N.[N]N, v. de 14de letter van het alfabet; als rom. getalmerk beteekende N eertijds 900 en noorderbreedte; N.O., noordoost; N.W., noordwest; Nr., No., numero, nommer; N.B., nota bene, let wel; N.C., nostro conto, onze rekening (bij het boekhouden); N.m., nova moneta, nieuwe munt; N.N., nomen nescio, ik weet den naam niet, of non nominandus, niet te noemen persoon, of notetur nomen, de uitgelaten naam moet ingevuld worden, (wordt gebruikt om een onbekenden persoon aan te duiden); N.S., nieuwe stijl (in de tijdrekenkunde); (ook) naschrift; N.T., Nieuwe Testament; N.V., Nieuw Verbond; Nto., netto, juist, zuiver. [Na]Na, vz. en bijw. achter; digt, digt bij; hij komt - (achter) mij; - elkander, de een achter den ander; - (over) een jaar; -dezen, voortaan, in de toekomst; op drie gulden -, drie gulden ontbreken er aan; op één -, allen behalve (of uitgezonderd) één; (fig.) te - komen, beleedigen; op verre - niet, of op lange - niet, het scheelt zeer veel; dat ligt mij - aan het hart, hierin stel ik zeer veel belang; op weinig -, er scheelt weinig aan. (Zie NADER, NAAST). [Naad]Naad, m. (naden), naaisel, naaiwijze, aard van naaijen; (zeew. en timm.) vereeniging tusschen twee planken; weg; (zeew.) vereeniging der banen van een zeil; (ontl.) vereenigingspunt van twee of meer stukken; (heelk.) hechting eener versche wond; soort breiwerk; (kleêrm.) vasthechting van de voering aan het laken enz.; (plant.) streep in de lengte op de bladeren der peulvruchten. *-HAAK, m. (...aken), (zeew.) soort ijzeren werktuig. *-JE, (B. -N), o. steek (eener kous), twee gangen (bij het breijen); (fig.) zijn - naaijen, zonder veel vertoon (of gerucht) zijne zaken drijven; (ook) weten vooruit te komen. *-PREZENNINGS, v. mv. (zeew.) smalle strooken geteerd zeildoek tot dekking van de naden en luiken. [Naaf, Nave]Naaf, Nave, v. (naven), deel van een wiel of rad. *-BAND, m. (-en). *-BOOR, v. (...oren). *-BUS, v. (-sen). [Naaibank]Naaibank, v. (-en), boekbindersgereedschap. *...BOUTEN, m. mv. (zeew.) koppelbouten. *...DOOS, v. (...zen), bergplaats voor het naaigereedschap. *...GAREN, o. gmv. [Naaijen]Naaijen, (B. NAAIEN), bw. ow. gel. (ik naaide, heb genaaid), door middel van naald en draad iets bewerken, met de naald vasthechten; (zeew.) aanslaan, beleggen; § bekennen, bijslapen. [Naaikamer]Naaikamer, v. (-s). *...KATOEN, o. gmv. *...KIND, o. (-eren), leermeisje op eenen naaiwinkel. *...KISTJE, (B. -N), o. (-s), bergplaats voor naaigereedschap. *...KUSSEN, o. zek. naaigereedschap. *...MACHINE, v. (-s), toestel om naaiwerk zonder menschenhanden te maken. *...MANDJE, (B. -N), o. (-s). *...MEISJE, (B. -N), o. (-s), zie NAAIKIND. *...NAALD, v. (-en). *...RING, m. (-en), kleêrmakersduimring. *...SCHOOL, v. (...olen). *...WERK, o. gmv. *...WINKEL, m. (-s), naaischool. *...ZIJDE, v. zijde in draden om er mede te naaijen. [Naaister]Naaister, v. (-s), maakster van (inz. vrouwen-) kleedingstukken. [Naakt]Naakt, bn. en bijw. (-er, -st), bloot, onbedekt (van het ligchaam enz.); ontbloot; openbaar; open (van een land); zonder gras (van een veld); ledig (zonder huisraad); (fig.) eenvoudig, onbewimpeld; arm, behoeftig; - en bloot, aan alles gebrek hebbende; de
-e (bloote) waarheid. *-, *-E, o. (schild.) naar het - teekenen; het -, de naaktheid. *-ELIJK, bijw. onbewimpeld, ronduit. *-HEID, v. gmv. het onbedekte; armoede, nooddruft; eenvoudigheid, het onbewimpelde. *-LOOPERS, m. mv. (eert.) adamieten, zek. dwaalgeesten; (ook) wederdoopers. *-ZADIGEN, m. mv. zek. plantenklasse. [Naald]Naald, v. (-en), gereedschap om te naaijen, stoppen, breijen enz.; wijzer (van een kompas enz.); gedenkzuil; (zeew.) strook hout; (bouwk.) spits; zek. kegel- of pijnappelvormige vrucht (van boomen, b.v. dennennaalden); electrische -, werktuig dat het aanwezen van electriciteit verraadt; (fig.) van draad tot -, van het begin tot het einde; voor elke - eenen draad hebben, op alles weten te antwoorden. *-AAR, v. gras. *-BOOMEN, m. mv. kegeldragende gewassen (b.v. pijn-, dennen-, cypres-, taxisboomen enz.). [Naaldekervel]Naaldekervel, v. zek. plant. *...KOP, m. (-pen), bovenste gedeelte eener naald. [Naaldenfabriek]Naaldenfabriek, v. (-en). *-ANT, m. (-en). *...GELD, o. gmv. fooi, geschenk in geld. *...HOUT, o. dennehout enz. (Zie NAALDBOOMEN). *...KOKER, m. (-s), langwerpige koker om er naalden in te bewaren. *...KOOPER, m. (-s). *...KOOPSTER, v. (-s). *...LAP, m. (-pen), stuk stof waarop de naalden gestoken worden. *...MAKER, m. (-s). *...OOG, o. (-en), opening in eene naald waardoor de draad gehaald wordt. *...VERKOOPER, m. (-s). *...VERKOOPSTER, v. (-s). *...VORMIG, bn. pyramidaal, spits toeloopende. *...WERK, o. borduursel met de naald; naaiwerk. *...WINKEL, m. (-s). [Naaldswijze]Naaldswijze, bijw. als eene naald. [Naaldvisschen]Naaldvisschen, m. mv. geslacht van troskieuwige visschen. *...VORMIG, bn. zie NAALDENVORMIG. [Naam]Naam, m. (namen), woord waarmede zek. persoon of zaak aangeduid wordt; (fig.) vermaardheid; bekendheid; in Gods -, om den wille van God; zeg hem dit uit mijnen - (op mijn bevel, op mijn verzoek); in een goeden, slechten - staan, gunstig -, ongunstig bekend zijn; ik wil er den - niet van hebben, ik wil er niet voor gehouden worden; hij is dit slechts in - (niet werkelijk); (fig.) het kind bij zijnen regten - noemen, eene zaak niet verhelen; bij name, namelijk, met den naam van. *-BUIGING, v. (-en), (taalk.) verbuiging der naamwoorden. *-CHRISTEN, m. (-en), niet opregt christen. *-CIJFER, o. (-s), of -GETAL, o. (-len), eenige letters door elk. gestrikt. *-DAG, m. (-en), of *-FEEST, o. (-en), (r.k.) dag gewijd aan eenen heilige wiens naam men draagt. *-DICHT, o. (-en), gedicht waarin de eerste letters van de regels te zamen den naam van eenen persoon vormen. *-DICHTER, m. (-s). *-GEK, m. (-ken), die verzot is op een naar hem genoemd kind. *-GENOOT, m. (-en), hij is mijn -, hij draagt denzelfden naam als ik. *-GEVING, v. het geven van den naam (bij den doop of de besnijdenis, bij het bouwen van een schip). *-HAFT, -IG, bn. en bijw. (-er, -st), beroemd, vermaard. *-LETTERKEER, m. (-en), het verplaatsen der letters van eenen naam om er andere woorden van te vormen. *-LIJST, v. (-en), lijst -, rol -, opeenvolgende reeks namen (van personen of zaken).
*-LOOS, bn. zonder naam; (zie ook NAMELOOS); eene naamlooze maatschappij of vennootschap (wier aandeelen niet op naam der houders zijn). *-ROOF, m. gmv. laster. *-ROOVEND, bn. lasterend. *-ROOVER, m., *-ROOFSTER, v. (-s), lasteraar, -ster. *-RUCHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. beroemd, vermaard. *-STEMPEL, m. (-s), werktuig waarmede men op papier zijnen naam zet in plaats van dien te schrijven. *-SWIJZE, bn. volgens naam, nominaal; -oproeping, appel nominaal. *-TEEKEN, o. (-s), *-TREK, m. (-ken), handteekening niet met den naam voluit, paraphe. *-VAL, m. (-len), (taalk.) geval, † casus. *-VERTALING, v. (-en), verandering van naam door overzetting. *-WISSELING, v. (-en), (red.) het nemen van de oorzaak voor de werking of omgekeerd (b.v. grijze haren voor ouderdom; de flesch voor den wijn of drank die er in is). *-WOORD, o. (-en), (taalk.) een der rededeelen; zelfstandig -, bijvoegelijk -. *-ZIEK, bn. eene voorliefde hebbende voor zekere namen. [Naäpen]Naäpen, 1) bw. gel. (ik aapte na, heb nageaapt), nabootsen, nadoen, namaken. *...APER, m. (-s). *...AAPSTER, v. (-s). *...APING, v. (-en). |
1) Om ruimte te winnen, is bij vele der met het scheidbare voorzetsel NA zamengestelde werkwoorden de beteekenis niet opgegeven, waar zij niet anders kan zijn dan dat de verrigting, door het werkwoord aangeduid, geschiedt bij herhaling, nadat zij reeds volbragt is of nadat een ander ze reeds volbragt heeft; zie b.v. NA-ARBEIDEN; terwijl voor de vervoeging naar die werkwoorden zelven verwezen wordt.
|
[Naar]Naar, vz. in de rigting van, ik ga naar Parijs; zij gaan - huis; volgens, als voorbeeld, hij teekent - de natuur; handel - mijne woorden; - mijn gevoelen; overeenkomstig, - wensch; tot, de oogen - den hemel geslagen; hij heet - mij, hij draagt mijnen naam; - iem. vragen, iem. willen spreken, (ook) willen weten hoe hij zich bevindt. *-, vw. zoo als, gelijk; - men zegt; - men wil; - gij verdient; - behooren, zoo als het behoort of betaamt. *-, bn. en bijw. (-der, -st), akelig, ijselijk, treurig, droevig; slecht, verschrikkelijk; somber, doodsch; ongesteld, onpasselijk; het ziet er - met hem uit, hij verkeert in zeer ongunstigen toestand. [Na-arbeiden]Na-arbeiden, bw. gel. arbeiden na een ander; voortarbeiden. [Naardemaal]Naardemaal, *...DIEN, vw. vermits, dewijl, aangezien dat, omdat. [Naären]Naären, bw. gel. (ik aarde na, heb nageaard), korenaren op den akker nalezen. [Naarheid]Naarheid, v. gmv. ellendige -, rampzalige toestand, het akelige. [Naarmate]Naarmate, of NAAR MATE, bijw. volgens, in verhouding van (of tot). [Naars]Naars, v. zie AARS. [Naarstig]Naarstig, bn. (-er, -st), *-LIJK, bijw. ijverig, werkzaam, vlijtig, oplettend, leergierig. *-HEID, v. gmv. vlijt, oppassendheid. [Naast]Naast, vz. digt bij, nabij, nevens, ter zijde van. *-, bn. kortste (van afstand enz.), eerste; de -e (kortste) weg; hij is mijn -e buurman, zijn huis belendt het mijne; mijn -e bloedverwant (in digten graad van verwantschap); de -e (eerste, eerstkomende) gelegenheid; de -e (minste, laagste) prijs; de -e tot iets zijn, het meeste regt op iets
hebben, het meest geregtigd tot iets zijn; (spr.) ieder is zich zelven de -e, zijn eigen belang gaat voor alles; ten -e bij, of ten -en bij, ongeveer. *-BESTAANDEN, m. mv. bloedverwanten. *-E, m.v. (-n), evenmensch, natuurgenoot. *-EN, bw. gel. (ik naastte, heb genaast), benaderen, toeëigenen, (zich) in het bezit (van iets) stellen. -, o. *-ING, v. benadering, toeëigening. *-VOLGEND, bn. eerstvolgend. [Naauw]Naauw, bn. en bijw. (-er, -st), eng, niet wijd; smal; klein van omvang, met weinig ruimte; gierig, inhalig; streng, stipt, naauwkeurig; innig, hartelijk; het zal er zoo - niet op aankomen, men zal zoo stipt niet zien; hij behelpt zich zeer -, hij leeft zeer bekrompen. *-, o. zeeëngte, straat; verlegenheid, benaauwdheid, knel; in het - zijn, in de klem zitten; iem. in het - zetten of brengen, iem. in groote verlegenheid brengen; - ingesloten (van eene belegerde stad). *-BEZET, bn. gierig, karig. *-ELIJKS, bijw. te naauwernood, pas. *-EN, ow. onp. w. gel. (het naauwde, heeft genaauwd), (eert.) naauwer maken; (thans) in verlegenheid geraken; het naauwt hem zeer. *-ER, bn. te of ter -nood, met groote moeite. *-GEZET, bn. (-er, -st), stipt, naauwkeurig; eerlijk, gemoedelijk. -HEID, v. gmv. *-HEID, v. gmv. engheid; (fig.) karigheid. *-KEURIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. stipt, juist; afgemeten. -HEID, v. gmv. *-LETTEND, bn. (-er, -st), zeer oplettend. -HEID, v. gmv. *-NEMEND, bn. naauwziende. *-TE, v. (-n), enge -, smalle weg, bergengte; zeeëngte; naauwe doorvaart; naauwe invaart; naauwe opening in eene vischfuik; (fig.) angst, benaauwdheid. *-TJES, (B. *-TJENS), bijw. een weinig naauw, inhalig. *-ZIENDE, bn. al te oplettend; (fig.) karig. [Nabaauwen]Nabaauwen, bw. ow. gel. iemands woorden herhalen, - nazeggen; weêrgalmen. *-, o. *...BAAUWING, v. *...BABBELEN, bw. gel. *...BAFFEN, *....BASSEN, bw. gel. achter iem. terwijl hij voortgaat baffen of bassen. -, ow. het baffen nabootsen. *...BAKKEN, bw. gel. na iets anders bakken; (fig.) nabootsen, namaken. -, ow. nog bakken na reeds gebakken te zijn. *...BALKEN, bw. ow. gel. 1) . *...BANKET, o. nageregt, dessert. *...BAZUINEN, bw. ow. gel. *...BEDENKEN, bw. onr. nadenken, overwegen. *...BEELDEN, bw. gel. naschilderen, nateekenen. *...BEROUW, o. gmv. spijt, wroeging. *...BESTAANDE, m. en v. (-n), bloedverwant. *...BETALEN, bw. gel. later betalen dan op het vastgestelde tijdstip; bijbetalen, aanzuiveren. -, o. *...BETALING, v. (-en). *...BETRACHTING, v. (-en), nadere overweging. *...BIDDEN, bw. ow. ong. het gebed eens anderen naspreken; na een ander bidden. *...BIER, o. dun bier (drank). |
1) Voor dit en andere met NA zamengestelde werkwoorden geldt de tweeledige beteekenis, bij NABASSEN opgegeven.
|
[Nabij]Nabij, (B. NABY), bijw. digt bij, niet verwijderd, niet ver af. *-GELEGEN, bn. *-HEID, v. gmv. korte afstand. *-KOMEND, bn. gelijkend, weinig verschillend, nog al overeenkomend. [Nabinden]Nabinden, bw. gel. laten binden. *...BINDER, m. (-s). *...BINDSTER, v. (-s). *...BLADEREN, bw. gel. nog eens doorbladeren (een boek). *...BLAFFEN, bw. ow. gel. *...BLATEN, bw. ow. gel. *...BLAZEN,
bw. ong. blazen na een ander; iem. die vertrekt achterna blazen (op eene trompet enz.); nabootsen de wijze waarop iem. blaast. *...BLEEKEN, bw. ow. gel. nog eens -, later bleeken. *...BLIJVEN, ow. ong. achter-, overblijven; overleven; de -den, de langstlevenden. *...BLOED, o. de nakomelingen. *...BLOEDEN, ow. gel. voortgaan met bloeden, nog bloeden. *...BLOEIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. wederbloeijen, herbloeijen. [Nabob]Nabob, m. (-s), indisch landvoogd, gezaghebber; (fig.) iem. die in Indië rijk is geworden. [Naboenen]Naboenen, bw. gel. *-, o. *...BOENING, v. *...BOOMEN, bw. gel. *...BOOTSEN, bw. gel. (ik bootste na, heb nagebootst), nadoen, namaken. -, o. *...BOOTSING, v. (-en). *...BORDUREN, bw. ow. gel. naar een voorbeeld (model) borduren; borduren als (ook na) een ander. *...BOREN, bw. gel. nog eens -, op nieuw boren. *...BORSTELEN, bw. gel. nog eens -, op nieuw borstelen. *...BOUWEN, bw. gel. bouwen naar een voorbeeld (model); op nieuw bouwen. *...BRABBELEN, bw. gel. *...BRABBELAAR, m. -STER, v. (-s). *...BRANDEN, ow. bw. gel. nog eens -, langer branden. *...BREIDEN, *...BREIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...BRENGEN, bw. onr. iets aan iem. brengen na zijn vertrek. *...BRIESCHEN, bw. gel. *...BRODDELEN, bw. gel. *...BROMMEN, bw. ow. gel. *...BRUIJEN, (B. ...IEN), bw. ow. *...BRUILOFT, v. (-en), feestmaal na de bruiloft. *...BRUISEN, (B. ...SCHEN), bw. gel. *...BRULLEN, bw. gel. *...BUIGEN, ow. bw. ong. *...BUITELEN, bw. gel. *...BULKEN, bw. gel. *...BURIG, bn. (-er, -st), nabij gelegen, omliggend. *...BUUR, m. (...uren), buurman. -SCHAP, v. *...BUURSTAD, v. (...eden), digtbijgelegen stad. [Nacht]Nacht, m. (B.v.), (-en), tijd gedurende welken de halve aardbol verduisterd is, (tegenstelling van dag); (fig.) duisternis, het duistere; bij - en ontijden (en op andere buitengewone uren). *-ANKER, o. (-s), (zeew.). *-BEZOEK, o. (-en), bezoek dat 's nachts gebragt (of dat 's avonds aanvangt en 's nachts voortgezet) wordt. *-BLAKER, m. (-s), toestel om er eene kaars op te zetten. *-BLINDE, m. en v. (-n), iem. die alleen bij dag de hem omringende voorwerpen kan zien. -, v. (-n), vensterluik dat 's nachts gesloten wordt. *-BLINDHEID, v. gmv. *-BLOEIJEND, (B. ...IEND), bn. (van zek. planten en gewassen). *-BLOEM, v. (-en), bloem wier bladeren zich alleen des nachts openen. *-BOOG, m. (sterr.) beneden den horizon gelegen gedeelte van den parallelcirkel eens hemelligchaams. *-BRAKEN, ow. gel. (ik nachtbraakte, heb genachtbraakt), 's nachts werken (inz. letterkundigen arbeid verrigten); (ook) den nacht in zwelgerij doorbrengen. *-BRAKING, v. *-DAS, m. (-sen), *-DOEK, m. (-en), hals- of omslagdoek die 's nachts gedragen wordt. *-DIEF, m. (...ven), die bij nacht steelt. *-DIEVERIJ, v. (-en), diefstal bij nacht. [Nachtegaal]Nachtegaal, m. (...alen), zek. zangvogel; (dicht.) philomeel; (fig.) hollandsche -, kikvorsch; (fig.) - op de peluw, vrouw die in bed knort. [Nachtelijk]Nachtelijk, bn. en bijw. 's nachts gebeurende, tot den nacht behoorende. [Nachtevening]Nachtevening, v. tijd wanneer dag en nacht elk 12 uren lang en dus aan elk. gelijk zijn (twee maal in het jaar, 21 Maart en 21
September). *-SPUNT, o. (-en). *...GAST, m. en v. (-en), reiziger -, reizigster die ergens nachtverblijf geniet. *...GEBAAR, *...GERAAS, o. gmv. leven -, getier -, rumoer in den nacht. *...GEBED, o. (-en), gebed vóór dat men zich ter ruste begeeft. *...GEDACHTEN, v. mv. overpeinzingen gedurende den nacht. *...GEDROGT, o. (-en), *...GEEST, m. (-en), *...GESPUIS, o. akelige verschijning in den nacht; heir van spoken. *...GEWAAD, o. (...aden), kleedingstukken waarmede men 's nachts in bed ligt; (ook) losse ochtendkleeding. *...GEZANG, o. (-en), (r.k.). *...GEZIGT, o. (-en), verschijning in den nacht; schilderstuk dat eenen nacht voorstelt. *...GLAS, o. (...zen), (zeew.) zandlooper van acht glazen (die vier volle uren loopt). *...GOED, o. gmv. nachtgewaad. *...HALSDOEK, m. (-en). *...HEMD, o. (-en). *...HUIS, o. (...zen), publieke plaats waar 's nachts gelag gezet en gedanst wordt. *...HUISJE, (B. -N), o. (-s), (zeew.) houten kast met drie vakken waarvan twee elk een kompas bevatten en in het middelste eene lamp is geplaatst om de beide andere te verlichten. *...HUT, v. (-ten). *...JAPON, m. (-nen). *...KAARS, v. (-en), zeer dunne kaars. *...KAPEL, v. (-len), zek. vlinder. *...KEVER, v. (-s), zek. insekt. *...KRAB, v. (-ben), krab die men zich des nachts in den slaap geeft. *...KROEGER, m. (-s), die den nacht in de nachthuizen doorbrengt. *...KWARTIER, o. (-en), nachtverblijf. *...LAMP, v. (-en). *...LEGER, o. (-s), nachtverblijf; slaapplaats. *...LICHT, o. (-en). *...LIJFJE, (B. -N), o. (-s), soort keurslijf dat bij nacht gedragen wordt. *...LOOPER, m., *...LOOPSTER, v. (-s), lichtmis, gemeen vrouwspersoon. *...LUCHT, v. gmv. *...MAAL, o. avondeten; het heilige - of avondmaal. *...MAALTIJD, m. (-en). *...MANNETJE, (B. -N), o. (-s), spook, geest, nachtduivel. *...MANTEL, m. (-s). *...MERRIE, v. (...ën), zek. drukking van het bloed in den slaap. *...MUTS, v. (-en). *...MUZIEK, v. serenade. *...POST, v. (-en), wacht bij nacht. *...PUISTJES, (B. ...NS), o. mv. puistjes die soms 's nachts op de handen komen. *...RAAF, v. (...aven), zek. vogel. -, m. iem. die veel 's nachts werkt. *...RAVEN, ow. gel. (ik nachtraafde, heb genachtraafd), 's nachts werken; (ook) de nachten in losbandigheid doorbrengen. *...REIGER, m. (s), zek. vogel. *...ROK, m. (-ken), huis-, kamerjapon. *...RONDE, v. (-n), ronde die 's nachts gedaan wordt (door eene stad, een gebouw enz.), patrouille. *...ROOFVOGELS, m. mv. uilen enz. *...ROOM, v. room van één nacht. *...RUST, v. gmv. rust die men 's nachts geniet, slaap. *...SCHADE, v. zek. plant. *...SCHADUWE, v. zek. plant. *...SCHILDWACHT, v. (-en). *...SCHOONE, v. zek. plant. *...SCHOT, o. (-en), (zeew.) schot om aan te kondigen dat het dagwerk verrigt is; seinschot des nachts. *...SCHUIT, v. (-en), veerschuit die 's avonds afvaart om 's morgens ter plaatse harer bestemming te zijn; (fig.) met de - komen, laat komen; (ook) nieuws vertellen dat iedereen reeds weet. *...SEINEN, o. mv. (op schepen). *...SLOT, o. (-en), dubbel slot. § *...SPIEGEL, m. (-s), waterpot. *...SPOOK, o. (...oken). *...STILTE, v. gmv. *...STUDIE, v. (...ën), studie bij nacht. *...STUK, o. (-ken), schilderij die eenen nacht voorstelt. *...TABBAARD, m. (-en), huisjapon. *...TAFEL, v. (-s), tafel voor het bed. *...TEEKENS, o. mv. (sterrew.) teekens van den dierenriem die 's nachts zekeren invloed uitoefenen (Stier, Kreeft, Maagd, Schorpioen, Steenbok, Visschen). *...UIL, m. (-en), zek. vogel. *...UILTJE, (B. -N), o., *...VLINDER, m. (-s), *...WITJE, (B. -N), o. (-s), zek. insekt. *...VIOOL, v. (...olen), *...VIOLIER, m. (en), zek. bloem. *...VOGEL, m. (-s). *...VORST, v. gmv. het vriezen bij nacht. *...VROUWTJE, (B. -N), o. (-s), soort spook. *...WAAK, *...WAKE, v. het waken bij nacht. *...WACHT, v. het wachthouden bij nacht. -, m. (-s), klepperman. *...WAKER, m. (-s), schildwacht bij nacht; nachtwacht. *...WANDELAAR, m., -STER, v. (-s), die 's nachts opstaat en in den slaap als wakende rondloopt. *...WANDELEN, o. somnambulisme. *...WERK, o. gmv. werk dat 's nachts verrigt wordt; het ruimen van sekreten, riolen enz. *...WERKER, m. (-s), sekreet-, rioolruimer. *...WIJZER, m. (-s), (zeew.) tijdwijzer bij nacht. *...WORM, m. (B.v.), (-en), zek. glimworm. *...ZOEN, m. (-en), kus vóór dat men slapen gaat. *...ZORG, v. (-en). *...ZWALUW, v. (-en), zek. vogel. *...ZWEET, o. gmv. [Nacijferen]Nacijferen, bw. gel. nog eens -, overrekenen. *...COURANT, *...KRANT, v. (-en), buitengewoon nommer van een dagblad, bijvoegsel tot eene courant nadat deze reeds is uitgegeven. *...DAGEN, m. mv. tijd gedurende welken een leerjongen of leermeisje na volbragten leertijd nog als leerling moet werkzaam zijn om de verzuimde dagen te vergoeden; zie NAKERMIS; (fig.) op zijne - zijn, oud worden; (ook) in verval geraken. *...DALEN, bw. gel. iem. volgen die nederdaalt. *...DANSEN, bw. ow. gel. iem. in het dansen volgen; eenen dans nadoen; na -, achter iem. dansen. [Nadat]Nadat, vw. na verloop van (zekeren tijd); na het verrigten van (zek. werk). [Nadeel]Nadeel, o. (-en), schade, verlies; schande, oneer; ten -e van. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. schadelijk; met schade; vernederend, schandelijk; ongunstig. [Nademaal]Nademaal, vw. naardien, vermits. [Nadenken]Nadenken, bw. onr. denken over iets, overleggen, bepeinzen. *-, o. *...DENKING, v. overdenking; vermoeden, achterdocht. *-D, bn. overpeinzend; behoedzaam, voorzigtig; argwanend, achterdochtig. [Nader]Nader, *-BIJ, bn. en bijw. digter bij, minder verwijderd; korter; juister, naauwkeuriger; nieuwer; later; verder; uitvoeriger. *-EN, ow. bw. gel. (ik naderde, heb of ben genaderd), digter bij komen, - brengen, vooruit komen. *-END, bn. (wisk.) approximatief. *-HAND, bijw. vervolgens, daarna. *-ING, v. gmv. het naderen. [Nadeunen]Nadeunen, bw. gel. neuriënde herhalen. *...DEZEN, bijw. hierna. [† Nadir]† Nadir, o. voetpunt; (het - staat lijnregt tegenover het zenith). [Nadisch]Nadisch, m. nageregt. *...DISSCHEN, ow. gel. aan den nadisch zitten. *...DOEN, bw. onr. nabootsen, navolgen, namaken. *...DOENER, m. (-s). *...DOENLIJK, bn. (-er, -st), navolgbaar. *...DOMMELEN, ow. gel. nog in sluimering blijven. *...DONDEREN, onp. w. gel. nog voortdonderen. -, ow. (fig.) voortgaan met razen en tieren. *...DORSCHEN, bw. gel. nog eens dorschen. *...DORST, m. gmv. dorst na eene slemppartij. *...DOUWEN, bw. gel. *...DRAAIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. draaijende nabootsen. *...DRAGEN, bw. eng. achter iem. (iets) dragen. -, ow. nageven, beschuldigen. *...DRAVEN, bw. gel. in den draf navolgen.
*...DRENTELEN, bw. ow. gel. iem. drentelende volgen; drentelende achteraan komen. *...DRIJVEN, bw. ow. ong. achteraan -, achter iem. drijven. *...DROOGEN, bw. ow. gel. op nieuw -, nog eens droogen. *...DROSSEN, bw. gel. (ik droste na, heb nagedrost), iem. in het deserteren volgen. *...DRUIPEN, ow. bw. ong. nog eenigen tijd aanhouden met druipen; iem. in het ontvlugten volgen; (fig.) stil heen gaan. [Nadruk]Nadruk, m. (-ken), nagebootste druk, nagedrukt boek. *-, m. gmv. klem, kracht, vuur; gewigt, belangrijkheid. *-KELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), krachtvol, krachtig, met klem, met aandrang. *-KEN, bw. gel. nog eens drukken; een boek nog eens drukken zonder vergunning van dengene die er regt op heeft. *-KER, m. (-s). *-SEL, o. (-s), nagebootste druk. [Naduiden]Naduiden, bw. gel. iets wat gedaan of verrigt is verklaren of ophelderen. *...DUIKEN, bw. ong. iem. in het duiken volgen. *...DUWEN, bw. gel. *...DWEILEN, bw. gel. nog eens -, overdweilen. [Na-eggen]Na-eggen, bw. gel. nog eens eggen. *...ERFGENAAM, m. en v. (...amen), die als bloedverwant tot eene erfenis geregtigd is als de regte erfgenaam ontbreekt. *...ETEN, ow. onr. eten als de anderen gegeten hebben; weder -, op nieuw eten. *...ETSEN, bw. gel. nog eens etsen. *...FEEST, o. (-en), tweede feest, nabruiloft. *...FLUITEN, bw. ow. gel. een deuntje fluitende nabootsen; fluiten na een ander; iem. met fluiten en gejouw vervolgen. [† Nafta, Naphtha]† Nafta, Naphtha, v. (scheik.) de zuiverste witte bergolie. [Nagaan]Nagaan, bw. ow. onr. achter iem. gaan, iem. volgen; bespieden, bewaken, toezigt houden (over iemands gangen); zorg dragen (voor iets), zijne zaken behartigen; ter harte nemen; overdenken, bepeinzen; onderzoeken, nazien; berekenen (de gevolgen van iets); dit gaat mij nog na, het staat mij nog levendig voor den geest; nu kunt gij wel - (begrijpen). *-, te langzaam gaan (van een horologie). *-DE, bn. argwanend, mistrouwend; overdenkende. *...GALM, m. gmv. weêrklank. *...GALMEN, ow. gel. weêrklinken. -, bw. navertellen wat door een ander verteld is. *...GALMING, v. weêrklank. *...GALPEN, bw. gel. iem. achterna schreeuwen. *...GANG, m. voetspoor. *...GAPEN, bw. gel. iem. met open mond nastaren. *...GEBOORTE, v. (verlosk.) moederkoek. *...GEBUUR, m. (...uren), buurman, nabuur. *...GEDACHTE, v. het nadenken, overweging. *...GEDACHTENIS, v. gmv. herinnering aan eenen afgestorvene. *...GEKLAG, o. gmv. berouw, hartzeer. [Nagel]Nagel, m. (-s), hoornachtig bekleedsel aan de uiteinden der vingers en teenen (ook aan de pooten van sommige dieren); (fig.) iemands -s korten, hem in zijne magt bedwingen; (fig.) zijne -s scherpen, zich schrap zetten; (fig.) zij heeft klaauwen en -s, dat is een regt boos wijf. *-, kleine dunne spijker, houten pin; (spr.) dat is een - aan mijne doodkist, dat verdriet zal mijnen dood verhaasten. *-, zek. specerij, kruidnagel. [Nagelag]Nagelag, o. overgelag, wat meer verteerd is dan men berekend heeft. [Nagelbank]Nagelbank, v. (-en), (zeew.) zek. smalle plank. *...BLOEM, v. (-en), soort anjelier, (zek. bloem). *...BOOM, m. (-en), kruidnagelboom. *...BOOR, v. (...oren), timmermansgereedschap. *...DRAAIBANK, v. (-en). [Nagelen]Nagelen, bw. gel. (ik nagelde, heb genageld), spijkeren, met pinnen vastslaan. [† Nagelfluhe]† Nagelfluhe, v. zek. rotssoort in Zwitserland (in de Alpenstreek). [Nagelhoevigen]Nagelhoevigen, m. mv. soort veelhoevige zoogdieren. *...HOUT, o. gmv. hout van den kruidnagelboom. *...KRUID, o. gmv. zek. gewas. *...NEEP, v. (...epen), het knijpen met de nagels. *...NIEUW, bn. splinternieuw, geheel nieuw. *...SMID, m. (...eden), spijkermaker. *...RUN, *...SCHORS, v. gmv. fijt of vijt, ongemak aan de vingers. *...STOF, v. gmv. zelfstandigheid waaruit de nagel groeit. *...TJE, (B. -N), o. (-s), kleine spijker. *...VAST, bn. vastgehecht met spijkers; aard- en -. *...VLEK, m. (-ken), witte vlek op de nagels. *...VORMIG, bn. (van planten enz.). *...WATER, o. nagel(kruid)drank. *...WORTEL, m. (-s), punt van aanvang of oorsprong van den nagel in het vleesch. [Nagemaakt]Nagemaakt, bn. nagebootst, kunstmatig. *...GENOEG, bijw. bijna, ongeveer. *...GEPEINS, o. gmv. het overdenken. *...GEREGT, o. (-en), nadisch, dessert. *...GESCHAL, o. gmv. weêrklank. *...GESLACHT, o. gmv. nakomelingen, menschengeslacht in de volgende jaren of eeuwen. [Nageven]Nageven, bw. ow. onr. later -, naderhand geven; toegeven, inschikkelijk zijn; loslaten; (fig.) betigten, beschuldigen. *...GEVING, v. toegeeflijkheid, inschikkelijkheid; (fig.) betigting, beschuldiging. *...GEWAS, o. gmv. tweede gewas, tweede oogst. *...GEZANG, o. (-en), gezang waarmede de godsdienstoefening eindigt. *...GIEREN, ow. bw. gel. wankelende-, draaijende (iem.) volgen; iem. naschreeuwen. *...GIETEN, bw. ong. bijgieten, gietende aanvullen; gietende namaken; een beeld -. *...GIETING, v. het nagieten. *...GIETSEL, o. het nagegotene. *...GISSEN, bw. gel. *...GLIJDEN, bw. ow. ong. achter iem. glijden; glijdende iem. volgen. *...GLUREN, bw. gel. met de oogen bespieden. *...GONZEN, ow. gel. *...GOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...GRAS, o. gmv. etgroen, gras dat na de eerste afmaaijing groeit. *...GRAVEN, bw. ong. *...GRAVEREN, (B. ...EEREN), bw. gel. *...GRIJPEN, bw. ong. *...GROMMEN, ow. bw. gel. *...HAKEN, bw. gel. *...HARKEN, bw. gel. *...HEKELEN, bw. gel. (vlas of hennep) voor de tweede maal zuiveren. *...HERFST, m. gmv. het late najaar, begin van den winter. *...HINKEN, bw. gel. hinkende volgen, - achteraan komen. *...HOEDE, v. achterhoede (van een leger of eene vloot). *...HOEPELEN, bw. gel. *...HOEREREN, (B. ...EEREN), bw. gel. afgodisch navolgen (in den bijbelstijl). *...HOLLEN, bw. gel. *...HOMPELEN, bw. gel. *...HOOI, o. gmv. hooi na de tweede snede. *...HUILEN, bw. gel. schreijen nadat iem. vertrokken is dien men had willen vergezellen. *...HUNKEREN, bw. gel. begeerige blikken werpen op iets dat zich verwijdert of verwijderd wordt. *...HUPPELEN, bw. gel. [† Naïf]† Naïf, bn. (...ver, -st), natuurlijk, ongekunsteld, eenvoudig. *...ÏVETEIT, v. gmv. natuurlijke openhartigheid, onschuld, eenvoudigheid. [Naijlen]Naijlen, bw. gel. haastig achter iem. loopen; iem. loopende nazetten; iemands spoor volgen. *...IJVER, m. gmv. mededinging, wedijver; nijd. *...IJVERIG, bn. en bijw. (-er, -st), jaloersch. [Najaar]Najaar, o. gmv. herfst, nazomer. *-SDRADEN, m. mv. (plant.) herfstdraadjes. *-SKLEURING, v. verandering van de kleur der bladeren
(van groen in geel of roodachtig). *-SVEILING, v. (-en), openbare verkooping die in het najaar gehouden wordt (inz. bij de Nederl. Handelmaatschappij). *-SVERGADERING, v. (-en), vergadering die in het najaar gehouden wordt (inz. der Provinciale Staten). [† Najade]† Najade, v. (-n), (fab.) water-, riviernimf; (plant.) zek. waterplant. [Najagen]Najagen, bw. ong. vervolgen (op de jagt); vervolgen (iem.), achterna zetten; naloopen; (fig.) streven naar, trachten te bekomen; begeeren, verlangen. *...JAGER, m. (-s). *...JAAGSTER, v. (-s). *...JAGING, v. het najagen. *...JAGT, v. tweede -, latere jagt. *...JAMMEREN, bw. gel. *...JANKEN, bw. gel. *...JOELEN, bw. gel. *...JOUWEN, bw. gel. *...JUICHEN, bw. gel. *...KAATSEN, bw. ow. gel. voortgaan met kaatsen; iem. nabootsen in het kaatsen; kaatsen nadat een ander gekaatst heeft. *...KAKELEN, bw. ow. gel. *...KALLEN, bw. gel. *...KAMMEN, bw. gel. *...KEFFEN, bw. gel. [Naken]Naken, ow. gel. (ik naakte, heb of ben genaakt), vooruit-, naderbij komen. [Nakermen]Nakermen, bw. gel. klagen -, schreijen nadat iem. vertrokken is, of na het vervoer van een lijk. *...KERMIS, v. (-sen), tweede -, vervolgkermis, dagen aan de kermis toegevoegd. *...KIJKEN, bw. ong. zien naar iem. die heengaat; nazien, overzien, herzien, onderzoeken. *...KIJKING, v. onderzoeking; herziening. *...KIND, o. (-eren), kind niet uit het eerste huwelijk; (ook) kind na 's vaders dood geboren. *...KLADDEN, bw. gel. slecht naschrijven. *...KLAGEN, bw. gel. zie NAKERMEN. *...KLANK, m. weêrklank, aanhoudend geluid. *...KLAPPEN, bw. gel. vertellen wat men vernomen heeft. *...KLAUTEREN, bw. gel. *...KLIMMEN, bw. ong. *...KLINKEN, bw. ow. ong. *...KLOPPEN, bw. gel. nog eens kloppen. *...KLOSSEN, bw. gel. *...KLUCHT, v. (-en), grappig stukje dat na een groot tooneelstuk opgevoerd wordt. *...KLUIVEN, bw. ong. nog eens kluiven. *...KNAPPEN, bw. gel. *...KNEDEN, bw. gel. op nieuw kneden. *...KNORREN, bw. gel. *...KOETEREN, ow. bw. gel. kromtongen; gebrekkig spreken nabootsen. *...KOKEN, ow. bw. gel. herkoken, nog eens koken, - laten koken. *...KOMELING, m. en v. (-en), afstammeling; de -en, het nageslacht. -SCHAP, v. het nageslacht. *...KOMEN, ow. onr. na iem. komen, op iem. volgen; later komen. -, bw. naleven, in acht nemen, opvolgen, gehoorzamen; iemands eer te na komen (aantasten). -D, bn. toekomend. *...KOMER, m. (-s), opvolger; nakomeling; volbrenger, uitvoerder, waarnemer. *...KOMING, v. het nakomen; het volbrengen. *...KOMST, v. latere komst. *...KRAAIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. iem. naschreeuwen. *...KRAAM, v. (...amen), gevolgen der verlossing (bij eene kraamvrouw). *...KRABBELEN, bw. gel. krabbelende nabootsen. *...KRANT, v. (-en), zie NACOURANT. *...KREET, m. (...eten), kreet die op een anderen volgt, te late kreet. *...KRIJGEN, bw. ong. ontvangen na een ander, later ontvangen. -, ow. gel. nog langer oorlog voeren. *...KRIJSCHEN, bw. ong. naschreeuwen. *...KRIJTEN, bw. ong. naweenen, nahuilen. *...KROOST, o. gmv. nageslacht, nakomelingschap. *...KRUIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. en ong. achter iem. (iets) op eenen kruiwagen vervoeren. *...KRUIPEN, bw. ong. kruipende volgen; kruipen na een ander.
*...KUIJEREN, (B. ...IEREN), ow. gel. achter iem. wandelen. *...KUISCHEN, bw. gel. nog eens kuischen; (fig.) nabootsen. *...KUNDE, v. gmv. ontdekking die later verkregen wordt. *...KWAKEN, bw. gel. *...KWELEN, bw. gel. het gekweel eens vogels nabootsen. *...KWIJNEN, ow. gel. [Nalabben]Nalabben, ow. gel. (ik labde na, heb nagelabd), kwaadspreken van iem. *...LAGCHEN, (B. *...LACHEN), bw. gel. lagchen na een ander; lagchende iem. nabootsen; iem. achter zijnen rug uitlagchen. *...LATEN, bw. ong. achterlaten (bij overlijden), overleveren, doen overgaan van het eene geslacht op het andere; (fig.) niet nakomen, verzuimen, veronachtzamen. -, ow. ik kan niet -, ik kan mij niet onthouden...; hij liet niet na (hield niet op) mij te plagen. *...LATENSCHAP, v. (-pen), erfenis, boedel, erfgoed. *...LATIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. onachtzaam, verzuimachtig, vergeetachtig. -HEID, v. gmv. onachtzaamheid, verzuim, achteloosheid. *...LATING, v. het nalaten, niet-nakoming, met-vervulling. *...LEEN, o. (-en), achterleen. *...LEKKEN, ow. gel. nog eenigen tijd aanhouden met lekken. *...LENTE, v. gmv. einde van het voorjaar. *...LEPPEN, bw. gel. dikwijls en met kleine teugjes drinken. *...LEVEN, bw. gel. in acht nemen, opvolgen, nakomen; overleven. -, o. overleving. *...LEVER, m. (-s), overlevende; waarnemer (der wetten enz.). *...LEZEN, bw. ong. overlezen, nog eens lezen. -, gel. nog eens doorzoeken (korenvelden enz.). *...LEZING, v. (en), het zoeken van korenaren enz. *...LEZER, m., *...LEESSTER, v. (-s), (van korenaren). *...LICHTEN, bw. gel. achter iem. gaan met licht. *...LIEGEN, bw. gel. iemands logens herhalen; kwaadspreken. *...LIKKEN, bw. gel. nog eens likken. *...LOBBEREN, bw. gel. na een ander in het water plassen. *...LOEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...LOEREN, bw. gel. *...LOOP, m. toeloop (van menschen); omslag; geloop, moeite. *...LOOPEN, ow. achter iem. loopen; iem. of iets volgen. -, ow. stremmen, dik worden. *...LOOPER, m. (-s). *...LOOPSTER, v. (-s). *...LOOPING, v. het naloopen. *...LUIDEN, *...LUIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...LUISTEREN, bw. gel. [Namaag]Namaag, m. en v. (...agen), naaste bloedverwant. *-SCHAP, v. naauwe bloedverwantschap. *...MAAIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...MAAIJING, v. het namaaijen. *...MAAISEL, o. wat na- of later gemaaid is, nagras. *...MAAK, *...MAAKSEL, o. (-s), iets wat nagemaakt of nagebootst is; navolging; dit is niet echt maar -. *...MAALS, bijw. hierna, later; het -, het betere leven. *...MAAND, v. de laatste dagen der maand. *...MAAUWEN, bw. gel. *...MAAUWING, v. *...MAKEN, bw. gel. nabootsen, nadoen, naäpen. *...MAKER, m. (-s). *...MAAKSTER, v. (-s). *...MAKING, v. *...MALEN, bw. gel. naschilderen, een schilderstuk kopiëren; nog eens -, overmalen (in eenen molen). *...MANEN, bw. gel. eene schuld invorderen die reeds betaald is. *...MANING, v. *...MELKEN, bw. ong. [† Namaz]† Namaz, o. zek. gebed der muzelmannen. [Namelijk]Namelijk, bijw. te weten; bij name, met name; bijzonder. *...LOOS, bn. en bijw. zonder naam; niet uit te spreken; eene namelooze ellende. [Namen]Namen, bw. gel. (ik naamde, heb genaamd), noemen. *-s, bijw. in den naam van, uit naam van. [Namennen]Namennen, bw. gel. *...METEN, bw. ong. nog eens -, overmeten. *...METING, v. het overmeten. [Namiddag]Namiddag, m. (-en), tijd tusschen den middag en zonsondergang. *-SLAAPJE, (B. -N), o. (-s). *-WACHT, v. (-en), (zeew.) wacht aan boord van 's middags tot 4 ure 's avonds. [Namis]Namis, v. (-sen), herfst-jaarmarkt; (r.k.) tweede -, herhaalde mis. *...NACHT, m. (-en), het laatste uur van den nacht; begin der schemering. *...NEEF, m. (...even), achterneef; nakomeling; de naneven, de nakomelingschap, de volgende geslachten. *...NEURIÊN, bw. gel. *...NICHT, v. (-en), achternicht. *...NOEMEN, bw. gel. de nagenoemde (hieronder genoemde) getuigen. *...NOEN, m. namiddag. [† Nandou]† Nandou, m. zuid-amerikaansche struisvogel. [† Nanking]† Nanking, o. zek. chinesche roodgele katoenen stof. [Naoogen]Naoogen, bw. gel. volgen met de oogen, nastaren. *...OOGING, v. het naoogen. *...OOGST, m. tweede-, latere oogst. -EN, bw. gel. [Nap]Nap, m. (-pen), ronde uitgeholde houten bak. [Napeinzen]Napeinzen, bw. gel. peinzende nadenken. *-, o. *...PEINZING, v. *...PERSEN, (B. of ...SSEN), bw. gel. -, o. *...PERSING, v. [Napgat]Napgat, m. (-en), *...KRUIPER, m. (-s), iem. die niet loopen kan en zich in een houten bak laat voortslepen. [Napje]Napje, (B. -N), o. (-s), (plant.) schutblad; napjes - of nootdragende gewassen. [Napijpen]Napijpen, bw. ong. nafluiten. *...PLOEGEN, bw. gel. *...PLUIZEN, bw. ong. nog eens pluizen; (fig.) naauwkeurig onderzoeken. *...PLUIZER, m. (-s). *...PLUISSTER, v. (-s). *...PLUIZING, v. (-en). *...PLUK, m. het naplukken; wat nageplukt is. *...PLUKKEN, bw. gel. plukken wat nog over is; plukken na een ander. *...POK, v. (-ken), pok die bij eenen lijder aan de kinderziekte na de andere pokken uitbreekt. [Napoleon]Napoleon, m. (-s), fransche gouden munt (= 20 francs); code -, wetboek (door) Napoleon (uitgevaardigd). *-IDEN, m. mv. nakomelingen -, verwanten van Napoleon Bonaparte. *-SGESTERNTE, o. naam van drie sterren in het sterrebeeld Orion; (ook) gelukster waaraan, naar men zegt, Napoleon geloofde. [Napolijsten]Napolijsten, bw. gel. *-, o. *...POLIJSTING, v. *...POLSEN, bw. gel. *...POST, v. (-en), post die na de laatste post aankomt. *...PRAAT, m. naverhaal, herzegging; ik wil er geen - van hebben, ik wil niet hebben dat men er van spreke. *...PRATEN, bw. gel. iemands taal of spraak nabootsen; nazeggen, navertellen; later praten dan een ander. *...PRATER, m. (-s). *...PRAATSTER, v. (-s). *...PREKEN, bw. gel. de stem en leiding van eenen predikant nabootsen; na een ander prediken. *...PREEK, v. (...eken), predikatie na eene andere; laatste preek. [Napvol]Napvol, m. zooveel als een nap kan bevatten. [Nar]Nar, m. (-ren), zot, dwaas, gek; (fig.) dwarsdrijver; narrenslede. [Naraad]Naraad, m. *...RADING, v. raad(geving) die te laat komt. *...RADEN, bw. gel. ong. te laat eenen raad geven. *...RAGEN, bw. gel. *...RAMMELEN, bw. gel. *...RATELEN, ow. bw. gel. [Narasplant]Narasplant, v. (-en), zek. slingerplant in het zuidwesten van Afrika. [Narcis]Narcis, v. (-sen), zek. welriekende bloem. *-ACHTIG, bn. de
-e planten, zek. bolgewassen. *-(SE)BOL, m. (-len). *-(SE)STEEL, m. (...elen). *-(SE)STEEN, m. (-en). *-(SE)STENGEL, m. (-s). [† Narcissus]† Narcissus, m. (-sen), beeldschoon jongeling. [† Narcotisch]† Narcotisch, bn. bedwelmend, krampstillend, slaapwekkend; een - middel. [† Nardus]† Nardus, m. zek. indisch gras. *-ZAAD, o. zek. plant. [Narede]Narede, v. (-nen), slotrede, besluit. *...REIZEN, bw. gel. iem. op zijne reis volgen. *...REKENEN, bw. gel. over-, nog eens rekenen. *-, o. *...REKENING, v. *...REKKEN, bw. gel. *...RENNEN, bw. gel. *...RIGT, (B. ...CHT), o. gmv. berigt; waarschuwing; dit diene tot uw -. *...RIJDEN, bw. ong. te paard of in een rijtuig iem. volgen; (fig.) dwingen, noodzaken; ik zal hem -, dat zal hij mij duur betalen. *...RIJPEN, ow. gel. laat rijp worden. *...ROEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...ROEP, m. het naroepen; (fig.) groot gerucht (eener zaak). *...ROEPEN, bw. ong. schreeuwende iem. roepen; roepen na een ander. *...ROFFELEN, bw. gel. *...ROLLEN, bw. ow. gel. *...ROOKEN, ow. gel. *...ROOMEN, bw. gel. *...ROSSEN, bw. gel. *...ROUW, m. zie NABEROUW. *...ROUWEN, ow. gel. langer rouwen dan den bepaalden tijd. [Narren]Narren, ow. gel. (ik narde, heb genard), in eene slede over het ijs of de sneeuw rijden. *-BEL of NARREBEL, v. (-len), schelletje aan de kap van eenen nar. *-KAP, v. (pen), muts van eenen nar; zie ZOTSKAP. *-POETS, *-POTS, v. (-en), grap, boert, gekkernij. *-SLEDE, v. (-n), slede ingerigt om over het ijs of de sneeuw te rijden. *-TUIG, o. gmv. paardentuig voor eene narrenslede; zotternij, dwaasheden. *-WERK, o. gmv., *...RERIJ, v. dwaasheid, gekheid. [Narrig]Narrig, bn. en bijw. gemelijk, knorrig, verdrietig. *-HEID, v. gmv. [Narukken]Narukken, bw. gel. achter iem. aanrukken. [Narwal]Narwal, m. (-len), eenhoornvisch. [† Nasaal]† Nasaal, bn. door den neus uitgesproken; eene -klank, eene -letter. [Naschallen]Naschallen, ow. gel. naklinken. *...SCHAVEN, bw. gel. *...SCHELDEN, bw. ong. iem. met scheldwoorden achterna roepen; schelden na een ander. *...SCHETSEN, bw. gel. schetsende namaken. *...SCHIETEN, bw. ong. schieten na een ander; naijlen, schielijk naloopen. *...SCHIKKEN, bw. gel. *...SCHILDEREN, bw. gel. eene schilderij namaken, kopiëren; een portret maken. -, ow. langer op schildwacht staan. -, o. *...SCHILDERING, v. *...SCHIMPEN, bw. gel. naschelden. *...SCHIP, o. (...epen), schip dat trager dan de overigen aankomt; (fig.) met de naschepen komen, de laatste zijn; (ook) eene tijding brengen die aan ieder bekend is; altijd met een nascheepje komen, nooit tevreden zijn, altijd nog iets te vragen hebben. *...SCHOPPEN, bw. gel. *...SCHOUW, v., -ING, v. (en), tweede onderzoek, - bezigtiging. *...SCHOUWEN, bw. gel. *...SCHRABBEN, *...SCHRAPPEN, bw. gel. *...SCHRAPEN, bw. gel. *...SCHREEUWEN, bw. ow. gel. *...SCHREIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. hij schreide haar na, hij schreide omdat hij haar niet mogt vergezellen. *...SCHRIFT, o. (-en), bijvoegsel tot eenen brief; afschrift, kopij. *...SCHRIJDEN, bw. ong. *...SCHRIJVEN, bw. ong. over -, nog eens -, af-, uitschrijven; schrijven wat voorgezegd wordt; eenen brief afzenden achter iem. die vertrokken is; letterdieverij
plegen. *...SCHRIJVER, m. (-s). *...SCHRIJFSTER, v. (-s). *...SCHRIJVING, v. *...SCHROBBEN, bw. gel. *...SCHUDDEN, bw. gel. *...SCHUIFELEN, bw. gel. (van slangen). *...SCHUIJEREN, (B. ...IEREN), bw. gel. *...SCHUIMEN, bw. ow. gel. op nieuw -, nog eens het schuim afnemen; (zeew.) na andere zeeschuimers stroopen op zee. *...SCHUIMER, m. (-s). *...SCHUIVEN, bw. ong. achter iem. schuiven; nog eene schijf spelen (in het damspel); na anderen stil heengaan. *...SCHUREN, bw. gel. *...SLAAN, bw. onr. eenen stempel namaken; valsche munt maken; opslaan, opzoeken, nazien (in een boek enz.). -, ow. te laat slaan (van een uurwerk); (in het kolfspel) naslaan. *...SLAG, m. (-en), slag na het uur; slag na een anderen toegebragt; valsche munt, - stempel. *...SLEEP, m. gmv. gevolg, stoet; (fig.) met al den - van dien, met al wat er uit volgt. *...SLENDEREN, *...SLENTEREN, bw. gel. *...SLEPEN, (B. ...EEPEN), bw. gel. achter zich slepen, slepende medevoeren; (een schip) op het sleeptouw hebben. *...SLEUREN, bw. gel. *...SLIEREN, bw. gel. *...SLIJPEN, bw. ong. -, o. *...SLIJPING, v. *...SLIKKEN, bw. gel. *...SLINGEREN, bw. ow. gel. *...SLUIPEN, bw. ong. *...SMAAK, m. smaak na iets genuttigd te hebben; overblijvende smaak (van iets); (fig.) naberouw. *...SMAKEN, ow. gel. eenen nasmaak hebben. *...SMAKKEN, bw. gel. *...SMART, v. smart die naderhand komt. *...SMEDEN, bw. gel. *...SMELTEN, bw. ow. ong. *...SMIJTEN, bw. ong. *...SMULLEN, bw. gel. *...SNELLEN, ow. gel. *...SNIJDEN, bw. ong. *...SNOEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. nog eens -, op nieuw snoeijen (boomen). *...SNORREN, bw. ow. gel. *...SNUFFELAAR, m., -STER, v. (-s), doorzoeker, -zoekster, uitpluizer, -pluisster. *...SNUFFELEN, bw. gel. doorzoeken, uitpluizen, naauwkeurig nagaan. *...SPATTEN, bw. gel. spattende naspringen. *...SPEL, o. (-en), spel dat naderhand of het laatst gespeeld wordt; laatste gedeelte van een tooneelstuk. *...SPELEN, bw. ow. gel. spelende nabootsen; spelen nadat er reeds gespeeld is; later spelen; nog eenigen tijd een spel vertoonen. *...SPELLEN, bw. gel. een woord spellende herhalen. *...SPELLING, v. *...SPEUREN, bw. gel. iets op het spoor opzoeken; (fig.) naauwkeurig nagaan, onderzoeken. *...SPEURING, v. (-en). *...SPEURLIJK, bn. doorgrondelijk. *...SPOEDEN, *...SPOEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. in haast iem. volgen. *...SPOELEN, bw. gel. *...SPOELING, v. *...SPONSEN, bw. gel. nog eens met de spons wasschen; namaken door het sponsen met houtskool. *...SPOREN, bw. gel. het spoor (van iem. of iets) volgen; (fig.) onderzoeken; doorgronden. *...SPORING, v. (-en), onderzoek. *...SPRAAK, v. slecht gerucht, slechte naam (van iem.); kwaadsprekerij, laster. *...SPREKEN, bw. gel. spreken wat een ander reeds gesproken heeft; lasteren, kwaadspreken. *...SPRENKELEN, bw. gel. *...SPRINGEN, bw. ong. *...SPROKKELEN, bw. gel. *...SPUITEN, bw. ong. *...SPUWEN, *...SPUGEN, bw. ong. *...STAMELEN, *...STAMEREN, bw. gel. *...STAMELING, v. *...STAMPEN, bw. gel. *...STANDER, m. (-s), kandidaat. *...STANK, m. gmv. stank die achterblijft. *...STAPPEN, bw. gel. met groote schreden achter iem. loopen; (fig.) iemands spoor of voorbeeld volgen. *...STAREN, bw. gel. met starende oogen nazien. *...STEKEN, bw. ong. *...STELLEN, bw. gel. achter iem. (of iets) stellen, minder achten, niet in aanmerking nemen; hinderlagen leggen; nabootsen. *...STENEN, ow. gel. zuchten als of na een ander. *...STEVENEN, ow. bw. gel. *...STIJGEN, bw. ow. ong. achter iem. klimmen. *...STINKEN, ow. ong. eenen onaangenamen reuk achterlaten. *...STOFFEN, bw. gel. *...STOOTEN, bw. gel. *...STORTEN, bw. gel. *...STREVEN, bw. gel. iets sterk begeeren. *...STRIJKEN, bw. ow. ong. strijken (de wasch) na een ander; zich na een ander uit de voeten maken. *...STRIJKING, v. *...STROOMEN, ow. gel. *...STROOPEN, bw. gel. *...STROOPING, v. (-en). *...STROOPER, m. (-s). *...STUIVEN, ow. ong. *...STUREN, bw. gel. nazenden; (zeew.) na een ander aan het roer staan. *...SUKKELEN, ow. gel. *...SULLEN, bw. gel. [Nat]Nat, o. gmv. vocht; vloeistof; regen; vleeschnat; sterke drank; -en droog, drinken en eten. *-, bn. (-er, -st), vochtig; vloeibaar; (fig.) hij is van de -te gemeente, of hij lust zijn -je wel, hij houdt veel van sterken drank. *-ACHTIG, bn. een weinig vochtig; regenachtig. [Nataal]Nataal, v. laster. *...TEEKENEN, bw. gel. naar een model teekenen; eene teekening aftrekken, † calqueren. *...TEEKENING, v. (-en). *...TELEN, bw. gel. later voortbrengen. *...TELLEN, bw. gel. nog eens -, overtellen. *...TELLER, m. (-s). *...TELSTER, v. (-s). *...TELLING, v. *...TEMEN, bw. gel. *...TEREN, bw. gel. nog eens -, op nieuw verteren (geld); nog eens -, op nieuw met teer bestrijken. [Nater]Nater, v. (-s), adder. *-TONG, v. gmv. slangentong, zek. kruid. *-WORTEL, m. (-s), zek. plant. [Natgierig]Natgierig, bn. begeerig naar sterken drank. *-HEID, v. gmv. dronkenschap. *...HALS, m. (...zen), drinkebroêr. *...HEID, v. vochtigheid, het natte. [† Natie]† Natie, v. (...ën), groote hoeveelheid menschen (die oorsprong, taal, zeden enz. gemeen hebben); geslacht, volk, volksstam. *...ONAAL, bn. (...aler, -st), van -, tot eene natie; (ook) vaderlandsch, vaderlandsgezind; nationale industrie, volksnijverheid; nationale belangen, volksbelangen; nationale vergadering, vergadering van volksvertegen-woordigers. *...ONALISEREN, bw. gel. in eene natie als lid opnemen; nationaal maken, maken dat het geheele volk belang bij iets heeft. *...ONALITEIT, v. eigenaardige hoedanigheid eens volks, volkskarakter; de -en, de volken, volksstammen. [† Natief]† Natief, bn. aangeboren; geboren, afkomstig. *...TIVITEIT, v. geboorte-uur, toekomstig lot (bij het horoskoop-trekken). [Natijd]Natijd, m. tijd die nakomt; herfst, najaar. *...TIMMEREN, bw. gel. [Natmaking]Natmaking, v. bevochtiging. [Natogt]Natogt, m. achterhoede (van een leger of eene vloot). *...TORSCHEN, bw. gel. *...TRACHTEN, bw. gel. overdenken, overpeinzen; nazetten; streven naar. *...TRED, m. stap gedaan na een anderen. *...TREDEN, bw. ong. volgen, achterna komen; iemands voetstappen drukken. *...TREKKEN, bw. ong. iem. achterna reizen; trekken na een ander. *...TRIPPELEN, bw. gel. *...TUIMELEN, bw. gel. [Natten]Natten, bw. gel. (ik natte, heb genat), nat maken, bevochtigen; betten; bekoelen (het geschut). *...TIG, bn. natachtig. -HEID, v. natheid, het natte. [† Naturalibus]† Naturalibus, in -, moedernaakt. *...RALIËN, mv. natuurvoortbrengselen,
zeldzaamheden der natuur; -kabinet, verzameling van allerlei voorwerpen uit de drie rijken der natuur. *...RALISATIE, v. inboorlingsregt; opneming als staatsburger, het verleenen van het burgerregt. -WET, v. (-ten), wet waarbij iem. tet Nederlander (enz.) wordt verklaard. *...RALISEREN, bw. gel. inheemsch maken; aan eene vreemde luchtstreek gewennen (planten); in eene taal opnemen (woorden); opnemen als staatsburger; hij is genaturaliseerd Nederlander, hoewel in een vreemd land geboren is hij bij eene wet tot Nederlander verklaard. *...RALISMUS, o. gmv. natuurgeloof, natuurlijke godsdienst. *...RALIST, m. (-en), aanhanger van het natuurgeloof, tegenstander der geopenbaarde godsdienst; (ook) natuurmensch (niet kunstmatig gevormd). [Naturel]Naturel, v. (-len), *-LETJE, o. (-s), paruik. [Natuur]Natuur, v. gmv. heelal, al het geschapene; aard, eigenschappen, wezen (der dingen); (fig.) de Godheid; zinnelijke wereld; natuurstoffen nog onbearbeid (natuur als tegenstelling van kunst); aangeboren verknochtheid (in den mensch); (fig.) den tol der - betalen, sterven; naar de - (naar het leven) schilderen enz.; in -, in wezen, werkelijk; de drie rijken der -. *-, (...uren), aard, wijs, natuurlijke gesteldheid, eigenschap, bekwaamheid, vatbaarheid (tot iets); karakter, inborst; ligchaamsgestel; hij heeft eene sterke -; zij is ijverzuchtig van -; dat is tegen mijne -. *-BESCHOUWING, m. (-s). *-BESCHRIJVING, v. (-en). *-BOEK, o. gmv. boek der natuur, al het geschapene. *-DRIFT, v. (-en), natuurlijke neiging, instinkt; vleeschelijke lust. *-GENOOT, m. (-en), medemensch. *-KENNER, m. (-s), *-KUNDIGE, m. (-n), die bedreven is in de kennis van de natuur en hare eigenschappen. *-KENNIS, *-KUNDE, *-LEER, v. gmv. wetenschap die leert de werking der natuurkrachten op elk. en de daardoor veroorzaakte verschijnselen; † physica. *-KRACHT, v. (-en). *-KUNDIG, bn. en bijw., -LIJK, bijw. tot de kennis der natuur behoorende, † physisch; -e wetenschappen, die ons bekend maken met de stof (d.i. met al hetgeen wij met onze zintuigen kunnen waarnemen). *-KUNDIGE, m. (-n), natuuronderzoeker, iem. die bedreven is in de natuurwetenschappen. *-LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), van de natuur, tot de natuur behoorende; aan de natuur ontleend; ongekunsteld, ongedwongen, naïf; opregt; onecht, niet wettig (van kinderen); zinnelijk; het - (gezond) verstand; de -e geschiedenis of historie, beschrijving der natuur en van hare voortbrengselen. *-LIJKHEID, v. gmv. eenvoudigheid, ongedwongenheid, naïveteit. *-PHILOSOPHIE, v. wetenschappelijke natuurbeschouwing. *-REGT, o. natuurlijk regt (b.v. dat van ouders op hunne kinderen); regt aan de natuur en niet aan de maatschappij ontleend. *-RIJK, o. de drie -en, het dierenrijk, het plantenrijk, het delfstoffelijk rijk. *-VERSCHIJNSEL, o. (-s), luchtverschijnsel, uitwerking der natuur. *-WERKING, v. waardoor een natuurverschijnsel voortgebragt wordt. *-WET, v. (-ten), onveranderlijke regel waarnaar men de veranderingen en verschijnselen in den toestand der ligchamen verklaart; (ook) wet die uit de natuur zelve voortvloeit, algemeene zedeleer. *-ZELFDRUK, m. uitvinding, waardoor het maaksel der voorwerpen zelven (b.v. planten,
dieren enz.) zich op eene plaat indrukt, die vervolgens tot drukken gebezigd wordt. [† Naumachie]† Naumachie, v. (...ën), scheepsstrijd; (inz.) spiegelgevecht te water. *...MASCOOP, v. (...open), scheepsverrekijker. [† Nauséeus]† Nauséeus, bn. walgelijk, afkeer verwekkende. [† Nautiek]† Nautiek, v. scheepswezen, zeevaartkunde. *...TILUS, m. zek. schelpvisch. *...TISCH, bn. scheeps..., zeevaart.... [† Navaal]† Navaal, bn. scheeps..., scheepvaart.... [Navallen]Navallen, bw. ow. ong. *...VAREN, bw. gel. ong. *...VEGEN, bw. gel. [Nave]Nave, v. zie NAAF. [Navel]Navel, m. (-s), rond knopje in het midden van den buik (des menschelijken ligchaams); plaats waar het eitje aan de zaadhuid bevestigd is (bij de plant en het dier). *-ADER, v. (-s), (ontl.). *-ADERBREUK, v. (-en), (heelk.). *-BAND, m. (-en), -JE, (B. -N), o. (-s), smalle strook linnen (of andere stof) die stevig om den navel (inz. van kinderen) gebonden wordt. *-BESCHOUWER, m. (-s), zek. werktuig. *-BREUK, v. (-en), (heelk.). *-BREUKBAND, m. (-en). *-BREUKIG, bn. *-DOEK, m. (-en), navelband. *-KRUID, o. zek. plant. *-PLEISTER, v. (-s). *-PUNT, o. (-en). *-SNOER, o. zek. plant. *-STRENG, v. (waardoor de vrucht aan de baarmoeder verbonden is). *-SWIJZE, bijw. navelvormig. *-VATEN, o. mv. (ontl.). *-VLEK, v. (-ken). *-VORMIG, bn. *-WINDBREUK, v. (-en), (heelk.). [Naverhaal]Naverhaal, o. (...alen), verhaal dat op een ander volgt; (ook) slotverhaal. *...VERHALEN, *...VERTELLEN, bw. gel. verhalen of vertellen iets dat men gehoord heeft; overbrengen; herhalen; (fig.) hij zal het niet -, hij zal er van sterven (van eene ziekte). *...VERWANT, m. en v. (-en), nabestaande. -SCHAP, v. bloedverwantschap. *...VERWEN, bw. gel. [† Navette]† Navette, v. (-n), indiaansch scheepje. [† Navigabel]† Navigabel, bn. bevaarbaar; zeilbaar. *...GATIE, v. scheep-, zeevaart; (ook) stuurmanskunst; -akte of akte van -, engelsche scheepvaartwet (van Cromwell); -school, school voor de zeevaart. [Navijlen]Navijlen, bw. gel. *...VISSCHEN, bw. gel. nog eens visschen; (fig.) onderzoeken, nasporen. *...VLECHTEN, bw. ong. *...VLIEDEN, bw. ong. *...VLIEGEN, bw. ong. *...VLOED, m. (zeew.) achtervloed, het laatste van den vloed. *...VLOEIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. (inz. van vrouwen die pas gebaard hebben). *...VLOEKEN, bw. gel. vloekende iem. volgen. *...VLUGTEN, (B. ...CHTEN), bw. gel. *...VOEDEREN, bw. gel. *...VOER, m. het achterna brengen (van iets). *...VOEREN, bw. gel. *...VOLGBAAR, *...VOLGELIJK, bn. kunnende -, behoorende nagevolgd te worden. *...VOLGEN, bw. gel. achter iem. volgen; na hem komen; vervolgen, nazetten (iem. om hem te vatten); opvolgen; nadoen, namaken, nabootsen; aanstaande zijn, de -e week. *...VOLGER, m. (-s). *...VOLGING, v. (-en), in - van, op het voorbeeld van. *...VOLGSTER, v. (-s). *...VORSCHEN, bw. gel. zorgvuldig navragen, naauwkeurig nadenken, onder-, doorzoeken; uitpluizen. *...VORSCHER, m. (-s). *...VORSCHING, v. (-en). *...VOUWEN, bw. gel. *...VRAAG, v. het vragen of vernemen naar iets; dit kan - lijden,
gij kunt of moogt er naar vernemen; er is geen - naar, het wordt niet gezocht (van koopwaar). *...VRAGEN, bw. ong. en gel. vragende navorschen, onderzoeken. *...VRAGING, v. *...VRIEND, m. (-en), -IN, v. (-nen), bloedverwant. *...VRIENDSCHAP, v. bloedverwantschap. *...VRUCHT, v. (-en), vrucht die laat rijp wordt, late vrucht. *...WADEN, bw. gel. *...WANDELEN, bw. gel. achter iem. wandelen; (fig.) zich naar iemands voorbeeld gedragen. *...WANDELING, v. (-en), tweede -, slotwandeling. *...WAREN, bw. gel. zwevende navolgen; iem. onophoudelijk nastaren. *...WASSCHEN, bw. ong. *...WEE, o. smartelijke gewaarwording in het ligchaam nadat eenig ongemak verdwenen is; de naweeën, pijnlijke aandoening na de verlossing (eener vrouw); (ook fig.) kwade gevolgen. *...WEEK, v. de laatste dagen der week; week volgende op eenige plegtigheid. *...WEEKEN, bw. gel. weder indoopen. *...WEENEN, bw. gel. iem. weenende nastaren; weenen na iemands vertrek; weenen na een ander. *...WEES, m. en v. (...zen), kind na 's vaders dood geboren. *...WEGEN, bw. ong. her-, overwegen. *...WEGING, v. *...WENTELEN, bw. gel. *...WERK, o. werk na eenig ander te verrigten; (verlosk.) nageboorte. *...WERKEN, ow. bw. gel. langer werken dan den daartoe bepaalden tijd; eenig werk nabootsen. *...WERPEN, bw. ong. werpen na een ander; iem. met steenen -, steenen achter iem. werpen om hem te kwetsen. *...WEVEN, bw. gel. weven na een ander; wevende namaken. *...WIJN, m. spoelwijn, slechte wijn. *...WIJZEN, bw. ong. op -, naar iem. wijzen; iem. met den vinger -. *...WINTER, m. ongunstig voorjaar. *...WISSCHEN, bw. gel. *...WITTEN, bw. gel. *...WORDEN, ow. ong. later ontstaan, later geboren worden. *...WRIJVEN, bw. ong. *...WROETEN, bw. gel. [Nazaaijen]Nazaaijen, (B. *...IEN), bw. gel. weder zaaijen. *...ZAAIJING, v. *...ZAAT, m. (...aten), nakomeling, afstammeling; de nazaten, de nakomelingschap, het nageslacht. *...ZAMELEN, bw. gel. *...ZAMELING, v. (-en). *...ZANG, m. (-en), slotzang; (ook) referein, slotrijm. [† Nazareërs]† Nazareërs, *...RENEN, m. mv. naam der eerste christenen (hun door hunne tegenstanders gegeven); naam eener joodsch-christelijke natie in Palestina; de Nazareër, Christus. [Nazeepen]Nazeepen, bw. gel. *...ZEGEN, m. zegen die naderhand komt. *...ZEGGEN, bw. onr. herhalen wat een ander gezegd heeft; navertellen; men zegt hem na dat..., men zegt van hem dat hij.... *...ZEGGER, m. (-s), herhaler, overbrenger. *...ZEGGING, v. (-en), het nazeggen; herhaling. *...ZEILEN, ow. bw. gel. een schip volgen. *...ZENDEN, bw. ong. achterna zenden, zenden iets aan iem. die vertrokken is. *...ZENDING, v. (-en), tweede -, nieuwe zending. *...ZETTEN, bw. gel. iem. achterna volgen, vervolgen. *...ZETTING, v. *...ZIEN, bw. onr. met de oogen volgen, nastaren, naturen; onderzoeken, overzien, herzien; corrigeren (drukproeven). *...ZINGEN, ow. bw. ong. nog eens zingen; zingende nabootsen. *...ZINKEN, ow. ong. *...ZINNEN, ow. ong. diep nadenken. *...ZOEK, o. onderzoek, navorsching. *...ZOEKEN, bw. onr. onderzoeken, navorschen; iets opzoeken (in een boek). *...ZOMER, m. gunstig najaar. *...ZORG, v. (-en), ongerustheid (nadat iets gebeurd is); wroeging, berouw. *...ZOUTEN, bw. gel. *...ZUIVEREN, bw. gel.
*...ZWEMMEN, bw. ow. ong. *...ZWEVEN, bw. gel. *...ZWIEREN, bw. gel. *...ZWINGEN, bw. ong. met eene slingering van de hand iets nawerpen. [Neb]Neb, v. (-ben), *-BE, v. (-n), lange spitse bek; (ook) scheepsneb, sneb; (zeew.) bovenarm eener knie die tegen eenen balk komt. *-AAL, m. (...alen), of *-BELING, m. (-en), aal met eenen langen spitsen bek. *-IJZER, o. (-s), ploegijzer. *-SCHUIT, v. (-en), schuit met een langen snuit zonder mast; boot, vlotschuit. [† Nebuleus]† Nebuleus, bn. nevelachtig, mistig; (fig.) gemelijk. [† Necessaire]† Necessaire, v. reiskistje, reistasch. *...SITEIT, v. noodzakelijkheid. [↑ Nechtig]↑ Nechtig, bn. naarstig, vlijtig. *-HEID, v. gmv. [† Necrologie]† Necrologie, v. levensbeschrijving van eenen overledene; (ook) lijst van afgestorvenen. *...LOOG, m. (...ogen), levensbeschrijver van overledenen. *...MANTIE, v. geestenbezwering, geestenbanning. [† Nec plus ultra]† Nec plus ultra, door niets overtroffen. [Nectar, Nektar]Nectar, Nektar, m. (fab.) godendrank; (fig.) uitgezochte fijne drank. [Neder, Neêr]Neder, Neêr, bn., bijw., vz. laag (tegenstelling van boven, opper, hoog); ter -, omver; beneden; omlaag; op en -, van boven naar beneden; (ook) van het eene eind (b.v. eener kamer) tot het andere. *-BIGGELEN, ow. gel. 1) . *-BLIKSEMEN, bw. gel. *-BOFFEN, bw. gel. *-BONZEN, bw. gel. *-BOTSEN, ow. gel. *-BRENGEN, bw. onr. naar beneden brengen; te -, iem. tot behoefte doen vervallen. *-BRUIJEN, (B. ...IEN), bw. ow. gel. *-BRUISEN, (B. ...ZEN), ow. gel. *-BUIGEN, bw. ow. ong. naar de oppervlakte der aarde buigen; zich -, knielen (voor iets of iem.). *-BUIGING, v. (-en). *-BUIK, m. onderbuik. *-BUITELEN, ow. gel. *-BUITELING, v. (-en). *-BUKKEN, ow. gel. voorover bukken; (fig.) in zak en assche -, zich vernederen voor het Opperwezen. *-DALEN, ow. gel. *-DALING, v. (-en). *-DAUWEN, ow. gel. als dauw nedervallen. *-DEEL, o. (-en), laagte. *-DOMPELEN, bw. gel. *-DOMPELING, v. (-en). *-DONDEREN, ow. bw. gel. *-DOUWEN, bw. gel. *-DRAGEN, bw. ong. *-DRIJVEN, bw. ow. ong. met geweld nederwerpen; naar beneden afdrijven. *-DRINGEN, bw. ong. *-DRUIPEN, ow. ong. afdruipen, afloopen. *-DRUKKEN, bw. gel. naar beneden drukken; (fig.) onderdrukken; neêrslagtig maken. *-DRUKKING, v. (-en). *-DUIKEN, ow. ong. onderduiken. *-DUIKING, v. (-en). *-DUITSCH, bn. hollandsch, nederlandsch; de -e taal. -ER, m. (-s), Hollander, Nederlander. *-DUWEN, bw. gel. *-EIND, o. (-en), lagereind. *-EISCHEN, bw. gel. eischen dat iets of iem. op iem. nederdale. *-FLANSEN, bw. gel. iets slordig verrigten. *-FLONKEREN, ow. gel. een flonkerenden glans nederlaten. *-FLUITEN, bw. ong. gel. door |
1) Voor de vervoeging der met het scheidbaar voorzetsel NEDER zamengestelde werkwoorden verwijzen wij naar de oorspronkelijke werkwoorden. Waar bij die zamenstellingen de beteekenis niet is opgegeven, beteekenen zij dat de werking, door het werkwoord uitgedrukt, in eene nederwaartsche rigting geschiedt.
|
|
fluiten naar beneden doen komen. *-GAAN, ow. onr. naar beneden gaan; neêrhakken (zijne schoenen), aftrappen; de kamer op- en -, heen en weder loopen. *-GAANDE, bn. *-GANG, m. nederdaling; (fig.) ondergang; ondergang der zon. *-GEREGT, o. regtbank van eersten aanleg. *-GIETEN, bw. ong. *-GLIJDEN, ow. eng. *-GOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *-HAGELEN, bw. ow. gel. door den hagel doen omvallen, -neêrvallen. *-HAKKEN, bw. gel. door hakken neêrvellen; nedersabelen, dooden; aftrappen (schoenen). *-HALEN, bw. gel. naar beneden halen of trekken; omverhalen, sloopen (een huis). *-HALER, *-HAALDER, m. (-s), (zeew.). *-HANGEN, ow. ong. omlaag -, benedenwaarts hangen; op den grond slepen; verleppen, verwelken (van bloemen); -de wangen. *-HEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *-HELLEN, ow. gel. voorover hellen. *-HELLING, v. *-HOF, m. (...ven), voorhof, voorplaats. *-HOUDEN, bw. onr. nederwaarts -, omlaag houden. *-HOUWEN, bw. ong. door houwen op den grond doen vallen; (fig.) neêrsabelen. *-HOUWING, v. *-HUIKEN, *-HUKKEN, *-HURKEN, ow. op de huik (hurken) zitten. *-HUIS, o. onderhuis. *-HURKING, v. [Nederig]Nederig, bn. en bijw. (-er, -st), laag bij den grond; (fig.) bescheiden, zedig, ootmoedig; (fig.) slecht, laag, gemeen. *-HEID, v. gmv. bescheidenheid, ootmoed; (fig.) laagheid. [Nederjagen]Nederjagen, bw. gel. en ong. *...KAMMEN, bw. gel. *...KAPPEN, bw. gel. nedervellen. *...KEEREN, ow. gel. naar beneden terugkeeren. *...KIJKEN, ow. ong. *...KLADDEN, bw. gel. slordig schrijven; slecht schilderen. *...KLEED, o. (-eren), broek. *...KLIMMEN, ow. ong. *...KLIMMING, v. *...KLINKEN, bw. ong. met eenen klank -, met geweld nederstooten. *...KNIELEN, ow. gel. op de knieën vallen. *...KNIELING, v. kniebuiging. *...KNOTTEN, bw. gel. *...KOMEN, ow. onr. naar beneden komen; dit komt neder op..., dit is hoofdzakelijk.... *...KRIJGEN, bw. ong. *...KRUIPEN, ow. ong. *...LAAG, v. (...agen), nadeel, verlies; de - krijgen, geslagen -, verslagen worden, het onderspit delven. -, (regt.) magazijn, bewaarplaats. [Nederlander]Nederlander, m. (-s), inboorling van het koningrijk der Nederlanden. *-SCHAP, o. hoedanigheid van Nederlander. *...LANDSCH, bn. de -e taal. [Nederlaten]Nederlaten, bw. ong. naar beneden laten; lager maken; nederhalen (zeilen). *...LATING, v. *...LEGGEN, bw. onr. ong. op den grond -, op de oppervlakte van iets leggen of plaatsen; laten rusten; afstand doen (van eene betrekking); de kroon -, afstand doen van de regering; (fig.) overgeven, toevertrouwen; in bewaring geven; doen stillen, bijleggen; zijn hoofd gerust -, gerust sterven. ZICH -, ww. gaan liggen, te bed gaan; (fig.) zich bij iets -, er in berusten. *...LEGGING, v. *...LEKKEN, ow. gel. *...LIGGEN, ow. ong. *...LIKKEN, bw. gel. aflikken. *...LOKKEN, bw. gel. *...LONKEN, ow. gel. *...LOOPEN, ow. ong. naar beneden loopen; op- en -, de trappen op- en afgaan; geheel doorloopen. -, bw. loopende omverwerpen. *...LUCHT, v. benedenlucht. *...MAKEN, bw. gel. dooden, ombrengen. *...PERSEN, bw. gel. (kleêrm.) de vouwen of naden van een
kleed wegstrijken. § *...PLAKKEN, bw. gel. ter aarde werpen. *...PLANTEN, bw. gel. omlaag planten. *...PLOFFEN, ow. bw. gel. hard op den grond vallen, - doen vallen; (scheik.) nedergeslagen -, nedergedreven worden; (scheik.) doen zinken, naar den grond drijven, † precipiteren. *...PLOFFING, v. het vallen of doen vallen ter aarde; (scheik.) precipitatie. *...PLOMPEN, *...PLONZEN, (B. ...ONSSEN), ow. bw. gel. met veel geluid in het water vallen, - doen vallen. *...PLONS, m. het werpen van iets in het water; geluid van iets dat in het water valt. *...RAKEN, ow. gel. onder den voet geraken; op den grond vallen; tuimelen. *...REGENEN, ow. bw. gel. door den regen omvergeworpen worden; omverwerpen (door den regen). *...RIJDEN, bw. ow. ong. omverrijden, omvergereden worden. *...ROEPEN, bw. ong. naar beneden roepen. *...ROLLEN, bw. ow. gel. *...RUKKEN, bw. gel. [Nedersabelen]Nedersabelen, bw. gel. vermoorden, een bloedbad aanrigten. *...SCHIETEN, bw. ong. met een schot nederwerpen, - dooden. -, ow. zich plotseling en zeer snel nederwaarts bewegen. *...SCHIETING, v. *...SCHIJNEN, ow. ong. schijnsel van boven naar beneden aflaten. *...SCHOT, o., *...SCHUT, m. doodend schot. *...SCHRIJVEN, bw. ong. op het papier zetten, in geschrifte brengen. *...SCHUDDEN, bw. gel. *...SCHUIVEN, bw. ow. ong. *...SCHUIVING, v. *...SLAAN, bw. ow. onr. plotseling en met geweld naar beneden vallen, - doen vallen; neêrzakken (van iets dat gerezen is, b.v. van beslag); iets in eene nederwaartsche rigting bewegen of doen bewegen; zijne oogen -, de oogleden laten zakken (van schaamte); het leger -, een kamp betrekken; (fig.) iemands hoop of moed -, iem. zijne hoop of zijnen moed ontnemen. ZICH -, ww. zich met der woon nederzetten; zich legeren. *...SLAG, m. val; manslag (moord); het vellen, neêrhouwen; (scheik.) neêrploffing. *...SLAGTIG, bn. zie NEÊRSLAGTIG. *...SLEPEN, bw. gel. *...SLOKKEN, bw. gel. *...SMAKKEN, bw. gel. *...SMIJTEN, bw. ong. *...SNORREN, bw. gel. *...SPATTEN, ow. gel. *...SPREIDEN, bw. gel. *...SPRINGEN, ow. ong. *...STAMPEN, bw. gel. *...STELLEN, bw. gel. nederzetten; plaatsen; in geschrifte brengen. *...STELLING, v. *...STIK, o. (-ken), gestikte borstlap. *...STIJGEN, ow. ong. *...STOMMELEN, bw. ow. gel. met een dof gedruisch van boven neêrstooten of neêrgestooten worden. *...STOOTEN, bw. ong. omverstooten; dooden (met een scherp wapen). *...STOOTING, v. *...STORMEN, bw. ow. gel. met veel geweld (of door den storm) ter aarde werpen, - neêrkomen. *...STORTEN, bw. ow. gel. naar beneden storten of werpen, - geworpen worden; door instorting neêrvallen. ZICH -, ww. met geweld op iem. neêrkomen; afspringen (van eene hoogte) en ter aarde vallen. *...STORTING, v. *...STRALEN, ow. gel. zijne stralen nederwaarts schieten. *...STREKKEN, bw. gel. op eene oppervlakte uitstrekken. *...STRIJKEN, bw. ong. naar beneden halen; de broek -, afstrijken. -, ow. naar beneden vliegen (van vogelen). *...STROOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...STROOMEN, bw. gel. *...STROOPEN, bw. gel. *...STRUIKELEN, ow. gel. *...STUIVEN, ow. ong. nederwaarts vallen (van stof); met drift naar beneden loopen. *...SULLEN, ow. gel. *...TELLEN, bw. gel. aftellen, voortellen (geld op eene tafel). *...TRAPPEN, bw. gel., *...TREDEN, bw. ong.
trappende omverwerpen; aftrappen (schoenen). *...TREKKEN, bw. ong. *...TREKKING, v. *...TROONEN, bw. gel. *...TUIMELEN, ow. gel. [Nederval]Nederval, m., *-LING, v. val op den grond; (fig.) achteruitgang, nederdaling. *-LEN, ow. ong. op den grond vallen; neêrknielen (uit eerbied); instorten; van boven neêrkomen. *...VAREN, ow. gel. en ong. (eene rivier) afvaren. *...VELLEN, bw. gel. met geweld ter aarde doen vallen; omhakken (boomen); dooden (met wapenen). *...VELLING, v. *...VLIEGEN, ow. ong. vliegende naar beneden komen; met geweld de trappen afloopen. *...VLIETEN, ow. ong. *...VLIETING, v. *...VLIJEN, bw. gel. in orde digt naast of op elkander nederleggen (voorwerpen). ZICH -, ww. zich zacht nederleggen. *...VLOEIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. *...VOEREN, bw. gel. *...WAAIJEN, (B. ...IEN), bw. ow. gel. en ong. door den wind omverwerpen, - omvergeworpen worden. *...WAARTS, bijw. in eene rigting naar omlaag. *...WENTELEN, bw. ow. gel. afwentelen. *...WERPEN, bw. ong. ZICH -, ww. knielen. *...WERPING, v. *...ZAAL, v. (...alen), benedenzaal. *...ZAKKEN, ow. gel. inzakken. *...ZAKKING, v. *...ZEILEN, ow. bw. gel. in eene nederwaartsche rigting zeilen; omverzeilen. *...ZENDEN, bw. ong. *...ZETTEN, ow. gel. iets op den grond of op eene andere oppervlakte nederzetten (inz. nadat men het gedragen heeft); (fig.) bedaren, stillen. ZICH -, ww. zich vestigen op eene plaats; gaan zitten. *...ZETTING, v. het nederzetten; vestiging; kolonie, volkplanting; faktorij (in overzeesche gewesten). *...ZIEN, bw. onr. de blikken naar beneden vestigen, de oogen werpen (op iets). *...ZIJGEN, ow. ong. langzaam nederzakken; flaauw vallen. *...ZIJPELEN, *...ZIJPEN, ow. gel. afdruipen. *...ZINKEN, ow. ong. *...ZINKING, v. *...ZITTEN, ow. ong. gezeten zijn. *...ZUIGEN, bw. ow. ong. zuigende naar zich toe halen; zuigende dalen (van eenen waterloop). *...ZWALPEN, bw. gel. *...ZWELGEN, bw. ong. *...ZWEVEN, ow. gel. *...ZWIEREN, ow. gel. [Neef]Neef, m. (neven), broeders- of zusters-zoon; ooms- of tantes-zoon; volle -, halve -. *-SCHAP, o. betrekking van neef tot neef of van neef tot oom; (fig.) begunstiging van nabestaanden, † nepotismus. -, v. de neven. [Neemachtig]Neemachtig, bn. (-er, -st), diefachtig, geneigd tot stelen. [Neen]Neen, bijw. uitdrukking van ontkenning; (tegenstelling van ja). *-, o. een -, eene ontkenning, afwijzing; - verkoopen, niet voorhanden hebben (in eenen winkel) wat gevraagd wordt. [Neep]Neep, v. (B.m. en v.) (...epen), het knijpen (met de vingers); schade, afbreuk; (fig.) in de - zijn, in verlegenheid zijn; (fig.) hij heeft aan de flesch een goede - gegeven (er braaf wat uit gedronken). *-JE, (B. -N), o. (-s), knijpje (inz. in het geheim toegebragt). *-JESMUTS, v. (-en), vrouwen-hoofddeksel. [Neer, Nerre]Neer, Nerre, v. (neren), (B.m. en v.), draaikolk, tegenstroom; (fig.) hij is in de - geraakt, het loopt hem tegen. [Neêr]Neêr, zie NEER. *-SLAG, m. manslag; (scheik.) praecipitaat. *-SLAGTIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. ter neêr geslagen, verdrietig, bedroefd. *-SLAGTIGHEID, v. ontmoediging, moedeloosheid. [Neet]Neet, v. (neten), luizen-eitjes; (fig.) magere -, arme bloed.
*-, klinknageltje in eene schaar. *-EN, bw. gel. (ik neette, heb geneet), plat klinken (een nageltje). *-VORMIG, bn. [Neffens]Neffens, bijw. nevens; (zie dit woord). [† Negatie]† Negatie, v. (...ën), ontkenning, loochening. *...TIEF, bn. ontkennend; - regt, regt om te vorderen dat een ander iets onderga of lijde. [Negen]Negen, telw. *-, v. het cijfer negen, getalmerk; naam van een der kaartenbladen in het kaartspel; klaveren -; (fig.) de - zusters, de zanggodinnen, de muzen. *-DAAGSCH, bn. negen dagen durende. *-DE, bn. de -, (in rang- of volgorde); de - (dag) der maand. *-DEHALF, telw. acht en een half. *-DERHANDE, *-DERLEI, bn. van negen soorten. *-DUIZENDSTE, bn. *-HOEK, m. (meetk.) zek. figuur. *-HONDERDSTE, bn. *-JARIG, bn. negen jaren oud, negen jaren durende. *-KUILEN, ow. gel. (ik negenkuilde, heb genegenkuild), soort kinderspel. *-MAAL, bijw. negen keeren. *-OOG, v. (B.o.) (-en), zek. aal, (visch); soort bloedzweer. *-STEK, o., *-STEEK, m., *-STIK, m. zek. spel met negen schijven. *-STEKKEN, ow. gel. (ik negenstekte, heb genegenstekt), dit spel spelen. *-TAL, o. (-len), negen stuks, negen personen, negen zaken; (fig.) het -, de zanggodinnen. *-TIEN, telw. *-TIENDE, bn. *-TIENJARIG, bn. *-TIENMAAL, bijw. *-TIG, telw. *-TIGJARIG, bn. *-TIGMAAL, bijw. *-VOUD, o. negenmaal zoo veel. *-VOUDIG. bn. negenmaal herhaald. *-WERF, bijw. negenmaal. [Neger]Neger, m. (-s), mensch met zwarte huidskleur, zwarte, Afrikaan uit de binnenlanden; witte -, albino. *-HANDEL, m. gmv. slavenhandel. *-HUIS, o. (...zen), waar negers gehuisvest zijn. *-IJ, v. (-en), negerhuis; zie NEGORIJ. *-IN, v. (-nen), vrouw -, meisje met zwarte huidskleur (uit de binnenlanden van Afrika). *-KAPITEIN, m. (-s), hoofdman van de negers. *-KOREN, o. gmv. zwarte gierst, zek. plant. *-LAND, o. vaderland der negers, Afrika. *-SCHIP, o. (...epen), slavenhaler. *-VRIEND, m. (-en), bestrijder van den slavenhandel. [† Negeren]† Negeren, bw. gel. (ik negerde, heb genegerd), ontkennen, loochenen. [Negge]Negge, v. (-n), hit, klein paard. [† Neglectie]† Neglectie, v. verzuim, verwaarloozing. *...GLIGÉ, o. huisgewaad, nacht-, ochtendkleed. *...GLIGEREN, bw. gel. (ik negligeerde, heb genegligeerd), verzuimen, verwaarloozen, veronachtzamen. [† Negorij, Negerij]† Negorij, Negerij, v. (-en), (oudt.) plaats waar negers verkocht worden. [† Negotiabel]† Negotiabel, bn. verhandelbaar, omzetbaar. *...TIANT, m. (-en), handelaar. *...TIATIE, v. (...ën), handelsbedrag; het verhandelen van een nog niet verschenen wissel; geldleening; diplomatieke onderhandeling. *...TIE, v. gmv. handel, koopmanschap; handelsverkeer; met - gaan, rondventen aan de huizen. *...TIËREN, bw. gel. onderhandelen; handeldrijven; tot stand brengen, bewerken; verkoopen, disconteren (eenen wissel). [Neigen]Neigen, bw. ow. gel. (ik neigde, heb geneigd), in schuinsche rigting benedenwaarts buigen; zich voorover buigen; krommen; knikken
met de knieën (zoo als de vrouwen groeten); overhellen, hellen; de dag neigt ten avond, het wordt weldra donker. *...GING, v. gmv het neigen. -, (-en), helling; genegenheid, lust, buiging, hoofd-knikking. [Neijen]Neijen, (B. NEIEN), ow. gel. (ik neide, heb geneid), brieschen (der paarden). [Nek]Nek, m. (-ken), achterste deel van den hals (bij menschen en dieren); een stijve -; (fig.) iem. den - breken, iem. geducht afrossen; (fig.) dat zal hem den - breken, dat is zijn ondergang; (fig.) iem. den - toekeeren, zich met verachting van iem. verwijderen; (fig.) iem. met den - aanzien, iem. met verachting afwijzen; den - buigen, krommen, zich onderwerpen. *-HAAR, o. haar in den nek. *-KEN, bw. gel. (ik nekte, heb genekt), dooden, vermoorden; omhakken (een zwaren boom); tergen, boos maken. *-KER, m. (-s). *-KING, v. *-PIJN, v. (-en). *-SPIER, v. (-en), (ontl.). *-SLAG, m. (-en), slag op den nek; (fig.) genadeslag, doodslag. *-STUK, o. (-ken), (van een slagtbeest). [Nel]Nel, v. troef negen (in het kaartspel). [↑ Nemaar]↑ Nemaar, vw. neen maar, maar integendeel. [Nemen]Nemen, bw. ong. (ik nam, heb genomen), iets aanvatten, grijpen, vatten; zich in het bezit van iets stellen; ontvangen; ontrooven; kapen; onderstellen; de vrijheid -, zich de vrijheid veroorloven; de stad is genomen (door den vijand bemagtigd); op zich -, zich met eenige verrigting belasten; in aanmerking -, overwegen, letten op; deze waar wordt gretig van de markt genomen (vindt veel koopers); zoo als gij het neemt, zoo als gij de zaak beschouwt; dit moet zóó genomen (opgevat) worden; de vlugt -, vlugten; de moeite -; eene vrouw -, huwen; (fig.) iem. in den arm -, hulp bij iem. zoeken; ik neem (houd) u bij uw woord, gij moet doen wat gij gezegd hebt; kwalijk -, boos zijn, euvel duiden; voor lief -, tevreden zijn met... *...MER, m. (-s), die neemt; dief; kaper; schip dat een ander schip bemagtigt; (taalk.) zesde naamval, ablativus; (kooph.) acceptant (van eenen wissel). *...MING, v. het nemen. [† Nemolith]† Nemolith, m.m. zek. steensoort. [† Nemesis]† Nemesis, v. (fab.) godin der wraak; (fig.) wrekende geregtigheid. [† Neocomien]† Neocomien, o. zek. delfstof. *...LOOG, m. (...ogen), invoerder -, voorstander van nieuwigheden (inz. nieuwe woorden). *...LOGIE, v. gmv. invoering van nieuwigheden (inz. nieuwe woorden). *...PHIET, m. (-en), nieuweling, nieuw-bekeerde. *...RAMA, o. vereeniging van het panorama met het diorama. [Nepent]Nepent, *-HES, o. (plant.) kannekenskruid. [† Neperiaansche staafjes]† Neperiaansche staafjes, o. mv. zeker werktuig om het vermenigvuldigen gemakkelijk te maken; (oudt.) logarithmen. [† Nephelien]† Nephelien, o. zek. steensoort. [† Nephriet]† Nephriet, o. nephritische jade, zek. steensoort. [† Nepotismus]† Nepotismus, o. gmv. neefschap, bloedverwantschap; (fig.) begunstiging van nabestaanden, familiegeest. [Neppe]Neppe, v. (plant.) kattekruid. [Neptunus]Neptunus, m. gmv. (fab.) god der zee; naam eener planeet (aangeduid door het teeken [Nerf]Nerf, v. gmv. zijde van het leder waarvan het haar afgeschaafd is. [Nergens]Nergens, bijw. op of in geene plaats; niets; hij is - te vinden; dat dient - toe (tot niets); - anders dan, op geen andere plaats dan. [Nering]Nering, v. (-en), vertier (inz. van winkelwaren), handel; kalandizie; (zeew.) soort smalle landtong; afwijking van den eigenlijken oeverwal; (haringvangst) ter - varen; - en handtering, koophandel en nijverheid; (fig.) de tering naar de - zetten, zijne uitgaven naar zijne inkomsten regelen; goede - hebben, goed beklant zijn; (fig.) de vrije - doen, zeeschuimen, op zeeroof uitgaan. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), beklant. *-GIERIG, bn. (-er, -st), tuk op kalanten. *-HUIS, o. (...zen), winkelhuis; goed beklante winkel. *-LOOS, bn. (...zer, -st), zonder kalandizie, verlaten. -HEID, v. gebrek aan kalandizie. *-RIJK, bn. (-er, -st), goed beklant. *-ZIEK, *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st), neringgierig. [Nero]Nero, m. (fig.) dwingeland, tiran. [Neroli]Neroli, *-OLIE, v. zekere olie uit oranjebloesem gedestilleerd. [Nerpen]Nerpen, ow. gel. zie SNERPEN. [† Nertelologie]† Nertelologie, v. leer -, kennis der onderaardsche ligchamen. [† Nerveus]† Nerveus, bn. zenuwachtig; gespierd; de zenuwen betreffende. [Nesch, Nesk]Nesch, Nesk, bn. dwaas, onnoozel, zot. *-HEID, v. dwaasheid. *-EBOL, m. onnoozele, zot. [† Nesologie]† Nesologie, v. kennis der eilanden. [Nest]Nest, o. (-en), verblijf van vogelen of andere dieren (inz. jongen); leger (van wild); (fig.) geringe -, armzalige woning; iets dat niet deugt, dat slecht is; (fig.) roovershol; § bed; ondeugend meisje; (mijnw.) hoop of klomp erts buiten de rigting eener mijnader. *-ACHTIG, bn. als een nest; (fig.) vuil, leelijk. *-EI, o. (...jeren), vogelei in een nest uitgebroed. [Nestel]Nestel, m. (-en, -s), veter, rijgsnoer; zek. schouder-sieraad als onderscheidingsteeken op de uniform van officieren (inz. adjudanten) enz.; (fig.) iem. den - knoopen, iem. door tooverij bezweren. *-AAR, m. (-s), talmer, draler. *-BESLAG, o. gmv. malie eener rijgsnoer. *-BESLAGER, m. (-s). *-EN, bw. gel. (ik nestelde, heb genesteld) met eenen nestel toerijgen. -, ow. een nest maken; talmen, dralen. ZICH -, ww. zich ergens nederzetten, zich vestigen; zich verbergen, - verschuilen. *-GAT, o. (-en), vetergat (waardoor men de nestels enz. haalt). *-ING, v. nestel; nestvogel. *-KRUID, o. zek. plant. *-MAKER, m. (-s). *-NAALD, v. (-en), lias. *-TAK, m. (-ken), tak geschikt voor een vogelnest. [Nesten]Nesten, bw. ow. gel. (ik nestte, heb genest), zie NESTELEN. *...IG, bn. (-er, -st), slecht. *...KORF, m. (...ven), broeikorf (voor de eenden enz.). *...KUIKEN, o. (-s), kuiken dat het laatst uit een
ei komt. *...VEDEREN, *...VEREN, v. mv. eerste vederen van eenen vogel. *...VOGEL, m. (-s). *...VOL, o. al de vogelen enz. in een nest. *...ZWAM, o. gmv. [† Nestor]† Nestor, m. (fig.) schrander -, eerwaardig grijsaard; oudste; de - der geleerden. [Net]Net, bn. en bijw. (-ter, -st), rein, zuiver, blinkend; sierlijk, keurig; beschaafd; aardig, lieftalig, innemend; vloeijend (van stijl); juist, naauwkeurig, precies; even (als, zoo); hij is - (fraai) gekleed; - (juist) van pas; - gepast, er ontbreekt niets aan en er is niets te veel (b.v. van eene geldsom); - ter snede, juist van pas, op het geschikte oogenblik; het is - (precies) elf uur; in het - schrijven, overschrijven (van het klad); hij gaf mij - (even) zooveel als aan haar. *-, o. (-ten), zek. zak van draden of touw met mazen vervaardigd; strikwerk om (visch, vogels enz.) te vangen; hoofdhulsel (van vrouwen); (ontl.) bekleedsel der darmen, darmvlies; hersenvlies, panvlies; (teek., meetk.) ruitvormig in regte hoeken kruislings over elkander getrokken lijnen (tot het schetsen van teekeningen, het maken van landkaarten enz.); -ten uitzetten, spannen, (van visschers en jagers); (fig.) in het - zijn, verschalkt zijn; (fig.) achter het - visschen, te laat komen, zijne kans verkeken hebben; iem. het - over het hoofd halen, iem. onverwachts tegen wil en dank tot iets doen besluiten; (fig.) dat valt in mijn -, dat gelukt mij; zijn - in den wind steken, onderzoeken; (fig.) zijne -ten droogen, zich het gebruik van sterken drank ontwennen. *-BOORD, o. (-en), (boekdr.) plank waarop het papier wordt nat gemaakt. *-BREUK, v. (-en), (heelk.). *-DARMBREUK, v. (-en), (heelk.). [Netel]Netel, v. (B.m. en v.), (-en, -s), zek. plant. *-ACHTIG, bn. de -e planten; (zie ook NETELIG). *-DOEK, o. zek. geweven dunne stof. -SCH, bn. van neteldoek. *-EN, bw. gel. (ik netelde, heb geneteld), met netels steken. *-HEIDE, v. (-n), heide met (brand-) netels bedekt. *-IG, bn. vol netels; stekelig, netelachtig; (fig.) korzelig, eigenzinnig, grillig; moeijelijk, hagchelijk, bedenkelijk. *-IGHEID, v. gmv. eigenzinnigheid; moeijelijkheid; prikkel. *-KONINGJE, (B. -N), o. (-s), zek. vogeltje. *-KOORTS, v. (-en), zek. ziekte. [Netheid]Netheid, v. gmv. het nette, het sierlijke. *...JE, (B. -N), o. (-s), klein net. *...JES, (B. *...JENS), bijw. keurig, sierlijk, fraai. *...KORAAL, v. zek. gewas. *...STOK, m. (-ken), stok van een net. *...TELIJK, bijw. zuiver, netjes. [Netten]Netten, bw. gel. (ik nette, heb genet), nat maken, bevochtigen, natten; reinigen, schoonmaken. *-BREIJER, *-MAKER, m. (-s). [Nettigheid]Nettigheid, v. netheid. [† Netto]† Netto, bijw. zuiver, na aftrek der tarra, - van alles; schoon. [Netvleugeligen]Netvleugeligen, m. mv. zek. insekten, peesvleugeligen. *...VLIES, o. (ontl.). *...VORMIG, bn. (-er, -st). *...WERK, o. netten. [Neulen]Neulen, ow. gel. (ik neulde, heb geneuld), binnensmonds grommen, preutelen, zaniken. [Neuriën]Neuriën, bw. gel. (ik neuriede, heb geneuried), of NEUREN, (ik
neurde, heb geneurd), binnensmonds -, halfluid zingen; kwinkeleren (van kleine vogels). [Neus]Neus, m. (...zen), vooruitstekend deel van het aangezigt (tusschen het voorhoofd en den mond); zetel van het reuk-zintuig; vooruitstekend punt (van eenig voorwerp); punt (van eenen schoen); deel van een slot; vooruitstekende punt van den voorsteven (eens schips); punt van een voorgebergte (in zee); (zeew.) den - in den wind steken, den boeg naar den wind wenden; dit schip spoelt lustig zijnen - (gaat met den boeg diep onder water); (fig.) den - overal in hebben (steken of laten gaan), zich met alles bemoeijen en over alles een oordeel vellen; (fig.) zijnen - in den wind steken, onderzoeken, navorschen; dit is geen knip voor den - waard, dit heeft volstrekt geen waarde; (fig.) iem. bij den - hebben of leiden, hem bedotten, foppen, bedriegen; (ook) met iem. doen wat men wil; (fig.) hij ziet niet verder dan zijn - lang is, hij heeft weinig doorzigt; (fig.) iem. iets door den - boren, hem iets ontfutselen; door den - spreken, een onaangenaam neusgeluid bezitten; dat ligt vlak voor uwen - (vlak voor u); dat gaat mijnen - voorbij, dat moet ik missen, dat krijg ik niet; iets in den - krijgen, de lucht van iets krijgen; er met een langen - afkomen, of een langen - hebben, beschaamd staan; iem. eenen - aandraaijen, of een wassen - maken, iem. iets wijs maken; die zijnen - schendt, schendt zijn aangezigt, die van zijne bloedverwanten kwaad spreekt onteert zich zelven; iem. iets onder (in of door) den - wrijven, iem. iets op onzachte wijze zeggen. *-BALLETJE, (B. -N), o. (-s), top van den neus. *-BEEN, o. (-en), (ontl.) been tusschen de twee neusgaten, ploegijzerbeen. *-BLOEDEN, o. gmv. *-BLOEDING, v. (-en). *-DIER, o. (-en), zek. dier tot het beerengeslacht behoorende. *-DOEK, m. (-en), zakdoek. -JE, (B. -N), o. (-s). *-DROP, *-DRUIP, *-DRUP, m. gmv. droppel aan den neus. *-GAT, o. (-en), opening van den neus. *-GEZWEL, o. (-len), (heelk.). *-HAAR, o. haar in de neusgaten. *-HOORN, m. (-s), of -DIER, o. (-en), rhinoceros. *-HOORNKEVER, m. (-s), zek. insekt. *-VOGEL, m. (-s). *-JE, (B. -N), o. (-s), (fig.) het - van den zalm, het lekkerste, het beste, het eêlste. *-KIJKER, m. (-s), jongen of bootsgezel die voor op den boeg op den uitkijk staat. *-KLANK, m. (-en), door den neus uitgesproken letters. *-KLINKER, m. (-s), klinkletter door den neus uitgesproken. *-KNIJPERTJE, (B. -N), o. (-s), bril zonder veeren. |