHAP, v. hoogmoed. [† Ilias]† Ilias, m. naam van een heldendicht van Homerus. [† Illegaal]† Illegaal, bn. (...aler, -st), onwettig, onregtmatig. *...GALITEIT, v. (-en), onwettigheid, onregtmatigheid. *...GITIEM, bn. (-er, -st), onwettig, -lijk, onecht. [† Illiberaal]† Illiberaal, bn. (...aler, -st), onedel; niet vrijzinnig. *...BERALITEIT, v. (-en), onedelmoedigheid. *...CITE, bn. ongeoorloofd. *...CO, bijw. terstond, dadelijk. *...QUIDE, bn. nog niet vereffend, nog niet te vereffenen (b.v. eene rekening). [† Illuderen]† Illuderen, bw. gel. (ik illudeerde, heb geïlludeerd), honen, bespotten, voor den gek houden; verijdelen; ontwijken. *...MINATEN, m. mv. zekere sekte van dweepers, verlichten. *...MINATIE, v. (...ën), feestelijke verlichting. *...MINEREN, bw. gel. (ik illumineerde, heb geillumineerd), feestelijk verlichten; kleuren, met kleuren afzetten (kaarten). *...SIE, v. (...ën), verblinding, begoocheling; zinsbedrog, hersenschim; maak u geen illusiën, verwacht geen dingen die niet gebeuren kunnen. *...STRATIE, v. (...ën), opheldering, verklaring; glans; plaatwerk; (fig.) persoon die luister over zijn land verspreidt; de buitenlandsche illustratiën, de fransche -, engelsche -, duitsche enz. tijdschriften met platen. *...STRE, bn. voortreffelijk, uitstekend; doorluchtig.
*...STREREN, bw. gel. (ik illustreerde, heb geïllustreerd), ophelderen, verklaren; glans -, luister (aan iets) bijzetten; verheerlijken; met afbeeldingen voorzien (een boek). [† Imaginair]† Imaginair, bn. en bijw. denkbeeldig, hersenschimmig, ingebeeld, vermeend. *...NATIE, v. inbeelding, verbeeldingskracht. *...NEREN, bw. gel. ZICH -, ww. (ik imagineerde [mij], heb [mij] geimagineerd), uitdenken, zich voorstellen, zich inbeelden. [† Imam, Iman]† Imam, Iman, m. (-s), turksch priester. [† Imbeciel]† Imbeciel, *...CILLE, bn. stompzinnig, onnoozel, wezenloos. *...CILITEIT, v. beperktheid van geestvermogens, wezenloosheid. [† Imitatie]† Imitatie, v. (...ën), navolging; het nagevolgde, copie. *...TEREN, bw. gel. (ik imiteerde, heb geïmiteerd), navolgen, nabootsen. [† Immaterieel]† Immateriëel, bn. onstoffelijk, onligchamelijk. *...TRICULEREN, bw. gel. (ik immatriculeerde, heb geïmmatriculeerd), inschrijven, opnemen als lidmaat; zich laten -, als lidmaat opgenomen worden (bij een kerkgenootschap); de geïmmatriculeerden, de lidmaten. *...TURITEIT, v. gmv. onrijpheid; de - in aanmerking genomen, overwegende dat hij (of zij) nog niet oud genoeg is om... [Imme]Imme, v. (-n), bij, honigbij; -n houden. *-KER, m. (-s), bijenhouder. *-NKORF, m. (...ven), *-NSTAL, m. (-len), bijenkorf. [† Immediaat]† Immediaat, bn. en bijw. onmiddellijk, regtstreeksch, regtstreeks, zonder tusschenkomst van eenen derde. *...DIATISEREN, bw. gel. (ik immediatiseerde, heb geïmmediatiseerd), onafhankelijk maken. *...MORABEL, bn. onheugelijk. [† Immensiteit]† Immensiteit, v. gmv. onmetelijkheid. *...SURABILITEIT, v. gmv. onmeetbaarheid. [Immer]Immer, *-MEER, bijw. ooit, altoos, altijd; telkens, steeds, aanhoudend; van dag tot dag; door alle tijden heen. *-s, bijw. en vw. in waarheid, zeker, zekerlijk, trouwens. [† Immersie]† Immersie, v. (...ën), zie EMEKSIE. [† Immigrant]† Immigrant, m. (-en), landverhuizer die reeds in een vreemd land gevestigd is. *...NENT, bn. (-er, -st), nakend, dreigend; gij stelt u aan een - gevaar bloot. [† Immissie]† Immissie, v. (...ën), geregtelijke toewijzing. [† Immobiel]† Immobiel, bn. (-er, -st), onbewegelijk. *...BILIËN, mv. immobilair eigendom, onroerende -, vaste goederen (landerijen, huizen enz.). *...BILITEIT, v. onbewegelijkheid. *...DERAAT, bn. (...ater, -st), onmatig, overdreven. *...DEST, bn. (-er, -st), niet passend, onwelvoegelijk; niet bescheiden. *...LEREN, bw. gel. (ik immoleerde, heb geimmoleerd), opofferen. *...RAAL, bn. (...aler, -st), onzedelijk. *...RALITEIT, v. onzedelijkheid. [† Immortaliteit]† Immortaliteit, v. gmv. onsterfelijkheid. *...TELLEN, v. mv. zekere bloemen die eene langere duurzaamheid bezitten dan andere, stroobloemen. [† Immuniteit]† Immuniteit, v. (-en), ontheffing van openbare lasten, vrijdom van regten, voorregt; kwijtschelding van afkeuringsteekens (op de gymnasia). [† Impardonnabel]† Impardonnabel, bn. (-er, -st), onvergeeflijk. *...TIAAL, bn. (...aler, -st), onpartijdig, niet eenzijdig. *...TIALITEIT, v. onpartijdigheid. [† Impassibiliteit]† Impassibiliteit, v. gmv. ongevoeligheid, onvatbaarheid voo lijden; (fig.) het terugstootende (in iemand), gestrenge ernst. [† Impediëren]† Impediëren, bw. gel. (ik impediëerde, heb geïmpediëerd), verhinderen. *...DIMENT, o. (-en), verhindering, hinderpaal, belemmering. [† Impenderen]† Impenderen, bw. gel. (ik impendeerde, heb geïmpendeerd), aanwenden. [† Impenetrabel]† Impenetrabel, bn. (-er, -st), ondoorgrondelijk. *...BILITEIT, v. gem. ondoordringbaarheid. [† Impensen]† Impensen, mv. kosten, uitgaven, onkosten. [† Imperatief]† Imperatief, m. (taalk.) gebiedende wijs. *-, bn. en bijw. (...ver, -st), gebiedend, gelastend, bevelenderwijs. *...RATOR, m. (rom. gesch.) opperbevelhebber eens legers, veldheer; keizer. *...RATORISCH, bn. gebiedend; keizerlijk. *...RATORINE, o. (scheik.) zekere extractiefstof in den meesterwortel. [† Imperceptifoel]† Imperceptibel, bn. (-er, -st), onmerkbaar. *...FECT, bn. onvolmaakt, niet voltooid, gebrekkig. *...FECTIE, v. onvolkomenheid, gebrek. [† Imperiaal]† Imperiaal, bn. keizerlijk; - papier, papier van het grootste formaat; (gesch.) de imperialen of imperialisten, de keizerlijken. *...RIALE, v. (-n), bovendeel van een rijtuig; kinbaardje; keizersbloem. *...RIEUS, bn. (...zer, -st), gebiedend, heerschzuchtig. *...RIUM, o. opperheerschappij, oppermagt; een - in imperio, eene magt in eene magt (b.v. het gezag der Kerk zich mengende in het staatsgezag). [† Impertinent]† Impertinent, bn. (-er, -st), onbehoorlijk, ongeschikt; onbeschaamd, overmoedig, brutaal. *-IE, v. (...ën), onbetamelijkheid, onbeschoftheid; overmoed; ik laat mij van u geen impertinentiën zeggen (niet beleedigen). [† Impetrant]† Impetrant, m. (-en), (regt.) eischer; verzoeker. *...TREREN, bw. gel. (ik impetreerde, heb geïmpetreerd), eischen, klagen, verzoeken, vorderen. *...TUEUS, bn. (...zer, -st), onstuimig, luidruchtig. *...TUOSITEIT, v. onstuimigheid, drift. [† Impiëteit]† Impiëteit, v. (-en), goddeloosheid, snoodheid, zonde. [† Impitoyabel]† Impitoyabel, bn. (-er, -st), onmededoogend, hardvochtig, onbarmhartig. [† Implacabel]† Implacabel, bn. (-er, -st), onverzoenlijk; onverzoenbaar. [† Implicatie]† Implicatie, v. (...en), verwikkeling, verwarring. *...CEREN, bw. gel. (ik impliceerde, heb geïmpliceerd), verwikkelen, (iem.) betrekken (in eene zaak). *...CIET, bn. mede in betrokken, van zelf in begrepen. [† Implorant]† Implorant, m. (-en), aanzoeker (om hulp enz.), klager, eischer. *...REREN, bw. gel. (ik imploreerde, heb geïmploreerd), afsmeeken (hulp), aanzoek doen (bij iem. om iets). [† Impoenitentie]† Impoenitentie, v. onboetvaardigheid. [† Imponderabiliën]† Imponderabiliën, *...LIA, mv. (nat.) onweegbare stoffen. [† Imponeren]† Imponeren, bw. ow. gel. (ik imponeerde, heb geïmponeerd), opleggen (b.v. het stilzwijgen aan iem.); eerbied -, ontzag inboezemen. *...POPULAIR, bn. (-er. -st), niet in achting -, niet bemind bij
het volk; te hoog -, te verheven voor het volk. *...POPULARITEIT, v. zijne - is groot, het volk heeft eenen afkeer van hem, - wil niets van hem weten. [† Import]† Import, m. invoer. *-EN, mv. (kooph.) invoerartikelen. *-ABEL, bn. (-er, -st), invoerbaar, geoorloofd in te voeren. *-ANT, bn. (-er, -st), gewigtig, belangrijk, van belang. *-ANTIE, v. gmv. belangrijkheid, gewigt; aanzien, invloed. *-ATIE, v. goederen-invoer. *-EREN, bw. gel. (ik importeerde, heb geïmporteerd), invoeren; van belang zijn; deze zaak importeert mij weinig, ik stel er weinig belang in. *-UNEREN, bw. gel. (ik importuneerde, heb geïmportuneerd), lastig vallen, ongelegen komen. [† Imposant]† Imposant, bn. (-er, -st), ontzaginboezemend, eerbiedwekkend. *...SEREN, bw. zie IMPONEREN en IMPOSTEREN. [Impost]Impost, m. (-en), belasting, accijns op voorwerpen van verbruik; verbruiksbelasting; regten. *-EREN, bw. gel. (ik imposteerde, heb geïmposteerd), belasten, eenen impost leggen op, - heffen van. *-MEESTER, m. (-s), ontvanger der belastingen, belastinggaarder. [† Impotent]† Impotent, bn. (-er, -st), onvermogend, onmagtig, onbekwaam; ziek, sukkelende. *-IE, v. gmv. mannelijk onvermogen; onbekwaamheid; onbevoegdheid; zwakte. [† Impracticabel]† Impracticabel, bn. (-er, -st), ondoenlijk, onuitvoerbaar; onbegaanbaar (van eenen weg). [† Impraegnatie]† Impraegnatie, v. (...ën), bevruchting; (scheik.) verzadiging, oplossing. *...NEREN, bw. gel. (ik impraegneerde, heb geïmpraegneerd), bevruchten; doen doortrekken; (scheik.) verzadigen, oplossen. [† Impraescriptibel]† Impraescriptibel, bn. onverjaarbaar (van schuldvorderingen enz.). [† Impraticabel]† Impraticabel, bn. (-er, -st), onuitvoerbaar. [† Imprecatie]† Imprecatie, v. (...ën), verwensching, vloek. [† Impressie]† Impressie, v. (...ën), indruk; invloed. *-F, bn. (...ver, -st), indrukmakend, - wekkend. [† Imprimatur]† Imprimatur, (boekdr.) het kan of mag afgedrukt worden, goed om af te drukken. [† Improbabel]† Improbabel, bn. (-er, -st), onwaarschijnlijk. *...BANT, bn. niet bewijzend. *...BATIE, v. (...ën), afkeuring. *...BEREN, bw. gel. (ik improbeerde, heb geïmprobeerd), afkeuren, verwerpen. *...BITEIT, v. oneerlijkheid, slechtheid, goddeloosheid. *...DUCTIEF, bn. niet voortbrengend, niets opleverend. *...FITABEL, bn. onvoordeelig, geen genot of voordeel verschaffende. [† Impromptu]† Impromptu, o. (-s), iets wat onmiddellijk nadat het was bedacht of uitgedacht is gedaan, gemaakt of uitgevoerd (b.v. voor de vuist vervaardigd gedicht of verhaal, zeer snel bereide maaltijd). [† Improvisatie]† Improvisatie, v. (...ën), voor de vuist gemaakt dichtstuk, niet vooraf op schrift gestelde toespraak of redevoering. *...SATOR, m. (-en), dichter -, spreker voor de vuist. *...SATRICE, v. (-s), spreekster -, dichteres voor de vuist. *...SEREN, bw. gel. (ik improviseerde, heb geïmproviseerd), voor de vuist spreken. [† Imprudentie]† Imprudentie, v. (...ën), onvoorzigtigheid. [† Impudentie]† Impudentie, v. (...ën), onbeschaamdheid, schaamteloosheid. [† Impugnatie]† Impugnatie, v. (...ën), bestrijding, aanvechting. [† Impuls]† Impuls, m. *-IE, v. aandrift, drang, prikkel, aansporing, beweeggrond. *-IEF, bn. aandrijvend, prikkelend. [† Impuniteit]† Impuniteit, v. straffeloosheid, het uitblijven der straf. [† Imputabel]† Imputabel, bn. toerekenbaar. *...TATIE, v. toerekening; aantijging. *...TEREN, bw. gel. (ik imputeerde, heb geïmputeerd), toerekenen (iets aan iem.), ten laste leggen, aantijgen. [In]In, vz. - (binnen het) huis; - (binnen) de stad; - (gedurende) den zomer; - (tegen, naar) het einde; zij is goed - de dertig, zij is ver over de dertig jaren oud; - (onder) het spreken; - het zwart gekleed, zwarte kleederen dragende; - (binnen, over) drie dagen; - (tegen) den wind; - het openbaar, publiek; - (op) de straat; - (met) ijzer handelen; - goud werken, gouden voorwerpen vervaardigen. [† In]† In: in abstracto, in het algemeen, op zich zelf beschouwd; in blanco of bianco, wit, onbeschreven, oningevuld; in bonis, bij kas, gegoed; in calculo, in de berekening, in getal; in casu, in casum, in geval, in deze zaak; in causa, in de regtszaak; in concreto, in een bepaald getal, in werkelijkheid; in continenti, dadelijk, op staande voet, onverwijld; in corpore, gezamenlijk; in culpa, strafbaar, schuldig; in curia, op het raadhuis, voor het geregt; in deposito, in bewaring; in dorso, op de keerzijde, op den rug (van wissels enz.); in dubio, in twijfel, te betwijfelen; in duodecimo, boekformaat van 24 bladzijden per vel; in duplo, dubbel, twee; in extenso, volledig, uitvoerig; in facto, door de daad zelve, eigenmagtig; in favorem, ter gunste; in fidem, ter bevestiging, ten waarborg; in flagranti facto of delicto, op heeterdaad; in folio, in het boekformaat van 2 bladen of 4 bladzijden per vel; in honorem, ter eere, uit achting; in ipso termino, op den vastgestelden dag; in loco, op de plaats, ter behoorlijke plaatse; in mandatis, in last, als bevel; in margine, op den rand of kant (van een blad); in natura, in natuur, in den natuurlijken toestand; in nomine, in naam; in nomine Dei, in den name Gods; in nostri casu, in ons (tegenwoordig) geval; in obscuri, in het verborgen, ongemerkt; in octavo, in het boekformaat van 8 bladen of 16 bladzijden per vel; in optima forma, in den besten vorm, volkomen; in originali, in het oorspronkelijke schrift, in handschrift; in pace, in vrede; in parenthesis, tusschen haakjes, tusschen beide; in perpetuum, voor altijd; in petto, in de borst, in den zin; in gereedheid, in voorraad; iets in petto houden of bewaren (tot gelegener tijd); in pleno, in volle vergadering; in pontificalibus, in feesttooi, in priesterlijke ambtskleeding; in praxi, in de uitoefening; in puris naturalibus, geheel naakt; in quantum de jure, voor zoo ver de regten het veroorloven; in salve, in zekerheid; in sedecimo, in het boekformaat van 16 bladen of 32 bladzijden per vel; in solidum, allen voor één en één voor allen (b.v. borg blijven, in de kosten veroordeeld worden); in statu quo, in den tegenwoordigen toestand; in summa, in het geheel, te zamen genomen; in suspenso, in
twijfel, niet uitgemaakt, hangende; in termino, op den bepaalden dag of termijn; in triplo, in drievoudig afschrift; in usu, gewoon; in gebruik; in vicem, wederkeerig, onderling. [† Inaccessibel]† Inaccessibel, bn. ontoegankelijk. *...ACCURAAT, bn. onnaauwkeurig, slordig. [Inachtneming]Inachtneming, v. gmv. waarneming; zorg (voor iets). [† Inactief]† Inactief, bn. werkeloos, ledig, in rust. *...TIVITEIT, v. werkeloosheid, staat van rust. [Inademen]Inademen, bw. gel. l) door den neus naar of tot zich halen. *...ADEMING, v. (-en). |
l) Even als bij de werkwoorden met DOOR en HER zamengesteld, zullen wij bij die welke met IN zijn zamengesteld, de vervoeging weglaten, met verwijzing naar de werkwoorden zelven zonder de voorvoegsels.
|
[† Inadvertentie]† Inadvertentie, v. gmv. onbedachtzaamheid. *...ALIËNABEL, bn. onvervreemdbaar. *...ALTERABEL, bn. onveranderlijk, niet aan bederf onderhevig. *...AMOVIBEL, bn. onafzetbaar; onherroepelijk. *...ANITEIT, v. gmv. nietigheid. *...ANITIE, v. uitputting, afmatting, krachteloosheid; hongerdood. *...APPELLABEL, bn. onbevoegd tot -, niet vatbaar voor hooger beroep. *...ATTENTIE, v. gmv. onoplettendheid, achteloosheid, nalatigheid. *...AUGURATIE, v. (...ën), plegtige bevestiging in eene waardigheid; inwijding; -geschrift. *...AUGUREREN, bw. gel. (ik inaugureerde, heb geïnaugureerd), plegtig bevestigen, inwijden. [Inbakeren]Inbakeren, bw. gel. door bakeren inwinden (een kind enz.). *...BAKERING, v. (-en). *...BAKKEN, ow. gel. door bakken in grootte verminderen, - inkrimpen. *...BAKKING, v. gmv. *...BALSEMEN, bw. gel. met balsem insmeren; een lijk -, toebereiden om het tegen verrotting te bewaren. *...BALSEMING, v. (-en). *...BAND, m. gmv. inbinding, besnoeijing, afkorting. *...BARSTEN, zie INBERSTEN. *...BEELDEN, bw. gel. een beeld van iets indrukken; door beelden indrukken. ZICH -, ww. zich verbeelden, zich iets voorstellen als werkelijk bestaande of gebeurende; (fig.) verwaand zijn, een overdreven gevoel van eigenwaarde hebben; wat beeldt gij u wel in? *...BEELDING, v. (-en), hersenschim; (fig.) vooringenomenheid (met zich zelven), verwaandheid, trotschheid. *...BEITELEN, bw. gel. (beeldh.) inhouwen. *...BELLEN, bw. gel. door bellen doen inkomen; bellen om iem. te roepen; door bellen breken; hij heeft het huis ingebeld. *...BERGEN, bw. ong. bergen, bewaren, wegsluiten. *...BERSTEN, ow. ong. met eene barst -, met geweld indringen; verder barsten. *...BESLAGNEMING, v. (-en), het ouder geregtelijke bewaring stellen. *...BEUREN, bw. gel. geld ontvangen; (iem.) helpen instijgen (in een rijtuig enz.). *..BEURING, v. (-en). *...BEZITNEMING, v. (-en). *...BEZITSTELLING, v. (-en). *...BIJT, o. ontbijt. *...BIJTEN, bw. ong. invreten (zoo als b.v. door sterk water). -, bw. gel. een schip in de haven -, (door het hakken van bijten in het ijs doen binnenkomen). *...BIJTEND, bn. (-er, -st), invretend (van scherpe vochten). *...BIJTING, v. (-en), invreting; het brengen van een schip door het ijs. *...BIKKEN, bw. gel. groeven in eenen steen hakken. *...BINDEN, bw. ong. door middel van eenen band vereenigen, - zamenvoegen; de vellen of bladen van een
boek tot een geheel binden; (fig.) (de hartstogten) beteugelen; naauwer binden, verminderen, inkrimpen; de zeilen -, minderen; zich -, zich geweld aandoen. *...BINDING, v. (-en). *...BITTER, bn. bitter in den hoogsten graad; (fig.) woedend, toornig. *...BLAAUW, bn. zeer blaauw. *...BLAZEN, bw. ow. ong. door blazen inbrengen, - inkomen; de wind blaast in den schoorsteen; door blazen breken; (fig.) inboezemen, ingeven. *...BLAZER, m. (-s), (fig.) aanhitser. *...BLAZING, v. (-en), (fig.) inboezeming, ophitsing; zekere geneeswijze. *...BLIJ, *...BLIJD, *...BLIJDE, bn. innig verheugd. *...BLIJVEN, ow. ong. in iets blijven, niet uitkomen: mijn nommer is ingebleven (niet uitgetrokken in de loterij). *...BLINKEN, ow. ong. blinkende inschijnen. *...BOEDEL, *...BOÊL, m. (-s), al het huisraad enz. van een gezin. *...BOEGEN, bw. gel. (een schip) in de haven brengen. *...BOEZEMEN, bw. gel. in iemands boezem of gemoed brengen, inprenten, ingeven. *...BOEZEMING, v. (-en). *...BONZEN, bw. gel. iets ergens door slaan of stompen induwen. *...BOOMEN, bw. gel. (een vaartuig) door middel van eenen boom ergens binnen brengen. *...BOORLING, m. (-en), die geboren is in het land of de stad waar hij woont. *...BOORLINGSREGT, o. regt aan eenen vreemdeling toegekend om met de inboorlingen gelijk te staan, naturalisatie. *...BOREN, bw. gel. met eene boor een gat (in iets) maken; (fig.) doordringen. *...BORST, v. gmv. geaardheid, aard, karakter, gemoed. *...BRAAK, v. gmv. het inbreken (in een huis met het doel te stelen enz.). *...BRANDEN, bw. gel. met een heet of gloeijend ijzer indrukken; een merk op het vee -, de ijkletter op maten -. -, ow. door het branden verminderen, de koffijboonen branden niet veel in; brandende indringen, zich verder uitbreiden (van eene vlam). *...BRANDING, v. (-en). *...BREIJEN, (B. *...BREIEN), bw. ow. gel. door breijen inhechten; - verminderen. *...BREKEN, bw. ong. met geweld zich (ergens) ingang verschaffen. *...BREKER, m. (-s), *...BREEKSTER, v. (-s), die zich aan diefstal met braak schuldig maakt. *...BREKING, v. (-en). *...BRENGEN, bw. onr. naar binnen brengen, inleiden; voortbrengen, opleveren, dit brengt mij honderd gulden 's jaars in; storten, bijschieten (om deelgenoot eener handelszaak te zijn); uittrekken (eene post op eene begrooting); geld brengen om in de spaarkas bewaard te worden; verpanden (in eene bank van leening); indienen, inleveren (klagten, bezwaren); aanvoeren, bijbrengen; wat hebt gij hiertegen in te brengen (hierop aan te merken)? *...BRENGER, m. (-s), inleider; bijschieter; die geld in eene spaarkas legt; bank-van-leening-houder (inbrenger in de groote bank). *...BRENGING, v. (-en). *...BRENGSTER, v. (-s). *...BREUK, v. (B.m. en v.) gmv. geweldige breuk; (fig.) schending (van een regt); overtreding (eener wet); - maken op. *...BROKKELEN, *...BROKKEN, bw. gel. kleine stukjes brood of beschuit brokkende in iets (drank of spijs) doen; (fig.) hij heeft er zijn geheel vermogen bij ingebrokkeld (ingeschoten, verloren); wat in de melk te brokken hebben, bemiddeld zijn. *...BROKK(EL)ING, v. (-en). *...BRUIN, bn. zeer bruin. *...BRUISEN, (B. ...ZEN), ow. gel. met geweld ergens binnenkomen. *...BRUISING, (B. ...ZING), v. (-en). *...BUIGEN, bw. ow. ong. naar binnen buigen, - gebogen worden. *...BUIGING, v. (-en). [† Incapabel]† Incapabel, bn. onbekwaam, ongeschikt. *...CAPACITEIT, v. onbekwaamheid,
ongeschiktheid. *...CARCERATIE, v. (...ën), kerkering, opsluiting. *...CARNAAT, zie INKARNAAT. *...CARNATIE, v. (godg.) vleesch.-, menschwording (van Christus). *...CASSEREN, bw. gel. omlijsten; geld innen, - ontvangen. *...CIDENT, o. (-en), *...CIDENTIE, v. (...ën), voorval, bijkomende omstandigheid, tusschenzaak. *...CIDENTIEHOEK, m. (gez.) hoek van inval. *...CIPIËNT, m. (-en), aanvanger, beginner, leerling. *...CIPIËREN, bw. gel. (ik incipiëerde, heb geïncipiëerd), beginnen, aanvangen. *...CISIE, v. (...ën), insnijding, snede. *...CITABILITEIT, v. prikkelbaarheid. *...CITATIE, v. (...ën), aanzetting, ophitsing. *...CITEREN, bw. gel. (ik inciteerde, heb geïnciteerd), aanzetten, aandrijven. *...CLINATIE, v. (...ën), neiging, helling; (fig.) liefde, genegenheid; ik gevoel geene - voor haar. -KAART, v. (-en), (nat.). -KOMPAS, of INCLINATORIUM, o. (nat.) zekere toestel. *...CLINEREN, ow. gel. (ik inclineerde, heb geïnclineerd), neiging tot iets hebben; inclinerenden (gegadigden, belanghebbenden) worden verzocht enz. *...CLUDEREN, bw. gel. (ik includeerde, heb geïncludeerd), insluiten, in zich sluiten, bevatten. *...CLUSIE, v. (...ën), insluiting. *...CLUSIEF, ...SIVE, bijw. met inbegrip van, er mede onder berekend; ingesloten. *...COGNITO, bijw. onder een vreemden naam; hij reist -. -, o. het verbergen van naam of stand; het - bewaren. *...COHAERENTIE, v. gebrek aan zamenhang. *...COMMENSURABEL, bn. onmeetbaar; geene gemeene maat hebbende. *...COMMODEREN, bw. gel. (ik incommodeerde, heb geïncommodeerd), lastig zijn, - vallen, ongelegen komen, hinderen. *...COMPATIBEL, bn. onvereenigbaar, onbestaanbaar (met). *...COMPATIBILITEIT, v. onvereenigbaarheid, onbestaanbaarheid (met). *...COMPENSABEL, bn. niet te vergoeden. *...COMPETENT, bn. onbevoegd, ongeldig; zich - verklaren. *...COMPLEET, bn. onvoltallig. *...COMPRESSIBEL, bn. onzamenpersbaar. *...CONFORM, bn. niet overeenstemmende. *...CONSEQUENT, bn. (-er, -st), zich niet gelijk blijvende. -IE, v. strijdigheid met vroegere beginselen. *...CONSIDERANTIE, v. onbedachtzaamheid. *...CONSISTENTIE, v. onvastheid, gebrek aan zamenhang of verband. *..CONSTITUTIONNEEL, bn. tegen -, in strijd met de grondwet, ongrondwettig. *...CONTESTABEL, bn. onbetwistbaar. *...CONTRIBUABEL, bn. niet schatpligtig, onbelastbaar. *...CONVENIENT, o. -IE, v. ongelegenheid, zwarigheid, ongerief, ongemak. *...CORPORATIE, v. (...ën), inlijving (bij), opneming (in). *...CORPOREREN, bw. gel. (ik incorporeerde, heb geïncorporeerd), inlijven, opnemen (in iets). *...CORRECT, bn. (-er, -st), onnaauwkeurig, gebrekkig. *...COURANT, bn. (-er, -st), niet gangbaar, niet verkoopbaar, zonder aftrek, uit de mode. *...CREDULITEIT, v. gmv. ongeloofelijkheid, twijfelzucht. *...CREMENT, o. (stelk.) het verschil der termen in eene opklimmende reeks. *...CRIMINEREN, bw. gel. (ik incrimineerde, heb geïncrimineerd), beschuldigen. *...CROYABEL, bn. ongeloofelijk; een -, een modegek. *...CRUSTATIE, v. (...ën), schorsachtig overtreksel of omhulsel; invatting van fijne steenen. *...CRUSTERING, v. (-en), omkorsting met eene steenachtige zelfstandigheid. *...CULPATIE, v. (...ën), beschuldiging, aanklagt. *...CULPEREN, bw. gel. beschuldigen, aanklagen, te last leggen, aantijgen. *...CUNABELEN, m. mv. eerste beginselen; de eerste boeken na de uitvinding der boekdrukkunst gedruk. *...CURABEL, bn. ongeneeslijk, onheelbaar. [Indachtig]Indachtig, bn. en bijw. aan iets denkende; aan iets - zijn, iem. aan iets - maken. *...DAGEN, bw. gel. eenen afwezige oproepen, (voor de regtbank enz.) dagvaarden. *...DAGING, v. (-en). *...DALEN, bw. gel. naar binnen dalen. *...DAMMEN, bw. gel. met eenen dam of dijk omringen, water door dijken insluiten. *...DAMMING, v. (-en). *...DAUWEN, ow. gel. dauwend vallen (in iets), doordringen (als van den dauw). [† Indebitum]† Indebitum, o. betaling uit vergissing of zonder verpligting. *...DECENT, bn. (-er, -st), onwelvoegelijk, onbetamelijk. zedekwetsend. -IE, v. (...ën), onwelvoegelijkheid, onbetamelijkheid. *...DECLINABEL, bn. (taalk.) onverbuigbaar. *...DELEBIEL, bn. onuitwischbaar. *...DELICAAT, bn. (...ater, -st), onkiesch, niet fijngevoelig, ruw. [Indelven]Indelven, bw. ong. door delven indringen, in de aarde begraven. *...VING, v. (-en). [† Indemnisatie]† Indemnisatie, v. (...ën), schadeloosstelling. *...NISEREN, bw. gel. (ik indemniseerde, heb geïndemniseerd), schadeloos stellen. *...NITEIT, v. schadevergoeding. [Indenken]Indenken, bw. onr. nadenken, overdenken; peinzen over. [† Independent]† Independent, bn. (-er, -st), onafhankelijk, zelfstandig. *-EN, mv. zekere protestantsche secte in Engeland. *-IE, v. onafhankelijkheid, zelfstandigheid. [Inderdaad]Inderdaad, bijw. werkelijk. [† Index]† Index, m. wijsvinger; (boekdr.) [Indiaan]Indiaan, m. (...anen), inboorling van verschillende streken van Noord- en Zuid-Amerika. *-SCH, bn. [Indicatie]Indicatie, v. (...ën), aanwijzing; (regt.) grond van verdenking. *...DICEREN, *...DIQUEREN, bw. gel. (ik indic(qu)eerde, heb geïndic(qu)eerd), aanwijzen, aanduiden. *...DICIÊN, mv. kenteekenen, gronden van vermoeden. *...DICTIE, v. (tijdr.) de romeinsche -, tijdkring van vijftien jaren (de eerste begon in het jaar 313). [Indien]Indien, vw. bijaldien, ingeval van, wanneer. *-EN, bw. gel. aanbieden, onderwerpen, voorleggen; een ontwerp van wet -. *-ING, v. (-en). [† Indienne]† Indienne, v. fijn gedrukt katoen, sits. [Indiër]Indiër, m. (-s), inboorling van Indië (Britsch-Indië). *...DISCH, bn. [† Indifferent]† Indifferent, bn. (-er, -st), onverschillig; laauw; ongevoelig. *-ISMUS, o. onverschilligheid, laauwheid. [† Indigent]† Indigent, bn. (-er, -st), behoeftig, arm, nooddruftig. *...DIGESTIE, v. onverteerbaarheid; kolijk. *...DIGNATIE, v. verontwaardiging, misnoegen. *...DIGNITEIT, v. (-en), onwaardigheid, beleediging. [Indigo]Indigo, m. zekere blaauwe verfstof. *-BEREIDER, m. (-s). *-BLAAUW, bn. en o. *-FABRIEK, v. (-en). *-PLANTAADJE, v. (-n). *-PLANT, v. *-WIT, o. kleurlooze indigo (in de levende plant). [Indijken]Indijken, bw. gel. zie INDAMMEN. *...DIJKING, v. (-en). [† Indirect]† Indirect, bn. en bijw. (-er, -st), *-ELIJK, bijw. middellijk, niet regtstreeksch; door omwegen, zijdelingsch; niet regtstreeks, zijdelings; indirecte belastingen, verbruiksbelastingen, accijnsen. *...DISCIPLINE, v. gebrek aan tucht. *...DISCREET, bn. (...eter, -st), onbescheiden, niet geheimhoudend. *...DISCRETIE, v. onbescheidenheid, praatzucht. *...DISPENSABEL, bn. (-er, -st), onmisbaar, volstrekt noodzakelijk. *...DISPONEREN, bw. gel. (ik indisponeerde, heb geïndisponeerd), boos maken, in eene kwade luim brengen. *...DISPONIBEL, bn. onbeschikbaar. *...DISSOLUBEL, bn. onoplosbaar. [† Individu]† Individu, m. en o. (-s), ondeelbaar -, onscheidbaar geheel, ondeelige, enkele; afzonderlijk gedacht of beschouwd wezen; persoon. *-ALITEIT, v. persoonlijkheid, eigenaardigheid. *-EEL, bn. en bijw. afzonderlijk, aan een enkel voorwerp eigen, persoonlijk; ieder van ons - (voor of op zich zelven). [Indoen]Indoen, bw. onr. in (iets) steken, -leggen, -brengen. [† Indolent]† Indolent, bn. (-er, -st), onverschillig, zorgeloos, traag. [Indompelen]Indompelen, bw. gel. in het water dompelen. *...DOMPELING, v. (-en); doop bij - (immersie). *...DOOPEN, bw. gel. in (saus of eenig ander vocht, eenigen drank) stippen of steken, bevochtigen. *...DOOPING, v. (-en). [† Indossant]† Indossant, m. *...SEMENT, o. *...SEREN, bw. zie ENDOSSANT enz. [Indouwen]Indouwen, bw. gel. met kracht in (iets) stooten. *...DOUWING, v. (-en). *...DRAAIJEN, (B...IEN), bw. gel. door draaijen in (iets) brengen. *...DRAAIJING, v. (-en). *...DRAGEN, bw. ong. binnen -, in (iets) dragen, dragende binnenbrengen. ↑ *...DRAGT, (B. *...DRACHT), v. geweld, heftigheid. *...DRANG, m. het dringen om ergens in te komen (van eene zaâmgestroomde volksmenigte). *...DRAVEN, bw. en ow. gel. dravende ergens binnenkomen. *...DRIJVEN, bw. ong. met geweld inslaan, - inkloppen; vee in den stal doen gaan; graveren. -, ow. binnendrijven (van een schip). *...DRIJVING, v. (-en). *...DRILLEN, bw. gel. door middel van eenen dril (in steen, ijzer enz.) een gat boren; (fig.) in den wapenhandel oefenen. *...DRILLING, v. (-en). *...DRINGEN, bw. ong. met geweld doen in- of binnengaan; doordringen; iem. -, zorgen dat hij benoemd of bevorderd wordt; zich - (in iem. gunst enz.); hij dringt in alle gezelschappen in, hij verstaat de kunst om zich overal ingang te verschaffen. -, ow. doordringen; sterk water dringt in ijzer en staal. -D, bn. *...DRINGER, m. (-s). *...DRINGSTER, v. (-s). *...DRINGING, v. *...DRINKEN, bw. ong. inzwelgen (drank); intrekken (van hout); dat vloeipapier heeft al den inkt ingedronken. *...DROEVIG, bn. zeer droevig. *...DROOG, bn. zeer droog. -EN, ow. gel. opdroogen, droog worden; door opdroogen inkrimpen. *...DROOGING, v. (-en). *...DROPPELEN, bw. ow. gel. *...DRUIPEN, bw. ow. ong. droppelsgewijs inbrengen, - inloopen. *...DROPPELING, *...DRUIPING, v. (-en). *...DRUISCHEN, ow. gel. met gedruisch invallen. [Indruk]Indruk, m. (-ken) werking van iets op het gemoed. *-KEN, bw. gel. door drukken naar binnen brengen; drukkende indouwen; drukken op of in iets (b.v. een zegel in was); inscherpen, inprenten. *-KING, v. (-en). *-SEL, o. (-s). *-WEKKEND, bn. (-er, -st). [† Indubitabel]† Indubitabel, bn. (-er, -st), ontwijfelbaar, uitgemaakt. [† Inductie]† Inductie, v. (...ën), aanleiding; gevolgtrekking; besluit, slotsom; (nat.) opwekking van electrische spanning enz. *-KLOS, v. (-sen), *-ROL, v. (len), (nat.) zekere toestel. *-STROOM, m. (-en), (nat.). *-WERKTUIG, o. (-en). [Induiken]Induiken, bw. ong. onder water houden. *-, ow. diep gaan (van schepen). *...DUIKING, v. (-en). [† Indulgentie]† Indulgentie, v. (...ën), toegevendheid, verschooning, ontheffing van straf. [† Indult]† Indult, o. vergund uitstel van betaling, respijt; (kerk.) vergunning, vrijbrief. [† Industrie]† Industrie, v. nijverheid; kunstvlijt. *-SCHOOL, v. (...olen), nijverheidsschool, technische school; chevalier d'-, gelukzoeker. *...TRIÊEL, m. (...ëlen), eigenaar eener groote nijverheidsonderneming; fabriekant. *...TRIEUS, bn. nijver, bedrijvig; vindingrijk. [Induwen]Induwen, bw. zie INDOUWEN. [Ineen]Ineen, bijw. in elkander. 1) *-BUIGEN, bw. ong. *-DOEN, bw. onr. *-DOUWEN, bw. gel. *-DUWEN, bw. gel. *-DRAAIJEN, (B. ..IEN), bw. gel. *-DRIJVEN, bw. ong. *-DRINGBAAR, bn. *-DRINGELIJK, bn. *-DRINGEN, bw. ong. *-DRINGING, v. *-DRUKKEN, bw. gel. *-DRUKKING, v. *-GEDRONGEN, bn. kort en dik; een - ventje. *-GROEIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. *-KLEMMEN, bw. gel. *-KLINKEN, bw. ong. *-KRIMPEN, ow. ong. *-KRIMPING, v. (-en). *-KRUIPEN, ow. ong. *-KRUIPING, v. (-en). *-LOOPEN, ow. ong. gemeenschap met elk. hebben, naast elk. gelegen zijn (b.v. twee kamers); stollen (van vochten); dik worden (van melk). *-ROLLEN, bw. ow. gel. *-ROLLING, v. (-en). *-PERSEN, bw. gel. *-SCHIETEN, bw. ow. ong. in elk. schieten (van het opkomen der planten); in elk. voegen (planken). *-SCHRIJVEN, bw. ong. digt in elk. schrijven. *-SCHROEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *-SCHROEVEN, bw. gel. *-SCHUIVEN, bw. ong. *-SLAAN, bw. onr. in elk. slaan; de handen -, (van verbazing, ontsteltenis); (ook fig.) zamen werken, elkander helpen, in overleg handelen. *-SLINGEREN, bw. ow. gel. *-SLUITEN, bw. ow. ong. vast in elk. hechten, - gehecht zijn. *-SLUITING, v. (-en). *-SMELTEN, bw. ow. ong. in elk. smelten; amalgameren, verscheidene soorten metaal door smelting vereenigen; zich oplossen; (muz.) zich verliezen (van toonen); (taalk.) deze twee letters smelten ineen (vormen door de snelheid der uitspraak slechts één geluid). *-SMELTING, v. (-en). *-STAMPEN, bw. gel. *-STEKEN, bw. ong. *-STOOTEN, bw. gel. en ong. *-TOOVEREN, bw. gel. *-VLOEIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. *-VLOEIJING, v. (-en). *-VOEGEN, bw. gel. *-VOEGING, v. (-en). *-VOUWEN, bw. gel. *-WASSEN, ow. ong. in elk. groeijen. *-WIKKELEN, bw. gel. *-WRIJVEN, bw. ong. zamenwrijven. *-WRINGEN, bw. ong. wringende in elk. voegen, zamenwringen. *-ZETTEN, bw. gel. in elk. |
1) Voor de woorden met INEEN zamengesteld, waarbij de beteekenis niet is opgegeven, zie men op de werkwoorden zelven.
|
|
zetten; zamenstellen; een uurwerk -. *-ZIJN, ow. onr. goed in elk. gevoegd zijn. *-ZINKEN, ow. ong. *-ZITTEN, ow. ong. [† Ineffectief]† Ineffectief, bn. zonder kracht, zonder uitwerking. *...EGAAL, bn. (...aler, -st), ongelijk. *...EGALITEIT, v. ongelijkheid. [Ineigenen]Ineigenen, bw. gel. zich weder toeëigenen, - eigen maken; - in het bezit stellen van... *...ENTEN, bw. gel. (tuin.) eene ent inzetten; (gen.) pokstof in het bloed brengen (als voorbehoedmiddel tegen de kinderziekte); (fig.) inprenten. *...ENTER, m. (-s). *...ENTING, v. (-en). *...ENTSTER, v. (-s). [† Ineptie]† Ineptie, v. (...ën), zotheid, ongerijmdheid. *...ERTIE, v. werkeloosheid. *...ESSENTIËEL. bn. niet wezenlijk. [Ineten]Ineten, ow. onr. zie INVRETEN. *-D, bn. inbijtend. *...ETING, v. (-en). *...ETSEN, bw. gel. graveren door middel van sterk water. *...ETSING, v. (-en). *...ETTEREN, ow. gel. (heelk.) door den etter verbeten worden; (fig.) verergeren. [† Inevitabel]† Inevitabel, bn. (-er, -st), onvermijdelijk. *...EXACT, bn. (-er, -st), onnaauwkeurig, onjuist, *...EXCUSABEL, bn. (-er, -st), onverschoonbaar. *...EXORABEL, bn. (-er, -st), onverbiddelijk. *...EXPERIENTIE, v. onervarenheid. *...EXPLICABEL, bn. (-er, -st), onuitlegbaar. *...EXPRESSIBEL, bn. (-er, -st), onuitsprekelijk. *...EXPRESSIBLES, v. mv. broek (eert. mode-uitdrukking in Frankrijk). [† Infaam]† Infaam, bn. (...amer, -st), eerloos, snood; geschandvlekt. *...FAMANT, *...FAMEREND, bn. (-er, -st), onteerend, eerroovend. *...FAMIE, v. eerloosheid, schandelijke daad. [† Infant]† Infant, m. (-en), *-E, v. (-s), prins -, prinses van den bloede (in Spanje en Portugal). *-ERIE, v. (mil.) voetvolk. *-ERIST, m. (-en), soldaat te voet. [† Infatigabel]† Infatigabel, bn. (-er, -st), onvermoeibaar, onverdroten. *...FATUATIE, v. (...ën), verwaandheid, belagchelijke inbeelding. *...FAVORABEL, bn. (-er, -st), onvoordeelig, ongunstig. [† Infect]† Infect, bn. (-er, -st), aangestoken, besmet, verpest. *-EREN, bw. gel. (ik infecteerde, heb geïnfecteerd), besmetten, aansteken. *-IE, v. aansteking, besmetting, verpesting. *...FEREREN, bw. gel. (ik infereerde, heb geïnfereerd), inbrengen; opdragen; afleiden (uit). *...FERIEUREN, m. mv. minderen, ondergeschikten. *...FERIORITEIT, v. minderheid (in rang, verdienste of waarde); toestand van ondergeschiktheid; het achterstaan bij anderen. *...FERNAAL, bn. helsch, duivelsch. *...FESTEREN, bw. gel. (ik infesteerde, heb geïnfesteerd), vijandig aanvallen; onveilig maken. *...FICIËREN, bw. zie INFECTEREN. *...FIDEEL, bn. (...eler, -st), ontrouw, trouweloos. *...FIDELITEIT, v. ontrouw, trouweloosheid. *...FINIET, bn. oneindig, onbegrensd. *...FINITEIT, v. oneindigheid, eindeloosheid. *...FINITIVUS, m. (taalk.) onbepaalde wijs. [† Infirm]† Infirm, bn. zwak, krachteloos. *-E, m. (-n), militair niet meer in staat te dienen en hulpbehoevend. *-ATIEF, bn. (...ver, -st), de kracht ontnemende, niet meer geldig makende. *-ERIE, v. (...ën), ziekenhuis (inz. voor militairen). [† Inflammabilia]† Inflammabilia, mv. ontvlambare stoffen, brandstoffen. *...MATIE,
v. (...ën), ontsteking, brand, (ook gen.). *...MEREN, bw. ow. gel. (ik inflammeerde, heb geïnflammeerd), doen ontvlammen; tergen, verbitteren; ontvlammen. [Inflansen]Inflansen, bw. gel. ruw -, in het wild -, ongeordend inbrengen; door elk. smijten of gooijen. [† Inflecteren]† Inflecteren, bw. gel. (ik inflecteerde, heb geïnflecteerd), buigen, ombuigen, veranderen. *...FLEXIBEL, bn. (-er, -st), onbuigzaam, hardnekkig. *...FLEXIE, v. (...ën), buiging, afwijking (der lichtstralen); buiging (der stem); verandering (van toon). *...FLICTIE, v. het opleggen (eener straf). [Inflikken]Inflikken, bw. gel. lappen (een kleedingstuk enz.), eenen lap inzetten. ZICH -, ww. zich indringen (door vleijerij enz.). [† Influenceren]† Influenceren, bw. gel. (ik influenceerde, heb geïnfluenceerd), invloed hebben of uitoefenen (op iem. of iets), van invloed zijn. *...ENTIE, v. invloed, inwerking. *...ENZA, v. zekere ziekte, soort griep. *...EREN, bw. gel. invloeijen, binnenstroomen; invloed hebben. [Influisteren]Influisteren, bw. gel. in het oor zeggen. [† Informatie]† Informatie, v. (...ën), inlichting, onderzoek, navorsching; mededeeling, berigt. *...MEREN (ZICH), ww. gel. (ik informeerde mij, heb mij geïnformeerd), onderzoek doen, inlichtingen vragen, berigt inwinnen. *...MES, mv. de sterren die niet tot eenig sterrebeeld kunnen gerekend worden. [Infraai]Infraai, bn. zeer fraai. † *...FRACTIE, v. (...ën), inbreuk (op), schending, afwijking. † *...FRUCTUEUS, bn. (...zer, -st), onvruchtbaar, onvoordeelig; vruchteloos. [† Infusie]† Infusie, v. (...ën), aftreksel. *-DIERTJES, o. mv. afgietseldiertjes, zekere mikroskopische diertjes (in vloeistoffen). *...FUUS, bn. aangeboren, ingeschapen. [Ingaan]Ingaan, ow. onr. binnen gaan, binnen treden; beginnen, aanvangen, zijn leertijd is heden ingegaan; inschieten, deze degen gaat gemakkelijk in en uit; bevatten, inhouden, in dezen emmer gaan twintig kannen water. *-, bw. iem. in het gaan achterhalen, ik heb hem niet kunnen -; aangaan, vragen; (eene overeenkomst) sluiten. *-DE, bn. de in- en uitgaande regten, belasting op den in- en uitvoer; - Paasch, den avond vóór den eersten Paaschdag. *...GAARDER, m. (-s), ontvanger, inner (van gelden). *...GADEREN, bw. gel. verzamelen, bijeenbrengen. *...GADERING, v. (-en). *...GANG, m. (-en), het ingaan, binnengaan; de opening waardoor men binnentreedt; intrede; (fig.) begin, aanvang; hem is ontslag verleend met - van 1 April; dit huis is gehuurd met - van 1 Mei; (fig.) indruk; geloof, mijne woorden vinden bij hem weinig -; deze geruchten vinden nog al -. *...GAREN, bw. gel. zie INGADEREN. [Ingebeeld]Ingebeeld 1) , dw. zie INBEELDEN. *-, bn. slechts in de verbeelding bestaande, hersenschimmig; verwaand; een -e gek. *...GEBOORTIG, |
1) De verleden deelwoorden der met IN aanvangende werkwoorden zijn, - op eenige uitzonderingen na, waar eene andere beteekenis moet worden opgegeven, - niet opgenomen.
|
|
bn. inlandsch. *...GEBOREN, bn. aangeboren, ingeschapen. -E, m. en v. (-n), inboorling, inlander. *...GEBRAGT, dw. zie INBRENGEN. -, bn. -e goederen (die tot den bruidschat behooren; ook die daarvan uitgesloten zijn en welke eene vrouw zich als haren bijzonderen eigendom bedingt). *...GEËRFDE, m. en v. (-n), eigenaar -, eigenares van vaste goederen, grondbezitter, -bezitster. [Ingeesten]Ingeesten, bw. gel. (ik geestte in, heb ingegeest), door den geest ingeven. *...ING, v. [Ingekankerd]Ingekankerd, bn. diep ingeworteld. [Ingeland]Ingeland, m. (-en), bezitter van land in een bedijkten polder; hoofd-. [Ingelascht]Ingelascht, dw. zie INLASSCHEN. *-, bn. een -e dag, een tusschengevoegde dag (b.v. 29 Februarij in een schrikkeljaar); (timm.) ineengevoegd. *...GELEGD, dw. zie INLEGGEN. -, bn. - werk, mozaïk; fijn schrijnwerk; werk met verdiepingen; een -e vloer. -, gezouten, gepekeld, -e snijboonen. *...GELEID, dw. zie INLEIDEN. -, bn. voorgesteld (aan een hof enz.). [† Ingenieur]† Ingenieur, m. (-s), bouwkundige, vesting-, krijgs-, waterbouwkundige; burgerlijk of civiel -; - van den waterstaat, (belast met het toezigt over den bouw en het onderhoud van dijken, bruggen enz.) *...NIEUS, bn. (...zer, -st), zinrijk, vindingrijk, vernuftig, geestig uitgedacht. *...NIUM, o. natuurlijke aanleg. *...NUÏTEIT, v. openhartigheid, eenvoudigheid, ongekunsteldheid. [Ingenomen]Ingenomen, dw. zie INNEMEN. *-, bn. - met, bijzonder gesteld (op), verzot (op), bij uitstek houdende (van). *...GESCHAPEN, bn. door schepping ontvangen, aangeboren; - kennis, - denkbeelden; de leugen is hem -. *...GESLOTEN, dw. zie INSLUITEN. -, bn. en bijw. de hier - brief, die hierbij gevoegd is; er onder begrepen. *...GETOGEN, bn. en bijw. (-er, -st), zedig, stemmig, matig; een - leven, leiden, - leven. -HEID, v. [† Ingereren]† Ingereren, bw. gel. (ik ingereerde, heb geïngereerd), invoeren. ZICH -, ww. zich onbevoegd met iets inlaten. [Ingeven]Ingeven, bw. ong. (iem. iets) doen nemen, naar binnen brengen (geneesmiddelen enz.); inleveren, ter inzage overreiken; in den geest brengen, inboezemen, inspireren; de Heilige Schrift is van God -. *...GEVER, m. (-s). *...GEEFSTER, v. (-s). *...GEVING, v. (-en), inboezeming; inspiratie; inspraak (van het geweten). [Ingevolge]Ingevolge, vz. volgens, naar aanleiding van, omdat. *...GEWAND, o. -EN, mv. de inwendige deelen van het ligchaam van mensch en dier; gedarmte, de darmen; (fig.) binnenste (van den mensch, der aarde); (fig.) kroost. -SWORMEN, m. (B.v.) mv. *...GEWEIDE, o. ingewand (van een dier). *...GEWIJDE, m. en v. (-n), die met eene voor anderen geheime zaak bekend is; bedrevene in zeker vak; die op de hoogte is van zekere zaak. *...GEWIKKELD, dw. zie INWIKKELEN. -, bn. en bijw. (-er, -st), verward; niet duidelijk; bedektelijk. *...GEWORTELD, dw. zie INWORTELEN. -, bn. diep zittende; eene -e kwaal. *...GEZETENE, m. (-n), inwoner, (iem. die eene vaste woonplaats heeft in een land of eene stad). [Ingieten]Ingieten, bw. ong. eene vloeistof storten in (iets); naar binnen doen stroomen; (fig.) met moeite (iem. iets) leeren, - in het hoofd prenten; (gen.) infuseren. *...GIETING, v. (-en). *...GIJPEN, bw. gel. (ik gijpte in, heb ingegijpt), (zeew.) de zeilen inhalen en toebinden. *...GLIJDEN, ow. eng. glijdende binnenkomen, - invallen. *...GLIJDING, v. (-en). *...GLIPPEN, bw. ow. gel. naar binnen glippen, heimelijk insluipen. *...GLIPPING, v. (-en). *...GOED, bn. zeer goed. *...GLOED, m. gmv. hevige gloed. *...GOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. met kracht (iets) werpen in, werpende of gooijende breken; de glazen -; (fig.) zijne eigene glazen -, zijne eigene zaak bederven. *...GORDEN, bw. gel. zie INGIJPEN. [† Ingrammaticaal]† Ingrammaticaal, bn. niet taalkundig, in strijd met de taalregelen. [Ingraven]Ingraven, bw. ong. gravende in- of doordringen; begraven; (zeew.) de vaten in den ballast -. ZICH -, ww. zich verschansen. *...GRAVING, v. (-en). [† Ingrediënten]† Ingrediënten, o. mv. bestanddeelen, inmengselen (b.v. van spijze, artsenij enz.). [Ingreep]Ingreep, v. (...epen), het ingrijpen; gewelddadige aanmatiging (van gezag enz.); inbreuk (op een regt, eene wet enz.). *...GRIFFELEN, *...GRIFFEN, bw. gel. met eene griffel insnijden; inenten. *...GRIJPEN, bw. ong. in iets grijpen, de hand steken (in iets); inbreuk maken (op de regten van iem.); deze raderen grijpen (vallen) met hunne tanden goed in. *...GROEIJEN, (B. ...IEN), ow. ong. doorgroeijen; magerder worden zoodat een te wijd kleedingstuk later zal passen. *...GROEN, bn. zeer groen. *...GROEVEN, bw. gel. met groeven insnijden, uitgroeven. *...GULPEN, *...GOLPEN, bw. gel. met groote teugen drinken. [† Ingrossatie]† Ingrossatie, v. (...ën), inschrijving in het register der hypotheken. [† Inhabiliteit]† Inhabiliteit, v. onbekwaamheid, *...HABITABEL, bn. onbewoonbaar. *...HABITATIE, v. inwoning, bewoning. *...HAEREREN, bw. gel. (ik inhaereerde, heb geïnhaereerd), aanhangen, aankleven; volharden. [Inhaken]Inhaken, bw. gel. met eenen haak in iets vasthechten. *...HAKING, v. (-en). *...HAKKEN, bw. hakkende inslaan. -, ow. op den vijand -, den vijand met woede aanvallen en niemand sparen. [† Inhalatie]† Inhalatie, v. (...ën), inademing, inzuiging. [Inhalen]Inhalen, bw. gel. door halen indragen, - inbrengen, - zich verschaffen; tot -, naar zich halen, binnentrekken; geld -, bijeenbrengen; zijne woorden -, intrekken -, herroepen wat men gezegd heeft; iem. in het loopen of gaan -, door snel loopen iem. die vooruit is bereiken; sneller loopen dan een ander; (fig.) ik zal hem wel -, zorgen dat ik even ver kom als hij (in het onderwijs enz.); men moet zien hem in te halen (te achterhalen); het verlorene -, zich schadeloos stellen, schadeloos gesteld worden; herkrijgen wat men verloren heeft; eenen vorst plegtiglijk - (ontvangen); (zeew.) de zeilen -, naar beneden trekken. *...HALER, m. (-s), (zeew.). *...HALIG, bn. (-er, -st), schraapzuchtig, vrekkig. - HEID, v. gmv. schraapzucht. *...HALING, v. het inhalen (in alle bet.). [Inham]Inham, m. (-men), zeetong, kleine golf of baai. [Inhandelen]Inhandelen, bw. gel. door ruiling verkrijgen; (fig.) in den handel verliezen. *...HANGEN, bw. ong. in iets hangen, hangende vasthechten. *...HEBBEN, bw. onr. in zijne magt hebben; in zich bevatten; inhouden; beteekenen; (fig.) dat heeft niets in, dat heeft weinig of niets te beduiden. *...HECHTEN, bw. gel. hechten in (iets). *...HEEMSCH, bn. inlandsch. *...HEET, bn. zeer heet. *...HEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. inslaan (palen in den grond door middel van een heiwerktuig). *..HEILIGEN, bw. gel. inwijden, inzegenen. [Inhiberen]Inhiberen, bw. gel. (ik inhibeerde, heb geïnhibeerd), verhinderen, verbieden. *...HIBITIE, v. (...ën), (regt.) verbod om voort te gaan. [Inhijschen]Inhijschen, bw. ong. hijschende inbrengen. *...HOLLEN, ow. gel. hollende inkomen. [† Inhospitaliteit]† Inhospitaliteit, v. ongastvrijheid. [Inhoud]Inhoud, m. gmv. alles wat in een boek, geschrift enz. begrepen is, de brief was van dezen -; ruimte (van een schip, vat enz.), dit schip heeft tweehonderd ton -; (wisk.) grootte van een werkstuk, ruimte eener vlakte, capaciteit. *-EN, bw. onr. in zijne ligchamelijke ruimte bevatten; in zich hebben; vermeld staan (in eenen brief enz.); (fig.) matigen, bedwingen, temperen; afhouden, terughouden (bij eene betaling). ZICH -, ww. *-ING, v. (-en), beteugeling. *-SMAAT, v. (...aten), voor drooge en natte waren, (b.v. vat, mud, kan enz.). [Inhouten]Inhouten, o. mv. (zeew.) ribben van een schip; (fig.) § hij is goed van -, hij is goed gebouwd, heeft een sterk ligchaamsgestel, is een stevige klant. *...HOUWEN, bw. gel. zie INHAKKEN. *...HULDIGEN, bw. gel. hulde bewijzen aan eenen vorst bij de aanvaarding zijner regering, hem den eed van getrouwheid zweren; bevestigen (in een ambt), inwijden; erkennen (als opperheer enz.). *...HULDIGING, v. (-en). [† Inhumaan]† Inhumaan, bn. (...aner, -st), onmenschelijk, wreed; onbeschaafd. *...MANITEIT, v. onmenschelijkheid, wreedheid. *...MATIE, v. (...ën), beaarding, begraving. [Inhuren]Inhuren, bw. gel. de huur (van een huis enz.) verlengen. *...HURING, v. huurverlenging. [† Inimitabel]† Inimitabel, bn. onnavolgbaar. [† Iniquiteit]† Iniquiteit, v. onbillijkheid, hardheid. *...TIA, mv. eerste beginselen. *...TIAAL-LETTERS, of INITIALEN, mv. aanvangletters, groote beginletters; (ook) de eerste of voor-letters van iemands naam, zonder dezen voluit te schrijven). *...TIATIE, v. inwijding. *...TIATIEF, o. inleiding, opening; het - nemen, het eerst een voorstel tot iets doen, het eerst eene zaak op touw zetten; het regt van -, regt om voorstellen enz. te doen. *...TIÊREN, bw. gel. (ik initiëerde, heb geïnitiëerd), inleiden, inwijden; hij is van de zaak geïnitiëerd, hij weet er alles van. [Injagen]Injagen, bw. ong. naar binnen jagen, - drijven; in galop komen aanrijden; (fig.) uitstaande schulden door krachtige maatregelen innen. [† Injectie]† Injectie, v. (...ën), (gen.) inspuiting, inwerping. *...JUNCTIE, v. (...ën), uitdrukkelijk bevel. *...JURIE, v. (...ën), eerkrenking, beleediging,
scheldwoord, hoon. *...JURIËREN, bw. gel. (ik injuriëerde, heb geïnjuriëerd), beleedigen, honen, schelden. *...JURIEUS, bn. beleedigend, eerroovend, smadelijk. [Ink]Ink, m. (-en), opening-, ingang eener vischfuik. [Inkabbelen]Inkabbelen, bw. gel. kabbelende indringen en uitholen of ondermijnen (van het water). *...KANKEREN, ow. gel. door kanker ingevreten worden; (fig.) de boosheid kankert in (wortelt zeer diep). [Inkarnaat]Inkarnaat, o. en bn. *...NATEN, bn. roode -, bloeijende kleur, hoog rozenrood; vleeschkleur. [Inkeep]Inkeep, v. (B.m.) (...epen), inkerving, insnijding. *...KEER, m. gmv. berouw; tot - komen. -, huisvesting, intrek, ik zal bij u mijnen - nemen. *...KEEREN, ow. gel. berouw gevoelen; (bij iemand) zijnen intrek nemen. *...KELDEREN, bw. gel. in den kelder doen. *...KELDERING, v. *...KEPEN, bw. gel. (ik keepte in, heb ingekeept), eene keep maken (in hout). *...KEPING, v. (-en). -EN, (zeew.) *...KERVEN, bw. ow. gel. eene kerf snijden (in iets); ingekerfde bladeren; zich kerven; bersten; die zijde kerft geheel in. *...KERVING, v. (-en). [Inkhoorntje]Inkhoorntje, (B. *-N), o. (-s), zeker dier, eekhoren. [Inkijk]Inkijk, m. hier is veel -, men kan van buiten alles zien wat binnen gebeurt. *-EN, bw. ow. ong. naar binnen zien. *...KIPPEN, bw. gel. zie INKEPEN. *...KLAMPEN, bw. gel. door klampen in (iets) hechten. *...KLAMPING, v. (-en). *...KLAREN, bw. gel. aangifte doen van de ingevoerde voorwerpen en er de inkomende regten van betalen; ingeklaarde schepen. *...KLEEDEN, bw. gel. geheel kleeden; eenen monnik, eene non -, door het plegtig aandoen van het ordesgewaad in de orde opnemen; (fig.) voordragen, voorstellen; opsieren, bedekken; eene zaak goed -. *...KLEEDING, v. (-en), aanneming van het geestelijk gewaad in een klooster; (fig.) wijze van voordragt, - van voorstelling. *...KLEPPEN, bw. gel. door kleppen indagen. *...KLIMMEN, ow. ong. klimmende inkomen. *...KLINKEN, bw. ow. ong. met -, door klinken inslaan; met geweld inslaan (zoodat het klinkt); met geweld en gedruisch doordringen. *...KLOPPEN, bw. ow. gel. door kloppen indrijven; door kloppen dunner worden, - breken. *...KNAGEN, bw. gel. knagende bijten, ineten. *...KNAGING, v. *...KNARSEN, *...KNERSEN, ow. gel. knarsende -, knersende indringen. *...KNOOPEN, bw. gel. door knoopen inbinden; (fig.) bedwingen, intoomen; inprenten; dringend aanbevelen. *....KNOOPING, v. (-en). *...KOKEN, bw. ow. gel. door koken indrijven; onder het koken verminderen, verkoken. *...KOMEN, ow. onr. binnenkomen; intrekken; (bijb.) bekennen (eene vrouw); (zeew.) inzeilen, binnenloopen; ingebragt worden; -de regten, regten van invoer. -, o. gmv. het binnenkomen, het ingaan; inkomsten, rente, baat. *...KOMST, v. (-en), zie INKOMEN; (eert.) blijde -, plegtige intogt (van vorsten enz.). *...KOOP, m. (-en), het inkoopen (van iets om het weder te verkoopen); het ingekochte; inkoopprijs; regt dat men zich koopt om in een gesticht opgenomen te worden. *...KOOPEN, bw. onr. koopen om te verkoopen; zich -, eene zekere som betalen om ergens (in een genootschap, in een gesticht) opgenomen te worden. *...KOOPER, m. (-s). *...KOOP(S)PRIJS, m. (...zen). *...KOOPSTER, v. (-s).
*...KORTEN, bw. gel. door intrekken korter maken; verminderen; (fig.) beteugelen, in bedwang houden. *...KORTING, v. (-en). *...KORVEN, bw. gel. (ik korfde in, heb ingekorfd), in korven doen; (fig.) de maag vullen. *...KOSTELIJK, bijw. zeer kostelijk. *...KOUD, bn. zeer koud, scherp koud. *...KRAAIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. door gekraai inroepen *...KRABBEN, bw. gel. met de nagels (iets ergens) inwerken. *...KRIJGEN, bw. ong. binnen krijgen; (fig.) ontvangen, innen (geld). *...KRIMPEN, bw. ow. ong. door krimpen digter maken of worden; naauwer -, korter worden (van stoffen); (gen.) zamentrekken; (zeew.) slapper worden (van den wind); tegen den wind -, tegen den wind houden, den wind afknijpen, oploeven, hoog zeilen; (fig.) minder vrijmoedig worden. ZICH -, ww. (fig.) zijne vertering -, zijne uitgaven verminderen. *...KRIMPING, v. (-en). *...KROPPEN, bw. gel. in den krop douwen; (fig.) verduren (eene beleediging enz.); zie VERKROPPEN. *...KROPPING, v. *...KRUIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. en ong. kruijende in- of binnenbrengen; (fig.) invoeren. *...KRUIPEN, ow. bw. ong. kruipende in- of binnenkomen; (fig.) ongemerkt toenemen (van kwaad). *...KRUIPING, v. (-en). *...KRUIPSEL, o. (-en, -s), misbruik. [Inkt]Inkt, m. gmv. vloeistof waarmede men schrijft; schrijf-, druk-, merk-, copiëer-, enz.; oostindische inkt, soort zeer bestendige inkt; sympathetische -, vloeistof waarmede men letters schrijft die niet dadelijk zigtbaar zijn, maar eerst door zekere werking merkbaar worden. *-BAK, m. (-ken). *-BAKJE, (B. -N), o. (-s). *-BAL, m. (-len), boekdrukkersgereedschap. *-BOOM, m. (-en), zek. amerikaansche boom. *-FLESCH, v. (...sschen). *-FLESCHJE, (B. -N), o. (-s). *-KAN, v. (-nen). *-KOKER, m. (-s), schrijfgereedschap. *-KOOPER, m. (-s). *-KRUIK, v. (-en). *-LAP, m. (-pen). *-LAPJE, (B. -N), o. (-s). *-POEDER, o. *-POT, m. (-ten). *-SCHOPJE, (B. -N), o. (-s), boekdrukkersgereedschap. *-VISCH, m. (...sschen), zeekat, koppootig weekdier. *-VLAK, v. (-ken). [Inkuilen]Inkuilen, bw. gel. in eenen kuil doen of stoppen. *...KUILING, v. (-en). *...KUIPEN, bw. gel. in een vat doen en dit sluiten. *...KUIPING, v. (-en). *...KWAKKEN, bw. gel. met geweld ingooijen, insmijten. *...KWARTIEREN, bw. ow. gel. (ik kwartierde in, heb of ben ingekwartierd), militairen bij burgers inlegeren; bij burgers ingelegerd zijn. *...KWARTIERING, v. huisvesting van militairen bij burgers; zulke gehuisveste militairen; biljet van -; - hebben. [Inlaag, Inlage]Inlaag, Inlage, v. (...lagen), het inleggen; iets wat ingelegd wordt; geldsom tot zeker doel ingelegd; ingeslotene brief. *...LADEN, bw. gel. in een schip laden, bevrachten. *...LADER, m. (-s). *...LADING, v. (-en). *...LANDER, m. (-s), inboorling des lands. *...LANDSCH, bn. van -, uit -, in het land zelf; -e oorlog, -e nijverheid, -e woelingen; -e vrouw, - meisje. *...LAPPEN, bw. gel. met lappen ineenvoegen; (fig.) § inzwelgen. *...LASSCHEN, bw. gel. met lasschen inzetten, tusschenvoegen; invoegen (een dag bij de maand Februarij, in een schrikkeljaar); (timm). ineenvoegen. *...LASSCHING, v. (-en). *...LATEN, bw. ong. binnen laten; opnemen; in iets laten, iets niet er uit nemen; zich met iem. -, in gesprek treden, betrekkingen aanknoopen; zich met
iemands zaken - (bemoeijen). -, o. *...LATING, v. (-en), verlof om binnen te komen; bemoeijing; deelneming. *...LAVEREN, bw. gel. (zeew.) laverende inkomen. *...LEELIJK, bn. zeer leelijk. *...LEG, m. gmv. geld dat ingelegd wordt (b.v. in eene loterij, in een gezelschapsspel, in den handel enz.). *...LEGEREN, bw. gel. troepen in garnizoen leggen; (ook) militairen bij burgers doen huisvesten (b.v. als dwangmiddel tot betaling der achterstallige belasting enz.). *..LEGERING, v. (-en). *...LEGGELD, o. (-en), zie INLEG. *...LEGGEN, bw. gel. en ong. leggen in, bewaren in; insluiten (eenen brief); pekelen, inzouten, inmaken (vleesch enz.); toebereiden (eetwaren om ze lang goed te houden); augurkjes -, snijboonen -; konfijten (vruchten); opdoen (voorraad, b.v. wijn enz.); (schrijnw.) met stukjes inlijmen, deze tafel is fraai ingelegd; enger maken (kleedingstukken); te zamen brengen (geld enz.), ieder moet ƒ2 - om dit geschenk te koopen; geld in de loterij leggen; eene wijngaardrank in de aarde leggen om haar nieuwe wortels te doen schieten; eer met iets - (behalen); tegen iem. -, zich met woorden tegen iem. verzetten; ingelegd goed, konfituren; ingelegd werk, mozaïk. -, o. *...LEGGER, m. (-s). *...LEGGING, v. (-en). *...LEGSEL, o. wat in zout gelegd is; ingelegd (schrijn-)werk; zie verder BELEGSEL. *...LEGSTER, v. (-s). *...LEIDEN, bw. gel. binnenleiden, naar binnen brengen. -D, bn. *..LEIDER, m. (-s). *...LEIDING, v. (-en), het binnenleiden; (fig.) aanvang, begin, voorafspraak (van een boekwerk, van eene verhandeling). *...LEIDSTER, v. (-s). *...LEKKEN, ow. gel. lekkende indruipen. *...LEVERAAR, m. (-s), -STER, v. (-s), bezorger, bezorgster; aanbieder, aanbiedster. *...LEVEREN, bw. gel. bezorgen, verschaffen, aanbieden; inzenden (eene klagt, een verzoekschrift, bezwaren, aanbiedingen, voorstellen enz.). *...LEVERING, v. (-en). *...LEZEN, bw. ong. inzamelen, inoogsten (vruchten). *...LEZING, v. (-en). *...LICHTEN, bw. gel. met licht ergens indringen, licht ergens brengen; (fig.) eene zaak voor iem. duidelijk maken, iem. over iets opheldering geven. -, ow. licht geven naar binnen. *...LICHTER, m. (-s). *...LICHTING, v. (-en). *...LIGGEN, ow. ong. gelegen zijn in, besloten zijn in. -D, bn. de -e brief; - krijgsvolk (dat in bezetting ligt). *...LIJMEN, bw. gel. door lijmen in iets vastmaken. *...LIJMING, v. (-en). *...LIJSTEN, bw. gel. (iets) in eene lijst vatten, - zetten; (fig.) in het geslachtregister opnemen; op eene lijst plaatsen. *...LIJSTING, v. (-en). *...LIJVEN, bw. gel. in -, bij iets opnemen, iets met iets anders vereenigen; als lid van een genootschap aannemen; plaatsen (krijgsvolk bij regementen); grondgebied van den eenen staat bij dat van een anderen voegen; in een register opschrijven. *...LIJVING, v. (-en). *...LOKKEN, bw. gel. lokkende naar binnen brengen, - doen inkomen. *...LOKKING, v. (-en). *...LOODSEN, (B. *...LOOTSEN), bw. gel. binnenloodsen, in de haven brengen (een schip). *...LOODSING, v. (-en). *...LOOGEN, bw. gel. in de loog zetten. *...LOOGING, v. (-en). *...LOOP, m. het inloopen. *...LOOPEN, bw. ow. ong. inhalen met loopen; inkomen, loopende binnenkomen; tegen iem. -, loopende tegen elk. stooten; tegen elk. -, in meening lijnregt van elk. verschillen; (letterz.) dat schrift loopt in, neemt minder ruimte in dan men gedacht heeft. *...LOSSEN, bw. gel. door lossen (weder) in zijn bezit krijgen; vrijkoopen; betalen wat op een pand geleend is. -, o. *...LOSSING, v. (-en). *...LUIDEN, *...LUIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. door klokgelui aankondigen (de kermis enz.); iem. -, de klokken ter eere van iem. luiden; iem. leten -, door klokgelui indagen; (fig.) iem. - (misleiden). *...LUIDING, v. (-en). *...LUISTEREN, bw. gel. (iem. iets) in het oor luisteren. *...LUISTERING, v. (-en). [Inmaaksel]Inmaaksel, o. ingemaakte vruchten, konfituren. *...MAKEN, bw. gel. konfijten, zouten, pekelen; (fig.) een in(of uit)gemaakte guit, een aartsschelm. *...MAKING, v. (-en). *...MANEN, bw. gel. door manen invorderen (eene schuld). *...MANER, m. (-s). *...MAANSTER, v. (-s). *...MANING, v. (-en.). *...MENGEN, bw. gel. door mengen in- of bijdoen; zich -, zich (met iets) inlaten, zich (in iets) bemoeijen. *...MENGING, v. (-en). *...MENGSEL, o. (-en, -s), hetgeen ingemengd is. *...MENNEN, bw. gel. mennende (ergens) in- of binnenvoeren. *....MENNING, v. (-en). *...METEN, bw. ow. ong. door meten inkrijgen; onder of door het meten verminderen; (fig.) ik zal hem dat -, gelijk met gelijk vergelden. *...METING, v. (-en). *...METSELEN, bw. gel. door metselen invoegen; met metselwerk omringen; opsluiten (eenen misdadiger). *...MIDDELS, bijw. middelerwijl, in den tusschentijd, in afwachting van. *...MIJNEN, bw. gel. zijnen eigendom (bij openbare veiling) inkoopen. *...MIJNING, v. (-en). *...MOFFELEN, bw. gel. goed inwikkelen, warm toedekken; bedektelijk naar binnen brengen, - in iets doen. *...MOFFELING, v. (-en). *...MONDEN, bw. gel. de uiterste einden van iets in elkander steken of voegen. [Innaaijen]Innaaijen, (B. *...IEN), bw. gel. door naaijen vereenigen; eenen lap in een kleed zetten; door middel van naaijen bergen of insluiten; hij had zijn geld in den band zijner broek genaaid; door naaijen enger maken; (boekb.) de bladen van een boek losjes vasthechten zonder er eenen band om te zetten. *...NAAIJER, m. (-s). *...NAAISTER, v. (-s). *...NAAIJING, v. (-en). *...NAGELEN, bw. gel. met nagelen indrijven, vastmaken. *...NAGELING, v. (-en). *...NAME, v. het innemen. *...NEMEN, bw. ong. door opnemen in- of naar binnen brengen, neem het (wasch) goed in, want het regent; opdoen (voorraad), het schip moet zijnen watervoorraad nog -; onder dak ontvangen (krijgsvolk); geneesmiddelen gebruiken; goeden raad - (inwinnen); (zeew.) intrekken, inkorten (de zeilen); bezetten, beslaan (eene ruimte), die tent neemt de helft van het plein in; zich meester maken (van), veroveren, bemagtigen, de vijand heeft die stad ingenomen; iemands genegenheid winnen, hij wist haar voor zich in te nemen; voor of tegen iem. -, iem. ter gunste of ten nadeele van een ander stemmen; ingenomen zijn met, verzot zijn op. *...NEMEND, bn. (-er, -st), bevallig, aanvallig, genegenheid opwekkende; voorkomend. *...NEMENDHEID, v. gmv. *...NEMER, m. (-s). *...NEEMSTER, v. (-s). *...NEMING, v. (-en). [Innen]Innen, bw. gel. (ik inde, heb geïnd), invorderen, beuren (geld). *-, o. *...NING, v. [Innerlijk]Innerlijk, bn. en bijw. inwendig, van binnen; hartelijk, opregtelijk, in gemoede. *-E, o. het binnenste. [Innig]Innig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. inwendig; vurig; godvruchtig. *-HEID, v. gmv. warmte; godsvrucht; gemoedelijkheid. [† Innocent]† Innocent, bn. (-er, -st), eenvoudig, onschuldig; onnoozel, met beperkte of verzwakte geestvermogens. *-IE, v. gmv. onschuld; eenvoudigheid; onnoozelheid; zwakheid van geestvermogens. *...VATIE, v. (...ën), nieuwigheid. *....VEREN, bw. gel. (ik innoveerde, heb geinnoveerd), nieuwigheden invoeren. [† Inobservantie]† Inobservantie, v. niet-opvolging (van voorschriften), ongehoorzaamheid. [† Inoculatie]† Inoculatie, v. (...ën), inenting. *...LEREN, bw. gel. (ik inoculeerde, heb geïnoculeerd), inenten. [Inoogsten]Inoogsten, bw. gel. veldvruchten (in den oogst) inzamelen; (fig.) vruchten plukken (van volbragten arbeid); lof -, geprezen worden. *...OOGSTING, v. [† Inosite]† Inosite, o. gmv. zekere suikerachtige zelfstandigheid in de vloeistof van het vleesch. [Inpakken]Inpakken, bw. gel. in eenen pak doen, - inwikkelen, - binden, verscheidene voorwerpen tot eenen pak maken. *...PAKKER, m. (-s). *...PAKSTER, v. (-s). *...PAKKING, v. (-en). *...PALMEN, bw. gel. allengs naar zich toehalen; zich eene schuld bij kleine gedeelten laten afbetalen; (zeew.) een touw -. *...PALMING, v. (-en). *...PASSEN, bw. ow. gel. meten of iets ergens in sluit; goed in iets sluiten (het eene voorwerp in het andere). *...PENNEN, bw. gel. enten; vleesch door houten pennen bijeenhouden. *...PEPEREN, bw. gel. met peper bestrooijen; (fig.) betaald zetten; dat zal ik hem geducht -, hiervoor zal ik hem geducht laten boeten. *...PEPERING, v. (-en). *...PERSEN, bw. gel. door middel van persing inbrengen, persende zamendrukken; dat meisje is zeer ingeperst (draagt een naauwsluitend corset). *...PERSING, v. (-en). *...PIJPEN, bw. gel. pijpende inblazen; (fig.) door vleitaal overreden. *...PLAATSEN, bw. gel. in iets plaatsen of zetten. *...PLAATSING, v. (-en). *...PLANTEN, bw. gel. inpoten, in den grond zetten; (fig.) inprenten, op het hart drukken. *...PLANTING, v. (-en). *...PLENGEN, bw. gel. plengende in -, naar binnen gieten. *...PLENGING, v. (-en). *...PLOEGEN, bw. gel. (timm.) ingroeven. *...PLOFFEN, bw. ow. gel. snel in (iets) werpen, - vallen. *...PLOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. door plooijen naauwer of korter maken. *...PLUKKEN, bw. gel. plukkende aftrekken, - inhalen, (ook zeew.). *...POMPEN, bw. gel. door middel van eene pomp inbrengen; (fig.) met moeite inprenten, - iets leeren aan iem. *...POMPING, v. (-en). *...POTEN, bw gel. inplanten. *...PRANGEN, bw. gel. met geweld indrukken. *...PRA) TEN, bw. gel. door praten in iemands gedachten brengen, (iem. ietswijs maken. *...PRATING, v. *...PREKEN, bw. gel. inpraten. *...PRENTEN, bw. gel. door herhaalde leering diep indrukken. *...PRENTING, v. (-en). *...PRESSEN, bw. gel. met alle kracht inbrengen. *...PRESSING, v. (-en). *...PRIKKEN, bw. gel. met eene scherpe punt insteken. *...PROPPEN, bw. gel. proppende inprangen, met eene prop sterk induwen. *...PUILEN, ow. gel. inzakken. *...PUTTEN, bw. (met emmers) putten of instorten. [Inregenen]Inregenen, onp.w. ow. gel. door regenen invallen; het heeft hier ingeregend, de regen is hier doorgedrongen. *...REKENEN, bw. gel. vuur met asch bedekken; (fig.) (iem.) vastzetten, in verzekerde bewaring brengen; hij is voor goed ingerekend, het is met hem gedaan. *...RENNEN, bw. ow. gel. rennende binnen- of inhalen, - inkomen. *...REVEN, bw. gel. (zeew.). *...RID, (B. ...RIT), m. het inkomen te paard. *...RIGTEN, (B. *...RICHTEN), bw. gel. in orde brengen, -zetten; (fig.) schikken, regelen. *...RIGTING, v. (-en), schikking, regeling; organisatie; regterlijke -, regeling der regtsmagt. -, instelling, gebouw of gesticht tot openbaar gebruik; - voor onderwijs. *...RIJDEN, bw. ow. ong. te paard of in en rijtuig inhalen; rijdende (iets) benadeelen, door rijden doen buigen; rijdende in -, binnenkomen. *...RIJGEN, bw. ong. in eene rij vereenigen (koralen enz.); met eene rijgsnoer intrekken; door rijgen zamenpersen. *...RIJGING, v. *...RIJTEN, bw. ow. ong. inscheuren. *...ROEIJEN, (B. ...IEN), bw. ow. gel. roeijende inhalen, - inkomen. *...ROEIJING, v. *...ROEPEN, bw. ong. tot zich -, naar binnen roepen; indagen; inluiden. *...ROEPER, m. (-s). *...ROEPING, v. (-en). *...ROEREN, bw. gel. roerende inmengen. *...ROESTEN, ow. gel. door den roest ingevreten worden; door roesten vastklemmen. *...ROESTING, v. *...ROLLEN, bw. ow. gel. tot eene rol maken, - inwinden; rollende dunner maken, - inbrengen, - komen. *...ROND, o. (-en), ronde opening van binnen. *...ROSSEN, ow. gel. rossende of rennende inkomen. † *...ROTULEREN, bw. gel. nommeren en zamenhechten (akten). *...RUILEN, bw. gel. door ruilhandel verkrijgen. *...RUILING, v. (-en). *...RUIMEN, bw. plaats -, ruimte maken, aan iem. eene plaats -; (fig.) toelaten, toestemmen. *...RUIMING, v. ontruiming; afstand; vergunning. *...RUKKEN, ow. bw. gel. met geweld binnenkomen; de troepen zijn weder ingerukt (in de kazerne teruggekeerd); (zeew.) de stukken (geschut) scheepwaarts -. *...RUKKING, v. (-en). [† Insanie]† Insanie, v. gmv. krankzinnigheid, waanzin. [Inschellen]Inschellen, bw. gel. doormiddel van eene schel inroepen; door hard schellen breken; het huis -, zeer hard en lang schellen. *...SCHENKEN, bw. ong. schenkende ingieten. *...SCHENKING, v. *...SCHENKER, m. (-s). *...SCHEPEN, bw. gel. aan boord van een schip laden. ZICH -, ww. zich aan boord begeven. *...SCHEPING, v. (-en). *...SCHEPPEN, bw. gel. scheppende indoen. -, ong. door de natuur ingeven; dit is hem als ingeschapen. *...SCHERPEN, bw. gel. in het gemoed prenten, nadrukkelijk aanbevelen, met klem gelasten. *...SCHERPING, v. (-en). *...SCHEUREN, bw. ow. gel. eene scheur maken; scheuren, vaneengaan. *...SCHIETEN, bw. ong. indoen (b.v. brood in eenen oven); in-, tusschenvoegen; door schieten verbrijzelen, de glazen werden ingeschoten; verliezen, er het leven bij -; er van het zijne bij -. -, ow. ingaan; vooruitkomen; invallen, in het geheugen komen; daar schiet mij iets in of te binnen. *...SCHIJNEN, ow. ong. naar binnen schijnen. *...SCHIJNING, v. *...SCHIKKELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), toegevend. -HEID, v. *...SCHIKKEN, ow. bw. gel. schikkende inkomen, inschuiven; toegeven. *...SCHIKKING, v. (-en). *...SCHOKKEN, bw. gel. gulzig eten. *...SCHOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. bedelende verkrijgen. *...SCHOON,
bn. zeer schoon. *...SCHOPPEN, bw. gel. schoppende inbrengen, - doen vooruitkomen; (fig.) iem. voorthelpen; breken. *...SCHRAPEN, bw. gel. gieriglijk inhalen, schraapzuchtig zich toeëigenen. *...SCHRAPER, m. (-s). *...SCHRAAPSTER, v. (-s). *...SCHRAPING, v. (-en), vrekkigheid, knevelarij. *...SCHRIJDEN, ow. ong. met groote schreden inkomen. *...SCHRIJDING, v. *...SCHRIJVEN, bw. ong. schrijven in (een boek, register enz.), op-, aanteekenen; inteekenen (op een werk enz.); (van aannemers) opgave voor welken prijs zeker werk zal gemaakt worden. *...SCHRIJVER, m. (-s). *...SCHRIJFSTER, v. (-s). *...SCHRIJVING, v. (-en), aan-, op-, inteekening; deelneming (aan eene leening enz.). -SBILJET, o. (-ten), (bij eene aanneming) waarop de gegadigde de som heeft vermeld voor welke hij het werk wil uitvoeren of de levering doen; aanbesteding bij -. *...SCHROBBEN, bw. gel. schrobbende doen inkomen. *...SCHROEVEN, bw. gel. in iets vastschroeven, digtschroeven. *...SCHROEVING, v. (-en). *...SCHROKKEN, bw. gel. gulzig inslokken. *...SCHUDDEN, bw. gel. door schudden doen invallen. *...SCHUIVEN, bw. ong. schuivende inbrengen. *...SCHUIVING, v. (-en). *...SCHULD, v. (-en), invorderbare geldschuld, actief. *...SCHULDENAAR, m. (-s). -STER, v. (-s). [† Inscriberen]† Inscriberen, bw. gel. (ik inscribeerde, heb geïnscribeerd), inschrijven, boeken, aan-, in-, opteekenen. *...SCRIPTIE, v. (...ën), in-, opschrift. [Insect, Insekt]Insect, Insekt, o. (-en), gekorven -, bloedloos diertje. *-ENPOEDER, o. (dienstig tot het dooden van kleine insekten en van ongedierte bij menschen en vee). *-ENSTEENEN, m. mv. entomolithen. *-OLOGIE, v. leer der gekorvene diertjes. [† Insecuriteit]† Insecuriteit, v. onzekerheid. *...SEPARABEL, bn. onafscheidelijk. *...SERAAT, o. (...aten), het ingelaschte; bijlage, naschrift; dagbladberigt. *...SEREREN, bw. gel. inlasschen; opnemen (in een dagblad). *...SERTIE, v. (...ën), inlassching, tusschenvoeging. *...SERTUM, o. zie INSERAAT. [Insgelijks]Insgelijks, vw. en bijw. evenzoo, ook. [† Insidieus]† Insidieus, bn. (...zer, -st), arglistig, verraderlijk, met listen en lagen te werk gaande. *...SIGNIËN, mv. ken-, onderscheidingsteekenen; de - eener ridderorde. *...SIMULATIE, v. (...ën), niet geheel gegronde beschuldiging. *...SINUATIE, v. (...ën), geregtelijke aanzegging, - kennisgeving; het indringen; bedekte aantijging. *...SINUEREN, bw. gel. (ik insinueerde, heb geïnsinueerd), geregtelijk beteekenen; bedektelijk aantijgen. ZICH -, ww. zich in iemands gunst dringen. *...SISTEREN, ow. - op, aandringen op, staan op. [Inslaan]Inslaan, bw. ow. onr. door slaan indrijven (eenen paal, eenen spijker enz.); door inslaan breken; een vat den bodem -; de glazen -; voorraad opdoen (b.v. bier enz.); (fig.) den bodem -, eene zaak doen mislukken, een einde aan iets maken; omslaan, inleggen (kleedingstukken die te wijd of te lang zijn); vouwen - (maken); eenen draad - (onder het breijen); eenen weg - (nemen, volgen); § schielijk en veel eten of drinken; de bliksem is hier ingeslagen (neêrgevallen). *-, o. (in al de opgegeven beteekenissen); (ook) het - der haringen in vaten; het - (openloopen) van eene deur. [Inslag]Inslag, m. (-en), het inslaan van waren, het opdoen van voorraad;
(wev.) inweefsel; omslag, overnaaisel; (fig.) schering en -, hoofdbestanddeelen (van iets). *-BOEK, o. (-en), (kooph.) boek der inkoopen. *-CEDEL, v. (-s), bewijs van impost, accijnsbiljet. *-DRAAD, m. (...aden), (wev.). *-SPOEL, v. (-en), wevers-schietspoel. [Inslapen]Inslapen, ow. ong. aanvangen te slapen, in slaap vallen; (fig.) sterven. *...SLEPEN, bw. gel. slepende in -, naar binnen trekken. *...SLIJPEN, bw. ong. slijpende in-, op- of bij iets brengen of zetten; zijn naam is in het glas geslepen. *...SLIKKEN, bw. gel. slikkende naar binnen brengen; (fig.) zijne woorden weder -, terug nemen wat men gezegd heeft. *...SLIKKING, v. (-en). *...SLINGEREN, bw. gel. slingerende inwerpen. *...SLIPPEN, ow. gel. zacht en ongemerkt binnensluipen. *...SLOKKEN, bw. gel. gretig verslinden, snel eten of drinken; (fig.) zich onregtmatig iets toeëigenen. *...SLORPEN, *...SLURPEN, bw. gel. slorpende nuttigen; een versch ei -. *...SLORPING, *...SLURPING, v. (-en). *...SLUIMEREN, ow. gel. beginnen te sluimeren. *...SLUIMERING, v. *...SLUIPEN, ow. ong. sluipende inkomen; ongemerkt indringen. *...SLUIPING, v. (-en). *...SLUITEN, bw. ong. achter-, onder een slot bewaren; leggen (eenen brief in een anderen); afsluiten, ontoegankelijk maken; de vijand heeft de vesting aan alle kanten ingesloten; iets tusschen twee sluitredenen plaatsen; begrijpen, bevatten, behelzen, inhouden, dit sluit zooveel in zich als enz. -, ow. goed in elk. passen (van twee voorwerpen). *...SLUITING, v. (-en). -STEEKEN, o. teksthaakjes []; parenthesis (). *...SMAKKEN, bw. gel. met geweld -, kracht of drift iets inwerpen; door gooijen of werpen breken. *...SMELTEN, bw. ow. ong. door smelten inmengen; (fig.) verliezen; door het smelten in zwaarte verminderen. *...SMELTING, v. (-en). *...SMEREN, (B. ...EEREN), bw. gel. smerende inwrijven, bestrijken (met vet, olie, zalf enz.). *...SMIJTEN, bw. ong. inwerpen, doen breken, stuk gooijen. *...SNAKKEN, bw. gel. met gretigheid inslikken. *...SNAPPEN, ow. gel. insluipen, schielijk inloopen. *...SNIJDEN, bw. ong. eene snede in iets maken; door middel van insnijding graveren; (heelk.) koppen zetten, kerven (de huid). *...SNIJDING, v. (-en). *...SNIJDMES, o. heelmeesterswerktuig. *...SNIJDSEL, o. (-s), het ingesnedene. *...SNORREN, ow. gel. snorrende inkomen, met gesnor invliegen. *...SNUIVEN, bw. ong. door snuiven in den neus optrekken. [† Insoci |