M.[M]M, de 13e letter van het alfabet; als romeinsch getalmerk 1000; M., mijnheer, monsieur; M., magister, meester; M.A. of Man. Auct., manu auctoris, door de hand des schrijvers; M.A.L., magister artium liberalium, meester in de vrije kunsten; m.c., mio conto, mijne
rekening; M.D. of Med. D., medicinae doctor, doctor in de geneeskunde; Made. Mme., madame, mevrouw; Me., maître, meester; M', Mc., mac, zoon, (ook) hoofd (van een geslacht); Mej., mejufvrouw; Mevr., mevrouw; Mgr., monseigneur, titel van eenen bisschop of aartsbisschop; Mlle., mademoiselle, mejufvrouw, jongejufvrouw; m.m., mutadis mutandis, met de noodige veranderingen; Mr., meester; (ook) mijnheer, monsieur, master; Mrs. of MM., messieurs, mijne heeren; (ook) mistress, mevrouw, meesteres, gebiedster; MS., manuscript, handschrift; MSS., handschriften; m.m., memento mori, gedenk te sterven; m.m.p., manu mea propria, met mijne eigene hand; m.d.s., (op recepten) misce, detur, signatur, meng, geef en teeken het; M.P., member of Parliament, lid van het (engelsche) parlement. [Ma]Ma, v. (verkort voor mama), moeder. [Maag]Maag, v. (magen), inwendig deel van het dierlijk ligchaam (bestemd om het voedsel te verteren). *-, m. en v. bloedverwant; hij heeft vriend noch -. *-ADER, v. (ontl.). *-BALSEM, m., *-BITTER, o. maagversterkend middel. *-BREUK, v. (-en), (gen.). [Maagd]Maagd, v. (-en), ongehuwde vrouw; rein meisje; dienstbode; (r.k.) de heilige -, de - Maria, moeder Gods; de - van Orleans, Jeanne d'Arc; (fig.) zijn degen is nog - (nog niet gebruikt). *-, zesde teeken van den dierenriem, ( [Maagdarm]Maagdarm, m. (-en), (ontl.) slokdarm. [Maagdeberg]Maagdeberg, m. (-en), (ontl.) Venusberg. *...BLOEM, v. gmv. maagdom, ongeschonden toestand eener vrouw. *...LIJK, bn. van eene maagd; -e schaamte. [Maagdenblos]Maagdenblos, m. gmv. blos der kuischheid. *...BURGER-HALVE-BOLLEN, m. mv. (nat.) werktuig om de drukking der lucht aan te toonen. *...HART, o. (-en), kuisch gemoed. *...HONIG, m. gmv. eerste honig. *...KWIK, o. gmv. kwikzilver in gedegen toestand. *...MELK, v. gmv. (scheik.) eerste melk. *...PALM, m. zekere plant. *...PEER, v. (...eren), soort peer. *...REI, v. (-jen, B. -en), rei-, koor van maagden (in een tooneelspel enz.). *...ROOF, m. gmv. schaking van meisjes; (rom. gesch.) de sabijnsche -. *...ROOS, v. (...ozen), zek. bloem. *...SCHAAR, v. (...aren), zie MAAGDENREI. *...SCHENDER, m. (-s), die een meisje onteert. *...SCHENDING, v. (-en). *...SCHENNIS, v. gmv. *...STAAT, m. gmv. maagdom. *...STOET, m. gmv. zie MAAGDENREI. *...VLIES, o. (...zen), (ontl.). *...WAS, o. mv. eerste was. *...ZWIER, m. gmv. sierlijke gang of houding van meisjes. [Maagdom]Maagdom, (eig. MAAGDDOM), m. gmv. maagdelijke-, ongerepte toestand; (ontl.) vlies van het vrouwelijk schaamdeel. [Maaghoest]Maaghoest, m. gmv. (gen.) zek. hoest. *...KLIER, v. (-en), (ontl.) alvleesch. *...KOEKJE, (B. -N), o. (-s), maagversterkend middel. *...KOLIJK, *...KOLIEK, o. (-en), zek. ongesteldheid. *...KOORTS, v. (-en), (gen.). *...KRAMP, m. (-en), (gen.). *...MIDDEL, o. (-en), maagversterkend middel. *...ONTSTEKING, v. (-en), (gen.). *...PIJN, v. (-en). *...PIL, v. (-len). *...PLEISTER, v. (-s). *...POEDER, *...POEIJER, o. (-s). *...SAP, o. gmv. (ontl.) het sap waardoor de oplossing der spijzen bewerkt wordt, chijl. [Maagschap]Maagschap, v. gmv. bloed-, aanverwanten, familiebetrekkingen. *-, o. bloedverwantschap. *...SCHEIDING, v. (-en), het verdeelen eener erfenis; boedelrol. *...TAAL, v. lijst der bloed- en aanverwanten. [Maagspanning]Maagspanning, v. (-en), (gen.) zek. ongesteldheid. *...VERSTERKEND, bn. (-er, -st). *...VERSTERKING, v. (-en). *...WATER, o. gmv. ...WIJN, m. (-en). *...ZENUWEN, v. mv. (ontl.). *...ZIEKTE, v. (-n). *...ZUUR, o. (gen.) [Maagzoen]Maagzoen, m. gmv. verzoening van bloedverwanten. [Maai]Maai, v. (-jen, B. -en), made, worm. *-JEN, (B. *-EN), bw. gel. (ik maaide, heb gemaaid), met eene zeis afsnijden (gras enz.); (fig.) oogsten; (fig.) wegrukken; (spr.) men moet zaaijen wil men -, zonder arbeid krijgt men niets; zoo gezaaid wordt zal gemaaid worden, men zal loon naar werk ontvangen; wie wind zaait zal onweêr -, wie kwaad doet, kwaad ontmoet. -, ow. zie MAAIVOETEN. *-JER, m. (-s), die den oogst afsnijdt; (ook) het werktuig daartoe. *-JIG, bn. (-er, -st), wormstekig. *-JING, v. het maaijen. *-LAND, o. (-en), veld dat gemaaid moet worden of wordt. *-LOON, o. en m. *-TIJD, m. hooitijd. *-VOET, m. (-en), naar buiten gekeerde voet. -, m. en v. die met naar buiten gekeerde voeten loopt. *-VOETEN, ow. gel. (ik maaivoette, heb gemaaivoet), op zulk eene wijze loopen, de voeten buitenwaarts keeren; onder het loopen maaijen. [Maak]Maak, v. (B.m.) gmv. het maken; in de - zijn, onder handen zijn. *-LOON, m. en o. (-en), loon voor het maken van iets. *-SEL, o. (-s), werk, gewrocht, voortbrengsel van handenarbeid enz.; fatsoen, vorm; wijze van maken, dit horologie is van engelsch -; (fig.) hij is een wonderlijk -, hij heeft een vreemden ligchaamshouw. *-STER, v. (-s), zij die maakt, handwerkster. [Maal]Maal, v. en o. (malen), keer, reis; hoeveel - of malen? voor dit - nog en dan niet meer. *-, o. zie MAALTIJD. *-, v. (B.m.). mail, koffer, reiszak, valies; brievenzak (bij de posterij). *-, bijw. 2 maal 2 is vier; (aangeduid door het teeken [Maan]Maan, v. (manen), lange halsharen van sommige dieren. *-, v. gmv. een hemellicht, de planeet die de aarde verzelt; (aangeduid door het teeken halve -, het Turksche rijk. *-, v. (manen), bijplaneet, satelliet; (meetk.) zek. halvemaanvormige figuur; (vest.) zek. vestingwerk. *-BERG, m. (-en), berg die, naar men beweert, zich op de maan bevindt. *-BESCHRIJVER, m. (-s). *-BESCHRIJVING, v. (-en). *-BEWONERS, m. mv. *-BLIND, bn. lunatiek. *-BRIEF, m. (...ven), brief houdende aanmaning ter betaling eener schuld of tot het nakomen eener verbindtenis of belofte enz. *-CIRKEL, m. (-s), guldengetal; (zie dit woord). [Maand]Maand, v. (-en), het twaalfde gedeelte van een jaar, tijdsverloop van 30 of 31 dagen. [Maandag]Maandag, m. (-en), tweede dag der week; des -s, 's -s, op Maandag; (fig.) een blaauwe -, zeer zeldzaam of nooit; - houden, op Maandag niet werken. [Maandbloeijers]Maandbloeijers, m. mv. soort aardbeziën. *...BRIEF, m. (...ven), *...CEÊL, v. (-en), bewijs van aanmonstering van eenen matroos. *...DUIF, v. (...ven), duif die elke maand eijeren legt. [Maandelijks]Maandelijks, bw. alle maanden, elke maand; ik betaal - twaalf gulden. *-CH, bn. om de maand; -e rekening; -e bezoldiging; -e zuivering (der vrouwen). [Maandgeld]Maandgeld, o. (-en), loon dat elke maand betaald wordt. *...GOED, o. gmv. (boekh.) pak (commissiegoed, boekwerken in commissie) dat elke maand verzonden wordt. *...KAART, v. (-en), bewijs van toegang dat eene maand geldig is. *...LIJST, v. zie MAANDSTAAT. *...SCHRIFT, o. (-en), boekwerk waarvan elke maand een nommer of eene aflevering verschijnt. *...STAAT, m. (...aten), maandelijksche opgave. *...STONDEN, v. mv. maandelijksche zuivering (der vrouwen). *...WERK, o. (-en), zie MAANDSCHRIFT. *...WIJZER, m. (-s), wijzer op eene uurwerkplaat die de maand aanwijst. [Maaneklips]Maaneklips, v. (-en), zie MAANSVERDUISTERING. *...JAAR, o. (...aren), jaar dat naar den omloop der maan berekend wordt (=12 synodische maanden, d.i. 354 dagen, 8 nren, 48 minuten en 37.96 sekonden). *...KAART, v. (-en), aanschouwelijke voorstelling der maan. *...KALF, v. (...veren), wanvrucht, misgeboorte. *...KEERING, v. (-en), tijd tusschen twee nieuwe manen; (ook) maanverwisseling over de 19 jaren. *...KOP, m. gmv. (plant.) slaapkruid. -SAP, o. zek. geneesmiddel. *...KRING, m. (-en), zie MAANCIRKEL. *...KRUID, o. zek. plant, bulbonac. *...KUIT, v. (van paarden). *...LICHT, o. gmv. *...LOOP, m. gmv. *...MAAND, v. (-en), maand van het maanjaar (= 29 of 30 dagen). *...OOG, o. (-en), ziekte aan de oogen der paarden. -IG, bn. met die ziekte behebt. *...KRANSEN, m. mv. (sterr.) bijmanen, hoven. *...STEEN, m. (-en), (nat. hist.) zek. meteoorsteen. *...STUK, o. (-ken), (kuip.) laatste stuk van den bodem eens vats. [Maansverduistering]Maansverduistering, v. (-en), verschijnsel dat men waarneemt als de aarde tusschen de maan en de zon komt te staan. *...VEREFFENING, v. (-en), (-sterr.), evectie, zek. oneffenheid in de beweging der maan. [Maantafels]Maantafels, v. mv. (sterr.) tafels waaruit de plaats der maan aan den hemel voor een bepaald tijdstip wordt afgeleid. *...TANING,
v. (-en), verberging der maan door de wolken. *...VERGELIJKING, v. (-en), (sterr.). *...VERWISSELING, v. (-en), (sterr.). *...VLEKKEN, v. mv. vlekken die men op de maan waarneemt. *...WIJZER, m. (-s), (sterr.) epacta. *...VORMIG, bn. (plant.) een - blad. *...ZIEK, *...ZUCHTIG, bn. hij is -, hij is bij vlagen (bij de verandering der maan) waanzinnig. *...ZIEKTE, v. zulk eene waanzinnigheid. *...ZWIJM, m. zie MAANTANING. [Maar]Maar, bijw. slechts, alleenlijk, enkel, niet dan; mits; een weinig; eenvoudig, blootelijk. *-, vw. doch, echter, intusschen. *-, o. voorwaarde; geen -! geene bedenking! er is een - bij, er is eene uitzondering bij. *-, MARE, v. (B.m. en v.), (-n), tijding, gerucht. *-E, v. (-s), ketelvormige inzakking in niet-vulkanisch gesteente. *-LE, v. (-n), meerle, (vogel). [Maarschalk]Maarschalk, m. (-en), (oudt.) stalknecht; voornaam hofbeambte (in verscheidene duitsche staten); opperstalmeester; opperveldheer, bevelhebber des legers; veld-; hof-, opperhof-. *-IN, v. (-nen), vrouw eens maarschalks. -SCHAP, o. gmv. waardigheid van maarschalk. *-SSTAF, m. (...ven), kenteeken der maarschalkswaardigheid. [Maart]Maart, m. (B.v.), derde maand van het jaar, Lentemaand, (31 dagen). *-SCH, bn. van -, in de maand Maart; een -e dag; -e buijen. [Maas]Maas, v. (mazen), deel van een net; ruimte tusschen twee steken; naam eener rivier. *-SCHIP, o. (...epen), schip dat de rivier de Maas bevaart. *-SCHIPPER, m. (-s), schipper van zulk een vaartuig. *-STAD, m. (...eden), stad aan de Maas gelegen, (inz. wordt Rotterdam onder deze benaming aangeduid). *-WATER, *-ZAND, o. gmv. water -, zand uit de rivier de Maas. [Maat]Maat, v. (maten), ligchamelijke grootte van iets of iem.; hulpmiddel om er mede te meten; vlakte-, lengte-, inhouds-; plan, ontwerp, schets; hoeveelheid in eene maat bevat, eene volle -, eene goede -; strook (waarmede kleêrmakers, schoenmakers enz. de maat nemen); maatstok; letterzettersgereedschap; tijdwijzing in de muziek, de - slaan, de - houden, naar de - spelen of zingen, buiten de - gaan; met mate, bedaard, kalm, niet te wild, niet te veel; boven mate, te veel, buitensporig; naar mate, in verhouding tot, in overeenstemming met; onder de - zijn, de - niet houden, de vereischte lengte niet hebben, (ook voor de krijgsdienst); iem. de - vol meten, iem. zoo veel geven als men slechts kan (ook in eene slechte bet.). *-, m. (-s), makker, kameraad, medgezel; werkgast, gezel; partner (in het spel); (fig.) met iem. -s zijn, zeer eigen met iem. zijn. *-BROEK, v., *-HEMD, o. (-en), broek -, hemd enz. waarnaar eene andere (een ander) moet gemaakt worden. *-FLESCH, v. (...sschen), flesch die de vereischte maat houdt; (eert.) flesch van twee pinten; (nat.) - van Lane, leidsche flesch. *-GEVER, *-HOUDER, m. (-s), orkestmeester. *-GEZANG, o. zangstuk. *-HOUT, o. (-en), hout dat de vereischte maat heeft; (ook) maatstok. [Maatje]Maatje, (B. *-N), o. (-s), kleine maat; inhoudsmaat (voor drooge waren = 0.001 mud; voor natte waren = 0.001 vat); maat, vriendje, jongen, knaap; handwerksleerling; jong -, (op boekdrukkerijen enz.),
*-, verkleinwoord voor mama (moeder). *-SHARING, m. (-en), soort goede haring. *-SPEER, v. (...eren), bergamotpeer, (zek. boomvrucht). [Maatklank]Maatklank, m. gmv. dichtmaat, zangmaat, harmonie. *...METER, m. (-s), (toonk.) taktmeter, metrometer, (werktuig). *...REGEL, m. (-en), schikking, ordening, bepaling; zijne -en nemen. *...SCHAP, v. (-pen), vennootschap, maatschappij. *...SCHAPPELIJK, bn. en bijw. tot de maatschappij behoorende, de -e deugden, de -e orde. -, van eene maat- of vennootschap; het - kapitaal. *...SCHAPPIJ, v. zamenleving, de wereld, omgang en verkeer der menschen; vereeniging van personen tot eene handelsonderneming enz., - tot het beoefenen van kunst of letterkunde. *...SCHAPPIJELIJK, bn. zie MAATSCHAPPELIJK. *...STAF, m. (...ven), maatstok; (aardr., meetk. enz.) schaal, grondslag, regel (waarnaar gehandeld wordt enz.); maatregel, muzieksleutel. *...STOK, m. (-ken), zek. maat (bij ambachtslieden in gebruik); duimstok; dirigeerstok (eens orkestmeesters). *...ZANG, m. [Maauwen]Maauwen, ow. gel. (ik maauwde, heb gemaauwd), geluid geven (van katten). *...ING, v. gmv. het maauwen, gemaauw. [† Macadamiseren]† Macadamiseren, bw. gel. (ik macadamiseerde, heb gemacadamiseerd), eenen straatweg aanleggen naar het stelsel van Mac Adam (met steengruis enz.). [† Macaluben]† Macaluben, m. mv. soort slijk- of luchtvulkanen. [† Macaroni]† Macaroni, mv. meelrepen, deegdraden (volksvoedsel der Napolitanen). [† Macchiavelismus]† Macchiavelismus, o. gmv. staatsleer van Macchiavel; (fig.) sluwe -, arglistige staatkunde. *...LIST, m. (-en), aanhanger dier leer. [† Macedoine]† Macedoine, v. soort spijs (zamengesteld uit velerlei groenten en vruchten); (ook) letterkundig alle lei, mengelingen. [† Macereren]† Macereren, bw. gel. laten weeken, - inbijten, doortrekken; fig.) afmatten, kwellen; zich - zich pijnigen (van dweepers). [† Machinaal]† Machinaal, bn. (...aler, -st), met werktuigen verrigt of vervaardigd; werktuigelijk; onnadenkend, volgens den sleur. *...NATIE, v. (...ën), kuiperij. *...NE, v. (-n, -s), kunstwerktuig, toestel; (fig.) list, kunstgreep. *...NEREN, bw. gel. (ik machineerde, heb gemachineerd), iets kwaads bedenken, zich van kuiperijen bedienen; onderkruipen. *...NERIE, v. (...ën), inrigting -, zamenstel van kunstwerk-tuigen; de machineriën op een tooneel. *...NIST, m. (-en), kunstwerk-tuigmaker; bestuurder der machine. [† Macigno]† Macigno, o. zek. italiaansche kalksoort. [† Macis]† Macis, v. foelie van de nootmuskaat. [† Mackintosh]† Mackintosh, v. (-en), regenjas, waterdigte mantel. [† Mâçon]† Mâçon, m. (-s), vrijmetselaar. *-NERIE, v. vrijmetselarij. *-NIEK, bn. de vrijmetselarij betreffende; vrijmetselaars... [† Macrobiotiek]† Macrobiotiek, v. gmv. kunst om. het leven te verlengen; gezondheidsleer. [† Maculatuur]† Maculatuur, v. misdruk. [† Madame]† Madame, v. mevrouw. *...DEMOISELLE, v. mejufvrouw, jufvrouw. [† Madapollams]† Madapollams, zek. geweven stof. [Made]Made, v. (-n), worm, kaasworm, vleeschworm, mijt; pootloos
masker (eener bij, wesp, mug en vlug). *-LIEF, v. (...ven), -JE, (B. -N), o. (-s), zekere bloem. *...DIG, bn. (-er, -st), vol wormen, aangestoken. [† Madonna]† Madonna, v. (-as), (r.k.) de Heilige Maagd, onze Lieve Vrouw; Maria-beeld. [† Madras]† Madras, o. zek. geweven stof (zijde en katoen). [† Madrigal]† Madrigal, o. (-en), lyrisch zinrijk dichtstukje. [† Maecenas]† Maecenas, m. (-sen), (fig.) voorstander -, vriend en beschermer der schoone kunsten. [† Maenalus]† Maenalus, de berg -, naam van zeker sterrebeeld. [† Maestoso]† Maestoso, bijw. (muz.) verheven, majestueus, met waardigheid. *...TRO, m. meester, leermeester; muziekmeester; (inz.) komponist, toonkunstenaar. [Maf]Maf, bn. (-fer, -st), laf, mat, vadzig; loom; het is - weêr; dat is een -fe kerel. *-, m. (-fen), (in dieventaal) klein zilveren muntstuk, kwartje, dubbeltje. *-JE, (B. -N), o. iem. voor het - (voor den gek) houden; voor het - loopen, het voorwerp der bespotting zijn. [Magazijn]Magazijn, o. (-en), bergplaats, pakhuis; winkel; (ook) de voorhanden voorraad koopwaren enz.; naam van eenige tijdschriften; (nat.) magnetisch -, een aantal dunne magnetische staven die gebezigd worden om zeer sterke magneten te verkrijgen. *-MEESTER, m. (-s), pakhuismeester; opziener over hetgeen in een magazijn voorhanden is. [Mager]Mager, bn. en bijw. (-der, -st), *-LIJK, bijw. niet lijvig, niet vleezig; dun, schraal; dor, droog; onvruchtbaar; (fig.) armzalig, zonder geestkracht, nietig. *-, o. het magere (van vleesch). *-HEID, v. gmv. het magere; (fig.) dorheid, onvruchtbaarheid. *-MANNETJE, (B. -N), o. (-s), (zeew.) fokkezeilsboelijn. *-TE, v. gmv. magerheid; mager voorkomen, - uitzigt. *-TJES, (B. ...NS), bijw. nietig, armzalig. [Magelhaensche vlekken]Magelhaensche vlekken, v. mv. (zeew.) kaapwolken. [Magge]Magge, v. (-n), zek. stekelvinnige visch. [Maggelen]Maggelen, ow. gel. (ik maggelde, heb gemaggeld), slecht schrijven. [† Magie]† Magie, v. gmv. tooverkunst, tooverij, geheime wetenschap, zwarte kunst. *...GIÊR, m. (-s), oostersch geleerde; (inz.) sterrekundige. *...GISCH, bn. door -, met tooverkracht, betooverend. [† Magister]† Magister, m. (-s), meester, leermeester. [† Magisterium]† Magisterium, o. (scheik.) meesterpoeder. [† Magistraat]† Magistraat, m. (B.m. en v.) overheid, stadsregering; overheidspersoon. *-SCHAP, o. waardigheid van magistraat. *-SPERSOON, m. (...onen), overheidspersoon. *...AAL, bn. meesterachtig. *...ATUUR, v. regering, overheid; regterlijke magt. [† Magnaat]† Magnaat, m. (...aten), rijksgroote, lid van den hoogen adel (in Hongarije en Polen); de magnaten-tafel, het Hoogerhuis van den hongaarschen landdag. [† Magna charta]† Magna charta, v. de grondwet van den engelschen Staat. [Magneet]Magneet, m. (...eten, B. -en), zeilsteen, ijzersteen; (fig.) alles wat aantrekkelijk is; zij is een - voor hem. *-IJZER, o. *-KRACHT, v. *-NAALD, v. (-en), kompasnaald. *-STEEN, m. (-en), magneet. [Magnesia]Magnesia, v. talkaarde, bitteraarde, (geneesmiddel). *...SIUM, o. talcium, zek. metaal. [Magnetisch]Magnetisch, bn. aantrekkingskracht bezittende; -e kracht; -e vloeistof; (ook) door het magnetismus voortgebragt; -e slaap. *...TISEREN, bw. gel. (ik magnetiseerde, heb gemagnetiseerd), (gen.) magnetische vloeistof in een dierlijk ligchaam in werking brengen. *...TISEUR, m. (-s), die magnetiseert, het magnetismus in toepassing brengt. *...TISMUS, *...TISME, o. theorie der magneetkracht; magnetische kracht en hare toepassing; dierlijk - of levens-. *...TO-ELECTRICITEIT, v. gmv. de electrische stroomen door eenen magneet te voorschijn gebragt. *...TOMETER, m. (-s), werktuig om de kracht der magneetnaald te bepalen. [† Magnificentie]† Magnificentie, v. gmv. pracht, heerlijkheid. *...FIEK, bn. (-er, -st), prachtig, luisterrijk. [† Magnium]† Magnium, o. magnesium, zek. metaal. [Magot]Magot, m. (-ten), turksche aap; varkentje om er geld in te bewaren. [Magt]Magt, (B. MACHT), v. sterkte, kracht, vermogen; hoeveelheid, aantal; vergunning (om iets te doen); volmagt, magtiging; dit is (of gaat) boven mijne -, dit valt mij te zwaar; uit al zijne - loopen, loopen zoo hard als men kan; land-, leger; zee-, vloot. *-, (-en), mogendheid, staat; de oorlogvoerende -en; (fig.) de helsche -en (geesten); bij -e zijn, in staat zijn; (ook) de bevoegdheid hebben tot.... *-, (wisk.) produkt van gelijke factoren; (aangeduid b.v. door 82, 8 in de tweede -, = 64 of 8 × 8). *-BRIEF, m. (...ven), volmagt, procuratie. *-ELOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), zonder magt, onvermogend; niet bij magte. -HEID, v. *-GEVER, m. (-s), lastgever, principaal. *-HEBBENDE, bn. gemagtigd, met volmagt. *-HEBBER, m. (-s), gevolmagtigde, mandataris. *-HEBSTER, v. (-s). *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. krachtig, sterk; in staat tot; groot, uitgestrekt; moeijelijk te verteren, al te voedend, te veel gekruid; te vet, met te veel boter (pan spijzen); - zijn, in staat zijn; kennen (talen enz.); bezitten; - worden, magt -, aanzien krijgen; (ook) bemeesteren, zich in het bezit stellen (van); dat is mij te - (te duur); een - (zeer) groot huis. *-IGEN, bw. gel. (ik magtigde, heb gemagtigd), de noodige magt geven; (iem. iets) opdragen; vergunnen. *-IGING, v. (-en), vergunning. *-IGHEID, v. (mijnw.) de dikte der lagen. *-SNEDE, v. (-n), (dicht.) rusting in een vers, cesuur. *-SPREUK, v. (-en), beslissing op eigen gezag. *-WOORD, o. (-en), gebiedend woord, bevel, gebod. [† Magyaren]† Magyaren, m. mv. oorspronkelijke naam der Hongaren. [Mahomedaan]Mahomedaan, m. (...anen), belijder der leer van Mahomed. *-SCH, bn. [Mahoniehout]Mahoniehout of MAHAGONIEHOUT, o. gmv. zuid-amerikaansch meubelhout. *-EN, bn. van zulk hout vervaardigd. [Mahotboom]Mahotboom, m. (-en), zek. west-indische boom. [Maijer]Maijer, m. zek. gewas. [† Mail]† Mail, v. (-s), valies; brievenpost (inz. de postdienst tusschen Oost- of West-Indië en Europa); de land-, van Europa over Suez
naar Oost-Indië. *-BOOT, v. (-en), *-STOOMER, m. (-s), stoomschip dat de mail (brievenpost) vervoert. [† Mainteneren]† Mainteneren, bw. gel. (ik mainteneerde, heb gemainteneerd), handhaven, in stand houden; eene juffer - (kameren), eene bijzit houden; je maintiendrai, ik zal handhaven, (spreuk op het nederlandsche wapen). [† Maire]† Maire, m. (-s), hoofd van een gemeentebestuur (in Frankrijk). *...RIE, v. (...ën), ambt -, waardigheid van maire; gemeentehuis. [Maïs]Maïs, v. turksche tarwe. *-GRAS, o. soort gras. [† Maîtresse]† Maîtresse, v. (-n), meesteres; vrouw des huizes, bijzit, matres. *...TRISEREN, bw. gel. (ik maîtriseerde, heb gemaîtriseerd), den meester spelen, beheerschen. [Majesteit]Majesteit, v. (-en), hoogste magt; titel van koningen en keizers; (fig.) waardigheid, ontzagwekkende deftigheid; pracht, luister; magtvertoon, Zijne -, de koning of keizer; Hare -, de keizerin of koningin; Hunne -en, keizer en keizerin, koning en koningin; Hare Britsche -, de koningin van Groot-Brittannie; Zijne Helleensche -, de koning van Griekenland. *-SCHENNIS, v. gmv. beleediging van den souverein, misdaad van gekwetste majesteit. *...TUEUS, bn. (...zer, meest -), heerlijk, prachtig; keizerlijk, koninklijk; verheven. [† Majolica]† Majolica, v. italiaansche kalksteensoort. [Majolijn]Majolijn, v. gmv. zek. plant, mariolijn. [Majoor]Majoor, m. (-s), hoofdofficier, bevelhebber van een bataillon; generaal-, sergeant-, tamboer-. *-PLAATS, v. (-en). *-SVROUW, v. (-en). [† Major]† Major, bn. grootere, oudste. *-, m. de oudste van twee broeders, senior; de - (eerste term) eener sluitrede. *-AAT, o. (...aten), voorregt van het oudste lid eener familie. *-ENNITEIT, *-ITEIT, v. gmv. meerderjarigheid. *-ITEIT, v. gmv. meerderheid van stemmen. [Mak]Mak, bn. en bijw. (-ker, -st), tam, niet wild; gedwee, buigzaam, handelbaar; (fig.) vermoeid. [† Makaronisch]† Makaronisch, bn. - gedicht, boertig gedicht waarin vele woorden een latijnschen uitgang hebben. [Makelaar]Makelaar, m. (-s), zaakbezorger, tusschenpersoon (in den handel); (fig.) koppelaar (van huwelijken); (bouwk.) stuk hout. *-DIJ, *...ARIJ, v. makelaars-ambt, beroep -, betrekking van makelaar. *-SLOON, o. (-en), courtage, provisie. *-STER, (-s), of *...ARES, v. (-sen), zaakwaarneemster; koppelaarster. *...LEN, bw. gel. (ik makelde, heb gemakeld), de makelarij uitoefenen; onderhandelen; bewerken; koppelen; in orde brengen, regelen. [Maken]Maken, bw. ow. gel. (ik maakte, heb gemaakt), vervaardigen, doen, verrigten, in gereedheid brengen; zamenstellen; schrijven (boeken enz.); scheppen, tot stand brengen; kiezen, benoemen; bij uitersten wil -, legateren, vermaken; (fig.) zich weg-, zich uit de voeten -, heengaan, verwijderen; zich te zoek -, zich schuil houden; hoe zal hij het met mij -? hoe zal hij met mij handelen (of mij behandelen, mij beloonen)? hoe zult gij het -? wat zult gij doen, - beginnen? hoe maakt gij het? hoe vaart gij? dat maakt mij niets, dat doet er niets toe, brengt geen verandering in de zaak; het
slecht -, zich slecht gedragen; het er naar -, verdienen (belooning, straf); hij zal het niet lang meer -, hij zal spoedig gedaan hebben; (ook) hij zal niet lang meer leven; hij maakt het wel, het gaat hem goed, hij is gezond. *-, o. vervaardiging; verrigting. *...KER, m. (-s), vervaardiger; schrijver (van boeken enz.). *...KERIJ, v. het maken (van iets); plaats waar iets gemaakt wordt (b.v. azijn-makerij). *...KING, v. (-en), beschikking bij uitersten wil, legaat. [Makis]Makis, mv. soort spookdieren (op het eiland Madagascar). [Makkelijk]Makkelijk, bn. en bijw. (-er, -st), gemakkelijk, niet zwaar, zonder moeite. *-HEID, v. gmv. [Makker]Makker, m. (-s), medgezel, maat, medescholier, speelgenoot, kameraad. [Makreel]Makreel, m. (...elen), zek. visch. *-BOOT, *-SCHUIT, v. (-en). *-NET, o. (-ten). *-VISSCHER, m. (-s). -IJ, v. gmv. [† Makrokosmos]† Makrokosmos, m. gmv. de wereld in het groot. [Makrol]Makrol, v. (-len), koppelaarster, hoerenwaardin. [† Makuba]† Makuba, *-TABAK, m. zeer fijne snuiftabak. [Mal]Mal, m. (-len), model in het klein (waarnaar iets gemaakt moet worden, bij verschillende ambachten enz.); vorm; kaliber (van geschut); spant; ijzeren werktuig met gaten. *-, o. zotheid, kinderachtigheid. *-, bn. en bijw. (-ler, -st), zot, kinderachtig; dwaas, niet wijs; al te toegevend, te inschikkelijk; (spr.) - moêrtje - kindje, eene al te goede moeder bederft hare kinderen; dit is - zoet, al te zoet; (fig.) iem. voor den - (voor den gek) houden. [Malachiet]Malachiet, m. zek. fraaije groene steensoort. *...COLIETH, m. zek. zachte steen. [Malaga]Malaga, *-WIJN, m. zek. spaansche wijn. [† Malaise]† Malaise, v. onaangename gewaarwording, gemelijkheid; § landerigheid. [† Mal-à-propos]† Mal-à-propos, bijw. ongepast aangehaald. [† Malconcent]† Malconcent, bn. misnoegd, ontevreden; de -en. [Malder]Malder, o. (-s), zek. (duitsche) korenmaat, mud. Zie MALLER. [† Maledictie]† Maledictie, v. (...ën), vloek, verwensching. [Malen]Malen, bw. gel. (ik maalde, heb gemaald), schetsen, teekenen, afbeelden; beschrijven; fijn -, tot gruis -, tot stof -, tot meel maken (door middel van een werktuig of met de hand); die eerst komt die eerst maalt, de eerstgekomene wordt het eerst geholpen. *-, ow. heen en weder bewegen, niet stil staan; bewegen, in beweging zijn (van den molen); (fig.) plagen, hinderen, lastig zijn; mijmeren, raaskallen; onrustig slapen; ijlen (in de koorts); suf -, kindsch worden. *-, o. *...LING, v. gemaal. Zie ook MALING. *...LER, m. (-s), schilder; (fig.) droomer; raaskaller, mijmeraar; molenaar. *...LERIJ, v. (-en), schilderij; mijmering. [† Malentendu]† Malentendu, o. misverstand, verkeerd begrip. [Malheid]Malheid, v. (...heden), malligheid, gekheid, dwaasheid, zotheid. [† Malheur]† Malheur, o. ongeluk, rampspoed. *...HONNET, bn. onbeleefd. [† Malice]† Malice, v. boosheid, arglistigheid; schalksche streek. *...CIEUS bn. (...zer, -st), boosaardig, moedwillig, verraderlijk. [Malie]Malie, v. (...ën), ring (van koper- of ijzerdraad) aan eenen wapenrok; nestel (van een rijgsnoer); houten kolf (waarmede men in de maliebaan slaat). *-BAAN, v. (...anen), speelplaats (voor het kolfspel). *-HEMD, o. (-en), of MALIÊNKOLDER, m. (-s), soort krijgsmansharnas. *-HUIS, o. (...zen), soort herberg. *-KOLF, v. (...ven), *-KLIK, m. (-ken), stok bij het maliespel. *...LIÊN, ow. gel. (ik maliede, heb gemalied), in de maliebaan spelen. [Maling]Maling, v. (-en), schilderij; afbeeldsel; mijmering, onrust; last; het malen; (fig.) in de - (in de war) zijn; in de - komen, op de straat in een standje geraken, door het gemeen uitgejouwd worden; iem. eene - maken, met onstuimigheid iem. grof toespreken zoodat eene zamenscholing er het gevolg van is. [Malkander]Malkander, vnw. elkander, de een den ander, wederkeerig, onderling; in - loopen, stremmen, zuren (van vochten). [Malkruid]Malkruid, o. bilzenkruid, zek. gewas. [† Malleabel]† Malleabel, bn. (-er, -st), hamerbaar, smeedbaar, rekbaar. [Malleestruik]Malleestruik, m. (-en), myrt achtig gewas op Nieuw-Holland. [Mallemolen]Mallemolen, m. (-s), het ringrijden, caroussel (kinderspel, inz. op kermis). *...JAN, m. (-s), timmermanswagen. [Mallen]Mallen, ow. gel. (ik malde, heb gemald), zich gek aanstellen, zich als een dwaas gedragen. *-, bw. (zeew.) naar den mal (vorm) werken. *-ZOLDER, MALZOLDER, m. (-s), (zeew.) vertrek op welks vloer de spanten enz. van het te bouwen schip worden afgeteekend. *...LER, m. (-s), bekwaam werkman (bij den scheepsbouw). *...LIGHEID, v. (...heden), gekheid, zotheid, dwaasheid. *...LOOT, v. (...oten), dom vrouwspersoon. *...LOTE, v. (plant.) soort steenklaver. -ZALF, v. zek, geneesmiddel. [Malmole]Malmole, o. wit fijn bengaalsch katoen. *...ROVE, v. andoren (zek. gewas). [† Malowen of Malvaceën]† Malowen of Malvaceën, v. mv. soort kruid-, heester- en boomachtige planten (onder de verzengde luchtstreek). [Malsch]Malsch, bn. (-er, meest-), *-ELIJK, bijw. zacht, week; sappig; (fig.) aangenaam, zacht, vloeijend (b.v. van verzen); (fig.) lang niet -, alles behalve vriendelijk (of aangenaam). *-HEID, v. gmv. zachtheid. [Maltezer]Maltezer, m. (-s), inwoner van het eiland Malta. *-, bn. van Malta; een - ridder, een ridder der orde van St. Jan van Jeruzalem. [† Maltraiteren]† Maltraiteren, bw. gel. mishandelen. [Maluwe]Maluwe, v. gmv. soort plant. [† Malversatie]† Malversatie, v. (...ën), ontrouwe ambtswaarneming; verduistering van toevertrouwde gelden. [Malvezei of Malvazij]Malvezei of Malvazij, *-WIJN, m. soort wijn van het eiland Candia, gekookte wijn uit Provence. [† Malz-extract]† Malz-extract, o. gmv. soort bier waaraan geneeskracht wordt toegeschreven, (zoogenaamd) gezondheidsbier. [Mam]Mam, v. (-men), vrouwenborst; (ook) borst van een dier. [† Mama]† Mama, v. (-as), moeder; (fig.) deftige -, dikke vrouw. [† Mameluk of Mammeluk]† Mameluk of Mammeluk, m. (-ken), soldaat bij de lijfwacht
van den onderkoning van Egypte; slaaf uit christen ouders geboren en in de mahomedaansche godsdienst grootgebragt; afvallige, geloofs-verzaker (die van christen mahomedaan is geworden). [Mammekenskruid]Mammekenskruid, o. gmv. zek. gewas. [§ Mammen]§ Mammen, bw. gel. (ik mamde, heb gemamd), zuigen aan de borst. [Mammiering of Mamiering]Mammiering of Mamiering, v. (-en), (zeew.) geleibuis om vocht of gas van de eene plaats naar de andere te doen wegvloeijen; scheepsgoot (van leder, zeildoek enz.). [† Mammon]† Mammon, m. gmv. geldgod, aardsche schatten. [† Mammouth]† Mammouth, m. (-en), soort olifant, ontzaggelijk dier uit de voorwereld. [† Mamsel of Mammesel]† Mamsel of Mammesel, v. (-s), mademoiselle, juffer; (ook schimpwoord: kijk wat een -!) [Man]Man, m. (-nen), echtgenoot; mannelijk persoon; iem. die zijne jongelingsjaren voorbij is; vischschuit; - en vrouw, echtpaar; aan den - komen, trouwen; aan den - brengen, aan een meisje eenen man verschaffen; (ook) koopers voor iets vinden; dat is mijn -, of dat is een - die mij lijkt, dat is juist iem. dien ik hebben moet; aan den - helpen, zich van iets ontdoen; - tegen -, persoon tegen persoon; ik ben er wel - voor, ik ben er wel bekwaam toe; hij staat zijnen -, hij overwint; zich aan zijnen - houden, op iem. verhaal zoeken, voldoening van iem. eischen; -s (sterk, krachtig) genoeg wezen; ik zal u - en paard noemen, ik zal u den persoon noemen die het mij verteld heeft; - voor -, een voor een; (spr.) een - een - een woord een woord, wij zullen onze belofte (afspraak, verbindtenis) nakomen; zij kregen een gulden per - (per hoofd); u houd ik voor den -, u geef ik de schuld; hij zal zijnen - wel vinden, hij zal wel iem. vinden die hem durft staan; de gaande en komende -, de gaanden en komenden; de gemeene -, de lage volksklasse; de burger-, de middelstand; met - en muis vergaan, (van een schip) schipbreuk lijden zonder dat iets of iem. gered wordt. *-, mv. hoofden, personen; een detachement van 25 - (soldaten); hoe veel - (koppen, lieden) zijn aan boord? *-, - te roer! (zeew.) kommando om den roerganger te doen vervangen. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), naar eenen man gelijkende (van eene vrouw); (ook) manziek. *-BAAR, bn. huwbaar, bekwaam om in het huwelijk te treden (van een meisje). *-BAARHEID, v. gmv. huwbaarheid; mannelijke ouderdom. [† Manchester]† Manchester, o. soort katoen-fluweel (zoo genoemd naar de engelsche stad Manchester). [† Manchetten]† Manchetten, v. mv. handlubben, losse hemdsboorden; (fig.) - hebben, bang zijn. *-KNOOPJES, (B. ...NS), o. mv. *-KOORTS, v. gmv. (fig.) kruidkoorts, soldaten-lafheid. [† Mancipatie]† Mancipatie, v. overgave (van iets) als eigendom. [† Manco]† Manco, (kooph.) tekort (bij koopwaren). [Mand]Mand, v. (-en), of MANDE, van teen gevlochten korf of bakje; mars, draagkorf; (fig.) door de - vallen, bekennen, schuld belijden. [† Mandaat]† Mandaat, o. (...aten), lastbrief, bevelschrift; (inz. pauselijke) verordening; volmagt; - van (of tot) betaling. [† Mandarijn]† Mandarijn, m. (-en), staatsbeambte in China. [† Mandataris]† Mandataris, m. (-sen), gevolmagtigde. *...DATOR, m. (-en), *...DANT, m. (-en), lastgever, volmagtgever. [† Mandeline (Eau de)]† Mandeline (Eau de), v. haargroeibevorderend water. [Mandelsteen]Mandelsteen, m. amandelsteen, zek. delfstof. [† Mandement]† Mandement, o. (-en), herderlijke brief, herderlijk schrijven (eens bisschops enz.). [Manden]Manden, bw. gel. (ik mande, heb gemand), in eene mand doen (leggen, zetten, plaatsen). *-MAKEN, o. gmv. *-MAKER, m. (-s). *-MAKERIJ, v. het mandenmaken; werkplaats -, winkel eens mandenmakers. *-MAKERSKNECHT, m. (-en). *-WINKEL, m. (-s). [Manderkruid]Manderkruid, o. gmv. zek. plant. [Mandewagen]Mandewagen, m. (-s), kinderwagentje van teen gevlochten. *-WERK, o. gmv. voorwerpen van teen gevlochten. [Mandje]Mandje, (B. *-N), o. (-s), kleine mand. *-SKOOP, m. venter met mandjes. [† Mandragora]† Mandragora, mv. vergiftige zuid-europesche en noord-afrikaansche kruiden. [Mandril]Mandril, m. (-s), groote afrikaansche aap, baviaan. [Mandvol]Mandvol, v. eene gevulde mand, hoeveelheid (fruit, kolen enz.) die eene mand bevatten kan. [† Manége]† Manége, v. (-s), rijschool. [Manen]Manen, v. mv. waterplanten in de uitgeveende plassen; hals- of nekhaar van sommige dieren (paarden, leeuwen enz.). *-, bw. gel. (ik maande, heb gemaand), herinneren, aansporen (tot betaling, of tot zekere verrigting). *...NER, m., MAANSTER, v. (-s), die aanspoort, waarschuwt. *...NING, v. het manen, gemaan. [Maneschijn]Maneschijn, m. gmv. licht -, schijnsel der maan. [Mangaan]Mangaan, o. gmv. zek. metaal. [Mangat]Mangat, o. (-en), opening aan boord van een stoomvaartuig, door welke men in den stoomketel kan komen. [Mangel]Mangel, o. gmv. gebrek, ontstentenis. *-, m. (-s), werktuig om stoffen en kleedingstukken (inz. ondergoed) glad te maken. *-AAR, m. (-s), die mangelt. *-BORD, o., *-PLANK, v. (-en), deel van den mangel. *-EN, ow. gel. (ik mangelde, heb gemangeld), ontbreken, afwezig zijn. -, bw. door middel van eenen mangel glad maken; ruilen, verwisselen. *-ING, v. het mangelen. *-ROL, v. (-len), *-STOK, m. (-ken), deel van den mangel, *-WORTEL, m. (-s), soort beetwortel. [† Mangliet]† Mangliet, *...GROVE, v. zek. west-indische hooge boom. *...GOSTAN, v. zek. oost-indische vrucht. [Manhaft]Manhaft, *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. dapper, moedig. *-IGHEID, v. gmv. dapperheid, moed. [Manier]Manier, v. (-en), wijze van handelen, - van werken, - van doen; stijl, gewoonte, vorm; gebruik; goede -en, wellevendheid; leelijke -en, kwade gewoonten, hebbelijkheden; op geenerlei - (wijze). *-EN,
bw. gel. (ik manierde, heb gemanierd), (iem.) goede manieren leeren. *-LIJK, bn. (-er, -st), beleefd, wellevend. *-LIJKHEID, v. gmv. beleefdheid, wellevendheid. [Manifest]Manifest, o. (-en), openbaar geschrift (bekendmaking, verklaring van eenen vorst enz.); oorlogs-, vredesverklaring; (kooph.) gewaarmerkte vrachtlijst (aan boord van een schip). *-ATIE, v. (...ën), bekendmaking; betuiging; het te kennen geven van eenig verlangen (des volks), - van gehechtheid voor of afkeer van (iets of iem.). *-EREN, bw. gel. bekend maken, openbaren. [† Manille of Manilje]† Manille of Manilje, v. naam eener kaart in het omberspel. [† Maniok]† Maniok, m. (plant.) broodwortel, cassava. [† Manipulatie]† Manipulatie, v. (...ën), kunstmatige behandeling (inz. het betasten of bestrijken door den magnetiseur). *...PULEREN, bw. gel. behandelen; betasten, bestrijken. [Mank]Mank, bn. (-er, -st), gebrekkelijk loopende, kreupel, niet regt van lijf en leden; (fig.) gebrekkig, niet gaaf; (fig.) aan hetzelfde euvel - gaan, hetzelfde zedelijk gebrek hebben. *-HEID, v. het hinken. [† Mankeren]† Mankeren, ow. zie MANQUEREN. [Mankop]Mankop, (B. MAANKOP), o. (-pen), (plant.) slaapbol. *-STROOP, m. zek. geneesmiddel. *-ZAAD, o. gmv. [Manlieden]Manlieden, *...LUIDEN, *...LUÎ, m. mv. mannelijke personen. [Manmoedig]Manmoedig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. dapper. *-HEID, v. gmv. onversaagdheid. [† Manna]† Manna, o. gmv. (H.S.) brood des hemels; zek. geneeskrachtig boomsap. *-PLANT, v. (-en). *-STRUIK, m. (-en). *-SUIKER, of MANNITE, v. zek. geneesmiddel. [Manneke]Manneke, (B. *-N), o. (-s), mannetje, ventje. [Mannelijk]Mannelijk, bn. en bijw. tot den man -, tot het mannelijk geslacht behoorende; krachtig, moedig; zoo als het eenen man betaamd; (taalk.) het - geslacht; (leenst.) een - leen; tegenst. van vrouwelijk (bij de geslachten) van dieren en planten. *-HEID, v. gmv. mannelijke ouderdom, mannekracht, voorttelende kracht; eigenschap eens mans. [Mannen]Mannen, ow. bw. gel. (ik mande, heb gemand), eenen man nemen, trouwen; (zeew.) bemannen (een schip); van man tot man (d.i. van hand tot hand) overgeven (b.v. bij het lossen en laden van kleine voorwerpen). *-HUIS, o. (...zen), gesticht waarin (oude) mannen verpleegd worden. *-KLOOSTER, o. (-s), monnikenklooster. *-MOED, m. gmv. *-STEM, v. (-men). *-TAAL, v. gmv. krachtige -, vaste taal. *-STAND, m. gmv. de mannelijke ouderdom. *-VERTREKKEN, o. mv. (bij de oude Grieken). *-WAARDE, v. gmv. [Mannequin]Mannequin, v. (-s), ledepop; iem. die aan eens anderen leiband loopt; draagkorf, marktmand. [Mannetje]Mannetje, (B. *-N), o. (-s), klein manspersoon; kort en dik ventje; een teêr -, zwak persoon; een tabaks-, poppetje, figuurtje; mannelijk dier; (sterr.) Ganimedes; iets - voor - (met gemoedelijke naauwgezetheid) doen; (zeew.) de -s, zek. houtwerk van het
galjoen. *-SBOON, v. (-en), ronde boon. *-SMUISJE, (B. -N), o. (-s), suikererwten waarop de kinderen bij eene kraamvrouw onthaald worden wanneer de jonggeborene een zoon is. *-NOOT, v. (...oten), zeer fijne muskaatnoot. *-SPANBOOR, v. (ontl.). [Mannin]Mannin, v. (bijb.) vrouw; (fig.) heldin. [† Manoeuvre]† Manoeuvre, v. (-s), handeling, handgreep; beweging -, wending van een schip; verrigting door krijgsvolk, militaire oefening; slinksche handelwijze; -s, listen en lagen. *...VREREN, ow. gel. oefeningen houden; de troepen, de eskaders manoeuvreerden. [† Manometer]† Manometer, m. (-s), (nat.) digtheidsmeter. [† Manquement]† Manquement, o. (-en), gebrek, fout. *...QUEREN, ow. gel. feilen, te kort komen, - schieten, in gebreke blijven; deze firma manqueert (staakt hare betalingen); heb ik u in iets gemanqueerd? heb ik iets gedaan dat uwe ontevredenheid opwekt? [Mans]Mans, hij is - genoeg, hij is wel in staat (tot iets). *-BEELD, o. (-en), afbeelding -, portret van eenen man. *-BROEDER, m. (-s), zwager. *-BROEK, v. (-en), kleedingstuk. [Manschap]Manschap, v. bemanning, equipage (van een schip); soldaten; (leenst.) - doen, leenroerig zijn, de leenpligten vervullen. [Mansgewaad]Mansgewaad, o. (...aden), manskleeding. *...HAND, v. (-en), hand van eenen man; schrift van eenen man; (fig.) mansbewind, mannelijk gezag; (spr.) - boven, datgene waarin de vrouw te kort schiet vermag de man. *...HANDSCHOEN, m. (-en). *...HEMD, o. (-en). -JE, (B. -N), o. (-s), halfhemdje. *...HOED, m. (-en). *...HOOFD, o. (-en), hoofd van eenen man; (zeew.) zek. blok. *...HOOGTE, v. ter -, zoo hoog (lang) als een man. *...JAS, m. (-sen). *...KLEED, o. (-eren). *...KLEEDING, o. gmv. *...KOUS, v. (-en). *...KRACHT, v. (-en). [Manslag]Manslag, m. gmv. moord; onwillige -. [Mansleen]Mansleen, o. (-en). *...LENGTE, v. gmv. *...LIDMAAT, m. (...aten), manspersoon die lid is van eene kerk of gemeente. *...MANNEN, m. mv. achterleenmannen. *...MOEDER, v. (-s), schoonmoeder. *...MUTS, v. (-en). *...NAAM, m. (...amen). *...OOR, o. (-en), oor eens mans. -, *...OIR, o. mannelijke erfgenaam, - afstammeling; (plant.) hazelwortel. *...PERSOON, m. (...onen). *...PLIGT, m. (-en). *...ROK, m. (-ken). *...SCHOEN, m. (-en), -MAKER, m. (-s). *...ZUSTER, v. (-s), schoonzuster, behuwdzuster. [Mantel]Mantel, m. (-s), zek. kleedingstuk (van mannen en vrouwen); manteljas, wijde jas; rouwgewaad (bij eene lijkstaatsie); kerkgewaad; wal -, muur om eene stad; belegsel om eenen schoorsteen; (fig.) schijn, voorwendsel; hulsel van zek. afdeeling van het ligchaam der weekdieren; (fig.) den - naar den wind hangen, zich naar tijd en omstandigheden schikken; (fig.) den - om den tuin hangen, een ambt -, eene betrekking nederleggen; (fig.) iem. den - uitvegen, hem scherp doorhalen, - berispen. *-, o. (-s), (zeew.) takel tot het hijschen van zware lasten. *-HUIS, o. (...zen), huis waar rouwmantels verhuurd worden. *-ING, v. (-en), paalwerk, beschutsel tegen den wind. *-KOORD, v. (-en), *-LIS, *-LUS, v. (-sen), boordsel -, versiersel van eenen mantel. *-KRAAG, m. (...agen). *...PIJPE, (B. -N),
o. (-s), afscheidspijpje (dat men rookt alvorens heen te gaan). *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine mantel; vrouwen-, pélerine, mantille. *-VERHUURDER, m. (-s). *-ZAK, m. (-ken), valies, reiszak. [† Mantille]† Mantille, v. (-s), vrouwenmanteltje. [† Manuaal]† Manuaal, o. (...alen), handboek, dagboek; (muz.) rij toetsen, klavier (in het orgel.) [† Manufacturen]† Manufacturen, v. mv. voortbrengselen van handen- of fabriek-arbeid, (inz. zijden, katoenen, linnen of wollen stoffen). *...TURIER, m. (-s), vervaardiger -, verkooper van zulke voorwerpen. *...TUUR, v. (...uren), werkplaats waar handenarbeid verrigt wordt. [† Manumissie]† Manumissie, v. (...ën), het vrijgeven van slaven (door hunne meesters). [† Manuscript]† Manuscript, o. (-en), handschrift, geschreven stuk, - boek. [Manvolk]Manvolk, o. gmv. manspersonen. *...WIJF, o. (...ven), tweeslachtig mensch of dier, † hermaphodriet; (fig.) grof -, ruw vrouwspersoon. *...ZIEK, bn. (-er, -st), hysterisch, gaarne bij mannen zijnde, gaarne eenen man hebbende (van meisjes of vrouwen). -TE, v. hysterie. [† Mappe]† Mappe, v. (-s), omslag, teekenportefeuille, brieventasch. *-MONDE, v. wereldkaart; (fig.) groote -, volle vrouwenborsten. [† Marabout]† Marabout, m. (-s), geestelijke eener moskee. [† Marcassite]† Marcassite, o. soort delfstof, vuursteen, zwavelkies, kattengoud. [† Marchand]† Marchand, m. (-s), koopman, handelaar; - tailleur, lakenkooper en kleêrmaker tevens. *-EREN, ow. gel. handel drijven; dingen; (fig.) dralen, talmen. *...CHEREN, ow. gel. te voet gaan; goed aanstappen; oprukken (van soldaten); (fig.) vooruitkomen. *...CHESE, m. (-n), markies, adellijke titel (in Italië). [† Marcheswan]† Marcheswan of CHESWAN, v. (hebr. woord) tweede maand van den israelietischen kerkelijken kalender. [Marcipein]Marcipein, *...SEPEIN, o. zeker suikergebak; gebak uit amandelen en suiker. [Mare, Maar]Mare, Maar, v. tijding, berigt; faam. [† Maréchal]† Maréchal, m. maarschalk. *...CHAUSSÉE, v. politie te paard op het platteland. -, m. (-s), rijdende veldwachter, politie-ruiter. [† Maremmen]† Maremmen, v. mv. ongezonde en moerasachtige landstreek in Toskane. [Marentakken]Marentakken, m. mv. vogellijm, zek. gewas (inz. aan de eikenboomen), misteltakken. [† Marforio]† Marforio, m. groot steenen beeld te Rome, waar somtijds paskwillen aangeplakt worden. [† Margarine]† Margarine, o. (scheik.) parelstof, hoofdbestanddeel van eenige vetsoorten uit het dierenrijk. [† Marge]† Marge, v. (-s), gedeelte van een bladzijde dat niet beschreven wordt. [† Marginaal]† Marginaal, bn. marginale aanteekeningen, kantteekeningen, aanmerkingen op den rand (van een geschrift of boek). *...NE (IN), bijw. op den rand. [Maria]Maria, orde van - Louise, spaansche orde (voor dames); orde van - Theresia, oostenrijksche militaire ridderorde. *-BEELD, o.
(-en), beeld der Heilige Maagd, madonna. *...GLAS of MARIÊNGLAS, o. gmv. soort gips. *-GROSJE, (B. -N), o. (-s), duitsch muntstukje. [† Mariage]† Mariage, o. huwelijk; heer en vrouw (in het kaartspel); naam van zek. kaartspel. [† Marine]† Marine, v. zeewezen; beheer van het zeewezen; vloot, zeemagt; departement van -, een der departementen van algemeen bestuur in eenen Staat; minister van -. *-WERF, v. (...ven), rijkswerf waar oorlogsschepen enz. gebouwd worden. *...NEREN, bw. gel. in zeewater leggen, inmaken; gemarineerde haring. *...NIER, m. (-s), zeesoldaat; zeeman. [Mariolein]Mariolein, (B. MARJOLEIN), v. zek. plant. *-OLIE, v. gmv. [† Marionetten]† Marionetten, v. mv. tooneelpoppetjes. *-, *-SPEL, o. poppenspel. [Mariotte]Mariotte, (nat.) flesch van -, toestel waarmede men eene standvastige uitvloeijing van lucht verkrijgt; wet van -. [↑ Maripriem]↑ Maripriem, m. (-en), zeilmakersnaald. [† Maritaal]† Maritaal, bn. den getrouwden man toekomende. [Mark]Mark, o. zek. goud- en zilvergewigt (= 245 wigtjes); gewigt voor edelgesteente (= 1200 karaat); zek. ingebeelde munt (te Hamburg enz.). *-, v. (-en), teeken, merk, aanwijzing; grond. *-, *-E, v. landstreek, omgrensde strook grond. *-BOEK, o. (-en), register eener marke. *-EVERDEELING, v. (-en). [Marketenter]Marketenter, m., *...TENTSTER, v. (-s), zoetelaar, -ster. [Markgenooten]Markgenooten, m. mv. bewoners eener marke. [Markgraaf]Markgraaf, m. (...aven), (oudt). titel van een regeerder eener kleine strook land; (thans) eenvoudig een titel, markies. *-SCHAP, o. (-pen), gebied onder het gezag van eenen markgraaf. *...GRAFELIJK, bn. *...GRAVIN, o. (-nen). [Markpaal]Markpaal, m. (...alen), grenspaal. *...REGTER, m. (-s). *...STEEN, m. (-en), grenssteen. [† Markotten]† Markotten, bw. gel. (ik markotte, heb gemarkot), heesterachtige planten vermenigvuldigen. [Markt]Markt, v. (-en), plaats van koop en verkoop; bijeenkomst van handelaren; openbaar plein in eene stad; prijs, loopende prijs (van handelsartikelen); fondsen-, effectenprijs; plaats waar de effecten verhandeld worden; willige, flaauwe -, met veel -, met weinig kooplust; stijgende, dalende -, met rijzing -, met daling der prijzen; iets op eene hooge - (iets duur) koopen; onder, boven de - (lager, hooger dan den loopenden prijs) verkoopen; de - liep op en af (rees en daalde); (fig.) zijne huid zelf ter - brengen, zich in eigen persoon verdedigen; (fig.) bij het scheiden van de - leert men de koopluî kennen, als men van elk. afgaat kent men elkander; (fig.) hij is van alle -en te huis, hij weet van alles; (fig.) hij is van alle -en teruggekomen, hij heeft reeds alles bij de hand gehad. *-DAG, m. (-en), dag waarop markt gehouden wordt. *-EMMER, m. (-s), emmer waarmede men naar de markt gaat om inkoopen te doen. *-EN, bw. ow. gel. (ik markte, heb gemarkt), ter markt brengen, - gaan. *-GANG, m. het gaan naar de markt, het bezoeken van de markt. *-GANGER, m.,
*-GANGSTER, v. (-s), die ter markt gaat. *-GELD, o. betaling voor het gebruik der markt (voor het gebruik van den openbaren grond om er op uit te stallen). *-KRAAM, v. (...amen), tent, uitstalling, stalletje. *-KRAMER, m. (-s). *-KRAAMSTER, v. (-s). *-MAND, v. (-en). *-MEESTER, m. (-s), opzigter der markt. *-PLAATS, v. (-en). *-POLITIE, v. verordening op de -, bepalingen tot het bewaren der orde op de markt. *-PRIJS, m. (...zen), prijs waarvoor waren op de markt verkocht zijn. *-REGT, o. (-en), marktgeld. *-SCHREEUWER, m. (-s), kwakzalver. *-SCHUIT, v. (-en). *-VLEK, o. (-ken), groot dorp. *-VROUW, v. (-en), verkoopster op de markt. [Marlen]Marlen, bw. gel. (ik marlde, heb gemarld), (zeew.) de onderlijken der zeilen omwinden met marlijn. *...LIJN, *...LING, v. touw geschikt om iets vast te binden. -DRAAD, m. (...aden). [† Marli]† Marli, o. soort weefsel, halfzijden stof. [Marlpriem]Marlpriem, m. (-en), (zeew.) splitijzer, splithout. *...SLAG, m. (-en), (zeew.) knoop in het touw. *...REEP, m. (...epen), (zeew.) zek. touw. [Marmel]Marmel, m. (-s), knikker (waarmede de kinderen spelen). *-AAR, m. (-s), die papier marmert. *-ADE, v. ingesuikerde boomvrucht; met suiker verdikt vruchtensap. *-DIER, o. (-en), spaansche bergrot. *-EN, bw. ow. gel. (ik marmelde, heb gemarmeld), (aan iets) de kleur van marmer geven; met knikkers spelen, knikkeren. *-ING, v. het marmelen. [Marmer]Marmer, m. en o. gmv. soort digt korrelig kalkgesteente; (o. voor de stof, m. voor den steen). *-, m. (-s), knikker. *-BEELD, o. (-en), beeld van marmer. *-BEELDHOUWER, m. (-s), beeldhouwer in marmer. *-BEWERKER, m. (-s). *-BLAD, o. (-en). *-EN, bn. van marmer (vervaardigd). -, bw. gel. (ik marmerde, heb gemarmerd), als marmersteen verwen, - kleuren; gemarmerd (of marmer-) papier. *-GROEF, ...VE, v. (...ven), marmermijn. *-ING, v. het marmeren. *-KLEUR, v. (-en). *-MIJN, v. (-en). *-SLIJPER, m. (-s). *-SNIJDER, m. (-s). *-STEEN, m. (-en). *-STEENHOUWER, m. (-s). *-STEENZAGER, m. (-s). [Marmot]Marmot, v. (-ten), popje dat men aan gekken geeft om er mede te spelen. *-, v., *-JE, (B. -N), o. (-s), mormeldier. [Marokijn, Marokkijn, Maroquin]Marokijn, Marokkijn, Maroquin, o. soort leder (bereid uit bokken- en geitenhuiden). [Marot]Marot, v. (-ten), zotskapje. [† Marqueren]† Marqueren, bw. gel. (ik marqueerde, heb gemarqueerd), merken, stempelen. *...QUEUR, m. (-s), teller (bij het biljartspel); oppasser. *...QUIS, m. markies, (titel). *...QUISE, v. markiezin. [Marren]Marren, ow. gel. (ik marde, heb gemard), talmen, dralen. *-, bw. binden, vastleggen, vastmaken. [Mars]Mars, m. gmv. (fab.) god des oorlogs; (oudt. scheik.) ijzer; naam eener planeet, (aangeduid door het teeken [Marsch]Marsch, tw. voorwaarts! voort! op! weg! *-, m. (-en), reis te voet; togt (van militairen); zek. muziekstuk; den - slaan (van tamboers). *-LAND, o. (-en), moerland; laag -, vet -, moerassig land. *-ROUTE, v. (-s), reisweg, rigting van den togt. *-VAARDIG, bn. (-er, -st), gereed om op te rukken. [Marsdrager]Marsdrager, m. (-s), venter, straatkoopman. [† Marseillaise]† Marseillaise, v. naam van een fransch patriotisch lied van 1792. [Marseilles]Marseilles, o. soort geweven stof. [Marsepein]Marsepein, m. soort suikergebak. [† Marsic]† Marsic, m. naam eener ster. [Marsiliaan]Marsiliaan, m. (...anen), soort venetiaansch vaartuig. [Marsklimmer]Marsklimmer, m. (-s), (zeew.) matroos die in de mars klimt. *...KNIEÊN, v. mv. (zeew.). *...KRAMER, m. (-s), venter. *...LANTAARN, v. (-en), *...MAST, m. (-en), *...RANDEN, m. mv., *...SALINGEN, m. mv., *...SCHOOT, m. (...oten), *...STENG, v. (-en), *...VAL, m. (-len), *...VELLEN, v. mv., *...ZEIL, o. (-en), *...ZEILSKOELTE, v., *...ZEILSREEP, m. (...epen), *...ZEILSVAL, m. (-len), (alle scheepsuitdrukkingen). [Martelaar]Martelaar, m. (-s, ...aren), bloedgetuige, iem. die om de belijdenis zijner godsdienst allerlei folteringen verduurt; (fig.) iem. die veel leed verduurt; (ook) die anderen foltert; (fig.) knoeijer in zijn werk. *-SBOEK, o. (-en), geschiedenis der martelaren. *-SCHAP, o. gmv. *-SKROON, v. (-en). *-SLIJST, v. (-en). *-STER, v. (-s), *...LARES, v. (-sen), zie MARTELAAR. *...LARIJ, v. pijnbank, foltering. [Marteldood]Marteldood, m. gmv. dood eens martelaars. *...EN, bw. gel. (ik martelde, heb gemarteld), plagen, kwellen, folteren, pijnigen (inz. om het geloof); knoeijen, lomp behandelen. *...ING, v. het martelen, gemartel. *...KROON, v. (-en), kroon eens martelaars. *...TUIG, o. (-en), werktuigen -, gereedschap waarmede men pijnigt. [Marter]Marter, m. (-s), soort sabeldier (dat fijn bont oplevert). *-VEL, o. (-len). [† Martiaal]† Martiaal, bn. (...aler, -st), krijgshaftig. [† Maryland]† Maryland, o. soort tabak (uit den Staat van dien naam in Noord-Amerika). [Mas]Mas, v. (-sen), massa, menigte, hoop. [Maske]Maske, *...QUE, v., *...KER, o. (-s), momaangezigt, grijns; vermomd persoon; voorwendsel, uitvlugt. *-RADE, v. (-n), optogt -, dans van gemaskerden. *-REN, bw. gel. (ik maskeerde of masqueerde, heb gemaskeerd of gemasqueerd), zich onkenbaar maken, vermommen; bedekken, het uitzigt benemen; een gemaskeerd (of gemaskerd) bal, danspartij van vermomden; eene gemaskeerde (bedekte) batterij. [† Maskuliet, Mazuliet]† Maskuliet, Mazuliet, v. (-en), zek. indische sloep. [Massa]Massa, v. (-as), hoeveelheid stof waaruit eenig ligchaam bestaat; hoop, menigte; het geheel; boedel, nalatenschap, de failliete -; meester, (in de negertaal). [† Massacre]† Massacre, m. (-s), gruwelmoord, bloedbad. *...CREREN, bw. gel. gruwelijk vermoorden, afmaken, neêrsabelen. [Massepein]Massepein, (B. *...PAIN), m. marsepein, zek. suikergebak. [† Massief]† Massief, bn. (...ver, -st), zuiver, digt, vast (inz. van metalen); sterk, stevig, hecht. [Mast]Mast, m. (B.m. en v.), (-en), houten staak op schepen (bestemd om de zeilen op te houden en de werking van den wind op die zeilen aan het vaartuig over te brengen); lange paal, heipaal; (fig.) er kunnen geen twee groote -en op één schip zijn, er moet maar één wezen die gebiedt; (fig.) hij zal den - wel opkrijgen, zich wel helpen of weten te redden; (fig.) hooge -en vangen veel wind, aanzienlijke personen staan het meest aan haat en laster bloot; (fig.) hij vaart waar de groote - vaart, hij volgt waar zijn meerdere hem voorafgaat, hij doet wat zijn meester wil; (fig.) hij maakt van zijnen - eene schoenpin, hij bederft iets goeds om eene beuzeling. *-BAND, m. (-en), ijzeren band om den mast. *-BLOEM, v. (-en), bloem van damast. *-BLOK, o. (-ken), (zeew.). *-BOOM, m. (-en), witte pijnboom; (fig.) paal. *-BOSCH, o. (...sschen), pijnboomenbosch; (fig.) veel schepen bij elkander; al de ingeheide palen voor een gebouw. *-DARM, m. (-en), (ontl.). *-ELOOS, bn. zonder mast, van mast beroofd. [Mastelein]Mastelein, *...LUIN, o. koren van half tarwe en half rogge; brood van dit koren gebakken. [Masten]Masten, bw. gel. (ik mastte, heb gemast), van masten voorzien. *-MAKER, m. (-s). *-MAKERIJ, v. (-en). [Masthout]Masthout, o. pijnboomenhout; al de masten van een schip. [† Mastic, Mastik, Mastix]† Mastic, Mastik, Mastix, m. (B.v.) soort geurige hars. *-BOOM, m. (-en). [† Masticatie]† Masticatie, v. het kaauwen. *...COT, o. zek. gesmolten mengsel (bij het bereiden van delftsch aardewerk). [Mastklamp]Mastklamp, m. (-en), (zeew.). *...KLIMMER, m. (-s). *...KOKER, m. (-s), verzameling hout om den voet van den mast (tot steun van dezen). *...KORF, m. (...ven), mars van den mast. *...KRAAN, v. (...anen). *...LIGTER, m. (-s), ligterschip met eenen mast. *...SCHAAL, v. (...alen), zek. maat van de mastenmakers. *...SCHOOR, m. (...oren), loefbalk. *...SPOOR, o. (...oren). *...STUT, m. (-ten), loefbalk. *...VISCH, m. (...sschen), zwaardvisch. *...WANGEN, v. mv. houten tot versterking van den mast aangebragt. *...WACHTER, m. (-s). [† Mastodon]† Mastodon, m. (-s), soort olifant (van een uitgestorven geslacht). *...ZOÖN, m. zoogdier. *...ZOÖLOGIE, v. leer der zoogdieren. [† Masturbatie]† Masturbatie, v. zelfbevlekking. [Mat]Mat, o. (-ten), te maaijen weiland; zek. uitgestrektheid grond; maaltijd; (fig.) iem. op het - komen, iem. overvallen op etenstijd. *-, v. (-ten), spaansch geldstuk; vloer- of gangbelegsel van gevlochten biezen; kooi waarin hanen vechten; slaapplaats; (fig.) in de - zijn, zich in verlegenheid bevinden; (fig.) voor iem. in de - springen, zijne zaak verdedigen. *-, bn. (-ter, -st), vermoeid, uitgeput van krachten; dof, weinig glans hebbende; -goud; eene -te kleur; uitgedroogd, verdord; verloren (in het schaakspel); (fig.) iem. schaak- zetten, iem. pal zetten. [† Matador]† Matador, m. (-en), stierendooder (in Spanje); (in sommige
kaartspelen) de hoogste en op elk. volgende troeven; (fig.) man van groot vermogen of aanzien, iem. die uitmunt in eenige kunst enz. [† Maté]† Maté, o. Paraguay-thee, bladeren eener hulstachtige amer. plant. [Mate]Mate, v. zie MAAT. *-LIJK, bn. en bijw. matiglijk, met mate. *-LOOS, bn. en bijw. zonder maat; bovenmatig. [Matenmaker]Matenmaker, *...VERKOOPER, m. (-s). *-IJ, v. (-en). [† Mater]† Mater, v. moeder; kloostervoogdes; moederkerk; moerschroef; (oudt. scheik.) zilver. [† Materia]† Materia, *...RIE, v. stof, grondstof; zaak, onderwerp, punt van behandeling; etterstof. *...RIAAL, o., ...ALEN, mv. de ruwe stof tot eenig werk, bouwstof, grondstof, bestanddeelen. *...RIALISMUS, ...ME, o. gmv. leer dat de materie of de stof (d.i. de ligchamelijke zelfstandigheid) de eenige en eindoorzaak is van al wat bestaat. *...RIALIST, m. (-en), die zulk eene leer toegedaan is. -ISCH, bn. en bijw. *...RIALITEIT, o. gmv. stoffelijkheid, eigenschap der stof. *...RIÊEL, bn. stoffelijk; ligchamelijk. -, o. voorraad van dingen welke men (b.v. tot de bearbeiding van iets) bezigt; geschut (van een leger). [Matheid]Matheid, v. gmv. vermoeidheid. [† Mathematicus]† Mathematicus, m. (...ci), wiskunstenaar. *...MATIEK, v. gmv. wiskunde; de afgetrokken wetenschappen. *...MATISCH, bn. wiskunstig, overtuigend, uitgemaakt. *...SIS, v. gmv. wiskunde. [Mathoen]Mathoen, o. (-ders), soort vogel. [Matig]Matig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. sober, spaarzaam, zuinig; tamelijk, middelmatig; niet overdreven; vrij goed; bedaard, ingetogen; zedig, kuisch; eene -e hitte; een - leven; een - (gering) inkomen. *-EN, bw. gel. (ik matigde, heb gematigd), matig maken, verzachten; intoomen, beteugelen; verminderen, lenigen; onschadelijk maken. ZICH -, ww. *-ING, v. het matigen. *-HEID, v. gmv. bedaardheid; spaarzaamheid; kuischheid; ingetogenheid; matigheids-genootschap, om het misbruik van sterken drank tegen te gaan. [Matje]Matje, (B. *-N), o. (-s), kleine teenen mat; tafel-, om er iets op te zetten, (ook) tot gedeeltelijke bedekking van het tafellaken. [Matras]Matras, v. (B.m.), (-sen), onderbed; pisglas; destilleerkolf. *-SENMAKER, m. (-s). [† Matres]† Matres, v. (-sen), maîtresse, onderwijzeres, schoolhouderes; minnares; bijzit. [Matrijs]Matrijs, v. (...zen), vorm waarin de drukletters gegoten worden; (muntw.) stempel. [† Matrimonium]† Matrimonium, o. echt, huwelijk, huwelijksleven. [† Matrone]† Matrone, v. (-n), deftige -, bedaagde vrouw. [Matroos]Matroos, m. (...ozen), zeeman, bootsgezel; ligt-, die het gewone scheepswerk doet; vol-, bekwaam voor zijn werk. [Matrozenarbeid]Matrozenarbeid, m. gmv. *...BROEK, v. (-en). *...BUIS, o. (...zen). *...DANS, m. (-en). *...GELD, o. gagie, soldij. *...HUUR, v. vast geld der matrozen voor eene reis. *...KOST, m. gmv. voedsel der matrozen. *...WACHT, v. (-en). *...WERK, o. gmv. [Matschudding]Matschudding, v. gmv. gruis, drek (van koren, rijst enz.); uitschot. [Matsen]Matsen, bw. gel. (ik matste, heb gematst), doodslaan (met eene
knods). *...HAMER, m. (-s), strijdhamer. *...VOT, m. (-ten), zek. scheldnaam. [Mattebiezen]Mattebiezen, o. mv. biezen waarvan men matten maakt. [Matten]Matten, bw. gel. ik matte, heb gemat), met matten of biezen beleggen; vermoeijen, afmatten. *-LISCH, o. bies. *-MAKER, m. *-MAAKSTER, v. (-s). *-VERKOOPER, m. (-s). *-VERKOOPSTER, v. (-s). *...TER, m., *...STER, v. (-s), mattenmaker, -maakster. *...WERK, o. [† Matteren]† Matteren, bw. gel. (ik matteerde, heb gematteerd), afmatten; mat -, dof maken, wit koken (metaal). [† Maturatie]† Maturatie, v. rijpwording. *...RITAS, *...RITEIT, v. rijpheid, volwassenheid. [Mauritius en Lazarus]Mauritius en Lazarus, orde van de heiligen -, italiaansche (sardinische) ridderorde. [† Maxime]† Maxime, v. (-n), grondstelling, maatstaf; leerspreuk. [Maximiliaan]Maximiliaan, orde van -, orde van - Joseph, beijersche ridderorden. [† Maximum]† Maximum, o. (...ma), het grootste, hoogste, meeste; de hoogste prijs, het grootste (vooraf bepaalde) aantal. [Mazelen]Mazelen, v. mv. zek. kinderziekte. *-, ow. gel. de mazelen hebben. [Mazenwerk]Mazenwerk, o. netwerk. [† Mea culpa]† Mea culpa, (het is) mijne schuld, door mijn toedoen. [† Meander]† Meander, m. (-s), kromming, bogt. [† Mechanica]† Mechanica, v. gmv. werktuigkunde, leer der beweging. *...NICUS, m. (...ci), werktuigkundige; handwerksman. *...NIEK, v. gmv. zie MECHANICA; (ook) zamenstelling -, inrigting der werktuigen. *...NISCH, bn. werktuigkunstig, werktuigelijk; (fig.) zonder nadenken. *...NISMUS, o. gmv. inwendige inrigting of zamenstelling van een werktuig, drijfwerk, bewerktuiging. [† Meconine]† Meconine, v. gmv. extractiefstof in het opium. [† Medaille]† Medaille, *...DALJE, v. (-s), eere-, gedenkpenning. *...DAILLIST, m. (-en), kenner -, liefhebber van medailles. *...DAILLON, o. (-s), naamcijfer of portret in eene kleine (meestal eivormige) lijst gevat (als borstsieraad). [Mede, Meê]Mede, Meê, v. gmv. honigwater. *-, bijw. en vz. ook, benevens; met; in gezelschap van, tegelijk, zamen (met een ander); ik zend u hier - (bij dezen brief). 1) *-AANWEZIG, bn. -HEID, v. gmv. *-AANWIJZEND, bn. *-AANZITTEN, ow. ong. (aan tafel, aan den disch). *-ARBEIDEN, ow. bw. gel. *-ARBEIDER, m. (-s). *-ARBEIDSTER, v. (-s). *-BABBELEN, ow. gel. *-BAKKEN, ow. bw. gel. met iets anders (te zamen) bakken. *-BALKEN, ow. gel. *-BEDRIEGEND, bn. *-BEGIFTIGD, bn. -E, m. en v. (-n). *-BEKEREN, ow. gel. *-BELANGHEBBENDE, bn. -, m. en v. (-n), die met anderen belang bij iets heeft. *-BESCHULDIGDE, m. en v. (-n). *-BESTAAN, |
1) Kortheidshalve is de vervoeging weggelaten bij al de met MEDE zamengestelde werkwoorden, en bij de overige woorden die dit voorvoegsel hebben de beteekenis niet opgegeven, ten zij die opgave bijzonder noodig werd geacht.
|
|
ow. onr. *-BESTAANDE, bn. *-BEZITTER, m. (-s). *-BEZITSTER, v. (-s). *-BIDDEN, ow. ong. *-BIJTEN, ow. ong. *-BIKKELEN, ow. gel. *-BILJARTEN, ow. gel. *-BISSCHOP, m. (-pen). *-BLAFFEN, ow. gel. *-BLAZEN, ow. ong. *-BLIJVEN, ow. ong. bij de anderen blijven. *-BLOEIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. *-BOELER, m. (-s), mededinger. *-BOELHOUDER, m. (-s), medebezitter van een erfgoed. *-BOERTEN, ow. gel. *-BORG, m. en v. (-en). *-BRADEN, bw. ow. gel. *-BRANDEN, ow. gel. *-BRENGEN, bw. ow. onr. met zich brengen, - voeren, - dragen; vergezeld zijn of gaan van...; dit brengt natuurlijk mede, een natuurlijk gevolg hiervan is...; de gelegenheid bragt het mede (was er gunstig toe); het gebruik brengt dit mede (wil het). *-BROEDER, m. (-s), ambtgenoot; naaste, evenmensch. -SCHAP, v. (-pen). -, o. gmv. *-BURGER, m. (-s). -ES, v. (-sen). *-BURGERSCHAP, o. gmv. hoedanigheid van medeburger. *-CHRISTEN, m. (-en), broeder in Jezus Christus. *-DANSEN, ow. gel. deelnemen aan den dans. *-DANSER, m. (-s). -ES, v. (-sen). *-DEELBAAR, bn. -HEID, v. gmv. *-DEELEN, bw. ow. gel. kennis geven, berigten, kond -, te weten doen; deelgenoot maken van; deelnemen aan, deelhebben in. -D, bn. *-DEELER, m. (-s), *-DEELSTER, v. (-s). *-DEELGENOOT, m. en v. (-en). *-DEELHEBBER, m. (-s), ...HEBSTER, v. (-s). *-DEELING, v. (-en), kennisgeving, berigt, boodschap. *-DEELZAAM, bn. (...amer, -st), mededeelend, liefdadig. -HEID, v. liefdadigheid. *-DIENSTKNECHT, m. (-en), die met nog een of meer bij denzelfden heer dient. *-DINGEN, bw. ong. wedijveren. -D, bn. *-DINGER, m. (-s), *-DINGSTER, v. (-s), die met anderen naar iets dingt of staat, - eenen prijs zoekt te behalen; † concurrent. *-DINGING, v. † concurrentie. *-DOEN, ow. bw. onr. van de partij zijn; zich bij anderen aansluiten. *-DOOGEN, o. gmv. -DHEID, v. gmv. ontferming, medelijden. *-DOOGEND, *-DOOGZAAM, bn. medelijdend. *-DOOGENLOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), zonder medelijden. *-DRAVEN, ow. gel. *-DRIJVER, ow. bw. ong. *-DRINKEN, ow. bw. ong. *-DURVEN, ow. gel. *-EEUWIG, bn. (godg.) even eeuwig. *-EIGENAAR, m. (-s), *-EIGENARES, v. (-sen), die met een of meer anderen gezamenlijk iets bezit. *- -ERFGENAAM, m. en v. (...amen), die met een of meer anderen eene erfenis krijgt of heeft gekregen. *- -ETEN, ow. bw. onr. deel nemen aan den maaltijd. *- -ETER, m., *- -EETSTER, v. (-s), die deelneemt aan den maaltijd; iem. tot wiens onderhoud men verpligt is. *-GAAN, ow. onr. met anderen gaan, vergezellen; (fig.) doen wat anderen doen; (zeew.) het anker gaat mede (sliert over den bodem). -DE, MEÊGAANDE, bn. getroffen, bewogen, aangedaan. *-GANGER, m. (-s), *-GANGSTER, *-GAANSTER, v. (-s), reisgenoot. *-GENOOT, (B. MEDGENOOT), m. (-en), mededeelhebber, medelid, medgezel. *-GETUIGE, m. en v. (-n). *-GETUIGEN, bw. gel. eee gelijke getuigenis afleggen. *-GETUIGENIS, v. (-sen). *-GEVANGENE, m. en v. (-n). *-GEVEN, bw. ong. iets geven aan iem. die vertrekt; ten huwelijk geven; (fig.) toegevend zijn. *-GEZEL, m. (-len). *-GEZELLIN, v. (-nen). *-GEZELSCHAP, o. (-pen). *-GLIJDEN, ow. ong. *-GOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *-GRAVEN, bw. ong. *-GRAZEN, ow. gel. *-HANDELAAR, m. (-s), koopman met wien men handel drijft, handelsvriend, † correspondent. *-HELPEN, ow. ong. helpen aan iets, medewerken. *-HELPER, m. (-s). *-HELPSTER, v. (-s). *-HULP, v. gmv. *-HULPZAAM, bn. (...amer, -st), behulpzaam, dienstvaardig. *-HUURDER, m., ...STER, v. (-s), die met een ander of met anderen een huis enz.) gehuurd heeft. *-INGEZETENE, m. en v. (-en). *-JAGEN, ow. gel. en ong. *-JASSEN, ow. gel. met anderen zek. kaartspel spelen. *-KEFFEN, ow. gel. *-KEGELEN, ow. gel. deelnemen aan het kegelspel. *-KEIZER, m. (-s), deelgenoot in het keizerschap. *-KENNIS, v. gmv. voorkennis, medeweten. *-KERMEN, ow. gel. *-KIEZER, m. (-s). *-KLAGEN, ow. gel. *-KLANK, m. gmv. *-KLIMMEN, ow. ong. *-KLINKEN, ow. ong. *-KLINKER, m. (-s), (taalk.) letter die niet zonder hulp van eene klinkletter kan worden uitgesproken. *-KNECHT, m. (-en), kameraad in dezelfde dienst. *-KNIELEN, ow. ong. *-KNIKKEREN, ow. gel. *-KOLVEN, ow. gel. *-KOMEN, ow. onr. komen in gezelschap van een of meer personen. *-KRIJGEN, bw. ong. krijgen met anderen; ten huwelijk krijgen; ik heb hem medegekregen, het is mij gelukt hem met mij te nemen. *-KRIJGSMAN, m. (...lieden), wapen-, spitsbroeder. *-KRUIPEN, ow. gel. *-LASSCHEN, ow. gel. *-LEERAAR, m. (-s), ambtgenoot eens leeraars (predikant of onderwijzer). *-LEERLING, m. en v. (-en), schoolmakker. *-LEZEN, ow. ong. lezen met een ander; een boek lezen met een ander of anderen; deelnemen aan voorlezingen. *-LID, o. (...eden), mijne medeleden, medebroeders, leden van hetzelfde genootschap enz. *-LIJDEN, ow. ong. lijden met anderen. -, o. gmv. mededoogen, deernis, erbarming. -D, bn. *-LOOPEN, ow. ong. met anderen loopen; (fig.) gelukken; alles loopt mede (draagt bij) tot hun geluk. *-LUIDEN, ow. gel. *-LUIDEND, bn. -HEID, v. gmv. *-MAAT, m. (-s), *-MAKKER, m. (-s), medgezel. *-MARCHEREN, ow. gel. *-MENSCH, m. (-en), evenmensch, naaste. *-MINNAAR, m. (-s), *-MINNARES, v. (-sen), die met een ander denzelfden man of dezelfde vrouw bemint. *-MINNARIJ, v. (-en). *-MOETEN, ow. onr. genoodzaakt zijn mede te gaan. *-NEMEN, bw. ong. met zich nemen, - voeren; bij zich steken (geld); (fig.) bedriegen, foppen. *-NIJGEN, ow. ong. *-OORZAAK, v. (...aken). *-PACHTER, m. (-s), *-PACHTSTER, v. (-s), die met anderen pacht. *-PLEGER, m. (-s), die met een ander (of met anderen) hetzelfde misdrijf heeft gepleegd. *-PLIGTIG, (B. ...ICHTIG), bn. schuldig (met anderen) aan hetzelfde misdrijf. *-PLIGTIGE, m. en v. (-n). *-PLIGTIGHEID, v. *-PRATEN, ow. gel. *-PROEVEN, ow. gel. *-REEDER, m. (-s). *-REGENT, m. (-en), medebestuurder. *-REGENTES, v. (-sen), medebestuurderes. *-REGEREN, ow. gel. deelnemen aan de regering. *-REIZIGER, m. (-s), *-REIZIGSTER, v. (-s), die met anderen dezelfde reis doet. *-REKENEN, bw. gel. in de rekening opnemen, - begrijpen; (kooph.) in rekening brengen; (fig.) hij rekent niet mede, hij telt niet mede, komt niet in aanmerking. *-RIJDEN, ow. ong. met iem. rijden, plaats nemen in iemands rijtuig. *-SCHEPSEL, o. (-s), natuurgenoot. *-SCHIETEN, ow. ong. *-SCHIKKEN, bw. gel. *-SCHREEUWEN, ow. gel. *-SCHREIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. *-SCHULDEISCHER, *-SCHULDENAAR, m. (-s), die met anderen geld van iem. te vorderen (of aan iem. te betalen) heeft. *-SCHULDIG, bn. -E, m. en v. (-n). *-SLENTEREN, ow. gel. *-SLEPEN, bw. gel. wegslepen; (fig.) verleiden. *-SLUIPEN, ow. ong. *-SPELEN, bw. gel. *-SPELER, m. (-s). *-SPEELSTER, v. (-s). *-SPELLEN, bw. ow. gel. *-SPINNEN, bw. ong. *-SPOEDEN (ZICH), ww. gel. *-SPREKEN, ow. ong. deelnemen aan het gesprek, iem. verdedigen door voor hem te spreken, zich met iets bemoeijen. *-SPRINGEN, ow. ong. *-STANDER, m. (-s), deelgenoot; medebelanghebbende; medepligtige; die met anderen tot dezelfde partij behoort. *-STEMMEN, bw. ow. gel. in-, toestemmen; met anderen zijne stem over iets uitbrengen. *-STEMMING, v. (-en). *-STRIJD, m. gmv. mededinging, wedijver. *-STRIJDER, m. (-s), mededinger; wapenbroeder. *-STUREN, bw. gel. *-TORSCHEN, bw. gel. mededragen. *-TREKKEN, bw. ow. ong. bij -, naar zich toe -, tot zich trekken; reizen met iem., deelnemen aan de reis. *-VALLEN, ow. ong. gelukkig afloopen; beter afloopen dan verwacht werd. *-VAREN, bw. ow. ong. *-VASTEN, ow. gel. *-VECHTEN, ow. ong. *-VERWANT, m. en v. (-en). *-VLIEDEN, ow. ong. *-VLIEGEN, ow. ong. *-VLUGTEN, ow. gel. *-VOEREN, bw. gel. *-VOOGD, m. (-en). *-VOOGDES, v. (-sen). *-VRIJER, m. (-s), medeminnaar. *-VRIJSTER, v. (-s), medeminnares. *-VUREN, ow. gel. met anderen vuur geven, - schieten. *-WAKEN, ow. gel. *-WARIG, bn. zie MEEWARIG. *-WASSCHEN, bw. ow. ong. *-WEENEN, ow. gel. *-WEGEN, bw. ong. *-WEIDEN, ow. gel. *-WERKEN, ow. gel. werken met een ander; deel nemen aan den arbeid; bijdragen tot... *-WERKER, m. (-s), *-WERKING, v. gmv. *-WERKSTER, v. (-s). *-WETEN, o. gmv. kennis; bekendheid (met eene zaak), voorkennis; dit is buiten of met mijn - geschied. *-WETENSCHAP, v. gmv. medeweten. *-WILLEN, ow. gel. verlangen mede te gaan, - medegenomen te worden. *-ZAKKEN, ow. gel. *-ZEILEN, ow. gel. ter zee varen; deelnemen aan eenen zeiltogt. *-ZELFSTANDIG, bn. (godg.). -HEID, v. *-ZINGEN, ow. en bw. ong. *-ZUCHTEN, bw. gel. *-ZUIGELING, m. en v. (-en), zoogbroeder, zoogzuster. *-ZUIPEN, ow. ong. *-ZULLEN, ow. onr. mede moeten (gaan). *-ZWEMMEN, ow. ong. *-ZWERVEN, ow. ong. [Medgezel]Medgezel, m. (-len), *-LIN, v. (-nen), makker, kameraad, genoot. [Mediaan]Mediaan, of *-PAPIER, o. zek. papiersoort; groot -, klein -, groot - post, klein - post, druk-. *-, of *-LETTER, v. soort drukletter. *-ADER, v. (-s), middelader van den arm. [† Mediair]† Mediair, o. bemiddeling, tusschenkomst. *...ATEUR, m. (-s), scheidsman, bemiddelaar. *...ATIE, v. bemiddeling. *...ATIEF, bn. bemiddelend. *...ATISEREN, bw. gel. de gemediatiseerde vorsten, (in Duitschland), vorsten die vroeger souvereinen waren en thans in een afhankelijken toestand zijn gebragt. [† Medicament]† Medicament, o. (-en), *...CIJN, v. (-en), artsenij, geneesmiddel.
*...CIJN, m. (-en), arts. -DRANK, m. (-en). -FLESCH, v. (...sschen). -MEESTER, m. (-s). *...CINAAL, bn. geneeskundig; geneeskrachtig; tot de artsenij behoorende; - gewigt, apothekersgewigt (1 med. pond = 3/8 ned. pond of 375 wigtjes), (1 med. pond = 12 oncen, 1 once = 8 drachmen, 1 drachme = 3 scrupels, 1 scrupel = 20 greinen). *...CINEREN, ow. gel. medicijnen gebruiken, onder geneeskundige behandeling zijn. *...CUS, m. (...ci), geneeskundige, geneesheer, doctor, dokter. [† Medio]† Medio, bijw. midden; - (half) September; in -, in het midden. *-CRE, bn. middelmatig. *-CRITEIT, v. gmv. middelmatigheid. [† Medisch]† Medisch, bn. tot de geneeskunde behoorende; de -e faculteit, een der faculteiten (hoofdvakken van het hooger onderwijs) aan de hoogescholen. [† Meditatie]† Meditatie, v. (...ën), overpeinzing, bespiegeling. *...TEREN, bw. gel. (ik mediteerde, heb gemediteerd), peinzen. [† Medium]† Medium, o. het midden, het middelste; middelweg, middenstof; hulpmiddel; circulerend -, gemunt geld. [† Médjidié-orde]† Médjidié-orde, v. ridderorde in Turkije. [† Medusa]† Medusa, v. het hoofd van -, een gedeelte van het sterrebeeld Perseus. *-HOOFD, o. (-en), afgrijselijk -, schrikbarend voorwerp. [† Medusen]† Medusen, v. mv. zeekwallen, soort zeenetels, zek. dieren. [Meê]Meê, bijw. zie MEDE. *-, v. zek. drank, honigwater. [Mede, Meekrap]Mede, Meekrap, v. zek. plant (die eene roode verfstof oplevert). *-N, bw. gel. (ik meedde, heb gemeed), met meekrap verwen. *-BOER, m. (-en), meekrapbouwer, -verkooper. [Meel]Meel, o. gmv. fijn gemalen graan; andere zetmeel bevattende planten in fijn gemalen toestand. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), naar meel gelijkende, als meel. *-ACHTIGHEID, v. gmv. meelachtige eigenschap van het koren. *-BLOEM, v. zeer fijn meel. *-BOOM, m. (-en), zek. boom. *-BUIL, v. (-en), werktuig der korenmolenaars. *-DAUW, m. gmv. honigdauw. *-DEEG, o. gmv. *-DRADEN, m. mv. (plant.) zek. gedeelte der bloem. *-KALK, m. gmv. zeer fijn gestooten kalk. *-KEVER, v. (-s), meelworm. *-KAMER, v. (-s), *-KIST, v. (-en), bewaarplaats van het meel; (ook) baktrog. *-KOOPER, m. (-s). *-LIJM, v. en o. gmv. lijm uit meel bereid. *-MEES, v. (...ezen), pimpelmees, (vogel). *-PAP, v. (-pen). *-POT, m. (-ten). *-SPIJZEN, v. mv. grutterswaren. *-SUIKER, v. poedersuiker. *-TOBBE, v. (-n). *-TON, v. (-nen). *-TROG, m. (-gen). *-WORM, m. (B.v.), (-en). *-ZAK, m. (-ken). *-ZEEF, v. (...even). [Meenen]Meenen, ow. bw. gel. (ik meende, heb gemeend), denken, vermoeden, gissen, oordeelen; bedoelen; voornemens zijn; het wel met iem. -, (iem.) genegen zijn; ik meen het goed, mijne bedoeling is goed. *...ING, v. (-en), gevoelen, oordeel; bedoeling; oogmerk, doel; van - zijn, voornemens zijn. [Meepsch]Meepsch, bn. (-er), zwak, ziekelijk. *-HEID, v. gmv. [Meer]Meer, (B. MEIR), o. (meren, B. -en), binnenwater. *-, bn. en bijw. vergrootende trap van veel; te -, te eerder, te liever; ik zal er niet - van zeggen, er niet verder over spreken. *-AAL, m. (...alen),
soort paling. *-BAARS, m. (...zen), zek. visch. *-BLAD, o. (plant.) kroos. *-BOEI, m. (-jen, B. -en), (zeew.) houten kist om er schepen aan te beleggen. [Meerder]Meerder, bn. en bijw. grooter, aanzienlijker, verhevener; veel meer (in getal). *-AAR, m. (-s), vermeerderaar. *-EN, m. mv. wees eerbiedig jegens uwe - (jegens hen die boven u geplaatst zijn). -, bw. gel. (ik meerderde, heb gemeerderd), vermeerderen; zek. bewerking bij het breijen (van kousen enz.). *-HEID, v. gmv. overwigt; grooter aantal; bij - van stemmen. *-JARIG, bn. mondig (den ouderdom van 23 jaren bereikt hebbende, volgens de nederl. wet). *-JARIGE, m. en v. (-n). *-JARIGHEID, v. gmv. mondigheid. [Meeren]Meeren, bw. gel. (ik meerde, heb gemeerd), voor en achter vastleggen (een schip) in de haven aan palen of ducdalven. [Meerendeel]Meerendeel, o. gmv. het grootste gedeelte; de meesten. *-s, bijw. voor het grootste gedeelte; in de meeste gevallen. [Meergemeld]Meergemeld, *...GENOEMD, bn. boven gezegd, reeds eenige malen genoemd. [Meergronden]Meergronden, m. mv. laag land van een drooggemaakt meer. [Meerkat]Meerkat, v. (-ten), soort aap. *...KISTEN, v. mv. (zeew.) meerboeijen. *...KOET, v. (-en), waterhoen, (zek. vogel). *...KOL, v. (-len), zek. vogel. *...KRAB, v. (-ben), soort schulpvisch. [Meerle, Marle, Merle]Meerle, Marle, Merle, v. (B.m. en v.), (-n), zek. zingvogel, *...LING, m. (-en), (zeew.) marling, zek. touw. [Meermaal]Meermaal, *-s, *...MALEN, bijw. verscheidene malen, dikwijls, *...MAN, m. (-nen), zeeman. *...MIN, v. (-nen), (fab.) gedrogt half vrouw half visch, sirene. *...PAAL, m. (...alen), paal waaraan een schip wordt vastgelegd *...RADIJS, v. (...zen), mierikwortel. *...RING, m. (-en), ring aan eene kaai, door welken de kabel tot het vastleggen van een schip gehaald wordt. *...SCHUIM, o. zek. aardachtige stof, soort speksteen; -en pijpenkoppen. *...SLACHTIG, bn. ongelijkslachtig; niet overeenstemmende. -HEID, v. gmv. *...SLAK, v. parel (in West-Indië). *...SPIN, v. (-nen). *...TOUW, o. (-en), achtertros, kabel; groot ankertouw. *...VAL, m. (-len), soort visch. *...VISCH, m. (...sschen). *...VOUD, o. een der twee getallen in de spraakkunst. *...VOUDIG, bn. -LIJK, bijw. *...WATER, o. gmv. *...WORTEL, m. (-s), zek. gewas, soort distel. *...ZWIJN, o. (-en), zeevarken; (ook) bruinvisch. [Mees]Mees, v. (meezen), zek. vogel. *-MUILEN, ow. gel. (ik meesmuilde, heb gemeesmuild), grimlagchen. *-MUILER, m. (-s). *-MUIL STER, v. (-s). [Meest]Meest, bn. en bijw. overtreffende trap van veel; het -, het grootste gedeelte, de grootste hoeveelheid. *-AL, *-ENTIJDS, bijw, zeer dikwijls. *-BIEDEND, bn. de -e, die het hoogste bod doet. *-ENDEELS, bijw. het grootste gedeelte. [Meester]Meester, m. (-s), magthebber, opzigter, bestuurder, heer; uitstekend kunstenaar; titel van regtsgeleerden; onderwijzer, leermeester, schoolhouder; wondheeler; vroedmeester; werkman, baas (die knechts heeft); eigenaar, bezitter; naam dien verscheidene ambachtslieden vóór dien van hun handwerk plaatsen (b.v. meester timmerman,
meester smid); (fig.) zich - maken, (iets) bemagtigen, zich in het bezit (van iets) stellen; den - (heer, baas) spelen, te zeggen willen hebben; iets - zijn, iets bedwongen hebben, iets te boven zijn; (ook) iets zeer goed kennen; goed op de hoogte eener zaak zijn; - worden, (van eenen ambachtsman) als baas (met knechts) gaan werken; (oudt.) het meesterregt krijgen (bij de gilden); zich zelven geen - zijn, zich niet kunnen bedwingen; zijne driften zijn hem - (beheerschen hem). *-ACHTIG, bn. (-er, -st), heerschzuchtig; als meester; volmaakt, volkomen. -HEID, v. gmv. gebiedende toon, toon van gezag; volkomenheid. *-EN, bw. ow. gel. (ik meesterde, heb gemeesterd), genezen, behandelen; bedwingen, noodzaken; de heelkundige praktijk uitoefenen; den meester -, den baas spelen; dokteren en -, onder genees- en heelkundige behandeling zijn, deze dikwijls noodig hebben. *-ES, v. (-sen), gebiedster, beheerscheres; vrouw des huizes; onderwijzeres; vrouw die zekeren tak der heelkunde uitoefent. *-GELD, o. (-en), loon eens heelmeesters; (eert.) geld dat men betalen moest bij het verkrijgen van het meesterregt. *-IJ, v. gmv. heelkundige praktijk. *-KNAAP, m. (...apen), regter in houtvesterij-zaken. *-KNECHT, m. (-s), eerste knecht, onderbaas (bij ambachtslieden). *-LIJK, bn. en bijw. op meesterachtigen toon; voortreffelijk, uitmuntend. *-LOON, o. (-en). *-LOOS, bn. zonder meester; onbeheerd. *-POEDER, o. (scheik.). *-REGT, *-SCHAP, o. gmv. het bezitten van het regt van meester (bij ambachtslieden). *-RIB, v. (-ben), (zeew.) zijstuk. *-SCHAP, o. gmv. gezag, overwigt. *-STUK, o. (-ken), iets voortreffelijks (van eenigerlei werk of arbeid); meesterlijke daad; (fig.) het platte van eenen schotel. *-WORTEL, m. (-s), zek. plant. [Meet]Meet, v. (meten), merk, teeken (bij het begin van een speelperk); van -aan (voren) beginnen; boven, onder de -, meer -, minder dan noodig is. *-BAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), gemeten kunnende worden. *-BAARHEID, v. gmv. *-BRIEF, m. (...ven), verklaring betreffende den toestand (lengte, wijdte en tonnenlast) van een schip. *-GELD, o. (-en), loon voor het meten. *-KETTING, m. (-en), gereedschap eens landmeters. *-KRUIS, o. (...zen), zek. gereedschap. *-KUNDE, *-KUNST, v. gmv. deel der wiskunde, leer der uitgebreidheid, - van den afstand; lagere -, hoogere -, analytische -, werkdadige -. *-KUNDIG, *-KUNSTIG, bn. -LIJK, bijw. naar de regelen der meetkunst; tot de meetkunst en hare beoefening behoorende; geometrisch. *-KUNDIGE, m. (-n), *-KUNSTENAAR, m. (-s), beoefenaar -, kenner der meetkunst. *-LIJN, v. (-en), snoer (der timmerlieden, landmeters enz.). *-LOOD, o. (-en), schietlood. *-ROEDE, v. (-n), werktuig eens landmeters. *-STER, v. (-s), vrouw die meet. *-STOK, m. (-ken), maatstok. *-TAFELTJE, (B. -N), o. (-s), landmeters-gereedschap. [† Meeting]† Meeting, v. (-s), vergadering, bijeenkomst (inz. openbare). [Meeuw]Meeuw, v. (B.m.), (-en), zek. zwemvogel. *-EN, ow. gel. zie MAAUWEN. [Meewarig]Meewarig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. medelijdend, barmhartig. *-HEID, v. gmv. medelijden. [Meezenknip]Meezenknip, v. (-pen), knip om meezen te vangen. [† Megaskoop]† Megaskoop, v. (...open), zek. optisch werktuig. [† Megera]† Megera, v. (-as), helsche furie, boosaardig wijf. [Mei]Mei, (B. MAY), m. (B.v.), vijfde maand van het jaar, Bloeimaand (31 dagen); (r.k.) maand der Heilige Maagd. *-, m. (-jen, B. -ien), bloeijende tak, loovertak; ruiker. *-BLOEM, v. (-en). *-BOOM, m. (-en), mast (bij volksspelen). *-BOTER, v. gmv. grasboter. [Meid]Meid, v. (-en), jonge dochter; dienstmaagd. *-ENBED, o. (-den). *-ENDAG, m. (-en), dag waarop dienstmeiden vrij hebben of uitgaan (inz. op kermis). *-ENKAMER, v. (-s). *-ENPRAATJE, (B. -N), o. (-s). [Meidoorn]Meidoorn, m. (-s), hagedoorn, zek. gewas. *...DRANK, *...WIJN, m. zek. geneeskrachtige of versterkende drank (die in de maand Mei gebruikt wordt, inz. in Duitschland). *...HOUT, o. gmv. hout in de maand Mei te vellen of geveld. [Meier]Meier, (B.) m. (-s), mengbeker; groote beker. [Meijer]Meijer, m. (-s), schout, baljuw; bewindhebber; pachter, bruiker eener landhoeve; mansnaam. *-IJ, v. (-en), uitgestrektheid grond onder het gebied van eenen meijer; de - van 's Hertogenbosch. |