|
|
|
| |
D.
| |
[D]
D, v. vierde letter van het alfabet; re, een der muzieknoten; rom. getalmerk 500; 5000; D., don, heer; in de scheikunde beteekent D vitriool; Dt, debet of debent; Dat., dativus, derde naamval; dd., de do., de dato (van den zooveelsten der maand); d.i., dat is; do. dito, nog eens, hetzelfde; Dr., doctor; Ds., dominé (predikant); Dec., December; del., delineavit, geteekend door; Deut., Deuteronomium, het vijfde boek Mozes; Div., divus, heilige; D.G., dei gratia, door Gods genade; D.H., doorluchtige hoogheid; D.J.U., doctor juris utriusque, meester in de beide regten; D.L.C.D.J., de la compagnie de Jésus, lid der societeit van Jezus, jezüit; D.O.M.,
| | | |
deo optimo maximo, aan den heerlijksten, oppersten God; D.S., del segno, (muz.) van het teeken.
| |
[Daad]
Daad, v. (daden), handeling, verrigting; in der -, werkelijk; op heeter -, terwijl men bezig is, gedurende het bedrijven der daad; met raad en - bijstaan, krachtig ondersteunen; de daden moeten spreken, men moet zich door zijne daden toonen. *-ZAAK, v. (...aken), feit.
| |
[Daags]
Daags, bijw. iederen dag; hij wint een gulden -, per dag; -te voren, den dag te voren. *-ANKER, o. (-s), (zeew.) werpanker.
| |
[Daagsch]
Daagsch, bn. door den dag, in de werkdagen; een -e jas, hoed, die niet op zon- en feestdagen gedragen wordt.
| |
[Daagster]
Daagster, v. (-s), (regt.) eischeres, klaagster.
| |
[Daal]
Daal, v. (dalen), buis (eener pomp). *-DER, m. (-s), oud holl. munt (= ƒ1.50), in Duitschland ook rijksdaalder (= ƒ1.80).
| |
[Daan]
Daan, bijw. alleen gebr. met van: waar komt gij van -? van welke plaats komt gij? hij is daar van -; hij is er al van -, reeds vertrokken.
| |
[Daar]
Daar, bijw. op -, in die plaats; er; ginds; wie komt-? hij is -; - ligt het; - hebt gij het; hier en -, op enkele punten of plaatsen; van -. *-, vw. alzoo, nademaal; immers, derhalve; - het zoo is; - gij het toch weet; gij gaat uit - (terwijl) gij weet dat het u verboden is. *-AAN, bijw. aan dit, aan dat, aan deze of die zaak (of zaken), er aan; mij is veel - gelegen; - (daarmede) heb ik genoeg; wat hebt gij -? *-ACHTER, bijw. er achter; - schuilt iets of daar schuilt iets achter. *-BIJ, bijw. bij dit of dat, - deze of gene zaak, daarenboven; vlak -, zeer digt bij; - komt dat....; - blijft het; reken nog 100 gulden -. *-BENEDEN, bijw. onder, beneden dit of dat. *-BENEVEN, -s, bijw. naast, met dit of dat. *-BINNEN, bijw. binnen (deze of gene plaats); hij is -, in die kamer. *-BOVEN, boven dit, - dat, - deze of gene zaak; niets gaat -, niets overtreft het; (fig.) God -, in den hemel. *-BUITEN, bijw. buiten deze of gene plaats, behalve deze of gene zaak; - staat hij; gij moet - blijven, er u niet mede bemoeijen. *-DOOR, bijw. door dit of dat, door deze of gene plaats; ga niet -; - zult gij mij zeer verpligten; - zult gij in uwe onderneming slagen. *-ENBOVEN, bijw. bovendien. *-ENTEGEN, bijw. integendeel, buitendien; hij is kundig maar - zeer verwaand. *-HEEN, bijw. naar die plaats, naar dit of dat heen; wij willen -; (fig.) - (zoo ver) moet gij het brengen. *-IN, bijw. in die plaats; in die zaak; - (daarbinnen) is niemand; - (in die kan of flesch) is niets meer; dit is ook - begrepen, wordt ook medegerekend; - stem ik toe. *-LANGS, bijw. langs die plaats, -dat punt; ga -. *-MEDE, bijw. met dit of dat, met die zaak; - heeft hij zich verdedigd (ook fig.); hoe zal het - gaan? wat zal er de uitslag van wezen? *-NA, bijw. na dit of dat; na dien tijd; eerst leeren, - spelen; in het begin waren zij vrienden, - vijanden. *-NAAR, bijw. er naar, naar dit of dat; - zal ik mij rigten. *-NAAST, bijw. er naast, naast dit of dat; weet gij de kerk? - woont hij. *-NEVENS, bijw. er nevens, er bij, bovendien. *-OM, bijw. om dit of
| | | |
dat heen; om die oorzaak, wegens; - doe ik het juist. *-OMTRENT, bijw. in den omtrek. *-ONDER, bijw. er onder, onder dit of dat; ziet gij die kast? zoek - kinderen van 12 jaar en - (beneden, of nog zoo oud niet); die lieden zeggen het, doch - (of onder hen) zijn enkelen die het ontkennen. *-OP, bijw. boven, op dit of dat; leg het boek -; (fig.) - komt het aan; verlaat u -; - kunt gij bouwen, u verlaten; - (toen, daarna), sprak hij. *-OVER, bijw. er boven, er over heen, over -, op dit of dat; (ook fig.) - vloog de kogel heen; leg een kleed -; - beklaag ik mij; - ben ik ongerust. *-STELLEN, bw. gel. (ik stelde daar, heb daargesteld) (nog niet algemeen als goed hollandsch erkend), scheppen, vormen. *-TEGEN, bijw. tegen dit of dat (ook fig.); zet den stoel -; (fig.) - verzet ik mij; wat hebt gij -? *-TOE, bijw. tot dit of dat, er toe; - heb ik geen tijd, geen moed. *-TUSSCHEN, bijw. tusschen dit of dat, er tusschen; (ook fig.) zet het-; - wierp de zon hare stralen; - geschiedde het volgende. *-UIT, bijw. uit dit of dat, er uit (ook fig.); neem het - en doe het hierin; - kan ik niet wijs worden; - komt niets, het gebeurt niet; - vloeit voort dat... *-VAN, bijw. van dit of dat, er van; - moet gij hem iets geven; neem - en, niet hiervan; - weet ik niets. *-VOOR, bijw. voor dit of dat, er voor (ook fig.); vroeger dan dit of dat; in de plaats van; schuif de tafel -; hij is een eerlijk man, men houdt hem ten minste -; - sta ik u in; neem u - in acht - zal ik zorgen; - zeg ik u dank; - is dit geneesmiddel goed; de hemel behoede mij -! ik moet het - houden dat...; - is hij goed en voor niets anders.
| |
[† Da capo]
† Da capo, bijw. nog eens over, van het begin, bis.
| |
[† Dactylologie]
† Dactylologie, v. gmv. vingerspraak (der doofstommen).
| |
[Dadel]
Dadel, m. (-s), zekere fijne zuidvrucht. *-BOOM, m. (-en). *-PIT, m. (-ten). *-OLIE, v. gmv. *-STROOP, v. gmv. *-WIJN, m. gmv.
| |
[Dadelijk]
Dadelijk, bn. en bijw. regtstreeksch, werkelijk; onmiddellijk; regtstreeks; ik zal u - antwoorden; dit huis is - te aanvaarden, oogenblikkelijk te betrekken. *-HEID, v. gmv. het werkelijke, het oogenblikkelijke. -, (...heden), feitelijkheden, slagen, vechtpartij; van woorden kwam het tot dadelijkheden.
| |
[Dader]
Dader, m. (-s), bedrijver, uitvoerder. *...DIG, bn. schuldig; hij was er aan -. *...DING, v. (-en), vergelijk, transactie.
| |
[Dag]
Dag, m. (-en), glans -, zigtbaarheid der voorwerpen door het zonlicht; tijdsverloop van het opgaan tot het ondergaan der zon; (fig.) tijdsverloop van 24 uren; de - breekt aan; het is reeds -; bij klaren lichten -; vóór - en dauw; alle -, iederen dag; (godg.) de jongste -, de dag des oordeels; (fig.) een gat in den - slapen, lang te bed blijven; aan den - komen, ontdekt worden; aan den - brengen, ontdekken; hij komt op zijne dagen, wordt oud; geruste, goede dagen hebben, pleizierig leven; dit heeft zijne dagen (zijn leven) verkort; wie heeft dit nu al zijn dagen (ooit) gezien? (mets.) in den -, boven den grond. *-, v. (-gen), ponjaard; (zeew.) end touw.
| | | |
| |
[Dagblad]
Dagblad, o. (-en), krant, nieuwspapier. *-ARTIKEL, o. (-en).. *-PERS, v. gmv. de couranten, dagbladen. *-SCHRIJVER m. (-s) *-ZEGEL, o. gmv. *...BLIND, bn. bij den dag niet ziende (als de vledermuizen en uilen). -HEID, v. gmv. *...BLOEM, v. (-en), bloem die slechts één dag leeft. *...BOEK, o. (-en), aanteekeningen die alle dag worden bijgehouden, journaal. *...BOOG, m. (...ogen), (sterr.) deel van den parallelcirkel eens hemelligchaams. *...CIRKEL, m. (-s), (sterr.) (van een hemelligchaam). *...DIEF, m. (...ven), die zijnen tijd verluijert, luije werkman. *...DIEVEN, ow. gel. (ik dagdiefde, heb gedagdiefd), zijnen tijd verluijeren, - verslenderen. *...DIEVERIJ, v. gmv. luiheid in het werken.
| |
[Dagelijks]
Dagelijks, bijw. alle dag, iederen dag. *-SCH, bn. alle dag; dat is zijne -e gewoonte; de -e omwenteling der aarde om hare as; (fig.) ik heb mijn (het) - brood, een matig bestaan; het - bestuur eener gemeente, burgemeester en wethouders.
| |
[Dagen]
Dagen, onp. w. gel. (het daagde, heeft gedaagd), dag worden; schijnen (van zonlicht); (fig.) die dag zal nimmer -, komen, verschijnen. *-, bw. (ik daagde, heb gedaagd), (regt.) roepen (voor de regtbank), dagvaarden; vorderen (tot een tweegevecht). *...GER, m. (-s), deurwaarder, eischer.
| |
[Dageraad]
Dageraad, m. gmv. het aanbreken van den dag; (fab.) Aurora.
| |
[Dagge]
Dagge, v. (-n), ponjaard.
| |
[Daggeld]
Daggeld, o. (-en), loon dat men iederen dag verdient of ontvangt. *-ER, m. daglooner; (oudt.) waardgelder, die bij den dag dient of betaald wordt. *...HUUR, v. daggeld; op - werken; (fig.) een goede - verdienen (aan iets). -DER, m., -STER, v. (-s), die op daggeld werkt.
| |
[Daging]
Daging, v. het dagen, dagvaarden.
| |
[Daglicht]
Daglicht, o. gmv. het licht van den dag; hij zag het eerste - te, werd geboren te; hij is niet waard dat hem het - beschijne; (fig.) iets in een fraai - plaatsen, het vergoêlijken. *...LIJST, v. (-en), lijst van de dagelijks aankomenden; dagelijksche aanteekening enz. *...LOON, o. (-en), betaling voor één dag arbeid. -ER, m. (-s), -STER, v. (-s), werkman -, werkvrouw die bij den dag zich verhuurt. *...MAT, v. (oudt.) overijsselsche vlaktemaat. *...ORDE, v. gmv. (in vergaderingen) lijst der te behandelen onderwerpen. *...ORDER, v. (-s), bekendmaking, afkondiging aan het leger. *...REGISTER, o. (-s), dagboek. *...REIS, v. (...zen), reis gedurende den dag; bepaalde weg dien men gedurende een dag kan afleggen; die stad ligt op 20 dagreizen van; met kleine dagreizen voorttrekken. *...SCHOLIER, m. (-en), -STER, v. (-s), die de dagschool en niet de avondschool bezoekt, (ook) die niet in den kost is; externe. *...SCHOOL, v. (...olen), die alleen bij den dag gehouden wordt. *...SEINEN, o. mv. (zeew.). *...STER, v. gmv. morgenster, Orion; (ook) de zon. *...TEEKENEN, bw. en ow. gel. (ik dagteekende, heb of ben gedagteekend), den datum plaatsen; den datum dragen; (fig.) dat dagteekent van dien tijd. *...TEEKENING, v. (-en), datum, aanwijzing van den hoeveelsten der maand. *...TEEKENS, o. mv. (sterrew.) de zes teekens van den Dierenriem, die des daags zekeren invloed uitoefenen (Ram, Tweelingen, Leeuw, Weegschaal, Schutter, Waterman).
| | | |
*...VAARD(T), v. (oudt.) vergadering der afgevaardigden (van een land); ter - verschijnen; - houden. -EN, bw. gel. (ik dagvaardde, heb gedagvaard), ter dagvaart beschrijven, oproepen; (regt.) voor het geregt dagen (bij deurwaarders-akte). *...VAARDING, v. (-en), geregtelijke indaging; deurwaarders-akte, exploit (van indaging). *...VERHAAL, o. (...alen), verhaal van hetgeen elken dag voorvalt. *...VLINDER, m. (-s), vlinder die één dag leeft. *...VOGEL, m. (-s), gewone vogel die zich bij den dag laat zien (in tegenst. van nachtvogel, als uil, vledermuis enz.). *...WACHT, v. (-en), (zeew.) eerste wacht na den nacht (van 4 tot 8 uur in den morgen). *...WERK, o. (-en), zoo veel arbeid als men in éénen dag kan afwerken; (fig.) mijn - is volbragt, mijn levensdraad is afgesponnen. -ER, m. (-s), -STER, v. (-s), daglooner, dagloonster. *...WIJZER, m. (-s), boekje -, blaadje-, werktuigje dat de dagteekening aantoont, almanak, agenda.
| |
[† Daguerreotype]
† Daguerreotype, v. (-n), lichtbeeld (door middel der camera obscura verkregen afbeelding, naar den uitvinder Daguerre aldus genoemd). *...TYPEREN, bw. gel. (ik daguerreotypeerde, heb gedaguerreotypeerd), vaste lichtbeelden verkrijgen (door middel der daguerreotype).
| |
[† Dahlia]
† Dahlia, v. (-as), zekere sierplant.
| |
[Dak]
Dak, o. (-en), dekstuk; (meestal) bedekking van een gebouw;, schuin-, vlak -; een leijen -, met leijen gedekt; onder - komen, huisvesting bekomen; onder één - wonen, hetzelfde huis bewonen; onder mijn nederig -, in mijne burgerlijke woning; iem. iets op zijn - schuiven, toeduwen, (ook) hem er verantwoordelijk voor stellen; dat krijg ik op mijn -, daar zal ik voor moeten boeten; iets van de -en verkondigen, alom bekend maken. *-BALK, m. (-en). *-DEKKER, m. (-s), die met stroo dekt (in tegenst. van leidekker). *-BORD, o. (-en), plank voor aan het dak (ter bekleeding). *-DIGT, bn. goed van dak, beveiligd tegen doorregenen enz. *-DROP, o. gmv. het droppen -, lekken van een dak. *-GERAAMTE, o. (-n), de verzameling van al de sparren enz. *-GOOT, v. (...oten). *-JE, (B. -N), o. (-s), klein -, laag dak; (fig.) het gaat er als van een leijen -, het gaat gemakkelijk, zonder stoornis. *-LAT, v. (-ten), lat over de sparren geslagen. *-PAN, v. (-nen), pan tot dekking. *-PIJP, v. (-en), loodregt of schuin staande pijp om het water van de daken op te vangen. *-RIB, v. (-ben), *-SPAR, v. (-ren), (dienende tot het zamenstellen van het dakgeraamte). *-RIET, *-STROO, o. gmv. waarmede men daken enz. (op het platte land) dekt. *-STOEL, m. (-en), (bouwk.) getimmerte waarop het dak rust. *-VENSTER, o. (-s). -TJE, (B. -N), o. (-s). *-WERK, o. (-en), zamenstel van een dak.
| |
[Dal]
Dal, o. (-en), laagte -, vlakte tusschen bergen; de zwitsersche dalen, (van Zwitserland); het - Tempé, (bekoorlijkste streek van Griekenland); (bijb.) het - Josaphat, waar de steden Sodom en Gomorrha lagen; (spr.) over berg en -, van alle kanten, (ook) van verre oorden; bergen en dalen ontmoeten elkander niet, maar wel menschen, een mensch kan vaak den ander noodig hebben. *-BEWONER, m. (-s). *-BEWOONSTER, v. (-s).
| | | |
| |
[Dalen]
Dalen, ow. gel. (ik daalde, ben gedaald), zacht naar beneden komen; zakken; vallen, verminderen (van prijzen); de zon daalt in het westen; de prijzen-; de markt(prijs) daalt, is dalende; bij dalende prijzen; de actiën -, worden minder waard, (ook fig.) de zaak wordt, minder goed, het vertrouwen vermindert; in het graf -, sterven; hij is zeer in mijne achting gedaald. *...LING, v. het naar beneden komen; vermindering; de - der fondsen; op - speculeren, (in fondsen) contramineren; verkoop op -, contramine.
| |
[† Daltonismus]
† Daltonismus, o. (ook CHROMATOPSEUDOPSIE genoemd), gebrek aan het gezigtsvermogen van vele menschen, eenige kleuren (vooral rood en groen) niet te kunnen onderscheiden.
| |
[Dam]
Dam, m. (-men), opgeworpen waterkeering (van aarde of steenen); eenen - opwerpen, maken; (fig.) een haan is stout op zijn eigen -, te huis is men moediger dan elders; dit breekt -men en dijken door, (ook fig.) sleept alles mede, ontziet niets. *-, (zeker spel met schijven op een bord met 100 velden of ruiten); - spelen; eenen - halen; - hebben, eene schijf verdubbelen; eenen - slaan (nemen).
| |
[† Damasceren]
† Damasceren, bw. gel. (ik damasceerde, heb gedamasceerd), staal bloemen, vlammen, met goud of zilver inleggen (dus genoemd naar de stad Damaskus in Syrië, waar dit het eerst geschiedde); een gedamasceerde kling.
| |
[Damast]
Damast, o. gebloemde zijden -, wollen stof. *-BLOEM, v. (-en), plant. *-EN, bn. van damast. *-GOED, o. gmv. stof tot damast geweven. *-PRUIM, v. (-en), zekere pruim. *-TAFELLINNEN, o. (-s). *-WERK, o. (-en). *-WEVER, m. (-s).
| |
[Dambord]
Dambord, o. (-en), bord waarop dam wordt gespeeld.
| |
[† Dame]
† Dame, v. (-s), vrouw van rang; (schaak- en kaartspel) koningin; titel in het algemeen gegeven aan vrouwen van den fatsoenlijken stand die men niet kent; - d'honneur, eere -, hofdame.
| |
[Damhert]
Damhert, o. (-en), (soort) das, viervoetig dier. *...LOOPER, m. (-s), (soort) vaartuig, bijlander.
| |
[Dammen]
Dammen, bw. ow. gel. (ik damde, heb gedamd), eenen dam leggen; dam spelen. *...MER, m. (-s), *...STER, v. (-s), damspeler, damspeelster.
| |
[Damp]
Damp, m. (-en), wasem; rook; stoom; - van kokend water; de -en van de maag; - uit of van de aarde opstijgende. *-BAD, o. het baden in damp; (ook) de plaats waar men zulk een bad neemt. *-EN, ow. gel. (ik dampte, heb gedampt), damp opgeven, - van zich geven; uitwasemen; sterk (tabak) rooken; gij zijt weder geducht aan het-. *-ER, m. (-s), sterke -, onvermoeide rooker; (ook) (goudsche of duitsche) pijp. *-IG, bn. nevelig; vol rook; kortademig (van paarden). -HEID, v. kortademigheid (van paarden). *-ING, v. het dampen. *-KOGEL, m. (-s), soort windkogel. *-KRING, m. het onmetelijke ruim waarin onze aarde, de zon en sterren zich bewegen, atmosfeer. -LUCHT, v. gmv. *-METER, m. (-s), werktuig om de hoeveelheid of de dikte (ook de digtheid) van eene damplaag te meten.
| |
[Damschijf]
Damschijf, v. (...ven), schijf waarmede men dam speelt. *...SPEL,
| | | |
o gmv. (mv. damspelen, in de beteekenis van het bord met de schijven). *...SPELER, m. (-s). *...SPEELSTER, v. (-s).
| |
[Dan]
Dan, bijw. later, daarna; schrijf mij eerst, - zal ik u antwoorden; leer nu eerst, - spelen wij; nu en -; en-? en verder? (altijd na den vergrootenden trap): hij is grooter - ik; er was niemand - ik (buiten mij); hij is erger - gij denkt.
| |
[† Danaïden]
† Danaïden, v. mv. het vat der - vullen, vergeefschen arbeid verrigten; (ook) aan eenen verkwister gedurig geld geven.
| |
[† Dandin]
† Dandin, m. (-s), onnoozele sukkel. *...DY, m. (-s), poppe-, modegek. *...DINEREN (ZICH), ww. gel. (ik dandineerde mij, heb mij gedandineerd), zich op bespottelijke of gemaakte wijze op eenen stoel wiegen, ook zijn ligchaam in allerlei plooijen krommen.
| |
[Danebrog-orde]
Danebrog-orde, v. deensche ridderorde.
| |
[§ Danig]
§ Danig, bijw. buitengemeen, zeer; hij heeft - zich bedrogen.
| |
[Dank]
Dank, m. gmv. betuiging van erkentelijkheid; in - aannemen (iets); iem. - betuigen voor; iem. - weten voor, iem. beschouwen of erkennen als den bewerker van iets; (ook) slechten - weten voor; God -! God zij-! aanvaard mijnen -; is dat nu mijn -? tegen wil en -, ondanks. *-ALTAAR, o. (...aren), (oudt.) altaar voor de offeranden. *-BAAR, bn. en bijw. gevoelig -, erkentelijk voor genoten goed; ik zal u eeuwig - zijn; een - mensch, iem. die de deugd der dankbaarheid bezit. -HEID, v. gmv. dankbaar gevoel; erkentelijkheid. *-BETUIGING, v. (-en). *-DAG, m. (-en), *-FEEST, o. (-en), dag of feest door eene regering tot openlijke dankgebeden in de kerken vastgesteld. *-EN, bw. gel. (ik dankte, heb gedankt), dank betuigen, iem. (voor iets) -; gij hebt niet te -; verschuldigd zijn; dit heb ik u te - (ook in kwade beteekenis); God -, het dankgebed na den eten zeggen; hebt gij al gedankt? *-GEBED, o. (-en), *-LIED, o. (-eren), lofzang, hymne. *-OFFER, o. (-s). *-PREÊK, v. (-en). *-STOND, m. (-en), *-UUR, o. (uren), uur van openbare dankzegging. *-ZEGGEN, o. *-ZEGGING, v. (-en), dankbetuiging, voordragt van het dankgebed (door den predikant).
| |
[Dans]
Dans, m. (-en), kunstmatige beweging der voeten en van het ligchaam naar muziek of zangtoonen; ten - leiden, ten - noodigen; er gaat geen - voor eten, eten gaat vóór alles: (spr.) geen pijp (fluit) geen -, niets zonder geld; Sint-Vytsdans, danswoede (zekere ziekte); (fig.) den - ontsnappen, het gevaar ontkomen; aan den - komen, - geraken, slaags raken, (ook met iem.) in gevecht komen. *-EN, ow. gel. (ik danste, heb gedanst), voeten en ligchaam naar muziek of, zang bewegen; huppelen; (fig.) naar iemands pijpen -, in alles zijnen wil moeten doen. -, bw. eene menuet -, eene quadrille -. *-ER, m. (-s). *-ERES, v. (-sen), (ook wel danseuse). *-FEEST, o. (-en), danspartij. *-GEZELSCHAP, o. (-pen). *-KUNST, v. gmv. *-LES, v. (-sen). *-LIED, o. (-eren). *-MEESTER, m. (-s).*-MUZIEK, v. gmv. muziek waarop men danst. *-OEFENING, v. (-en). *-PARTIJ, v. (-en). *-REI, m. (-jen, B. -en), dansgezelschap. *-RIJ, v. (-en), dansers in eene rij staande. *-SCHOEN, m. (-en). *-SCHOOL, v. (...olen). *-TEEKENING, v. (-en), kunstmatige afteekening naar lijnen van de onderscheidene
| | | |
dansbewegingen. *-UUR, o. uur met dansen doorgebragt; (ook) dansles. *-WOEDE, v. Sint-Vytsdans; (ook) onbedwingbare lust tot dansen. *-ZIEKTE, v. gmv. danswoede.
| |
[† Dantes]
† Dantes, v. mv. speel-, rekenpenningen.
| |
[Dapper]
Dapper, bn. en bijw. (-der, -st), onversaagd, moedig; een - soldaat, veldheer; eene -e verdediging; - vechten; (fig.) sterk; hij ziet er - uit; iem. - afrossen, - uitschelden. *-HEID, v. gmv. onversaagdheid, moed. *-LIJK, bijw. met dapperheid.
| |
[† Darink]
† Darink, v. zeeslib waaruit de oude Zeeuwen zout stookten.
| |
[Darm]
Darm, m. (-en), deel der ingewanden; (fig.) den - vullen, onmatig -, gulzig eten; (fig.) een holle -, een gulzigaard. *-BEEN, o. gmv. -SPIER, v. (-en). *-BREUK, v. gmv. *-JICHT, v. gmv. kolijk. *-KRONKEL, m. gmv. darmjicht. *-NET, o. gmv. *-ONTSTELLING, v. gmv. *-PIJN, v. (-en). *-SAP, o. (-pen). *-SCHEEL, o. gmv. *-SNAAR, v. (-snaren), snaar van kattendarmen. *-SNIJDING, v. (-en). *-VET, o. gmv. *-VLIES, o. *-VLIES, *-ONTSTEKING, v. gmv. *-WEE, o. (-ën).
| |
[Dartel]
Dartel, bn. en bijw. weelderig, brooddronken, loszinnig, baldadig; wulpsch; de -e jeugd; een - kind; het hondje is -, (speelsch). *-EN, ow. gel. (ik dartelde, heb gedarteld), spelen, fladderen; wulpschheid toonen; de kinderen - op het veld; het vischje dartelt in den stroom; de lammeren - in de weide. *-HEID, v. gmv. losheid, speelschheid; baldadigheid; wulpschheid.
| |
[Das]
Das, v. (-sen), halsdoek; eene - omdoen, omknoopen. *-, m. *(-sen), damhert, zeker viervoetig dier. *-JE, (B. -N), o. (-s), een vrouwen -, fichu. *-HOND, m. (-en), keffer. *-SENVEL, o. (-len). *-SENVET, o. gmv.
| |
[† Dasymeter]
† Dasymeter, m. (-s), toestel om de digtheid van verschillende luchtsoorten te meten.
| |
[Dat]
Dat, aanw. vnw. (mv. die), - gaat niet; welk eene vrouw is -! is - een man? - is te zeggen. *-, betr. vnw. daar is het boek - gij zoekt; dit is het huis, - (hetwelk) mij zooveel heeft gekost. *-, vw. ik geloof niet - hij komt; wij hopen - dit gebeuren moge; - hij kome, laat hem komen.
| |
[† Data]
† Data, v. mv. gegevens; feiten. *...TEREN, bw. gel. (ik dateerde, heb gedateerd), dagteekenen; de dagteekening (op iets) zetten; dat dateert reeds van... *...TO, bijw. heden, den vermelden dag; de - van den zooveelsten der maand. *...TUM, m. (...ta), dagteekening, aanwijzing van den hoeveelsten der maand.
| |
[Datgene]
Datgene, aanw. vnw. men moet op - acht geven wat waar is.
| |
[† Dauphin, Dauphyn]
† Dauphin, Dauphyn, m. (oudt.) titel der kroonprinsen van Frankrijk. *-E, v. gmv. gemalin van den dauphin, kroonprinses.
| |
[Dauw]
Dauw, m. gmv. vocht dat (inz. des zomers) in de morgen- en avondschemering uit de lucht onmerkbaar neêrvalt; (fig.) hij is vóór dag en - op; de hemelsche -, (regen). *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als dauw. *-DROPPEL, *-DRUPPEL, m. (-s). *-EL, v. (-s), traag -, onbe hobbeld vrouwspersoon. *-ELACHTIG, bn. (-er, -st), traag, vadzig *-ELACHTIGHEID, v. gmv. vadzigheid, luiheid. *-ELEN, ow. gel. (ik dauwelde, heb gedauweld), vadzig -, traag in alles zijn. *-EN,
| | | |
onp. w., ow. gel. (het dauwde, heeft gedauwd), het vallen vanden dauw; druppelen; de tranen - op zijne wangen. *-METER, m. (-s), zeker werktuig. *-PUNT, o. zekere thermometerstand. *-WATER, o. zeer zuiver water. *-WORM, m. zekere huidziekte (inz. bij kinderen).
| |
[Daveren]
Daveren, ow. gel. (ik daverde, heb gedaverd), dreunen, schudden; de grond daverde van den schok. *...ING, v. gmv. schudding, dreuning, schok.
| |
[Davids]
Davids, m. mv. (zeew.) ijzeren staanders.
| |
[De]
De, DEN, DER, DES, bep. lidw.
| |
[† Deballeren]
† Deballeren, bw. gel. (ik deballeerde, heb gedeballeerd), ontpakken; gedeballeerd zijn, de goederen ter verkoop uitgepakt hebben. *...BALLOTEREN, bw. gel. (ik deballoteerde, heb gedeballoteerd), bij stemming afkeuren (iem. die tot lid voorgesteld is). *...BANDEREN, ow. gel. (wij debandeerden, zijn gedebandeerd), uit elkander loopen, zich wijd en zijd verstrooijen (van een leger); slap worden; de boog is gedebandeerd. *...BANQUEREN, bw. gel. (ik debanqueerde, heb gedebanqueerd), de (speel)bank doen springen. *...BARCADÈRE, v. (-s), aanlegplaats, steiger; los- en laadplaats (aan de spoorwegstations). *...BARQUEREN, bw. en ow. gel. (ik debarqueerde, heb of ben gedebarqueerd), ontschepen, aan land zetten, - gaan. *...BARRASSEREN, bw. gel. (ik debarrasseerde, heb gedebarrasseerd), ontwarren; uit de verlegenheid redden; zich van iem. -, van een lastig mensch ontslaan. *...BATTEN, o. mv. beraadslagingen; behandeling (eener zaak voor de regtbank); de - zijn gesloten. *...BATTEREN, bw. gel. (ik debatteerde, heb gedebatteerd), beraadslagen over. *...BAUCHE, v. (-s), ontucht, losbandigheid; zwelgerij. *...BAUCHEREN, bw. gel. (ik debaucheerde, heb gedebaucheerd), tot ontucht verleiden; zich -, een ontuchtig -, losbandig leven leiden; hij ziet er gedebaucheerd uit; een gedebaucheerde. *...BELLEREN, bw. gel. (ik debelleerde, heb gedebelleerd), bestrijden; overmeesteren; in bedwang houden.
| |
[† Debet]
† Debet, bn. (mv. DEBENT), schuldig (geld); gij zijt mij nog -; (fig.) hij is er aan -, medepligtig; het -, de linkerzijde van een folio in het grootboek. *...BIET, o. gmv. aftrek, verkoop. *...BILITEREN, bw. gel. (ik debiliteerde, heb gedebiliteerd), verzwakken, ontzenuwen. *..BITANT, m. (-en), verkooper (in het klein); slijter van sterken drank, (ook) van tabak (in Frankrijk); - in de loterij. *...BITEREN, bw. gel. (ik debiteerde, heb gedebiteerd), verkoopen; aan den man brengen (van goederen); iem. voor iets -, in het boek aan de debetzijde opschrijven; (fig.) opsnijden, vertellen; leugens -, uijen (grappen)-. *...BITEUR, m. (-en), schuldenaar. *...BITRICE, (-s), v. schuldenaarster.
| |
[† Debloqueren]
† Debloqueren, bw. gel. (ik debloqueerde, heb gedebloqueerd), ontzetten, de blokkade opheffen. *...BORDEREN, bw. gel. (ik debordeerde, heb gedebordeerd), uit -, buiten de oevers treden; (ook) overvleugelen.
| |
[† Debouché]
† Debouché, o. (-s), engte, bergpas; geschikte plaats tot afzet van goederen; vertierweg. *...BOUCHEREN, ow. gel. (wij deboucheerden, zijn gebedeboucheerd), uit eene engte in het open veld rukken (van krijgslieden). *...BOURSEREN, bw. gel. (ik debourseerde, heb gedebourseerd), voorschieten (geld).
| | | |
| |
[† Debut, Debuut]
† Debut, Debuut, o. (-en), eerst optreden (in het publiek, inz. op het tooneel); aanvang; zijn - was niet gelukkig. *-ANT, m.(-en), -E, v. (-s), die het eerst (voor het publiek) optreedt.
| |
[† Décagramme]
† Décagramme, v. (-n), tien ned. wigtjes = 1 ned. lood. *...LITER, o. (-s), tien ned. kop = 1 schepel, (ook 10 ned. kan). *...LOGUS, m. de tien geboden. *...METER, m. (-s), tien ned. el = 1 ned. roede.
| |
[Decamperen]
Decamperen, ow. gel. (ik decampeerde, heb of ben gedecam-peerd), opbreken, aftrekken; § de plaat poetsen, zijn biezen pakken.
| |
[Decastère]
Decastère, v. (-s), tien ned. kubiek-ellen.
| |
[Decatisseren]
Decatisseren, bw. gel. (ik decatisseerde, heb gedecatisseerd), laken ontglanzen, den waterglans ontnemen, een duurzamen persglans geven. *...CELEREN, bw. gel. (ik deceleerde, heb gedeceleerd), ontdekken, aan den dag brengen.
| |
[December]
December, m. (-s), de twaalfde maand van het jaar, Winter-maand, (31 dagen).
| |
[† Decennium]
† Decennium, o. tijdruimte van 10 jaren. *...CEMVIR, m. (-s), (rom. gesch.) tienman. -AAT, o. tienmanschap. *...CENSIE, v. gmv. welvoegelijkheid. *...CENT, bn. (-er, -st), welvoegelijk, zedig. *...CEPTIE, v. (...ën), teleurstelling; bedrog. *...CERNEREN, bw. gel. (ik decerneerde, heb gedecerneerd), toekennen, toewijzen.
| |
[† Décharge]
† Décharge, v. ont-, opheffing, vrijspreking; ontlading, losbranding (van vuurwapenen); (regt.) handligting; getuige à -, die ter gunste van den aangeklaagde getuigt. *...CHARGEREN, bw. gel. (ik dechargeerde, heb gedechargeerd), afladen; ont-, opheffen; ontlasten; kwitantie geven, afschrijven (eene schuld); losbranden. *...CHAUSSEREN, bw. gel. (ik dechausseerde, heb gedechausseerd), het schoeisel afleggen, - afnemen. *...CHER, *...CHENT, *...CHEND, o. (kooph.) 10 stuks huiden; 40 stuks russische pelterijen. *...CHIFFREREN, bw. gel. (ik dechiffreerde, heb gedechiffreerd), ontcijferen.
| |
[† Déci]
† Déci, tiende (in zamenstellingen). *-DEREN, bw. gel. (ik decideerde, heb gedecideerd). *-MAAL, bn. tiendeelig; de decimale breuken; de decimale rekening; het - stelsel. *-MATIE, v. (...ën), vertiending; loting om den tienden man (eene krijgsstraf bij de ouden). *-ME, v. (muz.) de 10e toon van den grondtoon gerekend. *-MEREN, bw. gel. (ik decimeerde, heb gedecimeerd), loten om den tienden man; (fig.) wegrukken, ontvolken (bij heerschende ziekten, groote volksrampen enz.).
| |
[† Decisie]
† Decisie, v. (...ën), beslissing, regterlijk vonnis. *...SIEF, bn. (...ver, -st), beslissend, afdoend.
| |
[† Declamatie]
† Declamatie, v. (...ën), voordragt, kunst van (verzen) opzeggen; § opsnijderij, hoogdravendheid (van stijl); de gansche redevoering is louter -. *...MATOR, m. (-en), opsnijder. *...MATRICE, v. (-s), opzegster, zij die (verzen) voordraagt. *...MATORIUM, o. (...ia), vers dat met afwisselende begeleiding van muziek wordt opgezegd. *...MEREN, bw. gel. (ik declameerde, heb gedeclameerd), opzeggen, voordragen (verzen), § opsnijden; al dat - zegt niets, het zijn holle woorden.
| |
[† Declaratie]
† Declaratie, v. (...ën), verklaring; rekening; nota; aangifte. *...CLAREREN, bw. gel. (ik declareerde, heb gedeclareerd), verklaren; aangifte doen van (goederen enz.). CLINATIE, v. (...ën), (taalk.)
| | | |
verbuiging; (nat. en sterr.) afwijking. *...CLINEREN, bw. gel. (ik declineerde, heb gedeclineerd), (taalk.) verbuigen; (nat.) afwijken; afwijzen. ZICH -, ww. zich vernederen, zijne armoede bekennen. *...COCT, o. afkooksel. *...COLOREREN, bw. en ow. gel. (ik decoloreerde, heb of ben gedecoloreerd), verkleuren, verbleeken, verschieten. *...CONFITURE, v. tegenspoed. *...CONCERTEREN, bw. gel. (ik deconcerteerde, heb gedeconcerteerd), verijdelen; (iem.) in de war brengen. *...CONTENANCEREN, bw. gel. (ik decontenanceerde, heb gedecontenanceerd), verlegen -, bedremmeld maken.
| |
[† Decorateur]
† Decorateur, m. (-s), tooneelschilder; behanger; versierder. *...RATIE, v. (...ën), tooneelschilderwerk, -versiering; ridderorde, ridderkruis, -lint. *...REREN, bw. gel. (ik decoreerde, heb gedecoreerd), versieren, beschilderen (een tooneel); verfraaijen, opluisteren; met een ridderkruis begiftigen, (fig.) ridderen; een gedecoreeerde, die een ridderkruis of lintje draagt. *...RUM, v. gmv. welvoegelijkheid, uiterlijke eerbaarheid, al wat welstaat; het - in acht nemen, zijn fatsoen ophouden.
| |
[† Decouperen]
† Decouperen, bw. gel. (ik decoupeerde, heb gedecoupeerd), voor-, opensnijden; ontleden. *...COURAGEREN, bw. gel. (ik decourageerde, heb gedecourageerd), ontmoedigen. *...CREDITEREN, bw. gel. (ik decrediteerde, heb gedecrediteerd), in opspraak brengen. *...CREET, o. (...eten), besluit, edict. *...CREMENT, o. (stelk.) verschil der termen van eene dalende reeks. *...CREPITEREN, ow. (nat.) ontknappen (van kristallen). *...CRETEREN, bw. gel. (ik decreteerde, heb gedecreteerd), afkondigen (een besluit); bij besluit vaststellen. *...CRESCENDO, bijw. (muz.) afnemend. *...CROTTEREN, bw. gel. (ik decrotteerde, heb gedecrotteerd), poetsen, den modder wegnemen, afwrijven. *...CUPLEREN, bw. gel. (ik decupleerde, heb gedecupleerd), vertienvoudigen. *...DALISCH, bn. moeijelijk te ontwarren; schrander ineengevlochten. *...DICATIE, v. (...ën), opdragt, toewijding. *...DOMMAGEREN, bw. gel. (ik dedommageerde, heb gededommageerd), - voor, - van, schadeloos stellen; vergoeden. *...DUCEREN, bw. gel. (ik deduceerde, heb gededuceerd), aftrekken; afleiden; verklaren. *...DUCTIE, v. gmv. aftrekking, vermindering; afleiding, gevolgtrekking; de - daaruit te maken is deze.
| |
[Deeg]
Deeg, o. gmv. mengsel van eenige vaste zelfstandigheid met eene vloeistof, (inz. van meel met water); (fig.) zij zijn allen van één -, allen van dezelfde soort; ter -, zie DEGE. *-ACHTIG, bn. naar deeg gelijkende. *-BROOD, o. gmv. *-ZUUR, o. gest.
| |
[Deel]
Deel, o. (-en), wat tot een geheel behoort; een geheel is altijd grooter dan een zijner -en; de vijf -en der aarde; een werk in vijf -en (boekdeelen); hij moet zijn - van de winst hebben; - aan iets nemen; ten -e (te beurt) vallen; eens-s, ander-s, aan de eene -, aan de andere zijde; (spr.) elk zijn -, aan ieder wat hem toebehoort. *-, v. (-en), plank (van gezaagd hout); (ook) dorschvloer. *-ACHTIG, bn. den zegen van God - worden of maken. *-ACHTIGHEID, v. deelneming aan. *-BAAR, bn. gedeeld kunnende worden; (rek.) deelbare getallen (als 4, 6, 8, 9 enz.), in tegenst. van ondeelbare (als: 2, 3, 5, 7 enz.). -HEID, v. gmv. *-EN,
| | | |
bw. gel. (ik deelde, heb gedeeld), tot deelen maken; uitdeelen; de spijzen (aan tafel) ronddeelen; (rek.) onderzoeken hoe veel malen eene grootheid in eene andere begrepen is; het eene getal op of in het andere -; de winst -; (fig.) deel nemen; ik deel in uwe droefheid. *-ER, m. (-s), die deelt, uit-, verdeelt; (rek.) het getal -, de grootheid waarmede men eene andere deelt of meet. *-STER, v. (-s), zij die deelt of verdeelt. *-GENOOT, m. en v. (-en), *-HEBBER, m. (-s), *-HEBSTER, v. (-s), die deel of aandeel heeft in eene onderneming, (ook) aan gevaren enz.; aandeelhouder. *-GENOOTSCHAP, o. gmv. *-ING, v. (-en), het deelen; (ook rek.) het deelen of meten van grootheden onderling, divisie; de - gaat niet op, de verhouding tot de eenheid is niet in heele getallen aan te wijzen. *-NEMEND, bn. (-er, -st), deel hebbende, mededoogend; hij zag hem met een - oog aan. *-NEMER, m. (-s), *-NEEMSTER, v. (-s), deelhebber, -hebster. *-NEMING, v. (ook fig.) medelijden, mededoogen, sympathie; zijne - betuigen.
| |
[Deels]
Deels, bijw. gedeeltelijk; - om die reden, - om eene andere.
| |
[Deeltal]
Deeltal, o. (-len), (rek.) getal dat door een ander (den deeler) gedeeld of gemeten moet worden. *...TJE, (B. -N), o. (-s), klein gedeelte; (ook) klein boekdeel. *...WOORD, o. (spr.) zekere vorm van het werkwoord; verleden -, tegenwoordig -.
| |
[Deerlijk]
Deerlijk, bn. (-er, -st), jammerlijk, bedroevend; hij heeft zich - bedrogen.
| |
[Deern]
Deern, *-E, v. (-en), jonge dochter, vrijster (thans meest in verachtelijken zin). *-IS, v. gmv. medelijden; - wekken. *-ISWAARD, -IG, bn. (-er, -st).
| |
[Deesem]
Deesem, m. (-s), zuurdeesem; (fig.) wrok. *-EN, bw. gel. (ik deesemde, heb gedeesemd), het brood -.
| |
[† De facto]
† De facto, bijw. feitelijk (in tegenst. van de juro, regtens).
| |
[† Defaeceren]
† Defaeceren, bw. gel. (scheik.) louteren, zuiveren. *...FAILLEREN, ow. gel. (ik defailleerde, heb gedefailleerd), missen, in gebreke blijven; (ook) bezwijmen. *...FAITE, v. (-s), nederlaag. *...FALQUEREN, bw. gel. (ik defalqueerde, heb gedefalqueerd), aftrekken, korten. *...FAUT, m. in -, bij -, bij verstek, bij niet-verschijning. *...FAVEUR, v. gmv. ongenade, ongunst; deze koopwaar, dit fonds is in -, vindt weinig koopers, -geen navraag. *...FAVORABEL, bn. (-er, -st), ongunstig. *...FECT, o. (-en), gebrek. -, bn. en bijw. onvoltallig; geschonden; het werk is -, er ontbreken bladen (of deelen) aan. *...FENDEREN, bw. gel. (ik defendeerde, heb gedefendeerd), verdedigen, verweren.
| |
[† Defensie]
† Defensie, v. verdediging; verwering; de raad, het comité van -. *...SIEF, bn. verdedigend; een of- en defensief verbond, een aanvallend en verdedigend verbond. *...SOR, m. (-en), verdediger.
| |
[† Deferent]
† Deferent, m. (-en), die (iem.) op eenen eed vordert; (sterr.) loopbaan eener planeet. *-IE, v. eerbied, ontzag; afvordering (van eenen eed).
| |
[† Defereren]
† Defereren, bw. gel. (ik defereerde, heb gedefereerd), opdragen, toekennen; toegeven; opleggen, afvorderen (eenen eed).
| |
[† Défi]
† Défi, o. gmv. uitdaging; terging.
| | | |
| |
[† Deficiëren]
† Deficiëren, ow. gel. (het deficiëerde, heeft gedeficiëerd), ontbreken, te kort schieten. *...CIT, o. (-s), te-kort, het ontbrekende; er is een - in de kas. *...GUREREN, bw. gel. (ik defigureerde, heb gedefigureerd), misvormen. *...LEREN, ow. gel. (ik defileerde, heb gedefileerd), door-, voorbij-, optrekken (in gelederen), doortrekken. *...FINIËREN, bw. gel. (ik definiëerde, heb gedefiniëerd), bepalen, omschrijven. *...LÉ, o. (-s), bergpas, bergengte. *...NITIE, v. (-ën), bepaling, omschrijving, verklaring. *...NITIEF, bn. beslissend, afdoende; een - antwoord.
| |
[† Defloreren]
† Defloreren, bw. en ow. gel. (ik defloreerde, heb of ben gedefloreerd), onteeren, van den maagdom berooven; verwelken (van bloemen).
| |
[† Deformeren]
† Deformeren, bw. gel. (ik deformeerde, heb gedeformeerd), misvormen. *...FRAYEREN, bw. gel. (ik defrayeerde, heb gedefrayeerd), vrijhouden, betalen (voor een ander), de kosten teruggeven. *...FRAUDEREN, bw. gel. (ik defraudeerde, heb gedefraudeerd), bedriegen, binnensmokkelen. *...FRICHEREN, bw. gel. (ik defricheerde, heb gedefricheerd), ontginnen.
| |
[† Defterdar]
† Defterdar, m. (-s), rijksontvanger, minister van financiën in Turkije.
| |
[Deftig]
Deftig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. gegoed; statig, aanzienlijk; de -e stand; de -e stijl; - leven; (§) hij heeft hem - (geducht) doorgehaald, afgeranseld. *-HEID, v. gmv. met veel - ter aarde bestellen.
| |
[† Degageren]
† Degageren, bw. gel. (ik degageerde, heb gedegageerd), los-, vrij maken; ontslaan; (schermk.) een vrijen stoot doen; een gedegageerd (ongedwongen) voorkomen. *...GANTEREN (ZICH), ww. gel. (ik deganteerde mij, heb mij gedeganteerd), zijne handschoenen uittrekken. *...GARNEREN, bw. gel. (ik degarneerde, heb gedegarneerd), ontblooten, ontdoen van (versierselen enz.)
| |
[Dege, Ter]
Dege, Ter-, TER DEEG, bijw. zoo als het behoort; goed; geducht; hij heeft hem - de waarheid gezegd. *-LIJK, bn. (-er, -st), braaf, geschikt, echt; op geschikte -, brave wijze; een - mensch, een innig eerlijk-, gemoedelijk mensch; ik meen het -, waarlijk; geef mij toch eindelijk eerst een - (goed, groot) stuk. -HEID, v. gmv. gemoedelijkheid; geschiktheid, bekwaamheid.
| |
[Degel]
Degel, m. (-s), (drukk.) persplaat.
| |
[Degen]
Degen, m. (-s), zeker lang scherp wapentuig; den - trekken, opsteken; (fig.) hij is de - (de verdediger) van den Staat; een beproefde -, een oud ervaren krijgsman. *-DRAGER, m. (-s), krijgsman; (fig.) voorvechter. *-GEVEST, o. (-en), bovendeel van den degen waar men de hand om slaat. *-GREEP, v. (...epen), degengevest. *-KLING, v. (-en), de degen zonder het gevest. *-KNOP, m. (-pen), knop boven het gevest. *-KWAST, m. (-en), gestikt geborduurd versiersel aan den degen. *-RIEM, m. (-en). *-SCHEEDE, m. (-n). *-STOOT, m. (-en). *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine degen.
| |
[Degene]
Degene, (B. DE GENE), aanw. vnw., hij of zij; - die zoo handelt is prijzenswaard.
| | | |
| |
[† Degenereren]
† Degenereren, ow. gel. (ik degenereerde, ben gedegenereerd), ontaarden. *...GENERATIE, v. gmv. ontaarding. *...GOÛT, m. gmv. afkeer, walging. *...GLUTITIE, v. het doorzwelgen, slikken. *...GOÛTANT, bn. en bijw. (altijd fig.) walgelijk. *...GOÛTEREN, bw. gel. (ik degoûteerde, heb gedegoûteerd), afkeer verwekken, walgen. *...GRADEREN, bw. gel. (ik degradeerde, heb gedegradeerd), van zijnen rang afzetten; eerloos verklaren. *...GRADATIE, v. (...ën), verlaging, afzetting van eenen post; verlaging (van eenen militair). *...GUISEREN, bw. gel. (ik deguiseerde, heb gedeguiseerd), veinzen; vermommen.
| |
[† Dehors]
† Dehors, o. (ook mv.), buitenzijde, (ook fig.); uiterlijk voorkomen.
| |
[Deimt, Deimat]
Deimt, Deimat, v. (oudt.) nederlandsche vlaktemaat.
| |
[Deining]
Deining, v. (-en), (zeew.) flaauwe branding; golving.
| |
[Deinzen]
Deinzen, ow. gel. (ik deinsde, heb gedeinsd), achteruit wijken; zich langzaam verwijderen. *...ZING, v. gmv. terugwijking, langzame aftogt.
| |
[† Deïsmus]
† Deïsmus, o. *...ÏSTERIJ, v. gmv. geloof aan één God (zonder openbaring), (in tegenst. van atheïsmus, godverzaking). *...ÏST, m. (-en), godist, die alleen door de rede aan één God gelooft.
| |
[† Dejectie]
† Dejectie, v. verstooting; wanhoop, verslagenheid. *...JEUNÉ, *...JEUNER, o. (-s), ontbijt; servies tot een ontbijt; - à la fourchette, vorkontbijt. *...JEUNEREN, ow. gel. (ik dejeuneerde, heb gedejeuneerd), ontbijten.
| |
[Dek]
Dek, o. (-ken), bedekking; (zeew.) verdek, gestreken -, half -, loos -; deken, zonder - of kleed. *-BALKEN, m. mv. (zeew.). *-DEELEN, v. mv. planken; boegplanken. *-BED, o. (-den), veeren bovenbed. *-BLAD, v. (-en), schutblad (ook bij sigarenmakers).
| |
[Deken]
Deken, v. (-s), bedbekleedsel; wollen -; katoenen -; bedelaars-, deken uit een aantal veelkleurige stukken symetrisch gevormd; (fig.) te zamen onder ééne - liggen, het met elkander eens zijn (ten kwade). *-, m. (-s, -en), oudste, overste (van een gild); de - der hoogeschool; de - van de orde der advokaten; - (oudste) van jaren (in eene vergadering, bij ontstentenis van den voorzitter). *-KOOPER, *-VERKOOPER, m. (-s), (ook *-KOOP), koopman in dekens. *-SCHAP, v. gmv. waardigheid van deken. *-TJE, o. (-s), (B. -N), kleine deken.
| |
[Dekhamer]
Dekhamer, m. (-s), (soort) nijptang.
| |
[Dekken]
Dekken, bw. gel. (ik dekte, heb gedekt), een dak met stroo -; de tafel -, het tafellaken opleggen; wees gedekt, dek u, zet uwen hoed op; (fig.) zich -, zich door inkoop voor verlies bij de levering beschutten (inz. bij fondsen); (fin.) een tekort -, in het ontbrekende voorzien; wees gerust, ik ben gedekt, ik heb waarde in onderpand; de vesting dekt (bestrijkt, beschermt) de stad. *-, (vee) bevruchten, bespringen; eene merrie laten - (door eenen hengst bespringen). *...KER, m. (-s). *...KING, v. het dekken; bedekking; zonder kleed of -.
| |
[Dekkleed]
Dekkleed, o. (-en), linnen -, doek dat men over iets uitspreidt. *...KNIËN, v. mv. (zeew.) kromhouten. *...LOOD, o. (leid.) geplet -, bladlood. *...MANTEL, m. gmv. (fig.) voorwendsel, glimp; onder den
| | | |
- van heiligheid. *...PAN, v. (-nen), dakpan. *...PENNEN, v. mv. zekere pennen der vogels. *...PLANK, v. (-en). -JE, (B. -N), o. (-s). *...RIET, o. gmv. dekstroo. *...SCHILD, o. (-en). *...SEL, o. (-s), al wat tot dekking dient, hoofddeksel, kleederen; een houten -, (op eenen pot enz.); (plant.) hoedje (van den kelk). *...STEEN, m. (-en). *...STROO, o. gmv. stroo voor daken. *...STUK, o. (-ken), (bouwk.) waterbord, schoeijing. *...STUTTEN, m. mv. (zeew.) berkoenen. *...VERF, v. (...wen).
| |
[Del]
Del, m. (B.) zie DAL.
| |
[† Delabreren]
† Delabreren, bw. gel. bederven, vernielen; wat ziet dat huis gedelabreerd (verwaarloosd, vervallen) uit. *...LAI, o. (-s), uitstel, opschorting. *...LAYEREN, bw. gel. (ik delayeerde, heb gedelayeerd), uitstellen, opschorten; vloeijend, dun maken. *...LATEUR, m. (-s), verklikker, aanbrenger.
| |
[† Del credere]
† Del credere, bijw. op krediet; borg (in wisselzaken).
| |
[† Deleatur]
† Deleatur, o. (-s), wisch uit, haal door (naam van een teeken op drukproeven).
| |
[↑ Delecteren]
↑ Delecteren, bw. gel. (ik delecteerde, heb gedelecteerd), verlustigen; zich - aan iets. *...LEGEREN, bw. gel. (ik delegeerde, heb gedelegeerd), magtigen, afzenden; overdragen; een gedelegeerde van de staatsloterij, iem. die gemagtigd is loterijbriefjes te verkoopen.
| |
[Delfster]
Delfster, v. (-s), graafster, spitster.
| |
[Delfstof]
Delfstof, v. (-fen), berg-, mijnstof. *-FELIJK, bn. het - rijk, (een der drie rijken van de natuur). *-KUNDE, v. gmv. mineralogie.
| |
[Delgen]
Delgen, bw. gel. (ik delgde, heb gedelgd), vernietigen; schulden -, amortiseren; schulddelging, amortisatie.
| |
[† Delibereren]
† Delibereren, bw. gel. (ik delibereerde, heb gedelibereerd), - over, beraadslagen, bepraten, overleggen. *...BERATIE, v. (...ën), beraadslaging, overleg. *...CAAT, bn. en bijw. (...ater, -st), lekker, smakelijk; teêr, zwak; dat eten is -; een - (kiesch, netelig) punt. *...LICATESSE, v. (-n), lekkernij; (fig.) kieschheid. *...LICE, v. lekkernij; wellust. *...LICIEUS, bn. welsmakend, overheerlijk; kostelijk (ook fig.).
| |
[† Delicti (Corpus)]
† Delicti (Corpus), o. voorwerp waardoor de schuld overtuigend blijkt.
| |
[† Delineatie]
† Delineatie, v. (-en), grondteekening; afbakening. *...LINEAVIT, heeft geteekend (onder platen enz.). *...LINIËREN, bw. gel. (ik deliniëerde, heb gedeliniëerd), afteekenen, ontwerpen.
| |
[† Delinquent]
† Delinquent, m. (en), dader, bedrijver (eener misdaad). *...LIRIUM, o. waanzinnigheid, ijlende koorts; - tremens, waanzin uit dronkenschap, dronkaards ijlhoofdigheid. *...LIREREN, ow. gel. (ik delireerde, heb gedelireerd), ijlen, in ijlhoofdigheid spreken. *...LIVREREN, bw. gel. (ik delivreerde, heb gedelivreerd), verlossen, bevrijden.
| |
[↑ Delling]
↑ Delling, v. (-en), vallei.
| |
[† Delogeren]
† Delogeren, ow. en bw. gel. (ik delogeerde, heb gedelogeerd), verhuizen; doen verhuizen, verjagen. *...LOYAAL, bn. en bijw. (...aler, -st), oneerlijk, onopregt; op oneerlijke wijze.
| |
[† Delphienen]
† Delphienen, v. mv. handvatsels (aan kanonnen); zie DOLPHIJNEN. *...PHININE, o. zeker alcaloïde.
| | | |
| |
[† Delta]
† Delta, v. (-as), de 4e letter van het grieksche alfabet; (aardr.) land door twee armen eener rivier bespoeld; de - van Egypte, Beneden-Egypte aan de Nijlarmen.
| |
[† Deluderen]
† Deluderen, bn. gel. (ik deludeerde, heb gedeludeerd), bespotten, foppen. *...LUSIE, v. (...ën), bespotting.
| |
[Delven]
Delven, bw. gel. en ong. (ik dolf of delfde, heb gedolven), graven, uit-, omspitten, opgraven; een graf -. *...VER, m. (-s), graver, spitter. *...VING, v. gmv.
| |
[† Demagoog]
† Demagoog, m. (...ogen), volksleider, -menner; valsche volksvriend. *...GOGISCH, bn. volkleidend; oproerstokend.
| |
[† Demanderen]
† Demanderen, bw. gel. (alleen in het verl. dw.) opdragen, toevertrouwen; het is best aan u gedemandeerd. *...MANTELEREN, bw. gel. (ik demanteleerde, heb gedemanteleerd), ontmantelen (eene vesting), slechten, afbreken (de muren). *...MARCATIE, v. (...ën), afbakening, grensscheiding; eene lijn van - trekken; -troepen, grenstroepen. *...MARCHE, v. (-s), gang, houding in het loopen; stap, handeling, poging. *...MARQUEREN, bw. gel. (ik demarqueerde, heb gedemarqueerd), (bilj.) punten tellen bij aftrekking. *...MASQUEREN, bw. gel. (ik demasqueerde, heb gedemasqueerd), ontmaskeren, aan de kaak stellen. *...MÊLEREN, bw. gel. (ik demêleerde, heb gedemêleerd), ontwarren; onderscheiden (in de verte); schikken; wat hebt gij hier te -? wat zoekt gij hier? *...MEMBREREN, bw. gel. (ik demembreerde, heb gedemembreerd), verbrokkelen; (fig.) verscheuren. *...MENAGEREN, ow. gel. (ik demenageerde, ben gedemenageerd), verhuizen.
| |
[† Démenti]
† Démenti, o. gmv. logenstraffing, loochening; iem. een - geven, in het aangezigt van logen betigten; (ook) in iemands afwezigheid zijn onregt bewijzen. *...MEUBLEREN, bw. gel. (ik demeubleerde, heb gedemeubleerd), van huisraad ontblooten. *...MITTEREN, bw. gel. (ik demitteerde, heb gedemitteerd), afzetten, ontslaan (uit eenen post). *...MISSIE, v. (...ën), ontslag, ontzetting, afdanking; zijne - geven, nemen, - krijgen. *...MOBILISEREN, bw. gel. (ik demobiliseerde, heb gedemobiliseerd), (een leger) op den voet van vrede terugbrengen; (regt.) roerend goed tot onroerend verklaren. *...MOCRAAT, m. en v. (...aten), aanhanger -, vriend der volksregering (in tegenst. van aristocraat). *...MOCRATIE, v. gmv. volksregering, -heerschappij. *...MOCRATISCH, bn. tot de volksregering behoorende. *...MOCRIET, m. naam van een ouden griekschen wijsgeer die om de dwaasheden der menschen lachte.
| |
[Demoed]
Demoed, (B. DEEMOED), m. gmv. ootmoed, onderworpenheid. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), ootmoedig. *-IGEN, bn. gel. (ik demoedigde, heb gedemoedigd), vernederen, verootmoedigen. *-IGHEID, v. gmv. onderwerping, nederigheid. *-IGING, v. gmv. verootmoediging. *-IGLIJK, bijw.
| |
[† Demoliëren]
† Demoliëren, bw. gel. (ik demoliëerde, heb gedemoliëerd), afbreken, sloopen, slechten. *...MOLITIE, v. (...ën), afbreking, slechting, afbraak. *...MONSTREREN, bw. gel. (ik demonstreerde, heb gedemonstreerd), bewijzen, betoogen. *...MONSTRATIE, v. (...ën), bewijs, betoog;
| | | |
betuiging; volks-, volksbeweging. *...MONSTRANDUM, quod erat -, hetgeen te bewijzen was. *...MONTEREN, bw. gel. (ik demonteerde, heb gedemonteerd), onbruikbaar maken, vernagelen (kanonnen); uit den zadel ligten. *...MORALISEREN, bw. gel. (ik demoraliseerde, heb gedemoraliseerd), ontzedelijken; moedeloos maken; gedemoraliseerde troepen. *...MORALISATIE, v. ontzedelijking; zedenverbastering; moedeloosheid.
| |
[Dempen]
Dempen, bw. gel. (ik dempte, heb gedempt), smoren, uitdooven; droog maken, vullen; (zeew.) een zeil -, met de gordings digthalen; (spr.) als het kalf verdronken is, dempt men den put, de hulp-, het herstel komt doorgaans te laat. *...ER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...ING, v. gmv.
| |
[Den]
Den, m. (soort) sterke noordsche boom. *-, bep. lw. ik schrijf - (aan den) vader; ik zie - man; ik zend het - (aan de) mannen, kinderen; - lande, aan het land. *...GENE, aanw. vnw. enk.
| |
[† Denatureren]
† Denatureren, bw. gel. (ik denatureerde, heb gedenatureerd), van natuur doen veranderen; kwaadwillig anders navertellen.
| |
[† Dendragaat]
† Dendragaat, m. boomagaat (zek. fijne steen). *...DRIETEN, m. mv. zekere steenen. ...DROGRAPHIE, v. gmv. boombeschrijving. *...DROLITHEN, m. mv. versteende boomstammen en heesters. *...DROLOGIE, v. gmv. boomkennis. *...DROMETER, m. (-s), boommeter (zek. werktuig).
| |
[† Denegeren]
† Denegeren, bw. gel. (ik denegeerde, heb gedenegeerd) loochenen, ontkennen. *...GATIE, v. (...ën), loochening, ontkenning.
| |
[† Denigreren]
† Denigreren, bw. gel. (ik denigreerde, heb gedenigreerd), aan de kaak stellen, belasteren, bespotten.
| |
[Denkbaar]
Denkbaar, bn. en bijw. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar -, geschikt om gedacht te worden; op eene denkbare wijze. *-HEID, v. gmv. *...BEELD, o. (-en), zamenvatting van het gedachte tot één geheel; begrip; zich een - van iets vormen; iem. zijne -en over iets mededeelen, openbaren; de leer der vorming van -en, idéologie. *...BEELDIG, bn. slechts in het begrip bestaande; (in tegenst. van ligchamelijk, tast- of voelbaar).
| |
[Denkelijk]
Denkelijk, (B. DENKLIJK), bn. en bijw. mogelijk, waarschijnlijk.
| |
[Denken]
Denken, bw. en ow. onr. (ik dacht, heb gedacht), met zijnen geest of zijn verstand voorstellingen vormen; -aan, -over, -op (iets); wat denkt (meent) gij wel? ik denk er zoo over; dat is mijne manier van -; hij zit gedurig te - (te peinzen); ik heb er waarlijk niet om (beter: aan) gedacht; ik denk (ben voornemens) overmorgen te vertrekken; zie BEDENKEN. *-SWIJZE, v. gmv. *...KER, m. (-s), wijsgeer, scherpe geest; Kant was een groot (diep) -.
| |
[Denkster]
Denkster, v. (-s), zij die denkt.
| |
[Denkvermogen]
Denkvermogen, o. gmv. menschelijke rede, eigenschap der ziel zich voorstellingen te vormen. *...WIJZE, v. (-n), meening, gevoelen.
| |
[Dennen]
Dennen, bn. van dennenhout; van eenen dennenboom. *-APPEL, m. (-s, -en). *-BOOM, m. (-en). *-BOSCH, o. (-bosschen). *-HOUT, o. gmv. -EN, bn. van dennenhout. *-PLANK, v. (-en). *-WOUD, o. (-en). *-ZWAM, v. gmv. (zek.) uitwas van den dennenboom.
| |
[† Denominatie]
† Denominatie, v. (...ën), benaming. *...NOMINEREN, bw. gel.
| | | |
(ik denomineerde, heb gedenomineerd), benamingen geven; benoemen. *...NONCEREN, *...NUNCIËREN, bw. gel. (ik denonceerde of denuncieerde, heb gedenonceerd of gedenunciëerd), aangeven; verklikken.
| |
[† Densimeter]
† Densimeter, m. (-s), vochtweger. *...TEIT, v. gmv. digtheid.
| |
[Denzelven]
Denzelven, aanw. en pers. vnw. (in den gekuischten stijl niet meer gebezigd), hem, hun, hen.
| |
[Departement]
Departement, o. (-en), gewest; werkkring; afdeeling, bestuur; Frankrijk is thans verdeeld in 88 -en (provinciën); de maatschappij Tot Nut van 't Algemeen is verdeeld in -en; het - (ministerie) van oorlog; dit behoort niet tot mijn -, tot mijne afdeeling, mijn bestuur, (ook fig.) tot mijne bevoegdheid. *-AAL, bn. tot een departement behoorende, er van uitgaande. *...PARTITIE, v. (...ën), omslag, overslag, verdeeling. *...PASSEREN, bw. gel. (ik depasseerde, heb gedepasseerd), voorbij streven; te boven -, te buiten gaan. *...PÊCHEREN, bw. en ow. gel. (ik depêcheerde, heb gedêpecheerd), afzenden; afvaardigen; bespoedigen. *...PÊCHE, v. (-s), berigt; ambtelijke mededeeling; lastgeving. *...PENDEREN, ow. gel. (ik dependeerde, heb gedependeerd), afhangen; het dependeert niet van mij. *...PENDENTIE, v. (...ën), afhankelijkheid; ap- en dependentiën, al wat tot een huis en erve behoort. *...PENSE, v. (-s), vertering; veel -s maken. *...PENSEREN, bw. gel. (ik depenseerde, heb gedepenseerd), verteren, doorbrengen. *...PEUPLEREN, bw. gel. (ik depeupleerde, heb gedepeupleerd), ontvolken. *...PLACEREN, bw. gel. (ik deplaceerde, heb gedeplaceerd), verplaatsen. *...PLORABEL, bn. (-er, -st), jammerlijk, ellendig. *...PLOREREN, bw. gel. (ik deploreerde, heb gedeploreerd), bejammeren, beklagen. *...PLOYEREN, bw. gel. (ik deployeerde, heb gedeployeerd), ontplooijen, ontwikkelen; (fig.) ten toon spreiden. *...POLARISEREN, bw. gel. (ik depolariseerde, heb gedepolariseerd), (nat.) van polariteit berooven. *...PONEREN, bw. gel. (ik deponeerde, heb gedeponeerd), in bewaring geven; nederleggen; overleggen (in eene vergadering); ontgroenen; getuigenis afleggen. *...PORTEREN, bw. gel. (ik deporteerde, heb gedeporteerd), overvoeren, naar eene verbanningsplaats brengen; een gedeporteerde, een banneling. *...POSITAIRE, m. en v. (-s), bewaarder-, bewaarster van vertrouwd goed. *...POSITIE, v. (...ën), getuigenis, verklaring; afzetting. *...POSITO, geld à - geven; bij iem. geld op rente uitzetten. -BANK, v. (-en), die gelden tegen rente aanneemt. *...PÔT, o. (-s), bewaarplaats, verzamelplaats; (ook) het bewaarde, in bewaring gegevene; voorraad (van zekere koopwaren) ten verkoop gegeven; een - van wijnen. *...POUILLEREN, bw. gel. (ik depouilleerde, heb gedepouilleerd), berooven, uitkleeden; de stembus -, de stembriefjes openen. *...PRAVEREN, bw. en ow. gel. (ik depraveerde, heb of ben gedepraveerd), verderven, bederven, ontaarden. *...PRECIATIE, o. waarde-vermindering. *...PRECIÊREN, bw. gel. (ik depreciëerde, heb gedepreciëerd), de waarde -, den koers verlagen (van muntspeciën enz.). *...PREDATIE, v. (-en), beschadiging, plundering. *...PRIMEREN, bw. gel. (ik deprimeerde, heb gedeprimeerd), onderdrukken. *...PUTATIE, v. (...ën), afvaardiging; bezending. *...PUTEREN, bw. gel. (ik deputeerde, heb gedeputeerd), af- | | | | vaardigen.
*...BAISONNEREN, ow. gel. (ik deraisonneerde, heb gederaisonneerd), raaskallen, onzin praten. *...RANGEREN, bw. gel. (ik derangeerde, heb gederangeerd), in de war brengen, storen, verbijsteren.
| |
[Der]
Der, verbogen bep. lw. van de, aan de.
| |
[Derde]
Derde, telw. en bn. het is nu de - week; gij zijt de -; de - (dag der maand); die brief is van den -; dit is gewijd aan Willem den - (III); - deel (van iets); iets met een - verhoogen; twee en een -, 2 1/3; (gesch.) de - stand, de onadellijken of burgers; iets uit de - hand (van den kleinhandelaar) koopen; (fig.) een ander, een vreemde; wat behoeft een - dit te weten? *-, v. (kaartsp.) drie opvolgende kaarten; ik roem een -; is mijn - goed? *-, bijw. ten -, in de derde plaats. *-HALF, bn. twee en een half, 2 1/2. *-NDAAGSCH, bn. om de drie dagen terugkeerende; de -e koorts.
| |
[† Derelictie]
† Derelictie, v. (regt.) eigendomsverlating.
| |
[Deren]
Deren, (B. DEEREN), bw. gel. (ik deerde, heb gedeerd), hinderen, schade doen; dat zal mij niet -; wat deert u? (ook fig.).
| |
[Derfster]
Derfster, v. (-s), zij die (iets) derft, aan wie iets ontbreekt.
| |
[Dergelijk]
Dergelijk, bn. zoodanig; deze en -e werken; -e menschen; iets -s heb ik nooit gezien. *...GENE, aanw. vnw. van degene, van deze. *...HALVE, bijw. bijgevolg, dus. *...MATE, bijw. op zoodanige wijze; in dier voege.
| |
[† Derideren]
† Derideren, bw. gel. (ik derideerde, heb gederideerd), bespotten, uitlagchen; (ook) ontrimpelen. *...RISIE, v. gmv. bespotting. *...RIVEREN, bw. en ow. gel. (ik deriveerde, heb of ben gederiveerd), afleiden; afstammen (van woorden). *...ROBEREN, bw. gel. (ik derobeerde, heb gederobeerd), ontstelen, verbergen. *...ROGEREN, bw. gel. (ik derogeerde, heb gederogeerd), afbreuk doen (aan), inbreuk maken (op); den adel schenden; gij derogeert daardoor aan uwe waardigheid. *...ROUTE, v. (-s), nederlaag, wanordelijke vlugt.
| |
[Derrie]
Derrie, m. (B.v.) gmv. harde aardsoort onder de modderlaag. *-ACHTIG, bn.
| |
[Dertel]
Dertel, bn. zie DARTEL.
| |
[Dertien]
Dertien, telw. en bn. wij waren met ons -en; de -en, vergadering uit 13 leden bestaande. *-DAAGSCH, *-DAGIG, bn. dat dertien dagen duurt, - oud is. *-DE, bn. heden is de -e (dag der maand); Lodewijk de - (XIII). -, o. dertiende deel; een en een - 1 1/13; ten -, bijw. *-HALF, m. (...ven), (dertiend'half), oude holl. munt (= 12 1/2 stuivers of ƒ0.625). *-ER, m. een -, lid eener vergadering van 13 leden. *-JARIG, bn. dertien jaren durende. *-MAAL, bijw. *-MAANDSCH, *-MAANDIG, bn. *-TJE, (B. -N), o. (-s) (= oude zeeuwsche munt 13 stuivers of ƒ0.65). *-URIG, bn. dertien uren durende.
| |
[Dertig]
Dertig, telw. en bn. zij waren met hun -en; een en -, twee en -; de - (stuks) kosten mij ...; het -, (wijze van verkoop bij dertig). *-DAAGSCH, *-DAGIG, bn. *-ER, m. (-s), lid eener vergadering van 30 leden, (ook) die of dat 30 jaar oud is; hij is een goede -,
| | | |
meer dan 30 jaar oud. *-JARIG, bn. de -e oorlog, (godsdienst-oorlog in Duitschland van 1618 tot 1648). *-MAAL, bijw. *-STE, bn. heden is de - (dag der maand). -, o. dertigste deel, zeven -n, 7/30; ten -, bijw. (spr.) op zijn elf-en-dertigst, op zijn gemak, langzaam aan. *-TAL, o. (-len), een -, ongeveer 30. *-VOUD, o. het vermenigvuldigde met 30. *-VOUDIG bn. = 30 maal zoo veel.
| |
[Derven]
Derven, bw. gel. (ik derfde, heb gederfd), ontberen, missen. *...VER, m. (-s), hij die (iets) derft, mist; (oudt.) ablativus. *...VING, v. gmv. gemis. *...WAARTS, (B. ook DERWAART), bijw. daarheen; zij liepen her- en -, hier en daar.
| |
[† Derwisch]
† Derwisch, m. (-en), muzelmansche bedelmonnik.
| |
[† Derzelve]
† Derzelve, pers. vnw. haar, hare. *-R, bez. vnw. haar, hun.
| |
[Des]
Des, verbogen bep. lw. - vaders (van den vader); de zoon - huizes. * -, vz. gedurende; in de, -avonds, -morgens ('s avonds, 's morgens); hij verdient twintig gulden 's maands. *-, vw. dus, derhalve; hij veracht mij, - kan ik niet met hem omgaan; - te (zoo veel te) erger.
| |
[† Desabuseren]
† Desabuseren, bw. gel. (ik desabuseerde, heb gedesabuseerd), uit de dwaling helpen, beter onderrigten. *...ANIMEREN, bw. gel. (ik desanimeerde, heb gedesanimeerd), afraden, ontmoedigen. *...APPOINTEREN, bw. gel. (ik desappointeerde, heb gedesappointeerd), te leur stellen. *...APPROBEREN, *...APPROUVEREN, bw. gel. (ik desapprobeerde, heb gedesapprobeerd), afkeuren. *...APPROBATIE, v. gmv. afkeuring. *...ARMEREN, bw. gel. ik desarmeerde, heb gedesarmeerd), ontwapenen.
| |
[† Desassimilatie]
† Desassimilatie, v. (scheik.) ontvorming. *...ASTER, o. (-s), ramp; tegenspoed. *...ASTREUS, bn. (-er, -st), rampspoedig. *...AVANTAGEUS, bn. onvoordeelig. *...AVOUEREN, bw. gel. (ik desavoueerde, heb gedesavoueerd), ontkennen, loochenen (iets); iem. -, zijne handelingen afkeuren.
| |
[† Descendenten]
† Descendenten, m. mv. af-, nakomelingen. *...DENSIE, v. gmv. afstamming; (sterr.) daling.
| |
[† Descriptie]
† Descriptie, v. (-s, ...ën), beschrijving. *...SCRIPTIEF, bn. beschrijvend; de descriptieve poëzie, de beschrijvende dichtkunst.
| |
[† Desennuyeren]
† Desennuyeren, bw. gel. (ik desennuyeerde, heb gedesennuyeerd), vermaken, den tijd verdrijven.
| |
[† Deserteren]
† Deserteren, ow. gel. (ik deserteerde, ben gedeserteerd), wegloopen, zich wegpakken, § de plaat poetsen. *...SERTEUR, m. (-s), vlugteling, overlooper. *...SERTIE, v. (...ën), vlugt, het wegloopen (van eenen soldaat).
| |
[Desespereren]
Desespereren, ow. gel. (ik desespereerde, heb gedesespereerd), wanhopen; - aan (iets).
| |
[Desgelijks]
Desgelijks, bijw. op dezelfde wijze; even zoo. *...GENEN, aanw. vnw. van dengene, van hetgene.
| |
[† Déshabillé]
† Déshabillé, o. (-s), nachtgewaad, ochtendkleeding; en -, ongekleed. *...HONORABLE, bn. (-er, -st), onfatsoenlijk, niet eervol. *...HONOREREN, bw. gel. (ik deshonoreerde, heb gedeshonoreerd), schande aandoen, onteeren.
| | | |
| |
[† Desiratum]
† Desiratum, o. gmv. vereischte, (het) begeerde. *...SICCATIE, v. (...ën), uit-, verdrooging. *...SIGNATIE, v. (...ën), aanwijzing. *...SIGNEREN, bw. gel. (ik designeerde, heb gedesigneerd), aanwijzen, aantoonen; voor de krijgsdienst -, geschikt verklaren om te dienen.
| |
[† Desinfectie]
† Desinfectie, v. gmv. reiniging van smetstof, verjaging der besmetting.
| |
[† Desirabel]
† Desirabel, (-er, -st), wenschenswaard. *...REREN, bw. gel. (ik desireerde, heb gedesireerd), wenschen, begeeren; hij laat zich -, hij wenscht dat men zijne afwezigheid opmerke. *...REUS, bn. begeerig.
| |
[† Desisteren]
† Desisteren, bw. gel. (ik desisteerde, heb gedesisteerd), afzien van, afstaan.
| |
[Deskundig]
Deskundig, bn. (-er, -st), bedreven, onderwezen in; een -e, iem. die de zaak verstaat, tot het vak behoort. *...NIETTEMIN, *...NIETTEGENSTAANDE, bijw. ondanks.
| |
[† Desobediëren]
† Desobediëren, bw. gel. (ik desobediëerde, heb gedesobedieerd), ongehoorzaam zijn.
| |
[† Desolaat]
† Desolaat, bn. (...ater, -st), wanhopig, berooid; de desolate boedelkamer, zie op BOEDEL. *...LANT, bn. bedroevend.
| |
[† Desorganisatie]
† Desorganisatie, v. gmv. verstoring, ordeloosheid; ontbinding. *...ORGANISEREN, bw. gel. (ik desorganiseerde, heb gedesorganiseerd), in de war sturen, ontbinden. *...ORIËNTEREN, bw. gel. (ik desoriënteerde, heb gedesoriënteerd), van den regten weg afhelpen, het spoor bijster doen worden.
| |
[† Desperaat]
† Desperaat, bn. (...ater, -st), wanhopig, radeloos. *...PERATIE, v. radeloosheid. *...POOT, m. (...oten), dwingeland; zelfheerscher. *...POTISMUS, o. gmv. dwingelandij. *...POTIE, v. gmv. willekeurigheid. *...POTISCH, bn. willekeurig, eigendunkelijk.
| |
[Dessa]
Dessa, v. (-as), oostindisch dorp.
| |
[Dessendiaan]
Dessendiaan, v. (boekdr.) zekere lettersoort.
| |
[† Dessert]
† Dessert, o. gmv. nageregt.
| |
[† Dessin]
† Dessin, o. (-s), teekening, patroon; stoffen in verschillende -s.
| |
[† Destilleren]
† Destilleren, bw. zie DISTILLEREN. *...TINATIE, v. (...ën), bestemming lot; plaats van bestemming. *...TINEREN, bw. gel. (ik destineerde, heb gedestineerd), bestemmen, beschikken. *...TITUEREN, bw. gel. (ik destitueerde, heb gedestitueerd), af-, ontzetten (van eenen post). *...TITUTIE, v. (...ën), af-, ontzetting, afdanking.
| |
[Destrueren]
Destrueren, bw. gel. (ik destrueerde, heb gedestrueerd), verwoesten, vernielen. *...TRUCTIEF, bn. verwoestend, vernielend.
| |
[Desuniëren]
Desuniëren, bw. gel. (ik desuniëerde, heb gedesuniëerd), oneenig maken.
| |
[Deswegen]
Deswegen, bijw. daarom. *...ZELFS, bez. vnw. zijn, zijns.
| |
[† Detachement]
† Detachement, o. (-en), afgezonden troep soldaten, rot, drom. *...TACHEREN, bw. gel. (ik detacheerde, heb gedetacheerd), afzonderen, losmaken; afzenden. ZICH -, ww. zich afzonderen, afvallen. *...TAIL, o. (-s), bijzonderheid (meest mv.); en gros et en -, in het groot en klein. *...TAILLISTE, m. en v. verkooper-, verkoopster in het klein. *...TAILLEREN, bw. gel. (ik detailleerde, heb gedetailleerd), uiteenzetten, omstandig verhalen. *...TEGEREN, bw. gel. (ik dete- | | | | geerde,
heb gedetegeerd), (fig.) ontdekken, onthullen. *...TINEREN, *...TENEREN, bw. gel. (ik detineerde, heb gedetineerd), gevangen -, opgesloten houden; een gedetineerde, een gevangene. *...TENTIE, v. gmv. opsluiting; huis, plaats van -, gevangenis. *...TERIOREREN, bw. en ow. gel. (ik deterioreerde, heb gedeterioreerd), bederven, vervallen; door ledig staan is dit huis geheel en al gedeterioreerd. *...TERMINEREN, bw. gel. (ik determineerde, heb gedetermineerd), bepalen, vaststellen, bestemmen. *...TERMINISMUS, o. gmv. voorbeschikking. *...TERREREN, bw. gel. (ik deterreerde, heb gedeterreerd), weder opgraven; (fig.) oprakelen, weder aan het daglicht brengen. *...TESTEREN, bw. gel. (ik detesteerde, heb gedetesteerd), verfoeijen. *...TONEREN, ow. gel. (ik detoneerde, heb gedetoneerd), valsch zingen, uit den toon raken; ontploffen, afgaan (van vuurwapenen). *...TONATIE, v. (...ën), ontploffing. *...TORQUEREN, bw. gel. (ik detorqueerde, heb gedetorqueerd), verdraaijen, buigen, (ook fig.). *...TOUR, o. (-s), omweg; kromming; (fig.) uitvlugt. -NEREN, bw. gel. (ik detourneerde, heb gedetourneerd), afleiden, afwenden; (fig.) verduisteren (gelden). *...TRACT, o. (-en), korting (op pensioen dat buitenslands verteerd wordt). *...TRACTEUR, m. (-s), lasteraar, eerroover, bekladder (van den goeden naam). *...TRACTIE, v. laster, eerroof. *...TRAHEREN, bw. gel. (ik detraheerde, heb gedetraheerd), aftrekken, korten; (fig.) belasteren. *...TREMPEREN, bw. gel. (ik detrempeerde, heb gedetrempeerd), aan een ligchaam (b.v. gehard staal) zijne hardheid ontnemen. *...TRESSE, v. nood, angst, radeloosheid. *...TRITUS, m. (nat.) iets dat afgewreven is, zich van de aardkorst losgemaakt heeft. *...TROMPEREN, bw. gel. (ik detrompeerde, heb gedetrompeerd), uit den waan helpen, teregtwijzen.
| |
[Deugd]
Deugd, v. (-en), gemoedsgesteldheid die ten goede drijft; braafheid; innerlijke waarde; een man van onverzettelijke -; hij vereenigde de -en van den burger met die des huisvaders; de - vindt haar loon in zich zelve; (spr.) van den nood eene - maken, tegen zijnen zin tot iets besluiten; (fig.) duurzaamheid, ik sta u in voor de - van dit laken. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), echt, waar, regtmatig; dit is - bewezen; hij is het mij - schuldig. -HEID, v. gmv. echtheid, regtmatigheid. *-RIJK, bn. *-ZAAM, bn. en bijw. (B. DEUGZAAM), (...amer, -st), vol deugd, deugd -, zeden bezittende; een - meisje; (fig.) deugdzame stof, die innerlijke waarde bezit, die duur is. -HEID, v. deugd; (fig.) duurzaamheid.
| |
[Deugen]
Deugen, ow. gel. (ik deugde, heb gedeugd), braaf-, deugdzaam zijn; dienstig zijn tot (iets); niet -, zich slecht gedragen, een slecht hart bezitten.
| |
[Deugniet]
Deugniet, m. (-en), onzedelijk -, slecht mensch; zeer stoute knaap; wat doet gij daar, -!
| |
[Deuk]
Deuk, v. (B.m.), (-en), holligheid in eene gladde oppervlakte (door eenen stoot veroorzaakt); die hoed heeft eenen - gekregen. *-EN, bw. gel. (ik deukte, heb gedeukt), deuken maken.
| |
[Deun]
Deun, m. (-en), zangwijze, liedje; (fig.) hij zingt altijd denzelfden -, hij komt altijd op hetzelfde terug; om den -, uit de grap,
| | | |
uit kortswijl. *-, bn. en bijw. gierig, inhalig, korzelig; het ziet er - (armoedig) bij hem uit. *-TJE, (B. -N), o. liedje, wijsje; -s spelen, een - fluiten. *-HEID, v. gmv. karigheid, gierigheid *-EN, ow. gel. (ik deunde, heb gedeund), zingen, neuriën.
| |
[Deur]
Deur, v. (-en), sluiting (van hout, ijzer of glas) aan huizen enz.; (ook) ingang; aan de - kloppen; door de - binnenkomen; de - uitgaan; de - bijzetten, bijhalen, niet geheel sluiten; eene dubbele -, (zoogenaamde) groene of winterdeur, (ook) deur met twee vleugels, porte brisée; van - tot - bedelen; eene regtszaak met gesloten -en behandelen, (die te onzedelijk of te netelig is om in het openbaar te behandelen); eene vergadering met gesloten -, (welker beraadslagingen niet mogen bekend worden); voor eene gesloten - komen, iem. niet te huis vinden; ik kom niet voor de -, ga niet uit; (fig.) met de - in het huis vallen, plotseling met iets voor den dag komen; dat doet de - toe, dat bekroont de zaak, daarop valt niets meer te zeggen (ten goede of ten kwade); de winter staat voor de -, is nabij; dat zet de - voor alle misbruiken open, geeft aanleiding daartoe; deur- en venstergeld, zekere belasting. *-, bijw. verbasterde uitdrukking voor DOOR. *-BESLAG, o. (-en), slot, grendels, hengsels, knieren (aan eene deur). *-BLAD, o. (plant.) zek. kruid. *-DORPEL, *-DREMPEL, o. (-s). *-DUIM, m. (-en), waarop het hengsel draait. *-HENGSEL, o. (-s). *-KLINK, v. (-en). *-KLOPPER, m. (-s). *-KNOP, m. (-pen). *-KOZIJN, o. (-en). *-LIJST, v. (-en). *-POST, v. (-en). *-RING, m. (-en). *-STIJL, m. (-en), deurpost. *-VLEUGEL, m. (-s). *-WAARDER, m. (-s), geregtelijk beambte. -SCHAP, o. gmv. *-WACHTER, m. (-s), portier. -ES, v. (-sen), portierster. *-WAS, o. (plant.) deurblad.
| |
[Deutel]
Deutel, m. (-s), wig, klink. *-IJZER, o. (-s).
| |
[Deuvekater]
Deuvekater, m. (-s), soort koek; de -! drommelsch! die -sche meid! *...VIK, m. (-ken), (kuip.) tap. -KEN, bw. gel. (ik deuvikte, heb gedeuvikt), den tap uittrekken.
| |
[† Deus ex machina]
† Deus ex machina, (bij de ouden) god -, engel die op het einde van een treurspel verscheen om den knoop op te lossen.
| |
[† Devaliseren]
† Devaliseren, bw. gel. (ik devaliseerde, heb gedevaliseerd), berooven, uitschudden. *...VALVEREN, bw. gel. (ik devalveerde, heb gedevalveerd), verminderen, verlagen. *...VALVATIE, v. (...en), waardevermindering; versterf. *...VANCEREN, bw. en ow. gel. (ik devanceerde, heb gedevanceerd), voorbij streven, (iem.) vooruit komen; vroeger komen dan (een ander). *...VASTATIE, v. (...ën), verwoesting. *...VASTEREN, bw. gel. (ik devasteerde, heb gedevasteerd), verwoesten. *...VELOPPEREN, bw. gel. (ik developpeerde, heb gedeveloppeerd), ontwikkelen, ontplooijen; (fig.) toonen, verraden. *...VESTEREN, bw. gel. (ik devesteerde, heb gedevesteerd), ontzetten (van eene priesterlijke waardigheid). *...VESTITUUR, v. gmv. zoodanige ontzetting. *...VIATIE, v. (sterr. en zeew.) afwijking; verzeiling. *...VIES, o. (...zen), zinspreuk; leus; rijmpje (in ulevellen gewikkeld); (kooph.) wissel op het buitenland. *...VOLUTIE, v. (...ën), (regt.) overgangsregt, versterf. *...VOLVEREN, ow. gel. (ik devolveerde, heb gedevolveerd), (regt.) toeval- | | | | len,
overgaan, versterven op.... *...VOOT, bn. en bijw. (...ster, -st), vroom, godsdienstig; de devoten, de vromen, (ook) schijnheiligen. *...VOTIE, v. gmv. vroomheid; schijnheiligheid. *...VOREREN, bw. gel. (ik devoreerde, heb gedevoreerd), verslinden, (ook fig.).
| |
[Dewelke]
Dewelke, betr. vnw. zie WELKE. *...WIJL, vw. omdat, daar.
| |
[† Dexteriteit]
† Dexteriteit, v. gmv. behendigheid. *...TRINE, v. (scheik.) zetmeelgom.
| |
[† Dey]
† Dey, m. (-s), landvoogd, vorst (der Barbarijsche Staten).
| |
[Deze]
Deze, aanw. vnw. en bn. dit of deze voor nabij zijnde, die of gene voor meer verwijderde zaken; meent gij -, of die? bij -n (in dezen brief) meld ik u; brenger -s, (van dezen brief); den twaalfden -r (maand); (op een adres) den heer N.N., -.
| |
[Dezelfde, De zelfde]
Dezelfde, De zelfde, aanw. vnw. is dat de heer N.? Dezelfde; dat is - man van wien ik u sprak. *...ZELVE, pers. vnw. hij, zij.
| |
[† Diabolisch]
† Diabolisch, bn. en bijw. duivelsch; op duivelsche wijze. *...DEEM, v. (...emen), koningskroon, wrong. *...DROMUS, m. (muz.) trilling der snaren. *...GNOSE, v. gmv. ziekteleer naar kenteekenen. *...GONAAL, v. (...alen), (meetk.) hoekpuntslijn, snijlijn. -, bn. tegenovergesteld. *...GRAM, o. (-en), schets; (muz.) notenbalk.
| |
[Diaken]
Diaken, m. (-en), *...KONES, v. (-sen), armenverzorger, armenverzorgster. *-SCHAP, o. *-IE, *...KONIE, v. (...ën), kerkelijk armbestuur; kerkelijke armenverzorging; (fig.) er is hier veel -, er zijn veel niet-betalenden onder het publiek (b.v. in eenen schouwburg). -SCHOOL, v. (...olen), armenschool (eener kerkelijke gemeente). *...LECT, o. (-en), tongval, uitspraak (eener taal). *...LECTICUS, m. (...ci), twistredenaar. *...LOOG, m. (...ogen), tweespraak, zamenspraak. *...LOGISCH, bijw. bij wijze van tweespraak.
| |
[† Diallage]
† Diallage, v. straalsteen (zekere delfstof).
| |
[† Diamagnetismus]
† Diamagnetismus, o. gmv. eigenschap der ligchamen om door een sterken magneet aangetrokken of afgestooten te worden.
| |
[Diamant]
Diamant, o. (als delfstof), m. (als enkele steen), (-en), het fijnste en hardste edelgesteente; ruwe of grove -; geslepen -; - kloven; - snijden; - slijpen, - zetten. *-EN, bn. van diamant, met diamanten bezet. *-GRUIS, *-POEDER, o. gmv. afslijpsel van diamant. *-KLOOFSTER, v. (-s). *-KLOVER, m. (-s). *-MIJN, v. (-en). *-SLIJPER, m. *-SLIJPSTER, v. (-s), grove-diamantslijper; (ook fig.) straatlooper. *-SNIJDER, m. (-s). *-SNIJDSTER, v. (s). *-WERKER, m. (-s). *-WERKSTER, v. (-s). *-ZETTER, m. (-s). *-ZETSTER, v. (-s).
| |
[† Diameter]
† Diameter, m. (-s), middellijn, doorsnede, (die eenen cirkel of bol in twee gelijke deelen verdeelt). *...NA, v. jagtgodin; maan; (scheik.) zilver; (oorl.) ochtendwake; boom van Diana, zilverboom. *...PALM, v. gmv. zekere zalf. *...PASON, m. gmv. (muz.) harmonie-akkoord; grondtoon; stemvork. *...PENTE, v. (-n), (muz.) de regte kwint. *...PHAAN, bn. (...aner, -st), doorzigtig. *...PHONISCH, bn. volstemmig. *...PHRAGMA, o. (-as), (ontl.) middenrif. *...RIUM, o. (...ia), dagboek, legger.
| |
[† Diarrhaea]
† Diarrhaea, v. buikloop, loslijvigheid.
| |
[† Diastimeter]
† Diastimeter, m. (-s), afstandsmeter (werktuig).
| | | |
| |
[† Diatonisch]
† Diatonisch, bn. (muz.) tot de klankladder of schaal behoorende. *...TBIBE, v. (-n), uitval, hevige kritiek; geleerde verhandeling.
| |
[† Dichotomisch]
† Dichotomisch, bn. gaffelsgewijze verdeeld.
| |
[Dicht]
Dicht, o. gmv. gedicht. *-ADER, v. gmv. aanleg tot -, gemakkelijkheid in het dichten. *-EN, ow. en bw. (ik dichtte, heb gedicht), verzen maken; (iets) in dichtmaat behandelen; uitdenken, verzinnen. *-ER, m. (-s), *-ERES, v. (-sen), hij of zij is - geboren of geboren -. *-ERLIJK, bn. en bijw. (-er, -st), als -, van eenen dichter of dichters; -e bloemlezing; -e vrijheid, (iets wat den dichter en niet den prozaschrijver vrij staat te doen). *-ERSCHAAR, v. gmv., *-ERSTOET, m. gmv. de gezamenlijke dichters. *-GENOOTSCHAP, o. (-pen), vereeniging tot beoefening der poëzie. *-KUNDE, *-KUNST, v. gmv. poëzie. *-KUNDIG, bn. *-LUIM, v. gmv. *-LUST, m. gmv. *-MAAT, v. gmv. maat der verzen; (ook) vers; iets in - behandelen. *-MATIG, bn. *-STUK, o. (-ken), gedicht, vers. *-VUUR, o. gmv. bezieling des dichters. *-WERK, o. (-en).
| |
[† Dictaat]
† Dictaat, o. (...ata, ...aten), geschrift door een ander voorgezegd. *...TEREN, bw. gel. (ik dicteerde, heb gedicteerd), voorzeggen, in de pen geven; (ook) ingeven; (fig.) voorschrijven.
| |
[† Dictator]
† Dictator, m. (-s), (rom. gesch.) algemeen bevelvoerder (voor bepaalden tijd); onbeperkte heerscher. *-IAAL, *-ISCH, bn. *...TATUUR, v., *-SCHAP, o. gmv. waardigheid van dictator; het - uitoefenen.
| |
[† Dictie]
† Dictie, v. gmv. voordragt, zegswijze.
| |
[Dictionnaire]
Dictionnaire, m. (-s), woordenboek.
| |
[† Didactiek]
† Didactiek, v. gmv. leerkunst. *...TISCH, bn. leerend, onderwijzend; - gedicht, leerdicht. *...TICI, m. mv. leerende wijsgeeren.
| |
[Die]
Die, aanw. en betr. vnw.
| |
[Diêet]
Diêet, o. gmv. levensregel; een streng - in acht nemen. *...ÊTISCH, bn. en bijw. volgens den voorgeschreven leefregel. *...ÊTEN, m. mv. toelage der ambtenaren buiten 's lands.
| |
[† Dieu et mon droit]
† Dieu et mon droit, God en mijn regt (kenspreuk op het engelsche wapen).
| |
[Dief]
Dief, m. (...ven), steler, roover (in het geheim); (spr.) de gelegenheid maakt den -, men maakt meestal van de verzoeking gebruik; elk is een - in zijne nering, de meeste menschen zoeken op slinksche wijze voordeel met hun beroep te doen; een - aan de kaars, vonk door de verkoolde pit ontstaan. *-ACHTIG, bn. en bijw. genegen tot diefstal, snoeplustig, steelsch, op steelsche wijze. -HEID, v. trek tot stelen; trek tot heimelijk snoepen (van katten). *-EGGE, v. (-n), meisje dat steelt, vrouw die steelt. *-HANGER, m. (-s), beul, beulsknecht. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine dief; dief en -smaat, de misdadiger en zijne gezellen. *-IJZER, o. (-s), breekijzer. *-KELDER, m. (-s), kerkerhol, -hok. *-LEIDER, m. (-s). *-SCH, bn. diefachtig. *-STAL, m. (-len), de daad van stelen; eenen - begaan; van - beschuldigen.
| |
[Diegene]
Diegene, zie DEGENE.
| |
[Diemet]
Diemet, (B. DIEMIT), o. (-ten), zekere witte katoenen stof. *-EN, bn. van diemet.
| | | |
| |
[Dien]
Dien, verbogen aanw. en betr. vnw. aan dezen, aan dien; aan welken; ten - einde, ten - opzigte. *-AANGAANDE, bijw. wat die zaak betreft; ik heb hem - (hierover) gesproken.
| |
[Dienaar]
Dienaar, m. (...aren, -s), ondergeschikte; beambte; de ministers zijn de dienaren des konings; de koning is de eerste - van den Staat; de priester is de - Gods; woord van beleefdheid: uw - mijnheer! (ook aan het slot van brieven: UEd. Dw. Dienaar (U Edelens dienstwillige -); een - maken, vriendelijk buigen (van knaapjes); de dienaren der politie; (fig.) een - van den buik, een gulzigaard; een - van den mammon (van het geld), een vrek. *...NARES, v. (-sen).
| |
[§ Diender]
§ Diender, m. (-s), geregtsdienaar.
| |
[Dienen]
Dienen, bw. en ow. gel. (ik diende, heb gediend), dienst verrigten, - doen; in dienst zijn, - staan; nuttig -, dienstig zijn tot...; God -; zijn vaderland -; in den oorlog -; te land -; ter zee -; bij iem. - (als knecht of meid); (fig.) waarmede kan ik u -? daar-op zal ik u - (antwoorden); gij dient (behoort) te weten dat...; dat dient mij, komt mij van pas; hij wil van zijne raadgevingen niet gediend (zijn); een stuk aan ..... zenden om te - van berigt, van advies (om er rapport over uit te brengen); (briefstijl) deze dient u te melden.
| |
[Diens]
Diens, verbogen aanw. en betr. vnw. van dien, van dat.
| |
[Dienst]
Dienst, v. (-en), bijstand, verrigting ten behoeve of ten nutte eens anderen; kerk-, krijgsdienst; - doen bij (iem.); eene - doen of bewijzen aan (iem.); hij is in - bij; waarmede kan ik u van - zijn? hij heeft daar eene gemakkelijke -; uit de - gaan, de - verlaten; iem. zijne goede -en (bemiddeling) aanbieden; - nemen als (soldaat); de adjudant van -, die de wacht heeft; twaalf jaren - tellen (als militair); (fin.) de - (het boekjaar) van 1861. *-AANBIEDING, v. (-en). *-BAAR, bn. dienende, ondergeschikt; dat meisje is -, is ergens in dienst; de dienstbare stand, de stand der bedienden; (fig.) een volk - maken, onderwerpen, onder het juk brengen. -HEID, v. verslaving, schatpligtigheid. *-BODE, m. en v. (-n), bediende. *-HUIS, o. (...zen), waar men dient. *-IG, bn. (-er, -st), nuttig, kunnende dienen, geschikt; waartoe is dat -? dat middel is - voor die kwaal, geschikt om haar te bestrijden; (zeew.) -e (gunstige) wind. - HEID, v. gmv. nut. *-JAAR, o. (...jaren), jaar van dienst; in den oorlog telt elk jaar voor twee dienstjaren; (fin.) boekjaar. *-KNECHT, m. (-en). *-LOON, o. huur, werkloon. *-MAAGD, *-MEID, v. (-en). *-PLIGTIG, bn. *-VAARDIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. bereid om iem. eene dienst te bewijzen. -HEID, v. gmv. *-WILLIG, bn. (-er, -st), dienstvaardig. *-VRIJ, bn.
| |
[Diensvolgens]
Diensvolgens, bijw. bijgevolg, derhalve.
| |
[Diep]
Diep, bn. en bijw. (-er, -st), hol, ledig (tot op zekeren afstand van de oppervlakte) inzakkende, eene -e gracht; een -e kuil; - water; eene -e wond; een - huis, dat zich ver naar achteren uitstrekt; een - bord, soepbord; -e buiging; -e (zware) rouw; -e (vaste) slaap; een - stilzwijgen, waarbij geen enkel woord of klank wordt geuit; (muz.) een -e toon, bastoon; in den -en nacht, of - in den nacht; - in
| | | |
de schulden steken; hij is - in de zeventig, zeer ver over de 70 jaar oud; - (zwaar) zuchten; zijnen hoed - op de oogen drukken; zijne oogen liggen - in zijn voorhoofd; dit gaat -, is zeer wijsgeerig; iem. zeer - (nederig) groeten; (zeew.) een - verbonden schip, dat hoog op het water ligt; (fig.) het zit er niet -, hij weet niet veel; (spr.) stille waters hebben -e gronden, een dom of goedaardig voorkomen verbergt dikwijls veel verstand of veel slechtheid. *-, o. haven-ingang; diepte. *-ACHTIG, bn. (-er, -st). *-DENKEND, bn. (-er, -st). -HEID, v. gmv. *-EN, bw. gel. (ik diepte, heb gediept), uithalen, baggeren; (schild.) schaduwen. *-ER, m. (-s), graver, baggeraar; (schild.) die schaduwt. *-GAAND, bn. (van schepen). *-GANG, m. gmv. (zeew.) een vaartuig van 20 voet -. *-GRONDIG, bn. zeer diep (ook fig.). *-ING, v. het diepen, schaduwing. *-LOOD, o. (-en), (zeew.) werktuig om de diepte van het water te peilen. *-TE, v. (-n), tegenstelling van hoogte; (ook) lengte (van een gebouw); grond; binnenste; de - van eenen put, - van een huis; (fig.) God kent de - onzer harten; de - zijner gedachten. *-ZINNIG, bn. en bijw. (-er, -st). -LIJK, bijw. -HEID, v. gmv.
| |
[Dier]
Dier, o. (-en), levend, zich zelf bewegend schepsel; redeloos -; redelijk -, mensch; kruipend -, worm, slang; wild -, dat in de bosschen leeft; tweeslachtig -, dat op het land en in het water leeft, amphibie; gekorven -, insekt; (fig.) (oudt.) meisje, vrouw; een leelijk -, een leelijk mensch. *-, verbogen aanw. vnw. van die, aan die; in - voege, op zoodanige wijze. *-, bn. duur, dierbaar; de dierste belangen.
| |
[Dierbaar]
Dierbaar, bn. (-der, B. ...barer, ...brer, -st), waard, kostbaar; mijne dierbaren! mijne geliefden! *-HEID, v. gmv.
| |
[Dierenaanbidder]
Dierenaanbidder, m. (-s). *...AANBIDSTER, v. (-s). *...AANBIDDING, v. gmv. eeredienst aan de dieren bewezen (als bij de oude Egyptenaren). *...BESCHRIJVER, m. (-s). *...BESCHRIJFSTER, v. (-s). *...BESCHRIJVING, v. gmv. *...HUID, v. (-en). *...KENNER, m. (-s). *...KENSTER, v. (-s). *...KENNIS, v. gmv. zoölogie. *...PLANTSTEEN, m. (nat. hist.) zoöphiet. *...RIEM, m. gmv. (sterr.) al de sterrebeelden op den zonneweg; de 12 teekens van den -. *...RIJK, o. gmv. een der drie rijken van de natuur. *...TEMMER, m. (-s), *...TEMSTER, v. (-s), beestentemmer, -temster. *...TUIN, m. (-en), zie DIERGAARDE. *...VERSTAND, o. gmv. instinkt. *...ZIEKTE, v. gmv. ziekte alleen aan het dier en niet aan den mensch eigen.
| |
[Diergaarde]
Diergaarde, v. (-n), plaats -, hof waar (meestal) vreemde dieren worden gehouden, zoölogische tuin. *...PERK, o. (-en). *...KRING, m. zie DIERENRIEM. *...KUNDE, v. gmv. beschrijving-, geschiedenis der dieren, zoölogie. *...LIJK, bn. en. bijw. (-er, -st), tot het dier behoorende; het - leven, stoffelijk leven (in tegenst. van het zieleleven); -e electriciteit; -e scheikunde; -e stof; -e vetten; -e warmte; -e zuren; -e (vleeschelijke, zinnelijke) lusten; dat is -, beestachtig. -HEID, v. gmv. beestachtigheid; in - verzonken. *...TJE, (B. -N), o. (-s), klein dier; de bloedelooze -s, de insekten. *...ZUUR, *...ZUURZOUT, o. (soort) chemisch zuur en zout.
| | | |
| |
[Dies]
Dies, *-HALVE, vw. dus, weshalve.
| |
[Diets]
Diets, bijw. gebruikelijk in: iem. iets - maken, wijsmaken, op de mouw spelden.
| |
[Dieven]
Dieven, bw. gel. (ik diefde, heb gediefd), stelen, ontfutselen. *-AANGEZIGT, o. (-en), waaruit sluwheid of diefachtigheid spreekt, (ook fig.). *-BENDE, v. (-n). *-HERBERG, v. (-en). *-HOL, o. (-en), verblijf -, verzamelplaats der dieven. *-LANTAREN, v. (-s). -TJE, (B. -N), (-s), o. kleine lantaren met papieren wanden. *-LEIDER, m. (-s), politiedienaar. *-NEST, o. (-en), dievenhol. *-OOGEN, o. mv. oogen waaruit diefachtigheid spreekt; (ook fig.) sluwe -, slimme oogen. *-ROT, o. (-ten), dievenbende. *-SLEUTEL, m. (-s), valsche sleutel. *-TRONIE, v. (...ën), dievenaangezigt. *-TAAL, v. gmv. bar goensch, koeterwaalsch. *-VIJL, v. (-en).
| |
[Dieverij]
Dieverij, v. (-en), diefstal. *-KOOPER, m. (-s), opkooper van gestolen goed.
| |
[† Diffamant]
† Diffamant, bn. eerroovend. *...FAMEREN, bw. gel. (ik diffameerde, heb gediffameerd), belasteren, eerrooven. *...FERENT, bn. verschillend, onderscheiden. *...FERENTIE, v. (-ën), verschil, onderscheid; (bij fondsenhandelaars) surplus. *...FERENTIAAL-REKENING, v. (tak der hoogere wiskunde). *...FEREREN, ow. gel. (ik differeerde, heb gediffereerd), verschillen; (ook) uitstellen, verschuiven. *...FICIEL, bn. (-er, -st), ongemakkelijk; gij zijt zeer -, moeijelijk te bevredigen. *...FICULTEREN, bw. gel. (ik difficulteerde, heb gedifficulteerd), bezwaren maken, - vinden. *...FICULTEIT, v. (-en), moeijelijkheid, bezwaar. *...FORM, bn. (-er, -st), wanstaltig, gebrekkig (van ledematen). *...FORMITEIT, v. (-en), wanstaltigheid, gebrekkigheid. *...FUUS, bn. (...user, -st), duister, wijdloopig (van stijl).
| |
[† Digereren]
† Digereren, bw. gel. (ik digereerde, heb gedigereerd), verteren (van spijzen); (fig.) verkroppen. *...GESTIE, v. gmv. oplossing; spijsvertering.
| |
[Diggel]
Diggel, v. (B.m.) (-en), scherf; aan -en vallen, in scherven (stukken) vallen.
| |
[† Digitigraden]
† Digitigraden, m. mv. vingerloopers (zekere zoogdieren).
| |
[† Dignitaris]
† Dignitaris, m. (-sen), waardigheidsbekleeder. *...NITEIT; v. gmv. waardigheid.
| |
[† Digressie]
† Digressie, v. (...ën), uitwijding; uitspatting; tusschenspel.
| |
[Digt]
Digt, (B. DICHT), bn. en bijw. (-er, -st), gedrongen, vast; zwaar zamengeperst; gesloten; dik; nabij; (fig.) geheimhoudend; een - ligchaam, met weinig poriën; -e stof, vast ineengeweven stof; - laken; een - bosch, met veel boomen bezet; - (ineengedrongen) schrift; een -e drom; eene -e mand; een - vat; het regent, sneeuwt - (hard); (zeew.) - bij den wind houden; doe de deur -, sluit de deur; dit vat is goed -, goed gekuipt; - zaaijen, goed bezaaijen; (fig.) die man is -, zoo - als een pot, geheimhoudend; mondje -! (toe!); zich - houden, zijn geheim goed bewaren; hij woont hier - bij, (nabij); wij zijn - bij de stad. *-EN, bw. gel. (ik digtte, heb gedigt), stoppen; (kuip.) een vat -; (zeew.) een schip -, kalfaten. *-HEID, v. gmv. vastheid, het goed gesloten zijn; geheimhouding;
| | | |
goud heeft meer - dan zilver; talrijkheid, dit bosch heeft veel -, telt veel boomen; heeft veel lommer; (fig.) nabijheid. *-JES, bijw.
| |
[Dij]
Dij, (B. DIJE), v. (-en), deel van het menschelijk ligchaam tusschen de knie en de bil. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine dij. *-BEEN, o. (-deren). *-EN, ow. gel. (ik dijde, ben gedijd), opzwellen; uitdijen. *-GEN, ow. ong. (ik deeg, ben gedegen), opzwellen; gedegen goud, smeedbaar goud. *-HARNAS, o. (-sen), dekstuk der dijen (bij de oude ridders). *-HARST, m. (-en), achterbout van een dier. *-ING, v. (-en), zwelling.
| |
[Dijk]
Dijk, m. (-en), opgeworpen aarden dam, waterkeering; het ijs breekt dammen en -en; eenen - maken, doorsteken; de - loopt over, het water loopt over de kruin van den dijk; (fig.) iem. aan den - jagen of zetten, in nood -, buiten bestaan brengen; (spr.) dat brengt geen zoden aan den -, dat helpt niet. *-AADJE, v. gmv. dijkwerken. *-AARDE, v. gmv. aarde geschikt tot vorming der dijken. *-BAAS, m. (...azen), opzigter der dijkwerken. *-BEZOEK, o. onderzoek der dijken. *-BREUK, v. (-en), doorbraak van eenen dijk. *-EN, ow. gel. (ik dijkte, heb gedijkt), eenen dijk maken. *-ER, m. (-s), dijkwerker. *-GELD, o. (-en), geld -, belasting tot onderhoud der dijken. *-GRAAF, m. (...aven), opzigter der dijken, voorzitter van den dijkstoel. -SCHAP, o. toezigt over de dijken, waardigheid van dijkgraaf. *-HEEMRAAD, m. (...aden), lid van den dijkstoel. -SCHAP, o. waardigheid van dijkheemraad. -, v. de vergadering van den dijkstoel. *-ING, v. het dijken. *-KISTING, v. (-en), aanvulling om eene dijkbreuk te stoppen. *-MEESTER, m. (-s), opziener over de dijken. *-OPENING, v. (-en). *-PAAL, m. (...alen). -WERK, o. (-en). *-PLIGTIG, bn. verpligt tot het onderhoud der dijken (door arbeid, belasting enz.). *-REGT, o. wijze van regtsvordering in dijkzaken. -EN, o. mv. belastingen tot onderhoud der dijken. *-SCHOUW, v. gmv. of -ING, v. (-en), onderzoek -, inspectie der dijken. *-SCHRIJVER, m. (-s), secretaris -, griffier van den dijkstoel. *-SVOLMAGT, m. (-en), lid van een dijkbestuur. *-STOEL, m. (-en), ligchaam -, vergadering der dijkheemraden; dijkbestuur. *-WERKER, m. (-s). *-WEZEN, o. gmv. al hetgeen de dijken en hun bestuur omvat. *-ZAKKING, v. (-en), verzakking in eenen dijk.
| |
[Dijstuk]
Dijstuk, o. (-ken), dijharst, dijharnas. *...ZAK, m. (-ken), achterzak.
| |
[Dijzig]
Dijzig, bn. (-er, -st), mistig, nevelig, dampig. *-HEID, v. gmv. dampigheid.
| |
[Dik]
Dik, bn. en bijw. (tegenst. van dun), (-ker, -st), gezet, gevuld, digt, zwaar, massief; eene -ke plank; eene -ke boterham; een -ke buik; - worden; -ke wangen; een - (gezwollen) aangezigt; de lucht is -, met regenwolken bezet; een - boek; -ke inkt; -ke melk, geronnen (zure) melk; kort en -, ineengedrongen; hij is - en vet geworden; § (fig.) eene -ke tante, zwaarlijvige vrouw; (fig.) er - in zitten, rijk -, welgesteld zijn; zij zijn -ke (innige) vrienden; (fig.) hij is - (verlegen); (ook) digt; dikwijls. *-, o. gmv. het vette, bezinksel, grond; het - van het been, de kuit; (fig.) door - en dun gaan, door de plassen gaan, niets ontzien. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), (fig.) een
| | | |
weinig dik. § *-BAST, m. en v. dikbuik. -IG, bn. (-er, -st), dikbuikig. *-BEENIG, bn. met dikke beenen. *-BEK, m. en v. die een dikken bek of mond heeft. -KIG, bn. *-BLADIG, *-BLADERIG, bn. (-er, -st), met dikke -, digte bladeren. *-BLOEDIG, bn. (-er, -st), dik van bloed. *-BUIK, m. en v. die een dikken buik heeft. -IG, bn. *-HEID, v. gmv. dikte. *-HUIDIGEN, m. mv. veelharigen (zekere zoogdieren). *-KEN, bw. en ow. gel. (ik dikte, heb of ben gedikt), dik maken, -worden; aandikken, overdikken. § *-KERD, m. (-s), dikke vent, dik manneke. -JE, (B. -N), o. (-s), dik knaapje. *-KOON, m. en v. die dikke koonen of wangen heeft. -IG, bn. *-KOP, m. en v. (-pen), dik mensch. *-LIPPIG, bn. *-LIJVIG, bn. (beter) zwaarlijvig. -HEID, v. gmv. zwaarlijvigheid. *-MAALS, bijw. dikwijls. *-PENS, m. en v. (-en), dikbuik. *-RUG, m. en v. die een dikken rug heeft. -GIG, bn. met een dikken rug. *-TE, v. dikheid, zwaarte. *-VOET, m. en v. die dikke voeten heeft. -IG, bn. *-WERF, *-WIJLS, bijw. vaak; hij bezoekt mij -; hoe - moet ik u dat nog zeggen? zoo - als dit gebeurt. *-WANG, m. en v. die dikke wangen heeft. -IG, bn. met dikke wangen. *-ZAK, m. en v. (-ken), dikbuik.
| |
[† Dilapideren]
† Dilapideren, bw. gel. (ik dilapideerde, heb gedilapideerd), verkwisten, vergooijen. *...PIDATIE, v. (...ën), verkwisting. *...TEREN, bw. gel. (ik dilateerde, heb gedilateerd), uitzetten; vertragen; gedilateerde (uitgezette) neusgaten. *...TATIE, v. gmv. uitzetting.
| |
[† Dilemma]
† Dilemma, o. (-as), toestand waarin tusschen twee wegen eene keuze moet worden gedaan, netelig vraagstuk. *...LETTANT, m. (-en), -E, v. (-n), liefhebber -, liefhebster in de kunst; die eene kunst of wetenschap uit liefhebberij beoefent; kunstvriend. *...LETTANTISME, o. stelsel -, handelingen eens dilettants. *...LIGENCE, v. (-s), postwagen; naarstigheid, vlijt. *...LIGENT, bn. en bijw. werkzaam, vlijtig; iem. - verklaren, bij voortduring den last opdragen tot een zeker doel werkzaam te zijn.
| |
[Dille]
Dille, v. gmv. (plant.) zeker kruid.
| |
[† Dilogie]
† Dilogie, v. gmv. dubbelzinnigheid.
| |
[† Dimensie]
† Dimensie, v. (...ën), afmeting. *...MINUENDO, bijw. (muz.) afnemende. *...MINUEREN, bw. en ow. gel. (ik diminueerde, heb gediminueerd), verminderen. *...MINUTIE, v. gmv. vermindering, verlaging. *...MINUTIEF, o. (taalk.) verkleinwoord. *...MORPH, bn. (nat.) tweevormig.
| |
[Diné]
Diné, *...NER, o. (-s), middagmaal; op een - vragen; een - geven. *-REN, ow. gel. (ik dineerde, heb gedineerd), middagmalen.
| |
[Ding]
Ding, o. (-en), zaak, voorwerp, ligchaam; (fig.) meisje; één - is zeker, namelijk...; ik heb nog vele -en te doen; wat is dat voor een -? God schiep alle -en; het einde aller -en; (spr.) alle goede -en bestaan uit drie; zie ook ZAAK. ↑ *-BANK, v. (-en), regtbank. *-EN, ow. ong. (ik dong, heb gedongen), minder bieden, beknibbelen bij den koop; (fig.) naar iets -, naar (een ambt of eene bediening) staan. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), die minder biedt; aspirant, sollicitant, gegadigde. *-ETJE, (B. -N), o. (-s), klein voorwerp; kleinigheid. *-ING, v. gmv.
| | | |
| |
[Dingsdag]
Dingsdag, m. (-en), derde dag der week; des -s, op -, elken Dingsdag. *...DAAGSCH, bn. van Dingsdag; mijn - bezoek.
| |
[§ Dingstig]
§ Dingstig, bn. (-er, -st), oneenig. *-HEID, v. (...heden), oneenigheid; vitterij.
| |
[Dingtaal]
Dingtaal, v. (...alen), pleidooi, pleitrede; (fig.) ik heb hem - doen hooren, hem krachtig toegesproken. *...WAARDER, m. (oudt.) voorzitter van het geregtshof.
| |
[† Diocese]
† Diocese, o. en v. (-n), kerspel. *...OPTAAS, o. kopersmaragd (zekere delfstof). *...OPTER, o. (-s), (sterr.) vizier, kijkspleet. *...OPTRIEK, v. gmv. doorzigtkunde. *...ORAMA, o. (-as), schildering -, tafereel door beweegbaar licht beschenen.
| |
[† Dioskuren]
† Dioskuren, mv. Castor en Pollux, tweelingen (elektrisch luchtverschijnsel).
| |
[† Diphtongus]
† Diphtongus, m. (...gi), tweeklank.
| |
[† Diploma]
† Diploma, v. (-ta, -as), bewijs van lidmaatschap, - aanstelling, - benoeming, - abonnement. *...PLOMAAT, m. (...aten), staatsman met eenigen rang bekleed; (fig.) sluw -, geveinsd mensch. *...PLOMATIE, v. gmv. wetenschap des staatsmans; (fig.) sluwheid, geveinsdheid; corps diplomatique, het ligchaam der afgezanten en staatslieden. *...PLOMATISCH, ...TIEK, bn. en bijw. van eenen staatsman, op de wijze der staatslieden; (fig.) listig, geveinsd.
| |
[† Diplozoon]
† Diplozoon, o. (nat.) dubbel dier.
| |
[† Direct]
† Direct, bn. regtstreeksch; de -e belastingen, die regtstreeks worden geheven (als op huisraad, dienstboden, paarden enz.). *...RECTIE, v. (...ën), bestuur, toezigt; rigting. *...RECTEUR, m. (-en, -s), bestuurder, opziener; (gesch.) lid van het Directoire in Frankrijk (1795). *...RECTOIRE, *...RECTORIUM, o. gmv. staatsbewind van vijf leden in Frankrijk (1795 tot 1799). *...RECTRICE, v. (-s), bestuurderes. *...RIGEREN, bw. gel. (ik dirigeerde, heb gedirigeerd), besturen, rigten, leiden; een orkest -.
| |
[Dirk]
Dirk, m. (-s), (zeew.) toppenant, piekeval.
| |
[† Discant]
† Discant, o. (-en), (muz.) boventoon. *...CERNEMENT, o. gmv. onderscheid, oordeel. *...CERNEREN, bw. en ow. (ik discerneerde, heb gediscerneerd), onderscheiden, oordeelen.
| |
[Disch]
Disch, m. gmv. tafel; ten - noodigen. *-DOEK, m. (-en), tafellaken; kopjes-, afneemdoek. *-GENOOT, m. en v. (-en), mede-aanzittende, gast. *-GEREGT, o. (-en), spijs, geregt, schotel.
| |
[† Discipel]
† Discipel, m. en v. (-s), leerling, scholier, -ster; volgeling. *...CIPLINE, v. gmv. tucht, gehoorzaamheid. *...CIPLINEREN, bw. gel. (ik disciplineerde, heb gedisciplineerd), onder tucht brengen; een goed gedisciplineerd leger, dat goed geoefend is, bij hetwelk goede krijgstucht heerscht. *...CONTEREN, *...COMPTEREN, bw. gel. (ik disconteerde, heb gedisconteerd), afrekenen, aftrekken, verminderen (door het vroeger koopen of verkoopen dan op den vervaltijd van eenen wissel enz.). *...CONTO, o. (-os), percentsgewijze korting op eenen wissel. *...CORDANCE, v. (...en), wanklank; (godg.) oneenigheid; afwijking. *...COUREREN, ow. gel. (ik discoureerde, heb gediscoureerd), redeneren, een gesprek voeren. *...COURS, o. (-en), gesprek, rede- | | | | voering,
voorlezing. *...CREET, bn. en bijw. bescheiden, zedig, -lijk. *...CRETIE, v. gmv. zedigheid, bescheidenheid; goedvinden; ter uwer eigene -, aan uw eigen oordeel; ter uwer beschikking; -dagen, respijtdagen, dagen van uitstel. *...CULPEREN, bw. gel. (ik disculpeerde, heb gedisculpeerd), vrijspreken. *...CURSIEF, bn. en bijw. bij wijze van onderhoud, - van gesprek. *...CUS, m. (oudt.) werpschijf. *...CUTEREN, bw. en ow. gel. (ik discuteerde, heb gediscuteerd), overwegen (te zamen), beraadslagen. *...CUSSIE, v. (...ën), beraadslaging, overweging; woordentwist. *...GRATIE, v. gmv. ongenade. *...HARMONIE, v. gmv. wanklank; (fig.) oneenigheid, vriendschapsbreuk. *...HARMONIËREN, ow. gel. (ik disharmoniëerde, heb gedisharmoniëerd), in oneenigheid leven. *...LOQUEREN, bw. gel. (ik disloqueerde, heb gedisloqueerd), verrekken, verzwikken (eenen arm of een been). *...PACHE, v. (-s), contract wegens zeeschade. *...PACHEUR, m. (-s), die zich met het stellen en bezorgen van zee-contracten belast. *...PARAAT, bn. ongelijk, niet (bij elkander) passende. *...PARITEIT, v. gmv. ongelijkheid. *...PECEREN, bw. gel. (ik dispeceerde, heb gedispeceerd), (door scheidsregters) het wettig aandeel toewijzen. *...PENSATIE, v. (...ën), ontheffing, vrijstelling (van een wettelijk gebod). *...PENSEREN, bw. gel. (ik dispenseerde, heb gedispenseerd), ontzetten, vrijstellen (van...); uitdeelen. *...PERGEREN, bw. gel. (ik dispergeerde, heb gedispergeerd), verstrooijen. *...PONEREN, bw. gel. (ik disponeerde, heb gedisponeerd), beschikken; regelen; op iem. -, op iem. trekken (eenen wissel); over iem. -, gebruik maken van zijne diensten; niet wel gedisponeerd zijn, niet goed geluimd zijn, (ook) geenen lust -, geene geschiktheid hebben tot... *...PONIBEL, bn. beschikbaar. *...POSITIE, v. gmv. beschikking, inrigting; gemoedsstemming; ik stel mij ter uwer -, gij kunt over mij beschikken; bij ministeriële -. *...PROPORTIE, v. (...ën), onevenredigheid. *...PUTANT, m. (-en), *...PUTATOR, m. (-s), twistvoerder, die redetwist voert. *...PUTATIE, v. (...ën), redetwist. *...PUUT, o. (...uten), twist; krakeel; zij hadden - met elkander; redestrijd, oefening in het redetwisten; ik was heden op het - bij professor N.N. *...SECTIE, v. (...ën), lijkopening; ontleding. *...SENSIE, v. gmv. verschil van meening; scheuring. *...SENTERS, m. mv. andersdenkenden; afgescheidenen van de oud-episcopaalsche kerk in Engeland.
| |
[Dissel]
Dissel, m. (kuip., timm. enz.) soort kromme bijl. *-BOOM, m. (-en), (aan eenen wagen). *-EN, bw. gel. (ik disselde, heb gedisseld), met den dissel bewerken. *-PIN, v. (-nen). *-RIEM, m. (-en).
| |
[† Dissentiëren]
† Dissentiëren, ow. gel. (ik dissentiëerde, heb gedissentiëerd), anders denken, zich afscheiden (in geloofsbegrippen). *...SERTATIE, v. (-n), geleerde verhandeling; proefschrift (van een op zijne promotie staanden student). *...SIDENTEN, m. mv. andersdenkenden (inz. die zich van de roomsche kerk hebben afgescheiden). *...SIMULEREN, bw. en ow. gel. (ik dissimuleerde, heb gedissimuleerd), vermommen; veinzen, ontveinzen. *...SIMULATIE, v. gmv. vermomming; veinzerij. *...SIPATIE, v. (...ën), vertering, verkwisting; (fig.) verstrooijing. *...SIPEREN, bw. gel. (ik dissipeerde, heb gedissipeerd), verkwisten; verstrooijen. *...SOLUTIE, v. gmv. ontbinding; oplossing;
| | | |
(fig.) zedeloosheid, losbandigheid; de - eener firma; de - van de wetgevende kamers. *...SOLVEREN, bw. gel. (ik dissolveerde, heb gedissolveerd), ontbinden; (scheik.) oplossen; scheiden; eene firma -; dissolving views, zekere beweegbare voorstelling van tafereelen door middel eener dubbele camera-obscura voortgebragt. *...SONNANCE, v. (-n), (muz.) wanklank, valsche toon (ook fig.). *...SUADEREN, bw. gel. (ik dissuadeerde, heb gedissuadeerd), ont-, afraden. *...TANTIE, v. (...ën), afstand.
| |
[Distel]
Distel, v. (-s), doornachtig gewas; zie DOORN; de orde van de - of van St.-Andries, ridderorde in Groot-Brittannië. *-ACHTIG, bn. (-er, -st). *-BLOEM, v. (-en). *-HAAK, m. (...aken), (tuin.) zeker werktuig. *-IG, bn. vel distelen; (fig.) netelig. *- KRUID, o. (-en). *-TREKKER, m. (-s). *-VINK, m. (-en), soort putter (vogel).
| |
[† Distillateur]
† Distillateur, m. (-s), overhaler; likeurstoker, brander. *...TILLATIE, v. (...ën), koking, bereiding (door stoking); branderij. *...TILLEERFLESCH, v. (...flesschen). *...TILLEERKOLF, m. (...ven), glazen werktuig om te distilleren; overhaalglas. *...TILLEREN, bw. en ow. gel. (ik distilleerde, heb of ben gedistilleerd), overhalen, stoken, branden. *...TINGEREN, bw. gel. (ik distingeerde, heb gedistingeerd), onderscheiden, vereeren; de gedistingeerde (hoogere) klassen (des volks). *...TINCTIE, v. (...ën), onderscheiding. *...TRACTIE, v. verstrooidheid (van gedachten). *...TRIBUEREN, bw. gel. (ik distribueerde, heb gedistribueerd), uit-, rond-, verdeelen; (letterz.) de letters uit den vorm in de kast leggen. *...TRIBUTIE, v. gmv. uit-, rond-, verdeeling. *...TRICT, o. (-en), landschap, regtsgebied. -SKOMMISSARIS, m. (-sen). *...TURBATIE, v. (...ën), verstoring; verwarring (van geest).
| |
[Dit]
Dit, aanw. vnw. bij - en dat! (verheelde eed); er is een -je en een datje aan, er is iets op aan te merken. *-MAAL, bijw. dezen keer.
| |
[† Dithyrambus]
† Dithyrambus, m. (...bae), soort lierdicht, Bacchuslied.
| |
[† Dito]
† Dito, (beter DETTO), bn. gezegd, genoemd. *-NUS, m. (muz.) interval (van twee heele toonen).
| |
[† Diurnalist]
† Diurnalist, m. (-en), schrijver -, klerk op dagloon aangenomen.
| |
[† Divagatie]
† Divagatie, v. (...ën), afwijking; uitweiding; onzin. *...VAGEREN, ow. gel. (ik divageerde, heb gedivageerd), uitweiden; teemen; onzin praten. *...VAN, m. (-s), rijksraad; raad van state (in Azië, Turkije enz.); soort lage stoel, sofa. *...VERGENT, bn. uiteenloopend, strijdig. *...VERGEREND, bn. (nat.) -e (uitwijkende) stralen. *...VERSIE, v. (...ën), afleiding, uitspanning. *...VERSITEIT, v. (-en), verscheidenheid. *...VERTEREN (ZICH), ww. gel. (ik diverteerde mij, heb mij gediverteerd), zich vermaken. *...VERTISSEMENT, o. (-en), vermaak, verlustiging; dansballet (in tegenst. van tooverballet).
| |
[† Dividivi]
† Dividivi, v. gmv. soort run of boomschors, looistof (uit de amerikaansche keerkringslanden).
| |
[† Dividend]
† Dividend, o. (-en), zuiver overschot, niet bepaalde winst (op aandeelen). *...VIDEREN, bw. gel. (ik divideerde, heb gedivideerd), (rek.) deelen; verdeelen. *...VISIE, v. (...ën), (rek.) deeling; leger-afdeeling; vloot-afdeeling, eskader. -GENERAAL, m. (-s). *...VINATIE, v. (...ën),
| | | |
voorgevoel; het raden; waarzeggerij. *...VORCEREN, ow. gel. (ik divorceerde, ben gedivorceerd), scheiden (van vrouw of man). *...VULGEREN, bw. gel. (ik divulgeerde, heb gedivulgeerd), bekend -, ruchtbaar maken. *...VULGATIE, v. gmv. ruchtbaarmaking, verspreiding (eener tijding).
| |
[† Dixi]
† Dixi, bijw. ik heb gezegd.
| |
[† Djagong]
† Djagong, v. (-s), oostindische maïs.
| |
[† Djoekong]
† Djoekong, v. (-s), oostindisch vaartuig.
| |
[Dobbel]
Dobbel, m. gmv. grof spel; het dobbelen; een harde -, een moeijelijk spel; een kwaden - hebben, ongelukkig spelen (ook fig.). *-AAR, m. (-s), -STER, v. (-s), die grof speelt, speler -, speelster van beroep. *-ARIJ, v. (-en), gemeen-, grof spel; speelzucht. *-EN, ow. gel. (ik dobbelde, heb gedobbeld), met dobbelsteenen werpen; grof spelen; ongelukkig -, tegenspoed hebben. *-HOREN, m. (-s), *-KROES, v. (...zen), beker voor de dobbelsteenen. *-HUIS, o. (...zen), speelhuis. *-SPEL, o. gmv. *-STEEN, m. (-en), steen met zes vlakken, teerling; met -en gooijen, spelen; dobbelsteentjes, soort geruite stof. *-ZIEK, bn. speelziek, speelzuchtig.
| |
[Dobber]
Dobber, m. (visch.) pen, sim; (zeew.) ton, boei; bootje; de -s, bossen riet om te leeren zwemmen. *-EN, ow. gel. (ik dobberde, heb gedobberd), drijven, op en neder gaan (in het water); (fig.) zwalken; tusschen vrees en hoop -; ik heb al wat gedobberd, rondgedoold, - geworsteld. *-ING, v. (-en).
| |
[† Doceren]
† Doceren, bw. en ow. onderwijzen, leeren (eene wetenschap). *...CENT, m. (-en), leermeester, onderwijzer (inz. bij het middelbaar en hooger onderwijs).
| |
[Doch]
Doch, vnw. maar, echter.
| |
[Dochter]
Dochter, v. (-s), jonge -, meisje; meid; vrijster. *-TJE, (B. -N), o. (-s), jong meisje. *-SGOED, o. erfdeel der dochter; (ook) uitzet. *-SKIND, o. (-eren), kleinkind. *-SMAN, m. (-nen), behuwdzoon, schoonzoon.
| |
[† Dociel]
† Dociel, bn. en bw. leerzaam, gedwee. *...CILITEIT, v. gmv. leerzaamheid, lijdzaamheid. *...CIMATIE, v. metaalproef.
| |
[Doctor]
Doctor, m. (-en), leeraar, meester; - in de medicijnen, arts; - in de regten, advokaat. *-AAL, bn. en bijw. als een -, van eenen doctor; (fig.) deftig, geleerd; zijn - doen, promoveren, den meestergraad halen. *-AAT, o. gmv. waardigheid van doctor (inz. in de medicijnen). *...TOREREN, ow. gel. (ik doctoreerde, heb gedoctoreerd), de geneeskunst uitoefenen; den graad van doctor verkrijgen. *-SVISITE, v. (fig.) kort bezoek.
| |
[† Doctrinairen]
† Doctrinairen, m. mv. partijder gematigden in Frankrijk (na 1830).
| |
[† Document]
† Document, o. (-en), oorkonde, ieder (geschreven of gedrukt) stuk.
| |
[Dodderig]
Dodderig, bn. en bijw. sufferig, slaperig. *-HEID, v. gmv. sufheid, slaperigheid.
| |
[Dod-ei]
Dod-ei, o. (-jeren), vuil ei. *...OOR, m. en v. (-en), sufferig -, vadzig mensch.
| |
[Doedelzak]
Doedelzak, m. (-ken), zakpijp. *...DELEN, ow. gel. (ik doedelde, heb gedoedeld), op den doedelzak spelen; fluiten.
| | | |
| |
[Doek]
Doek, o. gmv. alle geweven stof, lijnwaad; (fig.) schilderstuk; vlag. *-, m. (-en), evenmatig gedeelte van een grooter stuk stof afgenomen tot een bepaald gebruik, (b.v. halsdoek, zakdoek enz.); luur, windsel. *-EN, bw. gel. (ik doekte, heb gedoekt), met doek bezetten; een oud schilderstuk -, de kleuren weder-ophalen; (fig.) bedriegen, blinddoeken. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), die met doek bezet; (fig.) fopper, fopster; bedrieger, bedriegster. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine doek; (spr.) er geen -s om winden, ronduit er mede voor den dag komen; dat is slechts een - voor het bloeden, een uitvlugt, verzinsel. *-ING, v. gmv. *-MAKER, m. (-s), wever.
| |
[Doel]
Doel, o. gmv. mikpunt; oogmerk, wit, doelwit; voornemen; een - beoogen; zijn - bereiken of missen; naar een - jagen; welk - hadt gij daarmede? het - heiligt de middelen, (leer der jezuïten). *-EINDE, o. (-n), zie DOEL. *-EN, ow. gel. (ik doelde, heb gedoeld), mikken, streven (naar iets); op iets -, iets beoogen, in het schild voeren. -, m. gmv. plaats waar men zich (eertijds) vereenigde om naar het wit te schieten. *-MATIG, *-TREFFEND, bn. en bijw. (-er, -st), geschikt om het doel te bereiken, overeenkomstig het doel. -HEID, v. gmv. het doeltreffende. *-WIT, o. gmv. zie DOEL.
| |
[Doemen]
Doemen, bw. gel. (ik doemde, heb gedoemd), veroordeelen; ter dood -. *-SWAARD, -IG, bn. en bijw. (-er, -st), misdadig, -lijk. *-SWAARDIGHEID, v. gmv. misdadigheid. *-SWAARDIGLIJK, bijw. *...MING, v. gmv. veroordeeling.
| |
[Doemlust]
Doemlust, m. gmv. *...ZUCHT, v. gmv. wraaklust. *...WAARD, -IG, bn. *...WAARDIGLIJK, bijw. zie DOEMENSWAARD.
| |
[Doen]
Doen, bw. en ow. onr. (ik deed, heb gedaan), handelen, verrigten, uitvoeren, volbrengen, bewerken; zijn best -, het mogelijke doen; eenen eed -; een gebed -; te niet -, vernietigen; veel te - hebben; (fig.) ik heb met hem te -, ik ben bewogen met zijn lot; wat is hier te -? wat kan men hier verrigten? (ook) wat gebeurt hier? § heeft hij wat gedaan? heeft hij ontlasting gehad? (ook) heeft hij iets misdreven? veel te - geven, veel arbeid geven; (ook) onrust-, medelijden baren; dit huis doet zooveel van huur; hij doet (handelt) in koloniale waren; eene nering -; eenen winkel -, houden; zaken -, handel drijven; iem. dienst - (bewijzen); bescheid -, iemands dronk beantwoorden, toedrinken; wat of hoeveel doet (geldt) die stof? er nog iets op -, iets meer bieden; (spr.) doe wel en zie niet om; met een meisje te - hebben, met haar verkeeren, (ook) in ontucht leven; zich (aan iets) te goed -; hulde - (bewijzen); wat heb ik daarmede van of te -, wat gaat het mij aan? hij komt hier zoo drok niet meer als hij plagt te -; een jongen op het kleêrmaken -, het kleêrmaken laten leeren; iem. - verhuizen, de huur opzeggen; het huis laten uitzetten. *-, o. gmv. verrigting, bezigheid; iemands - en laten nagaan, zijnen handel en wandel bespieden; hij is daar het - en laten, hij heeft er alles te zeggen; dit is mijn - niet, past mij niet, is boven mijne fortuin; (kooph.) boekweit in één -, van denzelfden prijs; hij zit in een goed -, in eene beklante nering. *-BAAR, bn. uitvoerbaar. -HEID, v. gmv. uitvoerbaarheid. *-DE, dw. en bn. bezig; hij is er
| | | |
aan -; zoo -, dus, zoodat; (spr.) al - leert men; 't welk -, (slot van een verzoekschrift). *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), verrigter, hij of zij die iets uitvoert. ↑ *-ING, v. verrigting. *-LIJK, bn. uitvoerbaar. -HEID, v. uitvoerbaarheid. *-NIET, m. en v. (-en), luiaard, lediglooper, ledigloopster.
| |
[Doeze]
Doeze, v. (-n), zots-, narrenkap. *-LAAR, m. (...aren, -s), (teek.) kussentje om met drooge verf te teekenen. *-LEN, bw. gel. (ik doezelde, heb gedoezeld), met drooge verf teekenen. *-LING, v. gmv.
| |
[Dof]
Dof, m. (-fen), riemslag, stoot; vuistslag. *-, bn. en bijw. (-fer, -st), niet glanzig, mat; gesmoord; een, - geluid; - hooren, niet goed hooren; - maken, den glans ontnemen; een - gemompel, een onverstaanbaar geluid; den geest - maken, verdooven. *-FEN, bw. gel. (ik dofte, heb gedoft), bonken, stooten. *-FER, m. (-s), die slaat of stoot; mannetje van eene duif; § hoerenjager. *-HEID, *-FIGHEID, v. gmv. onglanzigheid, matheid; (fig.) - van geest, logheid van begrip. *-STER, v. (-s), zij die slaat of stoot. *-WIT, bn. vuilwit, witachtig.
| |
[Doft]
Doft, v. (-en), roeibank.
| |
[Dog]
Dog, m. (-gen), groote hond.
| |
[Doge]
Doge, m. (-s), hertog; (eert. bestuurder van Genua, Venetië enz.).
| |
[Dogger]
Dogger, v. (-s), vischpink. *-BOOT, v. (-en). *-SBANK, v. bank (op de kust van Noorwegen) waar de visschersschuiten zich vereenigen.
| |
[Dogma]
Dogma, o. (-as, -ta), leerpunt, leerstuk, stelsel -, grond des geloofs. *-TIEK, v. gmv. leerstellig onderrigt in het geloof; geloofsstelsel. *-TISCH, bn. en bijw. leerstellig. *-TISEREN, bw. gel. (ik dogmatiseerde, heb gedogmatiseerd), leerstellig onderrigt geven, iets leerstelligs voordragen.
| |
[Dojer]
Dojer, (B. DOOIER), m. (-s), het gele van het ei.
| |
[Dok]
Dok, o. (-ken), besloten ligplaats voor schepen; droog -; drijvend -. *-DIENAAR, *-DIENDER, m. (-s), oppasser van een dok. *-KEN, bw. en ow. (ik dokte, heb gedokt), (zeew.) in het dok halen, - liggen (van schepen); § betalen, in het zakje blazen. *-MEESTER, m. (-s). *-SLUIS, v. (...zen).
| |
[Dokter]
Dokter, m. zie DOCTOR. *-EN, ow. gel. (ik dokterde, heb gedokterd), de geneeskunst uitoefenen; (ook) vaak van eenen geneesheer gebruik maken; hij heeft zich dood gedokterd.
| |
[Dol]
Dol, bn. en bijw. (-ler, -st), zinneloos, krankzinnig, woedend, razend; -le kervel; een -le hond; eene -le drift; op iem. - verliefd zijn; - zijn naar; het is om - te worden. *-, m. (B.o.) (-len), pop; (zeew.) roeipen (aan eene boot). *-BOORD, o. (-en), platboord (eener boot).
| |
[† Dolce]
† Dolce, bn. en bijw. (muz.) zacht, liefelijk; - far niente, het zoete niets doen, ledigloopen.
| |
[† Doleantie]
† Doleantie, v. (...ën), beklag, bezwaar. *...LEREN, ow. gel. (ik doleerde, heb gedoleerd), zich bezwaren (b.v. over te hoogen aanslag in de belastingen). *...LEERSCHRIFT, o. (-en), bezwaarschrift.
| |
[Dolen]
Dolen, ow. gel. (ik doolde, heb gedoold), dwalen (ook fig.); de -de ridders (der middeleeuwen).
| | | |
| |
[Dolfijn]
Dolfijn, m. (-en), zeker groot zeedier; -en, (zeew.) plaats onder de gaanderijen; zie DAUPHIN. *...GAT, o. (-en), gat in de roeiriemen. *...HEID, v. gmv. krankzinnigheid; (fig.) dwaasheid. *...HUIS, o. (-zen), gekkenhuis.
| |
[Doli]
Doli, o. (-s), russisch klein gewigt (= 1/20 wigtje ongeveer).
| |
[Dolik]
Dolik, v. gmv. soort onkruid.
| |
[Doling]
Doling, v. gmv. dwaling, verkeerdheid.
| |
[Dolk]
Dolk, m. (B.v.) (-en), ponjaard; (fig.) grievend leed.
| |
[Dolklampen]
Dolklampen, v. mv. (zeew.), (aan de roeibooten).
| |
[Dolkop]
Dolkop, m. (-pen), wild -, onberaden mensch. *-PIG, bn. en bijw. (-er, -st).
| |
[† Dollar]
† Dollar, m. (-s), noord-amerikaansche zilveren munt (ƒ2.50 ned.).
| |
[Dolleman]
Dolleman, m. gmv. onbesuisd -, wild mensch.
| |
[Dollen]
Dollen, bw, en ow. gel. (ik dolde, heb gedold), razen; (fig.) iem. lastig zijn, voor den gek houden; eenen os -, doodslaan (met eenen moker voor den kop). *...IGHEID, v. zie DOLHEID.
| |
[† Dollmetscher]
† Dollmetscher, m. (-s), tolk.
| |
[† Dolman]
† Dolman, m. (-s), bovenkleed (over éénen schouder hangende).
| |
[† Dolomiet]
† Dolomiet, v. zekere rotssoort.
| |
[Dolzinnig]
Dolzinnig, bn. en bijw. (-er, -st). *-LIJK, bijw.
| |
[Dom]
Dom, m. (B.v.) (-men), groote bisschoppelijke kerk, kathedraal; (ook) toren eener hoofdkerk. *-, zie DON. *-, bn. en bijw. (-mer, -st), zonder begrip, beperkt van oordeelskracht; er - uitzien, iets - behandelen. *-DEKEN, m. (-s), deken van een kapittel, oudste der domheeren.
| |
[Domein]
Domein, o. (-en), lands-, vorstengoed, goed dat het land of eenen vorst in eigendom toebehoort; (fig.) het - (gebied) der kunst; dat behoort niet tot mijn -, tot mijne bevoegdheid. *-GOED, o. (-eren).
| |
[† Domestiek]
† Domestiek, m. en v. (-en), bediende.
| |
[Domheer]
Domheer, m. (-en), kanunnik. *-SCHAP, o. gmv. kanonikaat.
| |
[Domheid]
Domheid, v. gmv. beperktheid yan begrip, - van oordeel, onnoozelheid. *-, (...heden), domme zaak (die men zegt of doet); welk eene - hebt gij daar weder begaan!
| |
[† Domicilie]
† Domicilie, o. (...ën), wettig woonverblijf, huisvesting; (regt.) - kiezen ten huize van; - van onderstand, plaats waar men armlastig is. *...LIËREN, bw. gel. (ik domiciliëerde, heb gedomiciliëerd); (kooph.) eenen wissel -, de wettige betaalplaats van eenen wissel aanwijzen; hij is te A. gedomiciliëerd, zijne vaste woonplaats is te A. ZICH -, ww. zich met der woon vestigen; (regt.) zijn domicilie kiezen.
| |
[† Dominé]
† Dominé, (beter dominus), m. (-s), titel van de hervormde predikanten (in Nederland). *...EESBEF, v. (-fen). *...EESBRIEFJE, o. (-s), lijstje der predikbeurten.
| |
[† Dominante]
† Dominante, v. gmv. (muz.) hoofdtoon; groote kwint. *...MINEREN, bw. gel. (ik domineerde, heb gedomineerd), heerschen, gebieden; (fig.) domino spelen. *...MINO, v. (-os), lange mantel, maskerade-mantel. -, -SPEL, o. (-en), zeker spel met gemerkte steenen.
| |
[Dominikaan]
Dominikaan, m. (...anen), soort monnik. *...KANER, - monnik,
| | | |
- non, geestelijke broeder, - zuster tot de orde der dominikanen behoorende.
| |
[Domjuffer]
Domjuffer, v. (-s), die door inkoop zich in een klooster heeft gevestigd; kanonikes. *...KAPITTEL, o. (-s), verzameling -, ligchaam der domheeren. *...KERK, v. (-en), hoofdkerk, kathedraal. *...KLOK, v. (-ken), klok eener groote of bisschoppelijke kerk. *...KOSTER, m. (-s), koster eener domkerk.
| |
[Domkop]
Domkop, m. en v. (-pen), dom mensch.
| |
[Dommekracht]
Dommekracht, v. (-en), aardwind, werktuig om zware lasten op te winden; tandrad van Archimedes; (fig.) dom -, plomp mensch.
| |
[Dommel]
Dommel, (B.), m. gmv. bedwelming. *-EN, ow. en bw. gel. (ik dommelde, heb gedommeld), mompelen; gonzen (als de bijen); vermengen. *-ING, v. gmv. gonzing.
| |
[Dommelijk]
Dommelijk, bijw. op domme of lompe wijze.
| |
[Domoor]
Domoor, m. en v. (-en), dom mensch, onnoozele.
| |
[Domp]
Domp, m. (-en), damp. *-ELAAR, m. (-s), duiker (zekere watervogel); (ook) geoefend zwemmer of duiker. *-ELDOOP, m. gmv. (godg.) doop bij indompeling. *-ELEN, bw. gel. (ik dompelde, heb gedompeld), in -, onder water steken; (fig.) iem. in ellende -; in rouw gedompeld zijn. ZICH -, ww. - in; (ook fig.) *-ELING, v. (-en).
| |
[Dompen]
Dompen, bw. gel. (ik dompte, heb gedompt), smoren, uitdooven; afkoelen, (ook) laten zakken (een stuk geschut). *...PER, m. (-s), (fig.) duisterling, bevorderaar van domheid en bijgeloof. -TJE, (B. -N), o. (-s), uitdoover van het kaarslicht; (ook fig.). *...PIG, bw. somber; vochtig.
| |
[Dompneus]
Dompneus, m. (...zen), stompneus. *-, m. en v. die zulk eenen neus heeft.
| |
[Domproost]
Domproost, m. (-en), proost van een domkapittel.
| |
[Don]
Don, m. (spaansch), DOM (portugeesch), heer; adellijke titel. *-NA, v. mevrouw (adellijke titel); (fig.) don Quichot, dolende ridder; grootspreker, gelukzoeker; don Juan, vrouwenschaker.
| |
[Donateur]
Donateur, m. (-s), schenker. *...TRICE, v. (-s), schenkster. *...TIE, v. (...ën), schenking.
| |
[† Don gratuit]
† Don gratuit, m. vrijwillige gift, rentelooze bijdrage.
| |
[Donder]
Donder, m. (-s), slag -, botsing der wolken op elkander; het rollen, het gerommel van den -; -beitels, -buizen, -keilen, -steenen, wigvormige voorwerpen, hier en daar op of onder den grond aangetroffen; § donders, bijzonder, zeer; drommels. *-AAL, m. (...alen), soort visch. *-AAR, m. gmv. dondergod, naam door de ouden aan Jupiter gegeven. *-ACHTIG, bn. met donder dreigende. *-BAARD, m. soort look (plant). *-BUI, v. (-jen), zaâmgepakte donderwolken; regenbui van donder verzeld. *-BUS, v. (-sen), soort karabijn (vuurwapen). *-DAAGSCH, bn. van Donderdag; mijn - bezoek. *-DAG, m. vijfde dag der week; witte -, Donderdag vóór Paschen; des -s, op Donderdag. *-EN, onp. en bw. (het donderde, heeft gedonderd), werking der opeenslaande wolken; (fig.) tieren, razen, schreeuwen; (fig.) het te Keulen hooren -, verbaasd staan te kijken; het - van het geschut; groenen -, de pas aangekomen studenten plagen. *-GOD,
| | | |
m. gmv. (fab.) Jupiter. *-GOUD, o. (scheik.) knalgoud. *-KLOOT, m. (-en). *-LUCHT, v. gmv. *-SLAG, m. (-en). *-STEEN, m. (-en), meteoorsteen; § ellendeling. *-STRAAL, m. (...alen), zie BLIKSEMSTRAAL. *-VLAAG, v. (...agen), donderbui. *-WOLK, v. (-en).
| |
[† Dong]
† Dong, m. gmv. mest.
| |
[Donker]
Donker, bn. en bijw. (tegenst. van licht, helder); duister; zwart; eene -e kamer; -e kleur; een - (droevig, somber) aangezigt; half -; het wordt -; de toekomst is -; wat ziet hij -! *-, m.v. en o. in den - rondtasten; het nachtelijk -; tusschen licht en -, schemering. *-ACHTIG, bn. een weinig donker of duister. *-BLAAUW, bn. en o. *-BRUIN, bn. en o. *-GEEL, bn. en o. *-GRAAUW, bn. en o. *-GROEN, bn. en o. *-HEID, o. gmv. het donker; duisternis. *-LIJK, bijw. *-ROOD, bn. en o.
| |
[Dons]
Dons, o. gmv. het fijnste pluis, de fijnste vederen; het - der kin, de eerste baard. *-ACHTIG, bn. naar dons gelijkende.
| |
[Donzen]
Donzen, bn. van dons; een - bed. *...ZIG, bn. donsachtig.
| |
[Dood]
Dood, m. gmv. het sterven, scheiding uit het leven; overlijden. *-, m. (-en), duizend -en sterven; den - der helden sterven; de - komt altijd onverwachts; ter of ten - veroordeeld zijn; op den - zitten, met een doodvonnis bedreigd zijn, ter dood veroordeeld zijn; op straffe des -s; des -s schuldig zijn; tegen den - is geen kruid gewassen; den - aan iets drinken; op leven en - vechten, (in een tweegevecht); (spr.) hij ziet er uit als de - van Yperen, als of hij van de galg gevallen was; de vallei des -s, op Java (eene koolzuurbron). *-, bn. gestorven, overleden, levenloos; ontzield; iem. levend of -vatten; (regt.) in de -e hand, zie HAND; eene -e taal (die bij geen volk meer gesproken wordt); (spr.) een -e hond bijt niet, van doode menschen heeft men niets te vreezen; -hout, uitgegroeide -, niet meer groene takken; (heelk.) - vleesch, wild vleesch; - bloeden, uitbloeden; (ook) vergeten worden; (fig.) een - kapitaal, dat renteloos ligt; (aardr.) de -e zee, meer in Mesopotamië; (zeew.) de zee - zeilen; een -goed mensch; zich - drinken, eten, werken, toedrinken, -eten, -werken. *- AAS, o. gmv. kreng. *-AKTE, v. (-n), bewijs van overlijden. *-ARM, bn. zeer arm, bloedarm. *-ATTEST, o. (-en), bewijs van overlijden. *-BAAR, v. (...aren), lijkbaar, -burrie. *-BED, o. gmv. bed waarop men sterft of is gestorven. *-BERIGT, o. (-en), (mondelinge of schriftelijke) kennisgeving van overlijden; dood-advertentie. *-BIDDER, m. (-s), bidder ter begrafenis, aanspreker. *-BIJTEN, bw. ong. (ik beet dood, heb doodgebeten), bijtende dooden. *-BOEK, o. gmv. register van overlijden. *-BRIEF, m. (...ven), schriftelijke mededeeling van overlijden; dood-attest. *-BUS, v. (-sen), lijkbus. *-CEEL, *-CEDEL, v. (-en), doodakte; (ook) lijst van genoodigden ter begrafenis.
| |
[Doode]
Doode, m. en v. (-n), gestorvene, overledene; lijk; de vijand telde veel -n en gekwetsten; (fab.) het rijk der -n, de onderwereld; hij zag zoo bleek als een -; de -n moet men laten rusten, men moet geen kwaad van de dooden spreken. *-LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), den dood veroorzakende; een - vergift; eene -e wonde; zich - vervelen; - schrikken.
| | | |
-HEID, v. gmv. *-KOP, m. gmv. soort poeder (tot glanzen). *-N, bw. gel. (ik doodde, heb gedood), doen sterven; slagten; (fig.) den tijd - of verdrijven; iem. in de redenering -, uit het veld slaan; zijne lusten - of onderdrukken. *-R, m. (-s), DOODSTER, v. (-s), die doodt of slagt.
| |
[Doodeter]
Doodeter, m. (-s), *...EETSTER, v. (-s), lediglooper, -loopster, die ten laste van een ander leeft; oud nutteloos paard, knol. *...GRAVER, m. (-s), die de grafkuilen maakt; bewaarder van het kerkhof; (ook) soort kever.
| |
[Dooding]
Dooding, v. gmv. - des vleesches, zelfkastijding.
| |
[Doodkist]
Doodkist, v. (-en), lijkkist; (fig.) dit is een nagel aan zijne -, dit grieft hem doodelijk; den sleutel op de - leggen, van eene nalatenschap afzien. *...KLEED, o. (-en), lijkkleed. *...KLEUR, v. gmv. lijkkleur. *...KLOK, v. gmv. klok die bij eene begrafenis geluid wordt. ...KLOPPERTJE, (B. -N), o. (-s), diertje (kleine luis of kever) welks geluid men in het najaar in oud huisraad enz. hoort. *...KOUD, bn. zoo koud als een doode. *...KRANK, bn. gevaarlijk ziek. *...KRUID, o. zekere plant. *...LAKEN, o. (-s), lijkkleed. *...LIED, o. (-eren), lijkzang. *...LOOPEN, bw. ong. een paard -, zoo hard laten loopen dat het dood neêrvalt; zich -; (fig.) iem. -, vooruit komen in het loopen. *...MAAL, o. (...alen), maaltijd na de begrafenis, lijkmaal. *...MOÊ, *...MOEDE, bn. zeer -, buitengemeen moede.
| |
[Doodsangst]
Doodsangst, m. (-en), angst des doods (van het stervensuur); (fig.) groote -, buitengemeene angst. *...BEEN, o. (-deren), been uit het ligchaam van een dood mensch. *...BENAAUWD, bn. doodelijk angstig.
| |
[Doodsch]
Doodsch, bn. (-er), akelig, naar; eenzaam; wat is het hier -; een -e weg; eene -e stilte heerschte in het rond.
| |
[Doodschieten]
Doodschieten, bw. ong. (ik schoot dood, heb doodgeschoten), met en vuurwapen of eenen pijl dooden. *...SCHIETING, v gmv. *...SCHRIK, m. gmv. doodelijke schrik. *...SCHULD, v. gmv. misdaad door de wet met de doodstraf bedreigd; (fig.) schuld wegens begrafeniskosten. -IG, bn. des doods schuldig, (wegens begane misdaad).
| |
[Doodsgevaar]
Doodsgevaar, o. (...varen), gevaar dat aan den dood blootstelt; levensgevaar; in - zijn of verkeeren. *...HOOFD, o. (-en). -VLINDER, m. (-s). -BLOK, o. (-ken), (zeew.) stagblok. *...KLEEDEREN, o. mv. *...KLOK, v. gmv. die bij het sterven luidt.
| |
[Doodslaan]
Doodslaan, bw. onr. (ik sloeg dood, heb doodgeslagen), door slaan (iem.) dooden; (fig.) stempels vernietigen (van obligatiën enz.). *...SLAAP, m. gmv. laatste slaap die den dood voorafgaat. *...SLAG, m. gmv. slag die den dood ten gevolge heeft. *...SLAGER, m. (-s), moordenaar; (ook) knuppel, dikke lange stok. *...SNIK, m. gmv. laatste snik, - zucht; den - geven.
| |
[Doodsnood]
Doodsnood, m. gmv. het zieltogen.
| |
[Doodsteek]
Doodsteek, m. gmv. steek (met een scherp werktuig) die den dood veroorzaakt; (fig.) grievende hoon, hartzeer. *...STEKEN, bw. ow. gel. (ik stak dood, heb doodgestoken), met een scherp werktuig dooden. *...STEKER, m. (-s). *...STEEKSTER, v. (-s). *...STIL, bn.
| | | |
zoo stil als de dood; zwijgend; houd u -, verroer u niet, spreek niet; het is in den handel -. *...STOND, m. -E, v. gmv. uur des doods; iem. in zijne -e bezoeken. *...STRAF, v. (-fen), straffe des doods; op - iets verbieden. *...STRIJD, m. gmv. zieltoging (ook fig.). *...STROOM, m. gmv. (fab.) stroom der onderwereld. *...STUIP, v. (-en), stuip die den dood voorafgaat, - veroorzaakt; (fig.) heillooze -, laatste poging. *...TIJ, o. gmv. (zeew.). *...VERF, *...VERW, v. grondverf; (schild.) eerste aanleg; (fig.) doodelijke bleekheid, doodskleur. *...VERWEN, bw. gel. (ik doodverwde, heb gedoodverwd), de grondverf leggen; (schild.) aanleggen; (fig.) iem. met een ambt, eenen post -, hem er voor bestemd houden; (ook) iem. als den dader (van iets) noemen. *...VERWIG, bn. dood-, lijkkleurig. *...VIJAND, m. (-en), ergste -, hatelijkste vijand; zij zijn -en (van elkander). -IN, v. (-nen). *...VLAG, v. (-gen), (zeew.) vlag ter halver steng geheschen; (ook) rouw-, zwarte vlag. *...VONNIS, o. (-sen), vonnis waarbij iem. tot den dood is verwezen. *...WARING, o. (-en), huwelijksgoed (voor de vrouw vastgesteld). *...WERK, o. gmv. (zeew.) scheepshut, huizing boven water uitstekende. *...WOND, -E, v. (-n), wonde die den dood veroorzaakt; (ook fig.) het is geen -. *...ZEILEN, bw. gel. (ik zeilde dood, heb doodgezeild), (zeew.) het tij ontzeilen. *...ZIEK, bn. zwaar -, doodelijk ziek. *...ZONDE, v. (-n), zonde die den dood na zich sleept; (godg.) zonde van het eerste menschenpaar, erfzonde, hoofdzonde. *...ZWEET, o. het laatste zweet (in den stervensnood); (fig.) angstzweet.
| |
[Doof]
Doof, bn. en bijw. (...ver, -st), hardhoorend, -hoorig; zich - houden, niet willen hooren; zoo - als een kwartel; - voor alle vermaningen zijn; op dat oor is hij -, daarvan wil hij niets weten; eene doove kool, uitgebrande doch verkoolde turf; - (verstijfd) van koude. *...ACHTIG, bn. (-er, (st), een weinig doof. -HEID, v. gmv. geringe graad van doofheid, onvermogen om te hooren. *-POT, m. (-ten), pot waarin men turven of kolen dooft; (fig.) benaauwd -, klein vertrek; kleine vesting. *...STOM, bn. stom door doofheid (aangeboren gebrek); de -men; het -men-instituut; -men-onderrigt. *-STOMHEID, v. gmv. sprakeloosheid ten gevolge van (aangeboren) doofheid.
| |
[Dooi]
Dooi, m. gmv. het losgaan van bevrozen water; dooiweder. *-JEN, (B. DOOIEN), onp. w. gel. (het dooide, heeft gedooid), losgaan, smelten (van iets dat bevrozen is). *-JING, v. gmv. *-WEDER, *-WEÊR, o. gmv.
| |
[Doolhof]
Doolhof, m. (...oven), kunstig aangelegde hof of tuin met kronkelpaden; labirint, labyrinth; (ook fig.) dit boek is een -. *...WEG, m. (-en). *...PAD, o. (-en); op eenen - brengen, verleiden (tot ondeugd).
| |
[Doop]
Doop, m. gmv. besprenkeling met water onder christenen in gebruik, om tot de godsdienst te wijden; een kind ten - houden; den heiligen - toedienen. *-BEKKEN, o. (-s). *-BAARS, m. (...zen), waterbaars *-BOEK, o. (-en), register door den predikant of pastoor gehouden van al de kinderen die in zijne kerk worden gedoopt. *-CEDEL, (-s), *-CEÊL, v. (-en), uittreksel uit het doopboek; bewijs van geboorte. *-DAG, m. (-en). *-DEKEN, v. (-s). *-ELING, m. en v. (-en), kind dat ten doop wordt gehouden. *-EN, bw. gel. (ik doopte,
| | | |
heb gedoopt), besprenkelen; indompelen; door den heiligen doop tot christen wijden (oudt. kerstenen); eenen naam geven; hoe is hij gedoopt? hoe is zijn naam? een schip -; beschuit in melk -; wijn -, er water onder mengen. *-ER, m. die doopt; Johannes de -, (een der apostelen). *-FEEST, o. (-en). *-GETUIGE, m. en v. (-n). *-GOED, o. gmv. kleederen die het kind bij den doop draagt. *-HEFFER, m. (-s), *-HEFSTER, v. (-s), die het kind ten doop houdt; peetoom; peettante. *-ING, v. gmv. *-HEK, o. (-ken), *-HUIS, o. (...zen), *-KAPEL, v. (-len), besloten ruimte (in eene kerk) waarin men doopt. *-JURK, v. (-en). *-KIND, o. (-eren), kind dat men ten doop houdt of gehouden heeft; petekind. *-KLEED, o. (-eren), doopjurk. *-MAAL, o. (...alen), gastmaal ter gelegenheid van den doop. *-MOEDER, v. (-s), peettante. *-MUTS, v. (-en). *-NAAM, m. (...amen), voornaam. *-SEL, o. gmv. doop. *-SGEZINDE, m. en v. (-n), mennoniet. *-VADER, m. (-s), peetoom; gevader. *-VERBOND, o. (godg.) verbond -, wijding door den doop. *-VISCH, m. gmv. visch met saus gestoofd. *-VONT, -E, v. (-en), doopbekken. *-WATER, o. gmv.
| |
[Door]
Door, m. zie DOJER. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine dojer; (ook) verkorte vrouwennaam voor Dorothea.
| |
[Door]
Door, bijw. en vz. - de deur binnenkomen; de spijker gaat - het hout; - het venster zien; (fig.) - de vingers zien, iets oogluikende toelaten; - den neus spreken, een snuivend neusgeluid doen hooren onder het spreken; het kan er waarlijk niet -, het is te erg om het toe te laten; (spr.) ik ben er voor, ik moet er -, eens begonnen hebbende moet ik het werk voortzetten; - een land reizen; - de bank, zie BANK; - elkander; - zijne tusschenkomst; iets of iem. - en - kennen, ter dege -, geheel kennen; ik ben - en - koud, zeer koud; zijn gansche leven -, gedurende zijn geheel leven; de zweer is -, doorgebroken; zijne schoenen zijn -, open, gebroken.
| |
[Doorademen]
Doorademen, ow. en bw. gel.1) aanhoudend ademen, door a.2) doen scheuren. *...AKKEREN, ow. en bw. aanh. akkeren; door a. doen scheuren. *...ANTWOORDEN, ow. gel. aanh. antwoorden. *...ARBEIDEN, ow. bw. gel. aanh. arbeiden, doorwerken. *...BAAUWEN, ow. gel. aanh. baauwen, - schreeuwen. *...BABIJNEN, ow. gel. aanh. babijnen, - opwinden. *...BABBELEN, ow. gel. aanh. babbelen; den geheelen avond -. *...BAFFEN, ow. gel. aanh. baffen. *...BAGGEREN, ow. en bw. aanh. baggeren; door b. scheuren of openen. *...BAKEREN, ow. gel. aanh. bakeren. *...BAKKEN, ow. en bw. aanh. bakken; door b. openen. -, dw. en bn. behoorlijk gebakken; goed - brood. *...BALDEREN,
| | | |
ow. gel. aanh. balderen. *...BALIËN, ow. gel. aanh. baliën of pompen; (fig.) doorsloven. *...BALKEN, ow. gel. aanh. balken. *...BARBIEREN, ow. gel. aanh. barbieren of scheren; het barbiersberoep uitoefenen. *...BARSTEN, *...BERSTEN, ow. gel. aanh. bersten; door b. vaneen scheuren, geheel bersten; de schotel is geheel doorgebarsten. *...BEDELEN, ow. gel. aanh. bedelen. *...BEENEN, ow. gel. aanh. beenen, - doedelen. *...BEIJEREN, ow. gel. aanh. beijeren, - luiden. *...BEITELEN, ow. en bw. gel. aanh. beitelen; door b. openen of beschadigen. *...BEKEREN, bw. aanh. bekeren, - drinken. *...BELLEN, ow. en bw. gel. aanh. bellen, - schellen; door b. stuk maken. *...BENGELEN, ow. en bw. aanh. bengelen; door b. stuk maken. *...BETEREN, ow. gel. aanh. beteren. *...BETTEN, ow. en bw. gel. aanh. betten, -bevochtigen; door b. doen opengaan. *...BEUGELEN, ow. gel. aanh. beugelen. *...BEUREN, ow. en bw. gel. aanh. beuken; door b. openen; kwetsen. *...BEULEN, ow. gel. aanh. beulen, - sloven. *...BEUREN, ow. en bw. gel. aanh. beuren; door (iets heen) tillen. *...BEUZELEN, ow. gel. aanh. beuzelen. *...BEVEN, ow. gel. aanh. beven. *...BIBBEREN, ow. gel aanh. bibberen. *...BIDDEN, ow. ong. aanh. bidden. *...BIECHTEN, ow. gel. aanh. biechten. *...BIEDEN, ow. ong. aanh. bieden. *...BIJTEN, ow. gel. aanh. bijten, bijten maken in het ijs. -, ow. en bw. ong. aanh. bijten; verteren; (iets) stuk bijten; ik kan dien pit niet -; het leder is geheel doorgebeten (vergaan); dit vocht heeft de huid doorgebeten; eens begonnen moet gij -, (de zaak voortzetten). ZICH -, ww. zich bijtende eenen weg banen; de muis heeft zich doorgebeten. *...BIKKELEN, ow. en bw. gel. aanh. bikkelen; door b. stuk maken. *...BIKKEN, ow. en bw. gel. aanh. bikken; stuk slaan. *...BILLEN, ow. en bw. gel. (molen.) aanh. billen; door billen stuk slaan, openen. *...BILJARTEN, ow. gel. aanh. biljart spelen. *...BINDEN, ow. en bw. ong. aanh. binden; door b. vaneen scheiden. *...BLADEREN, ow. en bw. gel. aanh. bladeren, bladen omslaan; ik heb dit boek doorgebladerd of doorbladerd, vlugtig doorgelezen. *...BLADERING, v. gmv. *...BLAFFEN, ow. gel. aanh. blaffen. *...BLAREN, ow. gel. aanh. blaren, zich tot blaren (op de huid) zetten; doorbladeren. *...BLATEN, ow. gel. aanh. blaten. *...BLAZEN, ow. en bw. ong. aanh. blazen; door b. stuk maken, openen; (ergens) door (heen) blazen. *...BLEEKEN, ow. en bw. gel. aanh. bleeken; ter dege bleeken. *...BLIJVEN, ow. ong. aanh. blijven, niet heengaan. *...BLIKKEN, ow. gel. aanh. blikken (met de oogen). *...BLIKSEMEN, ow. gel. aanh. bliksemen; het heeft den ganschen nacht doorgebliksemd; § aanh. vloeken en tieren. *...BLOEDEN, ow. gel. aanh. bloeden; door bl. zich openen; met bloed doordringen; dat windsel is geheel doorgebloed. *...BLOEIJEN, ow. gel. aanh. bloeijen. *...BLOKKEN, ow. gel. aanh. blokken, vlijtig studeren. *...BLOUWEN, ow. en bw. gel. aanh. blouwen (hennep braken); blouwende openen. *...BLOZEN, ow. gel. aanh. blozen. *...BOBBELEN, ow. gel. aanh. bobbelen, (koken, bellen opwerpen). *...BOBIJNEN, bw. gel. aanh. opwinden. *...BOEKEN, ow. gel. aanh. boeken. *...BOELEREN, ow. gel. aanh. boeleren. *...BOENEN, ow. en bw. gel. aanh. boenen; door b. stuk maken, openen. *...BOEREN, ow. gel. aanh.
| | | |
boeren, (den landbouw uitoefenen). *...BOERTEN, ow. gel. aanh. boerten, schertsen. *...BOETSEREN, ow. gel. aanh. boetseren. *...BOKSEN, ow. gel. aanh. boksen. *...BOMBARDEREN, ow. en bw. gel.aanh. bombarderen; bombarderende breken; eenen muur -. *...BONKEN, ow. en bw. gel. aanh. bonken; (iets) stuk slaan. *...BONZEN, ow. en bw. gel. aanh. bonzen; door b. openen, stuk slaan. *...BOOMEN, ow. en bw. gel. aanh. boomen; boomende openen, stuk maken; eene boot -, doen doorgaan. *...BOORDEN, ow. en bw. gel. aanh. boorden; door b. stuk maken, openen. *...BORDUREN, ow. en bw. gel. aanh. borduren; door b. openen, stuk maken. *...BOREN, ow. en bw. aanh. boren; borende openen, stuk maken. -, bw. gel. (ik doorboorde, heb doorboord), doorsteken; doorpriemen; met eenen dolk het hart -; (fig.) dat doorboort mij het hart, grieft mij innig; (zeew.) een schip -, in den grond boren. *...BORGEN, ow. gel. aanh. borgen, op krediet nemen of geven. *...BORING, v. (-en). *...BORRELEN, ow. gel. aanh. borrelen. *...BORSTELEN, ow. en bw. gel. aanh. borstelen, door b. stuk maken, doen scheuren. *...BOSSEN, ow. aanh. bossen, in bossen maken. *...BOTEREN, ow. en bw. aanh. boteren; met boter doortrekken. *...BOTSEN, ow. en bw. gel. aanh. botsen; door b. breken. *...BOTTELEN, ow. gel. aanh. bottelen. *...BOTTEN, ow. gel. aanh. botten. *...BOUWEN, ow. gel. aanh. bouwen; (ergens) door (heen) bouwen. -, bw. gel. (ik doorbouwde, heb doorbouwd), doortimmeren. *...BRAAK, v. gmv. het doorbreken; doorbreking; de - van eenen dijk (bij ijsgang). *...BRAAUWEN, ow. gel. aanh. braauwen. *...BRABBELEN, ow. gel. aanh. brabbelen. *...BRADEN, ow. en bw. gel. aanh. braden; door lang te laten br. stuk maken; die pan is geheel doorgebraden. -, bw. gel. (ik doorbraadde, heb doorbraden), goed -, ter dege braden. *...BRAKEN, ow. gel. aanh. braken (zich overgeven); (ook) hennep braken. *...BBANDEN, ow. en bw. aanh. branden; door en door br., de turf is nog niet doorgebrand; door br. openen, verdeelen, brand dit touwtje door (in tweeën). *...BRASSEN, ow. en bw. gel. aanh. brassen; zij hebben den geheelen nacht doorgebrast; hij heeft al zijn geld doorgebrast; (zeew.) door (veel) brassen scheuren. *...BREEUWEN, ow. en bw. (zeew.) aanh. breeuwen; door en door breeuwen, kalfateren. *...BREIJEN, ow. gel. aanh. breijen. *...BREKEN, ow. ong. aanh. breken; brekende zich openen; de dijk is doorgebroken; de vijanden trachtten door te breken (door de liniën zich eenen weg te banen); verschijnen; opengaan; het gezwel is doorgebroken; de zon zal spoedig - (door de wolken); de dieven wilden - (door den muur ontsnappen); gij kunt dien stok niet -. *...BREKING, v. gmv. zie DOORBRAAK. *...BRENGEN, ow. en bw. ong. aanh. brengen; door (iets) heenbr.; geleiden; verkwisten, hij heeft zijn gansche vermogen doorgebragt; slijten (den tijd); beleven, lijden; wat al bange dagen heb ik doorbragt. *...BRENGER, m. (-s), verkwister. *...BRENGSTER, v. (-s), verkwistster. *...BRENGING, v. gmv. verkwisting; het doorbrengen. *...BRIESCHEN, ow. gel. aanh. brieschen. *...BRIJEN, ow. gel. aanh. brijen. *...BRILLEN, ow. gel. aanh. brillen. *...BROEDEN, ow. gel. aanh. broeden. *...BROMMEN, ow. gel. aanh. brommen. *...BROUWEN, ow. gel. aanh. brouwen.
| | | |
*...BRUISEN, ow. gel. aanh. bruisen. *...BRULLEN, ow. gel. aanh. brullen; vervullen van gebul; het gansche woud -. *...BUIGEN, ow. en bw. ong. aanh. buigen; buigende door (heen) loopen; buigende breken (onder een zwaren last); door (sterk) buigen doen breken. *...BUIJEN, ow. gel. aanh. buijen. *...BUILEN, ow. gel. aanh. builen. *...BULDEREN, ow. gel. aanh. bulderen; (ook fig.), het huis -, vloekende doorloopen. *...BULKEN, ow. gel. aanh. bulken.
| |
[Doorcijferen]
Doorcijferen, ow. en bw. gel. aanh. cijferen; ten einde toe c.; ik heb dit boek doorgecijferd. *...DAMMEN, bw. gel. aanh. dammen (dijken maken; damspelen). *...DAMPEN, ow. gel. aanh. dampen, damp opwerpen; (ook tabak) rooken; zij hebben den ganschen nach doorgedampt. *...DANKEN, ow. gel. aanh. danken. *...DANSEN, ow. en bw. gel. aanh. dansen, (ergens) door (heen) dansen; zij zijn de zaal doorgedanst; dansende breken of scheuren, ik heb mijne schoenen doorgedanst. *...DAUWEN, ow. gel. aanhoudend dauwen. *...DAVEREN, ow. gel. aanh. daveren. *...DEELEN, ow. en bw. gel. aanh. deelen; deelende scheiden; (iets) in tweeën -. *...DEKKEN, ow. gel. aanh. dekken. *...DELVEN, ow. ong. aanh. delven. *...DENKEN, ow. onr. aanh. denken; over (iets) d.; hebt gij wel goed doorgedacht. -, bw. (ik doordacht, heb doordacht), ter dege (over iets) nadenken; dit plan is goed doordacht. *...DEUNEN, ow. gel. aanh. deunen. *...DICHTEN, ow. gel. aanh. dichten.
| |
[Doordien]
Doordien, vw. daar, dewijl.
| |
[Doordienen]
Doordienen, ow. gel. aanhoudend dienen. *...DIEVEN, ow. gel. aanh. dieven, stelen. *...DIGTEN, ow. gel. aanh. digten. *...DIJKEN, ow. gel. aanh. dijken maken. *...DOBBELEN, ow. en bw. gel. aanh. dobbelen; door (hard) d. scheuren of breken; zij hebben het la ken van die tafel doorgedobbeld. *...DOEN, ow. en bw. onr. aanh. doen, verrigten; (ergens) door (heen) steken; stoffen; uitwisschen; dat deugt niet, doe (haal, strijk), dat maar door. *...DOLEN, ow. en bw. aanh. dolen, dwalen (ook fig.); een woud -, (of) door een woud dolen. *...DOMMELEN, ow. gel. aanh. dommelen; sluimeren; gonzen (van bijen). *...DONDEREN, onp. w. gel. aanh. donderen. *...DOOIJEN, onp. en ow. gel. aanh. dooijen; dooijende breken. *...DOOPEN, ow. gel. aanh. doopen. *...DOPPEN, ow. gel. aanh. doopen. *...DORSCHEN, ow. en bw. gel. aanh. dorschen; door d. breken, openen. *...DOUWEN, ow. gel. aanh. douwen of duwen; (ergens) door (heen) d.; douw dit dan er door. *...DRAAIJEN, ow. en bw. gel. aanh. draaijen; (ergens) door (heen) dr.; door dr. breken of openen; (ook) wonden; (fig.) zich er -, er uit helpen. *...DRAGEN, ow. en bw. ong. aanh. dragen; (ergens) door (heen) dr.; door dr. slijten, breken; (fig.) ronddragen. *...DRALEN, ow. gel. aanh. dralen. *...DRAVEN, ow. en bw. gel. aanh. draven, onbesuisd voorthollen; (ook fig.) in het wild redeneren, handelen; hij draaft maar door; (ergens) door (heen) dr.; door dr. zich openen, stuk maken; hij heeft zich de huid doorgedraafd. *...DREIGEN, ow. gel. aanh. dreigen. *...DRENTELEN, ow. en bw. gel. aanh. drentelen; drentelende doorloopen; hij heeft de stad doorgedrenteld; (fig.) hij heeft den morgen doorgedrenteld. *...DREUNEN, ow. gel. aanh. dreunen. *...DRIBBELEN, ow. en bw. gel. aanh. dribbelen; (ergens)
| | | |
door (heen) dr.; door dribbelen openloopen; verslijten; het huis -. *...DRIJVEN, ow. en bw. ong. aanh. drijven; (ergens) door (heen) dr., doorjagen; (zeew.) driftig worden (van schepen); (fig.) doen aannemen, doorzetten; hij wist zijn gevoelen door te drijven. *...DRIJVER, m. (-s). *...DRIJFSTER, v. (-s). *...DRILLEN, ow. en bw. gel. aanh. drillen (met de boor); (ook) in den wapenhandel oefenen; door (iets heen) dr. (met de boor). *...DRINGBAAR, bn. (-der, -st). -HEID, v. (nat.) eene der eigenschappen van de ligchamen. *...DRINGELIJK, bn. (-er, -st). *...DRINGEN, ow. en bw. ong. aanh. dringen; (fig.) (ik doordrong, ben doordrongen), (ergens) door (heen) dr.; hij is door de menigte gedrongen; de regen is tot op de huid doorgedrongen; (fig.) ik ben doordrongen van droefheid, - van de waarheid; zijne klagt doordrong mijn hart; (iets) door eene opening dringen, hij heeft de prop er door heen gedrongen; door dr. breken of stuk maken. *...DRINGEND, bn. (-er, -st), (nat.) de -e ligchamen; eene -e koude; (fig.) eene -e (schelle) stem; een - verstand. -HEID, v. doordringend vermogen; (nat.) de - van het kwik. *...DRINKEN, ow. ong. aanh. drinken. *...DROOG, bn. ter dege -, geheel droog. *...DROOMEN, ow. aanh. droomen; suffen. *...DROPPELEN, ow. en bw. gel. aanh. droppelen; (ergens) door (heen) dr.; door dr. stuk maken; die lekkaadje heeft den bodem doorgedroppeld. *...DRUIPEN, ow. en bw. ong. aanh. druipen; door dr. stuk maken. *...DRUKKEN, ow. en bw. aanh. drukken; (ergens) door (heen) dr.; het papier is doorgedrukt (de letters vertoonen zich ook aan de keerzijde); door dr. breken, beschadigen; het gewigt daarvan heeft de plank doorgedrukt. *...DRUKKING, v. gmv. *...DRUPPELEN, ow. gel. zie DOORDROPPELEN. *...DUIKELEN, ow. en bw. aanh. duikelen; (ergens) door (heen) d.; door d. kwetsen, beschadigen; hij heeft zich het hoofd doorgeduikeld. *...DUREN, ow. en onp. w. gel. aanh. (voort)-duren, (beter:) aanhouden. *...DURVEN, ow. gel. aanh. durven; (meest) (ergens) door (heen) d. (gaan, dringen enz.). *...DUTTEN, ow. gel. aanh. dutten, - sluimeren. *...DUWEN, ow. en bw. aanh. duwen; (ergens) door (heen) d., - dringen; (iets) door (eene opening) d.. *...DWALEN, ow. en bw. gel. aanh. dwalen; een bosch -. *...DWEILEN, ow. en bw. aanh. dweilen; door dw. stuk maken, - verslijten; die doeken zijn geheel doorgedweild. *...DWINGEN, ow. en bw. ong. aanh. dwingen; iets ergens -, (met kracht doorstooten).
| |
[Doorebben]
Doorebben, ow. en bw. (zeew.) aanhoudend ebben.
| |
[Dooreen]
Dooreen,1) bijw. het een onder het ander (gemengd, gerekend); ondereen; (fig.) zonder onderscheid. *-GOOIJEN, (B. GOOIEN), bw. gel. zie DOOREENWERPEN. *-HASPELEN, bw. gel. onder elkander (met de klos) werken; (fig.) alles verward voordragen, - behandelen. *-KNEDEN, bw. gel. alles onder elkander kneden. *-MENGEN, bw. gel. alles onder elk. mengen. *-PLOEGEN, bw. gel. alles onder elk. ploegen. *-SMIJTEN, bw. ong. zie DOOREENWERPEN. *-REKENEN, bw. gel. alles door elk. rekenen. *-STROOIJEN, (B. STROOIEN), bw. gel. alles door elk. strooijen. *-WERKEN, bw. gel. alles onder elk. -,
| | | |
ineenwerken. *...WERPEN, bw. ong. alles onder elk. -, overhoop werpen. *-ZAAIJEN, (B. *-ZAAIEN), bw. gel. alles door elk. zaaijen.
| |
[Dooreggen]
Dooreggen, ow. en bw. gel. aanhoudend eggen; door e. breken, - beschadigen; de grond is goed doorgeëgd; de steen is geheel doorgeëgd (gebroken). *...ENTEN, ow. gel. aanh. enten. *...ETEN, ow. en bw. onr. aanh. eten; zij hebben den ganschen avond doorgegeten; doorknagen; doorvreten (in deze beteekenis is het verl. dw. dooreten in pl. van doorgegeten). *...ETTEREN, ow. en bw. aanh. etteren; (ergens) door (heen) e.; de wonde heeft (is) doorgeëtterd. *...EZELEN, ow. gel. aanh. ezelen (hard werken).
| |
[Doorfeppen]
Doorfeppen, ow. gel. aanhoudend feppen, - drinken, - de flesch aanspreken. *...FLEEMEN, ow. gel. aanh. fleemen, - vleijen. *...FLIKKEREN, ow. aanh. flikkeren. -, bw. (ik doorflikkerde, heb doorflikkerd), de kaars doorflikkerde de gansche kamer; (fig.) die hoop doorflikkerde mijne ziel. *...FLONKEREN, ow. gel. zie DOORFLIKKEREN. *...FLUIMEN, ow. gel. aanh. fluimen, - fluimen opgeven. *...FLUISTEREN, ow. gel. aanh. fluisteren. *...FLUITEN, ow. en bw. ong. aanh. fluiten; - op de fluit blazen; (ergens) door (heen) fl.; fluitende doen barsten; tot het einde fluiten (een deuntje). *...FNIEZEN, ow. en bw. gel. aanh. fniezen; (ergens) door (heen) fn.; door fn. stuk breken. *...FOKKEN, ow. gel. aanh. fokken (vee). *...FONKELEN, ow. gel. aanh. fonkelen; zie DOORFLIKKEREN.
| |
[Doorgaan]
Doorgaan, ow. en bw. onr. aanh. verder gaan; (ergens) door (heen) g.; voortduren; dat gaat altijd maar zoo door; (drukk.) de regels laten doorloopen (zonder alineaas); (zeew.) snel zeilen, dat (schip) gaat er goed door; op den hol gaan, het paard is met hem doorgegaan; zich uit de voeten maken, vlugten; slagen, de zaak gaat door; aangenomen worden, de wet zal wel -; doorloopen, de stad -; ik heb (ben) den ganschen tuin doorgegaan; door gaan stuk maken, - beschadigen, ik heb mijne kousen doorgegaan; (fig.) doorlezen, nazien, wij zullen, deze rekeningen -. *...GAAND, bn. gewoon, dagelijksch; voortdurend; een - gebrek; eene -e koorts. -, *...GAANS, bijw. gewoonlijk, meest, meestal. *...GALMEN, ow. gel. aanh. galmen; (ergens) door (heen) g. -, bw. (ik doorgalmde, heb doorgalmd), het gansche woud -. *...GALOPPEREN, ow. en bw. gel. aanh. galopperen, draven; (ergens) door (heen) g.; door g. stuk maken; hij heeft den rug van het paard doorgegaloppeerd. *...GANG, m. (-en), het gaan door...; (sterr.) de - van eene ster door de zon; engte, plaats waar men door heen gaat; de - is hier versperd; de -en bezetten; zie GANG. *...GAPEN, ow. gel. aanh. gapen. *...GASTEREREN, ow. gel. aanh. gastereren, - zwelgen (aan tafel). *...GEESELEN, ow. en bw. aanh. geeselen; door g. wonden, - openen; zijn rug is geheel doorgegeeseld. *...GEEUWEN, ow. gel. aanh. geeuwen. *...GEIJEN, ow. gel. (zeew.) aanh. geijen. *...GEKKEN, ow. gel. aanh. gekken, - boerten, - schertsen. *...GELEERD, bn. zeer geleerd. *...GESTEN, ow. gel. aanh. gesten. *...GEVEN, ow. en bw. onr. aanh. geven; (iets ergens) door (heen) g. *...GIETEN, ow. en bw. ong. aanh. gieten; (ergens) door (heen) g.; daar moet gij het water -. *...GIETING, v. gmv. *...GIL-
| | | |
LEN,
ow. en bw. gel. aanh. gillen, (ergens) door (heen) g.; zij heeft het gansche huis doorgegild. *...GINNIKEN, ow. gel. aanh. ginniken. *...GISTEN, ow. gel. aanh. gisten (in gisting zijn); (ook) doorgesten. *...GLANZEN, ow. gel. aanh. glanzen; glans (aan iets) geven, glans van zich afwerpen. *...GLIJDEN, ow. en bw. ong. aanh. glijden; (ergens) door (heen) gl.; door gl. openen, - wonden; ik heb mijne schoenen geheel doorgegleden; hij heeft het ijs door (open) gegleden. *...GLIMMEN, ow. ong. ook (ik doorglom, heb of ben doorglommen), aanh. glimmen; de kool is geheel doorgeglommen of doorglommen. *...GLINSTEREN, ow. ong. aanh. glinsteren; (ergens) door (heen) gl.; het glinstert het geheele huis door. *...GLIPPEN, ow. gel. aanh. glippen; (ergens) door (heen) gl., - sluipen. *...GLOEIJEN, (B. *...GLOEIEN), ow. gel. aanh. gloeijen; (ergens) door (heen) gl.; de plaat is geheel doorgegloeid. -, bw. (ik doorgloeide, heb of ben doorgloeid); (meest fig.) dit gevoel doorgloeide mij het hart. *...GOED, bn. zeer -, innig goed. *...GOMMEN, ow. en bw. gel. aanh. gommen; ter dege g., gij moet dit doek goed -; door g. stuk maken. *...GONZEN, ow. aanh. gonzen; overal heen gonzen; die vlieg heeft de gansche kamer doorgegonsd. *...GOOCHELEN, ow. en bw. gel. aanh. goochelen; (ergens) door (heen) g.; hij heeft den bal door den beker gegoocheld. *...GOOIJEN, (B. *...GOOIEN), ow. en bw. gel. aanh. gooijen; (ergens) door (heen) g.; door g. breken; stuk gooijen. *...GORGELEN, ow. en bw. gel. aanh. gorgelen; (ergens) door (heen) g., gij moet dit drankje -; door g. wonden, hij heeft zich de keel doorgegorgeld. *...GRAAUWEN, ow. gel. aanh. graauwen. *...GRAVEN, ow. en bw. gel. en ong. aanh. graven; (ergens) door (heen) gr.; door gr. openen; de dijk is doorgegraven. -, (ik doorgraafde of groef, heb doorgraven), de grond is aan alle kanten -. *...GRAVING, v. (-en), het graven door; het doorgegravene. *...GRAVEREN, ow. en bw. gel. aanh. graveren; (ergens) door (heen) gr.; door gr. eene opening (in iets) maken. *...GRAZEN, ow. gel. aanh. grazen. *...GRIEVEN, ow. aanh. grieven, - leed doen. -, bw. (ik doorgriefde, heb doorgriefd), (fig.) dit doorgriefde mijn hart. *...GRIJNEN, ow. gel. en ong. aanh. grijnen. *...GRIJPEN, ow. en bw. ong. aanh. grijpen; (ergens) door (heen) gr. *...GRINNIKEN, ow. gel. aanh. grinniken. -, bw. (ik doorgrinnikte, heb doorgrinnikt), het paard doorgrinnikte het veld. *...GROEID, bn. dit vleesch is geheel met vet, met nieren - (is vol vet, nieren). *...GROEIJEN, (B. *...GROEIEN), ow. gel. aanh. groeijen; (ergens) door (heen) gr.; die plant is de hegge doorgegroeid. *...GROETEN, ow. en bw. gel. aanh. groeten; (ergens) door (heen) gr. *...GROMMEN, ow. gel. aanh. grommen. *...GRONDEN, ow. gel. aanh. gronden; de grondslagen leggen; de grondverf aanbrengen. -, bw. (ik doorgrondde, heb doorgrond), een geheim -, ontdekken; die man is niet te -, uit te vorschen. *...GRONDER, m. (-s), *...GRONDSTER, v. (-s), die uitvorscht of ontdekt. *...GRONDING, v. gmv. *...GUDSEN, ow. gel. aanh. gudsen; (ergens) door (heen) g.
| |
[Doorhaalster]
Doorhaalster, v. (-s), die waschgoed door (blaauwsel) haalt. *...HAGELEN, ow. gel. aanh. hagelen; (ergens) door (heen) h.; (fig.) stuk hagelen; de glasruiten zijn doorgehageld. *...HAKKEN, ow. en bw. gel. aanh. hakken; doorscheiden, in tweeën slaan; een blok hout -;
| | | |
(fig.) den knoop -, eene moeijelijkheid met geweld uit den weg ruimen. *...HAKKING, v. gmv. *...HALEN, bw. gel. aanh. halen; (ergens) door (heen) h.; een proces winnnen; hij zal het er wel -, hij zal zijn doel wel bereiken; de zieke zal het nog wel -, herstellen; linnengoed -, door blaauwselwater; vlas -; (drukk.) papier -; een woord -, er een schrap over doen; (fig.) berispen, den tekst lezen, hij heeft hem duchtig doorgehaald. *...HALING, v. (-en), het doorhalen; er is in die akte geene enkele -, niets is er in uitgeschrapt. *...HANDELEN, ow. gel. aanh. handelen, - handel drijven; (ook) onderhandelen; middelerwijl bleven de gezanten -. *...HAPPEN, ow. en bw. gel. aanh. happen, - bijten; (iets) in tweeën bijten. *...HARKEN, ow. en bw. gel. aanh. harken; (ergens) door (heen) h., ter dege harken; door h. stuk maken. *...HASPELEN, ow. en bw. gel. aanh. haspelen, - op klossen winden; door h. breken; (fig.) aanh. krakeelen, twisten. *...HEELEN, ow. gel. aanh. heelen, zich sluiten (van eene wonde). *...HEEN, bijw. door en door. *...HEERSCHEN, ow. gel. aanh. heerschen. *...HEET, bn. ter dege heet. *...HEFFEN, bw. gel. (ergens) door (heen) h., - beuren. *...HEIJEN, ow. en bw. gel. aanh. heijen; (ergens) door (heen) h.; door h. stuk maken, de paal was geheel doorgeheid. *...HEKELEN, ow. gel. aanh. hekelen (vlas); door h. stuk maken. *...HELPEN, bw. ong. aanh. helpen; (ergens) door (heen) h., iemand door het gedrang h.; moeijelijkheden doen te boven komen, wees gerust, ik zal er u wel -. ZICH -, ww. (door eigen kracht of verstand). *...HENGELEN, ow. gel. aanh. hengelen. *...HIJSCHEN, ow. en bw. ong. aanh. hijschen; (ergens) door (heen) h., door h. stuk maken, - wonden. *...HIKKEN, ow. gel. aanh. hikken. *...HINKEN, ow. en bw. gel. aanh. hinken; (ergens) door (heen) h.; door h. stuk maken, - wonden. *...HOEPELEN, ow. en bw. gel. aanh. hoepelen; (ergens) door (heen) h.; door h. stuk maken. *...HOESTEN, ow. en bw. gel. aanh. hoesten; (iets) door h. openen. *...HOLLEN, ow. gel. aanh. hollen; (ergens) door (heen) h.; (fig.) hij holt maar door, hij bekreunt zich nergens om. *...HOOIJEN, (B. *...HOOIEN), ow. gel. aanh. hooijen -, onp. w. het hooit mooi door, het weder blijft gunstig voor den hooibouw. *...HOOZEN, ow. en bw. gel. aanh. hoozen; (ergens) door (heen) h., door h. stuk maken. *...HOUDEN, bw. onr. aanh. (vast) houden; (ergens) door (heen) h. *...HOUWEN, ow. en bw. ong. aanh. houwen; doorhakken. *...HUICHELEN, ow. gel. aanh. huichelen. *...HUILEN, ow. en bw. aanh. huilen. -, (ik doorhuilde, heb doorhuild), de leeuw doorhuilde het woud. *...HUPPELEN, ow. en bw. gel. aanh. huppelen; (ergens) door (heen) h.; door h. stuk maken, - verslijten; het kind heeft zijne zolen doorgehuppeld. -, (ik doorhuppelde, heb doorhuppeld), de kamer -. *...HUTSELEN, bw. gel. aanh. hutselen; ter dege (iets) hutselen.
| |
[Doorijlen]
Doorijlen, ow. gel. aanh. ijlen, snellen; (ergens) door (heen) ijlen; (ook fig.) hij ijlde den ganschen nacht door (van de koorts). *...IJZELEN, ow. gel. aanh. ijzelen; (ergens) door (heen) ijzelen, door ijzelen stuk maken.
| |
[Doorjagen]
Doorjagen, ow. en bw. gel. en ong. aanh. jagen; (ergens) door (heen) j.; aanh. varen (met eene jaagschuit); door j. stuk maken,
| | | |
- breken; een bosch -; (fig.) verkwisten, hij heeft zijn gansch vermogen doorgejaagd. *...JAMMEREN, ow. bw. gel. aanh. jammeren; het huis -. *...JOELEN, ow. gel. aanh. joelen. *...JOLEN, ow. gel. aanh. jolen, zwieren.
| |
[Doorkaarden]
Doorkaarden, ow. en bw. gel. aanh. kaarden; door k. stuk maken. *...KAARTEN, ow. gel. aanh. kaarten (kaart spelen). *...KAATSEN, ow. en bw. gel. aanh. kaatsen; (ergens) door (heen) k.; door k. stuk maken, - wonden. *...KAAUWEN, ow. en bw. gel. aanh. kaauwen; door k. stuk maken, - wonden; ter dege k. *...KAMMEN, ow. en bw. gel. aanh. kammen; (ergens) door (heen) k.; door k. stuk maken, - wonden. *...KARNEN, ow. en bw. gel. aanh. karnen; ter dege k. *...KEFFEN, ow. gel. aanh. keffen. *...KEGELEN, ow. en bw. gel. aanh. kegelen; (ergens) door (heen) k.; door k. stuk maken. *...KERVEN, ow. en bw. ong. aanh. kerven; (ergens) door (heen) k.; ter dege k.; door k. verdeelen, - wonden. *...KERMEN, ow. gel. aanh. kermen. *...KERNEN, zie DOORKARNEN. *...KEUVELEN, ow. gel. aanh. keuvelen. *...KIJKEN, ow. en bw. ong. aanh. kijken; (ergens door (heen) k. -, bw. (ik doorkeek, heb doorkeken), zie DOORSCHOUWEN. *...KINDEREN, ow. gel. aanh. kinderen baren. *...KLAGEN, ow. gel. aanh. klagen. *...KLADDEN, ow. gel. aanh. kladden; kladden maken, - krijgen; dit papier kladt door. *...KLAUTEREN, ow. en bw. gel. aanh. klauteren; (ergens) door (heen) kl.; door kl. stuk maken, - wonden; hij heeft zijne broek -, hij heeft zich de huid doorgeklauterd. *...KLEINZEN, bw. gel. aanh. kleinzen, ter dege (iets) kl.; door kl. stuk maken, - verdeelen. *...KLEMMEN, ow. en bw. gel. aanh. klemmen; door kl. stuk maken, - breken. *...KLIEVEN, ow. en bw. gel. aanh. klieven; door kl. stuk maken, - in tweeën verdeelen. -, bw. (ik doorkliefde, heb doorkliefd), zijn schip doorkliefde de baren; de vogels - de lucht. *...KLIMMEN, ow. en bw. ong. aanh. klimmen; (ergens) door (heen) kl.; een venster -. *...KLINKEN, ow. en bw. ong. aanh. klinken; ter dege kl.; vastklinken. -, (ik doorklonk, heb doorklonken), klank geven; haar gezang doorklonk het geheele huis. *...KLOKKEN, ow. gel. aanh. klokken. *...KLOPPEN, ow. en bw. gel. aanh. kl.; (ergens) door (heen) kl.; ter dege kl.; afrossen. *...KLOVEN, ow. en bw. gel. doorklieven. *...KNAAUWEN, ow. en bw. gel. aanh. knaauwen; (ergens) door (heen) kn.; door kn. stuk maken, - breken. *...KNABBELEN, ow. en bw. gel. aanh. knabbelen; ter dege kn.; door kn. stuk maken, - breken. *...KNAGEN, ow. gel. aanh. knagen; (ergens) door (heen) kn. -, bw. (ik doorknaagde, heb doorknaagd), door kn. stuk maken; de ratten hebben de plank doorknaagd; (fig.) dat doorknaagde mij het hart. *...KNAKKEN, ow. en bw. gel. aanh. knakken; in tweeën kn. *...KNAPPEN, ow. gel. doorknakken. *...KNEDEN, ow. en bw. gel. aanh. kneden; ter dege kn.; knedende vermengen, gij moet goed de melk door het meel kneden; door kn. wonden; (fig.) doorkneed (goed bedreven) zijn (in iets). *...KNEEDHEID, v. gmv. (fig.) bedrevenheid, ervarenheid. *...KNIELEN, ow. en bw. gel. aanh. knielen; door kn. stukmaken, - verwonden. *...KNIEZEN, ow. gel. aanh. kniezen. *...KNIJPEN, ow. en bw. ong. aanh. knijpen; (ergens) door (heen) kn.; door kn. verwonden, hij heeft mij den vinger doorgeknepen. *...KNIKKEN ow.
| | | |
en bw. gel. doorknakken. *...KNIKKEREN, ow. en bw. gel. aanh. knikkeren; (ergens) door (heen) kn.; door kn. stuk maken, - verwonden. *...KNIPPEN, ow. en bw. gel. aanh. knippen; in tweeën kn., - snijden. *...KOKEN, ow. en bw. gel. aanh. koken; ter dege k.; de soep moet nog goed -. *...KOLVEN, ow. en bw. gel. aanh. kolven; (ergens) door (heen) k.; door k. stuk maken, - breken; de paal is hier gansch doorgekolfd. *...KOMEN, ow. onr. aanh. komen; (ergens) door (heen) k., duizend man zijn hier doorgekomen; doorgelaten worden, gij komt hier niet door; schijnen, de zon komt door; (fig.) zwarigheden overwinnen, hoe zal hij er nog -? doorbrengen, hij leeft als of er geen - aan was; er -, herstellen (van eene ziekte). *...KOMST, v. gmv. (beter) het doorkomen. *...KOOPEN, ow. onr. aanh. koopen; hij koopt maar door. *...KOTEN, ow. en bw. gel. aanh. koten; (ergens) door (heen) k.; door k. stuk maken, - verwonden. *...KOUTEN, ow. gel. aanh. kouten. *...KOUD, bn. snerpend koud. *...KRAAIJEN, ow. gel. aanh. kraaijen; (ergens) door (heen) kr. *...KRAAUWEN, ow. en bw. gel. aanh. kraauwen; door kr. stuk maken, - wonden. *...KRABBELEN, *...KRABBEN, ow. en bw. gel. aanh. krabbelen of krabben; (ergens) door (heen) kr.; door kr. stuk maken, - wonden; openkrabben. *...KRAKEELEN, ow. gel. aanh. krakeelen. *...KRAMEN, ow. gel. aanh. kramen. *...KRIJGEN, ow. en bw. ong. aanh. krijgen; (ergens) door (heen) kr., gij krijgt er den paal niet door; (fig.) in iets slagen; (iets) doen aannemen, wij zullen het er wel -; ik hoop het bij den minister er door te krijgen. -, ow. gel. aanh. oorlog voeren. *...KRIJSCHEN, ow. gel. aanh. krijschen. *...KRIJTEN, ow. ong. aanh. krijten. *...KRIMPEN, ow. en bw. gel. aanh. krimpen; door kr. stuk maken; dit laken is door (stuk) gekrompen. *...KRUIJEN, (B. *...KRUIEN), ow. en bw. gel. en ong. aanh. kruijen; (ergens) door (heen) kr.; door kr. stuk maken, - verwonden. *...KRUIPEN, ow. en bw. ong. aanh. kruipen; (ergens) door (heen) kr.; door kr. stuk maken, - wonden; hij heeft zijne knieën doorgekropen. -, (ik doorkroop, heb doorkropen), langzaam (iets) doorgaan; doorsnuffelen. *...KRUISEN, bw. gel. aanh. kruisen, kruisjes maken (over iets); doorhalen. -, (ik doorkruiste, heb doorkruist), doorloopen, bereizen, bezeilen, hij heeft gansch Frankrijk-, al de zeeën doorkruist. *...KUGCHEN, ow. en bw. gel. aanh. kugchen; (ergens) door (heen) k.; door k. wonden, hij heeft zich de keel doorgekucht. *...KUIJEREN, (B. *...KUIEREN), ow. en bw. gel. aanh. kuijeren; (ergens) door (heen) k.; wij hebben (ook zijn) de stad doorgekuijerd. *...KUIPEN, ow. en bw. gel. aanh. kuipen; (ergens) door (heen) k.; door k. stuk maken, - wonden. *...KUNNEN, ow. onr. (ergens) door (heen) k., gij kunt met uw hoofd daar niet door; doorgelaten worden, wij konden niet door; (fig.) het kan er waarlijk niet door, het is te erg, het is hoogst laakbaar; dit kan er nog al door.
| |
[Doorladen]
Doorladen, ow. en bw. gel. aanh. laden. *...LAGCHEN, ow. gel. aanh. lagchen. *...LAMMEREN, ow. gel. aanh. lammeren werpen. *...LANGEN, bw. gel. doorreiken. *...LAPPEN, ow. en bw. gel. aanh. lappen; door l. wonden, hij heeft zich de knieën doorgelapt; § verkwisten, hij heeft zijn geheel vermogen doorgelapt. *...LARDEREN, bw.
| | | |
gel. doorspekken. *...LATEN, ow. en. bw. ong. aanh. laten (ader laten); (iem. of iets ergens) door (heen) l.; hier wordt niemand doorgelaten; deze stof laat geen water door. *...LATTEN, ow. gel. aanh. latten. *...LAVEREN, ow. gel. aanh. laveren; (ergens) door (heen) l. *...LEENEN, ow. gel. aanh. leenen. *...LEEREN, ow. gel. aanh. leeren; tot het einde l.; ik heb het geheele boek doorgeleerd; die man is doorgeleerd, (zeer geleerd). *...LEGGEN, ow. en bw. gel. aanh. leggen; (pap.) de bladen -; (iets ergens) door (heen) l. *...LEIDEN, ow. en bw. gel. aanh. leiden; (iets ergens) door (heen) l. *...LEIDING, v. gmv. *...LEKKEN, ow. gel. aanh. lekken; (ergens) door (heen) l.; het lekt hier door; de zolder lekt door. -, bw. doorlikken. *...LEPPEN, ow. gel. aanh. leppen. *...LETTEREN, ow. en bw. gel. aanh. letteren (teekenen); ter dege l.; door l. wonden. *...LEUTEREN, ow. gel. aanh. leuteren, - drentelen. *...LEVEN, ow. gel. aanh. leven. -, bw. (ik doorleefde, heb doorleefd), slijten (een langen tijd, veel jaren); ondervinden (rampen enz.). *...LEVEREN, ow. gel. aanh. leveren. *...LEZEN, ow. en bw. onr. aanh. lezen; ten einde toe l.; ter dege l.; gij moet dien brief goed -; ik heb dat boek slechts vlugtig doorgelezen; een - man, die veel gelezen heeft. *...LEZING, v. gmv. *...LICHTEN, ow. en bw. gel. aanh. lichten, - weêrlichten; iem. ergens -, het licht (in eene opening) achter hem houden. *...LIEGEN, ow. ong. aanh. liegen; zich er -, zich door leugens uit de verlegenheid redden. *...LIGGEN, ow. en bw. ong. aanh. liggen; door (lang) l. openen, - wonden; de zieke is doorgelegen, (zijn rug) is door het liggen open. *...LIGTEN, bw. gel. doorbeuren. *...LIKKEN, ow. en bw. gel. aanh. likken; door l. openen. *...LOEIJEN, (B *...LOEIEN), ow. gel. aanh. loeijen. -, bw. gel. (ik doorloeide, heb doorloeid), de os heeft het gansche veld doorloeid. *...LOOP, m. gmv. doorgang; in dit huis is een -, men moet de woonkamer door om in de keuken te komen. *...LOOPEN, ow. en bw. ong. aanh. loopen; (ergens) door (heen) l.; door l. stuk maken, - openen, - wonden; hij heeft zijne komen doorgeloopen; vloeijen, dat papier is doorgeloopen. -, bw. (ik doorliep, heb of ben doorloopen), tot het einde l.; wij doorliepen de gansche stad; de zon doorloopt in een jaar de 12 hemelteekens. -D, bn. een - verhaal, eene -e rekening, een - (onbepaald) crediet. *...LOODSEN, ow. en bw. gel. aanh. loodsen; (ergens) door (heen) l.; door l. stuk maken, - wonden. *...LOUTEREN, ow. en bw. gel. aanh. louteren; ter dege l. *...LUCHTEN, ow. en bw. gel. aanh. luchten; ter dege l. *...LUCHTIG, bn. goed luchtig; de lucht doorlatende; doorschijnend; een - dak, met luchtgaten of glasruiten; (fig.) aanzienlijk, achtbaar; - heer! -e hoogheid, titel van graven en hertogen; -e vergadering; hij is van -e afkomst; de -e (of doorluchte) school, het Athenaeum Illustre te Amsterdam. -HEID, v. aanzienlijkheid, achtbaarheid, hoogadellijke afkomst; de - zijner geboorte; uwe -! zijne -, hare -, hunne doorluchtigheden, eeretitel van graven, hertogen enz. *...LUIJEN, (B. *...LUIEN), ow. en bw. gel. aanh. luijen; (ergens) door (heen) l.; door l. breken. § *...LULLEN, ow. gel. aanh. lullen; door een pijpje drinken; babbelen (zeer gemeen). *..LURKEN, ow. en bw. gel.
| | | |
aanh. lurken, -zuigen; door l. wonden; het kind heeft zich de lippen doorgelurkt.
| |
[Doormaaijen]
Doormaaijen, ow. en bw. gel. aanh. maaijen; ter dege m.; door m. in tweeën snijden, - stuk maken; - wonden. *...MAAUWEN, ow. gel. aanh. maauwen; (ergens) door (heen) m., de kat heeft het huis doorgemaauwd. *...MALEN, ow. en bw. gel. aanh. malen; door m. breken, - wonden; hij heeft zijne vingers doorgemaald; ter dege m.; gij moet die koffijboonen goed -; die rogge is goed doorgemaald (ook door-malen). *...MAGER, bn. zeer mager; dat is - vleesch; uitgeteerd. *...MARSCH, m. (-en), doortogt (van troepen). *...MARSCHEREN, ow. en bw. gel. aanh. marscheren; (ergens) door (heen) m.; onvermoeid -. *...MELKEN, ow. en bw. gel. en ong. aanh. melken; ter dege m.; door m. breken, - wonden. *...MENGEN, ow. en bw. gel. aanh. mengen; ter dege m.; (in deze bet. ook: ik doormengde, heb doormengd), de verwen moeten goed doormengd zijn; (fig.) ons leven is van goed en kwaad doormengd. *...MENGING, v. gmv. *...MENGELEN, bw. gel. door-mengen (meest fig.). *...MENNEN, ow. en bw. gel. aanh. mennen; (ergens) door (heen) m.; door m. stuk maken, - wonden. *...MESTEN, ow. gel. aanh. mesten. -, bw. gel. (ik doormestte, heb doormest), ter dege m., een goed doormeste akker. *...METEN, ow. en bw. ong. aanh. meten; metende scheiden; door m. breken, - wonden. *...METSELEN, ow. en bw. gel. aanh. metselen; (ergens) door (heen) m.; door m. wonden. *...MIJMEREN, ow. gel. aanh. mijmeren. *...MINDEREN, ow. gel. aanh. minderen. *...MISTEN, onp. w. gel. aanh. misten; (ergens) door (heen) m. *...MOETEN, ow. onr. ergens -, (gaan, dringen, rijden), wij moeten hier door; breken; de paal, de muur moet door, moet breken of gebroken worden. *...MOGEN, ow. onr. verlof hebben door te gaan, - te rijden, - te varen enz.; hier mag niemand door (ook fig.); geschieden, dat mag er door. *...MOMPELEN, ow. gel. aanh. mompelen; (ergens) door (heen) m. *...MOORDEN, ow. gel. aanh. moorden. *...MORREN, ow. gel. aanh. morren. *...MORSEN, ow. gel. aanh. morsen. *...MOTTEN, onp. w. gel. aanh. motten, - motregenen; (ergens) door (heen) m. *...MUIZEN, ow. en bw. gel. aanh. muizen, ter dege m.; de kat muist het gansche huis door; (fig.) aanh. schransen, eten, zij muisden maar door. *...MUNTEN, ow. en bw. gel. aanh. munten; door m. vaneenscheiden, - stuk maken, - wonden; ter dege m. *...MURMELEN, ow. gel. aanh. murmelen.
| |
[Doorn]
Doorn, m. (-en), (ook DOREN), punt, stekel, spits aan den stengel van sommige gewassen; een scherpe doorn; hij heeft eenen - in zijnen voet gekregen; (vest.) helling; (mess.) punt die in het hecht gaat; (fig.) beletsel, hinderpaal, verdrietelijkheid; het leven is vol distelen en -en; hij is hem een - in het oog. *-ACHTIG, bn. naar eenen doorn gelijkende; met doornen bezet.
| |
[Doornaaijen]
Doornaaijen, ow. en bw. gel. aanh. naaijen; (ergens) door (heen) n.; door n. wonden, zij heeft zich de vingers doorgenaaid. *-, bw. gel. (ik doornaaide, heb doornaaid), ter dege n.; een goed doornaaid hemd; zie BENAAIJEN. *...NAGELEN, ow. gel. aanh. nagelen. -, bw. gel. (ik doornagelde, heb doornageld), door n. stuk maken; met na- | | | | gels
doorboren; een kanon -, vernagelen, onbruikbaar maken. *...NAGELING, v. gmv.
| |
[Doornappel]
Doornappel, m. (-s, -en), soort steekappel; (ook) zekere plant.
| |
[Doornat]
Doornat, bn. zeer nat, druipnat. *-TEN, ow. en bw. gel. aanh. natten; (ergens) door (heen) n.; ter dege natten.
| |
[Doornboom]
Doornboom, m. (-en), boom met doornen bezet, hagedoorn. *...BOSCH, o. (...bosschen), doornhaag.
| |
[Doornemen]
Doornemen, ow. en bw. ong. aanh. nemen; (ergens) door (heen) n.
| |
[Doornen]
Doornen, bn. van doornen; (H.S.) de - kroon van Christus.
| |
[Doorneuzen]
Doorneuzen, bw. gel. doorsnuffelen.
| |
[Doornhaag]
Doornhaag, (...hagen), *...HEGGE, v. (-n), heg -, aanplanting van haagdoornen.
| |
[Doornijpen]
Doornijpen, ow. en bw. ong. doorknijpen; (fig.) aanh. prangen. *...NIEZEN, ow. gel. aanh. niezen. *...NIKKEN, ow. en bw. gel. aanh. nikken, - groeten; (ergens) door (heen) n.; door n. stuk maken; - wonden. *...NOMMEREN, ow. en bw. gel. aanh. nommeren; de nommers laten doorloopen (niet van voren weder aanvangen). *...NOPPEN, ow. en bw. gel. aanh. noppen; door n. stuk maken, - wonden.
| |
[Doornstruik]
Doornstruik, v. (-en), doornhaag. *...TAK, m. (-ken). *...VINNIG, bn. de -e visschen (b.v. de baarzen).
| |
[Dooroefenen]
Dooroefenen (ZICH), ww. gel. (ik oefende mij door, heb mij doorgeoefend), zich aanh. oefenen. *...OFFEREN, ow. gel. aanh. offeren. *...OLIËN, ow. en bw. gel. aanh. oliën; (ergens) door (heen) ol.; ter dege ol.; (iets) door ol. stuk maken, - openen. *...OOGSTEN, ow. gel. aanh. oogsten. *...OORLOGEN, ow. gel. aanh. oorlogen. *...OPPEREN, ow. gel. aanh. opperen (hooi opstapelen); (fig.) in het midden brengen (aanmerkingen, bezwaren).
| |
[Doorpakken]
Doorpakken, ow. en bw. gel. aanh. pakken; (ergens) door (heen) p.; (ook) pakkende vermengen; door p. wonden; hij heeft zich de handen doorgepakt; ter dege p. (in die bet. ook doorpakt), die baal is goed doorpakt; zie DOORGRIJPEN. *...PALETTEN, ow. gel. aanh. paletten (met de palet spelen). *...PAPPEN, ow. en bw. gel. aanh. pappen; door p. openen, - doen opengaan, de wond is nog niet doorgepapt. *...PASSEN, ow. gel. aanh. passen; (kaartsp.) blijven. † *...PASSEREN, ow. gel. (fig.) doortrekken. *...PAUKEN, ow. en bw. gel. aanh. pauken; door p. stuk maken, - wonden. *...PEILEN, ow. en bw. gel. aanh. peilen; (ergens) door (heen) p.; door p. stuk maken. *...PEINZEN, ow. gel. aanh. peinzen. -, ow. gel. (ik doorpeinsde, heb doorpeinsd), peinzende doorbrengen, ik doorpeinsde gansche uren. *...PEKELEN, ow. gel. aanh. pekelen; ter dege p. -, bw. gel. (ik doorpekelde, heb doorpekeld), dat vleesch moet goed doorpekeld zijn. *...PEKKEN, zie DOORPIKKEN. *...PENNEN, ow. en bw. gel. aanh. pennen. -, (ik doorpende, heb doorpend), met pennen doorboren. -, aanh. schrijven; ik heb den ganschen nacht doorgepend of zitten doorpennen. *...PEPEREN, ow. gel. aanh. peperen. -, bw. gel. (ik doorpeperde, heb doorpeperd), ter dege p.; dit vleesch is goed doorpeperd; inpeperen. *...PERSEN, ow. en bw. gel. aanh. persen; (ergens) door (heen) p.; ter dege p.; door p. breken, - openen. *...PEUTEREN, ow. en bw. gel. aanh. peu- | | | | teren;
(ergens) door (heen) p.; door p. stuk maken. *...PEUZELEN, ow. gel. aanh. peuzelen (eten, schransen). *...PIEPEN, ow. en bw. gel. aanh. piepen; (ergens) door (heen) p.; door p. stuk maken. *...PIKKEN, ow. bw. gel. aanh. pikken; (ergens) door (heen) p.; pikkende openen, - stuk maken; het vogeltje heeft het papier doorgepikt. -, (ik doorpikte, heb doorpikt), met pik bestrijken; goed doorpikt touw. *...PISSEN, ow. gel. zie DOORWATEREN. *...PLAKKEN, ow. en bw. gel. aanh. plakken; (ergens) door (heen) pl.; ter dege pl.; plakkende stuk maken. *...PLANTEN, ow. en bw. gel. aanh. planten; (ergens) door (heen) pl. *...PLEISTEREN, ow. en bw. gel. aanh. pleisteren; door pl. doen opengaan (eene wonde). *...PLEITEN, ow. en bw. gel. aanh. pleiten; iem. er -, door een pleidooi doen vrijspreken. *...PLETTEN, ow. en bw. gel. aanh. pletten; door pl. openen, - stuk maken, - wonden. *...PLOEGEN, ow. en bw. gel. aanh. ploegen, (ergens) door (heen) pl., door pl. openen, - stuk maken. -, (ik doorploegde, heb doorploegd), ter dege pl., een goed doorploegde akker. *...PLOOIJEN, (B. *...PLOOIEN), ow. en bw. gel. aanh. plooijen; door pl. stuk maken, - wonden. *...PLUIZEN, ow. ong. aanh. pluizen; door pl. openen. -, (fig.) (ik doorploos, heb doorplozen), naauwkeurig onderzoeken. *...PLUKKEN, ow. en bw. gel. aanh. plukken; door pl. stuk maken. *...PLUNDEREN, ow. gel. aanh. plunderen. § *...POEPEN, ow. gel. aanh. poepen; (ergens) door (heen) p.; door p. wonden. *...POEREN, ow. gel. aanh. poeren (aalsteken); (ergens) door (heen) p.; door p. stuk maken, - wonden. *...POFFEN, ow. gel. aanh. poffen. *...POGCHEN, ow. gel. aanh. pogchen. *...POLIJSTEN, ow. en bw. gel. aanh. polijsten, door p. stuk maken, - wonden. *...POMPEN, ow. en bw. gel. aanh. pompen; (ergens) door (heen) p.; door p. stuk maken, - wonden. § *...POOIJEN, (B. *...POOIEN), ow. gel. aanh. pooijen (drinken). *...PRAGCHEN, (B. *...PRACHEN), ow. gel. aanh. pragchen. *...PRATEN, ow. gel. aanh. praten; zich er door pr., zich door pr. uit de verlegenheid helpen. *...PRATTEN, ow. gel. aanh. pratten of pruilen. *...PREDIKEN, *...PREKEN, ow. gel. aanh. prediken. *...PREUTELEN, ow. gel. aanh. preutelen, door pr. (koken) stuk gaan. *...PREVELEN, ow. gel. aanh. prevelen. *...PRIEMEN, bw. gel. met eenen priem (iets) doorstooten; (ergens) door (heen) pr., door pr. stuk maken; - wonden; (ook: ik doorpriemde, heb doorpriemd). *...PRIKKEN, ow. en bw. gel. aanh. prikken; (ergens) door (heen) pr.; door pr. openen, - wonden; de blaar moet doorgeprikt; ik heb mijne vingers doorgeprikt. *...PRONKEN, ow. gel. aanh. pronken. *...PRUILEN, ow. gel. aanh. pruilen. *...PRUIMEN, ow. en bw. gel. aanh. pruimen; door pr. openen, - wonden. *...PRUTTELEN, ow. gel. aanh. pruttelen. *...PUTTEN, ow. gel. aanh. putten, -scheppen.
| |
[Doorrabbelen]
Doorrabbelen, ow. gel. aanh. rabbelen. *...RAKEN, ow. en bw. gel. aanh. raken; doorkomen; er door (heen) r.; (ook fig.) hij is er door geraakt, (bij een examen); (ook) hij is ontsnapt; (iem. of iets) (ergens) door (heen) r., - treffen, gij kunt hem door die opening niet raken. *...RAKETTEN, ow. gel. aanh. raketten; door r. stuk maken, - wonden. *...RAMMEIJEN, ow. en bw. gel. aanh. rammeijen; door r. breken, - wonden. *...RAMMELEN, ow. gel. aanh. rammelen; door r.
| | | |
stuk maken; (fig.) doorbabbelen. *...RASPEN, ow. en bw. gel. aanh. raspen; door r. stuk maken, - wonden. *...RATELEN, ow. en bw. gel. aanh. ratelen; door r. stuk maken, - wonden; (ergens) door (heen) r. *...RAZEN, ow. gel. aanh. razen. *...REDDEN, bw. gel. (iem. ergens) door (heen) redden; zich er -, weten te ontkomen, (ook fig.). *...REDENEREN, ow. gel. aanh. redeneren; zich er -, doorpraten. *...REGENEN, onp. gel. aanh. regenen; (ergens) door (heen) r., het regent hier door; (fig.) dit dak regent door; mijn jas is geheel doorregend. *...REGEREN, ow. gel. aanh. regeren. *...REIKEN, bw. gel. (iets ergens) door (heen) reiken. *...REIS, *...REIZE, v. gmv. doortogt. *...REIZEN, ow. en bw. gel. aanh. reizen; (ergens) door (heen) r.; ook (ik doorreisde, heb doorreisd), ik heb geheel Europa doorgereisd of doorreisd; (zonder aanduiding van plaats met zijn), ik ben maar doorgereisd, ik heb mij op mijnen togt niet opgehouden. *...REKENEN, ow. en bw. gel. aanh. rekenen; ten einde toe r.; een boek -. *...RENNEN, ow. en bw. gel. aanh. rennen; (ergens) door (heen) r.; rennende breken, - openloopen, - wonden. *...REUTELEN, ow. gel. aanh. reutelen, - snappen. *...RIJDEN, ow. en bw. ong. aanh. rijden; (ergens) door (heen) r.; door r. stuk maken, - wonden; hij heeft zich de huid doorgereden. *...RIJGEN, ow. ong. aanh. rijgen; (ergens) door (heen) r.; door r. wonden. -, bw. gel. (ik doorreeg, heb doorregen), doorsteken; goed doorregen vleesch, met vet en mager behoorlijk afgewisseld. *...RIJMEN, ow. gel. aanh. rijmen. *...REKKEN, ow. en bw. gel. aanh. rekken; rekkende breken. *...RIJP, bn. ter dege rijp. *...RIJPEN, ow. en onp. w. gel. aanh. rijpen, rijp worden; ook met rijp (of rijm) bedekt worden. *...RIJTEN, bw. ong. doorscheuren. *...ROEIJEN, (B. *...ROEIEN), ow. en bw. gel. aanh. roeijen; (ergens) door (heen) r.; door r. stuk maken, - wonden; hij heeft zich zijne handen doorgeroeid. *...ROEPEN, ow. gel. aanh. roepen; (ergens) door (heen) r. *...ROEREN, ow. en bw. gel. aanh. roeren, ondereen mengen; ter dege r.; is het beslag goed doorgeroerd? *...ROESTEN, ow. gel. aanh. roesten; door r. stuk gaan. *...ROGCHELEN, ow. gel. aanh. rogchelen. *...ROLLEN, ow. en bw. gel. aanh. rollen; (ergens) door (heen) r.; (fig.) hij zal er wel -, goed door de wereld (of te regt) komen. *...ROMMELEN, ow. gel. aanh. rommelen; (ergens) door (heen) r. *...ROOIJEN, (B. *...ROOIEN), ow. gel. aanh. rooijen; rooijende openen, - wonden. *...ROOKEN, ow. en bw. gel. aanh. rooken; (rook geven), (ergens) door (heen) r.; ter dege r., deze bokking is goed doorgerookt; door lang r. breken; geheel met rook doortrekken; (in deze bet. ook: ik doorrookte, heb doorrookt), een goed doorrookte pijp. *...ROTTEN, ow. gel. aanh. rotten. *...ROUWEN, ow. gel. aanh. rouwen. *...RUKKEN, ow. en bw. gel. aanh. rukken; (ergens) door (heen) r.; rukkende breken, - losscheuren.
| |
[Doorsarren]
Doorsarren, ow. gel. aanh. sarren. *...SAUSEN, ow. en bw. gel. aanh. sausen; ter dege s.; (ook ik doorsausde, heb doorsausd). *...SCHAFTEN, zie DOORSCHOFTEN. *...SCHAKEN, ow. gel. aanh. schaken. *...SCHALLEN, ow. gel. aanh. schallen; (ergens) door (heen) sch. *...SCHAVEN, ow. en bw. gel. aanh. schaven; (ergens) door (heen) sch.; (iets) schavende vaneenscheiden, - in tweeën verdeelen; door
| | | |
sch. wonden. *...SCHEIDEN, bw. gel. in tweeën scheiden. *...SCHELLEN, ow. en bw. gel. aanh. schellen; (ergens) door (heen) sch.; door sch. breken; hij heeft het koord doorgescheld. *...SCHEMEREN, onp. w. gel. aanh. schemeren; (ergens) door (heen) sch. *...SCHENKEN, ow. ong. aanh. schenken; (ergens) door (heen) sch.; hij bleef -, hij hield niet op met schenken. *...SCHEPPEN, ow. gel. aanh. scheppen; (ergens) door (heen) sch.; door sch. breken, - wonden. -, ow. ong. aanh. scheppen (in het leven roepen). *...SCHEREN, ow. en bw. ong. aanh. scheren; (ergens) door (heen) sch.; spannen; door sch. openen, - wonden. *...SCHERMEN, ow. gel. aanh. schermen; (ergens) door (heen) sch.; zij schermden de geheele kamer door; door sch. wonden. *...SCHERTSEN, ow. gel. aanh. schertsen. *...SCHEUREN, ow. en bw. gel. aanh. scheuren; in tweeën sch.; door sch. wonden; (ook: ik doorscheurde, heb doorscheurd), dit doorscheurde mij het hart (van verdriet enz.). *...SCHIETEN, ow. en bw. gel. aanh. schieten; (ergens) door (heen) sch.; ontsnappen, losgaan, laat de touwen -; doordringen, de zonnestralen schieten door; vermengen (de kaarten); (ook: ik doorschoot, heb doorschoten), de muur was door het kanon geheel doorschoten; (boekb.) een met wit (d.i. met witte bladen) doorschoten boek. *...SCHIJNBAAR, bn. (nat.). -HEID, v. gmv. *...SCHIJNEN, ow. ong. aanh. schijnen; (ergens) door (heen) sch. -, bw. ong. (ik doorscheen, heb doorschenen), ten volle beschijnen, de maan doorscheen het geheele dal. *...SCHIJNEND, bn. (nat.) het licht -, den schijn doorlatende, doorzigtig. -HEID, v. gmv. § *...SCHIJTEN, ow. en bw. ong. aanh. schijten; (ergens) door (heen) sch.; door sch. stuk maken, - wonden. *...SCHIKKEN, ow. gel. aanh. schikken. *...SCHILDEREN, ow. en bw. gel. aanh. schilderen (verwen); lang de wacht houden; (ergens) door (heen) sch.; ter dege sch. *...SCHITTEREN, ow. gel. doorblinken. *...SCHOFFELEN, ow. en bw. gel. aanh. schoffelen; (ergens) door (heen) sch.; schoffelende breken, - wonden. *...SCHOFTEN, ow. gel. aanh. schoften. *...SCHOKKEN, ow. gel. aanh. schokken. *...SCHOMMELEN, *...SCHONGELEN, ow. en bw. gel. aanh. schommelen; (ergens) door (heen) sch.; door sch. breken, - wonden; (ook) aan alle zijden poetsen, - schikken. *...SCHOOIJEN, (B. *...SCHOOIEN), ow. gel. aanh. schooijen (bedelen). *...SCHOPPEN, ow. gel. aanh. schoppen; (ergens) door (heen) sch.; door sch. stuk maken, - wonden; (fig.) hij wordt er wel doorgeschopt, men zorgt wel dat hij vooruit komt. *...SCHRABBEN, ow. en bw. gel. aanh. schrabben. *...SCHRAMMEN, bw. gel. doorkrabben. *...SCHRAPEN, ow. en bw. gel. aanh. schrapen, - krabben; (fig.) geld opstapelen (van gierigaards); (ergens) door (heen) schr.; door schr. breken, - wonden. *...SCHRAPPEN, ow. en bw. gel. aanh. schrappen; doorhalen. *...SCHREEUWEN, ow. en bw. gel. aanh. schreeuwen; (ergens) door (heen) schr.; door schr. wonden; dat kind heeft zich de keel doorgeschreeuwd. *...SCHREIJEN, ow. gel. aanh. schreijen, - krijten; door schr. wonden. *...SCHRIJVEN, ow. en bw. gel. aanh. schrijven; (ergens) door (heen) schr.; ten einde toe schr.; door schr. stuk maken, -wonden; (ook ik doorschreef, heb doorschreven), eene goed doorschrevene hand. *...SCHROB-
| | | |
BEN,
ow. en bw. gel. aanh. schrobben; (ergens) door (heen) schr.; ter dege schr.; door schr. stuk maken, - wonden. *...SCHROKKEN, ow. gel. aanh. schrokken, gulzig eten; (fig.) geld opstapelen. *...SCHUDDEN, ow. en bw. gel. aanh. schudden; schuddende stuk maken; de kaarten -; (ook: ik doorschudde, heb doorschud), ter dege sch.; die slag doorschudde het gansche huis. *...SCHUIJEREN, (B. *...SCHUIEREN), ow. en bw. gel. aanh. schuijeren; door sch. stuk maken, - wonden; ter dege sch. *...SCHUIVEN, ow. en bw. ong. aanh. schuiven; (ergens) door (heen) sch.; schuivende breken. *...SCHUREN, ow. en bw. gel. aanh. schuren; (ergens) door (heen) sch.; door sch. stuk maken, - wonden; zij heeft zich de handen doorgeschuurd. *...SCHUTTEN, ow. en bw. gel. aanh. schutten; (ergens) door (heen) sch.; een schip door de sluis sch. *...SJOUWEN, ow. en bw. gel. aanh. sjouwen; (fig.) zwieren; (ergens) door (heen) sj., dragen; door sj. breken, - wonden. *...SLAAN, ow. en bw. onr. aanh. slaan; (ergens) door (heen) sl.; slaande vaneenscheiden, stukslaan; afdoen, een einde maken; (oorl.) zich -, zich eenen weg banen (door den vijand); de balans slaat door, helt over; het papier slaat door, vloeit; mengen; de eijeren goed -. *...SLAAND, bn. afdoend; een - bewijs, - blijk. *...SLAG, m. (-en), vergiettest; zeker werktuig om gaten te slaan; (fig.) in den -, het een door het ander berekend. -DOEK, m. (-en), persdoek (om kruiden af te trekken). *...SLAGTEN, ow. gel. aanh. slagten. *...SLAPEN, ow. gel. aanh. slapen. *...SLEMPEN, ow. gel. aanh. slempen. *...SLENDEREN, *...SLENTEREN, ow. en bw. gel. aanh. slenderen; (ergens) door (heen) sl.; de stad -. *...SLEPEN, ow. en bw. gel. aanh. slepen; (ergens) door (heen) sl.; (fig.) uitredden. -, vdw. en bn. (fig.) sluw, doortrapt; een - gaauwdief. -HEID, v. gmv. sluwheid, doortraptheid. *...SLEUREN, bw. gel. doorslepen; iem. door den modder sleuren; sleurende breken, - wonden. *...SLIEREN, ow. en bw. gel. aanh. slieren, - dwalen; (ergens) door (heen) sl. *...SLIJPEN, ow. en bw. ong. aanh. slijpen; door sl. stuk maken, - eene opening in iets maken; - wonden. *...SLIJTEN, ow. en ong. aanh. slijten. -, bw. (ik doorsleet, heb doorsleten), verslijten; die kous is geheel doorsleten, vol gaten. *...SLIKKEN, ow. en bw. gel. aanh. slikken; opslikken; ik kan die pil niet -; ik heb zulk eene pijn in de keel dat ik niets - kan. *...SLINGEREN, ow. en bw. aanh. slingeren; (ergens) door (heen) sl.; slingerende breken. -, (ik doorslingerde, heb of ben doorslingerd), een hegge met bloemen doorslingerd. *...SLINKEN, ow. gel. aanh. slinken. *...SLIPPEN, ow. gel. aanh. slippen; (ergens) door (heen) sl.; zij zijn er door geslipt, steelsgewijze doorgedrongen, (ook fig.) ontkomen. *...SLOBBEREN, ow. en bw. gel. aanh. slobberen; (iets) door de keel slobberen of slikken. *...SLOFFEN, ow. en bw. gel. aanh. sloffen; (ergens) door (heen) sl., door sl. stuk of open maken. *...SLOKKEN, bw. gel. zie DOORSLIKKEN. *...SLOOVEN, ow. gel. aanh. slooven (hard werken). *...SLORPEN, *...SLURPEN, ow. en bw. gel. aanh. slurpen, (ergens) door (heen) sl. *...SLUIMEREN, ow. gel. aanh. sluimeren. *...SLUIPEN, ow. ong. gel. aanh. sluipen; (ergens) door (heen) sl. *...SMAKKEN, ow. en bw. gel. aanh. smakken; (ergens) door (heen) sm.; smakkende breken. *...SMEDEN, ow. en bw. gel. aanh.
| | | |
smeden; smedende in tweeën scheiden. *...SMELTEN, ow. en bw. ong. aanh. smelten; door sm. vaneenscheiden; (ook) ter dege sm. (in deze bet.: ik doorsmolt, heb doorsmolten); goed doorsmolten goud. *...SMEREN, ow. bw. gel. aanh. smeren; (ergens) door (heen) sm.; ter dege sm.; smerende openen; - stuk maken. *...SMEULEN, ow. gel. aanh. smeulen; smeulende zich openen; ter dege sm.; de turf is doorgesmeuld. *...SMIJTEN, ow. en bw. ong. aanh. smijten; (ergens) door (heen) sm., stuksmijten. *...SMOKEN, ow. gel. zie DOORROOKEN. *...SMOKKELEN, ow. en bw. gel. aanh. smokkelen; (ergens) door (heen) sm.; heimelijk over de grenzen brengen; hij wist die goederen door te sm. *...SMULLEN, ow. gel. aanh. smullen. *...SNAPPEN, ow. gel. aanh. snappen. *...SNATEREN, ow. gel. aanh. snateren. *...SNEDE, v. gmv. het doorsnijden, doorsnijding; middellijn; (fig.) gemiddeld bedrag; in -, het een door het ander gerekend. *...SNEEUWEN, onp. w. en bw. gel. aanh. sneeuwen; (ergens) door (heen) sn., het sneeuwt hier door; door sn. openen, het zeil is doorgesneeuwd. *...SNELLEN, ow. en bw. gel. aanh. snellen; (ergens) door (heen) sn. -, (ik doorsnelde, heb doorsneld), hij doorsnelde de baan. ↑ *...SNERKEN, ow. gel. aanh. braden. *...SNIJDEN, ow. en bw. gel. aanh. snijden; met een scherp werktuig in tweeën verdeelen. -, (ik doorsneed, heb doorsneden), dit land is van rivieren doorsneden; dit doorsnijdt mij het hart. *...SNIJDING, v. (-en). -SPUNT, o. (-en), (meetk.). *...SNIKKEN, ow. gel. aanh. snikken. *...SNOEIJEN, (B. *...SNOEIEN), ow. en bw. gel. aanh. snoeijen; in tweeën sn. *...SNOEPEN, ow. gel. aanh. snoepen. *...SNOEVEN, ow. gel. aanh. snoeven. *...SNORKEN, ow. gel. aanh. snorken. *...SNUFFELAAR, m. (-s). -STER, v. (-s). *...SNUFFELEN, ow. en bw. gel. aanh. snuffelen; eene plaats -, snuffelende zoeken (van honden). -, (ik doorsnuffelde, heb doorsnuffeld), hij heeft alle boeken doorsnuffeld. *...SNUFFELING, v. gmv. *...SNUIVEN, ow. en bw. ong. aanh. snuiven. *...SOLLEN, ow. en bw. gel. aanh. sollen; (ergens) door (heen) s.; door s. stuk maken. *...SPADEN, ow. gel. aanh. spaden; zie SPITTEN. *...SPANNEN, bw. gel. door (te sterk) spannen breken; (ergens) door (heen) sp. *...SPAREN, ow. gel. aanh. sparen; hij spaart al door, hij is steeds bezig geld op te stapelen. *...SPELDEN, ow. en bw. gel. aanh. spelden; (ergens) door (heen) sp.; speldende wonden. *...SPELEN, ow. en bw. gel. aanh. spelen; (ergens) door (heen) sp.; ten einde toe sp.; ter dege sp. -, (ik doorspeelde, heb doorspeeld), een goed doorspeeld piano. *...SPEKKEN, ow. en bw. gel. (ik doorspekte, heb doorspekt), aanh. spekken; (ergens) door (heen) sp.; door sp. stuk maken; (fig.) vermengen; eene redevoering met latijn doorspekt. *...SPELLEN, ow. en bw. gel. aanh. spellen; ten einde toe sp. *...SPIJKEREN, ow. en bw. gel. aanh. spijkeren; (ergens) door (heen) sp.; door sp. stuk maken, - wonden. *...SPINNEN, ow. en bw. ong. aanh. spinnen; (ergens) door (heen) sp.; door sp. breken, - wonden. *...SPITTEN, ow. en bw. gel. aanh. spitten; (ergens) door (heen) sp.; door sp. breken, - wonden. *...SPLIJTEN, ow. en bw. ong. aanh. splijten; door spl. stuk maken; - wonden; (ook ik doorspleet, heb doorspleten). *...SPLIJTING, v. (-en). *...SPLITSEN, bw. gel. in tweeën split- | | | | sen.
*...SPOEDEN, ow. gel. aanh. spoeden; (ergens) door (heen) sp.. *...SPOELEN, ow. en bw. gel. aanh. spoelen; (ergens) door (heen) sp.; ter dege sp.; iets goed -, zuiveren. *...SPOELING, v. (-en), doorvloeijing; (fig.) purgeermiddel. *...SPOKEN, ow. en bw. gel. aanh. spoken; (ergens) door (heen) sp.; (fig.) rondwaren. *...SPONSEN, ow. en bw. gel. aanh. sponsen; door sp. stuk maken. *...SPOTTEN, ow. gel. aanh. spotten. *...SPOUWEN, bw. gel. doorsplijten. *...SPRAAK, v. gmv. geluid der orgelpijpen alvorens bespeeld te worden. *...SPREIDEN, ow. gel. aanh. spreiden; (ergens) door (heen) spr. *...SPREKEN, ow. en bw. ong. aanh. spreken; (ergens) door (heen) spr. (ook van orgels, alvorens bespeeld te worden). *...SPRINGEN, ow. en bw. ong. aanh. springen; (ergens) door (heen) spr.; door spr. stuk maken, - wonden; hij heeft zich de broek doorgesprongen. *...SPROKKELEN, ow. gel. aanh. sprokkelen. *...SPRUITEN, ow. ong. aanh. spruiten; (ergens) door (heen) spr. *...SPUGEN, zie DOORSPUWEN. *...SPUITEN, ow. en bw. ong. aanh. spuiten; (ergens) door (heen) sp.; spuitende breken; de pijpgasten hebben het venster doorgespoten. *...STAAN, ow. en bw. onr. aanh. staan; door staan wonden; (zeew.) een schip laten -, de zeilen niet reven. -, (fig.) (ik doorstond, heb doorstaan), lijden, verduren; wat al rampen heb ik -. *...STAMELEN, *...STAMEREN, ow. gel. aanh. stamelen. *...STAMPEN, ow. en bw. gel. aanh. stampen; (ergens) door (heen) st.; stuk stampen; ter dege st. *...STAPELEN, ow. gel. aanh. stapelen; (ergens) door (heen) st. *...STAPPEN, ow. en bw. gel. aanh. stappen; (ergens) door (heen) st.; door st. breken, - wonden; ter dege st.; wij moeten goed -. *...STEIGEREN, ow. gel. aanh. steigeren; (ergens) door (heen) st.; door st. stuk maken. *...STEKEN, ow. en bw. ong. aanh. steken; (ergens) door (heen) st.; door st. stuk maken, - wonden; eenen dijk -. -, (ik doorstak, heb doorstoken), door en door st. (met eenen dolk enz.). *...STEKING, v. gmv. het doorsteken; doorgraving. *...STELEN, ow. ong. aanh. stelen. *...STEMMEN, ow. gel. aanh. stemmen. *...STEMPELEN, ow. en bw. gel. aanh. stempelen; (ergens) door (heen) st.; door st. stuk maken. *...STENEN, *...STEUNEN, ow. gel. aanh. stenen. *...STEUNEN, ow. gel. hij bleef al op hem -, op hem zijne hoop vestigen. *...STEVENEN, ow. gel. aanh. stevenen, (ergens) door (heen) st. *...STIJGEN, ow. ong. aanh. stijgen; zie DOORKLIMMEN. *...STIJVEN, ow. en bw. ong. aanh. stijven; ter dege st., door st. stuk maken, - wonden. *...STIKKEN, ow. en bw. gel. aanh. stikken; (ergens) door (heen) st.; door st. wonden; ter dege st. *...STINKEN, ow. ong. aanh. stinken; overal heen stinken, deze mest stinkt de gansche buurt door. *...STOEIJEN, (B. *...STOEIEN), ow. gel. aanh. stoeijen. *...STOFFEN, ow. en bw. gel. aanh. stoffen; (ook pralen); (ergens) door (heen) st.; ter dege st.; door st. breken. *...STOKEN, ow. en bw. gel. aanh. stoken; aanh. aanhitsen; door st. breken, - stuk maken; de kagchel is geheel doorgestookt. *...STOLLEN, ow. gel. aanh. stollen. *...STOMMELEN, ow. gel. aanh. stommelen. *...STOMPEN, ow. en bw. gel. aanh. stompen; (ergens) door (heen) st.; stootende breken; zie DOORBOREN en DOORSTEKEN; (in deze bet. ook: ik doorstiet, heb doorstooten). *...STOMPING, v. gmv. *...STOPPEN,
| | | |
ow. en bw. gel. aanh. stoppen; (ergens) door (heen) st.; door st. wonden; zij heeft zich de vingers doorgestopt. -, (ik doorstopte, heb doorstopt); ter dege st., tot het einde st. *...STORMEN, ow. en bw. gel. aanh. stormen; (ergens) door (heen) st.; door st. stuk maken; (ook in de bet. van stormloopen). *...STORTEN, ow. en bw. gel. aanh. storten; (ergens) door (heen) st. *...STOREN, ow. gel. aanh. storen. *...STRAFFEN, ow. gel. aanh. straffen; tot het einde toe str. *...STRALEN, ow. en bw. gel. aanh. stralen; (ergens) door (heen) str. -, bw. (ik doorstraalde, heb doorstraald), (ook fig.). *...STRALING, v. gmv. *...STREPEN, ow. en bw. aanh. strepen. -, (ik doorstreepte, heb doorstreept), iets -, eene streep er door halen. *...STRIJKEN, ow. en bw. ong. aanh. strijken; (ergens) door (heen) str.; iets -, zie DOORHALEN, DOORSCHRAPPEN; door str. stuk maken, - wonden; (fig.) beknorren; (ook) zich uit de voeten maken. *...STRIKKEN, ow. en bw. gel. aanh. strikken; (ergens) door (heen) str.; strikkende vermengen; door str. breken. *...STROOIJEN, (B. *...STROOIEN), ow. en bw. gel. aanh. strooijen; (ergens) door (heen) str.; dooreenstrooijen; door str. stuk maken. *...STROOMEN, ow. gel. aanh. stroomen; (ergens) door (heen) str.; stroomende breken. -, bw. (ik doorstroomde, heb doorstroomd); de rivier doorstroomt dit land. *...STROOPEN, ow. en bw. aanh. stroopen; (wild stelen); ook met stroop (siroop) besmeren; (ergens) door (heen) str.; (in deze bet. ook: ik doorstroopte, heb doorstroopt). *...STUDEREN, ow. en bw. gel. aanh. studeren; ten einde toe st.; ik heb dit boek doorgestudeerd. *...STUIVEN, ow. ong. aanh. stuiven (stof geven); (ergens) door (heen) st.; onbesuisd loopen; hij stoof de kamer door. *...STUREN, ow. en bw. gel. aanh. sturen (een schip); aanh. zenden; (ergens) door (heen) st.; door st. breken. *...STUWEN, ow. en bw. gel. aanh. stuwen; (ergens) door (heen) st.; zie STOUWEN. *...SUFFEN, ow. gel. aanh. suffen. *...SUIKEREN, ow. en bw. gel. aanh. suikeren; door s. stuk maken; (ook ik doorsuikerde, heb doorsuikerd), ter dege s.; dat banket is goed doorsuikerd. *...SUKKELEN, ow. gel. aanh. sukkelen; ziekelijk zijn; (ergens) door (heen) s.; moeijelijk loopen, zich langzaam en log bewegen. *...SULLEN, ow. en bw. aanh. sullen (glijden); (ergens) door (heen) s.; sullende breken, - wonden.
| |
[Doortappen]
Doortappen, ow. en bw. gel. aanh. tappen; (ergens) door (heen) t.; door t. breken, - wonden. *...TARNEN, zie DOORTORNEN. *...TASSEN, ow. gel. aanh. tassen (opstapelen); (ergens) door (heen) t. *...TASTEN, ow. en bw. gel. aanh. tasten; (ergens) door (heen) t.; (fig.) niet veel omwegen maken, (iets) met kracht doorzetten; gij moet niet lang dralen, maar -. -, (ik doortastte, heb doortast), onderzoeken, ik doortastte zijne zakken, (ook fig.). *...TEEKENEN, ow. en bw. gel. aanh. teekenen; (ergens) door (heen) t.; door t. stuk maken. *...TELLEN, ow. en bw. gel. aanh. tellen; (ergens) door (heen) t.; door t. breken, - wonden. *...TEREN, ow. en bw. gel. aanh. teren; met teer bestrijken; (ergens) door (heen) t.; door t. stuk maken, - wonden; ter dege t. -, zich onderhouden, leven van, van dit geld teerden wij den ganschen winter door. *...TEUTEN, ow. gel. aanh. teuten; (ergens) door (heen) t. *...TIEREN, ow. gel. aanh. tieren; (ergens) door (heen) t. *...TIK-
| | | |
KEN,
ow. en bw. gel. aanh. tikken; (ergens) door (heen) t.; door t. breken, - wonden. *...TIMMEREN, ow. gel. aanh. timmeren; (ergens) door (heen) t.; door t. wonden; hij heeft zich de handen doorgetimmerd. -, (ik doortimmerde, heb doortimmerd), ter dege t., een goed doortimmerd huis. *...TINTELEN, ow. gel. (ik doortintelde, heb doortinteld), aanh. tintelen; (ergens) door (heen) t.; (fig.) dit gevoel doortintelde mij het hart. *...TJILPEN, ow. gel. aanh. tjilpen; (ergens) door (heen) tj. -, (ik doortjilpte, heb doortjilpt). *...TOBBEN, ow. en bw. gel. aanh. tobben; het leven -. *...TOEREN, ow gel. aanh. toeren; (ergens) door (heen) t. *...TOGT, m. (-en), het doortrekken; plaats waar men doortrekt; den - versperren; zich eenen - banen. *...TOLLEN, ow. en bw. gel. aanh. tollen; (ergens) door (heen) t.; door t. breken. *...TONNEN, ow. gel. aanh. tonnen; (ergens) door (heen) t. *...TOOVEREN, ow. en bw. gel. aanh. tooveren; (ergens) door (heen) t.; door t. verbreken, - openen. *...TORNEN, ow. en bw. gel. aanh. tornen; door t. openen, - wonden. *...TOUWEN, ow. en bw. gel. aanh. touwen; touwende breken, - wonden. *...TRAPPEN, ow. en bw. gel. aanh. trappen; (ergens) door (heen) tr.; trappende stuk maken; opentrappen; ter dege tr.; het deeg moet goed doorgetrapt zijn. *...TRAPT, vd. en bn. bedreven, sluw; hij is een -e gaauwdief. -HEID, v. gmv. sluwheid, loosheid. *...TRAPPELEN, ow. gel. aanh. trappelen, doortrappen. *...TREDEN, ow. en bw. ong. aanh. treden; (ergens) door (heen) tr.; tredende stuk maken; ter dege (dooreen) treden. *...TREKKEN, ow. en bw. ong. aanh. trekken; (ergens) door (heen) tr.; (ook marscheren); (ook: ik doortrok, heb doortrokken), van vloeistoffen: de spons is goed doortrokken; dat vat is nu geheel doortrokken (van het vocht). *...TREKKING, v. gmv. doortogt (van troepen). *...TREUREN, ow. gel. aanh. treuren. *...TREUZELEN, ow. gel. aanh. treuzelen. *...TRILLEN, ow. gel. aanh. trillen; (ergens) door (heen) tr.; trillende breken; (ook: ik doortrilde, heb doortrild), deze tijding doortrilde mijn hart. *...TROEVEN, ow. en bw. gel. aanh. troeven. *...TROMMELEN, ow. en bw. gel. aanh. trommelen; (ergens) door (heen) tr.; door tr. stuk maken, - openen, - wonden. *...TROMPETTEN, ow. en bw. gel. aanh. trompetten; (ergens) door (heen) tr.; door tr. stuk maken, - wonden. *...TUIMELEN, ow. gel. aanh. tuimelen; (ergens) door (heen) t. *...TWIJNEN, ow. en bw. gel. aanh. twijnen; (ergens) door (heen) tw.; twijnende stuk maken. *...TWISTEN, ow. gel. aanh. twisten.
| |
[Doorvaart]
Doorvaart, v. (-en), doorgang te water, straat; het doorvaren; *...VALLEN, ow. ong. aanh. vallen; (ergens) door (heen) v., stuk vallen. *...VANGEN, ow. en bw. ong. aanh. vangen; (iets ergens) door (heen) v. *...VAREN, ow. en bw. ong. aanh. varen; (ergens) door (heen) v.; door v. breken. -, (ik doorvoer, heb doorvaren), het ligchaam aangrijpen; eene koude rilling doorvoer mij. *...VASTEN, ow. gel. aanh. vasten. *...VECHTEN, ow. ong. aanh. vechten; (ergens) door (heen) v. ZICH -, ww. vechtende zich eenen weg banen; zie ZICH DOORSLAAN; (ook: ik doorvocht, heb doorvochten), doorstaan, verduren, wat al rampen heb ik doorvochten. *...VEGEN, ow. en bw. gel. aanh. vegen;
| | | |
(ergens) door (heen) v.; vegende stuk maken, - wonden; ter dege v.; (fig.) berispen, den tekst lezen. *...VELLEN, ow. en bw. gel. aanh. vellen; in tweeën v., - hakken. *...VERWEN, ow. en bw. gel. aanh. verwen; (ergens) door (heen) v.; verwende stuk maken, - wonden; ter dege v. *...VIJLEN, ow. en bw. gel. aanh. vijlen; (ergens) door (heen) v.; in tweeën v.; vaneenscheiden, deze stang moet doorgevijld. *...VINKEN, ow. gel. aanh. (ook overal) vinken vangen. *...VISSCHEN, ow. gel. aanh. visschen; (ergens) door (heen) v. *...VLAGGEN, ow. gel. aanh. vlaggen. *...VLAKKEN, *...VLEKKEN, ow. en bw. gel. aanh. vlakken of vlekken; vlakken maken, - krijgen; doorvloeijen. *...VLAMMEN, ow. en bw. gel. aanh. vlammen; (ergens) door (heen) vl.; ter dege -, overal vlammen geven, - krijgen, - maken; dit hout moet gij goed -, het aan alle kanten met vlammen beschilderen; (ook) teekens op de boomen zetten, om zijnen weg terug te vinden. *...VLECHTEN, ow. en bw. ong. aanh. vlechten; (ergens) door (heen) vl.; door vl. breken. -, (ik doorvlocht, heb doorvlochten), dooreenvlechten met...., mijn haar was met rozen doorvlochten; goed doorvlochten vleesch, met vet doorgroeid. *...VLECHTING, v. gmv. *...VLEIJEN, ow. gel. aanh. vleijen. *...VLIEDEN, ow. en bw. ong. aanh. vlieden; (ergens) door (heen) vl. *...VLIEGEN, ow. en bw. ong. aanh. vliegen; (ergens) door (heen) vl.; (iets) vliegende stuk maken, - wonden; tot het einde vl. -, (fig.) (ik doorvloog, heb doorvlogen), vlugtig doorgaan, doorlezen. *...VLIETEN, ow. ong. aanh. vlieten; (ergens) door (heen) vl.; vlietende stuk maken. *...VLIJEN, ow. gel. aanh. vlijen; zich ergens -, glijdende doorschuiven. *...VLIJMEN, bw. gel. (iets) vlijmende doorboren; (fig.) dit doorvlijmde mij het hart. *...VLIJMING, v. gmv. *...VLOEIJEN, (B. *...VLOEIEN), ow. gel. aanh. vloeijen; (ergens) door (heen) vl.; doorvlakken; het papier vloeit door; (fig.) uit het geheugen verdwijnen. *...VLOEIJING, v. gmv. *...VLOEKEN, ow. gel. aanh. vloeken. *...VLOEREN, ow. en bw. gel. aanh. vloeren; (ergens) door (heen) vl. *...VLOTTEN, ow. gel. aanh. vlotten, - drijven; hout -, doen doordrijven. *...VLUGTEN, ow. gel. aanh. vlugten; (ergens) door (heen) vl. *...VOCHTEN, ow. en bw. gel. (ik doorvocht, heb doorvochten), aanh. vochten, - vochtig maken, het linnen is goed doorvocht; (ergens) door (heen) v. *...VOEDEN, ow. gel. aanh. voeden; (ergens) door (heen) v. -, bw. (ik doorvoedde, heb doorvoed), ter dege v., door en door v. *...VOEGEN, ow. gel. (mets.) aanh. voegen; (ergens) door (heen) v. *...VOEDEREN, *...VOÊREN, ow. gel. aanh. voederen; (ergens) door (heen) v. *...VOER, m. gmv. vervoer door (eene plaats); regten van -, zek. belasting. *...VOEREN, bw. gel. (ergens) door (heen) v. *...VOGELEN, ow. gel. aanh. vogelen, - vogels vangen; (ergens) door (heen) v. *...VOLLEN, ow. gel. aanh. vollen. *...VOLGEN, bw. gel. (ergens) door (heen) v. *...VOUWEN, ow. en bw. gel. aanh. vouwen; (ergens) door (heen) v.; ter dege v.; vouwende stuk maken, - wonden. *...VRAGEN, ow. en bw. gel. en ong. aanh. vragen. *...VRAGING, v. het doorvragen. *...VREEZEN, ow. bw. gel. aanh. vreezen. *...VRETEN, ow. en bw. ong. aanh. vreten; vretende -, bijtende verteren; (ergens) door (heen) vr., stuk vr., de wormen hebben het hout geheel doorgevreten. -, (fig.) (ik doorvrat,
| | | |
heb doorvreten), de roest heeft het ijzer -. *...VRIEZEN, onp. en bw. onr. aanh. vriezen; (ergens) door (heen) vr.; door vr. breken, - wonden. *...VRIJEN, ow. gel. aanh. vrijen. *...VUREN, ow. en bw. gel. aanh. vuren; (ergens) door (heen) v.; door v. stuk maken, - wonden. -, (ik doorvuurde, heb doorvuurd), vurig maken (van hout), doorvuurd hout.
| |
[Doorwaadbaar]
Doorwaadbaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), geschikt om doorgewaad te worden. *...WAAIJEN, (B. *...WAAIEN), onp. en bw. gel. en ong. aanh. waaijen; (ergens) door (heen) w., waaijende stuk maken. -, bw. (ik doorwoei of -waaide, heb doorwaaid); de wind heeft ons geheel doorwaaid. *...WACHTEN, ow. gel. aanh. wachten. *...WADEN, ow. en bw. gel. aanh. waden; (ergens) door (heen) w., wadende stuk maken, - wonden. -, bw. (ik doorwaadde, heb doorwaad); zij doorwaadden de rivier. *...WAKEN, ow. gel. aanh. waken. -, bw. (ik doorwaakte, heb doorwaakt); wij hebben den nacht doorwaakt, wakende doorgebragt. *...WANDELEN, ow. en bw. aanh. wandelen; (ergens) door (heen) w.; door w. breken, - wonden; wij hebben onze voeten doorgewandeld. -, bw. (ik doorwandelde, heb doorwandeld); ten einde w.; wij hebben het geheele veld doorwandeld. ...ING, v. (-en), wandeling door (eene plaats), volkomene wandeling. *...WARM, bn. geheel -, volkomen warm. -EN, ow. en bw. gel. aanh. warmen. *...WASEMEN, ow. gel. aanh. wasemen, wasem uitlaten; zweeten. -, bw. (ik doorwasemde, heb doorwasemd), ter dege -, door en door w. *...WASSCHEN, ow. en bw. gel. aanh. wasschen; (ergens) door (heen) w.; wasschende breken, - wonden, zij heeft zich de handen geheel doorgewasschen. *...WASSEN, ow. bw. ong. aanh. wassen; (ergens) door (heen) w.; wassende breken, - wonden. -, bw. (ik doorwies, heb of ben doorwassen), goed doorwassen (met vet doorgroeid) vleesch. *...WASSEN, bw. gel. aanh. wassen (met was bestrijken); dit linnen is goed doorgewast. *...WATEREN, ow. en bw. gel. aanh. wateren; (ergens) door (heen) w.; waterende stuk maken. -, bw. (ik doorwaterde, heb doorwaterd), geheel met water doordringen; (ook) op zekere wijze verwen of schilderen, bloemen in stoffen weven; fraai doorwaterde zijde; zie VERWATEREN. *...WEDDEN, ow. gel. aanh. wedden. *...WEEKEN, ow. en bw. gel. aanh. weeken; door w. bros worden, - breken; het wasschen heeft hare handen geheel doorgeweekt. -, bw. (ik doorweekte, heb doorweekt); ter dege w., gansch week maken; de regen heeft den grond doorweekt; (ook fig.) het doorweekte zijn hart. *...WEEKING, v. gmv. het doorweeken, weekmaking. *...WEGEN, ow. en bw. ong. aanh. wegen; (ergens) door (heen) w.; door w. stuk maken. *...WEIDEN, ow. en bw. gel. aanh. weiden; (ergens) door (heen) w.; weidende breken. *...WELKEN, ow. gel. aanh. welken (beter: verwelken). *...WENKEN, ow. gel. aanh. wenken; (ergens) door (heen) w. *...WENSCHEN, ow. en bw. gel. aanh. wenschen. *...WENTELEN, ow. en bw. gel. aanh. wentelen; (ergens) door (heen) w.; wentelende breken, - wonden. -, bw. (ik doorwentelde, heb doorwenteld); ik doorwentelde het luchtruim. *...WERKEN, ow. en bw. gel. aanh. werken; (iets ergens) door (heen) w.; ter dege w.; zij werkten fiks door; door w. stuk maken, - openen, - wonden; hij heeft zijne
| | | |
handen doorgewerkt; (ook fig.) tot stand brengen, gedaan krijgen; eindelijk heeft hij het doorgewerkt; zij hebben bij den minister zijne benoeming doorgewerkt. -, bw. (ik doorwerkte, heb doorwerkt), verwerken, werken onder; stof met goud en zilver doorwerkt; goed doorwerkte kalk. *...WERPEN, ow. en bw. ong. aanh. werpen; (ergens) door (heen) w.; door w. breken, - openen. *...WERVEN, ow. ong. aanh. werven. *...WETTEN, ow. en bw. gel. (dicht.) zie DOORSLIJPEN. *...WEVEN, ow. en bw. gel. aanh. weven; (ergens) door (heen) w.; wevende breken, - wonden; ter dege w. -, bw. (ik doorweefde, heb doorweven), wevende vermengen, - ineenwerken; - doorwerken; (fig.) vermengen; het leven is met goed en kwaad -. *...WEZEN, ow. onr. zie DOORZIJN. *...WIEDEN, ow. en bw. aanh. wieden; (ergens) door (heen) w.; door w. breken, - wonden; ter dege w. *...WIEGEN, ow. en bw. aanh. wiegen; (ergens) door (heen) w.; wiegende breken, - wonden; ter dege w. *...WIJKEN, ow. gel. aanh. wijken; (ergens) door (heen) w. *...WIJZEN, ow. ong. aanh. wijzen; (ergens) door (heen) w., geleiden. *...WILLEN, bw. gel. (ergens) door (heen) willen (gaan, dringen, rijden enz.); die spijker wil er niet door. *...WINDEN, ow. en bw. ong. aanh. winden; (ergens) door (heen) w.; windende breken, - wonden. *...WINNEN, ow. ong. aanh. winnen; hij speelde en won altijd door. *...WIPPEN, ow. en bw. gel. aanh. wippen; (ergens) door (heen) w., ik wipte er door, ik wipte hem er door. *...WISSCHEN, ow. en bw. gel. aanh. wisschen; door w. breken, - wonden. *...WITTEN, ow. en bw. gel. aanh. witten; (ergens) door (heen) w.; wittende breken; ter dege w. *...WOEDEN, ow. gel. aanh. woeden (ook fig.). *...WOEKEREN, ow. gel. aanh. woekeren. *...WOELEN, ow. en bw. gel. aanh. woelen; (ergens) door (heen) w.; door w. stuk maken; overal door heen w.; (ook: ik doorwoelde, heb doorwoeld). *...WONDEN, ow. gel. aanh. wonden; (ergens) door (heen) w. -, bw. (ik doorwondde, heb doorwond), (ook fig.). *...WONEN, ow. gel. aanh. wonen; iem. laten -, hem in zijne woning laten. *...WORMEN, ow. en bw. gel. aanh. sloven, - werken, (meest fig.). *...WORSTELEN, ow. en bw. gel. aanh. worstelen; worstelende breken, - wonden; (ergens) door (heen) w.; (ook: ik doorworstelde, heb doorworsteld). *...WORSTELING, v. gmv. *...WORSTEN, ow. gel. aanh. worsten (worst maken). *...WORTELEN, ow. gel. aanh. wortelen; (ergens) door (heen) w. *...WRIJVEN, ow. en bw. ong. aanh. wrijven; (ergens) door (heen) wr.; wrijvende stuk maken, - wonden, zich de vingers -; ter dege wr.; (ook: ik doorwreef, heb doorwreven); goed doorwreven verf. *...WRIJVING, v. gmv. *...WRIKKEN, ow. en bw. gel. aanh. wrikken; (ergens) door (heen) wr.; wrikkende stuk maken, - wonden. *...WRINGEN, ow. en bw. ong. aanh. wringen; (ergens) door (heen) wr.; door wr. breken, - wonden. *...WROCHT, vdw. en bn. naar alle vereischten bewerkt; goed doordacht; geleerd, een - werk. *...WROETEN, ow. en bw. gel. aanh. wroeten; (ergens) door (heen) wr.; wroetende stuk maken; (ook: ik doorwroette, heb doorwroet), (ook fig.). *...WROETING, v. gmv. het doorwroeten. *...WROKKEN, ow. gel. aanh. wrokken. *...WURMEN, ow. en bw. gel. zie DOORWORMEN.
| | | |
| |
[Doorzaaijen]
Doorzaaijen, ow. gel. aanh. zaaijen; (ergens) door (heen) z.; zaaijende mengen; (ook: ik doorzaaide, heb doorzaaid), (ook fig.). *...ZAGEN, ow. en bw. gel. aanh. zagen; in tweeën zagen; zagende wonden. *...ZAKKEN, ow. gel. aanh. zakken, (zinken of in zakken storten of vallen); (ergens) door (heen) z., de zoldering, de kalk is doorgezakt. *...ZAKKING, v. (-en). *...ZALVEN, ow. en bw. gel. aanh. zalven; door z. openen, doen opengaan (van eene wonde). *...ZEEPEN, ow. en bw. gel. aanh. zeepen; zeepende wonden; ter dege z.; (ook: ik doorzeepte, heb doorzeept). *...ZEEVEREN, ow. gel. aanh. zeeveren; door en door z.; (ook: ik doorzeeverde, heb doorzeeverd). *...ZEGELEN, ow. bw. ong. aanh. zegelen; (ergens) door (heen) z,; door z. stuk maken, - wonden. *...ZEILEN, ow. en bw. gel. aanh. zeilen; (ergens) door (heen) z.; zeilende breken. *...ZENDEN, ow. ong. aanh. zenden; (ergens) door (heen) z. *...ZETTEN, ow. en bw. gel. aanh. zetten; (ergens) door (heen) z.; (fig.) iets -, iets met ijver doen voortgaan; wij hebben het doorgezet en het is ons gelukt; wij konden het niet -, niet ten einde brengen; de weeën zetten goed door (van vrouwen in barensnood). *...ZETTER, m. (-s), doordrijver. *...ZETSTER, v. (-s), doordrijfster. *...ZIEN, ow. en bw. onr. aanh. zien; (ergens) door (heen) z.; onderzoeken; doorlezen; narekenen; (fig.) begrijpen, bevatten; (ook: ik doorzag, heb doorzien). -ING, v. gmv. het doorzien. *...ZIFTEN, ow. en bw. gel. aanh. zitten; (ergens) door (heen) z.; (fig.) zeer naauwkeurig beschouwen, vitten; men moet niet alles zoo -. *...ZIGT, (B. ...ZICHT), o. gmv. het gezigt door (iets); (fig.) begrip, schranderheid, scherpzinnigheid; een man vol verstand en -. -BAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st). -IG, bn. (-er, -st), de lichtstralen doorlatende; transparant. *...ZIGTIGHEID, v. gmv. *...ZIGTKUNDE, v. gmv. (nat.) dioptriek. *...ZIJGEN, ow. en bw. ong. aanh. zijgen; (ergens) door (heen) z.; (fig.) door z. stuk gaan. *...ZIJGING, v. gmv. *...ZIJN, ow. onr. (ergens) door (heen) zijn; in gaten gevallen -, versleten zijn; mijne mouw is door, mijne handen zijn door; geslaagd zijn (in een examen enz.); ik ben er door; zie verder op DOOR. *...ZIJPELEN, *...ZIJPEN, ow. gel. zie DOORDROPPELEN, DOORZIJGEN. *...ZIJPEREN, ow. gel. langzaam doordringen (van vochten). *...ZINGEN, ow. en bw. gel. aanh. zingen; (ergens) door (heen) z.; door z. stuk maken; - openen, - wonden. *...ZINKEN, aanh. zinken; (ergens) door (heen) z.; (ook fig.). *...ZITTEN, ow. onr. aanh. zitten; vergaderd blijven; zittende breken; - wonden; hij heeft zich de huid doorgezeten. *...ZOEKEN, ow. en bw. onr. aanh. zoeken; wij hebben den ganschen avond doorgezocht; overal z.; (ook: ik doorzocht, heb doorzocht), wij hebben het gansche huis doorzocht of doorgezocht. *...ZOEKING, v. gmv. het zoeken overal. *...ZOEKER, m. (-s). *...ZOEKSTER, v. (-s). *...ZOGEN, ow. gel. aanh. zogen. *...ZORGEN, ow. gel. aanh. zorgen. *...ZOUTEN, ow. en bw. gel. aanh. zouten; ter dege z.; lang in de pekel laten liggen. *...ZUCHTEN, ow. gel. aanh. zuchten. *...ZUIGEN, ow. en bw. ong. aanh. zuigen; (ergens) door (heen) z.; het papier zuigt door, vloeit; het kind zuigt door een glaasje; door z. stuk maken, - wonden; ter dege z.; deze borst is goed doorgezogen.
| | | |
*...ZUIPEN, ow. ong. aanh. zuipen; (ergens door (heen) z.; zuipende wonden; hij heeft zich de keel doorgezopen. *...ZULLEN, onw. w. onr. (alleenstaande, steeds in den zin van doormoeten), ik zal hier door, wij zullen er door. *...ZULTEN, ow. en gel. doorpekelen. -, bw. (ik doorzultte, heb doorzult), ter dege z., - pekelen: (fig.) doorspekken. *...ZWABBEREN, ow. gel. aanh. zwabberen. *...ZWACHTELEN, ow. en bw. gel. aanh. zwachtelen; (ergens) door (heen) zw.; door zw. openen, - wonden. *...ZWAVELEN, ow. gel. aanh. zwavelen -, bw. (ik doorzwavelde, heb doorzwaveld); ter dege zw.; goed doorzwavelde wijn. *...ZWEEPEN, ow. en bw. gel. aanh. zweepen; (ergens) door (heen) zw.; zweepende stukslaan, - wonden. *...ZWEETEN, ow. en bw. gel. aanh. zweeten; (ergens) door (heen) zw.; door zw. stuk maken. *...ZWEETING, v. gmv. *...ZWELGEN, ow. en bw. ong. aanh. zwelgen; (ergens) door (heen) zw. *...ZWELGING, v. het doorzwelgen. *...ZWELLEN, ow. ong. aanh. zwellen; (ergens) door (heen) zw.; zwellende zich openen; de dikte is doorgezwollen. *...ZWEMMEN, ow. bw. ong. aanh. zwemmen; (ergens) door (heen) zw.; zwemmende openen, - wonden. *...ZWEREN, ow. ong. aanh. zweren (eeden doen); zich er -, door eenen eed zich doen vrijverklaren. -, aanh. zweren (van gezwellen of wonden); (ergens) door (heen) zw.; door zw. opengaan. *...ZWERMEN, ow. gel. aanh. zwermen; (ergens) door (heen) zw. *...ZWERVEN, ow. ong. aanh. zwerven; (ergens) door (heen) zw. -, bw. (ook: ik doorzwierf, heb doorzworven), naar alle zijden zw.; hij heeft het gansche land doorzworven (of doorgezworven). *...ZWETSEN, ow. gel. aanh. zwetsen. *...ZWEVEN, ow. gel. aanh. zweven. *...ZWIEREN, ow. bw. gel. aanh. zwieren; (ergens) door (heen) zw.; (ook: ik doorzwierde, heb doorzwierd). *...ZWIJGEN, ow. ong. aanh. zwijgen. *...ZWOEGEN, ow. gel. aanh. zwoegen.
| |
[Doos]
Doos, v. (doozen, B. dozen), soort kistje met deksel; speeldoos; (fig.) veel in zijne - hebben, veel kunde bezitten. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine doos; (fig.) hij is als uit een -, hij is zeer netjes. *-VRUCHT, v. (-en), soort drooge vrucht.
| |
[Doove]
Doove, m. en v. (-n), die doof is. *-N, (B. DOVEN), bw. gel. (ik doofde, heb gedoofd), het vuur -, smoren (ook fig.); uit-, verdooven. *...VING, v. gmv. het dooven.
| |
[Doozenkraam]
Doozenkraam, v. (...amen). *...KRAMER, m. (-s). *...KRAAMSTER, v. (-s). *...MAKER, m. (-s). *...MAAKSTER, v. (-s). *...SCHILDER, m. (-s). *...VERWER, m. (-s).
| |
[Dop]
Dop, m. (-pen), deksel-, schaal waarin iets bevat is; eijerdop, notendop enz.; kiekens uit den -, die pas uitgebroed zijn; (fig.) pas uit den -, nog zeer jong; (timm.) holle beitel; (diam.) -pen, stokjes waarop de diamant ter bewerking in cement wordt gezet; gloeijende -pen, uitgebrande schillen (ter bereiding van pennen), *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine dop; dopjes, (soort) kinderbril; quine-dopjes, dopjes waarop de nommers van het lotto-spel staan. *-JESSPEL, o. soort bekerspel. *-PEN, bw. gel. (ik dopte, heb gedopt), van den dop ontdoen, pellen, erwten -; (zeew.) meten. *-ERWT, v. (-en), erwt in de schil. -JE, (B. -N), o. (-s), kleine -, fijne dop- | | | | erwt.
*-PER, m. (zeew.) scheepsmeter; doperwt; mooije doppers, zware doperwten.
| |
[† Doppri]
† Doppri, bijw. (muz.) dubbel.
| |
[Dor]
Dor, bn. en bijw. (-der, B. -rer, -st), onvruchtbaar, uitgedroogd; schraal; mager; een -re grond; - hout, dood hout; (fig.) droog; een - onderwerp, dat den redetwist niet waard is. *-ACHTIG, bn. een weinig dor.
| |
[† Dorado]
† Dorado, v. zeker sterrebeeld.
| |
[Doren]
Doren, m. (-s), zie DOORN.
| |
[Dorheid]
Dorheid, v. gmv. (ook fig.); droogte; onvruchtbaarheid; (fig.) schraalte.
| |
[Dorisch]
Dorisch, bn. van (het oude) Dorië; de -e tongval, - bouworde.
| |
[Dorp]
Dorp, o. (-en), verzameling van (meestal boeren) hutten of huizen, min of meer regelmatig in straten verdeeld, doch zonder poorten; (spr.) het kan beter van eene stad dan van een -, de vermogende kan eerder iets opofferen dan de behoeftige. *-JE, (B. -N), o. (-s), klein dorp. *-ACHTIG, bn. en bijw. dorpsch, naar een dorp gelijkende, op de wijze eens dorps, *-BEWONER, m. (-s). *-BEWOONSTER, v. (-s). *-BRUILOFT, v. (-en).
| |
[Dorpel]
Dorpel, m. (-s), drempel.
| |
[Dorpeling]
Dorpeling, m. en v. (-en), dorpbewoner, dorpbewoonster.
| |
[↑ Dorperheid]
↑ Dorperheid, v. gmv. onnoozelheid.
| |
[Dorpsgeestelijke]
Dorpsgeestelijke, m. (-n). *...HERBERG, v. (-en). *...HUIS, o. (...zen). *...KERK, v. (-en). *...KERMIS, v. (-sen), boerenkermis. *...KLOK, v. (-ken). *...LAND, o. (-en), akker tot een dorp behoorende. *...LIEDEN, m. mv. landlieden. *...MEISJE, (B. -N), o. (-s), boerenmeisje. *...PREDIKANT, m. (-en). *...REGT, o. (-en), regt -, wet -, (ook) regtsgebied van een dorp. *...SCHOOL, v. (...olen). -MEESTER, m. (-s). *...SCHOUT, m. (-en). *...SCHUIT, v. (-en).
| |
[Dorpsheer]
Dorpsheer, m. (-en), landheer. *...HUIS, o. (...zen), gemeentehuis van het dorp. *...WIJZE, bijw. bij dorpen; eene belasting - omslaan; (ook) op de wijze der dorpelingen.
| |
[Dorren]
Dorren, ow. gel. (ik dorde, heb gedord), die planten - op haren stengel, verdorren.
| |
[Dorschen]
Dorschen, bw. gel. (ik dorschte, heb gedorscht), koren -; (fig.) hooi -, over eene bedoeling twisten. *...ER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...ING, v. gmv. *...SCHUUR, v. (...uren). *...TIJD, m. gmv. *...VLEGEL, m. (-s). *...VLOER, m. (-en). *...WAGEN, m. (-s), toestel om het koren te dorschen.
| |
[† Dorso]
† Dorso, v. gmv. rug; in -, op den rug, (keerzijde van wissels, akten enz.).
| |
[Dorst]
Dorst, m. gmv. droogte der keel, lust naar -, behoefte aan drinken; (ook fig.); zijnen - lesschen, - verzadigen; - naar rijkdommen; - naar eer; (spr.) een appeltje voor den -, een spaarpenning voor den ouden dag, voor slechte tijden. *-EN, ow. gel. (ik dorstte, heb gedorst), dorst gevoelen naar... (meest fig.), naar bloed -, naar wraak -. *-IG, bn. vol dorst; - zijn naar... (ook fig.). -HEID, v. gmv. *-VERSLAANDE, bn. den dorst lesschende.
| | | |
| |
[Dos]
Dos, (B. *-CH), m. gmv. opschik, praal (van kleeding); (dicht.) de - der velden, het gras, de oogst.
| |
[† Dos-à-dos]
† Dos-à-dos, bijw. (dansk.) rug tegen rug.
| |
[† Dosis]
† Dosis, v. (-sen), hoeveelheid; (ook) medicinaalgift; (fig.) eene goede - (tamelijk veel) hoogmoed.
| |
[Dossen]
Dossen, (B. DOSSCHEN), bw. gel. (ik doste, heb gedost), uitdossen; (fig.) versieren; het veld in zijne kleuren gedost.
| |
[† Dosseren]
† Dosseren, bw. gel. (ik dosseerde, heb gedosseerd), met glooijingen maken. *...RING, v. (-en), glooijing, helling.
| |
[Dot]
Dot, v. (-ten), *-JE, (B. -N), o. (-s), bundeltje, bosje, knotje; dod; mijn -! mijn lief! - liefje! (fig.) een lief -, een aardig kopje.
| |
[† Dotatie]
† Dotatie, v. (...ën), gave, begiftiging, schenking.
| |
[Dotterbloem]
Dotterbloem, v. (-en), boterbloem.
| |
[† Douane]
† Douane, v. (-n), tolhuis, tolkantoor; lands-, stadsbelasting; de douanen, (beter douaniers), tolgaarders, kommiezen. *...AIRIE, v. (...ën) weduwengoed, -geld. *...AIRIÈRE, v. (-s), adellijke weduwe.
| |
[Doubleren]
Doubleren, bw. gel. (ik doubleerde, heb gedoubleerd), verdubbelen; (bilj.) eenen bal door overhalen maken; eenen jas -, voeren; (toon.) een emplooi dubbel bezetten. *...BLETTE, v. (-n), dubbel exemplaar van een werk. *...BLURE, v. (-s), (toon.) dubbel emplooi; (kleêrm.) voering. *...CEUR, v. (-s, -en), fooi, geschenk (in geld); (fig.) iem. -s zeggen, iem. schelden.
| |
[† Douche]
† Douche, v. (-s), stortbad. *...TEUS, bn. twijfelachtig.
| |
[Douw]
Douw, m. (-en), stoot. *-EN, bw. en ow. gel. (ik douwde, heb gedouwd), duwen; (fig.) iem. iets in de hand -, hem omkoopen.
| |
[Dozijn]
Dozijn, o. (-en), twaalftal; bij het dozijn verkoopen; (fig.) -dichter, prulpoëet. *-SCHILDER, m. (-s), knoeijer. *-WERKER, m. (-s), die veel doch slecht werkt.
| |
[Dra]
Dra, bijw. weldra, spoedig; zoo-, alras; zoo- mogelijk.
| |
[Draad]
Draad, m. (...aden), vlas, hennep, katoen, zijde of andere stof tot eene aanmerkelijke lengte dun uitgesponnen; een katoenen -, wollen -; vezel, de draden (van hout, van vleesch); tegen den - in (snijden, hakken); schering (van laken of andere stof); die rok is tot op den - versleten; egge, fijnste kant; den - afslijpen (van een mes); deze kooi is van - gevlochten, (koper- of ijzerdraad); draden in glas (die de effenheid wegnemen); (fig.) zamenhang; den - kwijt zijn, niet meer weten waar men gebleven is; zijn leven hing aan eenen - of een draadje; hij is als een zijden draadje, ligt geraakt; er loopt een - door, de zaak is niet zuiver. -, o. gmv. draad van metaal. *-BANK, v. (-en), waarop draad wordt getrokken. *-HOUDER, m. (-s), soort zijdehaspel. *-IJZER, o. gmv. ijzer geschikt of bereid om tot draad getrokken te worden; draadbus. *-KOGEL, m. (-s), soort kanonskogel. *-NAGEL, m. (-s), soort dunne spijker.
| |
[Draadsch]
Draadsch, bn. naar draden berekend; twee-, drie-.
| |
[Draadschuijer]
Draadschuijer, m. (-s), graveerderswerktuig. *...TREKKEN, o. bewerking tot (metaal)draad. *...TREKKER, m. (-s), werktuig; werkman. -IJ, v. het draadtrekken; (ook) de werkplaats daartoe. *...VORMIG, bn. *...WERK, o. gmv. gevlochten goud- of zilverdraad (als zoodanig ge- | | | | werkt);
(ook) ijzeren traliewerk. -ER, m. (-s), die in goud- of zilverdraad werkt. *...WIEREN, o. mv. zeker gewas. *...WINKEL, m. (-s), waar (metaal)draad verkocht wordt. *...WORM, m. (B.v.), (-en), zekere ingewandsworm. *...ZWAM, o. (-men), zekere plant.
| |
[Draagbaar]
Draagbaar, bn. geschikt om gedragen te worden; dragelijk. *...BAK, m. (-ken), bak om voorwerpen over te dragen. *...BALK, m. (-en), (bouwk.). *...BAND, m. (-en), degenriem; zeel; galg; bretelles. -MAKER, m. (-s). -MAAKSTER, v. (-s). *...BOOM, m. (-en), bierboom. *...HEMEL, m. (-s), staatsiehemel, (oudt. in gebruik bij optogten, boven het hoofd van vorsten enz. gedragen). *...KORF, m. (...ven), kort op den rug (waarin potten enz. te koop worden gedragen). *...KRACHT, v. vermogen om te dragen. *...LOON, o. *...GELD, o. (-en), betaling voor het dragen van iets; loon der lijkdragers. *...PLAATS, v. (-en), vlakke waterscheiding tusschen twee rivieren; (fig.) gift aan bedienden enz. ter gelegenheid eener begrafenis. *...RIEM, m. (-en), hang, disselriem (aan voertuigen). *...SPAAK, m. (...aken), draagboom. *...STEEN, m. (-en), (mets.). *..STOEL, m. (oudt.) net versierd huisje ingerigt om personen te dragen (in Indië); pakzadel. *...VERMOGEN, o. gmv. (werkt.). *...ZEEL, m. (-en), draagband. *...ZETEL, m. (-s), draagstoel.
| |
[Draai]
Draai, m. gmv. wending; de weg maakt hier eenen - (of eene kromming); de koetsier heeft zijnen - te kort genomen; (fig.) hij weet aan allen eenen - (eene kunstmatige wending) te geven; zwijg, of gij krijgt een - om de ooren, eene oorveeg. *-BALANS, v. (-en), toestel tot onderlinge vergelijking der kracht van verschillende magneten. *-BALK, m. (-en), (bouwk.) wip. *-BANK, v. (-en), werkbank; op de - zitten, werken. *-BAS, v. (-sen), (zeew.) steenstuk, mortier. *-BEITEL, m. (-s). *-BOOM, m. (-en), kraan, zwengel, (hijschtoestel). *-BORD, o. (-en), -JE, (B. -N), o. (-s), hazardspel (inz. op kermissen). *-BRUG, v. (-gen), soort gierbrug. *-HOUT, o. gmv. hout tot draaijen geschikt. -JE, (B. -N), o. (-s), zeker kinderspeelgoed, molentje.
| |
[Draaijen]
Draaijen, (B. DRAAIEN), bw. en ow. gel. (ik draaide, heb gedraaid), op de draaibank werken, bewerken; in hout -, in been -; gedraaid werk; het spit - of aan het spit -, (in eene keuken); touw -, een gedraaid endje (touw waarmede men de scheepsjongens slaat); gedraaid (kwastig) hout; wentelen, de aarde draait; (zeew.) wenden; de wind draait, verandert; duizelen, alles draait met mij; (fig.) bespieden, loeren, om een huis -; dralen, talmen, wat draait gij weder; foppen, bedriegen, gij zoekt mij weder te -; iem. een rad voor de oogen draaijen, iem. iets op de mouw spelden; met alle winden -, telkens van partij veranderen, den mantel naar den wind hangen; een weinig gedraaid (dronken) zijn. *-, o. gmv. draaijing. *...JER, m. (-s), die draait, talmer, misleider, looze kwant; man zonder beginselen; (zeew.) werktuig om het want te bevestigen. *...JERIJ, v. (-en), (fig.) looze uitvlugt, valsch voorwendsel, omweg; met -en omgaan. *...JING, v. (-en), het draaijen; wending; omwenteling, duizeling. *...JINGSVERMOGEN, o. gmv. polarisatie.
| |
[Draaikolk]
Draaikolk, m. (-en), afgrond, maalstroom (ook fig.). *...KOOI,
| | | |
v. (-jen), -TJE (B. -N), o. (-s), kooi op eene spil draaijende; spilhuisje; kooi van een eekhorentje. *...KRING, m. (-en). *...KUNST, v. gmv. kunst -, ambacht des draaijers. *...ORGEL, o. (-s). *...RAD, o. (-eren), (touwsl.) draaijend rad. *...REEP, m. (zeew.) zie SCHINKEL. *...SCHIJF, o. (...ven), pottebakkersschijf. *...SLIJPSTEEN, m. (-en). *...SPIL, v. (-len). *...SPIT, o. (...speten), spit om vleesch en gevogelte te braden. *...STEL, o. (-len), draaijende toestel. *...STOK, m. (-ken), (bij draaijers en schoenm.). *...TOL, m. (-len), zeker kinderspelletje. *...WERK, o. gedraaid werk (in hout, ivoor enz.). *...WIND, m. (-en), wervelvind. *...ZAAG, v. (...agen), draaijende zaag.
| |
[Draak]
Draak, m. (...aken), fabelachtig dier met vurige oogen en vleugels; (ook) slang met horens enz.; naam van een sterrebeeld; vlieger; (spr.) den - steken met iem., hem voor den gek houden.
| |
[Drab]
Drab, *-BE, v. gmv. droesem, moer, grondsop, *-BIG, bn. (-er, -st), troebel, modderig; eene -e sloot; -e inkt. -HEID, v. gmv. troebelheid, modderigheid.
| |
[† Drachma, Dragma]
† Drachma, Dragma, o. zeker medicinaal gewigt, aangewezen door het teeken 3 (= 3.845 ned. w.); munt der ouden.
| |
[Dradig]
Dradig, bn. vezelig, stokkerig; - vleesch, niet malsch.
| |
[Draf]
Draf, m. gmv. zekere gang van het paard of den ezel (harder dan de telgang; in den - zetten of brengen; (fig.) het op een - (of drafje) zetten, hard gaan loopen; droesem, grondsop; bezinksel; beestenvoeder; (landb.) spoeling.
| |
[Dragant]
Dragant, v. gmv. (plant.) boksdoorn.
| |
[Dragelijk]
Dragelijk, (B. DRAAGLIJK), bn. (-er, -st), te verdragen; de koude is -. *-HEID, v. gmv.
| |
[Dragen]
Dragen, bw. en ow. ong. (ik droeg, heb gedragen), torschen, aanhebben; overbrengen; eenen last -, kleederen -, eenen hoed -; in den winter draag ik wollen kousen; gewoon zijn te dragen, ik ken dien man, hij draagt een grijzen jas; die boom draagt reeds (heeft reeds vruchten); zwanger zijn (inz. van dieren), (de merrie draagt elf maanden; de balk draagt goed (de last rust er evenredig op); -e zeilen, die goed uitgespannen zijn; de wond draagt (ettert); (fig). zorg - (hebben); haat - (voeden); de kosten - (betalen); hij draagt zijne jaren wel, hij ziet er, hoewel oud, toch goed uit; de schuld van iets -. *-, o. gmv. overbrenging; draagloon; zwangerschap. *...GER, m. (-s), DRAAGSTER, v. (-s), die iets draagt; de dragers (van een lijk).
| |
[† Dragoman]
† Dragoman, m. (-s), tolk (bij de Turken).
| |
[† Dragon]
† Dragon, v. zekere plant; toekruid; geweven zilverstof; degenkwast. *-ADE, v. (gesch.) dwang op het volk door middel der ruiterij uitgeoefend (inz. in Frankrijk in 1685, onder Lodewijk XIV, tegen de hervormden). *-DER, m. (-s), ligte ruiter.
| |
[Dragt]
Dragt, (B. DRACHT), v. gmv. zoo veel in eens gedragen kan worden; eene - water, - hout; pak, een - slagen; hetgeen men tot kleeding draagt, welk eene leelijke - is dat; dat is geen - voor u; schootsverte (van een vuurwapen); een kanon van zoo veel ellen -; zwangerschap (inz. van dieren); broedsel; jongen; deze
| | | |
biggen zijn van ééne -; ettering; vuil oogetter. *-IG, bn. zwanger; etterend. -e oogen, leepoogen. *-IGHEID, v. gmv. zwangerschap. *-LIJN, v. (-en), (zeew.) zie LASTLIJN.
| |
[† Draineren]
† Draineren, bw. gel. (ik draineerde, heb gedraineerd), (landb.) droog leggen van landerijen; draineerbuizen, droogbuizen van gebakken aarde (tot het afvoeren van water).
| |
[† Draisine]
† Draisine, v. soort loopwagen.
| |
[Drakenbloed]
Drakenbloed, o. gmv. zeker plantenvocht (gebruikt in vernissen, oudt. ook in geneesmiddelen). *...BOOM, m. (-en), heestergewas. *...HOOFD, o. (sterr. en sterrew.), klimmende knoop van de maan. (aangeduid door het teeken ). *...KOP, m. gmv. zekere plant. *...KRUID, o. gmv. *...MAAND, v. (-en), tijd van den omloop der maan met betrekking tot hare knoopen. *...STEEN, m. slangensteen. *...SLANG, v. (-en), zekere horenslang. *...STAART, m. (-en), (sterr. en sterrew.) dalende knoop der maan, (aangeduid door het teeken ).
| |
[Dralen]
Dralen, ow. gel. (ik draalde, heb gedraald), talmen, gij moet niet langer -. *...LER, m. (-s). DRAALSTER, v. (-s). *...LING, v. gmv.
| |
[† Drama]
† Drama, o. (-as), tooneel-, treurspel; (ook fig.); dit was een bloedig -. *-TISCH, bn. en bijw. op de wijze van het (van een) drama; een - verhaal; iets - behandelen. *-TISEREN, bw. gel. een onderwerp als drama bewerken. *-TURG, m. (-en), tooneelkenner, schrijver over de regelen van de tooneeldichtkunst. *-TURGIE, v. gmv. regel -, theorie der tooneeldichtkunst.
| |
[Drang]
Drang, m. gmv. dwang, geweld, het dringen; aandrang; (fig.) nood; de - der omstandigheden. *-REDEN, v. (-en), bewijsgrond.
| |
[Drank]
Drank, m. (-en), drinkbaar vocht, al wat men drinkt; spijs en -; water is de beste -; sterke -, door kunst gestookt als: jenever, brandewijn; aan den - zijn, aan den sterken drank verslaafd zijn; medicijn, de dokter heeft hem eenen - voorgeschreven. *-HOOFD, m. (-en), dronkaard. *-HUIS, o. (...zen), herberg, kroeg. *-JE, (B. -N), o. (-s), geneesmiddel tot drinken bestemd; een - innemen of gebruiken. *-KELDER, m. (-s), waar sterke drank verkocht wordt. *-MEESTER, m. (-s), bottelier, keldermeester. *-OFFER, o. (-s), plengoffer, (wijn, melk of olie op een altaar geplengd). *-VERKOOPER, m. (-s). *-VERKOOPSTER, v. (-s). *-WINKEL, m. (-s), kroeg.
| |
[† Draperen]
† Draperen, bw. gel. (ik drapeerde, heb gedrapeerd), met doek of met mantels omhangen of omkleeden (eenen mensch, een beeld), die schilder weet zijne beelden goed te -; deze tooneelspeler drapeert zich goed. *...PERING, v. (-en), omkleeding; de - is goed gekozen. *...PERIE, v. (...ën), behangsel, dubbele gordijnen; geplooid bedbehangsel.
| |
[Dras]
Dras, v. gmv. slijk, modder, moeras, weeke aarde. *-, bn. (-ser), moerassig, week (van grond). *-LAND, o. (-en), weeke -, moerassige grond. *-SIG, bn. (-er, -st), moerassig.
| |
[Draven]
Draven, ow. gel. (ik draafde, heb gedraafd), harder loopen dan de telgang (van paarden); (ook fig.) hard loopen; (iets) overijld verrigten; doordraven. *...VER, m. (-s), hardlooper; paard dat goed draaft. DRAAFSTER, v. (-s). *...VIG, v. (plant.) zek. kruid.
| | | |
| |
[↑ Drecht, Trecht]
↑ Drecht, Trecht, v. gmv. overvaart, (uitgang der namen van verschillende nederlandsche plaatsen, als: Dordrecht, Duivendrecht, Mijdrecht, Moordrecht, Sliedrecht, Haastrecht, Utrecht).
| |
[Dreef]
Dreef, v. (dreven), laan, wandelperk, warande; kudde; (dicht.) de aardsche dreven, de aarde; (fig.) goede luim, gewone vaardigheid; hij is niet op zijne -. *-, (oudt.) oorveeg, slag in het aangezigt.
| |
[§ Dreet]
§ Dreet, v. gmv. buikontlasting.
| |
[Dreg]
Dreg, v. (-gen), *-GE, v. (-n), haak met drie of meer ankers (om drenkelingen op te halen). *-JE, *-GETJE, (B. -N), o. (-s), kleine dreg. *-GEN, bw. gel. (ik dregde, heb gedregd), met eene dreg uit (het water) halen; (zeew.) een touw vastleggen (met een anker). *-NET, o. (-ten), soort sleepnet. *-TOUW, o. (-en).
| |
[Dreigen]
Dreigen, ow. en bw. gel. (ik dreigde, heb gedreigd), eene bedoeling (ten kwade) uiten (door woorden of gebaren); hij dreigde mij te slaan; ik dreigde hem alles te zullen vertellen; op het punt staan van, ik dreigde te vallen, dit gebouw dreigt in te storten; het dreigt te regenen; bedreigen. *-, o. gmv. al uw - baat niets. *-D, bn. (-er, -st). *...GEMENT, o. (-en), bedreiging. *...GER, m. (-s). DREIGSTER, v. (-s). *...GING, v. het dreigen.
| |
[Drek]
Drek, m. gmv. uitwerpsel; mest; uitschot; vuil; aanveegsel; (fig.) in den - vallen, de eer verliezen (inz. van meisjes); iem. uit den - helpen, hem voor oneer behoeden; hij heeft geld als -, is zeer rijk. *-BAK, m. (-ken), vuilnisbak. *-GOOT, v. (...oten), riool. *-HOOP, m. (-en), mesthoop. *-KAR, v. (-ren), vuilniskar. *-KIG, bn. (-er, -st), vuil, vol vuilnis. *-POEDER, o. (-s), (tuin.) fijne drooge mest. *-REUK, m. gmv. stank van vuilnis. *-STOFFEN, v. mv. faecale stoffen, poortaarde, beer. *-WAGEN, m. (-s), drekkar.
| |
[Drempel]
Drempel, m. (-s), dorpel, (ook fig.). *-BEWAARDER, m. (-s), poortier. *-BEWAARSTER, v. (-s), poortierster.
| |
[Drenkbak]
Drenkbak, m. (-ken), trog.
| |
[Drenkeling]
Drenkeling, m. en v. (-en), die bij ongeluk in het water ligt of reeds verdronken is; maatschappij tot redding van -en (te Amsterdam). *...KEN, bw. gel. (ik drenkte, heb gedrenkt), drinken geven aan; bevochtigen; de regen drenkt de aarde, het vee. *...KING, v. gmv.
| |
[Drenkplaats]
Drenkplaats, v. (-en), *...WED, o. (-den), plaats waar (het vee) drinkt. *...TROG, v. (-gen), bak waaruit het vee drinkt.
| |
[Drentelen]
Drentelen, ow. gel. (ik drentelde, heb gedrenteld), dralen, talmen; (oudt.) sammelen, lanterfanten. *...AAR, m. (-s). -STER, v. (-s). *...ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st). *...ING, v. gmv.
| |
[† Dresseren]
† Dresseren, bw. gel. (ik dresseerde, heb gedresseerd), afrigten; kunstjes leeren (aan een dier), een paard -, eenen hond -. *...SEERPLANK, v. (-en), letterzettersgereedschap. *...SUUR, v. gmv. afrigting, opmaking (van stoffen).
| |
[Dreum]
Dreum, *-EL, m. (wev.) overgebleven draden van het weefsel. *-ES, m. (-sen), -JE, (B. -N), o. (-s), dwerg, mismaakt ventje.
| |
[Dreun]
Dreun, m. gmv. schudding; schok; deun. *-EN, ow. gel. (ik dreunde, heb gedreund), schudden, geschokt worden; het huis dreunde van den schok. -, o. *-ING, v. (-en), schudding.
| | | |
| |
[Dreutel]
Dreutel, m. (-s), keutel, hoopje drek; (fig.) kleine -, ventje. *-AAR, m. (-s), -STER, v. (-s), talmer, talmster. *-EN, ow. gel. (ik dreutelde, heb gedreuteld), talmen, luijeren. *-IJZER, o. (zeew.) drijfijzer.
| |
[Drevel]
Drevel, m. (-s), drijfijzer, ijzeren boutje (om spijkers in te drijven).
| |
[Dribbelen]
Dribbelen, ow. gel. (ik dribbelde, heb gedribbeld), waggelend loopen, (ook) met kleine sprongen loopen (inz. van kinderen). *...AAR, m. -STER, v., § *...GAT, m. en v., *...HANS, m. die dribbelend loopt. *...ING, v. gmv. het dribbelen.
| |
[Drie]
Drie, tlw. *-, v. de -, het getalmerk; (spr.) alle goede zaken bestaan in -; met hun drieën; in - tellen ben ik weder bij u; (kaarts.) - roemen, drie opeenvolgende kaarten aanzeggen; het is over -ën; schotsche -, zekere dans. *-BEENIG, bn. met drie beenen. *-BLADIG, bn. met drie bladen. *-BLOEMIG, bn. met drie bloemen. *-DEELEN, bw. gel. (ik driedeelde, heb gedriedeeld), op een derde der waarde brengen; tierceren. *-DEELIG, bn. in drieën verdeeld of te verdeelen. *-DEKKER, m. (-s), schip met drie verdekken; (oudt.) groot oorlogschip. *-DERHANDE, *-DERLEI, bn. van drie soorten, drievoudig. *-DIK, bn. met drie lagen. *-DRAAD, m. gmv. stof van drie draden geweven. -SCH, bn. *-DUBBEL, bn. en bijw. drievoudig; de -e kroon, de pauselijke kroon; (fig.) hij kan het - (ruim) betalen. -HEID, v. gmv. drievoudigheid. *-EENHEID, *-EENIGHEID, v. gmv. drievuldigheid Gods (christelijk geloofsbeginsel). *-EENIG, bn.
| |
[Driegen]
Driegen, bw. (ik driegde, heb gedriegd), (naaist.) hechten, rijgen (met wijde steken). *...DRAAD, m. (-en), rijgdraad.
| |
[Driehoek]
Driehoek, m. (wisk.) drielijnige figuur drie hoeken vormende. *-IG, bn. *-SCHELP, v. (-en), (nat. h.) soort week dier. *-SMETING, v. (wisk.) regthoekige -. *...HOEVIG, bn. (nat. hist.) met drie hoeven. *...HOOFDIG, bn. met drie hoofden. *...JARIG, bn. drie jaar oud; alle drie jaren terugkeerende; een - kind; een - feest. *...KANTIG, bn. met drie kanten of zijden; een -e hoed, een predikantshoed, steek. *...KLAAUWIG, bn. met drie klaauwen. *...KLANK, m. (-en), (taalk.) drie verschillende zelfklinkers te zamen. *...KLEURIG, bn. met drie kleuren; de -e vlag, (driekleurvlag, rood, wit en blaauw). *...KLESOOR, v. (mets.) drie vierde (steens) muur. *...KONINGEN, -DAG, -FEEST, o. christlijke feestdag (6 Januarij). *...LETTERGREPIG, bn. van drie lettergrepen. *...LING, m. en v. (-en), één van drie kinderen van dezelfde dragt of zwangerschap; (soort) schuit; spijker; blok van eene in drieën gezaagde spaak. -EN, mv. drie kinderen van dezelfde zwangerschap. *...MAAL, bijw. drievoudig; drie keeren. *...MAN, m. (rom. gesch.) een der drie mannen die te Rome het opperste bewind in handen hadden. -SCHAP, o. gmv. verbond -, bewind der drie mannen. *...MASTER, m. (-s), zeeschip met drie masten. *...OOGIG, bn. met drie oogen. *...PONDER, m. (-s), kogel van drie pond. *...PUNTIG, bn. met drie punten. *...SCHALIG, bn. met drie doppen. *...SCHIJN, m. (sterr.), (aangewezen door het teeken Δ). *...SLAG, m. (-en), (damsp.) slag van drie schijven in eens; (rijsch.) soort telgang. *...SPLEET, v. (bouwk.) driedubbele groef. *...SPLETIG, bn. met drie spleten. *...SPRONG, m. (-en), plaats waar drie wegen zamenloopen.
| | | |
| |
[Driest]
Driest, bn. en bijw. (-er, -st), dom, blind, stout, onbesuisd; - geweld. *-ELIJK, bijw. op stoute wijze. *-HEID, v. onberaden stoutheid; domheid; verblinding.
| |
[Driestal]
Driestal, m. (-len), drievoet. *...TAKKIG, bn. met drie takken. *...TAL, o. (-len). *...TAND, m. (-en), staf met drie tanden; (fab.) de - van Neptunus. -IG, bn. met drie tanden. *...VOET, m. (-en), met drie voeten; (gesch.) de - der Pythia, waarop de priesteres van Delphi stond als zij de godspraak van Apollo uitte; ruststaak voor eene mand; soort schraag. *...VOUDIG, *...VULDIG, bn. en bijw. driedubbel. -HEID, v. gmv. de heilige -, de drieëenheid. *...WERF, bijw. driemaal. *...WIJVIG, bn. (plant.) -e plant, met drie stampertjes. *...ZIJDIG, bn. met drie zijden.
| |
[Drift]
Drift, v. (-en), kudde, troep; eene - ossen; zwerk, wolken-; (water) strooming; oploopendheid, gramschap, toorn; hij is zijner - geen meester, kan zijne gramschap niet bedwingen; in - geraken, ontsteken; -en, hartstogten; de menschelijke -en. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), (zeew.) drijvende, losgeraakt (van het anker); overhaast, met drift; oploopend, gij moet u niet zoo - maken. -LIJK, bijw. -HEID, v. gmv. overhaasting, oploopendheid. *-REGT, o. gmv. weideregt.
| |
[Drijfanker]
Drijfanker, o. (-s), vloed- en eb-anker. *...BOUT, m. (-en), (timm.) bout om nagels uit te slaan. *...DEUR, v. (-en), sluisdeur. *...HAMER, m. (-s), groote timmermanshamer. *...HOUT, o. (-en), (kuip.) werktuig om de hoepels vast te slaan; drijvend hout (door den vloed medegevoerd). *...IJS, o. gmv. drijvende (ijs)schollen. *...IJZER, o. (-s), (soort) drijfhamer. *...LAND, o. gmv. aangespoeld land. *...RAD, o. (-eren), hoofdrad; (fig.) hoofdaanlegger, -bewerker. *...STEEN, m. (-en), soort puimsteen. *...STER, v. (-s), zij die drijft. *...TILLEN, v. mv. drijvende eilanden. *...TOL, m. (-len), tol die met een zweepje draaijende wordt gehouden (kinderspel). *...TON, v. (-nen), boei, baak. *...VEER, v. (...eren), (werkt.) hoofdveer; (fig.) hoofdoorzaak, beweegreden; dit was de - zijner handelingen. *...WERK, o. (-en), gedreven (goud- of zilver-) werk. *...ZAND, DRIFZAND, o. (-en), welzand.
| |
[Drijten]
Drijten, bw. ong. (ik dreet, heb gedreten), zijne natuurlijke behoefte doen. *...TER, m. (-s). DRIJTSTER, v. (-s).
| |
[Drijven]
Drijven, bw. en ow. ong. (ik dreef, heb gedreven), jagen, voortduwen, slaan, stooten, aanzetten; de ossen -; eenen spijker in den muur -; de wind drijft de wolken; figuren enz. op goud of zilver uitkloppen, ciseleren, gedreven zilver; zich op de oppervlakte eener vloeistof bewegen, het hout drijft; het schip dreef hulpeloos op de baren; hij liet de boot op hare riemen -; op zijne ankers -, afgeslagen zijn van het anker; vliegen zonder zigtbare beweging, de vogels - op hunne vleugelen, overstroomd zijn; de grond dreef; de akkers dreven; doornat zijn, ik dreef toen ik te huis kwam; (fig.) doorzetten, hij dreef die zaak uit al zijne magt; den spot - met iem., iem. voor den gek houden; hij drijft de scherts te ver; handel - in goederen, op of naar (een land); op eigen wieken - (of dobberen), uit eigen middelen bestaan. *-D, bn. stroomend, golvend; - nat, doornat. *...VER, (-s), die (voor zich heen) drijft, jaagt; (fig.) door- | | | | zetter,
ijveraar; (ook) zeker werktuig, vlotter. -TJE, (B. -N), o. (-s), blikje met kurk waarin het nachtpitje zit en dat op de olie drijft. *...VING, v. het drijven, drijfwerk.
| |
[Dril]
Dril, m. (-len), soort steenboor; gestold kalfsnat (ook lil genoemd); soort geweven stof, russisch linnen; (fig.) op den - gaan, zwieren. *-BOOG, m. (...bogen), pees aan de drilboor. *-BOOR, v. (...boren). *-GAT, o. (-en), gat door de drilboor gemaakt; (fig.) § loopster, straatmeid. *-HUISJE, (B. -N), o. (-s), waarin het drilijzer zich beweegt. *-IJZER, o. (-s). *...KUNST, v. gmv. kunst om de wapenen te leeren hanteren. *-LEN, bw. gel. (ik drilde, heb gedrild), gaten maken (met de drilboor); in den wapenhandel onderrigten, (soldaten) oefenen; afrigten (in eenige kunst); zwaaijen, hij drilde zijne speer; trillen; (fig.) wij zullen hem wel -, wel te regt brengen (door straf enz.); zuiveren. *-LER, m. (-s), die (gaten) drilt; die soldaten oefent. *-LINGS, v. gmv. zekere geweven stof. *-MEESTER, m. (-s), scherm-meester; sergeant-instructeur (der rekruten). *-PLAATS, v. (-en), *-VELD, o. (-en), exercitie-veld, oefeningsplaats.
| |
[Dringen]
Dringen, bw. en ow. ong. (ik drong, heb gedrongen), stootende -, drukkende zoeken te verplaatsen; iem. van zijne plaats -; he! dring zoo niet (in eenen volkshoop); eene prop in eene opening -, afrukken; (fig.) ik werd daartoe gedrongen (gedwongen); de nood dringt; zie- DOORDRINGEN, INDRINGEN. *-D, bn. indrukkend, (fig.) -e bezigheden, die geen uitstel dulden; dat is - noodzakelijk. *...ER, m. (-s), *...STER, v. (-s), die dringt, aanzet, aanport, (ook fig.). *...ING, v. het dringen.
| |
[Drinkbaar]
Drinkbaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), goed om gedronken te worden. *...BAK, m. (-ken), -JE, (B. -N), o. (-s). *...BEKER, m. (-s).
| |
[Drinkebroêr]
Drinkebroêr, m. (-s), dronkaard.
| |
[Drinken]
Drinken, bw. en ow. ong. (ik dronk, heb gedronken), eenige vloeistof tot zich nemen; de spons drinkt het vocht; - uit (een glas, kopje enz.); den giftbeker -; (fig.) iemands gezondheid of op de gezondheid van iem. -; iem. van de bank -, hem zooveel laten drinken dat hij van zijne plaats rolt, hem de loef afwinnen in het drinken; (fig.) hij kan zijn bloed -, is zijn gezworen vijand; hij drinkt, is aan den drank verslaafd. *-, o. gmv. het drinken, (ook) drank; dat - deugt niet; het eten en - is er goed; verslaafdheid aan den (sterken) drank, zijn - deed hem den dood. *...ER, m. (-s), dronkaard. *...STER, v. (-s). *...ERIJ, v. drinkgelag; (fig.).
| |
[Drinkgelag]
Drinkgelag, o. vertering in eene herberg of kroeg; gezelschap van drinkebroêrs; den geheelen dag is hij bij zijne -en. *...GELD, o. gmv. fooi. *...GEZEL, o. (-len), makker in de drinkgelagen, broeder van de flesch; dronkaard. *...GEZELSCHAP, o. (-pen). *...GLAS, o. (...azen). *...HOREN, m. (-s). *...HUIS, o. (...zen), kroeg. *...KAMER, v. (-s), verzamelplaats der drinkers (in eene herberg); plaats bestemd om er ververschingen te gebruiken. *...KAN, v. (-nen). *...KOP, m. (-pen). -JE, (B. -N), o. (-s). *...LIED, o. (-eren). *...LUST, m. gmv. *...PARTIJ v., (-en), drinkgelag. *...PENNING, m. (-en), drinkgeld. *...PLAATS, v.(-en),
| | | |
drinkkamer; drenkplaats. *...SCHAAL, v. (...alen), drinkbeker. *...VAT, o. (-en), (beter) *...VAAS, v. (...azen).
| |
[Droef]
Droef, bn. en bijw. neêrslagtig; ik ben, het is mij - te moede. *-ENIS, v. (-sen), (bijbelst.). -SE, v. (-n), bedroeving, droefheid. *-GEESTIG, bn. neêrslagtig, bedroefd, treurend. -HEID, v. gmv. treurigheid, neêrslagtigheid.
| |
[↑ Droelen]
↑ Droelen, bw. gel. (ik droelde, heb gedroeld), foppen, misleiden. *...ER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...ING, v. gmv.
| |
[Droes]
Droes, m. gmv. zek. paardenziekte; (fig.) duivel; de - hale mij als ik het weet. *-EM, m. (-s), het onderste, afzetsel, grondsop. *-IG, bn. vol droesem.
| |
[Droevig]
Droevig, bn. en bijw. droef, bedroefd, treurig, treurend; wat ziet hij er - uit. *-LIJK, bijw. treuriglijk.
| |
[Droezig]
Droezig, bn. met den droes bedekt (van paarden); (ook) verkouden (van menschen).
| |
[† Droget]
† Droget, v. zek. geweven stof.
| |
[Drogrede]
Drogrede, v. (-nen), valsche -, bedriegelijke redenering, sophisme. *-NAAR, m. (...aren, -s), valsche wijsgeer, sophist.
| |
[Drok]
Drok, bn. en bijw. overhaast; wat zijt gij weder -; wees zoo - niet in het spreken; bezig, veel te doen hebbende, een -ke dag; ik kan u nu niet spreken, ik heb het te -; beklant, deze winkel heeft het zeer -. *-TE, v. gmv. overvloed van bezigheid, overhaasting, overdrijving; wat hebt gij of wat maakt gij een -! gedrang, daar is veel -.
| |
[§ Drol]
§ Drol, m. (-len), gedraaid stuk van eenige stof (inz. menschendrek), keutel; (oudt.) grappenmaker. *-LIG, bn. en bijw. koddig, kluchtig. -LIJK, bijw. *-LIGHEID, v. (...heden), klucht, grap. *-SUIKER, v. gmv.
| |
[Drom]
Drom, m. (-men), menigte, opeengedrongen hoop; de vijandelijke -men, gelederen. *-EDARIS, m. (-sen), soort kameel; (fig.) zware kerel. *-GAREN, o. (wev.) inslag, rijggaren. *-MEL, m. gmv. duivel, de booze; dat is de -! de zwarigheid; voor den -! de -! duivelsch! *-MELSCH, bn. en bijw. die -e vent; -! duivelsch.
| |
[Dronk]
Dronk, m. gmv. teug, slok; een - water, wijn; eenen kwaden -, eenen goeden - hebben, kwaad -, goed in zijne dronkenschap zijn. *-AARD, (B. *-AART), m. (-s), die aan den drank verslaafd is; zij heeft een - van een man, haar man is een dronkaard. *-KEN, bn. en bijw. bedwelmd, verbijsterd door den drank; beschonken; de wijn maakt hem -; - van vreugde; zich - drinken. *-ENACHTIG, bn. een weinig dronken. *-ENSCHAP, v. gmv. beschonkenheid, staat van een dronken mensch; (ook fig.) zinsverbijstering.
| |
[Droog]
Droog, bn. en bijw. het tegenovergestelde van nat of vochtig; dor, onvruchtbaar, een -e grond; - brood; - maken, het geschrevene (door zand); eene gracht - maken, dempen; akkers - leggen; eene -e weide, hooge -, zandachtige grond; hoog en -, veilig, beschut; men kan dit met geen -e oogen aanzien, niet ongevoelig er bij blijven; dit zeide hij - weg, ongevoelig, onbeschroomd; eene -e min, vrouw die alleen voor het oppassen der kinderen is; (fig.) min
| | | |
die een kind oppast; hij heeft een -en hoest, een kuch zonder slijm; een - mensch, onvriendelijk -, onbespraakzaam mensch; eene -e wetenschap. *-ACHTIG, bn. een weinig droog. *-BAD, o. (-en), zandbad. *-DOEK, m. (-en), afneem-, vaat-, wrijfdoek. *-E, o. gmv. drooge plek of plaats; op het -e zitten of verzeild zijn, op eene zandbank zitten; zijne schaapjes op het - hebben, genoeg geld hebben. *-JE, (B. -N), o. gmv. op een - zitten, ergens zitten zonder dat iets (tot verversching) aangeboden wordt. *-JES, bijw. op eene drooge wijze. *-EN, bw. en ow. gel. (ik droogde, heb gedroogd), droog maken, - worden; (scheik.) roosten; de borden -, afnemen met een doek; linnen -, de wasch -, zijne handen -, aan eenen handdoek afvegen. *-ERIJ, v. (-en), plaats waar iets gedroogd wordt (inz. visch); het droogen zelf; gedroogde kruiden, - planten; koopman in -en, in geneeskruiden. *-HEID, v. gmv. het drooge, dorheid; afgetrokkenheid, onvriendelijkheid. *-HOUDEN, o. gmv. beveiliging tegen het indringen van vocht. *-ING, v. (-en), het droog maken, - worden. *-IST, m. (-en), verkooper van droogerijen. *-KAS, v. (-sen), droogrek. *-LAT, v. (-ten). *-LEGGEN, o. het - (draineren) van landerijen. *-LIJST, v. (-en), zeker werktuig der vuurwerkmakers. *-MAKERIJ, v. (-en), het droogmaken of uitmalen van eenen waterplas. *-MONDS, bijw. met droogen mond, nuchteren. *-PLAATS, v. (-en). *-REK, o. (-ken). *-SCHEERDER, m. (-s), lakenbereider. *-SCHEREN, o. het lakenbereiden. *-SCHACHT, v. (-en). *-SCHUUR, v. (...uren). *-STOK, m. (-ken), zolderstok, waaraan natte waschgoederen worden opgehangen. *-TE, v. gmv. gebrek aan regen enz. *-ZOLDER, m. (-s), plaats (boven in het huis) waar waschgoed gedroogd wordt; -tje spelen, linnengoed ergens in huis te droogen hangen.
| |
[Droom]
Droom, m. (-en), beneveling van het denkvermogen en der zinnen door den slaap; in eenen - verzonken zijn; iets in - zien; -en zijn bedrog; een blijde -, een benaauwde -, een koortsachtige -, (gen.) ontuchtige -en; het leven is een -; iem. uit den - helpen, hem beter onderrigten. *-ACHTIG, *-IG, bn. (-er, -st), zie DROOMERIG. *-BOEK, o. (-en), dat de droomen uitlegt. *-EN, bw. en ow. eenen droom hebben; ik - zelden als ik slaap; ik heb dezen nacht naar gedroomd; verstrooid zijn van gedachten; (fig.) wat staat gij daar te -; wie zou dat gedroomd (gedacht, verwacht) hebben! zich vergissen; kom, kom, gij droomt. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), die droomt; (fig.) slaperig -, vadzig mensch. *-ERIG, -IG, bn. en bijw. (-er, -st), vadzig, onnoozel, afgetrokken. -HEID, v. gmv. afgetrokkenheid, vadzigheid. *-UITLEGGER, *-VERKLAARDER, m. (-s). -VERKLAARSTER, v. (-s). *-UITLEGGING, *-VERKLARING, v. (-en).
| |
[↑ Droopen]
↑ Droopen, bw. (ik droopte, heb gedroopt), besproeijen. *...ING, v. gmv.
| |
[Drop]
Drop, m. (B.v.) druipend vocht; (spr.) van den regen in den -, van kwaad tot erger; zie DROPPEL; verharding in de vrouwenborsten; gestold aftreksel van zoethout; zwarte -, witte -; (fig.) drank; hij is een minnaar van den -. *-BAD, o. (-en), stortbad, stuifbad. *-JE, (B. -N), o. (-s), slokje; ik heb nog geen - geproefd; peren
| | | |
-s, soort gesuikerde klontjes. *-PEL, m. (-s, -en), druppel; afgescheiden vochtdeeltje; de regen valt bij -s; geen - bloed werd gestort; zij gelijken elkander als twee -s water; (bouwk.) bijwerk onder kapiteelen. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine droppel; -s, (apoth.) soort spiritus, die bij droppels toegediend wordt. *-PELEN, ow. gel. (ik droppelde, heb gedroppeld), in droppels vallen. *-PELING, v. gmv. het droppelen. -s, bijw. bij droppels. *-PELPIS, v. gmv. pijnlijke waterloozing. *-PEN, ow. gel. (ik dropte, heb gedropt), druipen. *-STEEN, m. gmv. versteend of verhard vocht uit de rots nederdruipende, stalactiet. -ACHTIG, bn. (-er, -st), naar dropsteen gelijkende. *-WIJN, m. gmv. lekwijn.
| |
[† Drosometer]
† Drosometer, m. (-s), dauwmeter.
| |
[↑ Drossaard]
↑ Drossaard, (B. ...AART), m. (-s), drost, baljuw. *-SCHAP, o. gmv. waardigheid -, betrekking -, regtsgebied van den drost.
| |
[↑ Drossel]
↑ Drossel, m. (-s), lijster, (vogel).
| |
[Drost]
Drost, m. (-en), drossaard, schout, baljuw. *-AMBT, o. gmv. drossaardschap. *-IN, v. (-nen), vrouw van den drost.
| |
[† Druïde]
† Druïde, m. (-n), priester der oude Kelten in Germanië. *-NDIENST, v. gmv. eeredienst door de Druïden onderwezen. *-NLEER, v. gmv. *-NTEMPEL, m. (-s). *-NWOUD, o. (-en).
| |
[Druif]
Druif, v. (...ven), zekere sappige herfstvrucht; wijn -; de - wordt door de zon gestoofd; druiven lezen, garen; druiven persen, (om wijn te verkrijgen). *-, knop (aan een kanon); schroot. *-GEZWEL, o. (-len), zek. oogziekte. *-KRUID, o. gmv. soort geneeskruid, piment. *-VLIES, o. (...zen), derde oogvlies. *-VORMIG, bn. (-er, -st).
| |
[Druil]
Druil, o. (-en), (zeew.) bootszeil, broodwinder; sluimering, in den -. *-EN, ow. gel. (ik druilde, heb gedruild), talmen; sluimeren. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), *-OOR, m. en v. (-en), talmer, slaper, slaapster. *-OOREN, ow. gel. (ik druiloorde, heb gedruiloord), druilen. *-OORIG, bn. (-er, -st), talmend, slaperig, lusteloos. -HEID, v. gmv. slaperigheid, lusteloosheid.
| |
[Druipen]
Druipen, ow. ong. (ik droop, heb of ben gedropen), in druppels nedervallen, doorzijgen; het vocht droop uit het vat; het zweet droop van zijn voorhoofd; toen ik te huis kwam droop ik (van den regen); de goot druipt; (fig.) door de mand -, klappen, tot bekentenis komen; (fig.) er niet doorkomen (bij een examen); door de kleederen -, vermageren; hij ziet er uit alsof hij van de galg gedropen was, hij heeft een laag voorkomen. *...ER, -D, m. (-s), zek. venerische ziekte. *...ING, v. gmv. *...NEUS, m. (...zen), druipende neus. *...OOG, m. en v. (-en), leepoog, die roode oogen heeft. *...STAART, m. (-en), dier dat den staart tusschen de pooten laat hangen. -EN, ow. gel. (ik druipstaartte, heb gedruipstaart), den staart tusschen de beenen laten hangen (van angst); (fig.) -de wegloopen, wegsluipen. *...STEEN, m. (-en), waar de droppels op vallen (van eene goot enz.).
| |
[Druischen]
Druischen, ow. gel. (ik druischte, heb gedruischt), met geraas zich (tegen iets) bewegen; aandruischen. *...ING, v. gmv. het druischen.
| |
[Druivenbloed]
Druivenbloed, o. gmv. wijn. *...BOOM, m. (-en), westindische boom. *...CONFITUUR, v. (...uren), *...GELEI, o. (-jen), gesuikerde
| | | |
druiven. *...DRAGER, m. (-s), *...DRAAGSTER, v. (-s), werker -, werkster bij den wijnoogst. *...KORF, m. (...ven), korf der wijnoogsters. *...KORREL, m. (-s). *...PIT, v. (-ten). *...LEZING, v. *...OOGST, m. gmv. wijnoogst. *...PERS, v. (-en), wijnpers. -ER, m. (-s). -STER, v. (-s). *...PLUK, m. gmv. -KER, m. (-s). -STER, v. (-s). *...RANK, m. (-en), wijnrank. *...SAP, o. gmv. (dicht.) wijn. *...SCHIL, v. (-len). *...STEEL, m. (...elen), steel van eene druiventros. *...SUIKER, v. gmv. eene suikersoort in zoete vruchten. *...TRAPPER, *...TREDER, m. (-s), *...TRAPSTER, *...TREEDSTER, v. (-s), die met de voeten de druiven perst in de kuip. *...TROS, v. (-sen), rist druiven. *...VOCHT, o. gmv. *...ZIEKTE, v. oïdium, zekere ziekte (soms) in de druiven heerschende. *...ZUUR, o. gmv. zeker zuur in het druivensap.
| |
[Druk]
Druk, m. gmv. drukking, persing; (fig.) onderdrukking; nood, ellende, benaauwdheid; onder den - der slavernij gebukt gaan; het drukken, afdruk (van letters); een fraaije -; een onduidelijke -; in - geven, uitgeven, openbaren (door den druk), (in ruimeren zin) uitgave, oplage; de eerste -, tweede - (van een werk). *-, bn. zie DROK. *-BAL, m. (-len), boekdrukkersgereedschap. *-BANK, v. (-en). *-DOEK, m. (-en), doek bij het afdrukken gebezigd. *-FEIL, *-FOUT, v. (-en), lijst van -en, errata. *-GEWIGT, o. gmv. hefboomlast. *-INKT, m. gmv. *-KEN, bw. gel. (ik drukte, heb gedrukt), met zekere kracht of overwigt op iets persen of dringen; eene kurk op eene flesch -; een cachet of zegel op eenen brief -; de hand (aan iemand) -; iem. aan het hart -; knellen, persen, dat eten drukt mij (mijne maag); iemands voetstappen -, zijn voorbeeld navolgen; mijne schoenen - mij; (fig.) bevestigen, het zegel op iets -; verdrukken; hij drukt het volk met zijne tirannie; het gemoed bezwaren, die ondankbaarheid drukt mij; het geheim drukte hem; afdrukken (door middel eener pers); een gedrukt werk; haast zullen wij beginnen te -; het staat of is gedrukt; (spr.) hij liegt alsof het gedrukt was. *-KEND, bn. en bijw. dringend, persend; -e belastingen; eene -e hitte, groote warmte. *-KER, m. (-s), die drukt; (inz.) boek-, plaatdrukker; (werkt.) knop, trekker; (fig.) fooi, gave; geef hem maar een fikschen -, eene goede fooi; zoen, omhelzing, (inz. van kinderen). *-KERIJ, v. (-en), werkplaats der boekdrukkers. *-KERSKAS, v. (-sen), letterkas. *-KERSGAST, m. (-en), boekdrukkersknecht. *-KERSJONGEN, m. (-s). *-KERSKLOPPER, m. (-s), zeker werktuig der boekdrukkers. *-KERSKNECHT, m. (-s). *-KERSRAAM, o. (...ramen). *-KING, v. gmv. het dringen, persen; de - der lucht. -SMETER, m. (-s), zek. werktuig. *-KOGEL, m. (-s), zekere bal der vuurwerkers. *-KOSTEN, m. mv. *-KUNST, v. gmv. boekdrukkunst, typographie. *-LETTER, v. (-s), letter, door haren vorm en stand bepaald geschikt om gedrukt te worden; (ook) gedrukte letter. *-LOON, o. (-en), werkloon des boekdrukkers. *-PAPIER, o. gmv. papier bereid om er op te drukken. *-PERS, v. (-en), kunstig zamengesteld werktuig tot drukken (van boeken); (fig.) alles wat in een land gedrukt wordt, (inz.) dagbladen; zie PERS; de vrijheid der -. *-PLAAT, v. (...aten), plaat met vaste letters, stereotype. *-POMP, v. (-en), perspomp. *-PROEF, v. (...ven).
| | | |
*-SCHRIFT, o. (-en), gedrukte tekst. *-TE, v. zie DROKTE. *-WERK, o. (-en), gedrukt werk.
| |
[Druppel]
Druppel, m. zie DROPPEL. *...PEN, ow. gel. (ik drupte, heb of ben gedrupt), droppelen.
| |
[† Dryade]
† Dryade, v. (-n), boschnimf, boomnimf.
| |
[† Dualis]
† Dualis, o. dubbeltal (in de grieksche spraakkunst). *-MUS, o. gmv. dubbel beginsel, dubbele grondvorm (van goed en kwaad). *-TEN, m. mv. (nat.) aanhangers der theorie volgens welke er twee elektrische vloeistoffen bestaan.
| |
[Dubbel]
Dubbel, bn. en bijw. tweevoudig; een - getal; eene -e vergadering; eene -e deur, winterdeur; een -e tand; de vijand was - zoo sterk; dat is - erg (of zoo erg). *-, o. gmv. hij vroeg mij het -e van den prijs; de -en, gelijke exemplaren van een oud werk, - van oude penningen. *-HAAK, m. (...haken), (vest.) soort vuurwapen. *-HARTIG, bn. (-er, -st), geveinsd, verraderlijk, valsch. -LIJK, bijw. -HEID, v. gmv. geveinsdheid, valschheid. *-HEID, v. gmv. bijgeloovig begrip van een dubbel bestaan; tweevoudigheid. *-ING, v. gmv. het dubbelen; (zeew.) kielbekleeding; een schip met koperen -. *-SCHADUWIGEN, m. mv. (aardr.). *-SPAATH, o. gmv. zekere gekristalliseerde koolzure kalk. *-STERREN, v. mv. sterren die zoo digt bij elkander staan dat men met het bloote oog maar ééne ziet. *-TJE, (B. -N), o. (-s), tweestuivers-, tiencentstukje. *-TONGIG, bn. en bijw. (-er, meest -), valsch, onopregt. -HEID, v. gmv. valschheid, onopregtheid. *-ZINNIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. voor twee uitleggingen vatbaar; de godspraken hadden meest eene -e beteekenis, -HEID, v. (...heden), vatbaarheid om op twee wijzen te worden verklaard of verstaan; ontuchtige woordspeling. *-ZOUT, o. (-en), zekere chemische verbinding.
| |
[↑ Dubben]
↑ Dubben, ow. gel. (ik dubde, heb gedubd), twijfelen, aarzelen. *...BER, m. (-s), twijfelaar. *...STER, v. (-s), twijfelaarster. *...BING, v. gmv. twijfeling.
| |
[† Dubblet]
† Dubblet, o. gmv. twee oogen (in het dobbelspel); een - gooijen.
| |
[† Dubieus]
† Dubieus, bn. twijfelachtig. *...BITATIE, v. gmv. onzekerheid, twijfel.
| |
[† Dubloen]
† Dubloen, m. (-en), zuid-amerik. goud-munt (= ƒ40 ned.).
| |
[† Ducdalf, Ducd'alve]
† Ducdalf, Ducd'alve, m. (...ven), twee of drie aanlegpalen (te zamen vereenigd).
| |
[Duchten]
Duchten, bw. gel. (ik duchtte, heb geducht), vreezen. *...IG, bn. en bijw. (fig.) geducht, vreeselijk; hij werd - afgerost. *...ING, v. gmv. het duchten.
| |
[† Ductiel]
† Ductiel, bn. (-er, -st), smeedbaar, taai. *...TILITEIT, v. gmv. smeedbaarheid, taaiheid. *...TUS, m. gang, uitlozingsbuis.
| |
[† Duel]
† Duel, o. (-s, -len), tweegevecht. *-LEREN, ow. gel. (ik duelleerde, heb geduelleerd); - met, een tweegevecht hebben met, - voeren tegen. *-LIST, m. (-en), die duelleert; voorvechter.
| |
[† Duet]
† Duet, o. (-ten), DUO, o. (-os), lied -, muziekstuk door twee personen uit te voeren; een duetje, tweestemmig zangstukje.
| |
[Duf]
Duf, (-fer, -st), *-FIG, bn. en bijw. (-er, -st), muf, vochtig,
| | | |
beschimmeld riekende, - smakende; (fig.) het ziet er - uit, de zaak is slecht. *-FEL, o. en v. (-s), soort grove wollen stof. *-HEID, v. gmv. vochtigheid, schimmel, mufheid (van brood enz.); (fig.) slechte staat. *-STEEN, m. zie TUFSTEEN.
| |
[Duidelijk]
Duidelijk, bn. en bijw. helder, klaar, verstaanbaar; op verstaanbare wijze; -schrift; -lezen; een - bewijs. *-HEID, v. gmv. verstaanbaarheid. -SHALVE, bijw. ter bevordering van de duidelijkheid.
| |
[Duiden]
Duiden, bw. gel. (ik duidde, heb geduid), wijzen (met den vinger); aanduiden; (fig.) verklaren, ophelderen; de wet -; iem. iets ten kwade -, ten kwade uitleggen, kwalijk nemen; (ten goede - wordt niet gezegd).
| |
[Duif]
Duif, v. (...ven), een zeer tamme, zachtaardige vogel; wilde -; onnoozele -; zoo zachtaardig als eene -; (fig.) een gebraden -, een onverwacht geluk. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine duif; (fig.) jong meisje; mijn -! mijn liefje, engeltje. *-HUIS, o. (...zen), duiventil. *-STEEN, m. dufsteen.
| |
[Duig]
Duig, (B. *-E), v. (-en), stuk wagenschot tot het zamenstellen van vaatwerk bestemd; -en blakeren, doen krimpen; tot of in -en vallen, uiteenvallen; (fig.) in -en spatten, mislukken, instorten; helaas! zijn geluk viel in -en. *-HOUT, o. gmv.
| |
[Duikelaar]
Duikelaar, m. (-s, ...aren), die duikelt; zek. kinderspeelgoed; zek. watervogel; soort kleine scheepsspijker, duiker. *-STER, v. (-s), zij die duikelt. *...KELEN, ow. gel. (ik duikelde, heb geduikeld), over het hoofd tuimelen; achterover -, voorover -.
| |
[Duiken]
Duiken, ow. ong. (ik dook, heb of ben gedoken), dompelen, zich voorover bukken; iem. -, met het hoofd tegen de borst van den tegenstander drukken en hem achterover werpen; onder water -, zich dompelen, zwemmen; (fig.) zwichten, de minste zijn. *...KER, m. (-s), die iem. duikt, achterover werpt; dompelaar -, zwemmer (onder water); zekere vogel; (waterw.) verlaat, sluisdeurtje; duikelaar; (fig.) de -! duivelsch! *...KERHELM, m. (-en), *...KERKLOK, v. (-ken), werktuig om in het luchtledige onder water voorwerpen te visschen. *...KING, v. het duiken; (sterr.) verlaging van de kim.
| |
[Duim]
Duim, m. (-en), kortste en dikste vinger van hand of voet; een zeere -; (fig.) onder den - houden, bedwingen; zekere lengtemaat, aangewezen door het teeken ″, (oudt. 1/12 van 1 oude el, thans 1/100 van 1 ned. el); een vierkante -, (vlaktemaat); geen - gronds wijken, (ook fig.) niets toegeven. *-, haak (om er iets aan te hangen). *-PJE, (B. -N), o. (-s), kleine duim; (fig.) iets op zijn - weten, ter dege -, in den grond kennen; klein haakje; een kapstok met koperen -s. *-ELEN, bw. gel. (ik duimelde, heb geduimeld), opsteken, tot zich halen. *-ELING, m. (-en), duim van eenen handschoen of want, ook afzonderlijke (lederen of wollen) duim; (zeew.) haakring. *-GEWRICHT, o. gmv. *-HANDSCHOEN, m. (-en), want. *-HENG, v. (-en), (timm.). *-IJZER, o. (-s), hanger, hengsel (eener deur). *-KLEPPERS, m. mv. castagnetten, klepperhoutjes of ijzertjes. *-KRUID, o. gmv. (fig.) geld, gift; hij liet zich door - overhalen, omkoopen. *-RING, m. (-en), ring aan een ander voor- | | | | werp
vast, om er den duim in te steken; lederen -; (ook) ring aan den duim. *-SCHROEVEN, v. mv. (oudt.) schroeven tot pijniging der verdachten; (fig.) iem. de - zetten, hem door vragen in het naauw brengen. *-SPIER, v. (-en), (ontl.) *-SPIJKER, m. (-s). *-STOK, m. (-ken), maatstok in duimen verdeeld. *-ZWEER, v. (...eren).
| |
[Duin]
Duin, m. en o. (-en), zandheuvel langs de zee; de konijnen schuilen in het -. *-AARDAPPEL, m. (-s, -en), zandaardappel. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), naar duin gelijkende. *-GEZIGT, o. (-en), gezigt op het duin. *-GRAS, o. gmv. *-GROND, m. (-en). *-HELM, m. gmv. soort wier of brem. *-HOL, o. (-en). *-HOOGTE, v. (-n), *-KANT, m. gmv. *-KONIJN, o. (-en). *-MAAIJER, m. (-s), bosch-, veldwachter der duinen. *-ROOS, v. (...rozen). *-STRAND, o. (-en). *-TOP, m. (-pen). *-WATER, o. water verschaft door eene waterleiding uit de duinen. *-ZAND, o.
| |
[Duist]
Duist, m. gmv. stuifmeel, fijne kafbolsters.
| |
[Duister]
Duister, bn. en bijw. donker, bewolkt; eene -e kamer; een -e nacht; het licht of de kaars brandt -; (fig.) onduidelijk, verward, een -e stijl; -e woorden. *-, o. en m. gmv. duisternis; hij ziet in het -; in het - rondtasten. *-ACHTIG, bn. eenigzins donker. *-HEID, v. (...heden), donkerheid; (ook fig.) onduidelijkheid, verwardheid. *-LIJK, bijw. duister. *-LING, m. (-en), die den mensch gaarne dom en onwetend houdt, domper; (ook) oningewijde. *-NIS, v. (-sen), donkerheid; tijdperk van domheid en bijgeloof; de - der middeleeuwen.
| |
[Duit]
Duit, v. (-en), oude holl. koperen munt (= 5/8 cent); hij is mij geen - (niets) schuldig; dat is geen - waard; dat kost mij geen roode -; (fig.) geld, hij heeft -en; § hoe zal ik aan mijn -en komen?
| |
[Duitsch]
Duitsch, bn. en bijw. van Duitschland; de -e taal; de -e (of Teutonische) orde. *-, o. gmv. neder-, (hollandsch); eene -e, eene duitsche vrouw. *-ER, m. (-s), inboorling van Duitschland.
| |
[Duivekervel]
Duivekervel, v. zekere plant.
| |
[Duivel]
Duivel, m. (-s), booze geest, de Booze; Satan; (fig.) boos -, wreedaardig mensch; de - hale mij als het waar is; wat - is dat? den - bannen, bezweren. *-ARIJ, v. (-en), boosheid; bedrog, list, loosheid. *-BANNER, *-BEZWEERDER, m. (-s), ...STER, v. (-s). *-BANNING, *-BEZWERING, v. (-en). *-IN, v. (-nen), boos vrouwmensch. *-JAAGSTER, v. (-s), tooverheks. *-JAGEN, o. gmv. het tooveren, hekserij. *-JAGER, m. (-s), toovenaar. *-SBEET, m. zekere plant. *-SBROOD, o. gmv. soort wilde paddestoel, uitwas (aan boomen). *-SCH, bn. en bijw. van - als een duivel; ijselijk, afschuwelijk, een -e jongen of kerel; eene -e geschiedenis; -! drommels! *-SDIENAAR, m. (...aren), satanskind. *-SDREK, m. gmv. (gen.) zekere gomhars; zekere schermplant. *-SKIND, o. (-eren), boos kind; (fig.) boos mensch. *-SKUNSTENAAR, m. (-s), toovenaar, goochelaar. *-SKUNSTENARES, v. (-sen), toovenaarster. ...NARIJ, v. (-en), hekserij, zwarte kunst. *-SKOP, m. (-pen), dikke uitwas aan eenen boom; (fig.) slecht-hoofd. *-SMELK, v. gmv. zekere plant. *-SNAAIGAREN, o. gmv. soort klimop (onkruid). *-SSTREEK, v. (...eken), slechte daad. *-TJE. (B. -N), o. (-s), kleine duivel; boos -, wild kind.
| | | |
| |
[Duivenboon]
Duivenboon, v. (-en), voedsel der duiven. *...DREK, m. gmv. *...EI, o. (-jeren). *...HOK, o. (-ken), *...KOT, o. (-ten), *...SLAG, m. (-en), *...TIL, v. (-len), bergplaats waarin men wilde duiven houdt. *...HOUDER, m. (-s). *...LAT, o. (-ten), zeer dunne lat. *...MARKT, v. (-en). *...MELKER, m. (-s), opkweeker van -, handelaar in duiven. *...MEST, m. gmv. duivendrek. *...VLUGT, v. gmv. een aantal duiven te zamen vliegende, (ook) duivenslag. *...VOET, m. gmv. zekere plant.
| |
[Duizelen]
Duizelen, ow. gel. (ik duizelde, heb geduizeld), zekere draaijende beweging in het hoofd ontwaren; ik duizel er van; het duizelt mij; eene -de hoogte, eene hoogte die duizelen doet; (ook fig.). *...IG, bn. - worden. *...IGHEID, v. (...heden), onderhevigheid aan duizelingen. *...ING, v. (-en), draaijing in het hoofd; eene - krijgen; door eene - bevangen worden.
| |
[Duizend]
Duizend, bn. een getal, 10 maal 100. *-, o. (-en), zij vielen bij -en. *-BERN, m. (-en), veelvoet (zeker insekt). *-BLAD, o. zekere plant. *-ERHANDE, *-ERLEI, bn. duizendsoortig. *-GULDENKRUID, o. gmv. soort gewas. *-HOEK, m. gmv. *-HOEKIG, bn. *-JARIG, bn. het- rijk, (godg.). *-KNOOP, m. (-en), zekere bloem. *-KRUID, o. gmv. zeker gewas. *-MAAL, bijw. *-PONDIG, bn. van duizend pond. *-POOT, m. (-en), zek. insekt. *-SCHOON, v. zekere fraaije bloem. *-STE, bn. -, o. duizendste deel (derde cijfer in de rijreeks der tiendeelige breuken). *-TAL, o. (-len). *-VOUD, -IG, bn. *-WERF, bijw. duizendmaal.
| |
[Dukaat]
Dukaat, v. (...aten), oud-hollandsche gouden munt (= ƒ5 1/2 meer of min); dukaten-goud, goud van het fijnste gehalte; een zilveren -, holl. rijksdaalder (= ƒ2.50). *...KATON, v. (-s, -nen), oud-holl. zilveren munt (= ƒ3.15).
| |
[† Dulcifiëren]
† Dulcifiëren, bw. gel. (ik dulcifiëerde, heb gedulcifiëerd), verzoeten, zoet maken. *...CINEA, v. (-as), liefje, beminde.
| |
[† Dulcose]
† Dulcose, v. zekere stof bijna overeenkomende met de gewone suiker.
| |
[Duidelijk]
Duidelijk, bn. en bijw. (-er, -st), geduld -, verdragen kunnende worden; houdbaar. *...LOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), onverdragelijk; onhoudbaar; eene duldelooze pijn. -HEID, v. gmv. onverdragelijkheid. *...DEN, bw. gel. (ik duldde, heb geduld), verdragen, verduren; toelaten; dat is niet langer te -; duld dat ik u zegge. *...DER, m. (-s), DULDSTER, v. (-s), die (veel, doch in stilte) lijdt of verdraagt. *...DING, v. gmv. verdraagzaamheid, geduldig lijden.
| |
[Dun]
Dun, bn. en bijw. (-ner, -st), van zeer geringe dikte of lijvigheid; - papier, - laken, -ne stof; - garen, een -ne draad; - bier, zwak bier; een -ne (magere) arm, hals; -ne (fijne, scherpe) lucht; (fig.) eene boterham - smeren; de -ne darmen (ontl.); -ne melk, (melk met water verdund); - afgaan, loslijvig zijn; (fig.) door dik en - gaan, zich om niets bekommeren; eerlijke menschen zijn - gezaaid, vindt men niet veel; het zit er - op, hij weet er niet veel van; het staat er -, er is weinig geld; het -ne, de dunne zijde van iets. *-ACHTIG, bn. eenigzins dun. *-BEEN, m. en v. die dunne beenen heeft. -IG, bn. *-BLADERIG, bn. *-BUIK, m. en v. die een
| | | |
mageren buik heeft. -IG, bn. *-HARIG, bn. met dunne haren. *-HEID, v. gmv. magerheid, weinige lijvigheid; (fig.) schaarschheid.
| |
[Dunk]
Dunk, m. gmv. meening; ik heb er geen grooten - van. *-EN, ow. meest. onp. w. onr. (mij dunkt, mij dacht), eene meening hebben (over iets), wat dunkt u er van? zie DENKEN.
| |
[Dunlijvig]
Dunlijvig, bn. (-er,-st), loslijvig; mager, schraal. *-HEID, v. loslijvigheid; magerheid.
| |
[Dunnen]
Dunnen, bw. ow. gel. (ik dunde, heb gedund), dun maken, - worden; het haar -, knippen; boomen -, snoeijen; schaven, afschaven.
| |
[Dunnetjes]
Dunnetjes, bijw. flaauwtjes; weinig, schaarsch. *...NING, v. snoeijing, het dunnen.
| |
[Dunsel]
Dunsel, o. gmv. jonge -, eerste (krop) salade. *-BAK, m. (-ken). *-BED, o. (-den). *...TE, v. gmv. dunheid.
| |
[† Duo]
† Duo, o. (-os), zie DUET. *-DECIMO, o. kleinste boekformaat (12mo), van 24 bladzijden op een vel druks.
| |
[† Dupe]
† Dupe, m. en v. (-n), bedrogene, gefopte. *...PEREN, bw. gel. bedriegen.
| |
[† Dupliek]
† Dupliek, o. (regt.) wederantwoord (van eenen advokaat na eene pleitrede); verweerschrift. *...PLICAAT, o. (....ata, ...aten), eensluidend afschrift; het dubbele (eener akte, van een geschrift). *...PLO, v. in -, in twee gelijken, van éénen inhoud.
| |
[† Durabel]
† Durabel, bn. (-er, -st), duurzaam, blijvend.
| |
[Duren]
Duren, ow. gel. (ik duurde, heb geduurd), onveranderd zijn, - blijven, van duur zijn; aanhouden, het gesprek duurt lang; niets duurt hier op aarde; uithouden; hij kan het hier niet -; goed blijven, kunnen deze appelen -?
| |
[Durf-al]
Durf-al, m. en v. die alles durft (te doen, te ondernemen). *...NIET, m. en v. lafaard.
| |
[Durk]
Durk, m. (zeew.) pompzode, hoosgat.
| |
[Durven]
Durven, ow. gel. (ik durfde, heb gedurfd of durven, als er een ander werkw. bij is, b.v. ik heb het durven doen), den moed of het vertrouwen hebben; iets -, (ondernemen, doen); hij durft, heeft moed; hoe durft gij dit te zeggen?
| |
[Dus]
Dus, vw. derhalve, alzoo. *-, bijw. aldus. *-DANIG, bn. en bijw. zoodanig.
| |
[Dut]
Dut, m. (-ten), sluimering, korte slaap; eenen - (ook een dutje) doen; (fig). dwaling; iem. uit den - helpen, in den - laten. *-TER, m. (-s), *-STER, v. (-s), slaper, sluimeraar, slaapster. *-TEN, ow. gel. (ik dutte, heb gedut), een kort -, ligt slaapje doen.
| |
[† Duumviraat]
† Duumviraat, o. tweemanschap (als: de consuls te Rome, de twee koningen te Sparta).
| |
[Duur]
Duur, m. gmv. hoedanigheid -, vermogen om kort of lang te bestaan; het leven is kort van -; op den - kan hij het niet volhouden; rust noch - hebben, nergens kunnen blijven (uit ongeduld, ook door een kwaad geweten). *-, bn. en bijw. (-der, -st, B. durer), hoog van prijs, het vleesch is -; dat is veel te -; de markt was -; hoog en - zweren; - verzekeren; (fig.) zijn leven - verkoopen; dit zal hem - te staan komen, hij zal er voor moeten boeten. *-KOOP,
| | | |
bn. hoog van prijs. *-TE, v. gmv. hooge prijs; de - der levensmiddelen. *-ZAAM, bn. (...amer, -st), vatbaar om te duren, - te blijven; deze stof is zeer -, deugdzaam; een duurzamen vrede sluiten. -HEID, v. gmv.
| |
[Duw]
Duw, m. (-en), stoot. *-EN, bw. gel. (ik duwde, heb geduwd), stooten, douwen.
| |
[↑ Dwaal]
↑ Dwaal, v. (B.m.), (...alen), tafellaken; lijkkleed; draagloon (bij een lijk). *-LEER, v. gmv. valsche leer, heterodoxie. *-LICHT, o. (-en), elektriek lichtje dat 's nachts in de verte glinstert; vurige zeedamp; zich door een - van het spoor laten leiden; zijne verbeelding ziet overal -en. *-PAD, o. (-en), doolpad, verkeerde weg, (ook fig.). *-REDE, v. (-nen), valsche redenering. -NAAR, m. (-s, ...aren), drogredenaar, sophist. *-SPOOR, o. gmv. verkeerde weg, op een - geraken (ook fig.). *-STER, v. (-ren), planeet. *-TUIN, m. (-en), doolhof. *-WEG, m. (-en), verkeerde weg, dwaalpad (ook fig.); iemand op den - brengen of leiden. *-ZINNIG, bn. en bijw. (-er, -st), die verkeerd of valsch denkt. -LIJK, bijw.
| |
[Dwaas]
Dwaas, bn. en bijw. (dwazer, meest dwaas), zot, gek, onverstandig; een - gedrag; dwaze woorden; - handelen. *-, m. (v. eene dwaze), (dwazen), zot; zinnelooze; -, die ik was; de arme -, krankzinnige. *-HEID, v. (...heden), gekheid, zotheid; welk eene -; dwaasheden begaan.
| |
[Dwalen]
Dwalen, ow. gel. (ik dwaalde, heb gedwaald), op een verkeerden weg zijn of voortloopen; wij dwaalden twee uren in het bosch; (nat.) de magneet dwaalt, wijkt af; (fig.) eene valsche meening van iets hebben; zich vergissen, gij dwaalt, mijn vriend. *-, o. dwaling. *-D, bn. dolend; (bijb.) gij zult -e op de aarde zijn. *...LING, v. (-en), het dwalen; verkeerdheid, valsch begrip; misverstand; in - verkeeren; dat is eene grove -; de -en zijner jeugd.
| |
[Dwang]
Dwang, m. gmv. dwingende magtsuitoefening; voor - bukken; - op iem. uitoefenen. *-ARBEID, m. (regt.) gedwongen arbeid der galeiboeven. *-DIENST, v. (-en), (leenst.) heerendienst. *-BEVEL, o. (-en), (regt.) regterlijk bevelschrift (tot gevangenneming enz.). *-BUIS, o. (...zen), middel om in razernij verkeerende krankzinnigen tot bedaren te brengen; (ook) kleedingstuk voor gevaarlijke misdadigers in den kerker. *-GEZAG, o. gmv. willekeur, despotismus. *-MIDDEL, o. (-en), regterlijk -, gijzeling. *-MOLEN, m. (-s), gemeentemolen (oudt. ten platten lande). *-NAGEL, m. (-s), pijnlijke uitzetting der huid aan den nagel. *-REGT, o. (-en), middeleeuwsch heerenregt. *-RIEMEN, m. mv. zie DWANGBUIS.
| |
[Dwarlen]
Dwarlen, ow. gel. (het dwarlde, heeft gedwarld), stuiven; het stof dwarlde aan alle kanten; zwaaijen; heen en weder -. *...LING, v. gmv. het dwarlen.
| |
[Dwarlstroom]
Dwarlstroom, m. (-en), maalstroom. *...WIND, m. (-en), draaijende valwind; de -en zijn de oorzaak der hoozen.
| |
[Dwars]
Dwars, bn. en bijw. (-er, meest dwars), schuin, scheef, afwijkende van de regte lijn; (zeew.) over den boeg; eene -e streep; - loopen; (zeew.) - zee's, dwars over -, door de zee; - spijkeren; - door het lijf steken; eene rivier - overzwemmen, van den eenen oever tot
| | | |
den anderen; (fig.) dwaas, koppig, eigenzinnig, een - gemoed; die man is altijd zoo -; iemand den voet - zetten, hem tegenwerken. *-BALK, m. (-en). *-BOOM, m. (-en), sluitboom, sluitbalk. *-EN, bw. gel. (ik dwarsboomde, heb gedwarsboomd), tegenwerken; iem. - in (iets). *-DRAAD, m. (...aden), (wev.) inslag, -s, bijw. dwars over den draad. *-DRIJVEN, ow. gel. (ik dwarsdrijfde, heb gedwarsdrijfd w.g.), tegenspreken, bedillen, tegenwerken; dwarsboomen. *-DRIJVER, m. (-s), *-DRIJFSTER, v. (-s), bediller, -ster; domme tegenspreker, -spreekster. *-DRIJVERIJ, v. (-en), domme tegenspraak, tegenstribbeling. *-FLUIT, v. (en), fluit die men dwars tegen den mond houdt. -JE, (B. -N), o. (-s). *-GAANDE, bn. *-HOOFD, m. en v. (-en), dwarsdrijver, warshoofd. *-HOUT, o. (-en), lat, blok, dwars opgespijkerd aangebragt. *-KOERS, m. gmv. (zeew.) schuinsche rigting, koers. *-LAAG, v. (...lagen), (mets.) dwarsgemetselde rij steenen; (over het algemeen eene dwarsliggende laag. *-LIJN, v. (-en). *-LIJST, v. (-en), van snijwerk. *-OVER, vz. *-PAAL, m. (...palen). *-PAD, o. (-en). *-SCHUTTEN, o. mv. (zeew.) houten dwarsbeslag. *-SLAG, m. (-en), slag met den rug der hand. *-SLEÊ, *-SLEDE, v. (-n). *-SLOOT, v. (-en). *-SNEDE, v. (-n). *-SPAAN, m. (...anen), aan een speeltuig. *-SPARREN, v. mv. *-SPIER, v. (-en), (ontl.) *-STEEG, v. (...egen). *-STREEP, v. (...epen). *-STRAAT, v. (-aten). *-STROOM, m. (-en). *-STUK, o. (-ken), alles wat dwars op of aan iets gezet is. *-WEG, m. (-en), fig. verkeerde -, dwaalweg. *-WIND, m. (zeew.) halve wind, die dwars overwaait. *-ZALINGEN, v. mv. (zeew.). *-ZEE'S, bijw. dwars over of door de zee.
| |
[Dwaselijk]
Dwaselijk, bijw. dwaas.
| |
[Dweepachtig]
Dweepachtig, bn. (-er, -st), dweepend, geestdrijvend.
| |
[Dweepen]
Dweepen, ow. gel. (ik dweepte, heb gedweept), overdreven begrippen koesteren (in godsdienst, staatkunde, kunst enz.); - met (iets); hoogen dunk (van iets) hebben. *...ER, m. (-s), *...STER, v. (-s), geestdrijver, -drijfster (inz. in de godsdienst). *...ERIJ, v. (-en), geestdrijverij. *...ZUCHT, v. gmv. hoogere graad van dweeperij (inz. in het godsdienstige).
| |
[Dweil]
Dweil, v. (-en), wollen of grof linnen doek waarmede men den vloer afneemt; (fig.) morsige vrouw. *-EN, bw. gel. (ik dweilde, heb gedweild). *-STOK, m. (-ken), (zeew.) stok van den zwabber.
| |
[Dwerg]
Dwerg, m. (-en), *-JE, (B. -N), o. (-s), onnatuurlijk klein mensch, het tegenovergestelde van reus. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als een dwerg. *-BOOM, m. (-en), boom die steeds laag blijft. *-KLEIN, bn. zeer -, uiterst klein. *-PAARD, o. (-en), -JE, (B. -N), o. (-s), hit.
| |
[Dwingbaar]
Dwingbaar, bn. (-der, B. ...barer, -st), vatbaar voor dwang, - voor opsluiting.
| |
[Dwingeland]
Dwingeland, m. (-en), onderdrukker, tiran; (fig.) een kleine -, stout kind. *-IJ, v. (-en), onderdrukking, tirannie. *-SCH, bn. verdrukkend, tirannisch. *...LIJK, bn. gewelddadig.
| |
[Dwingen]
Dwingen, bw. en ow. ong. (ik dwong, heb gedwongen), noodzaken (door geweld); dringen (met kracht); hij was er toe gedwongen; het pakje werd er in gedwongen; plagen, lastig zijn, dat kind
| | | |
doet niets dan -. *-D, bn. verdrukkend, noodzakend; een - kind, een lastig -, plagerig kind. *...ER, m. (-s), *...STER, v. (-s), die dwingt, plaagt.
| |
[† Dyarchie]
† Dyarchie, v. (...ën), dubbelheerschappij.
| |
[† Dynactimometer]
† Dynactimometer, m. (-s), toestel ter naauwkeurige bepaling van den tijd gedurende welken het licht heeft gewerkt bij de vervaardiging van photographiën.
| |
[† Dyname]
† Dyname, v. eenheid waarmede eenige arbeid het best kan gemeten worden. *...MICI, m. mv. voorstanders der leer dat de natuurkrachten de oorzaak zijn van het bestaan der stof, (tegenstelling van atomici, die beweren dat de stof oorspronkelijk bestond). *...MICA, v. gmv. (wisk.) leer der beweging. *...MOMETER, m. (-s), krachtmeter (werktuig).
|
| |