L.
[L]
L, v. 12e letter van het alfabet; als romeinsch getalmerk 50, , 50000; L. of £ beteekent ook pond sterling; pond vlaamsch; L.C., loco citato, ter aangehaalde plaatse; ll., laatstleden; L.S., lectorem salutem, den lezer heil; (ook) loco sigilli, in plaats van het zegel; (ook) loco (plaatsvervangend) secretaris; L.P., loco (plaatsvervangend) president.
[La]
La, v. muzieknoot; (verkorting van) lade.
[Laadboom]
Laadboom, m. (-en), (zeew.). *...BUS, v. (-sen), roer, geweer, *...GAT, o. (-en), gat in een schietgeweer. *...GEREEDSCHAP, o. al wat noodig is om een schietgeweer of kanon te laden.
[Laadje]
Laadje, (B. *-N), o. (-s), kleine lade; (fig.) aan het - zitten, de beschikking over geld hebben; zich zelven het meest bevoordeelen.
[Laadkruid]
Laadkruid, o. gmv. buskruid. *...LEPEL, m. (-s), (art.) lepel waarmede men het kruid in het kanon doet. *...PAN, v. (-nen), gedeelte van het geweer waarop het laadkruid gedaan wordt. *...PRIEM, m. (-en), (art.) ruimnaald. *...SCHOFFELTJE, (B. -N), o. (-s), zie LAADLEPEL. *...STER, v. (-s), zij die laadt; zie LADER. *...STOK, m. (-ken), stok om de lading van een geweer aan te zetten; (art.) kogelaanzetter.
[Laafnis]
Laafnis, v. zie LAFENIS.
[Laag]
Laag, bn. bijw. (lager, laagst), tegenstelling van hoog; onder, beneden; (fig.) nederig; gemeen, onteerend, vernederend, laaghartig; een - (vlak of aan de zee liggend) land; - water, ebbe; een lage (geringe) prijs; van - (geringe, ook gemeene) afkomst of geboorte; de lucht is -, de wolken drijven minder hoog dan gewoonlijk; (muz.) een lage toon, laag gestemd; lage ziel, slecht mensch; het lager (eerst-beginnend) onderwijs; de lagere geestelijkheid, priesters van ondergeschikten rang; om-, naar beneden, benedenwaarts. *-, v. (lagen), rij voorwerpen die naast of op elkander liggen; bedding (eener mijn); eene - aarde, steenen, kalk. *-, (zeew.) zog, kielwater; (ook) zijstukken op ieder verdek van een oorlogsschip, een schip van twee lagen; de volle - geven, al de stukken van een oorlogsschip tegelijk op een ander schip lossen; (fig.) iem. met scheldwoorden overladen, hem geducht de waarheid zeggen. *-, bedekte plaats om iem. onverwachts te overvallen, valstrik; iem. lagen leggen, verraderlijk tegen iem. handelen, iem. door kwade praktijken zoeken te benadeelen. *-HEID, v. (...heden), (fig.) lage -, gemeene handelwijze of handeling.
[p. 676]
*-JES, bijw. een weinig laag. *-LOOPERS, m. mv. zekere valsche dobbelsteenen. *-SCHOUT, m. (-en), onderschout. *-SGEWIJZE, bijw. bij-, in -, met lagen. *-STAM, m. (-men), boom met een lagen stam. *-STAMMIG, bn. (-er, -st), -e boomen, dwergboomen. *-TE, v. het laag zijn; staat van verval, armoedige toestand; de - (het geringe bedrag) van den prijs. -, (-n), lage plaats, diepte; dal, vallei; in de -, naar de -. *-WATER, o. eb. *-WOLK, v. (-en).
[↑ Laai]
↑ Laai, *-JE, v. licht eener vlam; in - (in volle) vlam.
[Laakbaar]
Laakbaar, bn. en bijw. (-der, B. ...arer, -st), berispelijk, afkeurenswaard. *-HEID, v. *...STER, v. (-s), zij die laakt. *...ZIEK, *...ZUCHTIG, bn. (-er, -st), kwaadsprekend; bedilzuchtig, vitlustig. *...ZIEKTE, *...ZUCHT, v. gmv.
[Laan]
Laan, v. (lanen), wandelplaats met twee of meer rijen boomen.
[Laap]
Laap, v. zekere stof, die zich op de bladen van een struikgewas in Nieuw-Holland ontwikkelt en door de inlanders als gereedschap gebezigd wordt.
[Laars]
Laars, v. (...zen), zek. schoeisel-, halve -, heele -, rijg-, tooneel -, rij-.
[Laarzen]
Laarzen, bw. gel. (ik laarsde, heb gelaarsd), laarzen aantrekken; gelaarsd en gespoord, kant en klaar, geheel gereed, hooggelaarsde (gezwollen) verzen. *-, (zeew.) zekere matrozenstraf uitoefenen, bridsen (touwslagen toedienen). ZICH -, ww. zijne laarzen aandoen. *-BEEN, o. (-en), of *-LEEST, v. (-en), (schoenm.) hout dat in eene laars past. *-KAP, v. (-pen), bovenste deel eener laars. *-KNECHT, *-TREKKER, m. (-s), houten werktuig dat men gebruikt om de laarzen uit te trekken. *-LEÊR, o. leder waarvan men laarzen maakt. *-MAKER, m. (-s). *-SCHACHT, *-SCHAFT, v. (-en). *-STRAF, v. (zeew.) het toedienen van touwslagen.
[Laas!]
Laas! tw. helaas! wee!
[Laat]
Laat, bn. en bijw. (later, -st), niet vroeg, ver gevorderd (van den tijd); hoe - is het? welk uur wijst de klok? hoe -? wanneer? op welk uur? beter - dan nooit; het is te -, de tijd is voorbij; (ook) het (de zaak) is verloren; (fig.) ik weet al hoe - het is (hoe het met hem of met de zaak gesteld is); latere tijdingen (ontvangen na de vorige); laatst, door geen ander-, door niets meer gevolgd; de laatste maal, de laatste dag van het jaar; de laatste hand aan iets leggen, iets voltooijen; hij ging het laatst uit. *-BAND, m. (-en), zwachtel bij eene aderlating. *-BEKKEN, o. (-en), bak waarin bij eene aderlating het bloed valt. *-BLOEIJEND, bn. (van planten). *-DUNKEND, bn. en bijw. (-er, -st), aanmatigend. -HEID, v. gmv. *-IJZER, o. (-s), heelmeesterswerktuig; (ook) smelterswerktuig. *-KOP, m. (-pen), (heelk.) glazen of metalen kop om bloed te laten; -pen zetten. *-MES, o. (-sen), (heelk.) vlijm, lancet.
[Laatst]
Laatst, bijw. onlangs, kort geleden; ten -e, aan het einde of slot; eindelijk. *-, bn. zie op LAAT. *-ELIJK, bijw. ten laatste, in de laatste plaats. *-LEDEN, bn. en bijw. laatst verloopen; ll. Vrijdag.
[Laatvlijm]
Laatvlijm, v. (-en), heelmeesters-werktuig. *...WINDSEL, o. (-s).
[Laauw]
Laauw, bn. en bijw. (-er, -st), een weinig warm (van vloeibare
[p. 677]
stoffen); (fig.) kalm, koel, zonder ijver, onverschillig. *-ACHTIG, bn. een weinig laauw. *-DAAT, v. (...aten), lui wijf. *-DAATACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), lui, traag. *-EN, bw. ow. gel. (ik laauwde, heb gelaauwd), laauw maken, - worden. *-ELIJK, bijw. een weinig laauw. *-HEID, *-TE, v. eigenschap van iets dat laauw is; (fig.) onverschilligheid, koelheid.
[Labaar]
Labaar, v. (...aren), groote linnen halsdoek.
[† Labarum]
† Labarum, m. standaard van Konstantijn den Groote.
[Labbei]
Labbei, v. (-jen, B. -en), of LABBE, snapster, praatziek wijf. *-JEN, (B. *-EN, LABBAAIEN), ow. gel. (ik labbeide, heb gelabbeid), klappen, snappen, babbelen.
[Labbekak]
Labbekak, m. en v. (-ken), prater, babbelaar; snapster, praatster. *-KEN, ow. gel. zie LABBEIJEN. *-KER, m. (-s), babbelaar. *-KERIJ, v. babbelarij. *-STER, v. (-s), babbelaarster.
[Labben]
Labben, ow. gel. (ik labde, heb gelabd), kakelen, zottepraat uitslaan.
[Labber]
Labber, bn. (zeew.) zacht (van den wind); lui, flaauw, naar; eene -e koelte. *-DAAN, m. gmv. soort gezouten visch. *-EN, ow. gel. (het labberde, heeft gelabberd), zacht waaijen; het zeil labbert (wappert); (fig.) aanhoudend praten. *-KOELTE, v. *-KOELTJE, (B. -N), o. (zeew.) flaauwe wind, bries. *-LOT, m. (-ten), straatschender, lichtmis, zwierbol; ploert; (zeew.) naam eener sloep. *-LOTTEN, ow. gel. (ik labberlotte, heb gelabberlot), zwieren, lichtmissen.
[† Labiaal]
† Labiaal, o. (...alen), mondstuk eener orgelpijp. *-LETTERS, v. mv. lipletters, die met eene beweging der lippen worden uitgesproken.
[† Labirint]
† Labirint, *...BYRINT, *...BYRINTH, m. (B.o.), (-en), doolhof; (ook fig.) verwarde zaak; (ontl.) een deel van het inwendige gehoorwerktuig.
[† Laboratorium]
† Laboratorium, o. (...ia), werkplaats, stookhuis (inz. der scheikundigen). *...REREN, ow. gel. (ik laboreerde, heb gelaboreerd), niet gemakkelijk (aan iets) arbeiden, sukkelen; aan eene ziekte, kwaal -. *...RIEUS, bn. (...zer, -st), arbeidzaam, bedrijvig; moeijelijk.
[Labradorsteen]
Labradorsteen, m. zek. veldspath (delfstof). *...BROÏDEN, m. mv. lipvisschen, zek. stekelvinnige visschen.
[Labyrinth]
Labyrinth, m. zie LABIRINT. *-ODONTEN, m. mv. doolhoftandigen, eene groep zeer zonderlinge geheel uitgestorven kruipende dieren.
[Lac-dye, Lac-Lac]
Lac-dye, Lac-Lac, o. zek. harsachtige massa, roode kleurstof.
[Lacet]
Lacet, o. (-ten), rijgsnoer, rijveter.
[Lach]
Lach, m. gmv. het lagchen. *-BEK, m. en v. (-ken), lagcher, lachster. *-JE, (B. -N), o. (-s). *-LUST, m. gmv. *-RIMPEL, m. (-s), rimpel door het lagchen veroorzaakt. *-SPIER, v. (-en), spier die het lagchen te weeg brengt; het op de -en krijgen, aan het lagchen gaan; zijne -en zijn opgewekt, hij is aan het lagchen gebragt. *-STER, v. (-s), zij die lacht. *-TREK, m. (-ken), lagchende gelaatstrek. *-VERMOGEN, o. gmv. *-VERWEKKEND, bn. (-er, -st).
[† Lacheren]
† Lacheren, bw. gel. (ik lacheerde, heb gelacheerd), los laten, vieren.
[p. 678]
[↑ Lachter]
↑ Lachter, m. zie LASTER, SMAAD. *-EN, bw. gel. zie LASTEREN.
[† Lack, Lak]
† Lack, Lak, o. denkbeeldige rekenmunt in Britsch-Indië (een - ropijen = ƒ120,000).
[† Laconisch]
† Laconisch, bn. kort en bondig, kernspreukig, pittig. *...NISMUS, o. kort maar krachtig gezegde.
[† Lacrymae Christi]
† Lacrymae Christi, Christus-tranen (fijne wijn die aan den voet van den Vesuvius wast).
[† Lactatie]
† Lactatie, v. voeding met melk, het zogen. *...TOMETER, m. (-s), melkmeter (werktuig). *...TUCARIUM, o. zeker plantaardig sap, latuw-bitter, salade-opium.
[† Lacune]
† Lacune, v. (-n), holte, gaping; leemte; eene - aanvullen.
[† Ladanum, Labdanum]
† Ladanum, Labdanum, o. zekere boomhars.
[Ladder]
Ladder, v. (-s), leer, werktuig tot opklimmen; (oudt.) oorlogstuig, storm-. *-SPORT, v. (-en), trede eener ladder. *-SPRONG, m. (-en), het opspringen van de ladder. *-TJE, (B. -N), o. (-s). *-WAGEN, m. (-s).
[Lade]
Lade, v. (-n), la, schuifbak in eene tafel of kast; (wev.) raam; houten bakje van een geweer (waarin de loop sluit); (ook) opening voor den laadstok; (zeew.) - van het roer. *-TAFEL, v. zie LATAFEL.
[Laden]
Laden, bw. gel. (ik laadde, heb geladen), eenen last op of in iets leggen; bevrachten (een schip); een kanon, een geweer, eene pistool - (van kruid en kogels voorzien); (fig.) op zich -, zich (iets kwaads, iets onaangenaams) op den hals halen; (ook) zich met iets moeijelijks belasten; eene groote verantwoordelijkheid op zich -; (fig.) het op iem. geladen (gemunt) hebben, iem. een kwaad hart toedragen. *...DER, m. (-s), hij die laadt (in de verschillende beteek.); scheepsbevrachter; (art.) laadlepel. *...DING, v. gmv. het laden. -, (-en), wat geladen is (aan boord van een schip), vracht; eene - rijst; een schip met volle -; de - inhebben; de - van een schietgeweer, kruid en lood; halve -, dubbele -, - in twaalf tempoos. *- SBRIEF, m. (...ven), cognossement.
[† Ladronen]
† Ladronen, m. mv. roovers (in Italië); (aardr.) de Dieven-eilanden.
[† Lady]
† Lady, v. (...ies), dame, voorname engelsche vrouw.
[† Laederen]
† Laederen, bw. gel. (ik laedeerde, heb gelaedeerd), beschadigen, benadeelen; beleedigen, kwetsen. *...TARE, m. de vierde Zondag in de vasten.
[Laf]
Laf, bn. en bijw. (-fer, -st), *-FELIJK, bijw. zouteloos, smakeloos; niet genoeg gezouten; flaauw; slap, krachteloos; loom; (fig.) dwaas, mal, zot; -fe kost, niet krachtige spijs; (fig.) flaauw geschrijf; -fe taal, zottepraat; -fe (ijdele) verontschuldigingen; het is - weêr; foei! hoe -! (kinderachtig, bevreesd). *-AARD, m. (-s), lafhartig mensch. *-BEK, m. (-ken), jonge dwaas.
[Lafenis]
Lafenis, v. gmv. verkwikking, verfrissching, ondersteuning, leniging.
[Lafhartig]
Lafhartig, bn. (-er, -st), *-LIJK, bijw. blood, -e, zonder moed, vreesachtig, beschaamd. *-HEID, v. gmv. *-E, m. en v. (-n), zie LAFAARD. *...HEID, v. gmv. smakeloosheid, blooheid. -, mv. (...heden), dwaze handelingen, ijdele woorden. *...MOEDIG, bn. (-er, -st), *...MOEDIGHEID, v., *...MOEDIGLIJK, bijw. zie LAFHARTIG.
[p. 679]
[Lagchen]
Lagchen, (B. LACHEN), ow. gel. (ik lachte, heb gelagchen), door eene beweging der lippen of door een keelgeluid eene gewaarwording van vrolijkheid of opgewektheid uitdrukken; om of over iets -; zich slap -, zich ziek -, zich half dood -, zich ten bersten -, proesten van het -; (fig.) spotten, bespotten; ik lach er mede, of ik lach er wat in, ik geef er niets om; is het - of meenen? scherts of ernst? (fig.) in zijne vuist of in het vuistje -, heimelijk lagchen. *-, o. gelach, *-D, dw. en bn. (fig. en dichtk.) aanlokkelijk, bekoorlijk, aangenaam. *...CHER, m. (-s), LACHSTER, v. (-s), hij of zij die lacht. *...CHERIJ, v. belagching, bespotting; het gekscheren.
[Lagen]
Lagen, bw. gel. (ik laagde, heb gelaagd), verminderen; (fig.) vernederen.
[Lager]
Lager, bn. (overtr. trap van LAAG). *-HAND, v. linkerhand; hij zit aan de -. *-HUIS, o. tweede kamer van eene landsvertegenwoordiging; (inz.) Huis der Gemeenten in Engeland. *-WAL, m. (zeew.) oever waar de wind op staat; aan - (op de kust) geraken; (fig.) aan - zijn, achteruit zijn in zijne zaken.
[† Lago]
† Lago, o. meer.
[† Lagrimoso]
† Lagrimoso, bijw. (muz.) op aandoenlijken toon.
[† Lagthing]
† Lagthing, v. wetgevend ligchaam (in Noorwegen); de - en de Storthing.
[† Lagunen]
† Lagunen, v. mv. kustmeren, moerassen (inz. langs de Adriatische zee).
[† Laird]
† Laird, m. (-s), schotsch edelman, landeigenaar.
[† Laisser aller]
† Laisser aller, o. natuurlijke ongedwongenheid; achteloosheid; het overlaten van den loop der zaken aan zich zelven, het er op laten aankomen.
[Lak]
Lak, bn. (-ker, -st), weelderig, welig (van korengroei); laf, zouteloos. *-, o. zekere doorzigtige gom of hars (om er mede te vernissen); zegellak (tot het verzegelen van brieven, pakjes enz.); eene pijp -; rouw-. *-, o. (-ken), meer. *-, m. valsche beschuldiging; bedrog, fopperij.
[Laken]
Laken, o. (-s), zekere geweven wollen stof; vierkant stuk katoen of linnen dat op een bed gespreid wordt; lijk-, doodlaken; (zeew.) zeil; (fig.) in de -s kruipen, naar bed gaan; onder één - (of deken) liggen, zie op DEKEN; zijne winst onder -s en dekens nemen, alles verteren; de voeten niet verder strekken dan het -, de tering naar de nering zetten; (zeew.) het gaat vlak voor het -, wij hebben den wind van voren. *-, bw. gel. (ik laakte, heb gelaakt), afkeuren, misprijzen. *-BEREIDER, m. (-s), wolkrasser. *-BEREIDING, v. gmv. *-FABRIEK, v. (-en). *-FABRIEKANT, m. (-en). *-HAL, v. (-len). *-HANDEL, m. gmv. *-HANDELAAR, m. (-s). *-KOOPER, m. (-s). *-KOOPMANSCHAP, v. gmv. lakenhandel. *-MAKER, m. (-s). *-MONSTER, o. (-s). *-NAALD, v. (-en), groote naald. *-NOPSTER, v. (-s). *-PERS, v. (-en). *-PERSER, m. (-s). *-RAAM, v. en o. (...amen), werktuig der lakenwevers. *-RATIJN, o. zeker stof. *-REKKER, m. (-s). *-SAAI, v. gmv. zekere stof. *-SARGIE, *-SERGIE, v. gmv. zekere stof. *-SCH, bn. van laken (gemaakt). *-SCHAAR, v. (...aren). *-SCHEERDER,
[p. 680]
m. (-s). *-VERKOOPER, m. (-s). *-VERWER, m. (-s). *-VERWERIJ, v. (-en). *-VERW(F)STER, v. (-s). *-VOLLER, m. (-s). *-WEVER, m. (-s). *-WEVERIJ, v. (-en). *-WINKEL, m. (-s).
[Laker]
Laker, m. (-s), afkeurder, die misprijst. *...KING, v. het laken, het afkeuren.
[Lakkei]
Lakkei, m. (-jen, B. -en), voetknecht, dienaar, lijfknecht.
[Lakken]
Lakken, bw. gel. (ik lakte, heb gelakt), met zegellak sluiten, toe-, digtlakken; vernissen, glanzen; gelakte schoenen. *...KER, m. (-s), *...STER, v. (-s), hij of zij die lakt.
[Lakkris, Lakkeris]
Lakkris, Lakkeris, o. drop, afkooksel van zoethout.
[Lakmoes]
Lakmoes, o. gmv. blaauwe kleurstof. *-FABRIEK, v. (-s). *-MAKER, m. (-s). *-MAKERIJ, v. (-en).
[Lakooi]
Lakooi, v. (-jen, B. -en), violier, zekere plant. *-BLOEM, v. (-en).
[Lakvernis]
Lakvernis, o. (-sen), oplossing van hars in wijngeest enz. *...WERK, o. verniste voorwerpen.
[† Là là]
† Là là, bijw. zoo zoo, middelmatig redelijk.
[Lam]
Lam, o. (-meren), jong schaap; (fig.) zachtaardig mensch; als een - leven, met iedereen in vrede leven; het - Gods, Jezus Christus. *-, bn. en bijw. (-mer, -st), geheel of gedeeltelijk van beweging beroofd, verlamd, hinkend; gebrekkig (ook fig.); dat is -, leelijk, § beroerd; - in het kruis, (van paarden, honden enz.).
[† Lama]
† Lama, m. (-s), priester, opperpriester (in Indië). *-, of LLAMA, o. peruaansch schaap.
[† Lamantijn]
† Lamantijn, m. (-en), zeekoe, walvischachtig zoogdier.
[Lambertsche noot]
Lambertsche noot, v. soort hazelnoot.
[† Lambrizeerwerk]
† Lambrizeerwerk, o. houten beschotwerk. *...ZEREN, bw. gel. (ik lambrizeerde, heb gelambrizeerd), met houtwerk beschieten. *...ZERING, v. (-en), houten beschot.
[† Lamella]
† Lamella, v. dun blaadje metaal.
[† Lamenias]
† Lamenias, o. zek. geweven stof.
[† Lamentabel]
† Lamentabel, bn. en bijw. (-er, -st), erbarmelijk, beklagenswaard. *...TATIE, v. (...ën), weeklagt, klaaglied. *...TEREN, ow. gel. (ik lamenteerde, heb gelamenteerd), weeklagen, jammeren, kermen. *...TO, bijw. (muz.) zeer aandoenlijk. *...TOSO, bijw. (muz.) in eenen klaagtoon.
[Lamfer]
Lamfer, o. (B.m.), (-s), rouwsluijer, rouwfloers. *-VERHUURDER, m. (-s), rouwwinkelier. *-WERKER, m. (-s).
[§ Lamgat]
§ Lamgat, m. en v. (-en), luiaard. *...HEID, v. gmv. toestand van iem. of iets geheel of gedeeltelijk van beweging beroofd; (fig.) gebrekkigheid; stroefheid (van stijl). *...LENDEN, m. en v. die lendenlam is.
[Lammeken, Lammetje]
Lammeken, Lammetje, (B. -N), o. (s), klein -, jong lam. *-SOOR, o. zekere plant.
[Lammeren]
Lammeren, ow. gel. (ik lammerde, heb gelammerd), lammeren werpen (van ooijen).
[Lammergier]
Lammergier, m. (-en), zek. roofvogel. *...TJESBAAI, v. soort wollen stof. *...TJESPAP, v. meelpap, bloempap. *...NOOT, v. soort hazelnoot. *...ZACHT, bn. zoo zacht als een lam.
[p. 681]
[Lamoen]
Lamoen, o. (-en), disselboom; zie LIMOEN. *-STOK, m. (-ken).
[Lamp]
Lamp, v. (-en), verlichtingswerktuig; (fig.) dat riekt naar de -, aan dit (letterkundig) werk is veel tijd besteed, het draagt sporen van met veel inspanning bewerkt te zijn; de - des levens, het leven; hij heeft geen olie meer in de -, zijne krachten zijn uitgeput; de - (het licht) der zon. *-ENDRAGER. m. (-s), toestel waaraan eene lamp hangt. *-ENGLAS, *-GLAS, o. (...zen), glas op eene lamp. *-ENFEEST, o. zie LAMPFEEST.
[† Lampas]
† Lampas, v. oost-indische of chinesche zijden stof.
[Lampet]
Lampet, v. (-ten), kom of kan voor water om de handen te wasschen; groote porseleinen schotel. *-KAN, v. (-nen). *-KOM, v. (-men). *-SCHOTEL, m. (-s).
[Lampfeest]
Lampfeest, o. zek. feest bij de oude Grieken en ook thans nog bij eenige aziatische volken. *...LICHT, o. gmv. *...OLIE, v. gmv.
[† Lampion]
† Lampion, m. (-s), illumineerlampje, -glas.
[§ Lampoot]
§ Lampoot, m. en v. (-en), luiaard.
[Lamprei]
Lamprei, o. (-jen, B. -en), jong konijn. *-, v. prik, negenoog (zekere visch).
[Lampspelen]
Lampspelen, o. mv. soort volksspelen (bij de oude Grieken). *...ZWART, o. walm -, damp uit eene lamp.
[Lamsbeeldje]
Lamsbeeldje, m. (B. *-N), o. (-s), (r.k.) bidprentje. *...BOUT, m. (-en). *...GEBRAAD, o. gmv. *...HERSENEN, v. mv. *...HOOFD, o. (-en). *...KOP, m. (-pen). *...LONG, v. (-en). *...OOR, o. (-en). *...TIENDEN, v. mv. (oudt.) belasting op de schapen. *...VACHT, v. (-en). *...VEL, o. (-len). *...VLEESCH, o. *...WOL, v. *...WORST, v. (-en).
[† Lanceren]
† Lanceren, bv. gel. (ik lanceerde, heb gelanceerd), werpen, slingeren, afschieten; (fig.) hij lanceert zich goed, hij weet goed door de wereld te komen. *...CET, o. (-ten), (wondh.) laatvlijm. -KOKER, m. (-s). -VORMIG, bn. (plant.) langwerpig.
[Land]
Land, o. gmv. gedeelte der aarde dat boven het water uitsteekt; vaste bodem. *-, o. (-en), staat, gewest, streek; grondgebied; akker, pad; het vaste -, (tegenstelling van eilanden); over of te - reizen; van - steken, onder zeil gaan; aan - zetten, ontschepen; aan - (of wal) komen; - aandoen, in het voorbij varen even vertoeven; het - (den grond) bebouwen; het platte -, de dorpen (in tegenstelling van de steden); het - van belofte, het heilige land; (fig.) gelukkig land; hier te -e, in dit land, bij ons; daar te -e, in dat land, elders; (fig.) het - hebben, zich vervelen; ik heb er reeds het - aan, ik ben het reeds moede; (fig.) er is met hem geen - bezeilen, men kan niets met hem uitrigten; - voelen, genoeg gegeten hebben; iem. het - opjagen, iem. uit zijn humeur brengen; 's -s wijs 's -s eer, men moet zich gedragen naar (onderwerpen aan) de zeden en gewoonten van het land. *-AANWINNING, v. (-en), zie LANDWINNING. *-AARD, m. gmv. natie; (ook) bijzondere hoedanigheden den bewoners van een land eigen. *-ADEL, m. gmv. edellieden van het platteland. *-BEDRIEGER, m. (-s), die 's lands penningen verduistert. *-BEER, m. (-en), soort beer, (dier). *-BESCHRIJVER, m. (-s). *-BESCHRIJVING, v. (-en). *-BESTUUR,
[p. 682]
o. (...uren). *-BEWONER, m. (-s), *-BEWOONSTER, v. (-s), die op het platteland woont. *-BEZIT, o. bezit van landerijen. *-BODE, m. (-n), (oudt.) afgevaardigde van den adel (in Polen), (ook) van het platteland.
[Landbouw]
Landbouw, m. gmv. akkerbouw, veldarbeid. *-EN, o. *-END, bn. een -volk; eene -e streek, waar de landbouw uitgeoefend wordt. *-ER, m. (-s). *-ING, v. gmv. *-KUNDE, v. gmv. *-KUNDIG, bn. *-KUNDIGE, m. (-n), oeconoom, ekonoom.
[Landcommandeur]
Landcommandeur, m. (-en), zek. waardigheid bij de duitsche orde, (balije van Utrecht). *...DAG, m. (-en), landsvergadering, wetgevende vergadering, staten, stenden. *...DEKEN, m. (-en), (r.k.) zekere priesterlijke waardigheid. -SCHAP, o. (-pen). *...DIEF, m. (...ven), die het land besteelt. *...DIER, o. (-en), dier dat op het land leeft. *...DIEVERIJ, v. (-en). *...DROST, m. (-en), schout, baljuw. -AMBT, o. *...EDELMAN, m. (...lieden), edelman die op het platteland woont. *...EIGENAAR, m. (...aren), bezitter van vaste goederen. *...EIGENDOM, m. (-men).
[Landelijk]
Landelijk, bn. en bijw. (-er, -st), van het land, dorps..., boersch.
[Landen]
Landen, ow. bw. gel. (ik landde, ben of heb geland), aan land komen, -zetten, ontschepen; een vijandelijken inval doen (van de zeezijde).
[Landengte]
Landengte, v. (-en), smalle strook land tusschen een schiereiland en het vasteland.
[Landerijen]
Landerijen, v. mv. bebouwde akkers, velden.
[Landganger]
Landganger, m. (-s), die van scheepsboord zich aan land begeven heeft. *...GEDICHT, o. (-en), veldzang. *...GENOOT, m. en v. (-en), wij zijn -en, in hetzelfde land geboren. *...GEREGT, o. geregtshof op het platteland. *...GESCHREEUW, o. klagten van een geheel land. *...GEWOONTE, v. (-n). *...GERIGT, o. (-en), (tegenstelling van zeegerigt). *...GOED, o. (-eren), bezitting op het land, buitenplaats. *...GRAAF, m. (...aven), zek. titel van een souvereinen vorst; (ook) adellijke titel. -SCHAP, o. (-pen). *...GRAVIN, v. (-nen). *...HEER, m. (-en), grondeigenaar. *...HOEF, v. (...ven), *...HOEVE, v. (-n), boerderij. *...HOOFD, o. (-en), (vest.) uiteinde eener brug; steenen beer. *...HUIS, o. (...zen), buitenverblijf. *...HUISHOUDKUNDE, v. gmv. wetenschap van den landbouw en al wat er mede in verband staat. *...HUISHOUDKUNDIG, bn. - kongres. -E, m. (-n), oeconoom, ekonoom. *...HUUR, v. (...uren), grondrente, pachtgeld. *...HUURDER, m. (-s), pachter.
[Landing]
Landing, v. (-en), het landen; vijandelijke overval. *-BOOT, v. (-en). *-SPLAATS, v. (-en).
[Landjeugd]
Landjeugd, v. gmv. kinderen ten platten lande. *...JONKER, m. (-s), landedelman. *...JUFFER, v. (-s). *...KAART, v. (-en), afbeelding van de oppervlakte der aarde of van een gedeelte daarvan. *...KENNING, v. (-en), onderzoek naar de gesteldheid der kusten. *...KOST, m. gmv. boerenspijs. *...KRAB, m. (-ben), schimpnaam door het zeevolk aan de landsoldaten gegeven. *...KUNDE, v. gmv. kennis der landen. *...LEVEN, o. gmv. buitenleven. *...LIEDEN, mv. plattelandsbewoners. *...LOOPER, m. (-s), zwerver, reizende bedelaar zonder vast verblijf. *...LOOPSTER, v. (-s).
[p. 683]
*...LOOPERIJ, v. gmv. bedelarij. *...LUCHT, v. gmv. de lucht op het platteland; (ook) tegenstelling van zeelucht. *...MAGT, v. gmv. het leger, de troepen. *...MAN, m. (...lieden), dorpeling, boer. *...MEETKUNDE, v. gmv. kunst om de oppervlakte van de aarde te meten. *...MEETKUNDIG, bn. -E, m. (-n). *..MEETSTOK, m. (-ken). *...MEISJE, (B. -N), o. (-s), jonge boerin, boerendeern. *...METEN, o. *...METER, m. (-s). *...METING, v. gmv. *...MILITIE, v. landtroepen. *...MUIS, v. (...zen), veldmuis. *...ONTDEKKING, v. (-en).
[Landouw]
Landouw, v. (-en), landstreek, oord.
[Landpaal]
Landpaal, m. (...alen), grens-, limietpaal. *...PALEN, m. mv. grenzen van een land. *...PACHT, v. gmv. pacht of huur van landerijen. *...PACHTER, m. (-s). *...PLAAG, v. (...agen), algemeene plaag, - ramp. *...PLAGER, m. (-s), onderdrukker, dwingeland. *...RAAD, m. (...aden), provinciale -, distriktsvergadering. *...REGEN, m. regen die zich uitstrekt over een geheel land of gewest. *...REGT, o. (-en), regt van een land; opperste geregtshof; (fig.) wetboek. *...REGTER, m. (-s). *...REIS, v. (...zen), *...REIZE, v. (-n), reis te (over) land. *...ROOK, m. gmv. veenrook.
[Landschap]
Landschap, o. (-pen), gewest, streek, oord; schilderstuk dat een landschap voorstelt. *-PELIJK, bn. en bijw. provinciaal. *-SCHILDER, m. (-s). *-SHUIS, o. (...zen), *-SKAMER, v. (-s), gemeenlandshuis. *-SKAS, v. (-sen), provinciale fondsen. *-SVERGADERING, v. (-en), provinciale staten. *-SZAAL, v. (...alen).
[Landscheiding]
Landscheiding, v. (-en), plek waar het grondgebied van het eene land eindigt en dat van een ander begint. *...SCHOOL, v. (...olen), school ten platten lande. *...SCHRIJVER, m. (-s), provinciale griffier.
[Landsdouw]
Landsdouw, v. (-en), bouwland; zie LANDOUW. *...GOED, o. (-eren), nationaal goed; domein. *...HEER, m. (-en), souvereine vorst, gebieder. *...HUIS, o. (...zen), gemeenlandshuis. *...KIND, o. (-eren), inboorling. ↑ *...KNECHT, m. (-en), soldaat, voetknecht. *...LASTEN, m. mv. belastingen, opbrengsten.
[Landslot]
Landslot, o. (-en), veilige haven. *...SMAAK, m. bijzondere smaak in een land heerschende; aardachtige -, grondige smaak.
[Landsman]
Landsman, m. (...lieden), landgenoot.
[Landspraak]
Landspraak, v. taal des lands; tongval.
[Landsregt]
Landsregt, o. (-en), regten -, gewoonten van een land. *-ELIJK, bn. en bijw.
[Landstad]
Landstad, v. (...eden), stad op verren afstand van de zee gelegen; provinciestad. *...STORM, m. gmv. algemeene wapening van alle burgers. *...STREEK, v. (...eken), uitgestrektheid land.
[Landsvergadering]
Landsvergadering, v. (-en), zie LANDDAG. *...VROUW, v. (-en), boerin; landgenoot. *...WIJZE, v. gewoonten eens lands.
[Landtong]
Landtong, v. (-en), vooruitstekende punt land in zee. *...VALLING, *...VERKENNING, v. (-en), (zeew.) onderzoek naar de gesteldheid der kust. *...VERHUIZER, m. (-s), die naar een vreemd land trekt. *...VERHUIZING, v. (-en). *...VERMAAK, o. (...aken), uitspanning op het platteland. *...VERRAAD, o. gmv. ontrouw tegen zijn land. *...VERRADER, m. (-s). *...VLUGTIG, bn. uit zijn land ontvlugt, uitgeweken.
[p. 684]
*...VLUGTIGHEID, v. gmv. *...VOLK, o. gmv. plattelandsbewoners. *...VOOGD, m. (-en), -ES, v. (-sen), bestuurder -, beheerder -, bestuurster -, beheerscheres van een land voor en namens den souverein, stadhouder. *...VOOGDIJ, v. gmv. *...VORST, m. (-en). *...VORSTELIJK, bn. *...VORSTIN, v. (-nen). *...VROUW, v. (-en), eigenares van een landgoed. *...VRUCHT, v. (-en), vrucht die een land oplevert; aardvrucht (in tegenstelling van boomvrucht); opbrengst van een land. *...WAARTS, bijw. in de rigting van de kust naar het land; - in, diep in het land; deze stad is - in gelegen. *...WEER, v. gmv. dam, dijk; algemeene volkswapening; gewapende magt. *...WEG, m. (-en), groote weg, openbare weg. *...WERK, o. gmv. landbouwersbedrijf. *...WIJF, o. (...ven), boerin. *...WIND, m. (-en), wind die van de landzijde waait. *...WINNING, v. (-en), verovering; opbrengst van landerijen; het verkrijgen van land door indijking enz. *...WORDING, v. aanwas aan de oevers eener rivier. *...ZAAT, m. (...aten), inwoner eens lands, inboorling. *...ZATIN, v. (-nen). *...ZIEK, bn. door heimwee aangetast. *...ZIEKTE, v. (-n), ziekte aan een land bijzonder eigen; (ook) heimwee. *...ZIGT, o. uitzigt op het land, - op landerijen. *...ZIJDE, v.
[Lang]
Lang, bn. en bijw. (-er, -st), tegenstelling van kort; groot; uitgestrekt, lang durende, een geruimen tijd; eene -e tafel; deze weg is zeer -; de dagen worden reeds -; zoo - als hij was, over zijne geheele lengte; het is zoo - als het breed is, het komt op hetzelfde neder, er is geen verschil in; tien jaren - (achtereen); - van stijl, langdradig; de tijd valt mij -, ik verveel mij; zoo - als, gedurende, tot dat; hij is - (op verre na) zoo geleerd niet als zijn broeder; een - (aan)gezigt zetten, verbluft staan, niet weten te antwoorden; hoe -er hoe erger, van het eene kwaad in of tot het andere. *-ACHTIG, bn. en bijw. een weinig lang. *-ARMIG, bn. lange armen hebbende. *-BAARD, m. (-en), iem. die een langen baard heeft. *-BAARDIG, bn. met een langen baard. *-BEEN, m. en v. (-en), iem. die lange beenen heeft. -, m. zek. langbeenige spin, hooiwagen. *-BEENIG, bn. lange beenen hebbende. *-DRADIG, bn. (-er, -st), uit lange draden bestaande; (fig.) vervelend, wijdloopig; een - verhaal, eene -e redevoering, een - schrijver. -HEID, v. gmv. *-DURIG, bn. en bijw. (-er, -st), van langen duur, duurzaam. -HEID, v. gmv.
[Langen]
Langen, bw. gel. (ik langde, heb gelangd), geven, overgeven, overreiken.
[Langet]
Langet, m. gmv. zek. mutsenkant van de geringste soort. *-MUTS, v. (-en), muts met zulke kant.
[Langeveld]
Langeveld, o. (zeew.) deel van een stuk geschut.
[Langhals]
Langhals, m. en v. (...zen), iem. die een langen hals heeft. *-, v. flesch met een langen hals; geef ons eene flesch - (van den besten wijn). *...HAND, m. en v. (-en), iem. die lange handen heeft. *...HANDIG, bn. *...HARIG, bn. (-er, -st). -HEID, v. gmv. *...HEID, v. gmv. lengte. *...HOORNIG, bn. (-er, -st). *...KIN, m. en v. (-nen), iem. die eene lange kin heeft. *...LENDEN, *...LIJF, m. en v. § lang en dun -, schraal mensch. *...LEVEND, bn. -HEID, v. *...LIP, m. en v. (-pen), *...MUIL, m. en v. (-en), iem. die lange lippen heeft.
[p. 685]
*...MOEDIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. zeer geduldig, toegevend, veel kunnende verdragen (alvorens toornig te worden). -HEID, v. gmv. *...NEUS, m. en v. (...zen), iem. die een langen neus heeft. *...OOR, m. en v. (-en), iem. die lange ooren heeft. -, m. (fig.) ezel. *...OORIG, bn. (-er, -st). *...POOT, m. (-en), soort spin, hooiwagen.
[Langs]
Langs, vz. eene strekking in de lengte aanduidende; bezijden, voorbij; - de rivier wandelen; deze weg loopt - het bosch; (fig.) - welken weg? door welk middel? hier -, daar -, dezen -, dien weg op, in deze of die rigting; - (digt bij) de kust; (fig.) hij gaf hem - (oorvijgen). *-DENNEN, v. mv. of *-HOUTEN, o. mv. (zeew.) leggers eener helling.
[Langschedeligen]
Langschedeligen, m. mv. zeker menschenras. *...SLAPER, m., *...SLAAPSTER, v. (-s), die lang slaapt, 's morgens laat opstaat. *...SNAVELIGEN, m. mv. soort vogels. *...SPRIETEN, m. mv. soort insekten.
[Langst]
Langst, bn. (overtreffende trap van langer), en bijw. op zijn -, uiterlijk. *-LEVEND, bn. -E, m. en v. (-n).
[Langstijlig]
Langstijlig, bn. langdradig van stijl. *-HEID, v. gmv. *...TAND, m. mv. (-en), iem. die lange tanden heeft; (fig.) lekkerbek, kieskaauwer. *...TONG, m. en v. (-en), (fig.) babbelaar, -ster, praatziek mensch. *...WAGEN, m. (-s), verbindingstuk (van het voor- en het achterstel) van eenen wagen. *...WERPIG, bn. (-er, -st), een langen vorm hebbende; een - vierkant; - rond, eirond. *...WIJLIG, bn. en bijw. (-er, -st), langdradig, vervelend, wijdloopig. -HEID, v. gmv. *...ZAAM, bn. en bijw. (-er, -st). -LIJK, bijw. niet schielijk, traag; - gaat zeker, wil men zijn doel bereiken, dan moet men niet met overhaasting te werk gaan. *...ZAAMHEID, v. gmv. *...ZAMERHAND, bijw. van lieverlede, allengs, zachtjes aan.
[Laning]
Laning, v. (zeew.) deel van de kruidkamer; planken brug, overloop.
[↑ Lank]
↑ Lank, v. (-en), zijde van het ligchaam (het weeke van den buik. *-MOEDIG, bn. zie LANGMOEDIG.
[Lans]
Lans, v. (-en), spies, speer, (zek. wapen); de - vellen (laten zakken); (eert.) eene - met iem. breken, met iem. vechten; (thans fig.) een geschil met iem. beslechten. *-IER, m. (-en), ruiter met eene lans gewapend. *-KNECHT, m. (-en), soldaat te voet met eene lans gewapend. *-PASSAAT, *-PERSAAT, m. (...aten), onderkorporaal. *-RUITER, m. (-s), zie LANSIER. *-SCHACHT, v. (-en), steel van eene lans.
[† Lansquenet]
† Lansquenet, o. zeker kansspel.
[Lantaarn of Lantaren]
Lantaarn of LANTAREN, v. (-en, -s), toestel tot verlichting; (bouwk.) glazen dak; (fig.) dieven-, blinde-, gas-, stok-; toover-, zie op TOOVER; eene groote - en weinig (of zonder) licht, een groot hoofd met niet veel verstand; (zeew.) mars -. *-AANSTEKER, m. (-s). *-DRAGER, m. (-s), die eene lantaarn voor iem. uitdraagt; (ook) zeker insekt. *-GAT, o. (-en), (zeew.) hok achter de kruidkamer. *-GELD, o. (eert.) belasting voor het onderhoud der straatlantaarns. *-GLAS, o. (...zen). *-IJZER, o. (-s), (zeew.). *-KLEEDEN, o. mv. (zeew.). *-MAKER, m. (-s). *-OPSTEKER, m. (-s). *-PAAL, m. (...alen), paal waaraan of waarop de lantaarn is vastgehecht.
[p. 686]
*-TOUW, o. (-en). *-VULDER, m. (-s), lantaarnopsteker. *-VUUR, o. (...uren), (zeew.) baak.
[Lanterfant]
Lanterfant, m. (-en), straatslijper, lediglooper. *-EN, ow. gel. (ik lanterfantte, heb gelanterfant), ledigloopen, straatslijpen. *-ERIJ, v. gmv. *...LU, (B. LANTURLU), o. zeker kaartspel. *...LUIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. (ik lanterluide, heb gelanterluid), dit spel spelen.
[Lantersche]
Lantersche, v. landvrouw (die eene boerderij in pacht heeft).
[† Lanthanium]
† Lanthanium, o. zeker metaal. *...TIONE, v. (-n), zek. chineesch vaartuig.
[† Laodiceeër]
† Laodiceeër, m. (-s), (fig.) laauw -, onverschillig mensch.
[Lap]
Lap, m. (B.v.) (-pen), stuk van iets (bv. van laken, linnen of andere stof), afhangend brok; overschot (van een stuk laken, linnen enz.); vod, waardeloos voorwerp; stuk stof (of leder) op eenig kleedingstuk enz. gezet om het te herstellen of een gat te dekken; (fig.) oorveeg, klap; dronkaard; (ontl.) kwab van de long; (zeew.) zek. houtwerk; zeil; (schoenm.) spons waarmede het leder gesmeerd wordt; (fig.) beter een - dan een gat, beter een gelapt dan een gescheurd kleed; (fig.) de lappen hangen hem bij het lijf, hij gaat zeer haveloos gekleed; onder den - laten hangen, verwaarloozen. *-GELD, o. loon voor het lappen. *-JE, (B. -N), o. (-s), dun gesneden vleesch (dat gebraden wordt of is); runder-, kalfslapjes; (fig.) iem. voor het - houden, iem. bespotten, voor den gek houden; (zeew.) vlak voor het -, met zeer gunstigen wind; (ook fig.) bijzonder door het toeval begunstigd.
[† Lapidair]
† Lapidair, bn. -schrift, in steen gehouwen letters; -stijl, (korte en kernachtige) stijl der geschriften. *...DATIE, v. steeniging.
[† Lapis]
† Lapis, steen; - causticus, potasch; -infernalis, helsche steen, salpeterzuur zilveroxyde; - lazuli, lazuursteen; - philosophorum, steen der wijzen.
[Lapkaas]
Lapkaas, v. (...azen), *...KIST, *...MAND, v. (-en), mand om er lappen in te bewaren. *...NAALD, v. (-en), naald waarmede men lapt.
[Lappen]
Lappen, bw. gel. (ik lapte, heb gelapt), eenen lap -, lappen op iets zetten, verstellen; een kleed -, schoenen -; kalefaten (een schip); (fig.) hechten, bevestigen, vastmaken (aan iets), ruw of lomp zamenvoegen; met eenen lap schoon maken, glazen -; bewimpelen, vergoêlijken (eenen misslag); hoe zullen wij dat -? (fig.) door de keel -, verteren, verkwisten; alles door de keel -, al zijn geld in sterken drank verkwisten. *-DAG, m. (-en), dag waarop in de manufaktuurwinkels overgebleven lappen van stukken stof verkocht worden. *-KIST, *-MAND, v. zie LAPKAAS. *-MARKT, v. (-en), voddenmarkt. *-MOS, o. zek. plant, longekruid. *...PER, m. (-s), *...STER, v. (-s), hij of zij die lapt. *...PERIJ, *...PING, v. het lappen, het verstellen.
[Lapsnijder]
Lapsnijder, m. (-s), kleêrmaker die geen nieuw goed maakt. *...SNIJDSTER, v. (-s). § *...STERK, m. schoenmaker, schoenlapper. *...WERK, o. gmv. lapperij; gelapte kleedingstukken; (fig.) slecht werk. *...WOORD, o. (-en), (lett. en dicht.), slotwoord (aanvullend woord ter versterking van eenen zin). *...ZALF, v. (...ven), slechte zalf. *...ZALVEN, bw. gel. (ik lapzalfde, heb gelapzalfd), slecht meesteren,
[p. 687]
iem. niet goed heelkundig behandelen; (fig.) bewimpelen, vergoêlijken; ruw kalefaten (een schip); (zeew.) teeren (touwwerk). *...ZALVER, m. (-s), kwakzalver. *...ZALVERIJ, *...ZALVING, v. het lapzalven.
[Lardeerpriem]
Lardeerpriem, m. (-en), werktuig waarmede men vleesch bespekt. *...SEL, o. gmv. spek dat tot bespekking dient. *...SPEETJE, (B. -N), o. (-s). *...SPEK, o. gmv.
[† Larderen]
† Larderen, (B. *...DEEREN), bw. gel. (ik lardeerde, heb gelardeerd), bespekken (vleesch), reepjes met spek opvullen; (fig.) eene goed gelardeerde (goed gespekte, gevulde) beurs. *...DERING, v. het larderen.
[↑ Larghetto]
↑ Larghetto, bijw. (muz.) eenigzins langzaam. *...GO, bijw. (muz.) langzaam.
[↑ Larie]
↑ Larie, v. ijdele snapster; (thans) beuzeling, zot geklap; (spr.) het is - met vocht, het is dronkemansgekheid. *-MOER, v. (-en), *-STER, v. (-s), kakelaarster. *...RIËN, ow. gel. (ik lariede, heb gelaried), beuzelen.
[Larifari]
Larifari, o. zottepraat, ijdel gekakel.
[Lariksboom]
Lariksboom, m. (-en), soort pijnboom. *...ZWAM, v. gmv.
[↑ Larmier]
↑ Larmier, m. (-en), (bouwk.) gootlijst. *...MOYANT, bn. jammerend, weenend.
[Larp]
Larp, v. (-en), zweep, geesel, roede; slag, klap, oorvijg. *-EN, bw. gel. (ik larpte, heb gelarpt), op zekere manier dorschen.
[Larve]
Larve, v. (-n), het insekt vóór zijne ontwikkeling, pop; masker, mom.
[† Lascaren]
† Lascaren, m. mv. indische matrozen of kanonniers in dienst der engelsche oost-indische compagnie; soldaten van den keizer van Ceylon.
[Lasch]
Lasch, v. (B.m.), (lasschen), lies (deel van het menschelijk ligchaam); stuk dat ergens in- of aangezet is; zamenvoeging (bij smeden enz.); (bouwk.) houtverbinding; (timm.) dekstuk; (kuip.) keep. *-HAAK, m. (...aken), (zeew.). *-IJZER, o. (-s). *-MES, o. (-sen), kuipersgereedschap. *-NAGEL, m. (-s), spijker. *-WOORD, o. (-en), koppelwoord.
[† Lascief]
† Lascief, bn. (...ver, -st), ontuchtig, geil, onkuisch.
[Lasschen]
Lasschen, bw. gel. (ik laschte, heb gelascht), eene lasch inzetten; zamen-, ineen-, bijeenvoegen. *...ING, v. het lasschen.
[Last]
Last, m. (B.v.), (-en), zwaar voorwerp; zwaarte; (fig.) iets moeijelijks dat men te verrigten heeft; iets waardoor men gekweld of geplaagd wordt; vracht, lading; scheepslading; moeijelijkheid; nood, verlegenheid; opdragt, bevel, gebod; belasting, opcenten; overlast, hinder; (fig.) druk; de - der jaren, der zorgen; iem. tot - zijn; iem. iets ten -e leggen, iem. van iets beschuldigen; (zeew.) - (lading) innemen; - breken, een gedeelte der lading lossen; - ligten, ontschepen; (fig.) het eindje draagt den -, de uitkomst levert al de bezwaren op (b.v. van een ingewikkeld proces); - lijden, bezwaren -, moeijelijkheden ondervinden, verliezen ondergaan; dit zou kunnen - lijden, dit zou bedenkelijke gevolgen kunnen hebben; dat lijdt geen -, heeft geen haast; de stad is in - (nood);
[p. 688]
lasten, belastingen, opbrengst; in de gemeente-lasten dragen, belasting betalen; lusten en lasten, inkomsten en uitgaven. *-, o. (-en), inhoudsmaat voor drooge waren (= 30 mud of 300 kop; oudt. = 36 zakken of 27 mud); benaming van het gewigt, waarbij de grootte en het draagvermogen van een schip berekend worden (= 2 scheepston of 3 kub. el); zwaarte van 4600 ned. pond. *-AADJE, v. (-n), laad- of losplaats van goederen in of uit schepen; werf; scheepstimmerwerf. *-BALK, m. (-en), (zeew.) lastdrager. *-BEEST, *-DIER, o. (-en), beest (kameel, ezel enz.) bestemd tot het dragen van lasten. *-DRAGEND, bn. (fig.) een -e voogd. *-DRAGER, m. (-s). -s, mv. zie LASTBALK. *-ELOOS, bn. geenen last dragende of hebbende; (fig.) zonder instructiën. *-EN, bw. gel. (ik lastte, heb gelast) bevelen, gelasten, opdragen; - en bevelen, (gebruikelijke uitdrukking aan het slot van eene wet of een koninklijk besluit). -, ow. eenen last helpen dragen.
[Laster]
Laster, m. mv. eerroof, eerschennis, kwaadsprekerij; achterklap, kwaadsprekendheid; (oudt.) ondeugd. *-AAR, m. (-s). *-AARSTER, v. (-s). *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), laster bevattende, eerroovend. *-BOÊL, m. hoop -, troep lasteraars. *-DAAD, v. (...aden), snood bedrijf. *-DICHT, o. (-en). *-EN, bw. gel. (ik lasterde, heb gelasterd), iemands eer of goeden naam schenden, - benadeelen. *-ES, v. (-sen), zij die lastert. *-IG, bn. (-er, -st), lasterachtig. *-ING, v. het lasteren. *-LIJK, bn. en bijw. (-er, -st). *-MOND, m. en v. (-en), kwaadspeker, -spreekster. *-PEN, v. (-nen), (fig.) pen waarmede laster geschreven wordt. *-REDE, v. (-nen). *-SCHRIFT, o. (-en). *-SMET, v. (-ten), smet -, vlek door den laster veroorzaakt. *-TAAL, v. gmv. eerroovende woorden. *-TONG, m. en v. zie LASTERMOND. *-WOORD, o. (-en). *-ZIEK, bn. (-er, -st), geneigd tot kwaadspreken. *-ZUCHT, v. gmv.
[Lastgeld]
Lastgeld, o. zek. belasting, scheepvaartregt. *...GEVER, m. (-s), die iem. eenen last geeft, committant. *...GEEFSTER, v. (-s). *...HEBBER, m. (-s), die in last heeft iets te doen, afgevaardigde, mandataris.
[Lastig]
Lastig, bn. en bijw. (-er, -st), hinderend, onaangenaam; vermoeijend; vervelend; - vallen, tot last zijn, overlast doen, hinderen; een -e gast, rustverstoorder, onruststoker. *-HEID, v. gmv. overlast.
[Lastlijn]
Lastlijn, v. (-en), (zeew.). *...PAARD, o. (-en), paard dat lasten draagt. *...SCHIP, o. (...epen), transportschip. *...WAGEN, m. (-s), vrachtwagen.
[Lat]
Lat, v. (-ten), lang, dun en smal stuk hout; smalle of dunne plank; latten, mv. zekere deelen van een schip; roosterlatten; (fig). hij hangt aan de -ten, hij is op het punt van bankroet te gaan.
[Lataanboom]
Lataanboom, m. (-en), braziliaansche palmboom.
[Latafel]
Latafel, v. (-s), zeker huisraad.
[Laten]
Laten, bw. ong. (ik liet, heb gelaten), niet veranderen; niet verhinderen; niet mede- of wegnemen; vergunnen, toestaan, veroorloven; nalaten, niet doen; gelegenheid (tot iets) geven; aderlaten;
[p. 689]
overlaten, afstaan (b.v. de eer van iets aan iem.); - weten, in kennis stellen (van iets); staan -, (iets) niet aanraken; eenen zucht - (slaken); eenen wind - (uitlaten); zijn water - slaan, wateren; - varen, zich niet (met iets) bemoeijen, zich niet (in iets) mengen; ik laat (geef) het u voor dien prijs; zijn leven voor iem. -(opofferen); ik liet (verliet) mijnen vader in welstand; laat (vergun) mij u (te) zeggen; hij kan het drinken niet - (nalaten, afwennen); ik laat u niet gaan, ik belet u te vertrekken; - dit, doe dit niet; laat af, houd op. *-, o. het doen en -, handelingen; gedragingen. *-, o. het aderlaten.
[† Latent]
† Latent, bn. onzigtbaar, verborgen; (nat.) -e warmte, nog niet vrij geworden warmte.
[Later]
Later, bn. en bijw. in het vervolg; na verloop van zekeren tijd; latere (nieuwere) berigten; verder verstreken (van den tijd); zie LAAT.
[† Lateraal]
† Lateraal, bn. ter zijde, zijdelings; laterale verwanten, verwanten in de zijlinie.
[† Lateraan]
† Lateraan, o. naam van een paleis van den paus te Rome, zetel der roomsche curie.
[† Latereren]
† Latereren, bw. gel. (ik latereerde, heb gelatereerd), bij rijen zamentellen.
[† Laterna magica]
† Laterna magica, v. tooverlantaarn.
[Latierboom]
Latierboom, m. (-en), boom in eenen stal tusschen de paarden. *...PAAL, m. (...alen) paal in eenen stal.
[Latijn]
Latijn, o. de latijnsche taal; de -en, het volk van Latium. *-SCH, bn. *-ZEIL, o. (-en), (zeew.) driehoekig zeil. *-IST, *...TINIST, m. (-en), die bedreven is in de latijnsche taal en letterkunde. *...NISME, o. latijnsche spreekwijze, latijnsch taaleigen. *...TINITEIT, v. latijnsche taal, - taalkunde; bedrevenheid in de latijnsche taalkunde.
[Lating]
Lating, v. (-en), eene ader-, bloedaftapping.
[† Latitude]
† Latitude, v. (aardr.) breedte; poolshoogte. *...DINAIREN, m. mv. niet strenge zedeleeraars.
[Latoen]
Latoen, o. gmv. geel koper, messing. *..TOUW, v. zie LATUW.
[Lats]
Lats, v. (-en), *-E, v. (-n), voorbroek, breede klep eener broek.
[Latspijker]
Latspijker, m. (-s), spijker waarmede latten worden vastgeslagen.
[Latten]
Latten, bw. gel. zie BELATTEN.
[† Latus]
† Latus, m. bladzijde; som of bedrag van een folio.
[Latuw]
Latuw, v. zeker moeskruid, (inz. als salade gebruikt). *-SALADE, v. gmv. *-ZAAD, o. gmv.
[Latwerk]
Latwerk, o. iets dat uit latten is zamengesteld.
[† Laudanum]
† Laudanum, o. slaapwekkend -, pijnstillend middel; (fig.) iem. - geven, iem. door vleitaal in slaap wiegen.
[† Lauderen]
† Lauderen, bw. gel. (ik laudeerde, heb gelaudeerd), prijzen, loven. *...DES, mv. (r.k.) lofzangen.
[† Laureaat]
† Laureaat, m. (...aten), gelauwerde of bekroonde dichter, - schrijver, - schilder enz.
[Laurier]
Laurier, m. (-s), zekere boom; (fig.) lauwerkrans. *-ACHTIG, bn. -e gewassen. *-BES, v. (-sen), of *-BEZIE, v. (...ën). *-BLAD, o. (-eren). *-BOOM, m. (-en). *-BOSCH, o. (...sschen). *-EN, bw.
[p. 690]
gel. (ik laurierde, heb gelaurierd), met lauweren kroonen; (fig.) prijzen, verheerlijken. *-KRANS, m. (-en). *-KROON, v. (-en). *-OLIE, v. gmv. *- STEEN, m. (-en), zek. delfstof. *-TAK, m. (ken).
[† Laus Deo]
† Laus Deo, God lof; schuldrekening, maanbrief.
[Lauwer]
Lauwer, m. (-en), laurier; krans van laurier; (fig.) eerepalm, prijs, onderscheiding, bekrooning; -en behalen, plukken, oogsten; (fig.) op zijne -en (of s) rusten, na goed volbragten arbeid rusten. (De zamenstellingen zijn dezelfde als die hierboven bij LAURIER opgegeven). *-EN, bw. gel. zie LAURIEREN.
[Lava]
Lava, v. (...as), naam van alle stoffen die in gesmolten toestand uit eenen vulkaan te voorschijn komen; (ook) naam van zekere uit die stoffen bereide zelfstandigheid waarvan verschillende voorwerpen worden vervaardigd. *-BAKJE, (B. -N), o. (-s). *-PIJP, v. (-en). *-STROOM, m. (-en).
[Lavas]
Lavas, v. eppekruid, soort gewas. *-, v. (B.m.), zekere sterke drank daaruit gestookt.
[Lavei]
Lavei, v. verlof, vrijheid, vergunning; iem. - geven, iem. verlof geven; (fig.) iem. iets wijs maken. *-JEN, (B. *-EN), ow. gel. (ik laveide, heb gelaveid), ledig loopen, straatslijpen, lanterfanten.
[Lavement]
Lavement, o. (-en), inspuiting (door middel eener klisteerspuit), clysma. *-ZETTER, m. (-s). *-ZETSTER, v. (-s).
[Laven]
Laven, bw. gel. (ik laafde, heb gelaafd), verkwikken (inz. door het brengen van eenig vocht op de lippen); (fig.) ondersteunen, helpen, bijstaan.
[Lavendel]
Lavendel, v. (-s), zek. welriekende plant. *-BLOEM, v. (-en). *-GEUR, m. *-KRUID, o. *-OLIE, v. *-REUK, m. *-WATER, o.
[Laveren]
Laveren, bw. gel. (ik laveerde, heb gelaveerd), (zeew.) tegen den wind opzeilen, opwerken; wasschen (eene teekening); (fig.) zich naar de omstandigheden schikken; het - (de wankelende, niet geregelde gang) van iem. die beschonken is; (fig.) dralen; uitvlugten zoeken.
[Lavoor]
Lavoor, o. (-en), waschkom, waschkan, bekken, lampet.
[† Lavis]
† Lavis, o. gewasschen teekening.
[† Lawine, Lavine]
† Lawine, Lavine, v. (-n), sneeuwval, sneeuwstorting.
[† Lax]
† Lax, bn. wijd; los, slap; ongebonden. *-ANS, *-ATIEF, *-EERMIDDEL, o. (-en), buikzuiverend middel. *-ATIEF, bn. (...ver), purgerend. *-EREN, bw. gel. (ik laxeerde, heb gelaxeerd), oplossen, afvoeren, ontlasten.
[† Lazaret]
† Lazaret, o. (-ten), ziekenhuis voor lijders aan besmettelijke ziekten; (fig.) huis waar veel zieken zijn. *...RIJ, v. gmv. melaatschheid, zek. huidziekte. *...RONI, of LAZZARONI, mv. straatgepeupel, bedelaars (in Napels enz.).
[† Lazarus]
† Lazarus, bn. met melaatschheid behebt; arm als -, van alles beroofd. *-, m. (-sen), melaatsche. *-HOOFD, o. (-en), hoofd met kwaadzeer. *-HUIS, o. (...zen), leprozenhuis. *-KLAP, m., *-KLEP, v. (-pen), (eert.) klep door de melaatschen gebruikt om de voorbijgangers te waarschuwen hen te ontwijken. *-ZEER, o. melaatschheid.
[Lazuren]
Lazuren, bn. van lazuur, uit lazuursteen vervaardigd.
[Lazuur]
Lazuur, m. gmv. zekere delfstof waaruit een hoogblaauwe verfstof
[p. 691]
wordt bereid. *-, bn. en bijw. lazuurkleurig. *-BLAAUW, o. zekere kleur. *-GEWELF, o. gmv. (fig.) hemel. *-KLEUR, v. gmv. *-KLEURIG, bn. *-STEEN, m. (-en). *-VERWIG, bn.
[† Lazzi]
† Lazzi, mv. vernuftige zetten, gepaste antwoorden, kwinkslagen.
[† Leading-article]
† Leading-article, o. (-s), hoofd-artikel, eerst opstel (in een dagblad); (fig.) -s, waren die goeden aftrek hebben.
[Leb]
Leb, *-BE, of LUBBE, v. (-n), vierde maag der herkaauwende dieren; zuur geworden melk (in deze maag van zogende ooijen, vaarzen enz.) die gebruikt wordt om melk te doen stremmen, stremsel; slappe buikzijde van eenen visch (nadat het ingewand er uit is genomen). *-AAL, m. (...alen), zekere aal of paling met een puntigen kop. *-BIG, bn. (-er, -st), naar de leb smakende; -e kaas. -, bn. en bijw. (fig.) spijtig, smadelijk, beleedigend, overmoedig; een - antwoord. *-BIGHEID, v. gmv. lebsmaak. -, (...heden), smadelijke bejegening.
[† Lectie]
† Lectie, v. (...ën), voorlezing; leeruur; les. *...TOR, m. (-en), voorlezer; hulpleeraar (op hoogescholen en gymnasiën). *...TORAAT, o. betrekking van lector. *...TUUR, v. het lezen; belezenheid; geschrift, boek.
[Ledebraak]
Ledebraak, v. gmv. (fig.) zeer zware arbeid. *...BRAKEN, of *...BREKEN, bw. gel. (ik ledebraakte, heb geledebraakt), zijne leden breken; (fig.) teisteren. *...BRAKIG, *...BREKIG, bn. (fig.) moeijelijk. *...BREUK, v. (-en), breuk van eenig lid.
[Ledekant]
Ledekant, (B. LEDIKANT), o. (-en), losstaande slaap- of bedstede; - en kamer-behanger. *-BEHANGSEL, o. (-s). *-GORDIJN, v. (-en). *-MAKER, m. (-s).
[Ledemaat, Lidmaat]
Ledemaat, Lidmaat, m. en v. (...aten), genoot, medegenoot, deelgenoot, lid (eener vereeniging enz.); iem. die belijdenis van de christelijke godsdienst gedaan heeft; lid van eenig ander kerkgenootschap; lidmaten, ligchaamsdeelen. *...MAN, *...POP, zie LEEMAN.
[Leder, Leêr]
Leder, Leêr, o. gmv. bereide dierenhuiden; turksch of spaansch -, marokijn-, jucht-; (fig.) van - trekken, het zwaard -, den degen trekken; van eens anderen - is het goed riemen snijden, het is gemakkelijk te beschikken over iets dat een ander toebehoort; leêr om leêr, gelijk met gelijk (vergelden). *-BEREIDEN, o. *-BEREIDER, m. (-s). *-BEREIDSTER, v. (-s). *-EN, bn. van leder. *-HANDEL, m. gmv. *-HUID, v. onderhuid. *-KOOPER, m. (-s). *-KOOPSTER, v. (-s).
[Ledewater]
Ledewater, o. (gen.) water der gewrichten (zek. ziekte); (heelk.) water in wonden. *-ZUCHT, v. gmv. zekere ziekte. *...ZETTER, m. (-s), die ontwrichte leden zet.
[Ledgras]
Ledgras, o. zeker kruid.
[Ledig]
Ledig, bn. en bijw. (-er, -st), niet gevuld, tegenstelling van vol; onbezet; onbeladen; onbebouwd; zonder arbeid, zonder bepaalde bezigheid; vrij, vrijelijk; (fig.) niets doende, werkeloos; - loopen, zijnen tijd nutteloos doorbrengen, straatslijpen; een - uurtje, uurtje van ontspanning; -e (vrije) tijd; (fig.) eene -e plaats, open vak; (ook) uitlating (in een boek); een - (onbewoond) huis; (fig.) een- hoofd
[p. 692]
of brein hebben, dom zijn, geen verstand hebben; met -e handen vertrekken, niets medenemen, zijn doel niet bereikt hebben; iets met -e handen beginnen (zonder de vereischte middelen te bezitten). *-, *-E, o. gmv. de ruimte, het vrije. *-EN, bw. gel. (ik ledigde, heb geledigd), ledig maken, ontruimen. *-GANG, m. gmv. het ledig loopen, nietsdoen. *-GANGER, m. (-s). *-GANGSTER, v. (-s). *-HEID, v. gmv. het niet gevuld zijn; ruimte; werkeloosheid; luiheid; (spr.) - is des duivels oorkussen, leidt tot allerlei kwaad. *-ING, v. het ledigen. *-LIJK, bijw. *-LOOPER, m. (-s). *-LOOPSTER, v. (-s).
[Leebreken]
Leebreken, bw. zie LEDEBRAKEN.
[Leed]
Leed, o. gmv. onaangename gewaarwording (van verdriet, onregt, hoon, smaad enz.); verdriet, rouw, smart, droefheid; kwaad, onregt; lief en -, voor- en tegenspoed; aan iem. zijn - klagen, zijne ongelukken aan iem. vertellen. *-, v. rouw; de - aanzeggen, kennis geven van iemands overlijden. *-, bn. en bijw. hatelijk; bedroevend; smartelijk; het doet mij -, het bedroeft mij; het spijt mij; - doen, beleedigen, honen. -, ten onregte; met weêrzin; het zij u lief of -, gij moogt willen of niet; iets met -e oogen aanzien, iets ongaarne zien. *-BRIEF, m. (...ven), rouwbrief, doodberigt. *-DRAGEND, bn. rouwdragend; bedroefd; smartelijk. *-VERMAAK, o. gmv. genoegen dat men heeft van het ongeluk eens anderen. *-WEZEN, o. gmv. droefheid, smart, verdriet, hartzeer.
[Leefbaar]
Leefbaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar -, geschikt om te leven. *...DAGEN, m. mv. leeftijd, leven; al mijne -, gedurende mijn gansche leven. *...MIDDELEN, o. mv. levensmiddelen. *...REGEL, m. (-s), diëet, wijze van leven (zoowel wat de gezondheid als het gedrag betreft). *...KUNDE, v. leer der gezondheid. *...TIJD, m. gmv. tijd des levens. *...TOGT, m. gmv. levensmiddelen. *...WIJS, *...WIJZE, v. wijze van leven.
[Leêg]
Leêg, bn. zie LEDIG.
[Leek]
Leek, m. (-en), iem. die niet tot den geestelijken stand behoort; (fig.) oningewijde; ongeleerde; de -en, het gemeene volk. *-EBROEDER, m. (-s), *-EZUSTER, v. (-s), kloosterbroeder (kloosterzuster) die de monniken (nonnen) bedient, niet geordende monnik of non. *-EREGTER, m. (-s), wereldlijk regter.
[Leelijk]
Leelijk, bn. en bijw. (-er, -st), niet schoon, niet fraai, mismaakt, misvormd; onaangenaam, lastig, verdrietig, bedroevend; onbeschaamd; aanstootelijk; hobbelig (van eenen weg); slordig (van het weder); zedelijk slecht, laag (van eene handeling); toornig; hatelijk, walgelijk, afschuwelijk; een -e vent, een knorrepot, een brombeer; er - uitzien, geen gezonde kleur hebben; (fig.) het ziet er - uit, de zaken staan slecht; iem. - aanzien, dreigende blikken op iem. werpen; er - aan (of aan toe) zijn, ongelukkig zijn, in een ongelukkigen toestand verkeeren. *-HEID, v. gmv. mismaaktheid; snoodheid. *-MAKING, *-WORDING, v. gmv.
[Leem]
Leem, v. en o. zekere vaste stof (aarde, klei en zand); (fig.) wij zijn -, wij zijn van stof. *-, m. (fig.) nietig -, broos mensch. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als leem.
[p. 693]
[Leeman]
Leeman, m. (-s, -nen), ledepop; (ook) leenman. *-SCHAP, o. gmv. leenpligt.
[Leemen]
Leemen, bn. van leem (vervaardigd). *-, bw. gel. (ik leemde, heb geleemd), met leem of klei bestrijken.
[Leemkuil]
Leemkuil, m. (-en). *...PUT, m. (-ten).
[Leemte]
Leemte, v. (-n), stinkende wond; geleden gemis (van iets); weggebleven of opengelaten plaats (in een werk enz.); ongemak. *...TIG, bn. (-er, -st), gemeen, laag; - schuim, het gemeene volk.
[Leen]
Leen, o. (B.m. en o.), (-en), goed (grondbezitting enz.) dat aan een ander ter leen gegeven is; leening, ter leen verstrekte geldsom; te - geven, krijgen, ontvangen, vragen, hebben; te - gaan of houden, iets in leen bezitten; afhankelijk, adellijk, onadellijk -, (eert. onder het leenstelsel); vervallen -, leen dat tot zijnen oorspronkelijken bezitter is teruggekeerd. *-BAAR, bn. geleend kunnende worden. *-BAARHEID, v. afhankelijkheid wegens een in leen ontvangen grondbezit, leenroerigheid. *-BEZITTER, m. (-s). *-BEZITSTER, v. (-s). *-BOEK, o. (-en), register der leenen. *-BRIEF, m. (...ven), schriftelijke verklaring waarop iets in leen gegeven wordt. *-DIENST, v. (-en), dienst aan het bezit van een leen verbonden. *-EED, m. eed van getrouwheid (aan den leenheer.)
[Leenen]
Leenen, bw. gel. (ik leende, heb geleend), tijdelijk ten gebruike afstaan (iets aan iem., iets van iem.). *...ER, m., *...STER, v. die van of aan iem. iets leent; die iets voor niet ter leen ontvangt, commodataris.
[Leengeld]
Leengeld, o (-en), geld dat de vassaal aan den leenheer betaalt; grondcijns. *...GOED, o. (-eren), grondbezit in leen. *...HEER, m. (-en), die in leen geeft. *...HOF, o. (...ven), geregtshof dat uitspraak deed in zaken het leenwezen betreffende. *...HOUDER, m. (-s), die een leen heeft, vassaal. *...HULDIGING, v. (-en), het schenken van een leen aan eenen leenman, investituur.
[Leening]
Leening, v. (-en), het leenen; geleende of te leenen geldsom; eene - sluiten, aangaan, negotiëren; loterij - bank van -; leening en prolongatie, beleening op geldswaarde (inz. effecten).
[Leenkamer]
Leenkamer, v. (-s), zie LEENHOF. *...MAN, m. (-nen, ...lieden), vassaal. -SCHAP, o. gmv. *...PLIGT, m. (-en), wederkeerige verpligtingen van leenheer en leenman. *...PLIGTIG, bn. *...REGT, o. (-en), regtsbeginselen bij het leenstelsel; regt om een leen te geven; regt om in een leen op te volgen. *...REGTELIJK, bn. en bijw. *...REGTER, m. (-s), lid van een leenhof. *...RENTE, v. (-n). *...ROERIG, bn. van een leen afhangende. -HEID, v. gmv. *...SCHRIJVER, m. (-s), griffier van een leenhof. *...SPREUK, v. (-en), overdragtelijke uitdrukking. *...SPREUKIG, bn. en bijw. -LIJK, bijw. *...STELSEL, o. (oudt.) stelsel van het in leen geven van grondgebied. *...VERHEFFING, v. *...VROUW, v. (...en), adellijke vrouw die een leen heeft; echtgenoot van eenen leenheer. *...WEZEN, o. of *...ZAKEN, v. mv. zaken het leenstelsel betreffende.
[Leep]
Leep, bn. en bijw. (-er, -st), tranig (van oogen); (fig.) doortrapt, loos; (fig.) iem. - (overdwars) aanzien. § *-, v. van de -krijgen,
[p. 694]
klappen krijgen. *-ERD, m. (-s), sluw mensch, looze schalk. *-HEID, v. gmv. gebrek van leepoogen. -, (...heden), (fig.) loosheid, doortraptheid. *-OOG, o. (-en), tranig oog. -, m. en v. (-en), die leepe oogen heeft. *-OOGIG, bn. *-OOGIGHEID, v. gmv.
[Leêr]
Leêr, o. zie LEDER.
[Leer]
Leer, v. zie LADDER. *-, v. (B.m. en v.) gmv. regel van gedrag, les, leering; eene in woorden voorgedragen waarheid; onderrigting; stelsel (van godsdienst, van onderwijs enz.); onderwijs, godsdienst; dit zij u tot eene - (les); de - van Mozes, van Christus, van Mahomed; leerstelling; (fig.) in de - zijn, in eenig ambacht enz. onderwezen worden, besteed zijn op een ambacht. *-AAR, m. (-s, ...aren), onderwijzer, leermeester, docent; kerkleeraar. -STER, v. (-s). -SAMBT, o. gmv. -SSTOEL, m. (-en). *-AREN, bw. gel. (ik leeraarde, heb geleeraard), onderwijzen, onderrigten. *-ARES, v. (-sen), (w.g.) onderwijzeres. *-BEGEERTE, v. zucht naar kennis of wetenschap. *-BEGRIP, o. (-pen), grondbeginsel eener (inz. godsdienst-) leer. *-DICHT, o. (-en). *-DICHTER, m. (-s).
[Leeren]
Leeren, bn. gel. (ik leerde, heb geleerd), onderwijzen, aanwijzen; voordoen (om te laten navolgen); onderwijs geven (in); zich oefenen (in), zich bekend maken (met); iets dikwijls overlezen om het uit het hoofd (van buiten) te kunnen opzeggen; zich de gewoonte van iets eigen maken; (fig.) noodzaken, verpligten; dat zal ik u wel -, daartoe zal ik u dwingen; wat zal men den dief -? hoe zal men hem straffen? hij kan mij niets - (geen nadeel doen). *-, o. het leeren, onderwijs; studie.
[Leergast]
Leergast, m. (-en), jongen die een ambacht leert. *...GELD, o. wat betaald wordt voor het onderwijs; (fig.) hij heeft - betaald of gegeven, hij is door schade wijs geworden. *...GEZEL, m. (-len), zie LEERGAST. *... GIERIG, bn. en bijw. (-er, -st), gaarne willende leeren. -HEID, v. gmv. zucht om te leeren. *...GRAAG, bn. (...ager, -st).
[Leering]
Leering, v. (-en), het leeren; leer, les, onderrigting; tucht.
[Leerjaren]
Leerjaren, o. mv. tijd gedurende welken men een ambacht enz. leert; hij is nog in zijne -, hij gaat nog school. *...JONGEN, m. (-s), zie LEERGAST; (fig.) gij zijt nog maar een -, gij zijt nog onervaren. *...KIND, o. (-eren), scholier. *...KNAAP, m. (...apen). *...KNECHT, m. (-en). *...KUNST, v. didaktiek. *...LING, m. en v. (-en), die onderwijs krijgt; volgeling (van iemands leer of stelregelen), aanhanger. -SCHAP, o. *...LUST, m. gmv. lust om te leeren. *...MEESTER, m. (-s), -ES, v. (-sen), onderwijzer, -es. *...MEESTERSCHAP, o. *...MEISJE, (B. -N), o. (-s), meisje bij eene naaister enz. in de leer. *...OEFENING, v. (-en), studie. *...REDE, v. (-n, -en), preek, predikatie. *...REGEL, m. (-s), grond-, zet-, stelregel. *...RIJK, bn. (-er, -st), rijk in leering, van nuttigen inhoud, van nuttige strekking. *...SCHOOL, v. (...olen). *...SPREUK, v. (-en), zinrijke -, leerzame spreuk. *...STELLIG, bn. (-er, -st), dogmatisch. *...STELLING, v. (-en), grondbeginsel eener leer. *...STELSEL, o. (-s). *...STIJL, m. (-en). *...STOEL, m. (-en), hoogleeraarsbetrekking. *...STUK, o. (-ken). *...TIJD, m. gmv. zie LEERJAREN.
[p. 695]
[Leêrlooijen]
Leêrlooijen, (B. ...IEN), o. het bereiden der huiden tot leder. *...LOOIJER, (B. ...IER), m. (-s). *...LOOIJERIJ, (B. ...IERIJ), v. (-en), plaats waar leder bereid wordt. *...LOOISTER, v. (-s). *...TOUWEN, o. gmv. het bereiden van leder. *...TOUWER, m. (-s). *...TOUWERIJ, v. (-en).
[Leêrtje]
Leêrtje, (B. -N), o. (-s), stukje leder, riempje.
[Leertoon]
Leertoon, m. dogmatische toon. *...UUR, o. (...uren), tijd van onderwijs. *...WIJZE, v. (-n), stelsel van onderwijs. *...ZAAM, bn. en bijw. (...amer, -st), geschikt om te leeren, leergierig; nuttig, onderrigtend; naarstig, oplettend. -HEID, v. gmv. *...ZUCHT, v. zucht om te leeren. *...ZUCHTIG, bn. (-er, -st). -HEID, v. gmv.
[Leesbaar]
Leesbaar, bn. en bijw. (-der, B. ...arer, -st), gelezen kunnende worden. *...BEURT, v. (-en), ik heb dezen winter drie -en, ik moet driemaal als spreker optreden. *...BIBLIOTHEEK, v. (...eken), boek-verzameling waaruit boeken ter lezing verhuurd worden. *...BOEK, o. (-en). *...GEZELSCHAP, o. (-pen), gezelschap van personen die zich vereenigen om boeken enz. te lezen, (ook) waar voorlezingen gehouden worden. *...KABINET, o. (-ten). *...KAMER, v. (-s), *...MUSEUM, o. (...ea), *...PLAATS, v. (-en), plaats van bijeenkomst om te lezen. *...KUNST, v. kunst van voordragen. *...LES, v. (-sen). *...LESSENAAR, m. (-s), lezenaar (om er het boek op te leggen). *...LUST, m. gmv. *...SCHOOL, v. (...olen).
[Leest]
Leest, v. (-en), gestalte, vorm (des ligchaams); vorm (van schoenen, kousen enz.); (schoenm.) op de - slaan, zetten; (fig.) het lijf op de - zetten, onmatig eten; (fig.) lieden van ééne -, van ééne klasse, die elkander verstaan, die van dezelfde meening zijn; zich op eene fraaije - vormen, goede voorbeelden volgen; zij schoeijen op ééne -, zij komen wel overeen; op eene, andere - schoeijen, anders inrigten; (spr.) schoenmaker houd u (of blijf bij uwe) -, bemoei u met uwe eigene zaken; oordeel niet over dingen die gij niet verstaat. *-ENMAKER, m. (-s). *-ENMAAKSTER, v. (-s).
[Leesteeken]
Leesteeken, o. (-s), teeken dat men bij het lezen in acht neemt (b.v. komma, punt enz.). *...TIJD, m., *...UUR, o. (...uren), tijd -, uur bestemd tot lezen. *...TOON, m. (-en), toon waarop men leest, wijze van voordragt. *...WIJS, *...WIJZE, v. (-n).
[Leeuw]
Leeuw, m. (-en), viervoetig roofdier; (sterr.) vijfde teeken van den dierenriem ( ); (fig.) er uitzien als een -, er verschrikkelijk uitzien; in den gouden -, (uithangbord); (wap.) gaande -, die het hoofd vooruitsteekt en de oogen en ooren laat zien; groene -, de kwik der wijsgeeren (bij de alchemisten); groote -, kleine -, (sterrebeelden); orde van den Nederlandschen -, ridderorde; orde van den Gouden -, keurhessische ridderorde; orde van den - van Nassau; orde van den - van Zähringen, badensche ridderorde; orde van de Zon en den -, perzische ridderorde; (fig.) hij is een -, hij heeft den moed van eenen leeuw. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als een leeuw, op -, naar eenen leeuw gelijkende.
[Leeuwenbek]
Leeuwenbek, m. gmv. zek. plant. *...BLAD, o. gmv. zek. plant. *...DAALDER, m. (-s), (eert.) holl. zilveren muntstuk (= ƒ2.10). *...DALERS, m. mv. legendische naam van een landspel van Vondel.
[p. 696]
*...HART, o. (-en), hart van eenen leeuw; (fig.) buitengemeene moed; toenaam van koning Richard van Engeland. *...HOL, o. (-en), onderaardsch verblijf der leeuwen. *...HUID, v. (-en), huid van eenen leeuw; (fig.) den - aantrekken, den schijn van dapperheid aannemen. *...JONG, o. (-en), jonge leeuw, welp. *...KLAAUW, m. (-en). *...KOP, m. (-pen). *...KRACHT, v. gmv. *...KUIL, m. (-en), zie LEEUWENHOL. *...MANEN, v. mv. lange haren om den nek van eenen leeuw. *...MOED, m. gmv. *...MUIL, m. (-en), bek van eenen leeuw. *...ORDE, v. zek. ridderorde (zie hierboven). *...RIDDER, m. (-s), ridder der Leeuwenorde. *...STAART, m. (-en), staart van den leeuw. -, gmv. zek. plant. *...TAND, m. (-en), tand van den leeuw. -, gmv. zek. plant. *...VOET, m. (-en), poot van den leeuw. -, gmv. zek. plant. *...WELP, o. (-en), leeuwenjong.
[Leeuwerik, Leeuwrik]
Leeuwerik, Leeuwrik, m. (-ken), zek. zingvogel. *-SJAGT, v. *-SKOOI, v. (-jen, B. -en). *-SNEST, o. (-en). *-SNET, o. (-ten), net om leeuwerikken te vangen. *-SSNAVEL, m. (-s). *-SVANGST, v. gmv. *-SZANG, m. gmv.
[Leeuwers]
Leeuwers, m. mv., *-OOGEN, o. mv., LEUVERS, m. mv. (zeew.) gaten in de lijken der zeilen.
[Leeuwin]
Leeuwin, v. (-nen), wijfje van den leeuw.
[Leeuwtje]
Leeuwtje, (B. -N), o. (-s), jonge -, kleine leeuw.
[Leewater]
Leewater, o. gmv. (gen.) water in de gewrichten (zek. ziekte).
[Leg]
Leg, m. gmv. het leggen der vogelen. § *-, v. (-gen), *-GE, v. (-n), eijerstok (van hoenders, eenden en ganzen). -, (landb.) laag schoven.
[† Lega]
† Lega, v. verbond, verbindtenis.
[† Legaal]
† Legaal, bn. (...ler, -st), wettig, wettelijk, regtmatig.
[† Legaat]
† Legaat, m. (...aten), gezant -, afgevaardigde van den paus. *-, o. erfmaking, schenking bij uitersten wil.
[† Legaliseren]
† Legaliseren, bw. gel. (ik legaliseerde, heb gelegaliseerd), wettigen; geldig in regten verklaren; eene handteekening -, verklaren dat zij door den persoon zelven geschreven is. *...LITEIT, v. gmv. wettelijkheid. *...TARIS, m. (-sen), aan wien door eenen erflater een legaat vermaakt is. *...TEREN, bw. gel. (ik legateerde, heb gelegateerd), bij uitersten wil vermaken, - toekennen, - schenken. *...TOR, m. (-en), erflater.
[Legbord]
Legbord, o. (-en), *...BRED, o. (-den), (pap.) plank waarop de bladen gelegd worden. *...DAGEN, (beter LIGDAGEN), m. mv. tijd gedurende welken vaartuigen aan den wal liggen.
[† Legende]
† Legende, v. (-n), levensbeschrijving van eenen heilige; (ook) vele zulke levensbeschrijvingen te zamen; verhaal uit den alouden tijd; nationale overlevering; omschrift (van een muntstuk, van eenen gedenkpenning). *-NSCHRIJVER, m. (-s), vervaardiger -, zamensteller van legenden.
[Leger]
Leger, o. (-s), liggende toestand van iem.; ik had een - van vijf weken, ik lag vijf weken te bed; plaats waar men ligt (inz. van dieren), b.v. het - van eenen wolf, haas enz.; plaats waar eene menigte krijgsvolk eenigen tijd in de open lucht onder tenten doorbrengt,
[p. 697]
kamp; het - opbreken; groote menigte krijgsvolk voorzien van al het noodige om te strijden, heer, (B. heir), armee; een - op de been brengen; een - in slagorde scharen; vliegend -, camp volant; (fig.) groote menigte. *-BAAR, bn. geschikt om er te legeren. *-BED, o. (-den), of *-STOEL, m. (-en), veldbed, legerstede (die uit elkander genomen en zoo vervoerd kan worden). *-BERIGT, o. (-en), mededeeling betreffende de verrigtingen van een leger. *-BESCHRIJVING, v. (-en). *-BEZORGER, m. (-s), proviandmeester. *-BIJL, v. (-en), soort strijdbijl. *-BODE, m. (-n), koerier. *-BOEF, m. (...ven), trosjongen. *-BROOD, o. kommies-, soldatenbrood. *-DIEF, m. (...ven), eijerdief. *-EN, bw. ow. gel. (ik legerde, heb of ben gelegerd), eene plaats verschaffen of aanwijzen om te liggen; zijn leger (ergens) hebben; opslaan. ZICH -, ww. *-HOER, v. (-en), ontuchtig vrouwspersoon dat een ]eger volgt. *-HOOFD, o. (-en), bevelhebber, generaal. *-HUT, v. (-ten), veldtent. *-IG, bn. bedlegerig. *-ING, v. gmv. het legeren; het gelegerd zijn (van krijgsvolk). *-JONGEN, m. (-s). *-KAR, v. (-ren), voertuig behoorende tot den tros eens legers. *-KNECHT, m. (-en). *-KOST, m. gmv. soldatenspijs. *-KUNDIGE, m. † tacticus, strategicus. *-KUNST, v. gmv. kunst om een leger (kamp) op te slaan, - om een leger in slagorde te stellen of het te bevelen. *-KWARTIER, o. (-en), legerplaats. *-LASTEN, m. mv. kosten van onderhoud eens legers. *-MAGT, v. (-en), talrijk leger. *-METER, m. (-s), die een kamp afbakent, kwartiermeester. *-METING, v. gmv. *-PLAATS, v. (-en), kamp, kwartier. *-SCHAREN, v. mv. zie HEIRSCHAREN. *-STEDE, v. (-n), bed, ligplaats. *-TENT, v. (-en). *-TOGT, m. het optrekken van een leger. *-TROS, m. gmv. alle voorwerpen die tot een leger behooren, bagaadje enz., trein. *-TUCHT, v. gmv. krijgstucht. *-TUIG, o. gmv. oorlogswerktuigen; geschut. *-WACHT, v. (-en). *-WAGEN, m. (-s), zie LEGERKAR. *-ZIEKTE, v. (-n), besmettelijke ziekte in een leger.
[Legéren]
Legéren, bw. gel. (ik legeerde, heb gelegeerd), zie LEGATEREN; metalen door smelting met elk. verbinden. *...GÉRING, v. (-en), zulk eene verbinding, alliage.
[† Leges]
† Leges, mv. bepaalde vergoeding voor zek. werkzaamheden; kopij-, expeditiegeld; secretarie-.
[Legge]
Legge, v. zie LEG. *-BORD, o. zie LEGBORD.
[Leggeld]
Leggeld, o. (-en), (beter LIGGELDEN), belasting geheven voor schepen die aan wal liggen.
[Leggen]
Leggen, bw. gel. en ong. (ik legde of leide, heb gelegd of geleid), doen liggen, plaatsen, neêrleggen; uitbroeden (eijeren); een kind te bed -; zich -, zich naar bed begeven; de wind legt zich, de wind bedaart, (ook) wordt gunstig; strikken - (spannen); bezetting in eene stad -, krijgsvolk in eene stad legeren; (fig.) de hand aan iets -, iets ondernemen, - aanvangen; in den weg -, belemmeren, tegenwerken; de stad in asch - (geheel verbranden); in de loterij - (spelen); de kaarten -, uit de kaarten de toekomst voorspellen; de hand op den mond -, zwijgen, doen zwijgen; de kiel van een schip -, aanvangen het te bouwen; (zeew.) aan den wind -, met de zeilen
[p. 698]
voor of op den wind -, op zij -, voor tij -, voor vloed -. *-, ow. (pap.) de vellen van de vilten nemen en op elk. leggen. *-, o. het eijerleggen. *...GER, m. (-s), die legt; onderste molensteen; (boekdr.) blad papier op het tympaan; (timm.) steekbalk; plank om van een schip op den wal en terug te komen; waterrad; (fig.) lang gelegen winkelgoed. -, m. (B.v.) vaartuig; -, of onder-, platbodemd vaartuig onder schepen die gekalefaat worden. *...GERS, m. mv. (zeew.) buikstukken; slikhouten (eener brug). *...GING, v. het leggen.
[Leghen]
Leghen, v. (-nen), leggende hen; (fig.) § vrouw die zeer vele kinderen baart. *...HOND, m. (-en), staande hond.
[† Legio]
† Legio, o. zeer groote menigte.
[Legioen]
Legioen, o. (-en), keurbende, legerafdeeling; (fig.) zeer groote menigte; het - van eer, fransche ridderorde.
[† Legislatuur]
† Legislatuur, v. wetgevende magt. *...GIST, m. (-en), wetkundige, wetgeleerde.
[† Legitiem]
† Legitiem, bn. wettelijk, wettig; echt, echt geboren; de -e portie, het regtmatig erfdeel. *...TIMATIE, v. echtverklaring; erkenning eener volmagt. *...TIMEREN, bw. gel. wettigen, voor echt verklaren. *...TIMISTEN, m. mv. zek. staatspartij (aanhangers der leer dat de vorstelijke waardigheid een erfelijk regt is onafhankelijk van 's volks wil); in Frankrijk de aanhangers van den ouderen tak der Bourbons. *...TIMITEIT, v. wettigheid; geboorte uit een wettig huwelijk.
[Legkaart]
Legkaart, v. (-en), kaart of afbeelding in stukjes gesneden om ze weder tot een geheel zamen te voegen (kinderuitspanning). *...KOFFIJ, v. gmv. koffij die in Oost-Indië vóór de verzending eenigen tijd in pakhuizen opgeslagen blijft. *...PENNING, m. (-en), penning (bij het spel). *...PLAATS, v. zie LIGPLAATS. *...STOEL, m. (-en), (pap.) zek. gereedschap. *...STROO, o. (vestingb.). *...WERK, o. gmv. (tuin.) figuren door graszoden gevormd.
[Lei]
Lei, o. zek. blaauwachtige steensoort, schalie. *-, v. (-jen, B. -en), leijen platen tot dakbedekking of tot schrijfgereedschap; met eene griffel op de - schrijven; (fig.) iets op de - schrijven of zetten, er nog niet op rekenen; eene goede - bij iem. hebben, weinig of niets schuldig zijn; (ook) kosteloos kost en inwoning bij iem. hebben; zoo blaauw als eene - zijn, dronken zijn. *-BAND, *-DBAND, m. (-en), band waaraan een kind leert loopen; (fig.) hij loopt aan den -, hij laat zich door anderen leiden. *-DAK, o. (-en), dak van leijen. *-DEKKER, m. (-s), die daken met leijen dekt.
[Leiden]
Leiden, bw. gel. (ik leidde, heb geleid), de rigting der beweging van (iets of iem.) bestemmen, doen gaan; eenen blinde -; een kind bij de hand -; het water ergens heen -; vergezellen; tot gids dienen; rondvoeren; besturen, beheeren; (fig.) om den tuin -, foppen, misleiden, bedriegen. *-, ow. deze weg leidt (loopt, heeft de rigting) naar Amsterdam. *...DER, m. (-s), geleider; bestuurder; de -s (aanvoerders, bewerkers) van den opstand. -, LEIJER, m. (zeew.) zek. touwwerk; (ook) leuning. *...DING, v. het leiden; bestuur; beheer, toezigt; hem is de - dezer zaak toevertrouwd; (zeew.) de - van een touw.
[p. 699]
[Leidenaar]
Leidenaar, m. (...aren), inwoner der stad Leiden.
[Leidsche flesch]
Leidsche flesch, v. (nat.) werktuig tot ophooping van electriciteit, (aldus geheeten naar de stad Leiden, waar het werd uitgevonden).
[Leidsels]
Leidsels, o. mv. lange lederen riemen (of touwen) waarmede de voerman de paarden ment.
[Leidsman]
Leidsman, m. (-nen, ...lieden), gids, geleider. *...VROUW, v. (-en), LEIDSTER, v. (-s), geleidster.
[Leidstar]
Leidstar, *...STER, v. (-ren), poolster; (fig.) gids, baak.
[Leigroeve]
Leigroeve, v. (-n), groeve waarin lei gevonden wordt, schalieberg.
[Leijen]
Leijen, (B. LEIEN), bn. van lei, een - dak; (fig.) het is alsof het van een - dakje loopt, hij spreekt zeer vlot; (ook) dit gaat zeer gemakkelijk. *...JONKER, m. (-s), geleider eener dame; bruidsleider. *...KLEURIG, bn. *...REEP, m. (...epen), leidsel; gedeelte van een paardentoom.
[Leis]
Leis, v. (-en), *-T, v. (-en), *-EL, o. (-s), koppel -, riem voor jagershonden enz.; koppelsnoer.
[Leisteen]
Leisteen, m. (-en). *...ZEEL, o. zie LEIREEP.
[Lek]
Lek, bn. en bijw. niet digt, niet waterdigt; dit schip is -, - zijn, een lek hebben; - zijn of gaan, zijn water niet kunnende houden (zek. ziekte). *-, o. (B.m. en o.), opening waardoor water heendringt. *-BIER, o. bier dat uit een lek vat in een ander vaatwerk druipt. *-DOEK, m. (-en), soort filtreer, doorzijgdoek. *-GAT, o. (-en), opening waardoor vocht afloopt.
[Leken]
Leken, ow. gel. (ik leekte, heb geleekt), bij droppels neêrvallen, afdroppelen.
[Lekhonig]
Lekhonig, m. gmv. gepijnde honig, (tegenstelling van: geperste honig).
[Lekkaadje]
Lekkaadje, *...KAGIE, v. wat door een lek verloren gaat; zie ook LEK.
[Lekken]
Lekken, ow. gel. (ik [het] lekte, heb [het heeft] gelekt), een lek hebben, niet digt zijn, druipen door een lekgat; wegvloeijen; de wijn is uit het vat gelekt. *-, bw. zie LIKKEN.
[Lekker]
Lekker, bn. en bijw. (-der, -st), *-LIJK, bijw. aangenaam van smaak, smakelijk; aangenaam van reuk; behagelijk, genoegelijk. *-, m. (-s), saletjonker; stoute jongen, guit. *-BEK, m. en v. (-ken), die van lekkeren kost houdt. *-BEKKEN, bw. gel. (ik lekkerbekte, heb gelekkerbekt), lekker eten, smullen. *-BEKKIG, bn. op lekker eten gesteld. *-BEKKIGHEID, v. snoeplust. *-HEID, v. aangenaamheid van smaak of reuk. *-MOND, m. (-en), zie LEKKERBEK. *-NIJ, v. (-en), iets lekkers, snoepgoed. *-TANDEN, ow. gel. zie LEKKERBEKKEN. *-TONG, v. zie LEKKERBEK. -EN, bw. zie LEKKERBEKKEN.
[Lekking]
Lekking, v. het lekken, lek; lekkaadje; drop, afwatering.
[Leksteen]
Leksteen, m. (-en), zekere dropsteen. *...TON, v. (-nen), *...VAT, o. (-en), ton of vat waarin water, wijn enz. neêrdropt of vloeit. *...WATER, o. afgedruppeld water. *...WIJN, m. wijn die uit de ongeperste druiven lekt; wijn die uit een vat lekt en daardoor verschaald is; kruidenwijn die door eenen zak gelekt is, hypocras. *...ZAK, m. (-ken), zak waardoor men iets laat lekken, filtreerdoek, zijglap.
[p. 700]
[Lel]
Lel, v. (-len), (ontl.) bewegelijk velletje; oor-; keel-(of huig); onderkam van eenen haan; § ontuchtig vrouwspersoon.
[Lelie]
Lelie, v. (...ën), zekere bloem; - der dalen, zek. bloem; de leliën van Frankrijk, wapenschild met drie gouden leliën (van de Bourbons); (fig.) blanke -, witte kleur. *-ACHTIG, bn. als eene lelie; de -en, soort bolgewassen (lelie, hyacinth, tulp enz.). *-AFFODIL, v. (-len), gele lelie (bloem). *-BLAD, o. (-eren). *-BLANK, bn. zoo wit als eene lelie; een -e hals. *-BLOEM, v. (-en). *-BOL, m. (-len). *-HIACINTH, v. (-en), zek. bloem. *-NARCIS, v. (-sen), zek. bloem. *-OLIE, v. olie uit de leliën getrokken. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine lelie. *-TORRETJE, o. (B. -N), o. (-s), zek. insekt. *-VELD, o. (-en), plek met leliën beplant. *-WIT, bn.
[Lelklieren]
Lelklieren, v. mv. (ontl.). *...LEN, ow. gel. (ik lelde, heb geleld), tot vervelens toe hetzelfde herhalen; hij lag mij aan het oor te -. *...LER, m. (-s), *...STER, v. (-s), vervelende babbelaar, -ster. *...LIG, bn. vliesachtig, met huidjes of vliesjes bezet. *...LING, v. het lellen, gelel.
[† Lemma]
† Lemma, v. voorloopige stelling.
[Lemmen]
Lemmen, ow. gel. (ik lemde, heb gelemd), vleijend spreken, honig om den mond smeren. *...MING, v. het lemmen. -, m. (-s), noordsche trekmuis (knaagdier).
[Lemmer]
Lemmer, o. (-s), blanke -, bloote kling; mes zonder hecht. *...MET, o. (-ten), kaarsepit, lampenpit; zie ook LEMMER.
[Lemte]
Lemte, v. gmv. lamheid.
[Lende]
Lende, v. (meestal mv. LENDEN), (ontl.) weeke deel der zijde (boven de heup).
[Lendenader]
Lendenader, v. (-s), (ontl.) bloedader. *...BREUK, v. *...DARM, m. *...JICHT, v. *...KLIER, v. (-en). *...KNOOPEN, m. mv. (ontl.) *...KUSSEN, o. (-s), (bij zieken in gebruik). *...LAM, bn. *...LOOS, bn. *...PIJN, v. (-en). *...SLAGADER, v. (ontl.). *...SPIER, v. (-en), (ontl.). *...STUK, o. (-ken), (bij slagers). *...WERVEL, m. (-s), (ontl.). *...ZENUWEN, v. mv. (ontl.).
[Lenen]
Lenen, ow. gel. zie LEUNEN.
[Leng]
Leng, v. (B.m.), (-en), soort kabeljaauw, zek. visch; (zeew.) zek. touw. *-EN, bw. ow. gel. (ik lengde, heb of ben gelengd), langer maken, uitrekken; (ook) aanlengen, dunner maken; langer worden; de dagen beginnen reeds te -. -, o. bij het - der dagen. *-ING, v. het verlengen.
[Lengte]
Lengte, v. (-n), uitgestrektheid (in onderscheiding van breedte en dikte); grootte, gestalte (van mensch, dier, plant, gewas enz.); duur, ruimte (van tijd); afstand (van eenen weg); (aardr.) afstand eener plaats tot den eersten meridiaan); ooster-, wester-; hij lag in zijne volle - (met zijn geheel ligchaam) op den grond. *-CIRKELS, m. mv. (aardr.) meridianen. *-MAAT, v. (...aten), maat om de lengte te meten. *-METING, v. (aardr.) het meten van den afstand eener plaats van den eersten meridiaan. *-TOUW, o. (-en), hijschtouw.
[Lenig]
Lenig, bn. en bijw. (-er, -st), rekbaar, uit te strekken in de lengte; smeedbaar, zacht; buigzaam (van metalen, riet enz.); (fig.) - van aard, zachtzinnig. *-EN, bw. gel. (ik lenigde, heb gelenigd),
[p. 701]
zacht maken; (fig.) verzachten, verligten (pijn, smart, nood). *-HEID, v. gmv. buigzaamheid, weekheid; gedweeheid. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), verzachter, verzachtster, (altijd fig.). *-ING, v. gmv.
[Lening]
Lening, v. zie LEUNING.
[Lens]
Lens, bn. ledig; de flesch is -; (zeew.) de pomp is -. *-, v. (-en), soort harpoen (van de walvischvangers); (rijt.) pen, spee (van de wagenas); zek. doorzigtig ligchaam; (ontl.) - in het oog, kristallens. *-EN, bw. gel. (ik lenste, heb gelenst), met eene lens doorsteken.
[Lente]
Lente, v. het eerste der vier jaargetijden, voorjaar; (fig.) jeugd, jongelingschap; de - des levens. *-BLOEM, v. (-en), bloem die in de lente groeit; (fig.) jongman, jonge dochter. *-DAG, m. (-en), (fig.) in onze -en, in onze jeugdige jaren. *-DAUW, m. gmv. *-FEEST, o. (-en). *-KLOKJE, (B. -N), o. (-s), bloem. *-KOORTS, v. (-en), voorjaarskoorts. *-LIED, o. (-eren). *-LUCHT, v. gmv. *-MAAND, v. de derde maand van het jaar, Maart. *-MORGEN, m. *-NACHTEVENING, v. tijd wanneer de dagen en nachten even lang zijn. *-PUNT, o. (sterr.). *-REGEN, m. gmv. *-ROOS, v. (...ozen). *-TIJD, m. gmv. *-VERMAAK, o. (...aken). *-VREUGDE, v. gmv. *-WEDER, o. gmv. *-WIND, m. (-en), zachte wind. *-ZANG, m. (-en). *-ZON, v. gmv.
[† Lenticellen]
† Lenticellen, v. mv. (ontl.) oogwratjes. *...CULAIR, bn. lensvormig, linsvormig.
[Lenzen]
Lenzen, bw. gel. (ik lensde, heb gelensd), ledig maken; den regenbak -, de kan -. *-, ow. (zeew.) met een fokje zeilen. *...ZING, v. het ledig maken.
[Leopoldsorde]
Leopoldsorde, v. oostenrijksche en belgische ridderorde.
[§ Lep]
§ Lep, m. (-pen), schop (met den voet).
[Lepel]
Lepel, m. (-s), tafel-, keukengereedschap enz.; laadlepel (der kanonniers); (jag.) lepels, hazenooren. *-AAR, m. (-s), zek. vogel. *-BLAD, o. (-en), blad van den lepel. -, o. gmv. zek. plant. *-KOST, m. gmv. of *-SPIJS, v. (...zen), voedsel dat met eenen lepel genuttigd wordt. *-KRUID, o. gmv. zek. plant. *-STEEL, m. (...elen), steel van den lepel; (fig.) iemands goed tot den laatsten - verkoopen, alles verkoopen wat iem. bezit. *-STOK, m. (-ken), steel van den laadlepel. *-VOL, m. zoo veel als een lepel bevatten kan. *-VORMIG, bn. *-ZUCHT, v. (fig.) gebrek aan voedsel.
[Leppen]
Leppen, bw. gel. (ik lepte, heb gelept), met teugjes drinken; § iem. -, iem. met eenen schop vooruitduwen. *...PER, m. (-s). *...PING, v. gmv. *...PEREN, bw. gel. zie LEPPEN. *...PERING, v. gmv.
[† Lepra]
† Lepra, v. melaatschheid (zek. huidziekte). *...PROOS, bn. melaatsch. -DIJ, -HEID, v. melaatschheid. *...PROOSHUIS, *...PROZENHUIS, o. (...zen), hospitaal voor de melaatschen.
[Lerp]
Lerp, v. *-EN, bw. gel. zie LARP, LARPEN; zie ook LAAP.
[Lers]
Lers, v. (-en), (eert.) zek. maat.
[Les]
Les, v. (-sen), wat men lezende van buiten leert om het op te zeggen; onderwijs; leering, voorschrift; raadgeving, waarschuwing; iem. de -, duchtig de - lezen, scherp berispen. *-BOEK, *-SENBOEK, o. (-en).
[p. 702]
[Leschbak]
Leschbak, m. (-ken), (smed.) koelbak. *...DRANK, m. (-en), verkoelend geneesmiddel. *...GEREEDSCHAP, o. (-pen), bluschgereedschap. *...TROG, m. (-gen), zie LESCHBAK. *...WATER, o. (smed.) water waarin het gloeijend ijzer wordt gestoken.
[† Lèse Majesté]
† Lèse Majesté, gekwetste majesteit, hoogverraad, majesteitschennis.
[Lesgeven]
Lesgeven, o. het geven van huisonderwijs. *...GEVER, m. (-s), huisonderwijzer. *...GEEFSTER, v. (-s), huisonderwijzeres. *...KAARTJE, (B. -N), o. kaartje ten blijke dat eene les gegeven is.
[Lesschen]
Lesschen, bw. gel. (ik leschte, heb gelescht), blusschen; stillen (dorst); (fig.) zijne roemzucht is met te -. *...ING, v. gmv.
[Lessenaar]
Lessenaar, m. (-s), schuin blad (van hout) waarvan men zich bij het schrijven bedient; kast met verscheidene kleine vakken en laden tot berging van papieren enz.; gereedschap waarop bij het zingen of bij het maken van muziek het muziekblad ligt; (r.k.) schuin blad waarop in de kerk het misboek ligt.
[Lest]
Lest, bijw. (w.g.) laatst, onlangs.
[† Letaal]
† Letaal, bn. doodelijk. *...TALITEIT, v. gmv. doodelijkheid.
[† Lethargie]
† Lethargie, v. gmv. slaapzucht; (fig.) zorgeloosheid, ongevoeligheid.
[† Lethe]
† Lethe, v. (fig.) vergetelheid; uit de -bron drinken, nietsonthouden.
[Letsel]
Letsel, o. (-s), belet, verhindering, oponthoud; nadeel, schade; ongemak.
[Letten]
Letten, bw. gel. (ik lette, heb gelet), beletten, verhinderen; wat let mij of....! *-, deren, nadeel toebrengen. *-, ow. let er op, geef er acht op. *-, m. mv. oorspronkelijke bewoners van Lijfland. *-KOLEN, v. mv. zek. delfstof.
[Letter]
Letter, v. (-s, -en), figuur van het alfabet; schrijf-, druk-, merk-; groote -, kleine -, middelsoort -; hoofd- of kapitale -; (letterz.) romein-, cursijf-, onderkast-, vette -, gefigureerde -; naar de -, stipt, juist zoo als het geschreven staat; letters, zek. gebak. *-EN, v. mv. geleerdheid; letterkunde, hij studeert in de -, de faculteit der - (aan hoogescholen); hij is een man van - (die veel weet); hij heeft veel - gegeten, hij heeft veel gelezen en veel gestudeerd; (fig.) brief, ik heb uwe - wel ontvangen. *-ARBEID, m. pennevrucht. § *-BAAS, m. (...azen), geleerd |