K. 1)  

 1)  De woorden die men niet onder K vindt zoeke men onder C.

[K]

K, v. 10e letter van het alfabet; K.M. keizerlijke -, koninklijke majesteit; K.G., Knight of the Garter (ridder der Kousenband-orde).

[Kaäba]

Kaäba, v. bedehuis-, heilige plaats te Mekka.

[Kaafijzer]

Kaafijzer, o. (zeew.).

[Kaag]

Kaag, v. (kagen), soort vaartuig. *-JE, (B. -N), o. (-s), scheepje; (ook) soort koekje. *-MAN, m. (-nen). *-SCHIPPER, m. (-s).

[Kaai]

Kaai, v. (-jen, B. -en), gemetselde weg langs het water, havendam. *-BOEF, m. (...ven), *- DRAGER, m. (-s), *-LOOPER, m. (-s), havenwerker. *-DIJK, m. (-en), kadijk. *-DRAAIJEN, zie KADRAAIJEN. *-GELD, o. (-en), liggeld (voor vaartuigen). *-JEN, (B. *-EN), bw. gel. (ik kaaide, heb gekaaid), (zeew.) de zeilen -, reven, toppen. *-MAN, m. (-nen), soort krokodil. *-MEESTER, m. (-s), opzigter, havenmeester.

[Kaak]

Kaak, v. (kaken), (ontl.) kakebeen, onder- of bovendeel van het aangezigt; wang, bleekbestorven kaken; ingevallen kaken; (fig.) door de kaken jagen, alles doorbrengen. *-, (zeew.) ton; (ook) rukwind; (oudt.) schandpaal; aan de - stellen, (ook fig.) de schande (van iem.) bekend maken. *-JE, o. (B. -N), v. (-s), klein kakebeen; keekje (zek. gebak). *-KLIEREN, v. mv. *-MES, o. (-sen), bij het haringkaken gebruikelijk. *-SLAG, m. (-en), slag tegen het kakebeen.

[p. 568]

*-SPIER, v. (-en). *-ZAKKEN, m. mv. wangtassen (ruimte in den mond van zek. dieren, tot berging van voedsel).

[Kaal]

Kaal, bn. en bijw. (kaler, -st), haarloos, geschoren, glad (van vederen enz.), een - hoofd; - worden, zijn haar verliezen; een - veld; een kale boom; (fig.) een kale rot, iem. die niets heeft; er - afkomen, zich veel hoofdhaar laten afsnijden; (fig.) niets gewonnen hebben; een - (ongetakeld) schip; eene kale reede, waar geen schepen liggen; een kale vogel, die nog geen veeren heeft; (fig.) een - middagmaal, eene kale keuken, magere kost; een kale jonker, een arme edelman; eene kale uitvlugt, verontschuldiging zonder bewijs; iem. - maken, hem alles afnemen; - en knap, armoedig doch zindelijk. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), een weinig kaal. *-HEID, v. gmv. haarloosheid; (fig.) armoede, geldeloosheid. *-KIN, m. (-nen), baardelooze knaap. *-KOP, m. (-pen), die eenkaal hoofd heeft (schimpnaam). *-POOT, m. (-en), vogel met kale pooten; (fig.) arme kerel-

[Kaam]

Kaam, v. (-sel), o. gmv. schimmel (op wijn, bier enz.). *-ACH. TIG, bn. (-er, -st), met een weinig kaam bezet.

[Kaan]

Kaan, v. (kanen), gestolde vetstukjes, vetkorrels; soort boot (vaartuig). *-KOEK, m. (-en), gestold vet in vormen.

[Kaap]

Kaap, v. (kapen), voorland, vooruitstekend land (in de zee), voorgebergte; de - omzeilen; de - (de Goede Hoop); ter - varen, op zeeroof -, als kaper varen (in oorlogstijd). *-SCH, bn. van de kaap (de Goede Hoop); een -e ezel, zebra; -e wijn, constantia. *-STANDER, m. (-s), (zeew.) groote windas op schepen. *-VAART, v. gmv. vaart op de kaap de Goede Hoop; koopvaardersbedrijf. *-STER, v. (-s), zie KAPER. *-WOLKEN, v. mv. (zeew.).

[Kaar]

Kaar, v. (karen), vischkaar, -bun.

[Kaarde]

Kaarde, v. (-n), distel; soort wollen stof. *-BOL, m. (-len), kop van de distel. *-N, bw. gel. (ik kaardde, heb gekaard), laken -, wol -. *-DISTEL, v. (-s). *-NMAKER, m. (-s). *-NSTEKER, m. (-s), werkman in eene wolkaarderij. *-R, m. (-s). *...DSTER, v. (-s). *...DSEL, o. *-WOL, v. gmv.

[Kaars]

Kaars, v. (-en), cylindervormige stang van vet of was met een pit in het midden om te branden; bij de - werken; de - snuiten; iem. met eene - uitlichten; hij loopt zoo regt als eene -; (r.k.) eene gewijde -, in de kerk; (fig.) in de - vliegen, zich (eindelijk) aan regtsvervolging bloot geven; om de - vliegen, zich onvoorzigtig (aan gevaar) blootstellen; het riekt naar de -, draagt blijk van groote inspanning. *-DRAGER, m. (-s), (r.k.).

[Kaarsenbak]

Kaarsenbak, m. (-ken). *...KIST, v. (-en). *...LADE, v. (-n), bergplaats voor kaarsen; (ook) soort langwerpige smalle schuit. *...MAKEN, o. gmv. beroep -, ambacht des kaarsenmakers. *...MAKER, m. (-s). *...SNUITER, m. (-s).

[Kaarskatoen]

Kaarskatoen, o. gmv. katoen tot pitten. *...KOOL, v. (...olen), zekere steenkolensoort (in Engeland en Schotland). *...LICHT, o. gmv. bij - werken; een -, schilderstuk een kaarslicht voorstellende. *...LEMMET, o. (-ten), pit, katoen. *...ONGEL, o. gmv. *...PIT, v. (-ten). *...SMEER, o. gmv. *...SNUITSEL, o. (-s), verbrande (gesnoten)

[p. 569]

pit. *...VET, o. gmv. kaarssmeer. *...WERK, o. (-en), werk -, arbeid bij de kaars; (fig.) werk dat van groote inspanning blijk draagt. *...WINKEL, m. (-s).

[Kaart]

Kaart, v. (-en), kaartpapier; speelkaart; - spelen; de - geven; de - afnemen; de - doorschieten (mengen); de - vergeven, valsch geven; N. is aan de -, moet deelen; in de - kijken of zien, (ook fig.) iemands geheimen doorschouwen; (spr.) de gekken krijgen de -, die het minst weten hebben het meeste geluk; eene mooije - hebben, voordeelig om te spelen; eene nieuwe -, eens bespeelde -, een spel kaarten dat nieuw of waarmede eens gespeeld is; de - leggen, waarzeggen uit de kaarten; kunsten met de - doen. *-, land-, aardrijkskundige kaart; plaatsen op de - aanwijzen; goed de - kennen, bedreven zijn in de aardrijkskunde; eene afgezette (gekleurde) -; eene blinde -, omgekeerde kaart (waarop de leerling de ligging der plaatsen van buiten moet aanwijzen).

[Kaarteblad]

Kaarteblad, o. (-en), een der 52 speelkaarten.

[Kaarten]

Kaarten, bn. van kaart; van kaarten; een - huis, -je, (ook fig.) een ligt gebouwd huis.

[Kaartgeld]

Kaartgeld, o. (-en), zeker (vast) geld dat men voor de kaart aan den kastelein of zijne bedienden betaalt.

[Kaartje]

Kaartje, (B. -N), o. (-s), kleine kaart; naam-, visite-; zijn - afgeven, laten (ten blijke dat men iem. heeft willen bezoeken; een - maken, kaart spelen. *....KOOPER, *...VERKOOPER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *...PAPIER, o. gmv. *...PASSER, m. (-s). *...SPEL, o. (-en). *...SPELER, m. (-s). *...SPEELSTER, v. (-s). *...WINKEL, *...ENWINKEL, m. (-s), waar men (speel- of aardrijkskundige) kaarten verkoopt.

[Kaas]

Kaas, v. (kazen), uit karnemelk bereide eetbare zelfstandigheid; versche -, belegen -, oude -, zoetemelksche -, zwitsersche -, stolksche -, leidsche -, edammer -, komijnen-; schapen- (uit schapenmelk); (ned. gesch.) het - en broodsvolk, zekere democratische partij onder graaf Filips II (1490). *-ACHTIG, bn. als kaas. *-BOER, m. (-en), -IN, v. (-nen), maker -, maakster -, verkooper -, verkoopster van kaas. *-BORD, o. (-en), bestemd om er kaas op te leggen. *-GLAS, o. (...zen), glazen stolp om de kaas te dekken. *-HUT, v. (-ten), waar kaas gemaakt wordt (inz. in Zwitserland). *-JAGER, m. (-s), kaasboer; (fig.) oude verliefde. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine kaas. -SKRUID, o. gmv. zek. plant, soort maluwe. *-KAMER, v. (-s), waar de kaas bewaard wordt (in boerderijen). *-KOEK, m. (-en). *-KOOPER, m. (-s), *-KOOPSTER, v. (-s), handelaar -, handelaarster in kaas. *-KOP, m. (-pen), houten vorm waarin de kaas wordt geperst; (fig.) domkop. -PENDRAAIJER, (B. ...IER), m. (-s), maker van zulke vormen. *-KORF, m. (...ven). *-LEB, v. gmv. stremsel. *-LUCHT, v. *-REUK, m. gmv. *-MADE, v. (-n). *-MAKERIJ, v. (-en), het maken van kaas; (ook) huis waar de kaas wordt gemaakt. *-MARKT, v. (-en). *-MAT, v. (-ten). *-MES, o. (-sen), groot mes; (fig.) § sabel. *-NAP, m. (-pen), soort lekbak (in de kaasmakerijen). *-STOF, v. zek. eiwitachtige stof, caseïne. *-TAARTJE, (B. -N), o. (-s). *-VAT, o. (-en). *-VORM, m. (-en), vorm waarin kaas gemaakt

[p. 570]

wordt. *-WEI, v. gmv. gestremde melk. *-WINKEL, m. (-s). *-WORM, m. (B.v.), (-en), kaasmade. *-WRONGEL, v. gmv. dikke melk.

[Kaatje]

Kaatje, (B. -N), o. verkleinde vrouwenaam voor Katharina; (spr.) gedaan met -, het is uit, er is niets meer aan te doen.

[Kaats]

Kaats, v. plaats waar de (kaats)bal valt; de -winnen, - teekenen, - missen. *-BAAN, v. (...anen), ruimte waarin gekaatst wordt. *-BAL, m. (-len). *-DAK, o. (-en). *-EN, ow. gel. (ik kaatste, heb gekaatst), eenen bal heen en weder of elkander toewerpen; zie BAL. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s). *-ING, v. gmv. het kaatsen. *-MEESTER, m. (-s), houder -, meester eener kaatsbaan. *-NET, o. (-ten), raket. *-PLANKJE, (B. -N), o. (-s), palet. *-SPEL, o. (-en). *-ZEEF, v. (...even), soort raket (op een drievoet).

[Kaauw]

Kaauw, of KAUW, v. (-en), soort kraai, (vogel); tabakspruim. *-EN, bw. gel. (ik kaauwde, heb gekaauwd), met de tanden vermalen; tabak -, pruimen; (fig.) hij heeft niet veel te -, hij is arm; zijne woorden -, teemen, stamelend spreken; hij heeft er wat aan te -, heeft er veel moeite aan. *-ER, m. (-s), die kaauwt, (inz.) tabaks-. *-ING, v. gmv. het kaauwen. *-MIDDEL, o. (-en), (apoth.). *-SEL, o. (-s), het gekaauwde. *-SPIER, v. (-s), tandspier. *-TANDEN, m. mv. maaltanden. *-TJE, (B. -N), o. (-s), tabakspruim.

[Kabaal]

Kabaal, v. gmv. geheime vijandelijkheid, aanslag; komplot (inz. tegen tooneelspelers); § - schoppen, slaan. *-MAKER, m. (-s). *-MAAKSTER, v. (-s).

[Kabas]

Kabas, v. (-sen), reismandje (met hengsel). *-SEN, bw. gel. (ik kabaste, heb gekabast), listig stelen.

[Kabbelen]

Kabbelen, ow. gel. (ik kabbelde, heb gekabbeld), zacht stroomen, (van beken of rivieren). *...ING, v. (-en), zacht stroomende beweging des waters. *...STROOM, m. (-en), zacht bewogen beek of rivier.

[Kabel]

Kabel, m. (-s), dik touw, scheepstros; ankertouw; den - vieren, - kleeden, - kappen; de - is onklaar, er is een knoop in; (fig.) een kink in den -, een beletsel, eene onverwachte verhindering; dat is een - op zolder, een middel nog ver te zoeken. *-ARING, v. (-en), dik touw om het anker op te halen. *-EN, bw. gel. aan kabels vastmaken. *-GAREN, o. (-s), garen der zeilmakers enz. *-GAST, m. (-en), scheepsjongen. *-GAT, o. (-en), (zeew.) berghok voor het touwwerk.

[Kab(b)eljaauw]

Kab(b)eljaauw, m. (-en), soort visch; (spr.) eenen spiering uitgooijen om eenen - te vangen, iets gerings opofferen om iets groots te verkrijgen. *-NET, o. (-ten). *-SCH, bn. zie HOEKSCH. *-VANGST, *-VISSCHERIJ, v. gmv.

[Kabelketting]

Kabelketting, m. (-en), ijzeren kabel. *...KLEED, o. (-en), (zeew.) *...KNOOP, m. (-en). *...LENGTE, KABELSLENGTE, v. (-n), volle lengte van den kabel, (thans = 225 ned. ellen.) *...RAND, m. (-en), gekartelde rand (om een muntstuk). *...SLAG, m. (-en), omslag, lus van den kabel. *...STRIK, m. (-ken). *...TOUW, o. (-en), dik touw, ankertouw.

[Kabilen, Kabylen]

Kabilen, Kabylen, m. mv. arabische, (ook) algerijnsche volksstam.

[Kabinet]

Kabinet, o. (-ten), werkkamer, geheim vertrek; zaal -, galerij voor kunst (bij eenen particulier); (ook) verzameling van kunstvoorwerpen; kunst-; een - schilderijen, - penningen; stuk huisraad;

[p. 571]

linnenkast; (fig.) de ministers, de regering van eenen staat; het - van 's Gravenhage, de nederlandsche regering; het geheele - (al de ministers) is afgetreden; eene -skwestie, een voorstel (of eene omstandigheid) van welks (welker) beslissing het al of niet aanblijven der ministers afhangt.

[Kabinetschrijven]

Kabinetschrijven, o. gmv. brief-, aanschrijving van wege den koning of den vorst des lands.

[Kabinets-koerier]

Kabinets-koerier, m. (-s), koerier in dienst der regering. *...RAAD, m. vergadering der ministers. *...ORDER, m. bevel van wege den koning.

[Kabinetstuk]

Kabinetstuk, o. groote schilderij, fraai kunststuk. *...WERKER, m. (-s), schrijnwerker, meubelmaker.

[Kabouter]

Kabouter, m., *-MANNETJE, (B. -N), o. (-s), aardmannetje; (fig.) manneke, kleine dikke jongen.

[Kabretleder]

Kabretleder, v. gmv. leder van den reebok; - van de geit. *-EN, bn. van kabretleder.

[Kabuis]

Kabuis, v. zie KOMBUIS. *-KOOL, v. (-en), witte kool.

[Kadaster]

Kadaster, o. (-s), grondbeschrijving; boek-, register van alle gronden en onroerende eigendommen in een land; ambtenaar van het -. *...DASTRAAL, bn. tot het kadaster behoorende; de kadastrale omschrijving. *...DASTREREN, bw. gel. (ik kadastreerde, heb gekadastreerd), volgens het kadaster omschrijven, in het schattingsregister opschrijven.

[Kade]

Kade, v. (-n), zie KAAI.

[Kadet]

Kadet, m. (-ten), jonkman die tot de krijgsdienst wordt opgeleid; adelborst. *-JE, (B. -N), o. (-s), jong kadet; (ook) klein broodje. *-TENSCHOOL, v. (...olen).

[Kadi]

Kadi, m. (-s), schout, overheid (in Turkije).

[Kadraai]

Kadraai, v. (-jen, B. -en), ligter (plat vaartuig). *-JEN, (B. *-EN), ow. gel. (ik kadraaide, heb gekadraaid), aan- en afvaren aan de schepen om waren te verkoopen. *-IER, (B. *-ER), *-STER, v. (-s), zoetelaar, -ster (op de schepen, aan de haven).

[Kaf]

Kaf, o. gmv. afval van stroo, van gedorschte korenaren; (fig.) het - van het koren ziften, goed van kwaad scheiden; het zal als - verstuiven; - dorschen, nutteloozen arbeid verrigten. *-FA, v. soort trijp. *-FAR, m. gmv. belasting op de vreemdelingen in Turkije. *-FER, m. (-s), -SCHE, v. (-n), inboorling van het Kafferland. *-JES, o. mv. (plant.) buitenste schutblaadjes. *-TAN, m. turksch opperkleed.

[Kagchel]

Kagchel, v. (B. KACHEL, m.), (-s). *-DAMP, m. (-en). *-DEUR, v. (-en). *-GRUIS, o. gmv. fijne steenkool. *-HOUT, o. (-en), brandhout voor den kagchel. *-IJZER, o. (-s), pook. *-KAMER, v. (-s), oven. *-KOLEN, v. mv. steenkool. *-MAKER, m. (-s). *-OVEN, m. (-s). *-PIJP, v. (-en). *-POOK, v. (-en). *-SMID, m. (...smeden). *-VUUR, o. (...vuren).

[Kainpandjings]

Kainpandjings, v. zek. geweven stof.

[† Kajak]

Kajak, v. (-ken), groenlandsch vaartuig.

[Kajaputolie]

Kajaputolie, v. gmv. soort geneeskrachtige olie.

[Kajuit]

Kajuit, v. (-en), scheepskamer, verblijf van den kapitein, - der passagiers. *-(S)JONGEN, m. (-s), knecht van den kapitein, scheepsjongen. *-(S)WACHTER, m. (-s), oppasser.



[p. 572]

[§ Kak]

§ Kak, m. gmv. menschendrek, uitwerpsel; (fig.) § - maken, grootspreken, zich winderig aanstellen.

[Kakatoe]

Kakatoe, m. (-s), zek. vogel.

[Kakebeen]

Kakebeen, o. (-deren), (ontl.) been waarin de tandkassen zitten, kinnebak; zie KAAK. *...LAAR, m., -STER, v. (-s), prater, babbelaar, -ster. *...LARIJ, v. (-en), babbelarij.

[Kakelbont]

Kakelbont, bn. smakeloos bijeengebragt (van kleuren).

[Kakelen]

Kakelen, ow. gel. (ik kakelde, heb gekakeld), klokken (van hoenders als zij eijeren leggen); (fig.) babbelen, snateren.

[Kaken]

Kaken, bw. gel. (ik kaakte, heb gekaakt), de kieuwen der pas gevangen haringen uitnemen en deze zouten. *-, o. haring kaken. *...KER, m. (-s), haringzouter.

[§ Kakhiel]

§ Kakhiel, m. (-en), winterhiel, eeltige uitwas aan den hiel; (fig.) met -en loopen, er armoedig uitzien.

[§ Kakhuis]

§ Kakhuis, o. (...zen), sekreet, geheim gemak. *-BRIL, m. (-len). *-DEKSEL, o. (-s). *-DEUR, v. (-en). *-RUIMER, m. (-s). *-STANK, m. gmv. *-VEGER, m. (-s), nachtwerker.

[§ Kakkebed]

§ Kakkebed, m. en v. (-den), die zijn bed bevuilt.

[Kakken]

Kakken, ow. gel. (ik kakte, heb gekakt), zijn gevoeg doen; (fig.) § ik kak er in, ik bekreun er mij niet om. *...KER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...KERIJ, v. gmv. buikloop, diarrhae; aan de - zijn. *...KERLAK, m. (-ken), zeker insekt (inz. in de keerkringslanden). -JE, (B. -N), o. (-s), kleine kakkerlak; (fig.) kale uitvlugt.

[Kakketoe]

Kakketoe, v. (-s), soort gekuifde papegaai.

[† Kakocratie]

Kakocratie, v. (...ën), slechte regering. *...GAMIE, v. (-en), slecht -, onvoegzaam huwelijk. *...GRAPHIE, v. (-en), gebrekkige -, fautieve spelling en stijl (meestal opzettelijk tot oefening voor den leerling). *...PATHIE, v. gmv. ongesteldheid, onpasselijkheid. *...PHONIE, v. (...ën), wanluidendheid.

[↑ Kaks]

Kaks, bijw. als -, welstaanshalve.

[§ Kakschool]

§ Kakschool, v. (...olen), *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleinkinderschool. *...SEL, o. gmv. menschendrek. *...STILLETJE, (B. -N), o., *...SULLE, v. (-n), stilletje; kamergemak. *...STOEL, m. (-en), kinderstoel.

[† Kalcedon]

Kalcedon, zie CHALCEDON.

[Kalabas]

Kalabas, v. zie KALEBAS.

[Kalamijnsteen]

Kalamijnsteen, m. soort steen (om rood koper geel te maken). *-ACHTIG, bn. als kalamijnsteen. *...MINK, o. (-en), zek. wollen stof. -EN, bn. van kalamink.

[Kalander]

Kalander, v. (-s), (soort) mangel, stofglanzer; (ook) glans (van stoffen). *-ER, m. (-s), glanzer. *-STER, v. (-s), glansster. *-EN, bw. gel. (ik kalanderde, heb gekalanderd), glanzen. *-GELD, o. *-LOON, o. (-en). *-IJ, v. (-en), glanzerij; het glanzen. *-MOLEN, m. (-s), werkplaats des kalanderers. *-STEEN, m. (-en), glanssteen.

[Kalandizie]

Kalandizie, v. gmv., het beklant zijn; iem. met de - begunstigen; veel - hebben; om de - vragen; de - verloopt.

[Kalant]

Kalant, m. en v. gewone kooper, koopster (in eenen winkel, bij eenen ambachtsman enz.); -en krijgen, -en hebben; een - verliezen; de -en (koopers) blijven weg, verloopen; zie KLANT.



[p. 573]

[Kalcedoniesten]

Kalcedoniesten, m. (-en), edelgesteente.

[Kalderstok]

Kalderstok, m. zie KANTERSTOK.

[Kalebas]

Kalebas, (B. KALBAS), v. (-sen), soort pompoengewas. *-BOOM, m. (-en). *-FLESCH, v. (...sschen), gedroogde holle kalebas; (ook) glazen flesch in dien vorm. *-PEER, v. (...eren).

[Kalefaten]

Kalefaten, *...FATEREN, (B. KALFATEN, KALFATEREN), bw. gel. (ik kalefaatte of kalefaterde, heb gekalefaat of gekalefaterd), breeuwen, teeren, (ook) herstellen (een vaartuig); (fig.) laat mij dit maar -, in orde brengen. *...FAATBAKJE, (B. -N), o. (-s), (zeew.) waar het werk enz. tot het breeuwen noodig in zit. *...FAATJONGEN, m. (-s). *...FAATHAMER, m. (-s), breeuwhamer. ...IJZER, o. (-s). *...FATERER, m. (-s), die kalefaat. *...FATERING, v. (-en), het kalefateren.

[† Kaleidophoon]

Kaleidophoon, o. (...onen), werktuig waarmede door de terugkaatsing van het licht velerlei regtstandige figuren ontstaan. *...DOSKOOP, m. (...open), werktuig waarin door eene draaijende weêrspiegeling zich allerlei fraaije figuren vertoonen, schoonheidskijker.

[↑ Kalenboeg]

Kalenboeg, m. (-en), schip dat zijne ankers verloren heeft.

[Kalender]

Kalender, m. (-s), almanak, tijdwijzer; (fig.) tijdrekening.

[Kales]

Kales, v. (-sen), zie CALÈCHE; (dicht.) wolkenwagen.

[Kalf]

Kalf, o. (...ven, ...vers, ...veren), jong van een viervoetig dier, inz. van de koe; een nuchter -, dat nog niet gezogen heeft; (fig.) onnoozele bloed; (fig.) een gemest -, een dikke kerel; (fig.) een jong -, een vlasbaard; hij is een -, een zeer goedaardig mensch; (spr.) den put dempen als het - verdronken is, te laat hulp brengen, het kwaad uit den weg ruimen als het te laat is; als de kalveren op het ijs dansen, (van iets) dat nimmer gebeurt; een - maken, braken; met iemands - ploegen, door iem. (heimelijk) in iets geholpen worden; hoe komt het - bij zijnen maat! hoe wonderlijk men elkander ontmoeten kan! oogen van een -, groote -, uitpuilende oogen. *-, (timm., drukk. enz.) dwarslijst, -hout; balkstuk; drempel; (zeew.) stopstuk. *-KOE, v. (-ijen, B. -ien), dragtige koe.

[Kalfsborst]

Kalfsborst, v. (-en). *...BOUT, m. (-en). *...GEBRAAD, o. gmv. *...HUID, v. kalfvel. *...KARBONNADE, v. (-n), kalfslapjes met been. *...KOP, m. (-pen), (fig.) domoor, botterik. *...KRUID, o. zek. gewas. *...LEDER, *...LEÊR, o. gmv. (boekb.) in - gebonden. -EN, bn. van kalfsleder; een - band. *...LEVER, v. (-s). *...LONG, v. (-en). *...MAAG, v. (...agen). *...MUIL, m. (-en). *...NAT, o. gmv. bouillon. *...NIER, v. (-en). -STUK, o. *...OMLOOP, m. *...OOGEN, o. mv. (kookk.) soort geregt; (fig.) groote -, opengespalkte oogen. *...POOT, m. (-en). *...RIB, v. (-ben). -BETJE, (B. -N), o. (-s), cotelette. *...SCHIJF, v. (...ven). *...SCHINKEL, m. (-s). *...SNUIT, m. (-en). *...SOEP, v. (-en). *...TAND, m. (-en). *...VEL, o. (-len), huid van een kalf; (fig.) trom; het - volgen, soldaat worden. *...VET, o. gmv. *...VLEESCH, o. gmv. *...VOET, m. (-en), (ook) zek. plant. *...WORST, v. *...ZWEZERIK, v. (-ken).

[† Kali]

Kali, v. (scheik.) potasch, zout kruid. *...BER, o. vormwijdte, omvang; geschut van groot -; (fig.) gewigt, aanzien. *-BREERIJZER, o. (-s), ...STOK, m. (-ken), werktuig om te calibreren.

[Kalif, Kalief]

Kalif, Kalief, m. (-en), in de Oostersche landen eertijds opperhoofd

[p. 574]

van het Grieksche rijk na Mahomet; (thans) geestelijke titel van den Sultan van Turkije. *-AAT, o. gmv. rijk -, waardigheid der kalifen.

[Kalis]

Kalis, m. (-sen), schooijer, bedelaar.

[Kalk]

Kalk, m. gmv. zelfstandigheid met zekere zuren verbonden; kalksteen (als zoodanig in ovens gebrand en in water ontvlambaar), ongebluschte -; - branden; - beslaan (met water vermengen); - bouwen (bereiden); den - van de tanden nemen. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als kalk. *-BAK, m. (-ken), (mets.). *-BRANDEN, o. bedrijf des kalk- of trasmolenaars. *-BRANDER, m. (-s). *-BRANDSTER, v. (-s). *-BRANDERIJ, v. (-en), kalkmolen. *-BROK, m. (-ken), afgevallen stuk drooge kalk. *-EN, bw. gel. (ik kalkte, heb gekalkt), met kalk besmeren, -bestrijken, - begieten, - besprenkelen. *-GRUIS, o. gmv. *-HOUW, *-KLOOT, m. (-en), roerstok voor kalk. *-KLEI, v. gmv. zek. delfstof. *-LICHT, o. Drummonds-licht. *-METAAL, o. zek. zilverwit glansrijk metaal.

[Kalkoen]

Kalkoen, m. (-en), zek. tamme vogel; (rijsch.) punt van een hoefijzer. *-(EN)HOEDER, m. (-s). *-(-EN)HOEDSTER, v. (-s). *-HOUDER, *-MELKER, m. (-s), ...STER, v. (-s). *-SCH, bn. een -e haan, eene -e hen. *-TJE, (B. -N), o. (-s), groot plat drinkglas (eene kwart flesch houdende).

[Kalkkuip]

Kalkkuip, v. (-en), looikuip. *...OVEN, m. (-s), oven waarin kalk wordt gebrand. *...POT, m. (-ten), pot voor pleisterkalk. *...PUT, m. (-ten), put voor gebluschten kalk. *...PUIN, o. gmv. *...SPATH, o. de gekristalliseerde verbinding van koolstofzuur met kalk. *...STEEN, m. koolzure kalk, zek. rotssoort. *...TOBBE, v. (-n). *...WATER, o. gmv. water op kalk gegoten.

[Kallemoêr]

Kallemoêr, v. (-en), babbelaarster, praatjesmaakster.

[Kallen]

Kallen, ow. gel. (ik kalde, heb gekald), babbelen, snappen. *...LER, m. (-s), *...LEVAAR, m. (...aren), babbelaar. *...STER, v. (-s), babbelaarster. *...LING, v. gmv. babbelaij, praatzucht.

[Kalm]

Kalm, bn. (-er, -st), bedaard, stil, gerust; een -e pols, -weder; een - leven, -e dagen; een -e slaap; wees -; kan men daarbij - blijven? *-TE, v. gmv. bedaardheid, gerustheid; -op zee, windstilte.

[Kalmei]

Kalmei, v. zie GALMEI.

[Kalmink]

Kalmink, o. (-en), zie KALAMINK.

[Kalmus]

Kalmus, m. (plant.) soort lisch. *-WORTEL, m. (B.v.), (-s).

[† Kalpac]

Kalpac, v. (-s), ligte (hongaarsche) huzarenmuts.

[† Kalvarie]

Kalvarie, v. gmv. (godg.) de - berg, kruisheuvel.

[Kalven]

Kalven, ow. gel. (ik kalfde, heb gekalfd), een kalf werpen, - baren.

[Kalverachtig]

Kalverachtig, bn. en bijw. (-er, -st), dartel, los. *...EN, ow. gel. (ik kalverde, heb gekalverd), braken, spugen. *...KNIEÊN, v. mv. gedraaide-, kromme knieën. *...LIEFDE, v. gmv. eerste vuur der liefde; dierlijke lust.

[Kam]

Kam, m. (-men), getand werktuig om het haar te ontwarren of bijeen te houden; overeind staande vleezige uitwas op den kop van sommige vogels; weverswerktuig; (zeew.) de - eener ra; fries (van het galjoen); overeind staand houtje onder de snaren van een strijk-instrument

[p. 575]

of guitare, (fig.) den - opsteken, zich halsstarrig toonen, zich verzetten; zij zijn allen over denzelfden - geschoren, allen van hetzelfde gehalte, allen even slecht. *-BORSTEL, m. (-s), om de kammen te zuiveren. *-DOEK, m. (-en), dien men omslaat onder het kammen.

[Kameel]

Kameel, o. en m. (-en), viervoetig lastdier (in Arabië); (zeew.) platboomd vaartuig dienende om zwaar geladen schepen over ondiepten te ligten. *-DRIJVER, m. (-s). *-IN, v. (-nen), wijfje van den kameel. *-PAARD, o. (-en). *-PARDEL, m. (-s), giraffe.

[Kameelshaar]

Kameelshaar, o. zie KEMELSHAAR. *...RUG, m. (-gen).

[Kamelaar]

Kamelaar, m. (zeew.) hofmeester.

[Kameleon]

Kameleon, m. (-s), soort hagedis; proteus; (fig.) persoon die vaak van stelsel of partij verandert.

[Kamelot]

Kamelot, o. zie CAMELOT. *-TEN, bn. van kamelot. -, bw. gel. (ik kamelotte, heb gekamelot), kamelot werken, -vervaardigen.

[Kamen]

Kamen, ow. gel. (ik kaamde, heb gekaamd), beschimmelen.

[Kamenier]

Kamenier, v. (-en), kapster, volgjuffer (eener dame). *-EN, bw. gel. (ik kamenierde, heb gekamenierd), eene dame helpen kappen en kleeden; als kamenier dienen.

[Kamer]

Kamer, v. (-s, -en), beslotene ruimte door eene deur afgesloten; ziel van een stuk geschut; (ontl.) - van het hart; (zeew.) bergplaats der kabels; zijne - houden (niet verlaten, door ongesteldheid); - van vakantie, - van afgevaardigden; eerste en tweede - (der Staten-Generaal); op -s (een gedeelte van een bovenhuis) wonen; gestoffeerde (gemeubileerde) -s; (eert.) rederijkerskamer; burgemeesters-, kabinet des burgemeesters; de -, het dagelijksch bestuur, burgemeester en wethouders; - van huwelijkszaken (oudt. te Amsterdam); mijnheer is op zijne -, in zijn slaapvertrek.

[Kameraad]

Kameraad, m. en v. (...aden), medgezel, makker; kerel; vriend. *-SCHAP, v. (-pen), broederschap, vriendschap; - drinken, door eenen dronk de vriendschap bezegelen. -PELIJK, bn. (-er, -st).

[Kameraar]

Kameraar, m. (-s), kamerdienaar van den paus, - van eenen aartsbisschop.

[Kamerband]

Kamerband, m. (-en), astragaal (om een kanon). *...BASSIST, m. (-en), bijzondere baszanger van eenen vorst. *...BEHANGER, m. (-s). *...BEWAARDER, m. (-s), deurwachter, huisbediende. *...BEZEM, m. (-s). *...DEIMAT, v. (-ten), (eert.) zek. nederlandsche vlaktemaat. *...DEUR, v. (-en). *...DIENAAR, m. (-s, ...aren), lijfbediende van een groot heer of vorst. *...DOEK, o. gmv. soort cambrai, gazen stof. -SCH, bn. van kamerdoek.

[Kameren]

Kameren, bw. gel. (ik kamerde, heb gekamerd), kamers laten bewonen (aan eene vrouw waarmede men leeft); in eene kamer opsluiten; daar zaten wij gekamerd (opgesloten).

[Kamerfluitist]

Kamerfluitist, m. (-s), bijzondere fluitspeler van eenen vorst.

[Kamergang]

Kamergang, m. (-en), stoelgang. *...GERAAS, o. gmv. kamerrumoer. *...GEREGT, o. (-en), keizerlijk geregtshof (in Oostenrijk). *...HEER, m. (-en), dienstdoende edelman van een vorstelijk huis, chambellan; de sleutel van -. -SCHAP, o. gmv. waardigheid van

[p. 576]

kamerheer. *...HUUR, v. (...uren). *...IJKSDOEK, o. gmv. zie KAMERDOEK. *...JAPON, m. (-nen), huis-, slaapjapon. *...JUFFER, v. (-s), kamenier. -TJE, (B. -N), o. (-s), kameniertje; (toon.) soubrette. *...KAT, v. (-ten), -JE, (B. -N), o. (-s), gemainteneerd vrouwspersoon; (ook) kamenier. *...LING, m. (-en), kameraar. *...MAAGD, *...MEID, v. (-en), huis-, werkmeid. *...POT, m. (-ten), nachtpot, -spiegel. *...ROK, m. (-ken), nachtjapon. *...SPEL, o. (-en), tooneelstuk voor rederijkers. -ER, m. (-s), bijzondere tooneelspeler van eenen vorst; rederijker; muziekant die niet op concerten zich laat hooren. *...STOEL, m. (-en), kinderstoel; stilletje. *...STUK, o. (-ken), schilderij eene kamer of een binnenhuis voorstellende; (ook) voorwerp dat tot het ameublement dient; (oorl.) steenstuk. -JE, (B. -N), o. (-s), kleine kamer. *...VIOLIST, m. (-en), bijzondere vioolspeler van eenen vorst. *...ZANGER, m. (-s), -ES, v. (-sen), bijzondere zanger of zangeres van eenen vorst.

[Kamfer]

Kamfer, v. gmv. vrucht van den kamferboom. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als kamfer. *-BOOM, m. (-en). *-LUCHT, v. gmv. reuk van de kamfer. *-OLIE, v. gmv. *-PLANT, v. (-en). *-POEDER, *-POEIJER, o. (-s). *-PLEISTER, v. (-s), pleister met kamfer bestreken. *-PAP, v. (-pen). *-ZUUR, o. (...uren). *-ZOUT, o. (-en), (scheik.).

[Kamgier]

Kamgier, m. (-en), zek. roofvogel. *...HAAR, o. (...aren), haar dat in den kam blijft zitten. *-HUISJE, (B. -N), o. (-s), foedraal voor eenen kam.

[Kamig]

Kamig, bn. (-er, st), schimmelachtig.

[Kamille]

Kamille, v. (-n), zek. geneeskruid. *-AFTREKSEL, o. *-BLOEM, v. (-en). *-KNOP, m. (-pen).

[Kamizool]

Kamizool, o. (...olen), soort borstrok, vest, buis (zonder mouwen).

[Kammeling]

Kammeling, v. gmv. kamwol.

[Kammen]

Kammen, bw. gel. (ik kamde, heb gekamd), haren -, wol ontwarren door middel van eenen kam. *...MER, m., *...STER, v. (-s), die kamt. *...DOOS, v. (...zen), kapdoos. *...MAKER, m. (-s). *...MOSSEL, v. (-en, -s), mossel met eenen kam, soort alikruik.

[Kamoes]

Kamoes, *-LEDER, *-LEÊR, o. gmv. soort zwart leder. *-EN, bn. van kamoesleêr. *...MOEZEN, bw. gel. (ik kamoesde, heb gekamoesd), tot kamoesleêr bearbeiden.

[Kamp]

Kamp, o. (-en), leger, legerplaats; een - betrekken; de oefeningen van het - bijwonen. *-, m. (B.v. en o.), afgepaald veld, een - weiland; die grond wordt bij -en geveild. *-, strijd, gevecht, worsteling; zij hebben een zwaren - te strijden, door te staan. *-, bn. effen, gelijk; † quitte; wij zijn -;- op spelen, zonder te winnen of verliezen; (fig.) iets - geven, het opgeven. *-ANJE, v. (-n), (zeew.) hoogste deel van een verdek. -, (-s), veldtogt; (ook) buitenplaats, veld; (fig.) tijd gedurende welken een troep tooneelvoorstellingen geeft, de theatrale -. *-EMENT, o. (-en), legering; legerplaats. *-EN, ow. gel. (ik kampte, heb gekampt)? strijden, vechten, worstelen; (fig.) wedijveren. *-ER, m., *-STER v. (-s), vechter, strijder; (fig.) verdediger, verdedigster. *-EREN,

[p. 577]

ow. gel. (ik kampeerde, heb gekampeerd), legeren, zich legeren; zij waren op hoogten gekampeerd. *-ING, o. zie KAMP.

[Kamperfoelie]

Kamperfoelie, v. (-n), soort geurige plant, geiteblad. *-ACHTIG, bn. -e gewassen, zek. soort kruiden of heesters in de gematigde luchtstreken van het noordelijke halfrond. *...NOELJE, v. (-n), soort duivelsbrood, paddestoel. *...STEUR, m. gmv. harde eijeren met prikkelende saus of mosterd.

[Kampgevecht]

Kampgevecht, o. (-en), kampstrijd. *...HAAN, m. (...anen), strijdhaan; kemphaan. *...IOEN, m. (-en), (fig.) voorvechter, verdediger, held. *...PLAATS, v. (-en), strijd-, vechtplaats. *...VECHTER, m., ...STER, v. (-s), vechter, strijder, worstelaar, -ster; voorvechter; (fig.) verdediger. *...VECHTEN, o.

[Kamspier]

Kamspier, v. (-en), (ontl.) schaamdeelspier. *...VORMIG, bn. (nat. hist.) -e bladeren. *...WOL, v. gmv. gekaarde wol. *...RAD, o. (-eren), groot rad, hoofdrad. *...SEL, o. kamhaar.

[Kamuis]

Kamuis, bn. plat, platgedrukt (van den neus); zie KAMOESLEDER.

[Kan]

Kan, v. (-nen), vaatwerk voor vloeistof (van metaal, steen, aarde of hout); eene koperen, steenen -; uit de - drinken; eene - (kruik) bier; (fig.) de kan aanspreken, (sterken drank) drinken; te diep in de - kijken, te veel drinken; liefhebber van de - (van drinken) zijn; (spr.) wie het onderste uit de - wil hebben dien valt het lid op de neus, wie te begeerig is krijgt niets of dien berouwt het. *-, inhoudsmaat voor natte waren; eene nederl. - (= 1/100 van een ned. vat, = 1 ned. kop, = 1 kub. palm inhoud); eene - wijn; eene - (kop) bessen.

[Kanaal]

Kanaal, o. (...alen), gracht, gegraven waterleiding; (aardr.) het noord-hollandsch -; het -, zee-engte tusschen Engeland en Frankrijk; een - voeden, het van water voorzien; (fig.) bron, oorsprong; uit welk - hebt gij dat? van waar hebt gij dat gekregen, (ook) vernomen? langs dit - werd het (dit nieuws) verspreid; ik heb het uit een goed - (uit eene goede bron); door iemands - (hulp). *-HOOFD, o. (-en), steenen beer. *-SLUIS, v. (...zen). *-RIF, o. (-fen), koraalrif door een kanaal van de kust gescheiden. *...NALISATIE, v. de aanleg -, het graven van kanalen, het bevaarbaar maken. *...NALISEREN, bw. gel. (ik kanaliseerde, heb gekanaliseerd), bevaarbaar maken door kanalen.

[Kanalje]

Kanalje, v. gmv. gespuis, gemeen; de - riep hoezee! *-, m. en v. (-n, -s), gemeene -, lage kerel, - vrouw. *-ACHTIG, *...JEUS, bn. en bijw. (-er, -st), als het gemeen, op lage -, gemeene wijze.

[Kanapee]

Kanapee, v. zie CANAPÉ. *-KUSSEN, o. (-s), cylindervormig of vierkant kussen op eene kanapee.

[Kanarie]

Kanarie, v. (...ën, -s), *-VOGEL, m. (-s), zek. vogeltje (van de Kanarische eilanden). *-KOOI, v. (-jen, B. -en). -TJE, (B. -N), o. (-s). *-OLIE, v. olie uit kanariezaad. *-SEK, *-WIJN, m. wijn der Kanarische eilanden, soort Madera-wijn. *-SUIKER, v. (-s). *-VLUGT, v. (-en), vogeltil voor kanarievogels. *-ZAAD, o. (...aden).

[Kanasser]

Kanasser, m. (-s), soort matwerk, als baal voor de verzending van koffij. *-, ef *...NASTER, m. (-s), rieten kist voor tabak; (ook) varinas-tabak in bladen.



[p. 578]

[Kandeel]

Kandeel, v. (-en), warme drank uit melk of wijn met dojers van eijeren (inz. voor jonge kraamvrouwen). *-KOM, v. (-men). *-MAAL, o. (...alen). *-POT, m. (-ten).

[Kandelaar]

Kandelaar, m. (...aren, -s), kaars-, lichtdrager; (fig. godg.) glorie-, luister der kerk. *-SPIJP, v. (-en). *-TJE, (B. -N), o. (-s).

[Kandidaat]

Kandidaat, m. (...aten), die naar eenige betrekking of waardigheid staat; (ook) zek. akademische graad, - in de regten, in de godgeleerdheid, in de letteren.

[Kandij]

Kandij, v. gmv. gekristalliseerde suiker. *-POT, m. (-ten). *-SIROOP, *-STROOP, v. gmv. *-SUIKER, v. (-s). *-VAT, o. (-en).

[Kaneel]

Kaneel, o. gmv. geurige tropische plant; bast er van. *-BAST, m. gmv. *-BLOEM, v. (-en). *-BLOESEM, m. (-s). *-BOOM, m. (-en). *-GEUR, m. gmv. *-KLEUR, v. gmv. -IG, bn. *-HOUT, o. *-KOEKJE, (B. -N), o. (-s). *-KOST, m. gmv. zek. vogelspijs, (lokaas). *-OLIE, v. (...ën). *-PIJP, v. (-en). *-STOK, m. -JE (B. -N), o. (-s). *-ROOS, v. (...ozen), soort (kaneelgeurige) roos. *-SIGAAR, v. (...aren), sigaar waarvan het dekblad met kaneel doortrokken is. *-SUIKER, v. gmv. *-SMAAK, m. gmv. *-WAFEL, v. (-s, -en). *-WATER, o. gmv. water op kaneel getrokken. *-WIJN, m. gmv. wijn met kaneel vermengd, hippokras.

[Kanefas]

Kanefas, o. (-sen), zekere katoenen stof, ruw lijnwaad.

[Kanen]

Kanen, v. mv. gesmolten vetdeelen. *-BROOD, o. *-KOEK, m. gmv.

[Kangaroe]

Kangaroe, *...GOEROE, v. (-s), springhaas, zek. buideldier.

[Kanker]

Kanker, m. invretend (meestal ongeneeslijk), euvel; (fig.) de bedelarij is de - der maatschappij. *-ACHTIG, bn. (-er, -st). *-BLOEM, v. (-en), *-KRUID, o. (-en), paardebloem. *-EN, ow. gel. (ik kankerde, heb gekankerd), invreten, zich verspreiden van kwaad, ook (fig.). *-GEZWEL, o. (-len).

[Kannegeluk]

Kannegeluk, o. gmv. onderste uit de kan, staartje. *...LID, o. (...leden), vast deksel eener kruik of kan. *...WASSCHER, m. (-s), ruig werktuigje om kannen of flesschen van binnen te wasschen.

[Kannetje]

Kannetje, (B. -N), v. (-s), kleine kan.

[Kannibaal, Kanibaal]

Kannibaal, Kanibaal, m. (...alen), menscheneter, anthropophaag.

[Kanon]

Kanon, o. (-nen), stuk geschut; met-, uit het - schieten; een -, de kanonnen losbraaden. *-, (kánon), soort muziekstukje met telkens weêrkeerende melodie; (r.k.) misboekje. *-, (boekdr.) zekere lettersoort, kleine -, groote -, dubbele -. *-GEBULDER, o. gmv. zie BULDEREN. *-IEK, bn. en bijw. het - (kerkelijk) regt; de -e wetten. *-LETTER, v. (-s). *-METER, m. (-s), werkt. ter bepaling van het geschutkaliber. *-NEERLOOT, *-NEERGALJOOT, v. (-en), soort oorlogsvaartuig. *-NIER, m. (-s), die het geschut bedient, artillerist. *-NENMETAAL, o. gmv. zamensmelting van 10 deelen koper en 1 deel tin. *-REEP, v. (...epen), touw tot voorttrekking van het kanon. *-SCHOT, o. (-en). *-SKOGEL, m. (-s). *-VUUR, o. gmv.

[Kanonik]

Kanonik, m. (-en), (r.k.) domheer. *-ES, v. (-sen), (r.k.) vrouw die toezigt uitoefent over eene vrouwenstichting. *-SPLAATS, v. (-en), domheerschap.

[Kans]

Kans, v. (-en), gelegenheid, uitzigt (op voor- of nadeel); eene

[p. 579]

goede -, slechte -; eene - wagen; er is geen - op; de - opgeven; de - is verkeken (verloren); ik zie er wel - op; de - waarnemen, van de gelegenheid gebruik maken. *-BILJET, o. (-ten), (vroeger tot de uitgestelde schuld der Nederl. behoorende). *-BEREKENING, v. (-en), (wisk.) waarschijnlijkheidsleer. *-SPEL, o. (-en), hazardspel. *-ER, m. (-s), hazardspeler.

[Kansel]

Kansel, m. (-s), preêk-, predikstoel; van den - aflezen (verkondigen); (fig.) de kerk, het priesterschap; den - voor het zwaard verwisselen; de waardigheid van den - ophouden.

[Kanselarij]

Kanselarij, v. (-en), griffie, kantoor (van regeringsmagten, gezantschappen of konsulaten); de - van het (geregts) hof; de - eener ridderorde. *-STIJL, m., *-TAAL, v. officiële stijl en taal. *...LIER, m. (-s), opzigter-, hoofd eener kanselarij, uitvaardiger van regerings oorkonden; - eener ridderorde; - van de schatkist, minister van financiën (in Engeland); aarts-, zekere waardigheid in het eerste fransche keizerrijk; staats-, eerste minister (in Rusland).

[Kanselrede]

Kanselrede, v. (-n, -nen), preek, predikatie. *-NAAR, m. (-s), predikant. *...STIJL, m. gmv. *...WELSPREKENDHEID, v. gmv, eigenaardige wijze van inkleeding en voordragt eener kanselrede.

[Kant]

Kant, m. (-en), zijde, rand, zijvlak; langs dezen -; aan den -: aan - zetten; iets op zijn (overeind) - zetten; (fig.) naar welken - ik mij ook wende; (fig.) van welken - (hoek) komt de wind? (bouwk.) - zagen, - houwen, (met scherpe zijden); (fig.) dat, werk moet aan -, afgedaan worden; iets aan alle -en bezien, van alle zijden beschouwen, het voor en tegen wikken; van alle -en wordt gezegd dat enz.; iem. van - helpen, om het leven brengen; dat raakt - noch wal, is ongerijmd, heeft geen grond hoegenaamd; dat is een stuivertje op zijn -, is zeer toevallig, - gelukkig. *-, v. (-en), klosweefsel, zek. fijn naaldwerk; mechelsche -; brusselsche -; -en van Alençon; - stoppen, - naaijen. *-, bn. (timm. en steenh.) scherpzijdig; (zeew.) gespannen; de zeilen - zetten; fustig (van wijn), die wijn is of smaakt -; gereed; ter zijde, opgeruimd, alles is - en klaar. -BEITEL, m. (-s), steenhouwersbeitel. *-BOORDSEL, o. (-s), rand -, zoom van kant. *-EDOOS, v. (...zen), waarin men kant bergt; met de - gaan, kant aan de huizen verkoopen.

[Kantaloep]

Kantaloep, v. (-en), soort meloen.

[Kanteel]

Kanteel, o. (-en), borstwering met schietgaten (aan vestingmuren). *...TELEN, bw. ow. gel. (ik kantelde, heb of ben gekanteld), omkeeren, wenden; op zijde vallen. *...ING, v. (-en), omkeering, het op zijde wenden of vallen.

[Kanten]

Kanten, bw. gel. (ik kantte, heb gekant), kant maken, - houwen; ZICH -, ww. (fig.) - tegen (iets), zich verzetten. *-, bn. van kant; een - kraagje. *-STOPSTER, v. (-en). *-WERKSTER, v. (-s).

[Kanterstok]

Kanterstok, m. (-ken), (zeew.) helmstok. *...KAAS, v. (...zen), komijnekaas.

[Kanthouwen]

Kanthouwen, bw. ow. ong. (ik hieuw kant, heb kant gehouwen), met scherpe zijden-, goed vierkant houwen. *...ER, m. (-s), werkman die kanthouwt.



[p. 580]

[Kantig]

Kantig, bn. en bijw. (-er, -st), zijdig, hoekig, scherp behouwen; fustig (van wijn), vaatsch; beschimmeld, korstig.

[Kantje]

Kantje, (B. -N), o. (-s), kleine zijde of rand; zeer smalle kant. *-, vaatje haring.

[Kanton]

Kanton, o. (-s), afdeeling (van grondgebied). *-NAAL, bn. tot een kanton behoorende; de kantonnale raad (in Zwitserland). *-GEREGT, o. *-REGTER, m. (-s).

[Kantonnement]

Kantonnement, o. (-en), plaats waar militairen gelegerd zijn.

[Kantoor]

Kantoor, v. (...oren), vertrek-, kamer waar een koopman en zijne schrijvers, bestuurders, ontvangers, notarissen enz. hunne werkzaamheden verrigten; een lands -; (fig.) handelshuis, firma, dat is een der voornaamste kantoren in de stad; faktorij, nederzetting (van den handel), de Nederlanders hebben 11 kantoren ter kust van Guinea; (fig.) ik ben nog niet op mijn -, ik ben nog niet gereed, nog niet in orde. *-BEDIENDE, m. (-n), schrijver, klerk. *-BEHOEFTEN, v. mv. al wat tot het schrijven (op een kantoor) noodig is. *-BOEK, o. (-en). *-JONGEN, m. (-s). *-INKT, m. gmv. zeer goede schrijfinkt. *-KNECHT, m. (-s). *-LOOPER, m. (-s). *-KAMER, v. (-s). *-LESSENAAR, m. (-s). *-PEN, v. (-nen), goed soort pennen, groote schacht. *-PERS, v. (-en), kopiëer-machine. *-SCHEL, v. (-len), schel die alleen naar het kantoor gaat. *-SCHRIJVER, m. (-s). *-WERK, o. (-en). -ZAAMHEID, v. (...heden).

[Kantregten]

Kantregten, bw. gel. (ik kantregtte, heb gekantregt), (timm.).

[Kantshaak]

Kantshaak, m. (...aken), dreg.

[Kantspier]

Kantspier, v. (-en), (ontl.). *...STEEN, m. (-en), hoeksteen. *...STEEK, m. (...eken), steek om kant te stoppen, te naaijen. *...TEEKENING, v. (-en), aanteekening op de zijde van een blad; Bijbel met -en; een Cicero met -en van... *...WERK, o. (-en), werk in of van kant. -ER, m. (-s). *...WERKSTER, v. (-s), kantenstopster. *...SCHRIJVER, m. (-s), aanteekenaar. *...SCHRIFT, o. (-en), kantteekening. *...ZUIL, v. (-en), driehoekige zuil; (nat.) prisma.

[† Kaos]

Kaos, m. zie CHAOS.

[Kanut]

Kanut, m. (-ten), (wondh.) pijpje, zuigpijpje.

[Kap]

Kap, v. (-pen), dek, dekking, hoofdbekleedsel; bovendeel, kruin; dakkoepel (van een gebouw); de - eener (monniks)pij; (bouwk.) - van eenen schoorsteen; (zeew.) - van het roer; -eener wieg; linnen - van eenen vrachtwagen; de lederen - (over de oogen) eens roofoogels; - (kuif) eens vogels; verhemelte (eens preekstoels); (oudt.) de -pen van laarzen, afgescheiden (doorgaans gele) bovenstukken van manslaarzen; vrouwen-, nonnen-; binnenbekleedsel van eenen hoed; bovendeel van eenen mantel; de - (van een gebouw) vernieuwen; met de - (met de meeste staatsie) promoveren; zich in de - steken, monnik worden; (fig.) de - op den tuin hangen, den monnikenstand verlaten; (ook) een beroep vaarwel zeggen; de - vullen, in de - leiden, om den tuin leiden, foppen; de - trekken, (iem.) eene poets spelen, (ook) stout zijn (van kinderen); (iem.) de - verzetten, hem den mantel vegen, den tekst lezen.

[Kapbeenen]

Kapbeenen, o. mv. (timm.). *...BLOK, o. (-ken), slagersblok.

[p. 581]

*...DOOS, v. (...zen), doos tot berging der benoodigdheden aan de kaptafel, poederdoos.

[Kapel]

Kapel, v. (-len), vlinder; bidplaats; bedehuisje; afgezonderde bidplaats in eene (inz. r.k.) kerk, (ook) in een paleis; bedehuisje aan den weg; korps muziekanten (bij eenen vorst tot het verrigten der eeredienst enz.). *-LAAN, m. (...anen), (r.k.) geestelijke, priester (eener kapel); zek. visch. -SCHAP, o. waardigheid van kapellaan. *-LERING, v. zie CUPELLEREN. *-LETJE, (B. -N), o. (-s), kleine kapel; vlindertje; (fig.) kleine herberg. *-MEESTER, m. (-s), hoofd van een corps (militaire) muziekanten; orkest-directeur; directeur eener vorstelijke kapel. *-VORMIG, bn. (plant.). *-MUZIEK, v. gmv. kerkmuziek (in tegenst. van opera-muziek).

[Kapen]

Kapen, bw. gel. (ik kaapte, heb gekaapt), rooven, stelen; zeeroof plegen.

[Kaper]

Kaper, m. (-s), KAAPSTER, v. (-s), die kaapt, steelt; zeeroover, vrijbuiter; (ook) kaperschip; (spr.) er zijn -s op de kust, er schuilt gevaar. *-, v. (-s), soort vrouwenmuts; geknepen - (of kapertje), eigenaardig geplooide muts. *-GAST, m. (-en), matroos op een kaperschip. *-KAPITEIN, m. (-en). *-SCHIP, o. (...schepen), schip -, vaartuig dat op zeeroof uit is; vrijbuiter (in oorlogstijd). *-SGASTEN, m. mv. benaming van een kaperschip.

[Kaphamer]

Kaphamer, m. (-s), steenhouwershamer.

[Kapitaal]

Kapitaal, o. (...alen), hoofdsom; inlegsom; een man van -, een vermogend man; een - plaatsen of beleggen (op rente zetten); van zijn-teren, zijn vermogen verteren. *-, bn. (...aler, -st), voornaam, uitstekend; een - gebouw; eene kapitale (hoofd)letter; eene kapitale fout, een groote misslag; een - (hoofd-)gebrek. *-BELEGGING, v. (-en). *-SVERZEKERING, v. (-en). *-VERHOOGING, v. (-en). *...TALISEREN, bw. gel. (ik kapitaliseerde, heb gekapitaliseerd), eene rente voor kapitaal afkoopen; (ook) verzilveren. *...TALIST, m. (-en), geldbezitter, rentenier, rijk man.

[Kapiteel]

Kapiteel, o. (-en), (bouwk.) bovendeel eener zuil.

[Kapitein]

Kapitein, m. (-s, -en), hoofdman, (oudt.) hopman (bij de landmagt); scheepsgezaghebber; bevelvoerder; -generaal en admiraal, (oudt.) titel der nederl. stadhouders; -luitenant, - ter zee, hooge rangen op de nederlandsche vloot; - der nachtwacht. *-SCHAP, o. (-pen), ambt-, betrekking van kapitein; van opzigter van een koninklijk slot; regeringsambt in de spaansche overzeesche bezittingen. *-SPLAATS, v. (-en), rang -, ambt van kapitein. *-SKAMER, v., *-SKAJUIT, v. (-en), op een schip. *-SMAATJE, (B.-N), o. (-s). *-SJONGEN, m. (-s). *-SVROUW, v. (-en). *-SDOCHTER, v. (-en), *-SWEDUWE, v. (-n).

[Kapitool, Capitolium]

Kapitool, Capitolium, o. versterkt raadhuis en tempel van het oude Rome. *...PITOLIJNSCH, bn. tot -, van het capitolium; de -e berg (waarop het capitolium gebouwd was); de - Jupiter, Jupiter capitolinus; de -e tempel.

[Kapittel]

Kapittel, o. (-s), hoofdstuk, afdeeling; een - uit den bijbel; vergadering -, ligchaam van (r.k.) geestelijken; (ook) plaats hunner

[p. 582]

zamenkomst; (fig.) stem in het - hebben, durven medespreken. *-DAG, m. (-en), vaste vergadering der geestelijken. *-EN, bw. gel. (ik kapittelde, heb gekapitteld), bestraffen (met woorden), den tekst lezen. *-STOKJE, (B.-N), o. (-s), soort snoepgoed; rolletje pluksel; (fig.) zij heeft van den kapittelstok gelikt (zich laten bezwangeren).

[Kapje]

Kapje, (B. -N), o. (-s), kleine kap; omgebogen toonteeken (A).

[Kapkamer]

Kapkamer, v. (-s), kamer waar men zich laat kappen; kleedkamer. *...LAKEN, o. gmv. (kooph.) zek. provisie boven de bedongene vracht of koopprijs. *...LUIFEL, v. zek. bedekking der batterijen. *...MES, o. (-sen), hakmes.

[Kapoen]

Kapoen, m. (-en), gesneden haan; (in Vlaanderen) scheldnaam. *-EN, bw. gel. (ik kapoende, heb gekapoend), lubben, snijden (eenen haan). *-SCHOTEL, m. (-s). *-TJE, (B.-N), o. (s), jonge kapoen.

[Kapoets]

Kapoets, *-MUTS, v. (-en), bonten muts; grenadiersmuts.

[Kapot]

Kapot, bn. aan stukken, gebroken; (fig.) verlegen, verward, van zijn stuk. *-, *-JAS, m. (-sen), schanslooper, soldatenjas. *-JE, (B. -N), o. (-s), dun jasje; soort dameshoedje.

[Kappelen]

Kappelen, ow. gel. (ik kappelde, heb gekappeld), schiften, zuur worden. *...ING, v. gmv. het kappelen.

[Kappen]

Kappen, bw. gel. (ik kapte, heb gekapt), vellen, omhouwen, omhakken; boomen -; (zeew.) den mast -, eenen kabel -; boomen snoeijen, lichten; (fig.) bargoensch -, dieventaal -, (eigenl.) klappen, praten; (toon.) een stuk -, eene rol -, er veel uitlaten. *-, het hoofdhaar tooijen, opmaken (inz. van vrouwen); gekapt in het -, met een hoofdtooisel versierd; mevr. N. laat zich -, heeft een vasten kapper. *-, een woord -, (er een op zetten). *-, o. het beroep -, de kunst der kappers; (ook) het vellen. *-MAKER, m. (-s). *-MAAKSTER, *-ZETSTER, v. (-s).

[Kapper]

Kapper, m. (-s), *...STER, v. (-s), die kapt, die het beroep van kappen uitoefent. *-, v. knop van den kapperboom; (ook) zek. kool. *-BOOM, m. (-en). *-KOOL, *-TJESKOOL, v. (-en). *-TJE, (B. -N), o. (-s), duif met een kapje of kuifje. *...PING, v. het kappen.

[† Kappoot]

Kappoot, v. (...oten), wapenrok, mantel. *...RAAF, *...RAVE, v. (-n), (bouwk.) dakspar. *...SPANT, v. (-en), (timm.)

[Kapriool]

Kapriool, *...OLE, v. (-n), lucht-, bokkesprong.

[Kaproen]

Kaproen, v. (-en), hoofddeksel, kap; (spr.) het zijn twee hoofden onder ééne -, zij zijn het met elkander eens; (rijsch.) neuspranger (voor paarden).

[Kapsel]

Kapsel, o. (-s), wijze van kappen; het gekapte. *-TJE, (B. *N), o. (-s), hoofdtooisel, gehakt vleesch; kapje, hoedje, capsule. *...SPIEGEL, m. (-s), toiletspiegel. *...STANDER, m. (-s), houten hoofd (der paruikmakers). *...STOK, m. (-ken), mantelstok, (om er kleedingstukken aan te hangen). *...TAFEL, v. (-s), toilet-, waschtafel. *...WAGEN, m. (-s), rijtuig met kap.

[Kapucijn]

Kapucijn, m. (-en), *-ER, m. (-s), zek. monnik; soort erwt. *-ERMONNIK, m. (-en). *-ERKLOOSTER, o. (-s), *-E, *-ERNON, v. (-nen).



[p. 583]

[Kapuits]

Kapuits, *-MUTS, v. (-en), bonten muts; monniks-, nonnenkap.

[Kar]

Kar, v. (-ren), wagen, voertuig; (fig.) de - omsmijten, eene miskraam hebben. *-AAK, v. (...aken), soort vaartuig (op de Middell. zee). *-AAT, o. (B.m.), (...aten), diamantgewigt (= 4 grein = 2.05 ned. korr.); ook essaaigewigt voor het gehalte van goud (24 ± = 1000/1000 fijn).

[Karabijn]

Karabijn, v. (-en), ruiters-snaphaan of buks. *-SCHOT, o. (-en), *...BINIER, m. (-s, -en), karabijndrager.

[Karaf]

Karaf, v. (-fen), water-, likeurflesch, glazen schenkkan.

[Karakiet]

Karakiet, m. (-en), soort vogeltje. *...KAL, m. (-len), zek. dier tot het katten-geslacht behoorende. *...KOR, m. (-s), soort oost-indische oorlogspraam.

[Karakter]

Karakter, o. (-s), letter, figuur, vorm; (fig.) aard, inborst, gemoed; aard, eigenschap, soort; hoedanigheid; een man van -, van zelfstandig denken en eergevoel; dit is zijn - (zijner eer) te kort doen. *-ISTIEK, bn. en bijw. (-er, -st), eigenaardig, kenschetsend. *-ISEREN, bw. gel. (ik karakteriseerde, heb gekarakteriseerd), kenmerken, kenschetsen. *-KUNDE, v. gmv. studie -, wetenschap der karakters (en van het menschelijk hart). *-LOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), zonder karakter of eergevoel. *-MATIG, bn. en bijw. (-er, -st), overeenkomstig het karakter; - handelen. *-SCHETS, *-SCHILDERING, v. (-en), beschrijving van een karakter. *-TREK, m. (-ken), kenmerkend teeken van iemands karakter.

[Karatering]

Karatering, v. (-en), vermenging van het goud met een ander metaal om aan het goud meer hardheid te geven; witte -, zulk eene vermenging met zilver; roode -, idem met koper; gemengde -, idem met zilver en koper.

[Karavaan]

Karavaan, v. (...anen), gezelschap -, troep reizigers (inz. kooplieden in het Oosten). *...VANSERAI, v. (-s), oostersche herberg (inz. voor de karavanen).

[Karbats]

Karbats, *...WATS, v. (-en), lederen zweep van veel riemen; (rijsch.) zeer dun fijn heerenzweepje. *...BEEL, m. (-en), (timm.) steunlat.

[Karbonkel]

Karbonkel, m. (-s, -en), zek. edelgesteente. *-NEUS, m. (...zen), roode neus; (ook) jeneverneus. *-STEEN, m. (-en).

[Karbouw]

Karbouw, m. (-en), oost-indische buffel.

[Kardeel]

Kardeel, o. (-en), (zeew.) hijschtouw; soort vat. *-BLOK, o. (-ken), (zeew.). *...DEMOM, v. zie CARDAMOM.

[Kardinaal]

Kardinaal, m. (...alen), voornaamste geestelijke na den paus, lid van het heilig kollegie, kerkvorst; zek. drank. *-SCHAP, o. gmv. *waardigheid van kardinaal. *-SHOED, m. (-en). *-SMANTEL, m. (-s), roode mantel. *-, bn. zie CARDINAAL.

[Kardoes]

Kardoes, v. (...zen), met buskruid gevuld papieren buisje (tot schietgeweer); (timm.) houten steunklamp; soort krulhoud. *-, o. *-PAPIER, o. gmv. zek. grof papier tot kardoezen. *-DOOS, v. (...zen), *-KIST, v. (-en), tot berging van kardoezen. *-GAREN, o. (-s), tot het naaijen van kardoezen. *-KLOPPER, m. (-s), soort hamer tot kardoezen. *-KOKER, m. (-s). *-KOP, m. (-pen), kop-, boveneinde der kardoes. *-NAALD, v. (-en). *-SCHERP, o. gmv. kruid.

[p. 584]

*-SCHROOT, o. gmv. *-STOK, m. (-ken), vorm tot kardoezen. *-TAS, v. (-sen), *-TASCH, v. (...sschen), patroontasch. *-VULLER, m. (-s), kardoezenmaker.

[Kareelsteen]

Kareelsteen, m. (-en), gebakken-, tigchelsteen. *-BAKKER, m. (-s). -IJ, v. (-en), het bakken van -, (ook) fabriek van kareelsteenen.

[Karel]

Karel, m. zie KEREL. *-, orde van - III, spaansche ridderorde; orde van - XII, ridderorde van Zweden en Noorwegen; orde van - II, ridderorde van Monaco; orde van - Frederik, badensche militaire ridderorde van verdiensten.

[Karetschildpad]

Karetschildpad, o. gmv. fijnste schildpad.

[Karig]

Karig, bn. en bijw. (-er, -st), gierig, zuinig, inhalig; misdeeld; gering, weinig; een - mensch; - door de natuur bedeeld; een - (zuinig) licht; op -e wijze; het -e van zijn loon. *-HEID, v. gmv. zuinigheid, inhaligheid, gierigheid; armoede. *-LIJK, bijw.

[Karikatuur]

Karikatuur, v. zie CARICATUUR. *-PLAAT, v. (...aten), *-PRENT, v. (-en), koddige -, ironische afbeelding, † charge.

[Karkant]

Karkant, m. (-en), halssnoer van edelgesteenten. *...KAS, v. (-sen), dun koper- of ijzerdraad met garen omwoeld (in vrouwenkapertjes).

[Karldoek]

Karldoek, o. zek. stof, zeildoek.

[Karmeliet]

Karmeliet, *-ERMONNIK, m. (-en), zekere bedelmonnik. *-ERKLOOSTER, o. (-s). *-ERNON, v. (-nen). *...MIJN, o. gmv. en bn. hoogroode verf; (ook) - kleur. -EN, bw. gel. (ik karmijnde, heb gekarmijnd), in -, met karmijn verwen. *...MEZIJN, *...MOZIJN, o. gmv. en bn. hoogroode -, (soort) purperverf; hoogroode kleur. -STOF, -ZIJDE, v. *...MOZIJNEN, bn. van -, als karmozijnstof. *...MOSEREN, bw. gel. (ik karmoseerde, heb gekarmoseerd), in eenen rand (van kleine diamanten) zetten. *...NAVAL, o. (-s), (r.k.) ingang van de vasten; vastenavond. *...NEN, bw. ow. gel. (ik karnde, heb of ben gekarnd), de melk (tot boter) bereiden; zuur worden, schiften. *...NEMELK, v. gmv. botermelk, melk (met boterdeelen). *...NOFFELEN, *...NUFFELEN, bw. gel. (ik karnoffelde, heb gekarnoffeld), trommelen (met kleine aanhoudende vuistslagen).

[Karokol]

Karokol, m. (-len), wijngaardslak.

[Karolijntje]

Karolijntje, (B. -N), o. (-s), vrouwenkapje. *...RONJE, v. zie CAROGNE. *...ROOT, v. zie KROOT. *...ROS, v. (-sen), staatsiewagen; (dicht.) wolkenwagen. *...ROSSEGELD, o. gmv. rijtuigenbelasting.

[Karot]

Karot, v. (-ten), rol gesponnen tabak. *-TENFABRIEK, v. (-en). -ANT, m. (-en). *-TENHOK, o. (-ken), bergplaats voor karotten. *-TENTOUW, o. (-en), bindtouw voor karotten. *-TENTREKKER, m. (-s), karottenfabriekant. -IJ, v. karottenfabriek.

[Karper]

Karper, m. (-s), zek. riviervisch. *-GEHAK, o. gmv. *-SOEP, v. (-en). *-SCHOTEL, m. (-s).

[Karpet]

Karpet, o. (-ten), klein vloerkleed; soort grof pakdoek. *-DRADEN, m. mv. *-RAND, m. (-en). *-STOF, v. (-fen). *-TENFABRIEK, v. (-en). *-WINKEL, m. (-s).

[Karpoets]

Karpoets, *-MUTS, v. (-en), bonte muts.

[Karrebak]

Karrebak, m. (-ken), *...SCHUUR, v. (...uren), bergplaats der karren. *...KNECHT, m. (-en), voermansjongen, boerenknecht. *...LIGTER,

[p. 585]

m. (-s), disselboomriem. *...MAN, m. (...lieden), asch-ophaler aan de huizen, aschman. *...PAARD, o. (-en), vracht-, boerenpaard. *...TJE, (B. -N), o. (-s), kleine kar, handwagentje. *...VRACHT, v. (-en), volgeladen kar. *...WEI, v. (-jen, B. -en), zwaar opgegeven werk, harde arbeid; aangenomen werk; plaats waar gebouwd wordt; op of naar de - gaan; (ook fig.) dat is een heele -; dat zal eene - wezen.

[Karrel]

Karrel, m. (-len), zek. visch. *-DOEK, m. soort zeildoek.

[Karsaai]

Karsaai, o. gmv. soort wollen stof. *-JEN, (B. *-EN), bn. van karsaai.

[Karspel]

Karspel, o. zie KERSPEL.

[Karsteling]

Karsteling, v. (-en), soort gebak.

[Kartel]

Kartel, m. (-s), kerf, neep. *-EN, bw. ow. gel. (ik kartelde, heb of ben gekarteld), kerven, inkepen; een muntstuk met gekartelden rand; schiften (van melk); kronkelen; (fig.) haperen, misloopen, dat kartelt. *-IG, bn. gekarteld, met kepen; geschift, ligt schiftend.

[Kartèl]

Kartèl, o. zie CARTEL. *-SCHIP, o. (...epen), vaartuig met parlementairen, - met de vredevlag.

[Kartets]

Kartets, v. (-en), (oorl.) geschut-, schrootkardoes. *-KOGEL, m. (-s). *-SCHOT, o. (-en). *-TON, v. (-nen). *-VUUR, o. (...uren).

[Karthuizer]

Karthuizer, m. (-s), *-MONNIK, m. (-en), van de geestelijke orde van Sint-Bruno. *-NON, v. (-nen). *-KLOOSTER, o. (-s).

[Kartouw]

Kartouw, v. (-en), wijd -, kort kanon. *...VEEL, o. (-en), klein -, snelzeilend schip (op de Middell. zee). *...VOL, v. karrevracht. *...VIEL, o. (-en), (zeew.) hijschblok (aan het marszeil). -BLOK, o. (-ken), -HOUT, o. (-en), tot het karviel behoorende. -NAGELS, m. mv. groote scheepsspijkers. *...WATS, v. (-en), zie KARBATS. *...WEI, v. gmv. (plant.) zek. kruid; zie KARREWEI. -ZAAD, o. (...aden).

[Kas]

Kas, v. (-sen), zie KAST; doos; foedraal; plaatje waarin iets gevat is, - van eenen ring; bergplaats (op een kantoor) voor het geld en de waarden; (fig.) geld, kontanten; niet bij - zijn, geen geld in zijn bezit hebben; de - houden, het bestuur er over hebben; de - sluit of stemt, is akkoord met het kassiersboek; de - opmaken, onderzoeken of zij akkoord is; aan de - staan, in schouwburgen om de plaatsbiljetten af te geven; (fig.) naar de - (gevangenis) gaan; (drukk.) de onder-, de boven -, waarin verschillende lettersoorten liggen; (ontl.) kas van eene kies; (kooph.) kastpapier. *-BOEK, o. (-en), bovenst boek in een riem papier; boek dat de kassier houdt. *-GELD, o. gmv. kontanten. *-HOUDER, m. (-s), kassier; (ook) winkelier in goud- en zilverwerken. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine kas. *-KIJN, m. (oudt.) oud-holl. jak. *-PAPIER, o. (-en), slecht papier dat op het andere wordt gelegd bij het inpakken. *-REKENING, v. (-en), (boekh.). *-SA, v. kas. *-SEN, bw. gel. (ik kaste, heb gekast), invatten, zetten van steenen. *-SIE, v. (plant.) zek. geneeskruid. -BOOM, m. (-en).

[Kassier]

Kassier, m. (-s), kashouder; persoon (of firma) die zich tegen een zekere provisie met het incasseren en uitbetalen van gelden belast. *-SBOEK, o. (-en), kantoorboek des kassiers. -JE, (B, -N),

[p. 586]

o. (-s), boekje door den kassier afgegeven om zijne rekening bij te houden; boekje waaruit de kwitantiën op den kassier gesneden worden. *-SBRIEFJE, (B. -N), o. (-s), bewijs -, kwitantie om bij den kassier (een zekere som) te kunnen ontvangen. *-SFIRMA, v. (-as). *-SHUIS, o. (...zen). *-SKANTOOR, o. (...oren). *-SKNECHT, m. (-s, -en). *-SLOON, o. (-en). *-SPROVISIE, v. (-en). *-SREKENING, v. (-en), (rek.) wijze van bank- en wisselgeld te berekenen; rekening van den kassier.

[† Kashemire]

Kashemire, o. zek. fijne stof. *-SHAWL, v. (-s), omslagdoek van zeer fijne oostersche wol (eener thibetaansche geit).

[Kassig]

Kassig, bn. (-er, -st), gescheurd (van nieuw papier). ↑ *...SIJEN, bw. gel. (ik kassijde, heb gekassijd), plaveijen, bestraten.

[Kast]

Kast, v. (-en), losse -, of in eenen muur getimmerde bewaarplaats; (fig.) oud-, vervallen gebouw; § bordeel; gevangenis; (vest.) aarde tusschen twee schietgaten.

[Kastanje]

Kastanje, v. (-s), zek. eetbare meelachtige vrucht; (spr.) iem. de -s uit het vuur laten halen, door een ander een gevaarlijken arbeid laten verrigten en zich zelven buiten schot houden. *-BOLSTER, m. (-s), schil eener kastanje. *-BOOM, m. (-en), wilde -. *-BOSCH, o. (...sschen). *-BRUIN, bn. *-KLEUR, *-VERF, v. *-PAN, v. (-nen), platte pan om kastanjes te roosteren. *-SCHOTEL, m. (-s). *-TANG, o. (-en). *-VAAS, v. (...azen).

[Kasteel]

Kasteel, o. (-en), slot;, kleine vesting; heerenhuis; (spr.) -en in de lucht, hersenschimmen; (zeew). halfdek, schans. *-TJE, (B. -N), o. (-s), klein kasteel of slot.

[Kastelein]

Kastelein, m. (-s, -en), (oudt.) slotvoogd; (ook) gevangenbewaarder; (thans) herbergier. *-ES, v. (-sen), herbergierster. *-SCHAP, o. gmv. waardigheid van slotvoogd. ↑ *...LENIJ, v. (-en), woning -, ambt van eenen slotvoogd; cipierswoning.

[Kastenmaken]

Kastenmaken, m. gmv. ambacht des kastenmakers. *...MAKER, v. (-s), schrijnwerker.

[Kastijden]

Kastijden, bw. gel. (ik kastijdde, heb gekastijd), straffen, tuchtigen; pijnigen; zijn vleesch -, zich zelven (uit godsdienstijver) geeselen; God kastijdt de boozen. *...ER, in. (-s). *..STER, v. (-s). *...ING, v. (-en), bestraffing, tuchtiging.

[Kastoor]

Kastoor, m. zie CASTOR. *...TOREN, bn. van kastoor of bever; een - hoed. *...TROL, v. (-len), groote braadpan, kookpan.

[Kasuifel]

Kasuifel, v. (-s, -er), r.k. priesterkleed, tabbaard. *-MAKER, m. (-s).

[Kasvel]

Kasvel, o. (-len), vel kaspapier.

[Kat]

Kat, v. (-ten), viervoetig dier (wijfje van den kater); (zeew.) klein anker; dreg; geheide aanlegpaal; soort vaartuig; (vest.) deel eener batterij; zek. stormtuig; soort vuurwerk; geldgordel; steenen gelddoosje; (fig.) - in den zak koopen, slechte waar duur koopen; de - uit den boom zien, zijne kans afwachten, eerst zien hoe de zaak loopt alvorens zich te verklaren; dat is geen - om zonder handschoenen aan te vatten, dat is eene netelige zaak; der - de bel aanbinden, voor een ander zich in gevaar begeven; bij avond zijn

[p. 587]

alle -ten graauw, in den donker kan men over de schoonheid niet oordeelen; de - in den kelder metselen, slechts oppervlakkig -, niet radikaal genezen; hij knijpt de - in den donker, verrigt kwaad op schijnheilige wijze; zij leven als - en hond (zeer oneenig); met iem. leven als de - met de muis, op kwaadaardige wijze een zwakkere kwellen; ik zal er de - in steken, de zaak staken; zij is eene ware -, een snibbig wijf of meisje. *-AAL, m. (...alen), de kleinste soort aal. *-AAS, o. gmv. lokaas der katten; (fig.) deugniet, gemeen vrouwspersoon. *-BLOK, o. (-ken), (zeew.).

[† Katafalk]

Katafalk, v. (-en), praalbed (voor dooden).

[† Kataloog]

Kataloog, m. zie CATALOGUS. *...LOGISEREN, bw. gel. (ik katalogiseerde, heb gekatalogiseerd), tot eenen katalogus regelen.

[† Katakustiek]

Katakustiek, *...PHONIEK, o. gmv. leer betreffende de terugkaatsing van het geluid.

[† Katasterismen]

Katasterismen, mv. zek. opgave der sterrebeelden.

[Kateel]

Kateel, o. gmv. het puik, het beste van iemands bezit (inz. vee).

[§ Kat-en-hond]

§ Kat-en-hond, m. zielverkooper, ronselaar.

[Kater]

Kater, m. (-s), mannetje van de kat; kleine pachter. *-STEDE, v. (-n), kleine boerenplaats.

[Katern]

Katern, v. (-en), *-TJE, (B. -N), o. (-s), zes bladen, zes vellen (wit papier).

[Kathaak]

Kathaak, m. (zeew.). § *...HALZEN, ow. gel. (ik kathalsde, heb gekathalsd), zich aftobben, afsloven.

[Katharina]

Katharina, orde van de Heilige -, russische ridderorde.

[Kathedraal]

Kathedraal, v. (...alen), *-KERK, v. (-en), hoofdkerk, domkerk.

[Katholiek]

Katholiek, *...LISCH, bn. en bijw. algemeen, algemeen geloovig; (inz.) de oude christelijke (roomsche) kerk belijdende; het -e geloof, de roomsche godsdienst. *-, *-E, m. en v. belijder -, belijdster der kathol. godsdienst; de roomsch -en; de duitsch -en, volgelingen van Johannes Ronge. *...THOLICISMUS, o. gmv. het kath. geloof (onderscheiden van andere christelijke gezindten).

[Katijvig]

Katijvig, bn. en bijw. ramspoedig, vol tegenspoed. *-HEID, v. tegenspoed, geringheid, nietigheid.

[Katje]

Katje, (B. *-N), o. (-s), jonge kat; (fig.) hij is het - van de baan, de voorste, de eerste. *-S, mv. bloesem. *-SSPEL, v. zie KATTENSPEL.

[Katlooper]

Katlooper, m. (-s), (zeew.).

[Katoen]

Katoen, o. boomwol; stof uit katoendraden geweven; gedrukt -, calicot, sits. *-, garen; een kluwen -; pit (eener lamp). *-BAAL, v. (...alen), baal ruwe katoen; (ook) baal gedrukte katoenen. *-BATIST, v. (-en), zek. fijne (witte) stof. *-BOOM, m. (-en). *-DRAAD, m. (...aden). *-DRUKKER, m. (-s). -IJ, v. (-en), het katoendrukken; fabriek van gedrukte katoenen. *-EN, bn. van katoen; - lijnwaden. *-FLUWEEL, o. (-en), minste soort fluweel. *-GRAS, o. gmv. wolgras. *-HANDEL, m. gmv. *-MARKT, v. (-en). *-OOGST, m. *-TJE, (B. -N), o. (-s), in die kast liggen mooije -s, stukken katoen met mooije patronen (voor japonnen). *-WINKEL, m. (-s).

[Katoog]

Katoog, o. (-en), soort onyxsteen.



[p. 588]

[Katrol]

Katrol, v. (-len), schijf in het hijschblok. *-BLOK, o. (-ken), hijschblok. *-KOORD, v. (-en). *-TOUW, o. (-en).

[Katschip]

Katschip, o. (...epen), zek. vaartuig.

[Kattebak]

Kattebak, m. (-ken), bak waaruit de kat gewoonlijk eet. *...BLOK, o. (-ken), dubbele katrol. *...DREK, m. gmv. uitwerpsel der kat. *...DARM, m. (-en), darm eener kat, snaar. *...GAT, o. kattenhol; (aardr.) zee-engte tusschen Zweden en Denemarken. *...HAAR, o. (...aren). *...SNUIT, v. (-en). *...KOP, m. (-pen), (zeew.) dwarshout in de katrol. *...KRUID, o. (-en), (plant.). *...KWAAD, o. gmv. baldadigheid. *...MOF, v. (-fen), mof van kattevellen, zek. bontwerk.

[Katten]

Katten, ow. gel. (ik katte, heb gekat), katjes werpen (jongen); (zeew.) de kat uitwerpen, het anker versterken. *-GOUD, o. gmv. (delfst.) mica. *-GEBROED, o. gmv. *-GEMAAUW, o. gmv. *-KLAAUW, m. (-en). *-MUZIEK, v. gmv. slechte muziek, krijschend gezang; ketelmuziek. *-SPEL, o. gmv. handgemeenheid. *-OOG, o. (-en). *-OOR, o. (-en). *-POOT, *-VOET, m. (-en).

[Kattepis]

Kattepis, v. gmv. *...SPRONG, m. (-en), (ontl.) zek. beentje; klein pad. *...RUG, m. (-gen), (fig.) kromme-, opgezette rug; (zeew.) scheepsboog. *...SPOOR, o. (-en), scheepsbint; (ook) zek. plant. *...STAART, v. (-en), (zeew.) zek. scheepsklamp; zek. plant; -en, uitgebloeide loten. *...HALS, m. (...zen), schoof. *...VEL, o. (-len). *...(N)ZILVER, o. zie KATTENGOUD.

[Katuil]

Katuil, v. (-en), soort uil; nachtvlinder. *...VISCH, m. gmv. slechte -, kleine visch. *...ZWIJM, v. gmv. geveinsde flaauwte; (zeew.) in - liggen, windstilte hebben.

[† Kauris]

Kauris, v. schelppenning (munt onder de negers).

[Kauw]

Kauw, v. (-en), soort kraai. *-ENNEST, o. (-en). *-OERDE, (B. KAWOERDE), v. (-en), soort pompoen of meloen.

[Kavalje]

Kavalje, v. (-s, -n), oud -, afgeleefd paard; (fig.) elk versleten voorwerp.

[Kavel]

Kavel, m. (-s), lot, deel. *-EN, bw. ow. gel. (ik kavelde, heb gekaveld), loten (om iets); in loten of kavelingen verdeelen. *-ING, v. (-en), koop, deel (van eene partij koopgoederen); die koffij zal bij -en worden uitverkocht; perceel (van landerijen).

[Kaviaar]

Kaviaar, m. gmv. gezouten steurkuit, (spijs in Rusland).

[Kawaan]

Kawaan, v. (...anen), soort schildpad.

[Kazemat]

Kazemat, v. (-ten), (vest.) verwelfde walverdieping (van schietgaten voorzien); hangende slaapplaats (in kazernen, op schepen enz.); § (fig.) in de - zitten, ongesteld zijn.

[Kazen]

Kazen, bw. ow. gel. (ik kaasde, heb of ben gekaasd), kaas maken; dik worden (van melk).

[Kazerne]

Kazerne, v. (-n), barak, soldatenhuis. *-REN, bw. gel. (ik kazerneerde, heb gekazerneerd), in kazernen legeren. *-RING, v. (-en), inlegering in kazernen.

[Kazijn]

Kazijn, o. deur -, vensterraam.

[Kazimier]

Kazimier, o. gmv. zek. fijn geweven soort laken. *-EN, bn. van kazimier.

[Ked]

Ked, *-DE, v. paardje, hitje.



[p. 589]

[Keel]

Keel, v. (-en, B. kelen), naauwe doorgang boven het strottenhoofd; gorgel; bergpas, bergengte; (vest.) bedekte gang; (wap.) roode grond; iem. de - afsnijden, (ook fig.) van zijn bestaan berooven; het mes op de - zetten, dreigen, iem. geen keus laten; alles door de - jagen, zijn vermogen verbrassen; de verkeerde -, de luchtpijp; (fig.) de - smeren, veel drinken (wijn enz.); (fig.) eene - opzetten, hard schreeuwen; (fig.) bij mijne -! bij mijn leven! *-ADER, v. (-s, -en). *-BAND, m. (-en), aan eene muts, pet enz. *-DROES, m. gmv. zek. paardenziekte. *-GAT, o. gmv. strot; alles door het - jagen, brassen. *-GELUID, o. (-en). *-GEZWEL, o. (-len). *-KETTING, m. (-en). *-KLIER, v. (-en). *-KNOBBEL, m. (-s). *-KNOOP, m. (-en), soort gezwel. *-KRUID, o. (-en). *-LETTER, v. (-s). *-LINIE, v. (ontl.). *-ONTSTEKING, v. (-en). *-PIJN, v. (-en). *-PUNT, o. (ontl.). *-RIEM, m. (-en), (rijsch.). *-SNIJDER, m. (-s). *-SNIJDING, v. (-en). *-STOOT, m. (-en), (bouwk.) soort kroonlijst. *-TERING, v. *-ZIEKTE, v. (n).

[Keen]

Keen, v. (kenen), kloof, spleet; kiem.

[Keep]

Keep, v. (B.m.), (kepen), uitsnijding, kerf.

[Keer]

Keer, m. (-en), omwending; omloop, deze ketting gaat vier -en om haren hals; einde, uitkomst, de ziekte heeft eenen goeden - genomen; maal, reis, herhaling, ik ben twee -en bij u geweest; in één -; te - gaan, beletten, tegenwerken; (spr.) gedane zaken hebben geen -. *-BLOK, o. (-ken), (zeew.). *-DAM, m. (-men). *-DICHT, o. (dichtk.) verssoort, parodie. -ER, m. (-s). *-DRUK, m. zie WEÊRDRUK.

[Keeren]

Keeren, bw. ow. onr. (ik keerde, heb of ben gekeerd), vegen (veroud.); (spr.) elk keere (vege) voor zijne eigene deur; wentelen, draaijen, onderst boven leggen; kaas -, (omleggen); eenen rok -, eenen jas -; (vroedk.) een kind -; wenden; (fig.) de Voorzienigheid zal alles ten beste -; beletten, tegengaan; ik zal dit -; de hemel keere het! veranderen, de wind keert; (fig.) het blaadje is gekeerd, de zaken zijn veranderd, de fortuin is gunstiger; teruggaan, naar huis -;, (mil.) regts om keert! (kommando). ZICH -, ww. zich wenden, zij keerden zich tot ons; zich bekreunen, hij keert zich aan niets; ik weet mij niet te - of te wenden; (ook fig.) ik weet geen raad. *...DER, m. *...STER, v. (-s), die keert. *...ING, v. (-en), het keeren; wending, omdraaijing; (zeew.) mastkoker.

[Keerkring]

Keerkring, m. (-en), kring ten noorden en ten zuiden op 23 1/2 graad van den evenaar getrokken: kreefts-, steenboks-. *-S..., bn. tropisch. *-SHITTE, v. gmv. *-SJAAR, o. (...aren). *-SLAND, o. (-en). *-SPLANT, v. (-en). *-SPRODUKT, o. (-en). *-SVOGEL, m. (-s). *-SWARMTE, v. gmv. *-SZON, v. gmv.

[Keerlijn]

Keerlijn, v. (-en), (zeew.). *...NAGEL, m. (-s), (zeew.) groote (houten) pin. *...PLAATS, v. (-en), (zeew.) ruimte om te wenden. *...PUNT, o. (-en), punt van waar men (of iets) terugkeert; de-en van den zonneweg, die het verst van den evenaar verwijderd zijn. *...TOUW, o. (-en), (zeew.). *...WEER, v. blinde straat, steeg -, weg zonder uitgang. -LAAN, v. (...anen). *...WEG, m. (-en). *...ZIJDE, v. (-n), de andere zijde (van eenen penning); (fig.) de onaangename zijde.



[p. 590]

[Kees]

Kees, m. (kezen), soort hond; (gesch.) scheldnaam der Oranje-vrienden van 1787). *-HOND, m. (-en), soort hond, *-JENSBLADEN, o. mv., *-JENSKRUID, o, soort maluwe (middel tegen mondziekten).

[Keest]

Keest, m. (-en), pit, kern, merg (eener plant); (fig.) het fijnste.

[Keet]

Keet, v. (-en), gemetselde bak (tot het zoutzieden); (ook) zoutziederij; loots, werkplaats (bij een bouwwerk). *-EN, bw. gel. (ik keette, heb gekeet), (zout) raffineren.

[Keffen]

Keffen, ow. gel. (ik kefte, heb gekeft), blaffen; (fig.) snappen, kijven (inz. van kinderen en vrouwen). *...FER, m., *...STER, v. (-s), blaffer, schreeuwer (inz. van honden); (fig.) kijver, kijfster, snapper, snapster. *...FERTJE, (B. -N), o. (-s), boosaardig hondje. *...FING, v. gmv. het keffen.

[Keg]

Keg, (-gen), *-GE, v. (-n), (timm.) wig.

[Kegel]

Kegel, m. (-s), overeind staand langwerpig kantig of rond ligchaam; (meetk.) een geknotte -; zeker spel, met -s spelen, de -s opzetten. *-AAR, m. (-s), -STER, v. (-s), kegelspeler, -speelster. *-BAAN, v. (...anen). *-BAL, m. (-len). *-BLOK, o. (-ken), kegelstok. *-DRAGEND, bn. -e gewassen, naaldboonen. *-EN, ow. gel. (ik kegelde, heb gekegeld), met kegels spelen. *-SLAK, v. (-ken), soort slak. *-SNEDE, v. gmv. (wisk.). *-SPEL, o. (-en). -ER, m. (-s). *-SPEELSTER, v. (-s). *-VLAK, o. (meetk.). *-VORMIG, bn.

[Kei]

Kei, m. (-jen, B. -en), *-STEEN, m. (-en), straatsteen; (fig.) onnoozele; (fig.) eenen - in het hoofd hebben, half gek zijn; (fig.) iem. van den - snijden, hem van zijne dwaasheid genezen. *-AARDE, v. kiezelzuur, kiezelaarde (zek. delfstof). *-ACHTIG, bn. *-GROND, m. (-en). *-LEN, bw. ow. gel. (ik keilde, heb gekeild), met platte voorwerpen over de oppervlakte van het water werpen. *-WERK, o. (-en), metselwerk van keijen.

[Keizer]

Keizer, m. (-s), alleenheerscher; cezar; looper, valsche sleutel; -s-thee, fijnste theesoort; (fig.) geef den - wat des -s is, geef aan ieder wat hem toekomt; ergens gaan waar de - te voet gaat, naar het heimelijk gemak gaan. *-DOM, o. keizerschap. *-IN, -NE, v. (-n), regerende alleenheerscheres; vrouw eens keizers. *-LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), van -, als een keizer; (gesch.) de -en, troepen van den (duitschen) keizer. *-RIJK, o. gebied -, raagt des keizers. *-SCH, bn. keizerlijk. *-SCHAP, o keizerlijke waardigheid. *-SHOF, o. (...ven). *-SKROON, v. (-en), kroon des keizers; zek. sierplant. *-SNEDE, v. gmv. (vroedk.) zekere gevaarlijke kunstbewerking bij verlossingen. *-STAAT, m. de oostenrijksche -.

[Keker]

Keker, v. (-s), soort erwt. *-EN, ow. gel. hakkelen, stameren.

[Kelder]

Kelder, m. (B. -v.), (-s, -en), verdieping lager dan de oppervlakte der straat; (spr.) de kat in den - sluiten, zijnen vijand herbergen; naar den - gaan, sterven; ten gronde gaan. *-DEUR, v. (-en). *-EN, bw. gel. (ik kelderde, heb gekelderd), wijn in den kelder bergen. *-FLESCH, v. (...flesschen), flesch uit een kelderkistje, vierkante flesch. *-GAT, o. (-en), lucht -, venster-opening in eenen kelder. *-HALS, m. (...zen), (bouwk.) naauwe ingang onder enen trap naar den kelder. *-GRAF, o. (...aven). *-HOUDER, m., ...STER, v.

[p. 591]

(-s), verkooper -, verkoopster in het groot van sterke dranken. *-HUUR, v. (...uren). *-KAMER, v. (-s), kamer achter of naast eenen kelder. *-KEUKEN, v. (-s). *-KNECHT, m. (-s), die in eenen (drank)kelder dient; (ook) bediende van den keldermeester. *-KOORTS, v. (-en), ziekte uit de bewoning van kelders voortspruitende. *-LUIK, o. (-en). *-MAN, m. (-nen), arbeider in -, bewoner van eenen kelder. *-MEESTER, m. (-s), opzigter van den wijnkelder (bij aanzienlijken). -SCHAP, o. gmv. *-MOT, v. (-ten), zek. insekt. *-REGT, o. gmv. (oudt.) bepaald getal glazen (wijn) die men moest ledigen. *-RAT *-ROT, v. (-ten), ongedierte; (fig). kommies (voor de belasting). *-SLEUTEL, m. (-s). *-SPIN, v. (-nen). *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine kelder; kistje met likeurflesschen. *-TRAP, m. (-pen). *-VENSTER, o. (-s). *-VERDIEPING, v. (-en), vertrekken onmiddellijk boven of achter den kelder. *-WIND, m., -AS, o. (-sen), werktuig om zware lasten op te hijschen. *-ZIEKTE, v. (-n), kelderkoorts.

[Kelen]

Kelen, bw. gel. (ik keelde, heb gekeeld), slagten, ombrengen (op wreede wijze). *...ING, v. gmv. het kelen.

[Kelk]

Kelk, m. (-en), breed uitloopend glas of beker; de -des nachtmaals; (fig.) de - des lijdens. *-, deel eener bloem. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine kelk, klein wijnglas, kleine bloemkelk. *-DIEF, m. (...ven), kerkroover. *-WIJN, m. gmv. wijn voor de mis.

[† Kellner]

Kellner, m. bediende in logementen of koffijhuizen (in Duitschland).

[Kembings]

Kembings, v. zek. geweven stof.

[Kemmel]

Kemmel, zie KAMEEL. *-SGAREN, o. gmv. draden van kameelharen. *-SHAAR, o. haar der kameelen. -HAREN, bn. van kemelshaar.

[Kemmen]

Kemmen, bw. gel. (ik kemde, heb gekemd), kammen.

[Kemphaan]

Kemphaan, m. zek. vogel; (fig.) voorvechter, twistzoeker.

[Kenbaar]

Kenbaar, bn. (-der, -st), gekend-, erkend kunnende worden; iem. iets - maken, doen kennen. *-HEID, v. gmv. eigenschap waardoor zich iets doet kennen.

[Kenen]

Kenen, ow. gel. (ik keende, heb gekeend), splijten; kiemen.

[Kenletter]

Kenletter, v. (-s, -en), letter, merkteeken. *...MERK, o. (-en), waardoor zich iets onderscheidt; (meest fig.) weldoen is het - van een goed hart. -EN, bw. gel. (ik kenmerkte, heb gekenmerkt), duidelijk en zigtbaar aantoonen; (fig.) aanwijzen.

[Kennelijk]

Kennelijk, bn. (-er, -st), te kennen, te erkennen; een - teeken; (fig.) levendig; het kindje wordt al zeer -. *-HEID, v. gmv.

[Kennen]

Kennen, bw. gel. (ik kende, heb gekend), door de uiterlijke zinnen waargenomen en in het geheugen bewaard hebben; weten, verstaan; kent gij dien man? ik ken mijne les; te - geven, verklaren, weten; ik ken niemand zoo slecht als den ondankbare; zich zelven niet meer -, overmoedig worden, (ook) buiten zich zelven van toorn zijn; (spr.) ken u zelven (opschrift van het Isis-beeld in Oud-Egypte); overleggen met, raadplegen; ik ben in deze zaak niet gekend; hij mag niets doen zonder den burgemeester vooraf te -.

[Kennep]

Kennep, zie HENNEP.

[Kenner]

Kenner, m. (-s), die van eene zaak (inz. eene kunst) verstand of kennis

[p. 592]

heeft; hij is een -, (der muziek, schilderkunst enz.). *...STER, v. (-s).

[Kennewe]

Kennewe, v. (-n), houten halsbeugel (der runderen).

[Kennis]

Kennis, v. (-sen), persoon dien men kent, met wien men omgaat; veel -sen hebben; dat is een oude -, (ook) een vroegere minnaar of minnares; vriendschap, ik doe het uit hoofde onzer oude -; - maken, elkander voor het eerst zien. *-, v. gmv. wetenschap, verstand; klare en duidelijke voorstelling; met - van zaken; begrip, dat gaat mijne - te boven; hebt gij daar -aan? bewustzijn, dat is buiten mijne - geschied. *-GEVING, v. (-en), mededeeling; bekendmaking (van wege de overheid); iets voor - (notificatie) aannemen. *-MAKING, v. gmv. begin van omgang. *-NEMING, v. onderrigt; onderzoek.

[Kenschetsen]

Kenschetsen, bw. gel. (ik kenschetste, heb gekenschetst), kenmerken, aanduiden. *...TEEKEN, o. (-en), kenmerk. -EN, bw. gel. (ik kenteekende, heb gekenteekend), kenmerken. *...TELEN, *...TEREN, bw. ow. gel. (ik kenterde, heb of ben gekenterd), overladen (goederen van het eene schip in het andere); omslaan (van een vaartuig). *...TERHAAK, m. (...aken). *...TERING, v. (-en), het kenteren; zek. beweging van het zee- en rivierwater.

[Kenspreuk]

Kenspreuk, v. (-en), zinspreuk; leus. *...ZAAD, o. (...aden), zaad (beginsel) van kennis.

[Keper]

Keper, v. zek. wijze van weven; (wap.) twee platte banden in den vorm van eenen winkelhaak; (bouwk.) spar; (fig.) iets op de - beschouwen, naauwkeurig onderzoeken. *-EN, bw. gel. (ik keperde, heb gekeperd), met eene keper weven; gekeperd laken.

[§ Kerel]

§ Kerel, m. (-s), vent, dik en grof manspersoon; (fig.) sterk opgroeijende knaap; moedig man. *-TJE, (B. -N), o. (-s), manneke; knaapje.

[Kerf]

Kerf, v. (...ven), keep, insnijding; (spr.) dat gaat buiten de -, het gaat te ver, *-BANK, v. (-en), waarop de tabak gekorven wordt. *-BIJL, v. (-en), handbijl. *-MES, o. (-sen), (wondh.). *-STOK, m. (-ken), stok waarop oudt. het aantal brooden werd gekorven dat men nam zonder te betalen; (fig.) de - is vol, de maat is vol.

[Kerk]

Kerk, v. (-en), gebouw aan de eeredienst gewijd; (fig.) belijdenis, geloof; (bepaaldelijk) het r.k. geloof; godsdienstoefening; de - gaat aan of uit; ter -e gaan; (fig.) de strijdende -; de alleen zaligmakende -. *-ACHTIG, bn. verkleefd aan de kerk. *-BAN, m. gmv. banvloek der r.k. kerk. *-BANIER, v. (-en), kerkvaan; (fig.) verdediger der kerk, strijder voor hare eer. *-BANK, v. (-en). *-BEELD, o. (-en). *-BELOFTE, v. (-n), gelofte. *-BESLUIT, o. (-en), pauselijk besluit, besluit eener kerkvergadering. *-BESTUUR, o. (...uren). *-BEWAARDER, m. (-s), koster; (r.k.) sakristijn. *-BOEK, o. (-en), gebedenboek. *-DAG, m. (-en), feest-, heiligendag. *-DEUR, v. (-en). *-DIEF, m. (...ven). *-ROOVER, m. (-s). *-DIENST, v. gmv. eeredienst. *-DORP, o. (-en). *-EDIENAAR, m. (-s, ...aren). *-EKAMER, v. (-s). *-EKNECHT, m. (-s). *-EKAS, v. (-sen). *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), tot-, van de kerk; de -e Staat, de bezittingen van den paus; de -e inkomsten; -e goederen; de -e inzegening; een huwelijk - inzegenen. *-ELIJKE, *-ELING, m. (-en),

[p. 593]

geestelijke. *-E-ORDE, v. (-n). *-E-REGEL, m. (-s), kerke-ordening.

[Kerker]

Kerker, m. (-s), gevangenis; ten - doemen.

[Kerkeraad]

Kerkeraad, m. (...aden), vergadering van het kerkbestuur, consistorie; (ook) lid er van. *...REGT, o. (-en), geestelijk regt.

[Kerkerdeur]

Kerkerdeur, v. (-en). *...POORT, v. (-en). *...LOON, o. en m. (-en). *...MEESTER, m. (-s). *...VOOGD, m. (-en), cipier. *...LUCHT, v.

[Kerkeren]

Kerkeren, bw. gel. (ik kerkerde, heb gekerkerd), gevangen zetten. *...ING, m. (-en), gevangenzetting.

[Kerkfeest]

Kerkfeest, o. (-en). *-DAG, m. (-en), algemeene feestdag. *...GANG, m. (-en), den eersten - houden, na eene kraam of ziekte. -ER, m. ...STER, v. (-s), kerkbezoeker, -bezoekster. *...GEBED, o. (-en). *...GEBOD, o. (-en), de, -en laten gaan, onder de -en staan (alvorens een huwelijk te kunnen sluiten). *...GEBRUIK, o. (-en). *...GELOFTE, v. (-n), verbindtenis tot het priesterambt. *...GENOOT, m. en v. (-en), geloofsgenoot. *...GEWELF, o. (...ven). *...GEWIJDE, m. en v. (-n), priester, -es. *...GEWOONTE, v. (-n), ritus. *...GEZAG, o. gmv. *...GEZANG, o. (-en). *...GEZIND, bn. -HEID, v. liefde tot de kerk; (ook) geloofsbelijdenis. *...GLAS, o. (...zen). *...GOED, o. (-eren). *...HEER, m. (-en). *...HERVORMER, m. (-s). *...HERVORMING, v. (-en). *...HOF, o. (...ven), begraafplaats, godsakker. -SBLOEMEN, v. mv. (fig.) witte haren. *...KLOK, v. (-ken). *...KOEPEL, m. (-s). *...KROON, v. (-en). *...LEER, v. gmv. godsdienstleer. -AAR, m. (-s), predikant. *...LICHT, o. (-en), (r.k.) altaarkaars; (fig.) uitstekend godgeleerde. *...MEESTER, m. (-s), bestuurder -, opzigter eener kerk; (isr.) parnassijn. *...MIS, v. (-sen), wijdingsmis eener kerk; (verbasterd KERMIS). *...MUZIJK, *...MUZIEK, v. gmv. *...PATROON, m. (...onen), *...PATRONES, v. (-sen), beschermheilige-, stichter-, stichtster eener kerk. *...PILAAR, m. (...aren), zuil eener kerk; (fig.) zuil -, voorstander der kerk. *...PLEGTIGHEID, v (...heden). *...PORTAAL, o. (...alen). *...REGEL, m. (-s). *...REGERING, v. (-en). *..ROOF, m. gmv. berooving eener kerk, diefstal van kerksieraden. *...ROOVER, m. (-s). *...SCHENDER, m. (-s), *...SCHENDSTER, v. (-s). *...SCHENDERIJ, v. (-en). *...SCHENNIS, v. gmv. *...SCHEURING, v. (-en), oneenigheid in de kerk. *...SIERAAD, o. (...aden). *...STIJL, m. gmv. kanselstijl. *...STOEL, m. (-en). -TJE, (B. -N), o. (-s). *...STOOF, v. (...oven), voetwarmer. *...SLOT, o. (-en). *...SLEUTEL, m. (-s). *...STRAF, v. (-fen), straf door de (r.k.) geestelijkheid opgelegd. *...TIJD, m. (-en), tijd der kerkdienst. *...TOREN, m. (-s). -SPITS, v. (-en). *...UIL, m. (-en), nachtuil. *-, m. en v. (fig.) femelaar, kwezel. *...VAAN, v. (...anen), -DEL, o. (-s). -DRAGER, m. (-s). *...VADER, m. (-s, -en), die in de eerste eeuwen des christendoms door godsvrucht en wijze leering zich heeft onderscheiden; kerkvoogd. *...VENSTER, o. (-s). *...VERGADERING, v. (-en), bijeenkomst der geestelijken (inz. van bisschoppen enz.), concilium. *...VOOGD, m. (-en), hooggeplaatst geestelijke; (ook) kerkbestuurder; kerkmeester. -IJ, v. (-en), gezag over de kerk. *...WEG, m. (-en). *...WERK, o. (bouwk.) groot balkwerk. *...WET, v. (ten), kanonieke wet. *...WETTIG, bn. en bijw. (-er, -st), volgens de wet der (r.k.) kerk; kanonisch. -HEID, v. gmv. *...WIJDING, v. (-en), inwijding eener kerk. *...ZANG, m. (-en).



[p. 594]

[Kermen]

Kermen, ow. gel. (ik kermde, heb gekermd), zuchtend -, weenend klagen, steunen, weeklagen. *...ING, v. het kermen, gekerm. *...ER, m., *...STER, v. (-s), die weeklaagt.

[Kermes]

Kermes, v. (-sen), zek. insekt; minerale -, zek. verbinding van zwavel met antimonium.

[Kermis]

Kermis, v. (-sen), zek. jaarlijksch volksfeest (oudt. kerkmis), jaarmarkt; voorjaars-, najaars-; - houden, zich op de kermis vermaken; iem. een - koopen, een geschenk ter gelegenheid van de kermis geven; (fig.) het is niet alle dagen -, men kan zich niet alle dag vermaken; - in de hel, regen of hagel met zonneschijn. *-BIER, o. (-en). *-DICHT, o. (-en), gelegenheidsgedicht op de kermis. *-GAST, m. en v. (-en), bezoeker -, bezoekster van de kermis. *-GESCHENK, o. (-en), *-FOOI, v. (-jen, B. -en), *-GI