Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal


auteur: I.M. Calisch en N.S. Calisch


bron: I.M. Calisch en N.S. Calisch, Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal. H.C.A. Campagne, Tiel z.j. [1864]  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

S.

[S]

S, v. 19e letter van het alfabet; als rom. getalmerk beteekent S 70; (muz.) S., solo, alleen; St., sint, heilig; S., sive, te weten; (apoth.) S., signetur, te teekenen; S.A.E., son altesse éminentissime, zijne of hare doorluchtige hoogheid; S.A.I. son altesse impériale zijne of hare keizerlijke hoogheid; S.A.R., son altesse royale, zijne of hare koninklijke hoogheid; Scr., scripsit, hij heeft het geschreven; Sc., sculpsit, hij heeft het gegraveerd; S.D.G., solo Deo gloria, aan God alleen de eer; S.E., son excellence, son éminence, Zijne Excellentie, Zijne Eminentie; S.E.C., salvo errore calculi, behoudens een rekenfout; S.E. et O., salvo errore et omissione, behoudens misslag en uitlating; S.G.D.G., sous garantie du gouvernement, door de regering gewaarborgd; S.H., salvo honore, behoudens de eer; Sen., Sr., senior, de oudste; Seq., Sq., sequens, de

[p. 1145]

of het volgende; Sign., signatum, geteekend; S.J., societatis Jesu, van de societeit van Jezus, (de jezuïten); S.L., suo loco, te zijner plaatse; S.L.E.A., sine loco et anno, zonder plaats en jaartal; Solv., solvatur, het worde afgelost, betaald; S.N., stili novi, (tijdr.) van den nieuwen stijl; S.P.Q.R., senatus populus que romanus, de romeinsche raad en het volk; S.R., salva ratificatione, behoudens bekrachtiging; S.S., sacra scriptura, de Heilige Schrift; Ss., semis, de helft; S.T., of SS. TT., salvum titulorum, behoudens zijne titels (op adressen); S.T.D., sanctae theologiae doctor, meester in de heilige godgeleerdheid; Sup., supra, boven; S.V., stili veteris, (tijdr.) van den ouden stijl; S.V., salva vessia, met verlof; S.V.P., s'il vous plait, als het u belieft.

[Sa!]

Sa! (B. 'T SA!), tw. welaan! komaan!

[Saai]

Saai, v. (B.v. en o.), zek. wollen stof. *-, bn. (-jer, B. -er, -st), (fig.) vervelend, langdradig.

[Saaiem]

Saaiem, o. (-s), net voor de garnalenvisscherij.

[Saaifabriek]

Saaifabriek, v. (-en). *...HAL, v. (-len), markt voor den saaiverkoop; plaats waar de stukken saai werden gemerkt (eert. te Leiden). *...JEN, (B. *...EN), bn. van saai; een - gordijn.

[Saaijet, Sajet]

Saaijet, Sajet, o. (-ten), getwijnd wollen garen. *-FABRIEK, v. (-en). *-FABRIEKANT, m. (-en). *-TEN, bn. van saaijet. *-WEVER, m. (-s). *-WINKEL, m. (-s).

[Sabadille-zaad]

Sabadille-zaad, o. luiszaad, zek. geneesmiddel.

[Sabbath]

Sabbath, *-DAG, m. (-en), zevende of rustdag bij de israelieten, Zaturdag, (ook draagt de Zondag dien naam). *-JAAR, o. (...aren), zevende of rustjaar voor de landerijen (onder de oude israelieten). *-KNECHT, m., *-MEID, *-VROUW, v. (-en), christelijke bediende bij eenen israeliet (alleen voor den sabbath). *-SCHENDER, m., *-SCHENDSTER, v. (-s), ontheiliger; (oudh.) ontheiligster van den sabbath. *-SREIS, v. (...zen), bepaalde uitgestrektheid die de israelieten op den sabbath mogten doorloopen.

[Sabberder]

Sabberder, m., *...BERSTER, v. (-s), kladder, knoeijer, knoeister. *...BEREN, ow. gel. (ik sabberde, heb gesabberd), knoeijen, kladden; (fig.) stamelen; babbelen.

[Sabel]

Sabel, v. (-s), snijdend wapentuig, krom zwaard; met de - er in houwen; een houten -, (der kinderen). *-, m. zek. zoogdier; bont daarvan gemaakt. *-BONT, o. gmv. *-BOONEN, v. mv. kromme boonen. *-DIER, o. (-en), dier dat het sabelbont geeft, marter. *-EN, bw. gel. (ik sabelde, heb gesabeld), houwen, hakken (met een sabel). *-HOUW, m. (-en). *-JAGT, v. (-en), jagt op het sabeldier. *-KLING, v. (-en). *-KWAST, m. (-en). *-MOF, v. (-fen), mof van sabelbont. *-PELS, m. (...zen), *-PUNT, v. (-en). *-SCHEEDE, v. (-n). *-SLAG, m. (-en), slag met de kling. *-SPRINKHAAN, m. (...anen), zek. regtvleugelig insekt. *-STAART, m. (-en). *-TASCH, v. (...sschen), laag afhangende tasch der huzaren. *-VANGER, m. (-s), die jagt maakt op de sabeldieren. *-VANGST, v. gmv. ter - gaan. *-VEL, o. (-len).

[† Sabon-fractuur]

Sabon-fractuur, v. (boekdr.) de grofste -, dikste drukletter.

[p. 1146]

[† Sabords]

Sabords, m. mv. (zeew.) geschutpoorten.

[† Sabreren]

Sabreren, bw. gel. (ik sabreerde, heb gesabreerd), neêrsabelen. *...BREUR, m. (-s), die er op inhouwt, woeste soldaat.

[† Saccharometer]

Saccharometer, m. (-s), suikermeter, (werktuig).

[† Sacerdotaal]

Sacerdotaal, bn. priesterlijk.

[† Sacra]

Sacra, m. mv. heilige zaken, - voorwerpen. *-MENT, o. zie SAKRAMENT.

[† Sacre-Dieu!]

Sacre-Dieu! tw. een vloekwoord.

[† Sacreren]

Sacreren, bw. gel. (ik sacreerde, heb gesacreerd), heiligen, wijden. *...CRIFIËREN, *...CRIFICEREN, bw. gel. (ik sacrifiëerde of sacrificeerde, heb gesacrifiëerd of gesacrificeerd), offeren, opofferen. *...CRIFICE, v. (-s), opoffering. *...CRILÉGE, m. heiligschennis; heiligschenner.

[† Sadduceër]

Sadduceër, m. (...eën), aanhangers eener aan Christus vijandige sekte in het oude Jeruzalem. *...CEESCH, bn. van de Sadduceën.

[† Saffiaan]

Saffiaan, o. gmv. marokijnleder.

[Saffier]

Saffier, o. en m. zeer kostbaar edelgesteente, (o. als steensoort, m. als de steen). *-EN, bn. van saffier. *-STEEN, m. (-en).

[Saffloers]

Saffloers, o. gmv. bastaard-saffraan, wilde saffraan; kobaltzuur.

[Saffraan]

Saffraan, m. gmv. zek. geelkleurende plant. *-ACHTIG, *...FRANIG, bn. (-er, st), naar saffraan gelijkende. *-BED, o. (-den), stuk grond met saffraan beplant. *-BLOEM, v. (-en), soort krokus. *-BOOM, m. (-en). *-DRANK, m. (-en), aftreksel van saffraan. *-GEEL, bn. en o. gmv. *-KLEUR, v. gmv. -IG, bn. *-PLANT, v. (-en). -ERIJ, v. (-en), grond met saffraan beplant. *-PLEISTER, v. (-s), zek. geneesmiddel. *-STAM, m. (-men). *...PRANEN, bn. van saffraan.

[Sagen]

Sagen, ow. gel. zie VERSAGEN.

[Sago]

Sago, v. gmv. zek. meelplant der tropische landen. *-BLOEM, v. (-en). *-BLOESEM, m. (-s). *-MEEL, o. gmv. *-PALM, m. (-en). *-PLANT, v. (-en). *-SOEP, v. (-en). *-WEER, v. palmwijn.

[Sagointje]

Sagointje, o. zijde-aap, (zek. dier).

[Sagrijn-leder]

Sagrijn-leder, o. zek. russisch en turksch leder.

[† Saiek]

Saiek, v. (-s), levantijnsch vaartuig.

[† Saillant]

Saillant, bn. (-er, st), vooruitstekend; (fig.) in het oog loopend. *...LIE, v. (-s), (oorl.) uitval eener bezetting; (fig.) geestige zet, inval.

[† Saïmiri]

Saïmiri, m. soort aap.

[† Saissiseren]

Saissiseren, bw. gel. (ik saisisseerde, heb gesaisisseerd), vatten, grijpen; (regt.) beslag leggen op; (fig.) gesaissiseerd worden, schrikken.

[Saizoen]

Saizoen, o. (-en), jaargetijde; levenstijd; badtijd; geschikte tijd.

[Sak]

Sak, m. (-ken), badjapon.

[Sakerdaanhout]

Sakerdaanhout, o. gmv. zek. houtsoort.

[Sáki]

Sáki, m. (-es), aap met vossenstaart. *-, v. zek. japansche drank.

[Sakrament]

Sakrament, o. (-en), bondzegel; heilige plegtigheid; (r.k.) de zeven -en; de -en (het laatste oliesel) toedienen. *-, tw. vloekwoord. *-EEL, bn. en bijw. tot het sakrament behoorende; (ook) aangenomen en door het gebruik gewettigd. *-BOEK, o. (-en). *-HUISJE, (B. -N), o. (-s), tabernakel. *-SCHENDER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-SDAG, m. zek. r.k. feestdag.

[p. 1147]

[Sakristie]

Sakristie, v. (r.k.) kosters-, kerkekamer. *-MEESTER, m. (-s). *...KRISTIJN, m. (r.k.), kerkeknecht, koster.

[† Sal-ammoniak]

Sal-ammoniak, o. gmv. zie SALMIAK.

[Salade]

Salade, v. (-n), zek. toespijs met azijn en olie toebereid; (fig.) poespas, rommelzoô. *-BAK, m. (-ken). *-BLAD, o. (-eren). *-EMMER, m. (-s), emmer met gaatjes waarin de natte salade uitgeslagen wordt. *-OLIE, v. gmv. sla-olie, boomolie. *-PLANT, v. (-en). *-SCHOTEL, m. (-s). *-ZAAD, o. (...aden).

[Salamander]

Salamander, m. (-s), soort hagedis. *-BOOM, m. (-en). *-WOL, v. amianth. *...DRINEN, m. mv. soort kruipende dieren.

[† Salaris]

Salaris, o. (-sen), vast loon; bezoldiging. *...RIËREN, bw. gel. (ik salariëerde, heb gesalariëerd), bezoldigen.

[† Salderen]

Salderen, bw. gel. (ik saldeerde, heb gesaldeerd), (kooph.) het saldo vereffenen. *...DO, o. (...os), (kooph.) overschot, rest, verschil (in debet of credit); per -, blijft.

[† Salemporis]

Salemporis, v. zek. geweven stof.

[† Salep]

Salep, v. (-pen), zek. borstmiddel uit planten getrokken.

[† Salet]

Salet, o. (-ten), gezelschapszaal; bezoek. *-JE, (B. -N), o. (-s), klein bezoek (inz. van jonge-jufvrouwen); zijkamer. *-JONKER, m. (-s), pronker, poppegek. *-JUFFER, v. (-s), opgesmukt juffertje, pronkster. *-REKEL, m. (-s), schimpnaam voor saletjonker.

[Salie]

Salie, v. gmv. zek. geneeskruid; (fig.) Jan -, schimpnaam voor den ouden langzamen Hollander. *-BED, o. (-den), stuk grond salie beplant. *-BLAD, o. (-eren). *-BLOEM, v. (-en). *-MELK, v. gmv. melk getrokken op saliebladen.

[† Salificatie]

Salificatie, v. (scheik.) zoutvorming. *...NE, v. (-n), zoutwerk, zoutmijn; zoutkeet, zoutziederij. *...NISCH, bn. zilt, zoutachtig, zout bevattende. *...NOMETER, (-s), m. zoutmeter, soort vochtveger (werktuig).

[† Salingen]

Salingen, v. mv. (zeew.) soort dwarsbouten.

[† Salisch]

Salisch, bn. van de oude Saliërs; de -e wet, wet waarbij de dochters van de erfenis waren uitgesloten. Krachtens deze wet kan thans nog in Frankrijk (en kon vroeger ook in Spanje en Portugal) eene vrouw niet regeren.

[† Salmiak, Salmoniak]

Salmiak, Salmoniak, o. (scheik.) zoutzuur, verbinding van chloor met ammonium; geest van -, vliegende geest, oplossing van ammoniakgas in water.

[Salomonszegel]

Salomonszegel, o. (-s), soort bloem.

[† Salon]

Salon, m. (-s), groote ontvang-, gezelschapszaal; gemeubeleerd vertrek; groote koffijhuis- of logementszaal; (fig.) zijne -s zijn geopend, hij ontvangt bezoek, geeft partijen.

[† Salope]

Salope, v. (-n), morsige vrouw, slons; soort ochtendkleed.

[Salpeter]

Salpeter, o. zek. delfstof; muurzout. *-AARDE, v. gmv. *-ACHTIG, bn. *-BEREIDER, m. (-s). *-FABRIEK, v. (-en). *-GEEST, m. gmv. *-GROEF, v. (...ven). *-GROEVE, v. (-n). *-HUT, v. (-ten), plaats waar salpeter gemaakt wordt. *-IG, bn. -ZUUR, o. (scheik.). *-LAAG, v. (...agen). *-KETEL, m. (-s). *-KOKER, m. (-s), -IJ, v. (-en). *-LEPEL, m. (-s). *-LOOG, v. gmv. *-LUCHT, v. gmv. reuk van

[p. 1148]

salpeter. *-SCHUIM, o. gmv. *-STRUIK, m. zek. kruid. *-ZIEDER, m. (-s). *-ZUUR, o. (...uren), (scheik.) scheiwater, sterk water.

[† Salpétrière]

Salpétrière, o. gmv. pesthuis, gasthuis (bij Parijs) voor ongeneeslijke ziekten van vrouwen.

[† Salto]

Salto, m. gmv. sprong; - mortale, doodelijke sprong (van kunstenmakers).

[† Salubriteit]

Salubriteit, v. gmv. gezonde staat, gezonde eigenschap (van lucht, land enz.).

[† Salueren]

Salueren, bw. gel. (ik salueerde, heb gesalueerd), groeten, begroeten. *...LUTATIE, v. begroeting; het militaire saluut maken. *...LUT, o. welzijn; -! heil! gegroet; aan allen die dezen zullen hooren, -! (aanhef van koninklijke besluiten, wetten enz.). *...LUUT, o. (-s), begroeting op soldatenwijze (uit het kanon, met den degen enz.). -SCHOT, o. (-en).

[† Salva]

Salva, behoudens, met.

[† Salvo]

Salvo, o. (-os), eerbewijs door losbranding van vuurwapenen; algemeen handgeklap.

[† Samaar]

Samaar, v. (...aren), deftig vrouwenkleed.

[† Samereus, Samoreus]

Samereus, Samoreus, v. soort rijnschip.

[† Samkyn]

Samkyn, *...KYD, v. soort turksch vaartuig.

[† Sammelen]

Sammelen, ow. gel. (ik sammelde, heb gesammeld), leuteren, talmen. *...AAR, m., -STER, v. (-s), leuteraar, talmer, talmster.

[† Sammum]

Sammum, m. (-s), verstikkende wind in de afrikaansche zandwoestijnen.

[† Sampan]

Sampan, m. (-s), chineesch en japansch kustvaartuig.

[† San-benito]

San-benito, o. (-os), ketterhemd, geel hemd waarin de ketters werden verbrand.

[† Sanctie]

Sanctie, v. (...ën), bekrachtiging; bevestiging; de - weigeren aan. *...TIFIËREN, *...TIFICEREN, bw. gel. (ik sanctifiëerde of sanctificeerde, heb gesanctifiëerd of gesanctificeerd), heiligen, heiligspreken. *...TIFICATIE, v. (..ën), heiliging, heiligspreking. *...TIONEREN, bw. gel. (ik sanctioneerde, heb gesanctioneerd), heilig maken; goedkeuren, bekrachtigen; (fig.) zijn zegel hechten aan.

[† Sanctum Sanctorum]

Sanctum Sanctorum, het Heilige der Heiligen, (in den tempel van Salomo te Jeruzalem).

[† Sandaal]

Sandaal, v. (...alen), schoeisel der oude volken, (zool met banden om den voet vast); soort schermschoen. *-, ligterschuit aan de noordkust van Afrika.

[Sandelboom]

Sandelboom, m. (-en), zek. indische boom. *...HOUT, o. gmv.

[† Sandrak, Sandarach, Sandarak]

Sandrak, Sandarach, Sandarak, o. gmv. witte hars dienstig om, fijn gestampt, de plaats van uitgekrabde woorden op papier weder beschrijfbaar te maken zonder te vloeijen.

[† Sanfedisten]

Sanfedisten, m. mv. zek. politieke partij in Italië.

[† Sanguin]

Sanguin, bn. bloedrijk. *-ISCH, bn. - temperament, driftig gestel, ligtgeraaktheid.

[† Sanhedrin]

Sanhedrin, o. (B.m. en o.), (-s), vergadering der 70 joodsche wetgeleerden onder voorzitterschap van den hoogepriester.

[† Sanikel]

Sanikel, v. gmv. zek. kruid.

[p. 1149]

[† Saniteitsgoed]

Saniteitsgoed, o. soort porselein.

[† Sanskrit]

Sanskrit, o. oudste taal der Braminen (in Indië).

[† Sans]

Sans, bijw. zonder; - façon, zonder omslag; - prendre, zek. speelwijze in het hombre-spel. - souci, zonder zorg, zorgeloos; naam van een koninklijk lustslot bij Potsdam. - le sou, zonder een stuiver ter wereld.

[† Sansculotte]

Sansculotte, v. (-s), naam der hevigste republiekeinen tijdens de eerste fransche omwenteling (van 1789).

[† Sant]

Sant, m., *-IN, v. heilige. *-EKRAAM, v. gmv. de gansche kraam, - boêl.

[† Santé!]

Santé! gezondheid!

[Santorie]

Santorie, v. (plant.) duizend-guldenkruid.

[Sap]

Sap, o. (-pen), vocht, levensvocht, (in planten, vruchten en dieren).

[† Sapajou]

Sapajou, m. (-s), soort aap.

[† Sap(p)anhout]

Sap(p)anhout, o. zek. geel verfhout, valsch sandelhout.

[Sapblaauw]

Sapblaauw, o. en bn. zek. verfstof. *...DRADEN, m. mv. (plant.) gedeelte eener mosplant. *...GROEN, o. en bn. zek. verfstof. *...PELOOS, bn. zonder sap, uitgedroogd. -HEID, v. gmv. uitdrooging, droogheid.

[† Sapeur]

Sapeur, m. (mil.) graver, bijleman.

[† Sapienti sat]

Sapienti sat, voor den wijze genoeg.

[† Sapphier]

Sapphier, m. en o. zie SAFFIER.

[Sappig]

Sappig, bn. (-er, -st), vol sap, smakelijk (van vruchten). *-HEID, v. gmv. smakelijkheid (van vruchten). *...PLANTEN, v. mv. zek. plantensoort. *...RIJK, bn. vol sap; smakelijk. *...VERF, *...VERW, v. (-en), verf uit de plantensappen, dekverf.

[† Sarabande]

Sarabande, v. (oudt.), zek. spaansche deftige dans.

[† Saraceen]

Saraceen, m. (...enen), (oudt.) oosterling, bewoner van het tegenwoordige Turkije (ten tijde der kruistogten).

[† Sarazijnkruid]

Sarazijnkruid, o. (-en), zek. gewas.

[† Sarcasme]

Sarcasme, v. (-n), honende spot, bittere uitval. *...CASTISCH, bn. en bijw. spottend, bijtend. *...COPHAAG, v. (...agen), ledig grafteeken.

[† Sardellennet]

Sardellennet, o. soort vischnet. *...DIJN, v. (-en), versche sprot, visch. *...DIJNENNET, o. (-ten). *...DONISCH, bn. sarkastisch. *...DONYXSTEEN, m. zek. edelgesteente.

[† Sargasso-zee]

Sargasso-zee, v. wierzee, krooszee, (gedeelte van den Atlantischen Oceaan ten westen der Azorische eilanden).

[† Sargie]

Sargie, v. gmv. soort gekeperde wollen stof, grove stof. *-FABRIEK, v. (-en). *-KLEED, o. (-eren). *-WEVER, m. (-s). -IJ, v. (-en), *...GIËN, bn. van sargie.

[† Sarong]

Sarong, v. (-s), zek. kleedingstuk in Oost-Indië.

[† Saros]

Saros, v. zek. (oudh.) tijdmaat bij de Chaldeeuwen, zek. tijdruimte.

[† Sarras]

Sarras, m. (-en), groot krom zwaard, ruitersabel.

[Sarren]

Sarren, bw. gel. (ik sarde, heb gesard), tergen. *...RER, m., *...STER, v. (-s), terger, tergster. *...RING, v. gmv. het sarren, terging, gesar.

[† Sarsaparilla]

Sarsaparilla, v. zek. krachtig bloedzuiverend middel.

[† Sas]

Sas, o. (-sen), schutsluis; kolk, maalstroom.

[p. 1150]

[† Sassafras]

Sassafras, o. (gen.) zek. boombast; (ook) naam van zek. drank (sassafrasbast op water getrokken). *...BOOM, m. (-en).

[† Sasser]

Sasser, m. (-s), sluiswachter.

[Satan]

Satan, m. (-s), duivel, hoofd der booze geesten; (fig.) helsch wezen; een - van een vrouw, de - is in hem gevaren. *-SCH, bn. en bijw. helsch, duivelsch, vervaarlijk; een - leven, helsch rumoer.

[† Satelliet]

Satelliet, m. (-en), wachter, trawant; de maan is de - der aarde; (fig.) iem. die onophoudelijk een ander verzelt; (ook) blind werktuig; de -en der dwingelandij.

[† Sater]

Sater, m. (s.), (fab.) boschgeest, boschgod; boksvoet. *...SBEK, m. (-ken), breede -, afzigtelijke mond. *...SKOP, m. (-pen). *...SNEUS, m. (...zen). *...SPOOT, m. (-en). *...VOET, m. (-en).

[† Satie]

Satie, v. (-s), klein levantijnsch vaartuig.

[Satijn]

Satijn, o. (-en), glanszijde. *-ACHTIG, bn. als satijn; zeer zacht of fijn (op het gevoel). *-EN, bn. van satijn. *-WEVER, m. (-s). -IJ, v. (-en), satijnfabriek. *...TINEREN, bw. gel. (ik satineerde, heb gesatineerd), als -, tot satijn maken; gesatineerd papier. *...TINET, o. (-ten), zeer fijne satijnachtige (doch wollen) stof.

[† Satire]

Satire, v. (-s), hekeldicht, hekelend geschrift; hekelende -, bijtende uitdrukking; daad welke dient om eene andere (of eenen persoon) in een kwaad of bespottelijk daglicht te plaatsen. *...TIRIEK, *...TIRISCH, bn. en bijw. hekelend, spottend, bijtend, op hekelende wijze. *...TIRICUS, m. (...ci), hekeldichter, spotter.

[† Satisfactie]

Satisfactie, v. (...ën), voldoening; genoegdoening.

[† Satraap]

Satraap, m. (...apen), landvoogd in het oude Perzië; (fig.) willekeurige heerscher. *...TRAPIE, v. (...ën), aziatische landvoogdij.

[† Satteens]

Satteens, v. zek. geweven stof.

[† Saturatie]

Saturatie, v. (...ën), (scheik.) verzadiging.

[† Saturnilabium]

Saturnilabium, o. (sterr.) zek. werktuig.

[† Saturnus]

Saturnus, m. naam eener planeet, (aangeduid door het teeken illustratie); (fig.) lood.

[Saucijs]

Saucijs, v. (...zen), worst. *...CISSE, v., *...CISSON, m. (-s), lederen met kruid gevulde zak tot het doen springen eener mijn. *-BROODJE, (B. -N), o. (-s), worstje met specerijen. *-MAKER, *-VERKOOPER, m. (-s).

[† Sauf-conduit]

Sauf-conduit, o. vrijgeleide, -brief.

[Saus]

Saus, v. (-en), toebereid vocht, gekruid nat (met boter, vet enz.) om bij de spijzen te eten; (spr.) honger is de beste -, als men honger heeft eet men alles; zek. vocht waarmede men den tabak besproeit; (fig.) scherpe berisping; hij gaf hem een geduchte -. *-EN, bw. gel. (ik sauste, heb gesaust), smakelijk toebereiden (met specerijen enz.); tabak besproeijen; (fig.) berispen, doorhalen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die saust. *-ING, v. (-en), het sausen. *-KOM, v. (-men). *-LEPEL, m. (-s). *-LOOK, o. gmv. soort ui, sjalotten. *-PAN, v. (-nen). *-PANNETJE, (B. -N), o. (-s). *-POT, m. (-ten).

[† Sauve-garde]

Sauve-garde, v. gmv. vrijgeleide, bedekking (van een corps soldaten); (fig.) beveiliging.

[† Sauveren]

Sauveren, bw. gel. (ik sauveerde, heb gesauveerd), redden; een sauve qui peut, een algemeene vlugt. ZICH-, ww. zich redden, wegloopen.

[p. 1151]

[† Savanne]

Savanne, v. (-s), graswoestijn, grasvlakte (in Noord-Amerika).

[Savelboom]

Savelboom, m. (-en), soort den; zevenboom.

[† Savoir-faire]

Savoir-faire, o. bedrevenheid, behendigheid.

[† Savoir-vivre]

Savoir-vivre, o. wellevendheid.

[† Savonet]

Savonet, v. (-ten), zeepbal, zeepbol. *-BAL, m. (-len). *-DOOS, v. (...zen), zeepdoos. *-TE, v. (-n), bolrond horologie.

[† Savonnière-tapijten]

Savonnière-tapijten, o. mv. tapijten met fluweelachtige, levendige kleuren.

[Savooikool]

Savooikool, v. (...olen), soort witte kool.

[† Savoureren]

Savoureren, bw. gel. (ik savoureerde, heb gesavoureerd), smaken, proeven, langzaam en smakelijk nuttigen.

[Savoyaard]

Savoyaard, m. (-s), kleine schoorsteenveger.

[† Sbirre]

Sbirre, m. (-n), politie-agent (in Italië).

[† Scala]

Scala, v. (-as), toonladder. *- (DELLA), naam van eenen schouwte Milaan.

[† Scalp]

Scalp, m. (-en), schedelhuid. *-EL, o. (-s), ontleedmes. *-EREN, bw. gel. (ik scalpeerde, heb gescalpeerd), de huid van de hersenpan trekken (wreed gebruik onder de wilden van Noord-Amerika op hunne vijanden).

[† Scaphander]

Scaphander, m. (-s), zwem-, reddinggordel.

[† Scapulier]

Scapulier, o. (-en), geestelijk schouderkleed. *...RABEËN, v. mv. kevers, keversoorten. *...RAMOUCHE, m. (-s), hansworst. *...RIFICATIE, v. (...ën), (heelk.) het zetten van bloedige koppen.

[† Scanderen]

Scanderen, bw. gel. (ik scandeerde, heb gescandeerd), verzen (inz. latijnsche) naar de maat opzeggen.

[† Scène]

Scène, v. (-s), tooneel; (ook) hij heeft hier een geduchte - (rumoer) gemaakt; maak geene -s, geen ijdele vertooning.

[† Scenieten]

Scenieten, m. mv. tentbewoners.

[† Scepter, Schepter]

Scepter, Schepter, m. (-s), koningsstaf.

[† Scepticismus]

Scepticismus, o. leer -, stelsel der twijfelaars. *...CIST, m. (-en), twijfelaar, twijfelend wijsgeer.

[Schaaf]

Schaaf, v. (...aven), (timm.) werktuig tot glad of effen maken van hout; (fig.) de - over iem. laten gaan, hem vormen, beschaven. *-BANK, v. (-en), *-BEITEL, m. (-s), *-IJZER, o. (-s), gereedschap. *-KRULLEN, v. mv. afval van geschaafd hout. *-MES, o. (-sen), mes bij vele ambachten in gebruik. *-SEL, o. het afgeschaafde. *-SPAANDERS, m. mv. *-STEEN, m. (-en), leêrlooijersgereedschap. *-STROO, o. gmv. zek. plant dienstig tot polijsten.

[Schâ]

Schâ, v. zie SCHADE.

[Schaak]

Schaak, tw. verpligte waarschuwing in het schaakspel om den koning zoo mogelijk te behoeden; - spelen, - zetten, blind -, schaakspelen uit het hoofd. *-, het schaakspel. *-BORD, o. (-en), bord met 64 ruiten (velden) waarop men schaak speelt. *-CONGRES, o. (-sen), vergadering van schaakspelers uit vele landen. *-MAT, bn. en bijw. stelling van den koning in het schaakspel waardoor de partij verloren is; (fig.) hij is -, kan niet verder, weet geen uitweg. *-PARTIJ, v. (-en), spel dat in meer of minder zetten afgespeeld wordt. *-PROBLEEM, o. (...emen), opgave van ingewikkelde

[p. 1152]

zetten. *-SPEL, o. (-len), het spelen van schaak; (ook) al de stukken die er toe behooren; een ivoren -, beenen -, houten -. *-SPELER, m. (-s). *-SPEELSTER, v. (-s). *-STUK, o. (-ken), stuk dat het schaakspel behoort (inz. in tegenst. der pionnen of boeren). *-WERK, o. (-en), boek over het schaakspel; (zeew.) neuten, inlatingen. *-ZET, m. (-ten), verplaatsing van een stuk; zet en wederzet van de tegenpartij.

[Schaal]

Schaal, v. (...alen), dop, schil; rug (eener schildpad); platte beker, - schotel (voor groenten enz.); werkt. om te wegen; (ook) bekken eener weegschaal; zek. stuk hout, schedel, wang; de eerste en de laatste plank die uit een ruwen balk gezaagd wordt; (muz.) reeks van noten; (meetk.) eene in graden of lijnen afgedeelde figuur (om te meten); maat-; deze kaart is geteekend op eene - van 1/100 (naar evenredigheid der ware grootte); eijerdop; bakje (waarmede men collecteert); met de - rondgaan; (fig.) de - slaat (helt) over (ten voor- of nadeele); in de - hangen, onzeker zijn; de - van Themis, de weegschaal der geregtigheid; (fig.) hij zal op de - worden gewogen en te ligt bevonden, hij zal na zijnen dood worden gestraft. *-BIJTER, SCHALEBIJTER, m. (-s), soort kever. *-BOTER, v. gmv. boter die in het klein wordt verkocht. *-DIER, o. (-en), dier dat eene schaal of schelp heeft. *-HOREN, m. (-s), zek. buikpootig weekdier. *-KETTING, m. (-en), ketting waaraan de bekkens eener weegschaal hangen. *-KOLEN, v. mv. soort bladerige steenkolen. *-REGTEN, o. mv. accijnsen, differentiële regten. *-TJE, (B. -N), o. (-s). *-VISCH, m. (...sschen), zek. visch.

[Schaamachtig]

Schaamachtig, bn. en bijw. (-er, -st), een weinig beschaamd of verlegen, bedeesd. *-HEID, v. gmv. bedeesd-, beschroomdheid. *...BEEN, o. (-deren), (ontl.). *...BROK, o. (-ken), laatste stuk in den schotel. *...DEEL, o. (-en), ligchaamsdeel bij man of vrouw. *...LID, o. (...leden), teeldeel. *...ROOD, bn. blozende van schaamte, van bedeesdheid. *...SCHOENEN, m. mv. (fig.) de - uittrekken, wegwerpen, alle schaamte -, alle eergevoel verbannen.

[Schaamte]

Schaamte, v. gmv. schaamdeel; opwelling van berouw over een beganen misslag, bedeesdheid, schroomvalligheid; - hebben, - gevoelen; maagdelijke -; valsche -, verkeerd geplaatste hoogmoed om eenen misslag te bekennen. *-BLOS, m. gmv. blos die ten gevolge van schaamtegevoel het aangezigt overdekt. *-LIJK, bn. en bijw. met-, vol schaamte, kuisch, eerbaar. *-LOOS, bn. en bijw. zonder schaamte, onbeschaamd. -HEID, v. gmv.

[Schaap]

Schaap, o. (...apen), viervoetig woldragend dier; (spr.) een schurft - steekt de gansche kndde aan, een enkel slecht lid van een gezelschap (inz. van kinderen) bederft al de overigen; de schapen scheren, hun de wol afnemen; (fig.) belastingen aan het volk opleggen. *-, arm -, dom mensch, sukkel; onnoozel kind of meisje; arm -! onnoozel -! *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als een schaap; (fig.) dom, onnoozel. *-HERDER, m. (-s), -IN, v. (-nen), schapenhoeder, - hoedster. *-HERDERSHUT, v. (-ten). *-HERDERSSTAF, m. (...aven). *-KEUTEL, m. (-s). *-JE, (B. -N), o. (-s), klein schaap; (fig.)

[p. 1153]

zijne -s scheren, van zijne inkomsten leven; zijne -s op het drooge hebben, wel af zijn, het goed kunnen stellen; -s aan de lucht, een heldere hemel met kleine wolkjes. *-JESWOLKEN, v. mv. zek. wolkgroepen. *-LUIS, v. (...zen), soort insekt. *-POKKEN, v. mv. schurft der schapen. *-SCH, bn. en bijw. dom, onnoozel. *-SCHAAR, v. (...aren), werktuig om de wol af te scheren. *-SCHEERDER, m. (-s). *-SCHEERSTER, v. (-s). *-SCHEREN, o. gmv. schering der schapen. *-SCHOP, v. (-pen), herdersstaf. *-SCHOT, m. (-ten), schaapskooi. *-SHOOFD, o. (-en), *-SKOP, m. (-pen), kop van een schaap; (fig.) domoor; zot. *-SKOOI, v. (-jen, B. -en), hok voor de schapen; (fig.) schoot der kerk. *-SLEDER, o. gmv. *-STAL, m. (-len), schaapskooi.

[Schaar]

Schaar, v. (...aren), menigte, verzameling menschen, hoop; rij; werktuig om te snijden (uit twee op elkander draaijende lemmers bestaande); de - in iets zetten, er aan beginnen te snijden; (fig.) daar hangt de - uit, het is daar duur, men wordt er gesneden; - van eenen ploeg, een enkel breed scherp blad onder aan den ploeg; de scharen (knijpers) der kreeften. *-BEKKEN, m. mv. soort meeuwvogels. *-D, *-DE, v. (-n), breuk -, brokkeling (aan een mes enz.); scherf; de -en uitslijpen, een mes scherpen; (fig.) een gebrek verhelpen. *-DIG, bn. (-er, -st), met schaarden. *-IJZER, o. (-s), soort hoefijzer.

[Schaars]

Schaars, bijw. bijna niet, te naauwernood; zelden; ik zag hem - (zelden). *-CH, bn. (-er, -st, meest -), weinig, karig; het geld is -; het is een -e tijd; een - (karig) loon. *-CHHEID, *-CHTE, v. (-n), geringheid, karigheid, zeldzaamheid (van iets), gebrek; de - der levensmiddelen.

[Schaarslijp]

Schaarslijp, *-ER, m. (-s), die zijn beroep van het scharenslijpen maakt (inz. op straat met een wagentje daartoe ingerigt). *-STER, v. (-s). *...STOKKEN, m. mv. (zeew.) soort boordplanken. *...STROOK, v. (zeew.) soort houten mal. *...WACHT, v. (-en), ronde, patrouille. -ER, m. (-s), soldaat der ronde.

[Schaats]

Schaats, v. (-en), platte houten schoen met eene ijzeren roede er onder, om er snel mede op het ijs te loopen; de - aanbinden; op -en rijden; (fig.) hij rijdt een goede -, hij is vlug in het schaatsenrijden. *-BAND, m. (-en), *-BESLAG, o. gmv. beslag dat om het hout wordt bevestigd. *-RIEM, m. (-en). *-ENRIJDEN, o. gmv. *-ENRIJDER, m. (-s). *-ENRIJDSTER, v. (-s). *-HOUT, o. (-en), onbeslagen schaats. *-IJZER, o. gmv. schaatsbeslag. *-LINT, o. (-en), schaatsband. *-LOOPER, m. (-s). *-LOOPSTER, v. (-s). *-ROEDE, v. (-n), schaatsijzer. *-SCHOENEN, m. mv. schoenen geschikt om er schaatsen aan te binden.

[Schaâuw]

Schaâuw, v. (dicht.) schaduw.

[↑ Schab]

Schab, v. (-ben), vaal -, versleten kleedingstuk. *-AAT! tw. welaan! 't zij zoo! *-BERIG, *-BIG, bn. armoedig, kaal.

[Schabel]

Schabel, v. (-len), *-LE, v. (-n), *-LETJE, (B. -N), o. (-s), klein voet- of zitbankje.

[Schabrak]

Schabrak, v. en o. (-ken), paardendekkleed.

[† Schach, Schah]

Schach, Schah, m. (-s), heer, koning (van Perzië enz.)

[Schacht]

Schacht, v. (-en), pijp, schaft, steel; langwerpig voorwerp; de

[p. 1154]

- eener schrijfpen; (ook) eigenaardige soort schrijfpen (in tegenst. van bout, die korter is); weverskam; (zeew.) spier, steng, (zwaar stuk hout); (ontl.) mannelijk teellid; de - en (vleugels) eens vogels; middenstuk eener zuil; bovenstuk eener manslaars; (eert.) ligchaamsmaat voor aarde (= 144 kub. rijnl. voet of bijna 4.5 ned. kub. el); (zeew.) ankerstuk, (ook) helmstok; koker. *-ENBEREIDER, m. (-s), pennenbereider. ...STER, v. (-s). *-ENMAKER, m. (-s), maker van laarzenschachten. *-KOKER, m. (-s), pennenkoker. *-LEDER, *-LEÊR, o. gmv. leder voor laarzenschachten.

[Schadde]

Schadde, v. (-n), zode; soort veen.

[Schade]

Schade, v. (-n), nadeel; verlies; ongelijk, hinder; letsel; - lijden; - doen; - aanbrengen; met - verkoopen; zonder -; buiten uwe -; (spr.) door - wordt men wijs, het ondergaan van verlies leert voorzigtig zijn; met - en schande van iets afkomen; (kooph.) baten en -n, voor- en nadeelen, winst en verlies; (regt.) - en intresten. *-LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), nadeelig, hinderlijk, op nadeelige wijze. -HEID, v. gmv. nadeeligheid. *-LOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), zonder schade te kunnen doen; onnadeelig; iem. - stellen of houden, voor; (oudt.) werkeloos; - loopen; (fig.) een schadelooze lap, lap dien men nog van een stuk laken over heeft, die tot weinig meer dienstig is. *-LOOSHEID, v. gmv. onnadeeligheid; toestand van hem die schadeloos gesteld is. *-LOOSSTELLING, v. (-en), vergoeding; teruggave -, herstel van geledene schade. *-N, ow. gel. (ik schaadde, heb geschaad), schade -, nadeel toebrengen (in alle bet.); zoo het niet baat, schaadt het ook niet. *-VERGOEDING, v. (-en), teruggave van geleden verlies. *-VERHALING, v. (-en), (regt.) brieven van -, (voor kaperschepen in geval van verlies).

[Schaduw]

Schaduw, *-E, v. (-en), donker beeld dat een door licht beschenen ligchaam afwerpt; de - van eenen toren; in de - zitten; onder de - van het geboomte; bang voor zijne eigene - (schim) zijn; naar eene - grijpen; (schild.) donkere plek, diepsel; licht en -; (fig.) nietigheid, droom; er blijft mij geen - van hoop over; bescherming; onder de - van uwen naam. *-ACHTIG, bn. als eene schaduw; (fig.) grondend. *-BEELD, o. (-en), beeld dat naar eene schaduw geteekend of gevormd is; silhouette. *-EN, bw. gel. (ik schaduwde, heb geschaduwd), (teek.) diepen, zwart beteekenen of beschilderen. *-GEVECHT, o. (-en), schijngevecht. *-GEVEND, bn. *-HOED, m. (-en), hoed met breede randen of breeden luifel, zonnehoed. *-LOOS, bn. zonder schaduw, van schaduw beroofd; (aardr.) de schaduwloozen, bewoners der tropische landen onder den evenaar. *-ING, v. gmv. (teek.) het teekenen der schaduw of van het bruin. *-RIJK, bn. (-er, -st), veel schaduw -, veel lommer bezittende. *-WET, v. (-ten), (godg.) bepalingen betreffende de kerkelijke plegtigheden.

[Schaffen]

Schaffen, bw. gel. (ik schafte, heb geschaft), bezorgen, opleveren; doen geschieden; opdisschen; daar wordt goed geschaft, daar is het eten ruim; (fig.) eten, het middagmaal nuttigen (inz. van werklieden); raad, hulp - (bezorgen); (fig.) ik heb niets met hem te -

[p. 1155]

(niets met hem van doen). *-AAR, *...FER, m. (-s), huisbewaarder; (fig.) hij is een ferme - (een goede eter). *...FING, v. gmv. het schaffen; opdissching.

[Schafgat]

Schafgat, o. (-en), gat in eene deur waardoor het eten wordt geschoven (inz. in gevangenissen). *...KLOK, v. gmv. klok die het etensuur aankondigt, etenstijd. *...LIJST, v. (-en), lijst van op te dienen spijzen, † menu. *...MEESTER, m. (-s), spijsbezorger; (zeew.) proviandmeester.

[Schaft]

Schaft, v. zie SCHACHT. *-EN, bw. gel. (ik schafte, heb geschaft), eten; opdisschen. *...TIJD, m. etenstijd. (Voor de verdere zamenstellingen met SCHAFT, zie de zamenstellingen met SCHAF).

[Schaftvormig]

Schaftvormig, bn. in den vorm eener schaft of schacht.

[Schagcheraar]

Schagcheraar, m., *-STER, v. (-s), kleinhandelaar, -ster (op min eervolle wijze); woekeraar. *...EN, ow. gel. (ik schagcherde, heb geschagcherd), kleinhandel drijven; ruilen; woekeren (in het klein). *...IJ, v. (-en), het schagcheren; niet zeer eerlijke kleinhandel.

[Schakeerder]

Schakeerder, m., *...STER, v. (-s), die schakeert. *...SEL, o. (-s), zie SCHAKERING.

[Schakel]

Schakel, v. (-s), kettingring; schalm; maas, steek (van een net); zek. vischnet; (fig.) verbinding, band; keten, volgreeks. *-EN, bw. gel. (ik schakelde, heb geschakeld), door schakels verbinden, aaneenhechten; met de schakels visschen. *-ING, v. (-en), het schakelen, verbinding. *-NET, o. (-ten), soort vischnet.

[Schaken]

Schaken, bw. ow. gel. (ik schaakte, heb geschaakt), rooven, met geweld weg- of ontvoeren (inz. vrouwen); (zeew.) vieren; opgijen; schaak spelen; wij hebben den ganschen avond geschaakt. *...KER, m. (-s), vrouwenroover; schaakspeler.

[Schakeren]

Schakeren, bw. gel. (ik schakeerde, heb geschakeerd), kleuren mengelen; (fig.) afwisselen. *...KERING, v. (-en) kleurenmengeling; (fig.) afwisseling. *...KING, v. (-en), vrouwenroof.

[† Schako, Schakot, Tzako]

Schako, Schakot, Tzako, m. (-s), soldatenhoed of pet.

[Schal]

Schal, m. gmv. galm, toon, geluid. *-BIJTER, m. (-s), soort kever.

[Schalie]

Schalie, v. (...ën), lei. *-DAK, o. (-en), leidak. *-DEKKER, m. (-s), leidekker. *...LIËN, bn. van lei, leijen.

[Schalen]

Schalen, bw. gel. (ik schaalde, heb geschaald), met schalen voorzien, sjorren.

[Schalk]

Schalk, m. (B.m. en v.) (-en), looze guit; pretmaker. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), loos, guiterig. -HEID, v. (...heden). *-NAR, m. (-ren), hofnar. *-SCH, bn. en bijw. (-er, meest) loos, guiterig; op guiterige wijze. -HEID, v. (...heden), looze streek, schalkachtigheid.

[Schallebijter, Schaalbijter]

Schallebijter, Schaalbijter, m. (-s), soort kever.

[Schallen]

Schallen, ow. gel. (ik schalde, heb geschald), galmen, klinken.

[Schalm]

Schalm, m. (-en), schakel; kettingring. *-EN, bw. gel. (ik schalmde, heb geschalmd), (zeew.) de luiken -, de prezennings waarmede de luiken overdekt worden vastmaken.

[Schalmei]

Schalmei, v. (-jen, B. -en), herdersfluit, zakpijpje. *-SPELER, m. (-s), *-SPEELSTER, v. (-s).

[† Schalonge]

Schalonge, v. gmv. zek. groente, sjalotte.

[p. 1156]

[Schâloos]

Schâloos, bn. zie SCHADELOOS.

[Schamel]

Schamel, bn. en. bijw. (-er, st), verlegen; gedrukt; armoedig, behoeftig, kaal; naakt; gering, nederig; eerbaar; de -e (behoeftige) gemeente; het -e brood. *-, m. (rijt.) disseltang. *-BOUT, m. (-en), (rijt.) naaf. *-HEID, v. gmv. armoede, geringheid; (ook) schaamdeelen; eerbaarheid.

[Schamen (Zich)]

Schamen (ZICH), ww. gel. (ik schaamde mij, heb mij geschaamd), schaamte gevoelen (over of om iets), blozen; verlegen worden.

[Schamp]

Schamp, v. (-en), schot -, houw van ter zijde. *-DEK, SCHANDDEK, o. (zeew.) dek nevens de verschansing. *-ELIOENS, m. mv. (zeew.) marswanden. *-EN, onp. w. gel. (het schampte, is geschampt), van ter zijde even raken, - wonden. *-ER, bn. en bijw. (-der, -st), *-ERLIJK, bijw. bits, honend, bitter, scherp. *-EREN, ow. gel. zie SCHAMPEN. *-ERHEID, v. (...heden), bitsheid, scherpte, honende taal. *-ERING, v. (-en), het schamperen. *-IG, bn. (-er, -st), glibberig, glad. *-PAAL, m. (...alen), wrijfpaal. *-SCHEUT, *-SCHOOT, v., *-SCHOT, o. (-en), schot dat ter zijde afglijdt, - dat eventjes raakt; ligte wonde (door een vuurwapen); (fig.) bitse -, zijdelingsche uitval; elkander -en (steken onder water) geven; het is maar een -, het heeft niet veel te beduiden.

[Schand]

Schand, v. zie SCHANDE. *-AAL, o. (...alen), aanstoot, ergernis; zaak die ergernis of aanstoot geeft. *-ALISEREN, bn. gel. (ik schandaliseerde, heb geschandaliseerd), schande -, ergernis verwekken, aanstoot geven. ZICH -, ww. ergernis opvatten. *-BORD, o. (-en), bord in eene school ter opschrijving of tepronkstelling van ondeugende kinderen. * -DAAD, v. (...daden), schennis, misdrijf. *-E, v. gmv. zedelijke en verdiende vernedering, hoon; hij kwam er met schade en - af; ik reken het mij tot -; armoede is geene -; (rijsch.) een paard te - rijden, het geheel bederven door lang en te hard rijden; zich te - loopen, zoo lang loopen dat men open voetzolen krijgt; iemand te - maken, hem oneer aandoen. *-DEK, o. zie SCHAMPDEK. *-EKOOP, bn. uiterst goedkoop. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), schande veroorzakende, onteerend, op onteerende wijze. -HEID, v. (...heden), eerloosheid. *-GELD, o. gmv. geld dat oneerlijk verdiend is; (fig.) spotprijs. *-GEWAAD, o. (...aden), *-KLEED, o. (-eren), kleed dat de galeiboeven dragen, (fig.) - dat tot oneer strekt. *-HOER, v. (-en), ontuchtig vrouwspersoon. *-JONGEN, m. (-s), jongen tot het plegen van onnatuurlijke ontucht gebezigd. *-PAAL, m. (...alen), paal waaraan de tepronkgestelden worden vastgebonden. *-PRIJS, m. (...zen), spotprijs. *-STRAF, v. (-fen), onteerende straf, schavotstraf. *-TEEKEN, o. (-s), brandmerk; (fig.) alles wat tot schande op iemands naam kleeft. -EN, bw. gel. (ik schandteekende, heb geschandteekend), brandmerken; (ook fig.). *-VLEK, v. (-ken), (fig.) smet, oneer (iem. aangedaan); hij is een - voor zijn geslacht. -KEN, bw. gel. (ik schandvlekte, heb geschandvlekt), oneer -, schande aandoen; iets of iem. -, als schandelijk misprijzen.

[Schans]

Schans, v. (-en), (vest.) versterkte muur; fort, wal; (zeew.)

[p. 1157]

deel van den voorsteven; (spr.) oude paarden jaagt men achter de -, oude bedienden schaft men (ondankbaar) af. *-EN, bw. gel. (ik schanste, heb geschanst), schansen opwerpen; verschansen. *-GRAVER, m. (-s), (vest.) bijleman, pionnier. *-KLEED, o. (-en), (zeew.) gekleurde strook laken waarmede men de schepen bij feestgelegenheden bekleedt; (ook) kleedingstuk van den man die bij nacht of guur weder de verschansing op- en nedergaat. *-KORF, m. (...ven), mand met aarde gevuld om de kogels er in te doen smoren. *-LOOPER, m. (-s), soort lange sluitende jas van grove stof, kapotjas; oud paard. ...STER, v. (-s), oude straathoer. *-NET, o. (zeew.) vinkenet.

[Schap]

Schap, v. (-pen), plank, (b.v. van eene boekenkast).

[Schapenband]

Schapenband, m. (-en), (boekb.) band van schapen- of kalfsleder. *...BOTER, v. gmv. boter van schapenmelk. *...BOUT, m. (-en), voor- of achterbovenstuk van eenen schapenpoot. *...DREK, m. gmv. *...FOKKER, m. (-s), die zich met schapenfokken bezig houdt. ...FOKKERIJ, v. (-en), aankweeking -, teelt van schapen. *...HOK, o. (-ken), schaapskooi. *...HUID, v. (-en). *...KAAS, v. (...azen), kaas van schapenmelk. *...KEUTEL, m. (-s), drek van schapen. *...LEDER, *...LEÊR, o. gmv. bereid schapenvel. *...LEVER, v. (-s). *...LONG, v. (-en). *...LUIS, v. (...zen). *...MARKT, v. (-en). *...MELK, v. gmv. *...MEST, *...MIST, m. gmv. *...NAT, o. gmv. soep -, bouillon van schapenvleesch. *...ONGEL, m. en o. gmv. schapenvet. *...PERKAMENT, o. gmv. schapenvel tot perkament bereid. *...PENS, v. gmv. *...POOT, m. (-en). *...SCHEERDER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *...SCHEREN, o. gmv. *...SCHOUDER, m. (-s). *...STAL, m. (-len), schaapskooi. *...TEELT, v. gmv. schapenfokkerij. *...VACHT, v. (-en), *...VEL, o. (-len), vel -, huid van een schaap. *...VET, o. gmv. *...VLEESCH, o. gmv. *...VLIES, o. (...zen), schapenvacht. *...VOEDER, *...VOÊR, o. gmv. *...WEI, v. hui van schapenmelk. -DE, v. (-n), weide waar schapen op grazen. *...WOL, v. gmv.

[Schaper]

Schaper, m. (-s), scheper, schaapherder.

[Schappelijk]

Schappelijk, bn. en bijw. (-er, -st), redelijk, goedkoop; die prijs is nog al - (billijk); gij moet het een weinig - met mij maken (mij niet te veel afnemen). *-HEID, v. gmv. redelijkheid, matige prijs.

[Schapraai]

Schapraai, v. (-jen, B. -en), *...RADE, (-n), etenskas.

[Schar]

Schar, v. (-ren), soort schol, visch, (meest gedroogd en gezouten gegeten). *-BIER, *-REBIER, o. gmv. gemeen -, dun bier.

[Scharen]

Scharen, bw. gel. (ik schaarde, heb geschaard), rangschikken, ordenen; een leger in slagorde -; (fig.) allen stonden geschaard (in orde achter elkander geplaatst). *-, ow. breken, brokkelen (van scherpe kanten, tanden enz.). *...RING, v. gmv. rangschikking, het scharen (in alle bet.). *-SLIJPER, m. (-s).

[Scharlaken]

Scharlaken, o. gmv. zek. hoogroode stof. *-, bn. hoogrood; (fig.) zij werd - of -kleurig, zij bloosde tot over de ooren. *-BEZIE, v. (...ën), soort bezie. *-KLEUR, v. gmv. -IG, bn. *-KOORTS, v. (-en), blutskoorts; roodvonk. *-ROOD, bn. *-SCH, bn. van scharlaken. *-VERWER, m. (-s). *-WEVER, m. (-s).

[Scharlei]

Scharlei, v. gmv. zek. hoogrood kruid. ↑ *...LUIN, m. (-en), schelm. *...MINKEL, m. (-s), lang en mager mensch. *...MUTSELEN,

[p. 1158]

ow. gel. zie SCHERMUTSELEN. *...NIER, o. (-en), soort langwerpig hengsel (inz. aan doozen).

[Scharrebier]

Scharrebier, o. gmv. gemeen -, dun bier. *...LAAR, m. (-s), zek. zingvogel.

[Scharrelbeenen]

Scharrelbeenen, ow. gel. (ik scharrelbeende, heb gescharrelbeend), de beenen wijd uiteenzetten (onder het loopen).

[Scharrelen]

Scharrelen, ow. gel. (ik scharrelde, heb gescharreld), wroeten, krabben (als de hoenders); langzaam en moeijelijk loopen. *-, bw. zamenscharrelen, bijeenkrabben.

[Schat]

Schat, m. (-ten), groote hoeveelheid van iets kostbaars; een - geld; -ten (veel geld) verzamelen; de gezondheid is een groote -; hij bezit een - van (zeer veel) geleerdheid; (fig.) een - van (veel) menschen. *-, (fig.) zeer kostbaar -, bemind voorwerp. *-BAAR, bn. (-der, B. ...barer, -st), waardeerbaar; (ook) cijnsbaar, schatpligtig. *-BEWAARDER, m. (-s), bewaarder van gelden; minister van financiën; thesaurier, penningmeester (in genootschappen enz.).

[Schateren]

Schateren, ow. gel. (ik schaterde, heb geschaterd), weêrklinken (inz. van lagchen). *-D, bn. weêrklinkend. *...ING, v. gmv. hard gelach.

[Schatgraver]

Schatgraver, m. (-s), die naar schatten zoekt, (ook fig.). *...KAMER, v. (-s), plaats waar de schatten bewaard zijn; (fig.) verzameling van kostbare voorschriften. *...KIST, v. (-en), geldkist, -kast; (fig.) 's lands gelden, openbare geldmiddelen, financiën. *...MEESTER, m. (-s), schatbewaarder, -SCHAP, o. gmv. ambt van schatmeester. *...PLIGTIG, bn. (-er, -st), cijnsbaar. *...RIJK, bn. zeer rijk.

[Schatten]

Schatten, bw. gel. (ik schatte, heb geschat), waarderen, begrooten; den prijs bepalen; hij wordt op een millioen geschat, men beweert dat hij een millioen rijk is; de meubels -, taxeren. * -, (fig.) achten, op prijs stellen. *...TER, m. (-s), waardeerder, prijsbepaler; taxeerder. *...STER, v. (-s).

[Schatting]

Schatting, v. (-en), het schatten; taxatie; (fig.) achting. *-BAAR, bn. schatpligtig. *-PENNING, m. (-en), opbrengsten. *-PLIGTIG, bn. belastingschuldig, schatpligtig.

[Schaveelen]

Schaveelen, ow. bw. gel. (ik schaveelde, heb geschaveeld), opschuiven; opruimen; (zeew.) opfrisschen (van den wind). *...ING, v. (-en), het schaveelen.

[Schaveling]

Schaveling, m. (-en), schaafsel.

[Schaven]

Schaven, bw. gel. (ik schaafde, heb geschaafd), de ruwe deelen (van iets) wegnemen, glad maken (met eene schaaf); (leêrl.) huiden - (afschrapen); zich de huid - (openrijten) *-, (fig.) beschaven.

[Schâvergoeding]

Schâvergoeding, v. (-en), schadevergoeding.

[Schavielen]

Schavielen, ow. gel. (ik schavielde, heb geschavield), door gestadige wrijving of schaving slijten of bederven; het - (veranderen) van den wind.

[Schaving]

Schaving, v. het schaven.

[Schavot]

Schavot, o. (-ten), stelling, stellaadje, (inz.) - waarop lijfstraffelijk veroordeelden hun vonnis ondergaan; snijderstafel. *-DANSER, m., *-DANSSTER, v. (-s), gegeeselde. *-KLEUR, v. gmv., -IG, bn. donkerrood. *-PAAL, m. (...alen), geeselpaal, staak voor de tepronk-

[p. 1159]

stellingen. *-SPRINGER, m. (-s), spotnaam voor eenen kleêrmaker. *-STRAF, v. (-fen). *-TEREN, bw. gel. (ik schavotteerde, heb geschavotteerd), op een schavot eene straf aan iem. voltrekken; (fig.) schande aandoen. *-TERING, v. (-en), het schavotteren, strafvoltrekking.

[Schavuit]

Schavuit, m. (-en), schelm, boef. *-ENSTUK, o. (-ken), *-ENWERK, o. (-en), misdrijf, schelmerij.

[† Schebath]

Schebath, v. vijfde maand van den israelietischen kerkelijken kalender.

[† Schebek]

Schebek, v. (-ken), soort vaartuigje.

[Schedel]

Schedel, m. (-s), (ontl.) bovendeel van het hoofd, kruin, hersenpan, bekkeneel; (fig.) hoofd. *-BOOR, v. (...oren), (heelk.) trepaneerboor. *-CIRKEL, m. (-s). *-HUID, v. (-en). *-LEER, v. gmv. stelsel van Gall om uit den schedel iemands geaardheid en aanleg te leeren kennen, † cranologie. *-LIJN, v. (-en), loodlijn. *-PUNT, o. (-en), kruinpunt. *-VLIES, o. (...zen). *-VORM, m. (-en).

[Scheede, Scheê]

Scheede, Scheê, v. (-n), langwerpig smal overtreksel, - bekleedsel; de - van eenen degen; (plant.) dop; (ontl.) ingang der baarmoeder. *-NMAKER, m. (-s). *-ROK, m. (-ken). *-VLEUGELIG, bn. schildvleugelig (van insekten). *-VLIES, o. (...zen), (ontl.) bekleedsel der baarmoederscheede.

[Scheef]

Scheef, bn. en bijw. (...ver, -st), schuins, krom, onregelmatig; verkeerd, ongerijmd; dat is - (mis) geteekend; een scheeve (kromme) neus; een scheeve (stijve) nek; de zaken gaan -, zij gaan verkeerd, loopen tegen; iem. - (boos, verstoord) aanzien. *-BEEN, m. en v. (-en), die kromme beenen heeft. *-BEK, m. en v. (-ken), die een scheeven bek heeft. *-HALS, *-NEK, m. en v. (...zen), die een scheeven hals of nek heeft. *-HEID, v. gmv. schuinte, kromte, ongelijkheid. *-HOEKIG, bn. (-er, -st). *-NEUS, m. en v. (...zen), die een krommen of scheeven neus heeft. *-TE, v. scheefheid. *-VOET, m. en v. (en), scheefbeen, horrelvoet.

[Scheel]

Scheel, bn. en bijw. (...eler, -st), scheef, uit den haak; scheef-, dwarsziende; hij, zij is -, ziet scheel; (fig.) - zien, onvriendelijk kijken; dat geeft schele oogen, verwekt nijd; (timm.) dat hout is - (scheef) getrokken; schele wip, scheeloog, (scheldwoord). ↑ *-, o. verschil; deksel; haar-, valsche haarvlecht. *-AARD, m. (-s), die scheel ziet. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), een weinig scheel of scheef. *-EN, bw. ow. gel. (ik scheelde, heb gescheeld), scheiden, wasschen, zuiveren (darmen, haren enz.); scheel zien. *-HEID, v. gmv. het scheelzien. *-HOOFDPIJN, v. gmv. soort hoofdpijn. *-ING, v. (-en), scheiding; zuivering; het scheelkijken. *-NAALD, v., *-PRIEM, m. (-en), naald voor de haarscheiding. *-OOG, m. en v. (-en), die scheel ziet. *-TE, v. gmv. schuinte; (ook) scheelheid. *-VET, v. gmv. afgeschraapt vet (van de darmen).

[Scheen]

Scheen, v. (-en), voorste deel van het menschenbeen; (ontl.) tibia; hoep (van eenen ring); ijzeren band; eikenhouten lat; (fig.) zijne -en stooten, niet slagen, iets zien mislukken; een blaauwe -, mislukte huwelijksaanvraag; (fig.) iem. iets voor de -en werpen, hem

[p. 1160]

iets verwijten; iem. het vuur voor de -en werpen, hem in het naauw brengen. *-BEEN, o. (-deren). *-BORDJE, *-PLANKJE, (B. -N), o. (-s), (zeew.) plankje om de beenen tegen het vuur te beveiligen. *-IJZERS, o. mv. *-SCHROEVEN, v. mv. (oudt.) zek. straf- of foltertuig. *-PIJP, v. (-en), (ontl.). *-ZADEL, m. (-s), soort zadel voor lastdieren.

[↑ Scheep]

Scheep, o. schip. *-, bijw. op -, in het schip, - gaan, - komen; -! -! aan boord; (spr.) varen waarvoor men - komt, berekend zijn waarvoor men zich uitgeeft; ga niet - zonder beschuit, neem uwe voorzorgmaatregelen alvorens iets te beginnen. *-JE, (B. -N), o. (-s), vaartuigje; op het wel afloopen van het -, oud hollandsche dronk op de voorspoedige bevalling eener zwangere vrouw. *-JESSCHELLING, m. (-en), eert. zek. muntstuk.

[Scheeprijk]

Scheeprijk, bn. rijk aan schepen; eene -e haven.

[Scheeps]

Scheeps, bn. (zeew.) betrekking hebbende op een schip of op de zeevaart; hij verstaat geen - of -ch, hij is geen ervaren zeeman. *-BED, o. (-den), hangmat, kooi. *-BEHOEFTEN, v. mv. victualiën. *-BESCHUIT, v. (-en), soort harde beschuit. *-BESCHUITBAKKER, m. (-s). *-BESTIER, *-BESTUUR, o. (...uren), besturing -, (ook) bestuurders van een schip. *-BEZEM, m. (-s), (zeew.) zwabber. *-BEWIJS, o. (...zen), bewijs van eigendom van een vaartuig; (ook) chartepartij. *-BIJL, v. (-en), groote enterbijl. *-BLOK, o. (-ken), hijschblok. *-BOORD, o. (-en), boord van een schip. -ER, m. (-s), die de boorden maakt. *-BOTTELIER, m. (-s), (zeew.) opzigter van den wijn en de dranken aan boord. *-BOUW, m. gmv. *-BOUWKUNST, v. gmv. *-BOUWMEESTER, m. (-s). *-BUIK, v. (-en), grootste binnenruimte van een schip. *-CH, bijw. (fig.) op zijn groot -, zooals de groote luî. *-DEK, o. (-ken), verdek. *-DWEIL, v. (-en). *-EMMER, m. (-s), (zeew.) puts. *-GEBRUIK, o. (-en), gebruik aan boord. *-GELEGENHEID, v. gelegenheid om met een schip te gaan, - om iets per schip te verzenden. *-GEREEDSCHAP, o. (-pen). *-GOOT, v. (...oten), (zeew.) lederen -, geteerd linnen pijp. *-HAAK, m. (...aken), boom, enterhaak. *-HARPUIS, o. gmv. *-HUUR, v. (...uren), het huren -, de huurprijs van een schip. *-HUURDER, m. (-s), (zeew.) bevrachter. *-JONGEN, m. (-s), (zeew.) kajuitsjongen. *-KAMEEL, o. (-en), soort voertuig te water (bestemd om de schepen te ligten en over ondiepten heen te brengen). *-KAPITEIN, m. (-s, -en), (zeew.) gezagvoerder van een schip. *-KELDER, m. (-s), flesschenkist. -TJE, (B. -N), o. (-s). *-KEUKEN, v. (-s), (zeew.) kombuis. *-KIEL, v. (-en), onderdeel van een schip. *-KIST, v. (-en). *-KLERK, m. (-en), onderofficier van den laagsten rang aan boord van een oorlogsvaartuig. *-KOK, m. (-s). *-KOST, m. (-en), (zeew.) voedsel -, gewone spijs voor de matrozen. *-KRIJGSRAAD, m. (...aden). *-KROON, v. (-en), eerekroon voor eene overwinning ter zee (bij de oude Romeinen). *-LADING, v. (-en), het laden van -, (ook) goederen geladen in een schip; zoo veel als in een schip kan geladen worden of geladen is. *-LANTAARN, *-LANTAREN, v. (-s). *-LAPPER, m. (-s), kalfaterer. *-LEDEN, o. mv. leden of ribben van een schip. *-LENGTE, v. lengte

[p. 1161]

van het schip als afstandsbepaling gebezigd. *-LIJST, o. (-en), v. lijst der schepelingen. *-LOON, o. (-en), huur voor een schip; (ook) loon -, gagie die een zeeman geniet zoo lang hij aan boord is. *-MAAT, v. (...aten), afmeting van een schip. -, m. matroosjongen. *-MAKELAAR, m. (-s), makelaar in schepen; (ook) kargadoor. *-MAT, v. (-ten), geteerd zeil. *-OFFICIER, m. (-en). *-ONKOSTEN, m. mv. *-OVERSTE, m. (-n), hoofd -, aanvoerder ter zee. *-PART, o. (-en), *-PORTIE, v. (...ën), deel -, aandeel in een schip. *-PLUNJE, v. gmv. kleeding aan boord, matrozen-plunje. *-POMP, v. (-en). *-PRAAT, m. gmv. gesprekken aan boord. *-RAAD, m. (...aden), krijgsraad die aan boord gehouden wordt. *-REEDE, v. (-n). *-REEDER, m. (-s), eigenaar -, uitruster van schepen. *-REGT, o. regt aan boord van een schip gedaan; (spr.) drie maal is -, alle goede zaken bestaan in drieën. *-RUIMTE, v. gmv. inhoud van een schip, (bepaald voor het aantal tonnen). *-SCHROBBER, m. (-s). *-SLOOPER, m. (-s), opkooper van oude schepen. *-STRIJD, m. (-en), zeegevecht. *-TIMMERMAN, m. (...lieden). *-TIMMERWERF, v. (...ven), plaats waar schepen worden gebouwd of hersteld. *-TOEBEHOOREN, o. *-TOERUSTING, v. (-en), voorbereiding van een schip tot eene reis, (ook) alles wat daartoe noodig is, † equipement. *-TOGT, m. (-en), togt ter zee. *-TOUW, o. (-en), kabel. -WERK, o. gmv. takelaadje. *-TRIOMF, m. (-en), zeetriomf, (bij de oude Romeinen). *-TUIG, o. gmv. wat er noodig is bij de werkzaamheden -, gereedschap aan boord. *-VICTUALIE, v. (...ën), allerlei benoodigheden aan boord, (waarvan men zich vóór het vertrek voorziet). *-VLEUGEL, m. (-s), (zeew.) windwijzer, weêrhaan. *-VLOOT, v. (...oten), verscheidene schepen bij elkander. *-VOLK, o. gmv. matrozen, zeelieden. *-VOOGD, m. (-en), gezagvoerder, (ook) reeder. *-VRACHT, v. (-en), al de goederen die een schip kan laden; (ook) wat voor het vervoeren van personen of goederen betaald wordt. *-WANT, o. gmv. takelaadje. *-WERK, o. (-en), arbeid aan boord. *-WERKER, m. (-s), daglooner aan boord. *-WIG, v. (-gen), -GE, v. (-n). *-WOORD, o. (-en), kunstwoord bij de zeevaart in gebruik. *-ZEIL, o. (-en).

[Scheepvaart]

Scheepvaart, v. gmv. riviervaart, zeevaart. *-KUNDE, v. kunst om een vaartuig over zee te brengen.

[Scheer]

Scheer, v. de -en, de klippen enz. op de kusten van Zweden en Noorwegen. *-ENVLOOT, v. loodsschepen op de zweedsche kust.

[Scheerbekken]

Scheerbekken, o. (-s), bekken voor het zeepwater waarmede men zich scheert of geschoren wordt, barbiersbekken; (fig.) bord of schotel uit welks rand een stuk halfcirkelvormig gebroken is. *...BOUT, m. (-en). *...DAG, m. (-en), dag waarop men gewoon is geschoren te worden; (ook) dag bepaald voor de schering der schapen. *...DER, m., ...STER, v. (-s), barbier, -ster. *...DOEK, m. (-en), doek bij het scheren dienstig. *...DOOS, v. (...zen), doos die benoodigdheden tot het scheren bevat. *...DRAAD, m. (...aden), (wev.). *...GANGEN, m. mv., *...HOUTEN, *...STUKKEN, o. mv. gereedschappen van de wevers. *...GAREN, o. (-s), (wev.) garen dienende om den ketting te ma-

[p. 1162]

ken. *...GEREEDSCHAP, *...GOED, *...TUIG, o. gmv. wat tot het baardscheren noodig is. *...HAAK, m. (...aken), (zeew.) soort scheepshaak. *...JONGEN, m. (-s), barbiersknechtje. *...HAAR, o. (...aren), afgeschoren haar. *...KAM, m. (-men), wevers-werktuig. *...KOKER, m. (-s), koker voor scheermessen. *...LIJNEN, v. mv. (zeew.) zwichtlijnen.

[Scheerling]

Scheerling, SCHIERLING, m. gmv. dolle kervel, (vergif). *-DRANK, *-BEKER, m. gmv. toebereid vergif van den dollen kervel; den - drinken, (waartoe Sokrates veroordeeld was).

[Scheermes]

Scheermes, o. (-sen), (fig.) zij heeft eene tong als een -, eene bitse -, snijdende tong. *-HECHT, o. (-en). *-RIEM, m. (-en), aanzetriem. *-SENMAKER, m. (-s).

[Scheerraam]

Scheerraam, v. en o. (...amen), (wev.) kam, werktuig waarop de wol geschoren wordt. *...SCHAAR, v. (...aren), (vroedm.) verlostang. *...SEL, o. (-s), afval van hetgeen afgeschoren is (wol, haar enz.). *...STOK, m. (-ken), weversgereedschap; (zeew.) smalle loopplank. *...TIJD, m. (-en), tijd geschikt voor het schapenscheren. *...TUIG, o. gmv. gereedschap van den scheerder. *...WINKEL, m. (-s), barbiers-winkel. *...WOL, v. gmv. (wev.) geschoren -, gekaarde wol, vilt.

[§ Scheet]

§ Scheet, m. (-en), veest, wind; het is geen - (niets) waard.

[Schegge]

Schegge, v. (-n), (zeew.) knie van het galjoen, - van het roer. *-LOOD, o. (-en), (zeew.).

[Schei]

Schei, v. (-jen, B. -en), scheede; scheiding; (zeew.) dwarshout.

[Scheidbaar]

Scheidbaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), afgescheiden kunnende worden; (taalk.) een - voorzetsel. -HEID, v. gmv. *...BOOM, m. (-en), grensboom. *...BRIEF, m. (-ven), brief van den man aan de vrouw haar de echtscheiding verkondigende (in het oude talmudische regt). *...DRANK, *...DRONK, m. gmv. afscheidsdrank.

[Scheiden]

Scheiden, bw. ow. onr. (ik scheidde, heb of ben gescheiden), verdeelen, vaneenbrengen, verwijderen; bersten, springen, splijten, vaneengaan; deze man en vrouw zijn gescheiden, hun huwelijk is ontbonden; zij hebben zich laten -; de compagnieschap is gescheiden (ontbonden); de vergadering is gescheiden (tot nader uiteengegaan); uit het leven -, sterven; de vechtenden - (vaneenbrengen); metalen -, louteren. *...ER, m., *...STER, v. (-s), die scheidt. *...ING, v. (-en), het scheiden (in alle bet.); (regt.) ontbinding van een huwelijk; - van tafel en bed; - der metalen, loutering; afpaling, afperking (van landerijen); vertrek, afreize. *...INGSMAAL, o. afscheidsmaal. *...MERK, o. (-en). *...PAAL, m. (...alen), limietpaal, merk dat eene afscheiding, - dat eene grens aantoont. *...SEL, o. (-s), wat tot afbreking of afscheiding dient.

[Scheidsman]

Scheidsman, m. (...lieden), *...REGTER, m. (-s), regter aan wien eene zaak ter beslissing is opgedragen; arbiter. *...REGTERLIJK, bn. en bijw. van -, door eenen scheidsregter.

[Scheidspoor]

Scheidspoor, o. (...oren), spoor tusschen twee gronden. *...STEEN, m. (-en), grenssteen.

[Scheidsvrouw]

Scheidsvrouw, v. (-en), bemiddelaarster.

[Scheidteeken]

Scheidteeken, o. (-s), (taalk.) lees-, zinteeken (als: komma, punt enz.); scheidmerk. *...WEG, m. (-en), kruisweg, tusschenpad.

[p. 1163]

[Scheigoud]

Scheigoud, o. gmv. soort proefgoud.

[† Scheik, Sjeik, Cheik]

Scheik, Sjeik, Cheik, o. (-s), aanvoerder; (ook) vorst der arabische of hindoesche stammen.

[Scheikunde]

Scheikunde, *...KUNST, v. gmv. wetenschap -, kunst om alles in zijne oorspronkelijke bestanddeelen te ontbinden; † chemie. *...KUNDIG, bn. en bijw. tot de scheikunde behoorende; door de toepassing der scheikunde verkregen; † chemisch. *...KUNDIGE, m. (-n), *...KUNSTENAAR, m. (-s), die de scheikunde verstaat, beoefent; † chemist. *...NAGELS, m. mv. (zeew.) bouten (aan de buitenhuid). *...VOCHT, o. (-en), *...WATER, o. sterkwater, koningswater, chemisch vocht.

[Schel]

Schel, v. (-len), bel, klokje; aan de - trekken; de - gaat niet over; (fig.) de -len, zullen hem van de oogen vallen, hij zal zijne dwaling inzien. *-, schil, bekleedsel van vruchten; boomschors; bast; huid (van uijen); dop, bolster, schaal. *-, bn. en bijw. (-ler, -st), helderklinkend, hard (van geluid).

[Scheldbrief]

Scheldbrief, m. (...ven), *...SCHRIFT, o. (-en), schotschrift, libel.

[Schelden]

Schelden, bw. ow. ong. (ik schold, heb gescholden), honende woorden (tegen of op iem.) uiten; uitvaren, tieren. *...ER, m., *...STER, v. (-s), die uitvaart, scheldt, raast. *...ING, v. gmv. het schelden. *...NAAM, m. (...amen), honende benaming. *...WOORD, o. (-en), honend -, beleedigend woord.

[Schelen]

Schelen, ow. onp. gel. (ik of het scheelde, ik heb of het heeft gescheeld), ontbreken, verschillen; dat scheelt veel; zij scheelt niet veel in ouderdom; het kan mij niet -, ik geef er niets om; er scheelt (hapert) altijd iets aan; (fig.) het scheelt hem in den bol, hij is niet regt bij zinnen; wat scheelt (deert) u?

[Schelet]

Schelet, o. zie SKELET.

[Schelf]

Schelf, o. (...ven), SCHELVE, v. (-n), hoop, stapel; (oudt.) meergras. *-ER, m. (-s), dun blaadje dat zich afscheidt, schilfer. Zie SCHILFER, SCHILFEREN enz. *-ZEE, v. gmv. (aardr.) Roode zee.

[Schelheid]

Schelheid, v. gmv. hardklinkend geluid; scherpe klank; de - dezer stem bevalt mij niet. *...KLINKEND, bn. *...KRUID, o. (plant.) gouw.

[Schellak]

Schellak, o. een der bestanddeelen van het vernis.

[Schellen]

Schellen, bw. ow. gel. (ik schelde, heb gescheld), aan eene schel trekken, de schel doen klinken; de meid -, haar door eene schel het sein geven te komen. *-DRAAIJER, m. (-s), die de schel van de huizen afdraait, (straatjongensbedrijf).

[Schelling]

Schelling, m. (-en), oud nederl. muntstuk (= 6 stuivers of 30 cent); een scheepjes-, (oudt.) schelling met een scheepje er op en beter dan de overigen.

[Schelluidend]

Schelluidend, bn. een scherp geluid van zich gevende.

[Schelm]

Schelm, m. (-en), deugniet, booswicht, schurk; kleine -! (liefelijk woordje tot een kind); een - die wegloopt, (zek. bedreiging van makkers onderling); die arme -! drommel, ongelukkige. *-ACHTIG, bn. en bijw. als een -, van eenen schelm, bedriegelijk; guiterig, snaaksch. *-ERIJ, v. (-en), schurkerij, schurkenstreek, bedriegerij. *-SCH, bn. en bijw. *-STUK, o. (-ken), schelmerij.

[Schelp]

Schelp, v. (-en), hoornachtige zelfstandigheid, huisje der week-

[p. 1164]

dieren; schulp. *-DIEREN, o. mv. soort weekdieren. *-ENKALK, m. *-GEWASSEN, o. mv. (plant.). *-JE, (B. -N), o. (-s), schulpje, horentje. *-SLAK, v. (-ken). *-STEEN, m. (-en). *-WERK, o. (-en), schelpen aan grotwerken. *-ZAND, o. gmv. schuurzand. *-VISCH, m. (...sschen), (b.v. mosselen, oesters).

[Scheltrompet]

Scheltrompet, v. (-ten), klaroen.

[Schelvisch]

Schelvisch, m. (..sschen), soort zeer smakelijke zeevisch; (fig.) domoor, (ook) stoute guit; (spr.) eenen - uitgooijen om eenen kabeljaauw te vangen, iets gerings opofferen om een grooter voordeel te verkrijgen. *-OOGEN, o. mv. groote uitpuilende oogen. *-VANGST, v. gmv.

[Schelwortel]

Schelwortel, m. (-s), (plant.) stinkende gouw.

[† Schema]

Schema, o. (-as), model, voorbeeld, schets.

[Schemel]

Schemel, m. (-s), voetbankje van een rijtuig.

[Schemer]

Schemer, m., *-ING, v. (-en), halflicht, licht en donker. *-AVOND, m. gmv. avondschemering. *-EN, onp. w. gel. (het schemerde, heeft geschemerd), flaauw -, half schijnen; even opgegaan of bijna ondergegaan zijn (van de zon); het licht schemerde nog een weinig; het schemert mij voor de oogen, ik zie onduidelijk, als door een floers; (fig.) er schemert mij iets van voor den geest, ik herinner het mij zeer flaauw. *-ING, v. het schemeren. *-LICHT, o. (-en), flaauw -, half licht. *-LICHTKRING, m. (-en). *-OCHTEND, m. gmv. ochtendschemering. *-TIJD, m. gmv. vroege ochtend, vroegavond; (fig.) de - der wetenschappen, het einde der middeleeuwen.

[Schempen]

Schempen, bw. ong. zie SCHIMPEN.

[Schendbrok]

Schendbrok, o. (-ken), lasteraar, -ster. *...ELIJK, bn. zie SCHANDELIJK.

[Schenden]

Schenden, bw. ong. (ik schond, heb geschonden), bederven, breken, misvormen; eenen boom -, van bladeren, schors en loof berooven; schend (bederf) dit boek niet; hij is van de pokken geschonden, hij is pokdalig; gij zult den sabbath niet - (ontheiligen); iemands eer -, hem belasteren; eene maagd - (onteeren); (spr.) wie zijnen neus schendt, schendt zijn aangezigt, wie kwaad spreekt van zijne bloedverwanten onteert zich zelven. *...ER, m., *...STER, v. (-s), die schendt (in alle bet.). *...ERIJ, *...ING, v. (-en), het schenden. *...IG, bn. en bijw. (-er, -st), schandelijk; eerroovend, lasterlijk; een -e meineed, een - verraad. *...KEUKEN, m. en v. (-s), die ondanks goed eten en drinken mager en bleek blijft. *...TONG, m. en v. (-en), lasteraar, -ster, eerroover, kwaadspreker, -spreekster. -IG, bn. lasterziek, kwaadsprekend. *...ZIEK, bn. lasterzuchtig.

[Schenkaadje]

Schenkaadje, v. (-n), schenking, geschenk, gave. *...AMBT, o. (-en), post van schenker (aan een hof). *...BLAD, o. (-en), thee-, koffijblad, groot presenteerblad. *...BLAADJE, (B. -N), o. (-s). *...BORD, o. (-en), houten presenteerblad.

[Schenkel]

Schenkel, m. (-s), (ontl.) dij, deel van het been boven de knie; een man met grove -s, dik en grof; (zeew.) zek. touwwerk.

[Schenken]

Schenken, bw. ong. (ik schonk, heb geschonken), uit-, overgieten (uit eene flesch, pot of kan); een glas vol -, vullen. *-, in het klein verkoopen, slijten (dranken); geven, vereeren, begiftigen; wat zult gij hem op zijnen verjaardag -? (fig.) iem. hart en

[p. 1165]

hand -, zich met hem (of haar) verloven; overlaten, de rest schenk ik u; vrijgeven, hij schonk hem het leven; (fig.) het blijft u niet geschonken (niet kwijtgescholden). *...ER, m., *...STER, v. (-s), die schenkt; gever, vereerder, vereerster; (ook) die oudtijds aan de hoven belast was den vorst den wijn te schenken. *...ING, v. (-en), het schenken; gave; (regt.) - onder de levenden, bij gift levenden lijve (in tegenst. van erfenis of legaat).

[Schenkkan]

Schenkkan, v. (-nen), groote water- of wijnkan. *...KAMER, v. (-s), buffetkamer. *...KETEL, m. (-s), waterketel, (aan de theetafel). *...TAFEL, v. (-s), buffet. *...VAT, o. (-en), soort koelvat.

[Schennis]

Schennis, o. gmv. schending, ontheiliging; wandaad, misdaad, onteering; schande, oneer.

[Schep]

Schep, m. (-pen), zooveel in eenmaal kan opgeschept worden; een heele -, zeer veel. *-BAK, m. (-ken). -JE, (B. -N), o. (-s). *-BORD, o. (-en), bord aan een watermolenrad.

[Schepel]

Schepel, o. (-s), zek. inhoudsmaat (voor drooge waren); (oudt.) 1/4 van een amsterdamsch mud; (thans) = 0.1 van een ned. mud of = 10 kop. *...VOL, o. gmv.

[Schepeling]

Schepeling, m. en v. (-en), die zich aan boord van een schip bevindt; matroos; passagier; de -en, de bemanning.

[Schepemmer]

Schepemmer, m. (-s), putemmer.

[Schepen]

Schepen, m. (-en, -s), (oudt.) wethouder, regter; schout en -en, stadsbestuur. *-, bw. ow. gel. (ik scheepte, heb gescheept), inschepen, varen; scheep zijn; wij scheepten (voeren) derwaarts. *-BANK, v. (-en), regtbank der schepenen; zitplaats der schepenen (b.v. in eene kerk). *-BRIEF, m. (...ven), lastbrief voor eenen schepen opgemaakt. *-DOM, o. gmv. het collegie der schepenen, overheid. *-KENNIS, v. (-sen), pandbrief, hypotheek. -, v. gmv. kusting; hypotheek, pand (op huizen of landerijen). *-SCHAP, o. gmv. betrekking -, ambt van schepen. *-SPLAATS, v. ambt van schepen. *-SKAMER, v. (-s). *-SROL, v. naamlijst der schepenen; (ook) rol der zaken die door schepenen moesten beslist worden.

[Scheplepel]

Scheplepel, m. (-s), lepel waarmede men schept. *...LICHT, o. (-en), vallicht, lichtscherm. *...NET, o. (-ten), zek. vischnet.

[Scheppen]

Scheppen, bw. gel. (ik schepte, heb geschept), putten, uithalen (met eene schop, eenen bak enz.); op-, inhalen; (zeew.) den wind -; een zeil - laten, half reven; lucht, adem -; (fig.) moed, geduld, vreugde, vermaak, behagen - (in); iem. -, hem duiken om onder te krijgen. *-, ong. (ik schiep, heb geschapen), vormen, in het leven roepen, voortbrengen; God schiep het heelal; die kunstenaar bootst goed na, doch weet niet te - (niets uit eigen vinding voort te brengen). *...PER, m. (-s), die schept, (in alle bet.); de -, God, de Almagt. -, schepvat; lid van een dijksbestuur; werkman in eene papierfabriek.

[Schepping]

Schepping, v. gmv. het scheppen; al het geschapene. *-SBOEK, o. gmv. het eerste boek van Mozes, Genesis. *-SGESCHIEDENIS, v. gmv. *-STHEORIE, v. *-SWERK, o. gmv. *-SWOORD, o. gmv. (fig.) het woord der Almagt, (als: er zij licht! en er was licht).

[p. 1166]

[Scheprad]

Scheprad, o. (...eren), rad van watermolens of stoomwerktuigen enz.

[Schepsel]

Schepsel, o. (-s, -en), geschapen wezen (dier, mensch); de grootheid Gods is in zijne -en zigtbaar. *-, (fig.) zek. scheldwoord (inz. tegen vrouwen), foei, welk een -! wie heeft ooit zoo een - gezien? *-DIENST, v. gmv. afgoderij, beeldendienst.

[Schepter, Scepter]

Schepter, Scepter, m. (-s), koningsstaf, rijksstaf; den - houden, voeren, zwaaijen; kroon en -, de kenteekenen der koninklijke waardigheid; (ook) de attributen van Melpomene, de muze van het treurspel.

[Scheren]

Scheren, bw. ow. ong. (ik schoor, heb geschoren), haar -, wol afnemen (met een scherp werktuig); afbijten, afknijpen; de lammeren - het gras; de kruin - (van eenen r.k. geestelijke om hem tot zijn ambt te wijden); (fabr.) laken -, wol -; (fig.) zij zijn allen over één kam geschoren, zij zijn allen aan elkander gelijk, de een is niet beter dan de ander; geschoren (opgescheept, verlegen met iem. of iets) zijn; wij zitten er mede geschoren; (fig.) wij worden geducht geschoren, wij moeten veel opbrengen; den gek -, iem. foppen, den draak met hem steken; rep je, scheer je, haast u, doe het zoo spoedig mogelijk; steentjes langs het water - of laten - (laten glijden). *-, de lucht klieven (van vogels). *-, (zeew.) de touwen behoorlijk stellen.

[Scherf]

Scherf, v. (...ven), brok, stuk (van eenen pot, eene kan enz.). *-BAND, o. (-en), kerfplank. *-IJZER, o. (-s), kerfijzer. *-MES, o. (-sen), kerfmes.

[† Scherif, Sherif]

Scherif, Sherif, m. (-s), opperregter (in Engeland); emir (in Turkije en Arabië).

[Schering]

Schering, v. (-en), het scheren, (in alle bet.); (wev.) spanning (der draden); - en inslag, (fig.) het geheel, alles waarop het rust. *-DRAGER, m. (-s), zek. werktuig der wevers.

[Scherlei]

Scherlei, v. zie SCHARLEI. *...LUIN, v. zie SCHARLUIN.

[Scherm]

Scherm, m. gmv. bescherming. *-, o. (-en), opstaande met papier beplakte draagbare wand, afschutting; tooneelgordijn, voorhangsel. *-BOEK, o. (-en), boek dat over de schermkunst handelt. *-DAK, o. (-en), luifel; (oudh.) schilddak, (in de veldslagen der Romeinen). *-DEGEN, m. (-s), floret. *-DRAGEND, bn. de -e gewassen. *-EN, ow. gel. (ik schermde, heb geschermd); naar zekere kunstmatige regels den degen hanteren, (als gymnastische oefening); (fig.) veel en ijdel praten; met woorden -, in het wild -; lang over en weêr dingen en bieden; zij schermden lang over dien koop. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die schermt; de Schermer, naam van een drooggemaakt meer in Noord-Holland. *-HANDSCHOEN, m. (-en), ↑ *-ING, v. gmv. hoede. *-INKEL, m. (-s), zie SCHARMINKEL. *-KUNST, v. gmv. kunst den degen te hanteren. *-LAP, m. (-pen), borstlap, plastron. *-MEESTER, m. (-s). *-SCHILD, o. (-en). *-SCHOEN, m. (-en). *-SCHOOL, v. (...olen). *-SLAG, m. (-en). *-STEEK, m. (...eken). *-STOOT, m. (-en). *-ZAAL, v. (...alen).

[Schermutselen]

Schermutselen, ow. gel. (ik schermutselde, heb geschermutseld), (oorl.) met kleine benden en ongeregeld vechten; men schermutselde doch het kwam tot geen hoofdtreffen; (fig.) lang heen en weder bieden (bij eenen koop). *...AAR, m. (-s). *...ING, v. (-en), klein -, los gevecht.

[p. 1167]

[Scherp]

Scherp, bw. en bijw. (-er, -st), goed snijdend, een - mes, - zwaard; eene -e schaar; doordringend, eene -e lucht; prikkelend, bijtend, zuur, -e azijn, -e peper; vinnig; een -e (koude) wind; hard, honend, -e woorden, een - verwijt; gestreng, een - onderzoek, een - verhoor; sterk, krachtig (van de zintuigen), een - gehoor, - gezigt, (ook fig.), hij hoort -, ziet niet -; een - (doordringend) verstand; een - (getrouw) geheugen; (taalk.) een - toonteeken, ('), accent aigu; (zeew.) - (digt) bij den wind; een - schip, dat er goed door heen zet; (gen.) -e (bedorven) vochten; (fig.) het ging er - toe, er werd hevig gestreden, (feitelijk of met woorden); (spr.) de honger is een - zwaard. *-, o. kogels, schroot; (zeew.) alle ijzerwerk aan boord; een geweer met - laden; met - schieten; zet er dubbel - op, laadt dubbel. *-, scherpe zijde; het - van de sabel. *-ACHTIG, bn. eenigzins scherp. *-ELIJK, bijw. op harde -, gestrenge wijze. *-EN, bw. gel. (ik scherpte, heb gescherpt), slijpen, wetten, aanzetten, scherp maken; ruw maken (eenen molensteen, om er laken op te kunnen slijpen); een paard - (met gescherpte hoef-ijzers beslaan). -, (fig.) aanzetten; het verstand, het geheugen - (oefenen); zich op iets - (toeleggen, bevlijtigen). -, ow. (zeew.) tegenloopen; de wind begint te - (uit een verkeerden hoek te waaijen). *-ER, m., *-STER, v. (-s), die scherpt, slijpt. *-HEID, v. (...eden), *-TE, v. gmv. hoedanigheid van scherp te zijn (in alle bet.), het scherpe. *-HOEK, m. (beter scherpe hoek), zek. meetk. figuur. *-HOEKIG, bn. (-er, -st). ↑ *-IGHEID, v. scherpheid, scherpte. *-ING, v. het scherpen (in alle bet.). *-KLINKEND, *-LUIDEND, bn. *-REGTER, m. (-s), beul. *-REGTERSAMBT, o. gmv., ...POST, m. gmv. *-SCHUTTER, m. (-s), die het vuurroer weet te hanteren; fuselier, buksschieter. SFEEST, o. (-en). *-STRIJDEND, bn. zeer scherp. *-TE, v. scherpheid. *-ZIENDE, bn. *-ZINNIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, geestig, vernuftig, verstandig. *-ZINNIGHEID, v. gmv. vernuft, doordringend verstand, schranderheid.

[Scherts]

Scherts, v. gmv. boert, spotternij, klucht, luim, kortswijl; het was slechts - (geen ernst); - verstaan, zich om onschuldige boert niet boos maken; gemoedelijke -, humor; - ter zijde, zonder schertsen, ernstig gemeend. *-EN, ow. gel. (ik schertste, heb gescherst), boerten, kortswijlen; hij schertste maar, hij zeide het slechts in boert, meende het niet. *-END, bn. en bijw. boertend, met ernstig gemeend. *-ER, m., *-STER, v. (-s), boerter, kortswijler, boertster. *-ERIJ, *-ING, v. (-en), boerterij.

[Scherven]

Scherven, ow. gel. (ik scherfde, heb gescherfd), splijten, brokkelen; de pot begint te - (brokjes verglaassel af te werpen).

[Schets]

Schets, v. (-en), eerst ontwerp, eerste teekening, plan (eener schilderij, eener kerk enz.); kleine teekening, afbeelding; (fig.) korte beschrijving (van iets of iem.); ziedaar eene ruwe, korte - van mijn leven. *-BOEK, o. (-en), (schild.) boek waarin men schetsjes maakt. *-EN, bw. gel. (ik schetste, heb geschetst), eene schets maken; (zeew.) de kust - (afteekenen, opnemen); (fig.) beschrijven, malen; hoe u mijn lijden te -? *-ER, m. (-s). *-STER, v, (-s). *-ING, v. (-en), het schetsen; schets.

[p. 1168]

[Schetteren]

Schetteren, ow. gel. (ik schetterde, heb geschetterd), klinken (van trompetten), schateren. *...ING, v. (-en), het schetteren. *-D, bn.

[§ Scheuk]

§ Scheuk, v. (-en), ontuchtig vrouwspersoon. *-EN, ow. gel. (ik scheukte, heb gescheukt), zich wrijven; zich schurken.

[Scheur]

Scheur, v. (-en), barst, spleet, kloof; vaneenrijting (in laken, katoen, in wollen stoffen, papier enz.); ik gaf of maakte mij eene - in mijnen jas. *-, *-ING, v. gmv. verdeeldheid, tweespalt (inz. in de kerk). *-BUIK, v. gmv. (gen.) soort mondziekte; zware uitslag. *-DOEK, o. oud linnen goed om te verscheuren. *-EN, bw. ow. gel. (ik scheurde, heb gescheurd), vaneenrijten, - trekken, - rukken; papier -, linnen -; door midden -, in tweeën -; zijne kleederen zijn gescheurd (hebben scheuren); de grond is door de droogte overal gescheurd (opengespleten); een gescheurde (gebarsten) muur; dat linnen, die stof scheurt overal (krijgt overal scheuren); (fig.) zich uit iemands armen - (ontrukken); ik zal er zonder kleêr- (zonder verlies of schade) niet afkomen. *-ING, v. (-en), het scheuren; (fig.) scheur. *-LAKEN, o. (-s), *-LINNEN, o. gmv. oud laken of linnen (dienende tot lappen, windsels, pluksel enz.). *-MAKER, m. (-s), driftige ijveraar (inz. in de godsdienst), die twist (in de kerk) zaait; afvallige, ketter. *-PAPIER, o. gmv. oud -, gebruikt papier (beschreven of bedrukt); zijn werk is goed om er - van te maken, het deugt niets. *-SEL, o. (-s), het gescheurde; scheur. *-ZIEK, bn. twistziek, geneigd tot het zaaijen van tweespalt in de kerk.

[Scheut]

Scheut, m. (-en), (plant.) uitspruitsel, loot, stekje; tong (aan een slot); zoo veel als men op eens uit eene kan of flesch giet; (zeew.) - geven, vieren, bot vieren; (fig.) - krijgen, - nemen, snel opgroeijen; (fig.) - onder water, bedekt verwijt. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine scheut; een - (weinigje) azijn, brandewijn. *-IG, bn. (-er, -st), rijzig, opgeschoten; een -e boom; (fig.) mild, vrijgevig; hij is niet - met zijn geld, met zijne vriendschap. -HEID, v. gmv. rijzigheid, lengte; bereidvaardigheid, mildheid. *-S, binnen-, buiten-, binnen -, buiten het bereik van een vuurwapen. *-VRIJ, v. buiten het bereik van een vuurwapen. *-WIJN, m. gmv. lekwijn.

[† Schibboleth]

Schibboleth, o. herkenningswoord (uit de oud-joodsche geschiedenis).

[Schicht]

Schicht, m. (-en), pijl, (inz. dicht). *-IG, bn. (-er, -st), schuw, vreesachtig (inz. van paarden). -HEID, v. gmv. schuwheid (van paarden); (ook fig.).

[† Schiefer]

Schiefer, o. schilfersteen, steensoort.

[Schielijk]

Schielijk, bn. en bijw. (-er, -st), snel, spoedig, haastig; overhaast, plotseling; (muz.) presto. *-HEID, v. gmv. spoed, haast, vaardigheid.

[Schieman]

Schieman, m. (-nen), (zeew.) bootsmaat, oppasser voor het schoonhouden van het schip. *-NEN, ow. gel. (ik schiemande, heb geschiemand), (zeew.) opredderen (inz. het tuig). *-SCHAP, o. gmv. betrekking van schieman. *-SGAREN, o. (-s), (zeew.) garen uit oud touwpluis. *-SGASTEN, m. mv. (zeew.) uitkijkers. *-SMAAT, m. (...aten), helper van den schieman. *-SWIEL, o. (-en), (zeew.) touwwinder.

[p. 1169]

[Schier]

Schier, bijw. bijna, ongeveer. *-, bn. bedorven. *-BEITEL, m. (-s), timmermansgereedschap. *-EILAND, o. (-en), land dat niet geheel door water omringd is.

[Schieschuit]

Schieschuit, v. (-en), soort trekschuit.

[Schietboog]

Schietboog, m. (..ogen). *...BOUT, m. (-en), (zeew.) ijzeren bout om het kanon te laden. *...BUS, v. (-sen), geweer, vuurroer.

[Schieten]

Schieten, ow. bw. ong. (ik schoot, heb of ben geschoten), snel zich ergens heen bewegen of bewogen worden; dringen -, vliegen met eene vaart; de pijl schiet uit den boog; het mes schoot hem uit de hand; vieren, los laten; hij schoot (viel) uit den wagen; hij schoot (liep ijlings) naar mij toe; (fig.) daar schiet mij iets door het hoofd, daar komt mij iets in de gedachte; (zeew.) een touw laten -; (plant.) opkomen; in het zaad -, zaad krijgen; in aren -; wortel -, zie WORTEL; (fig.) iem. voor den kop -, hem door kogels doen sterven, - doen nedervallen; met geweren - (geweren afschieten); geld - (vooruit geven, leenen); brood in den oven - (schuiven); kuit -, (van visschen); (zeew.) het want -; de zon -, poolshoogte nemen; een schip in den grond - (boren); de netten - (uitwerpen); eenen walvisch - (met het harpoen treffen); (zeew.) ballast - (verwerken); den of naar den papegaai -, zek. volksspel in Vlaanderen en Zeeland gebruikelijk; patrijzen, hazen - (treffen met het schot); (fig.) eenen bok -, zich vergissen; ik zal daar wel een schotje (schutje) voor -, ik zal het wel weten te beletten; overhoop (onderst boven) -, (door het kanon). *...ER, m., *...STER, v. (-s), die schiet. *...ER, m. (-s), mot (zek. insekt).

[Schietgat]

Schietgat, o. (-en), opening waardoor men schiet (uit eene vesting, uit een schip enz.). *...GEBED, o. (-en), kort gebed, gebed in den nood. *...GEVAARTE, o. (-n), (oudt.) werptuigen, balisten. *...GEWEER, v. (...eren), vuurroer, musket, pistool. *...HAGEL, m. gmv. kleine looden kogels. *...ING, v. het schieten; schot. *...KATOEN, o. boomwol of watte met salpeterzuur bereid, (middel ter vervanging van het buskruid). *...LAP, m. (-pen), borstlap (ter afwering van schoten). *...LIJN, v. (-en), lijn -, boog waaronder geschoten wordt (uit het kanon en waarbij men door vernuftig uitgedachte werktuigen de rigting weet te bepalen). *...LOOD, o. (-en), paslood, draad met een looden balletje. *...MOT, v. (-ten), zek. insekt. *...PEN, v. (-nen), pen die de schietschijf houdt. *...PIJL, m. (-en). *...SCHUIT, v. (-en), pakschuit in geregelde beurtvaart. *...SLANG, v. (-en), slang die uit eene hoogte op hare prooi nederschiet. *...SPEL, o. (-en), volksspel waarbij men op een wit schiet. *...SPOEL, v. (-en), (wev.) werktuig tot doorschieting der inslagdraden. *...STROOM, m. (-en), overblijfsel van een voormaligen waterval. *...TUIG, o. (-en), alles waaruit -, waarmede men schiet. *...WORM, m. (B.v.) (-en), soort mijt.

[Schiften]

Schiften, bw. ow. gel. (ik schiftte, heb of ben geschift), scheiden, in-, verdeelen; nalezen, uitpluizen, onderzoeken; het koren van het kaf -, (ook fig.), het goede van het slechte afzonderen; zuren, runnen, omslaan (van melk, soep enz.); rafelen, dun en open worden (van zijden stoffen). *...ER, m., *...STER, v. (-s), die schift;

[p. 1170]

napluizer, onderzoeker, onderzoekster. *...ING, v. het schiften (in alle bet.).

[Schijf]

Schijf, v. (...ven), plat rondeel (van welke stof ook); deel eener bloem of plant; de - eener katrol; diamantwerkers-, (waarop de diamant geslepen wordt); eenen appel aan schijven (of schijfjes) (dunne plakjes) snijden; naar de - schieten; de - der maan of zon; dat loopt over veel schijven, (ook fig.) daaraan is veel moeite verbonden; gouden en zilveren schijven, (tot munten); veel schijven (veel geld) hebben. *-BLAD, o. (-eren), (plant.) schijfvormige bladsteel. *-BLOEM, v. (-en), (plant.). *-GAT, o. (-en). *-KWAL, v. (-len), zek. diertje. *-LOOP, m. (-en), lantaarnrad, soort rondsel in molenwerken. *-SCHIETEN, o. het schieten naar de schijf (tot oefening). *-ZWAM, v. zek. zwamsoort.

[Schijn]

Schijn, m. gmv. lichtglans door alle vurige en stralende voorwerpen afgeschoten; bij of in den - van iets werken; (fig.) uiterlijk doch onzeker voorkomen van iets; gestalte, vorm, aanzien; (spr.) wacht u voor den -, oordeel niet naar het uiterlijk; - bedriegt; (fig.) de - is tegen mij; zich aan den - vergapen; onder - van opregtheid, van vriendschap; naar allen -; men moet zelfs den - (van kwaad doen) vermijden; men moet den - van het wezen onderscheiden. *-BAAR, bn. en bijw., -LIJK, bijw. den schijn hebbende; (aardr.) niet wezenlijk; het schijnbare (van iets). -BAARHEID, v. (...heden), uiterlijkheid; schijn; het schijnbare. *-BEELD, o. (-en), bedriegelijk beeld; de bijmanen of bijzonnen zijn - en; (fig.) hersenschim; spel der verbeelding. *-CHRISTEN, m. (-en), valsche christen, christen in naam. *-DEUGD, v. (-en), valsche -, gehuichelde deugd. *-DOOD, m. gmv. schijnbare dood. -, bn. schijnbaar dood. -E, m. en v. iem. dien men voor dood houdt doch die nog leeft. *-EN, ow. en onp. w. ong. (ik of het scheen, ik heb of het heeft geschenen), glans -, gloed -, schijnsel van zich geven; (fig.) hij laat de zon nooit van zich -, hij geeft niets weg, is gierig; (fig.) het uiterlijke voorkomen van iets hebben; die zaak schijnt zoo; hij schijnt een braaf man te zijn; hij is niet wat hij schijnt (te zijn); zij schijnt mij toe (komt mij voor) veel geld te hebben; het schijnt te zullen regenen. *-GELEERDE, m. en v. (-n). *-GELOOF, o. gmv. valsch geloof, huichelarij. *-GELUK, o. gmv. *-GOED, o. (-eren). -, bn. schijnbaar -, niet wezenlijk goed. *-GESTALTE, v. (-n), (sterr.). *-GROND, m. (-en), schijnbare -, niet wezenlijke grond of reden. *-HEILIG, bn. en bijw. (-er, -st), heilig -, vroom in schijn; geveinsd vroom. -E, m. en v. (-n), schijnvrome. -HEID, v. gmv. geveinsde vroomheid, huichelarij. *-KONING, m. (-en), zwakke -, nietige koning; (fr. gesch.) de-en, (of schaduwkoningen), van Chilperik tot Pepijn den Korte. *-OVERGANG, m. (-en), zek. redekunstige figuur. *-PHILOSOOPH, m. (...ophen). *-PHILOSOPHIE, v. valsche wijsbegeerte. *-REDEN, v. schijnbare -, valsche reden, drogreden, sophisme. *-REDENAAR, m. (-en), drogredenaar, sophist. *-SEL, o. (-s), schijn, licht, straalflikkering. *-STRIJDIG, bn. en bijw. (-er, -st), schijnbaar in strijd met. -HEID, v. (...heden), schijnbare tegenstrijdigheid. *-VERMAAK, o. (...aken). *-VREUGDE, v. gmv. *-VREDE, m. gmv. valsche -, geveinsde vrede. *-VRIEND, m.

[p. 1171]

(-en), -IN, v. (-nen), valsche vriend, -in. *-VRIENDSCHAP, v. gmv. *-VROOM, bn. schijnheilig. -HEID, v. gmv. *-WIJS, bn. *-WIJSBEGEERTE, v. gmv. valsche wijsbegeerte. *-WIJSGEER, m. (-en), sophist. *-VRUCHT, v. (-en), (plant.). *-WORM, m. (B.v.) (-en), glimworm.

[§ Schijt]

§ Schijt, v. gmv. ontlasting, schijterij. *-EBROEK, m. (-en), die in de broek schijt; (scheldnaam) lafaard, bloodaard. *-EN, ow. gel. (ik scheet, heb gescheten), (zeer gemeen) zijn gevoeg doen; (ook) winden laten; (fig.) in de broek -, beangst zijn. *-ER, m. (-s). *-STER, v. (-s). *-ERIJ, v. gmv. loslijvigheid, kakkerij; aan de - zijn, aan te veel ontlasting lijden. *-GAT, o. (-en), aarsgat. -, m. en v. schijter, schijtster. *-GEEL, o. en bn. zek. gele verf. *-HUIS, o. (...zen), geheim gemak. *-KRUID, o. (-en), (plant.) zek. purgeerkruid. *-POT, m. (-ten). *-VALK, m. (-en), soort boomvalk; (fig.) ingebeelde dwaas. *-WORTEL, m. (-s), zek. purgeerwortel.

[Schik]

Schik, m. gmv. orde, opruiming, schikking; genoegen, tevredenheid; ik ben er regt in mijnen - mede, ik ben er over tevreden; hij is niet in zijnen - (niet in een goede luim); hij heeft - in zijn leven, hij is een lustige broeder. *-GODIN, v. (-nen), (fab.) de drie - nen, (Clotho, Lachesis en Atropos), die over 's menschen leven en sterven beslisten. *-KELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), redelijk, tamelijk, toegevend, ordelijk; gij moet het - met mij maken, mij niet te duur laten betalen, (ook) niet te veel laten arbeiden. -HEID, v. gmv. betamelijkheid, redelijkheid, orde; toegevendheid. *-KEN, bw. ow. gel. (ik schikte, heb geschikt), ordenen, regelen, in orde brengen, rangschikken; (fig.) zijne zaken -, (die verward of achteruit waren); zij hadden twist, maar het is nu geschikt (bijgelegd); zich - naar iets of iemand, toegeeflijk zijn, zich onderwerpen; zich om eene tafel - (naar orde plaatsen); (fig.) het zal zich wel -, het zal wel in orde komen; zich, tot werken - (voorbereiden). *-KER, m., *-STER, v. (-s), die schikt (in alle bet.). *-KING, v. (-en), geregelde plaatsing, opruiming, regeling, ordening, inrigting; (schild.) - der beelden, ordonnantie; (fig.) (regt.) overeenkomst; transactie; eene minnelijke -.

[Schil]

Schil, v. (-len), bast, omkleedsel; bolster; bekleedsel eener vrucht of plant; dop (van een ei); vlies.

[Schild]

Schild, o. en m. (-en), (oudt.) rondas, plaat (ook soms van gevlochten teenen) tot verwering aan den linkerarm gedragen; met speer en - gewapend; op het - verheffen, gebruik der oude volken om iem. als aanvoerder of vorst te erkennen; (fig.) iemand in het (of den) - varen, iem. aantasten (inz. met woorden); iets in het - voeren, een geheim oogmerk hebben. *-, hard dekschild, rug bekleedsel (der schildpadden enz.); uithangbord; wat staat er op zijn -? (zeew.) zetbord; - van Sobieski, zek. sterrebeeld. *-ACHTIG, bn. als een schild, in den vorm van een schild. *-BANK, v. (-en), (zeew.) zek. zware plank. *-DAK, o. (-en), (rom. gesch.) dak uit aaneengevoegde schilden bestaande waarop andere voetknechten zich plaatsten, (ook) onder wier beschutting gevochten werd. *-DRAGIR, m. (-s), *-KNAAP,

[p. 1172]

m. (...apen), jongen die het schild van den ridder overal achterna droeg; (wap.) beeld dat het wapen draagt.

[Schilder]

Schilder, m. (-s), die schildert (in alle bet.). *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), als geschilderd; uitnemend fraai; waard geschilderd te worden; als het ware geschilderd. *-AKADEMIE, v. (...ën), leerschool voor de schilderkunst. *-EN, bw. ow. gel. (ik schilderde, heb geschilderd), met het penseel afbeeldingen maken, verwen, malen; (fig.) iemand niet geschilderd kunnen zien, hem verachten, haten; zijn huis laten -, (door eenen huisschilder) laten verwen; (fig.) beschrijven, voorstellen (door een fraaijen stijl); op schildwacht staan; wachten, op en neêr loopen. *-ES, v. (-sen), vrouw die schildert. *-HUIS, o. (...zen), -JE, (B. -N), o. (-s), wachthuisje.

[Schilderij]

Schilderij, v. (-en), schilderstuk, doek (of hout enz.) met eenig tafereel beschilderd (met of zonder lijst); (fig.) iets fraais. *-KABINET, o. (-ten), verzameling van schilderijen; kamer waar zulk eene verzameling zich bevindt. *-KAMER, v. (-s). *-KOOPER, m. (-s), kunstkooper. *-VERKOOPER, m. (-s). ...STER, v. (-s).

[Schildering]

Schildering, v. (-en), het schilderen, tafereel, schilderij; (fig.) beschrijving.

[Schilderkunst]

Schilderkunst, v. gmv. eene der schoone kunsten. *...WERK, o. (-en), het geschilderde; te schilderen voorwerpen.

[Schildersambacht]

Schildersambacht, o. gmv. handwerk van huisschilder. *...EZEL, m. (-s), schraag -, toestel waarop men schildert. *...KNECHT, m. (-s). *...KWAST, m. (-en). *...LIJM, o. (-en). *...MES, o. (-sen), tempermes. *...MODEL, o. (-len), model waarnaar men schildert; (ook) persoon die als model poseert. *...PALET, o. (-ten), voorwerp waarop de schilder zijne verwen uitspreidt. *...PENSEEL, o. (...elen). *...STOK, m. (-ken), -JE, (B. -N), o. (-s), stok waarop de hand des schilders rust. *...WINKEL, m. (-s), werkplaats eens huisschilders.

[Schildhoofd]

Schildhoofd, o. (-en), (zeew.) zek. houtwerk. *...HOUDER, m. (-s), schilddrager; (wap.) beeld dat het wapen draagt.

[Schildje]

Schildje, (B. *-N), o. (-s), klein schild (in alle bet.); -s, opene vrucht der korstmossen.

[Schildkever]

Schildkever, m. (-s), (nat. gesch.) zek. schilddragend insekt. *...KLIER, v. (-en), (ontl.). *...KNAAP, m. (...apen), (in de middeleeuwen) adellijk jonker die den ridder overal verzelde. *...KNECHT, m. (-s), schilddrager. *...KNOOP, m. (...open), (zeew.) soort knoop in touw. *...KORSTDIER, o. (-en), zek. diersoort. *...LUIS, v (...zen), zek. insekt. *...MOS, o. zek. plant. *...KRUID, o. (-en), wilde mosterd, (zek. gewas).

[Schildpad]

Schildpad, v. (-den), zek. tweeslachtig dier (uit de keerkrings-landen); (oudt.) zek. stormtuig. *-, o. bewerkt rugbekleedsel der schildpadden; (zeew.) schootbas. *-ACHTIG, bn. *-DEN, bn. van schildpad (gewerkt). -, bw. gel. (ik schildpadde, heb geschildpad), als schildpad bewerken. *-SGEZWEL, o. (-len), (gen.). *-TORRETJE, (B. -N), o. (-s), goudhaantje, zek. insekt.

[Schildpleister]

Schildpleister, v. (-s), schildvormige pleister. *...VINK, m. (-en), zek. vogel. *...VISCH, m. (...sschen), zek. visch. *...VLEUGELIG, bn. (nat.) de -en, insekten wier vleugels dekschilden hebben. *...VOR-

[p. 1173]

MIG, bn. (plant.) de -e bladeren. *...WACHT, v. (-en), uitgezette post ter bewaking; op - staan, de - aflossen; (fig.) lang wachten (in de open lucht); (oorl.) verloren -, verste -, (die op een zeer gevaarlijk punt uitgezet is), uiterste voorpost; ruiters -, † vedette. *...WACHTHUISJE, (B. -N), o. (-s), schilderhuisje. *...WANGIG, bn. de - en, soort visschen. *...WAPEN, o. (-s), wapenschild.

[Schilfer, Schelfer]

Schilfer, Schelfer, v. (B.m.), (-s), dun blaadje (kalk, metaalroest enz.); hamerslag; de kalk valt in -s af; -s op het hoofd, dunne afbladering der huid. *-, o. schiefer, zek. steensoort. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), bladerig (van kalk, verroest ijzer, lei, de huid van het hoofd enz.). *-EN, ow. gel. (ik schilferde, heb of ben geschilferd), in schilfers af- of vervallen, bladerig worden. *-IG, bn. (er, -st), ligt schilferend; roestig (van ijzer); bladerig (van eene genezen wond). *-ING, v. (-en), het schilferen (in alle bet.). *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine schilfer, blaadje, loovertje (van droogen kalk).

[Schillen]

Schillen, bw. gel. (ik schilde, heb geschild), de schil afnemen (inz. van vruchten); ontbolsteren (noten, hennep); doppen, pellen (boonen enz.); (fig.) een appeltje met iem. te - hebben, tot eene verklaring willen komen over eene beleediging of verongelijking. *...LING, v. het schillen.

[Schim]

Schim, v. (-men), schaduw, afschijnsel; voor zijne eigene - bevreesd zijn, alles vreezen; hij ziet er uit als eene -, (mager, bleek); hij is nog slechts de - van zich zelven; (fab.) geest van eenen afgestorvene, spook; het rijk der -men, het onderaardsche rijk, de hel.

[Schimmel]

Schimmel, v. gmv. uitslag (door bederf) op brood, vleesch enz.; kant (op bedorven wijn); (fig.) de - uit iets honden, er drok van eten of drinken. *-, m. (-s), wit paard; soort gezelschapsspel, (ook klok en hamer geheeten). *-ACHTIG, bn. (-er, -st), eenigzins beschimmeld. *-BLES, m. (-sen), wit paard met een bles of vlek op het voorhoofd. *-EN, ow. gel. (ik schimmelde, heb geschimmeld), zich met schimmel bedekken, beschimmelen; het schimmelspel spelen. *-HARIG, bn. met haren als die van eenen schimmel. *-IG, bn. (-er, -st), beschimmeld. *-ING, v. gmv. het schimmelen. *-KLEUR, *-VERF, v. gmv. grijswit, kleur als die van eenen schimmel (paard). *-KLEURIG, *-VERWIG, bn. grijswit. *-SPEL, o. gmv. zek. gezelschapsspel.

[Schimmenrijk]

Schimmenrijk, o. gmv. (fab.) verblijf der afgestorvenen in de onderwereld, elyzesche velden.

[↑ Schimmeren]

Schimmeren, ow. gel. zie SCHITTEREN.

[Schimp]

Schimp, m. gmv. hoon, beleedigende spot; eenen - werpen (op iem.). *-ACHTIG, bn. (-er, -st), eenigzins schimpend, honend. *-BRIEF, m. (...ven), honende brief. *-DICHT, o. (-en), schotschrift (in rijm). *-DICHTER, m. (-s), schotschrijver (in rijm). *-ELIJK, bijw. op schimpende of honende wijs. *-EN, ow. gel. (ik schimpte, heb geschimpt), - op (iets of iem.), honen, schelden, uitvaren (tegen). *-ER, m., *-STER, v. (-s), schelder, honer, beleediger, beleedigster. *-ERIJ, v. (-en), het schimpen, scheldwoorden. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), (w.g.), schimpachtig, bits. *-ING, v. het schimpen, geschimp. *-LIED, o. (-eren). *-LUST, m. gmv. zucht om te schimpen.

[p. 1174]

*-NAAM, m. (...amen), spot-, scheldnaam. *-REDE, v. (-n), redevoering -, taal vol beleedigende uitdrukkingen enz. (tegen iem.). *-RIJK, bn. (w.g.), schimpend, honend. *-SCHEUT, m., *-SCHOT, o. (-en), bitse uitval. *-SCHRIFT, o. (-en), schotschrift, libel. *-SCHRIJVER, m. (-s), vervaardiger van libellen.

[Schimpswijze]

Schimpswijze, bijw. op bitse -, honende wijze.

[Schimptaal]

Schimptaal, v. gmv. gemeene-, honende uitdrukkingen, scheldwoorden. *...VOGEL, m. (-s), (fig.) spotter, beleediger. *...WERK, o. (-en), schimpschrift. *...WOORD, o. (-en) scheldwoord.

[↑ Schin]

Schin, v. gmv. hoofdziekte, hoofduitslag (der kinderen). *-DE, v. boombast, schors. *-DELEN, ow. gel. (ik schindelde, heb geschindeld), blinken. *-DEN, bw. gel. (ik schindde, heb geschind), villen, het vel afstroopen. *-DER, m. (-s), viller. *-DSTER, v. (-s), vilster.

[Schink]

Schink, m. (-en), gezouten achterdeel (van een varken of rund), ham; de -en, soort zeer kleine kruipende dieren.

[Schinkel]

Schinkel, m. (-s), schenkel, dijbeen, dij; (zeew). draairing, zek. touwwerk. *-HAKEN, m. mv. zek. touwwerk.

[Schip]

Schip, o. (schepen), vaartuig, bodem; -van den 1en, 2en, 3en of 4en rang, schip van 120, 100, 90 of 80 stukken geschut; digt -, dat niet lek is; een bekwaam, zeewaardig -, dat goed zee bouwt; scherp -, dat snel zeilt; blank -, dat schoongespoeld is; een - afdanken, uit de vaart brengen (wegens ouderdom); een breed, smal, hoog getuigd -; een diepgaand, diep verbonden -; een snelzeilend -; een - van stapel laten, loopen, voor het eerst te water brengen; een krank (beschadigd) -; een loefgierig (hellend) -; een - op stapel, dat men bezig is te bouwen; een overlastig -, dat te grooten last heeft; een - reddeloos schieten, zoo havenen dat het niet meer ontkomen kan; stuurlastig -, dat te veel in het stuur hangt; (regt.) de vlag dekt het -, niet de lading, in tijd van oorlog worden slechts de schepen der onzijdigen geëerbiedigd, niet wat zij medevoeren wanneer het contrabande is; (spr.) oude of dure schepen blijven aan wal, oude meisjes (of meisjes die te veel eischen) blijven ongehuwd; (fig.) - der woestijn, kameel; schoon - maken, opruimen, wegnemen al wat niet deugt, (ook) eene maagzuivering houden; het - Argo, naam van een sterrebeeld; (fig.) het is een diepgaand -, hij heeft veel noodig om zijne uitgaven te dekken; groot - groot water, hoe meer geld men uitgeeft hoe meer men noodig heeft; het - aan de zee overgeven, iem. aan zijn lot overlaten; hij reedt mede aan dat -, hij is mede in de zaak betrokken; tusschen kaai en - vallen, wegraken, verloren gaan; klein - klein zeil, kleine huishouding kleine zorgen; het - dragende houden, zich in denzelfden staat houden. *-, (bouwk.) ruim eener kerk, - eener groote zaal. *-BANK, v. (-en), roeibank. *-BEK, m. (-ken), punt -, voorsteven van een schip. *-BOOM, m. (-en), lange houten staak om een schip voort te stuwen. *-BREUK, v. (-en), stranding, verbrijzeling van een schip (aan de kust, op eene klip, enz.); - lijden; (ook fig.) mislukking, ondergang. *-BREUKELING, m. en v. (-en), die schipbreuk lijdt of geleden heeft. *-BRUG, v. (-gen), brug op onderling verbonden platboomde

[p. 1175]

vaartuigen. *-HAAK, m. (...aken), boom, bootshaak. *-LOON, m. en o. (-en), scheepsloon; vracht. *-PER, m. (-s), gezagvoerder; opperbootsman (op een oorlogsschip); (fig.) hij is - te voet geraakt, hij is afgezet, - uit zijne betrekking ontslagen; - en stuurman tevens zijn, besluiten nemen en zelf ze uitvoeren. *-PEREN, bw. ow. gel. (ik schipperde, heb geschipperd), regelen, geven en nemen, ik zal het wel - (klaar krijgen); het begint te - (zich te stellen). *-PERIJ, v. (-en), scheepvaart (op de binnenwateren); (ook) degenen die zich er op toeleggen. *-SCHE, v. vrouw eens schippers, vrouw die het schippersbedrijf uitoefent.

[Schippersboek]

Schippersboek, o. (-en), inventaris van scheepsbehoeften aan boord. *...BOOM, m. (-en). *...DAGHUUR, v. (...uren). *...DOCHTER, v. (-s). *...HAAK, m. (...aken). *...HUT, v. (-ten), woning voor den schipper aan boord. *...JONGEN, m. (-s). *...KNECHT, m. (-s, -en). *...KOOI, v. (-jen, B. -en). *...KOST, m. gmv. *...LOON, o. (-en). *...PIJ, v. (-en). *...VROUW, v. (-en). *...ZOON, m. (-s, ...onen).

[Schippond]

Schippond, o. (-en), (oudt.) zek. denkbeeldig gewigt = 300 amst. pond. *...REEDE, v. (-n). *...REEDER, m. (-s), bevrachter -, eigenaar van een schip. *...ROER, o. (-en), stuur van een schip. *...ZIJDE, v. (-n). *...ZAND, o. gmv. zandballast.

[† Schisma]

Schisma, v. scheuring, verdeeldheid (in de kerk). *-TICUS, (...ici), *-TIEKER, m. (-s), scheurmaker in de kerk, ketter.

[Schits]

Schits, o. zie SITS.

[Schitteren]

Schitteren, ow. gel. (ik schitterde, heb geschitterd), glinsteren, flikkeren, stralen, blinken; (fig.) pralen; uitblinken. *-D, bn. (-er, -st), blinkend, stralend. *...ING, v. (-en), het schitteren, straling; flikkering; praal.

[Schitterglans]

Schitterglans, m. *...LICHT, o. (-en).

[† Schlem]

Schlem, v. zie SLAM.

[Schob]

Schob, v. zie SCHUB. *-BEJAK, m. (-ken), deugniet, bedelbrok, schooijer. *-BEJAKKEN, bw. ow. gel. afjakkeren; mishandelen; den deugniet spelen. *-BEN, bw. gel. zie SCHUBBEN. *-BERT, m. (-s), schobbejak. *-BIG, bn. schubbig.

[Schoef]

Schoef, v. (...ven), belegsel (van mantels enz.)

[Schoeijen]

Schoeijen, (B. SCHOEIEN), bw. gel. (ik schoeide, heb geschoeid), den voet bekleeden met schoenen of laarzen; beplanken; (fig.) overeen-brengen, passen; zij zijn allen op ééne leest geschoeid (allen van hetzelfde slag); dat kunt gij niet op dezelfde leest - (niet daarmede overeenbrengen, vergelijken, op dezelfde wijze behandelen). *...JER, (B. ...ER), m. *...STER, v. (-s), die schoeit, schoenmaker. *...JING, v. (-en), het schoeijen; het beplanken; (zeew.) de -en (van eenen wal, van schepen). *...PLANK, v., *...BORD, o. (-en), dienende tot beschoeijing van wallen enz. *...SEL, o. (-s), schoenen, laarzen, alle voetbekleedsel van leder; een houten -, klomp, holsblok.

[Schoelje]

Schoelje, m. (-s), fielt, schurk. *-ACHTIG, bn. en bijw. als -, van een schoelje. *-STUK, o. (-ken), boevenstuk, schelmerij.

[Schoen]

Schoen, m. (-en), voetbekleedsel op de huid of over eene kous gedragen; zuiger (eener pomp); hiel (van eene piek, van eenen paal);

[p. 1176]

deze - wringt mij (doet mij zeer); (spr.) wien de - past trekke hem aan, hij die zich schuldig gevoelt, zal op zich zelven wel iedere zinspeling op zijn gedrag toepassen; ieder weet het best waar de - hem wringt (knelt); vast in zijne -en staan, zeker van zijn stuk zijn; men werpe geen oude -en weg voor dat men nieuwe heeft, men offere geen zeker bestaan op aan eene onderneming wier uitslag onzeker is; ik zou niet gaarne in zijne schoenen (op zijne plaats) willen staan. *-, m. (-en), (zeew.) smeerhouten. *-AANTREKKER, m. (-s), horentje. *-BAND, m., *-LINT, o. (-en), lint of band om de schoenen te binden; (ook) boordlint. *-BORSTEL, m. (-s). *-DRAAD, m. (...aden), draad om de schoenen te naaijen, pekdraad. *-GESP, m. (-en). *-HORENTJE, (B. -N), o. (-s), horentje dienstig tot het aantrekken der schoenen. *-LAK, o. (-ken), zek. vocht om het leder te lakken of te doen glimmen. *-LAKKER, m. (-s), ...STER, v. (-s). *-LAP, m. (-pen), lap op den schoen. *-LAPPEN, o. het bedrijf van schoenlapper. *-LAPPER, m., ...STER, v. (-s), man of vrouw die schoenen lapt. *-LAPPER, m. (-s), (nat.) zeker insekt, vlindertje. *-LAPPERTJE, (B. -N), o. (-s). *-LEDER, *-LEÊR, o. gmv. leder dat dient om er schoenen (inz. bovenleêr) van te maken. *-LEEST, v. (-en), vorm waarop een schoen wordt gemaakt. *-MAKER, m. (-s), iem. wiens ambacht het is schoenen en laarzen te maken; (spr.) - houd u bij uwe leest, mensch, bemoei u met zaken die gij verstaat.

[Schoenmakersambacht]

Schoenmakersambacht, o. gmv, *...ELS, v. (...zen), soort priem of naald om gaten in het zoolleder te maken. *...GAREN, o. (-s). *...GEZEL, m. (-len), knecht van eenen schoenmaker. *...GILD, o. (-en), (oudt.) gebroederschap der schoenmakers. *...JONGEN, m. (-s), *...KNECHT, m. (-s). *...KORF, m. (...ven), mand waarin de schoenmaker zijn werk heeft. *...KRUKJE, (B. -N), o. (-s). *...LEERLING, m. (-en). *...MAAT, v. (...aten), maat waarmede men schoenen of laarzen aanmeet. -, m., -JE, (B. -N), o. (-s), schoenmakersjongen. *...MES, o. (-sen). *...NAALD, v. (-en). *...PEK, o. gmv. *...PIN, *...PEN, v. (-nen). *...STIJFSEL, o. gmv. *...STOEL, m. (-en), -TJE, (B. -N), o. (-s). *...WINKEL, m. (-s).

[Schoener]

Schoener, m. (-s), (zeew.) soort vaartuig, goelet.

[Schoennaad]

Schoennaad, m. (...aden). *...PIN, v. (-nen). *...POETSEN, o. gmv. *...POETSER, m. (-s), ...STER, v. (-s). *...SCHOONMAKER, m. (-s). *...RIEM, m. (-en). *...SCHUIJER, m. (-s), schoenborstel. *...SMEER, o. gmv. zek. mengsel om na uitwrijving het leder te doen glimmen. *...SMEERVERKOOPER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *...SPIJKER, *...NAGEL, m. (-s), (oudt.) nagel in de zolen en hielen geslagen. *...VERSIERSEL, o. (-s, -en), (in den ouden tijd). *...WINKEL, m. (-s). *...WISCH, m. (...isschen), wollen lap om de schoenen te reinigen of te wrijven enz. *...ZOOL, v. (..olen), onderst plat gedeelte van den schoen (zonder den hak of hiel).

[Schoer]

Schoer, m. (-en), (w.g.) onweêrsbui; schouder. *-HAAI, m. (-jen, B. -en), zek. zeevisch.

[Schoffeerder]

Schoffeerder, m. (-s), (vrouwen-)onteerder, verkrachter. *...FEREN, bw. gel. (ik schoffeerde, heb geschoffeerd), verkrachten, ont-

[p. 1177]

eeren, eeren, schenden (vrouwen). *...FERING, v. (-en), het schofferen, verkrachting.

[Schoffel]

Schoffel, v. (-s), soort houweeltje (der tuinlieden), wiedmes; plankje aan een molenrad; (zeew.) hooge zeebaar. *-AAR, m., -STER, v. (-s), die schoffelt. *-EN, bw. gel. (ik schoffelde, heb geschoffeld), losstooten, uithalen (met de schoffel het onkruid). *-ING, v. het schoffelen. *-PLOEG, m. (-en), werktuig om het onkruid op zijpaden los te maken.

[Schoft]

Schoft, v. en o. (-en), vierde gedeelte van eenen dag (onder de werklieden); op - werken, bij den dag betaald worden (van werklieden). *-, v. schouder, schenkel; sterk geschoft (gebouwd) zijn. *-, m. (-en), schoelje, schurk, vlegel. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), schelmsch, schurkachtig; als een schurk. *-EN, ow. gel. (ik schoftte, heb geschoft), rusten, zijn maal nuttigen (van werklieden). *-TIJD, m. (-en), rust-, etenstijd; - houden, nemen.

[Schok]

Schok, m. (-ken), stoot, ruk, bons; schudding; een - van aardbeving, van een rijtuig; (fig.) schrik, plotselinge opwelling, treffende ramp. *-, o. (oudt.) zestigtal; bij het - (bij 60) verkoopen. *-ACHTIG, bn. gierig, inhalig. *-KEBAST, m. en v. (-en), vreter, vreetster, gulzigaard. *-KEN, bw. gel. (ik schokte, heb geschokt), schudden, rukken, bonzen, stooten; (zeew.) bij zestigtallen aftellen; scharen; (fig.) hevig aandoen; nadeelig werken op. *-KING, v. (-en), het schokken (in alle bet.). *-KER, m., *-STER, v. (-s), gierigaard, inhalige vrouw. *-LINNEN, o. (-s), zwaar -, zeer grof linnen.

[Schol]

Schol, v. (-len), drijvend -, groot stuk ijs; soort smakelijke platte zeevisch; (spr.) hij droomt van - en vindt platvisch, hij verwacht er zeer veel van, maar krijgt lang niet wat hij hoopt.

[† Scholarch]

Scholarch, m. (-en), opziener, bestuurder eener school. *...LASTIEK, v. schoolsche wijsheid. *...LASTICUS, m. (...ci), iem. die aan de schoolsche vormen hangt, die bij den meester zweert; (oudt.) blinde volgeling van Aristoteles.

[Scholen]

Scholen, ow. gel. zie ZAMENSCHOLEN.

[Scholfert]

Scholfert, m. (-s), soort watervogel, duikelaar; (fig.) lomperd.

[Scholiën]

Scholiën, v. mv. aanteekeningen op -, verklaringen van de oude klassieken.

[Scholier]

Scholier, m. (-en), *-STER, v. (-s), kind dat school gaat, schoolkind, leerling, kweekeling. *-EN, bw. gel. (ik scholierde, heb gescholierd), school houden, onderrigten; (fig.) beginnen; hij was nog een scholier in de groote kunst met menschen om te gaan.

[↑ Scholken]

Scholken, ow. gel. (zeew.) hol gaan; de baren beginnen te -(onstuimig te worden).

[Schollevaar]

Schollevaar, m. aalscholver, zek. vogel.

[Schollevangst]

Schollevangst, v. gmv. scholvisscherij.

[Scholp-ei, Schulp-ei]

Scholp-ei, Schulp-ei, o. (-jeren, B. -eren), gekookt -, dop-ei.

[Scholpen]

Scholpen, ow. gel. (ik scholpte, heb gescholpt), zachtjes aankloppen, tikken; kabbelen (van het water).

[Scholschuit]

Scholschuit, v. (-en), schuit ter overbrenging van schol. *...TIJD, m. gmv. tijd wanneer de schol het best is, vroeg in den zomer.

[p. 1178]

[Schommel]

Schommel, m. (-s), schongel, schop, (toestel van tusschen twee palen nederhangende touwen met een bankje of bak waarin men heen en weder zweeft). *-, v. vrouw die niets doet dan wisschen en reinigen. *-EN, bw. ow. gel. (ik schommelde, heb geschommeld), in eenen schommel heen en weder zweven of doen zweven; bewegen, roeren; op en neder gaan (van eenen slinger); den huisboedel schoonmaken, reinigen; overhoop halen (om iets te vinden). *-END, bn. zwevend, heen en weder gaande. *-ING, v. (-en), het schommelen; zweving, slingering. *-JONGEN, m. (-s), jongen die bij den schommel staat; (mets.) maatje. *-KNECHT, m. (-s), opperman, handlanger. *-KOK, m. (-s), koksjongen. *-MEISJE, (B. -N), o. (-s), meisje dat het vuilste werk doet. *-TOUW, o. (-en).

[Schompermuilen]

Schompermuilen, ow. gel. (ik schompermuilde, heb geschompermuild), spottend glimlagchen, meesmuilen.

[Schongel]

Schongel, v. (-s), schommel. *-EN, bw. ow. gel, schommelen. *-ING, v. (-en), het schongelen. *-TOUW, o. (-en).

[Schonk]

Schonk, m. (-en), groot -, grof been; grof geschonkte leden.

[Schoof]

Schoof, v. (schoven), bundel, garf (korenaren, stroo); (zeew.) verzameling van al de deelen waaruit eene sloep is zamengesteld; duigen tot vaatwerk. *-LAND, o. (-en), tiendland (waarvan de zesde schoof nog behalve de tiende wordt betaald).

[Schooijen]

Schooijen, (B. SCHOOIEN), bw. ow. gel. (ik schooide, heb of ben geschooid), bedelen, als schooijer ronddolen. *...JER, m., *...STER, v. (-s), bedelaar, landlooper, landloopster. *...JERIJ, v. (-en), bedelarij, landlooperij.

[School]

School, v. en o. (scholen, B. schoolen), verzameling van personen (inz. kinderen) die onderwijs erlangen; plaats waar hun dit onderwijs gegeven wordt; (ook) verzameling van andere voorwerpen (b.v. eene - visschen); ter schole gaan; op - liggen, op kostschool zijn; een kind op eene - besteden; - houden, eene school hebben, - besturen; een kind - houden, niet naar huis laten gaan (tot straf); hooge -, middelbare -, lagere -; (fig.) uit de - klappen, geheimen verraden, praten; de - gaat aan (begint); de - gaat uit (eindigt); de - duurt tot..., er wordt onderwijs gegeven tot.... *-, (fig.) stelsel, leerwijze; (ook) de navolgers van groote meesters, (in kunsten, wetenschappen, poëzij enz.); de - van Aristoteles, van Raphael, van Rembrandt; de nederlandsche -, de italiaansche -; de klassische -, de romantische -; daar is hij op eene goede -, daar kan hij veel leeren; de - (lessen) der wijzen. *-ATLAS, m. (-sen), verzameling van aardrijkskundige kaarten ter dienste van de scholen. *-BEHOEFTEN, v. mv. al wat bij het onderwijs te pas komt. *-BESTUUR, o. (...uren), het besturen -, (ook) de bestuurders eener school. *-BEZOEK, o. (-en), bezoek dat schoolopzieners van tijd tot tijd houden om zich met den staat der scholen bekend te maken. *-BOEK, o. (-en). *-BORD, o. (-en), zwart houten bord op scholen gebruikelijk. *-COMMISSIE, v. (...ën), commissie die toezigt over de scholen uitoefent. *-GEBOUW, o. (-en). *-GELD, o. (-en), geld dat den schoolhouder of aan het schoolbestuur door de ouders wordt betaald; minerval (op de latijn-

[p. 1179]

sche scholen en gymnasia). *-GELEERDE, m. (-n), scholasticus; (ook) betweter, schoolvos, pedant. *-GELEERDHEID, v. gmv. scholastiek; (ook) betweterij. *-GEZEL m. (-len). *-MAKKER, m. (-s). *-HOUDER, m. (-s), schoolmeester. *-HOUDERES, v. (-sen), *-HOUDSTER, v. (-s). *-INSPECTEUR, v. (-en, -s). *-INSPECTIE, v. (...ën), schoolbezoek. *-JAAR, o (...aren), jaar door een kind op de school doorgebragt; (ook) jaar dat van de eene groote (jaarlijksche) vacantie tot de andere verloopt. *-JONGEN, m. (-s), leerling op school; (fig.) domoor, onnoozele. *-JUFVROUW, v. (-en), onderwijzeres. *-KAMER, v. (-s). *-KAMERAAD m. (...aden). -JE (B. -N), o. (-s). *-KIND, o. (-eren). -JE, (B. -N), o. (-s). *-LEERAAR, m. (...aren), onderwijzer; praeceptor, docent (op de latijnsche school). *-MAKKER, m. (-s). *-MATRES, m. (-sen), houdster van eene klein-kinderschool.

[Schoolmeester]

Schoolmeester, m. (-s), schoolhouder; (fig.) pedant; den - spelen, alles willen berispend en ordenen. *-ACHTIG, -LIJK, bn. en bijw. verwaand, ingebeeld, gebiedend. -HEID, v. gmv. verwaandheid, ingebeeldheid hooge toon. *-SCHAP, o. gmv. post-, betrekking van schoolmeester. *-SPLAATS, v. (-en). *-SPOST, m. (-en).

[Schoolmeisje]

Schoolmeisje, (B. -N), o. (-s). *...ONDERWIJS, o. gmv. *...ONDERWIJZER, m. (-s). -ES, v. (-sen). *...OPZIENER, m. (-s). -SPOST, m. gmv. *...PLIGTIG, bn. bij de wet gehouden zijne kinderen ter schole te zenden. -HEID, v. gmv. *-REGT, o. (-en), regt of voorregten der school; (ook) regt dat op eene school wordt uitgeoefend.

[Schoolsch]

Schoolsch, bn. en bijw. van eene school; volgens gebruik -, naar de wijze der school; de -e gebruiken; de -e (pedantische) manieren; de -e (methodische, ook verwaande) leerwijze.

[Schoolstof]

Schoolstof, o gmv. stof der scholen; (fig.) beperktheid van begrippen; ik had het - afgeschud. *...TIJD, m. (en). *...TUCHT, v. gmv. tucht die op eene school heerscht. *...UUR, o. (...uren). *...VACANTIE, v. (...ën), *...VERLOF, o. (...oven), tijd welken de leerlingen soms gegund wordt de school niet te bezoeken. *...VERTREK, o. (-ken). *...VOOGD, m. (-en), schoolopziener. *...VOS, m. (-sen), betweter, pedant. *...VOSSERIJ, *...VOSSIGHEID, v. betweterij, pedantisme. *...VOSSIG, bn. en bijw. verwaand. *...VROUW, v. (-en), schoolmatres. *...WERK, o. (-en), werk dat op eene school verrigt is of wordt; (fig.) dat is maar - (gebrekkig, afgeroffeld). *...WET, v. (-ten), wet op het onderwijs; (ook) reglement in de school van kracht. *...WEZEN, o. gmv. alles wat tot de inrigting en het bestuur der scholen behoort; het onderwijsstelsel.

[Schoon]

Schoon, bn en bijw. (-er, -st), fraai, mooi, sierlijk, behagelijk; regelmatig, verlokkelijk, bekoorlijk; rein, zuiver, helder; de -e kunne, de vrouwen; een - (zuiver) kleed; een - (fraai) gebouw; eene -e hand (mooi) schrijven; een - (gewasschen) hemd; - linnengoed; een - (nog ongebruikt) glas, bord; - (helder) water; (drukk.) -e bladen, die voor goed afgedrukt zijn; (fig.) veel, groot; dat is eene -e (aanzienlijke) som; (fig.) - schip maken, eene zaak behoorlijk regelen, aan alle misbruiken in eens den bodem inslaan; (ook) het huis doen ruimen door hen die er de rust verstoren; (zie ook SCHIP); - (fraai) teekenen; - zingen; dat staat u niet -,

[p. 1180]

dat past u niet, is in u te laken; de tarwe staat - (groeit welig); zij hebben alles - (geheel) opgegeten; het -e, alles wat schoon is (vooral in de kunsten); men moet het -e aan het nuttige paren; de leer van het -e, de aesthetica; het is wat -s! (wat heerlijks!) *-, vw. ofschoon, alhoewel; - genomen, alhoewel. *-BROEDER, m. (-s), behuwdbroeder, zwager, broeder van den man of de vrouw. *-DOCHTER, v. (-s), behuwddochter, vrouw van den zoon. *-DRUK, m. (-ken), (boekdr.) de eerste gedrukte zijde; (ook) afgedrukt blad. *-EN, bw. gel. (ik schoonde, heb geschoond), reinigen, het vuil wegnemen, schoonmaken. *-HEID, v. (...eden), eigenschap van alles wat schoon is; (fig.) schoone vrouw, schoon kind. *-HEIDSGEVOEL, o., *-HEIDSZIN, m. aesthetisch gevoel. *-HEIDSKIJKER, m. (-s), kaleidoskoop. *-KLINKEND, bn. (-er, -st), wat schoon of fraai klinkt; (inz. fig.) schijnschoon. *-MAKEN, bw. gel. (ik maakte schoon, heb schoongemaakt), reinigen, poetsen. *-MAAKSTER, v. (-s), vrouw die voor daghuur schoonmaakt of werkt enz.; werkster. *-MOEDER, v. (-s), moeder der vrouw of van den man, behuwdmoeder. *-PRATER, m., *-PRAATSTER, v. (-s), iem. die fraai spreekt doch het slecht meent, vleijer, vleister. *-SCHIJNEND, bn. en bijw. (-er, -st), uiterlijk fraai en goed doch innerlijk slecht of valsch. *-SCHRIFT, v. (-en), calligraphie. *-SCHRIJVER, m. (-s), kunstschrijver, calligraaph. *-SCHRIJFKUNST, v. gmv. kunst van fraai schrijven, calligraphie. *-TALIG, bn. (-er, -st), welbespraakt. *-TE, v. gmv. het schoone. *-TJES, bijw. liefelijk, vleijend; zoetsappig. *-VADER, m. (-s), vader van den man of de vrouw, behuwdvader. *-ZIGT, o. gmv. fraai uitzigt; belvedere. *-ZOON, m. (-s), man van de dochter, behuwdzoon. *-ZUSTER, v. (-s), zuster van den man of de vrouw, behuwdzuster.

[Schooner]

Schooner, m. (-s), klein tweemast vaartuig.

[Schoor]

Schoor, m. (-en), aangespoeld land. *-, m. steun, steunsel; (zeew.) steunbalk, stijl, stut. *-, bijw. schrap, vast; zich - (schrap) zetten. *-AAS, v. gmv. aanslibbing; (ook) dagvlieg. *-BALK, m. (-en), (timm.). *-HOEK, m. (-en), (bouwk.) gemetselde hoek tot steun. *-HOUT, o. (-en). *-MUUR, m. (...uren). *-PAAL, m. (...alen), steunpaal, stut. *-PILAAR, m. (...aren). *-POST, m. (-en), post onder eene deur.

[Schoorsteen]

Schoorsteen, m. (-en), langwerpig vierkant -, hooge pijp tot doorlating en uitleiding van rook; den - vegen, het roet er uit halen; de - rookt (laat rook uit, (ook) geeft rook in de kamer); (fig.) daar kan de - niet van rooken, dat geeft geen winst. *-, gedeelte van den schoorsteen binnen het vertrek; het staat op den - (op den schoorsteenmantel); zet het onder den - (in de haardstede, op de plaat). *-BAND, m. (-en), ijzeren band om eenen schoorsteen. *-BOEZEM, m. (-s), ruimte -, ingang aan eenen schoorsteen. *-BRAND, m. (-en), brand in den schoorsteen. *-GELD, o. (-en), belasting op de schoorsteenen. *-KAP, v. (-pen), dekstuk boven eenen schoorsteen. *-KLEED, o., -JE, (B. -N), o. (-s), tapijtje -, karpet voor eenen schoorsteenhaard. *-MANTEL, m. (-s), breede lijst aan de buitenzijde van den schoorsteen boven den haard in eene

[p. 1181]

kamer. *-PIJP, v. (-en), uitgang van den schoorsteen; rookleider; pijp van eenen schoorsteen. *-PLAAT, v. (...aten), vuur-, haardplaat, plaat op den vloer of overeind achter den stookhaard. *-RAAM, o. (...amen), schoorsteenstuk. *-RAND, m. (-en). *-ROET, o. gmv. zwart aanzetsel van den rook. *-STUK, o. (-ken), raam met papier beplakt om de haardstede onzigtbaar te maken; (ook) schilderij voor of tegen eenen schoorsteen gehangen, *-VAL, m., -LETJE, (B. -N), o. (-s), doorloopende breede strook (van stof of leder) om een openliggenden schoorsteenmantel opgehangen. *-VEGEN, o. gmv. het ambacht -, bedrijf -, de kunst van den schoorsteenveger. *-VEGER, m. (-s), die schoorsteenen veegt. *-WISSEL, m. (-s), wissel door onderlinge afspraak op personen getrokken die niets schuldig zijn en waarmede men in geldnood zich zoekt te helpen.

[Schoortje]

Schoortje, (B. *-N), o. (-s), kleine stut.

[Schoorvoeten]

Schoorvoeten, ow. gel. (ik schoorvoette, heb geschoorvoet), slepende -, langzaam -, stijf loopen; (fig.) iets -d (ongaarne, langzaam) doen. *-D, *...VOETIG, bn. en bijw.

[Schoot]

Schoot, m. (schoten), zie SCHOT. *-, (zeew.) touw; de schoten, vieren, ruimen (loslaten); de schoten aanhalen; met losse (gevierde) schoten. *-, bovendeel der dijen (tot aan den buik) van een zittend mensch; een kind op den - nemen, houden. *-, zijstuk van eenen japon of jas, pand. *-, (fig.) boezem, binnenste, kring; de - (het binnenste, het hart) der aarde; zijne handen in den - leggen, niets uitvoeren, stil toezien; Abrahams -, het graf; (fig.) - gaan, wegloopen. *-, v. (smid), springend slot. *-BLOK, o. (-ken), (zeew.). *-GAT, o. (-en), (zeew.). *-HONDJE, (B. -N), o. (-s), geliefkoosd hondje; (fig.) lieveling. *-HOREN, m. (-s), (zeew.) hoekstuk van een zeil. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine schoot (in alle bet.). *-KNECHT, m. (-en), (zeew.) zek. houtwerk. *-PLAAT, v. (...aten), slotplaat.

[Schootsvel]

Schootsvel, o. (-len), lederen voorschoot van werklieden.

[Schootvrij]

Schootvrij, bn. beveiligd tegen de schoten. *...WATER, o. (zeew.) rivierwater dat in zee stroomt.

[Schooverzeil]

Schooverzeil, o. (-en), (zeew.) zeil aan den grooten mast. *-SKOELTE, v. (zeew.).

[Schop]

Schop, v. (-pen), schommel; werktuig om aarde, zand enz. op te nemen; spade; eene -vol, zoo veel er op eene schop liggen kan. *-, m. trap, trede; iem. eenen - geven; (fig.) den - krijgen, afgezet -, bedankt worden. *-PEN, bw. ow. gel. (ik schopte, heb geschopt), schommelen; schoppen -, trappen geven; achteruit slaan (van paarden); (fig.) bonzen. -, v. een der vier kaartfiguren; -aas, -heer, -vrouw. *-PENSPEL, o. gmv. spel in schoppen. *-PER, m., *-STER, v. (-s), die schopt. *-PING, v. het schoppen. *-STOEL, m. (-en), stoeltje -, bakje aan den schommel; (fig.) op den - zitten, zijnen val -, zijner nederlaag nabij zijn.

[Schor]

Schor, v. (-ren), droogte, zandbank, buitendijks gelegen strand; de -ren, nog niet ingepolderde zee-kleilanden (in Zeeland). *-, bn. en bijw. (-der, -st), heesch; (zeew.) -re (ruwe, kale, ook steile) kusten. *-BUUT, o. gmv. scheurbuik.

[p. 1182]

[Schoren]

Schoren, bw. gel. (ik schoorde, heb geschoord), stutten, steunen, schragen (ook fig.).

[Schorheid]

Schorheid, v. gmv. heeschheid.

[Schorl]

Schorl, m. (-en), harde delfstof.

[Schorpioen]

Schorpioen, m. (-en), kreeftachtig venijnig dier; een der hemelteekenen van den dierenriem (aangeduid door m). *-KRUID, o. gmv. zek. plant. *-OLIE, v. gmv. *-STEEK, m. (...eken). *-VISCH, m. (...sschen), zek. visch. *-WORTEL, m. (-s).

[Schorre]

Schorre, v. (-n), aanslibbing. *-MORRIE, v. gmv. zamenraapsel, gepeupel.

[Schors]

Schors, v. (-en), boombast; eiken -, run (tot leêrlooijen); (fig.) buitenzijde, schijn; aan de - hangen, alleen naar het uiterlijke zien, zonder de inwendige waarde in aanmerking te nemen. *-EN, bw. gel. (ik schorste, heb geschorst); uitstellen, opschorten; tijdelijk sluiten; tijdelijk ontzetten (van een ambt). *-ENEER, v. (...eren), -WORTEL, m. (-s), soort smakelijke wortel met zwarten bast. *-ING, v. (-en), het schorsen (in alle bet.). *-KEVER, v. (-s), kleine kever.

[Schort]

Schort, v. (B.v. en o), (-en), voorschoot -, schorteldoek der vrouwen, boezelaar. *-BAND, m. (-en). *-EKLEED, o. (-en). *-ELDOEK, m. (-en), schootsvel; schort. *-EN, bw. ow. onp. w. gel. (ik of het schortte, ik heb of het heeft geschort), opschuiven, uitstellen; haperen, deren, hinderen; (zeew.) ophouden, in elk. sluiten; dat schip is wel geschort, het zit van achteren goed ineen. *-HAAK, m. (...aken), haakje aan eenen schorteldoek. *-IJZER, o. (-s), keuken-, schoorsteenhaak, haal. *-ING, v. het schorten, beletsel, opschorting.

[Schot]

Schot, o. (-en), losbranding, lossing uit een vuurwapen; uitwerksel der losbranding; hij kreeg een - in het been; vlugt van eenen pijl uit den boog; vooruitgang, snelle voortgang; er moet wat meer - (spoed) bij; (fig.) een -je voor iets steken, iets beletten; (zeew.) - geven, de kabels vieren; (fig.) iem. wat ruimte van tijd of van middelen geven; er is geen - aan het werk, het gaat niet vooruit. *-, (timm.) planken afsluiting, beschot, schutting; afscheiding; (ontl.) schot in den neus. *-, belasting, hoofdgeld; - en lot betalen, behoorlijk zijnen burgerpligt vervullen. *-, m. (-ten), inboorling van Schotland. *-BEEST, o. (-en), mestdier, varken; (fig.) gemeen vrouwspersoon. *-BOUT, m. (zeew.) zek. gekromd ijzeren werktuig. *-DEUR, v. (-en), schutdour.

[Schotel]

Schotel, m. (-s, -en), ronde van min of meer hoogen rand voorziene schaal bestemd om er spijzen op te doen; den - rond houden, laten rondgaan. *-, spijs in den schotel aanwezig; wij hadden drie -s (geregten). *-DOEK, m. (-en), vaatdoek. *-EN, bw. gel. (ik schotelde, heb geschoteld), op eenen schotel doen, opdisschen. *-KOMFOOR, o. (...oren), komfoor om de spijzen op tafel warm te houden. *-LEKKEN, *-LIKKEN, ow. gel. (ik schotellekte of ...likte, heb geschotellekt of ...likt), tafelschuimen, panlikken. -, o. gmv. panlikkerij. *-LIKKER, m., ...STER, v. (-s), tafelschuimer, -schuimster, smarotser. *-RAK, *-REK, o. (-ken), keukenrek voor schotels en borden. *-RING, m. (-en), ring onder eenen schotel, schotelkomfoor. *-TJE,

[p. 1183]

(B. -N), o. (-s), kleine schotel; schaaltje; een kopje en -, (er onder). *-WATER, o. gmv. vaatwater, vuil waschwater (van de borden en schotels).

[Schotig]

Schotig, bn. scheutig.

[Schots]

Schots, v. (-en), stuk ijs, drijvende ijsklomp, ijsschol. *-, bijw. op lompe wijze. *-CH, bn. verkeerd; lomp, ruw. -, o. de taal van Schotland; soort geruit lijnwaad. -, bn. uit -, van Schotland. *-CH-HEID, v. gmv. lompheid, onbeleefdheid.

[Schotschrift]

Schotschrift, o. (-en), schimpschrift, libel, pamflet. *...SPIJKER, m. (-s), scheepsspijker met een ronden kop. *...VAARS, v. (...zen), jonge koe. *...VLIES, o. (...zen), (ontl.) vlies aan de baarmoeder. *...VRIJ, bn. beschut voor schoten; bomvrij; vrij van belastingen; (fig.) beveiligd voor gevaar. *...WERK, o. (-en), schuttingen en toebehooren.

[Schouder]

Schouder, m. (-s, -en), (ontl.) rond bovendeel van den arm tot den hals; hooge -s hebben, een weinig hoog van rug zijn; een stijve (verstijfde) -; iets op den - laden; (fig.) eenen last op zijne -s torschen; de -s bij iets of iem. ophalen, (tot aanduiding van onvermogen om te helpen of te raden, ook dat men iem. geen hulp of raad waard acht); iem. over den - (met boosheid, met verachting) aanzien. *-, gedeelte van het ligchaam boven de voorpooten (van viervoetige dieren, inz. paarden); (rijsch.) dit paard is stijf, lam in de -s. *-ADER, v. (-s, -en). *-BAND, m. (-en), (heelk.). *-BEEN, o. (-deren). *-BLAD, o. (-en), (ontl.). *-BREEDTE, v. (-n). *-BREUK, v. (-en), (heelk.). *-EN, bw. gel. (ik schouderde, heb geschouderd), op de schouders laden, - nemen; het geweer -en. *-HAAK, m. (...aken), haak voor mantels. *-HOEK, m. (-en), (ontl.). *-HOOGTE, v. gmv. *-JICHT, v. gmv. *-KWAST, m. (-en), kwast bij officieren tot onderscheiding of rangsaanwijzing, epaulet. *-LAP, m. (-pen), op den schouder vastgenaaide of gestoken lap. *-LINT, o. (-en), boordsel, galon. *-MANTEL, m. (-s), korte mantel over den rug (inz. van vrouwen uit den minderen stand). *-NAAD, m. (...aden), (ontl.) naad die de schouderbeenderen verbindt; (kleêrm.) naad van den kraag tot de mouw van eenen jas. *-STOOT, m. (-en). *-STUK, o. (-ken), dekstuk van den schouder; (mil.) epaulet.

[Schout]

Schout, m. (-en), geregtelijk beambte; baljuw; (oudt. inz.) kommissaris van politie; schepen; (spr.) dat mag ik de deur van den - voorbij dragen, wat ik doe is zeer veroorloofd, - zeer wettig. *-BIJNACHT, m. (schouten-bij-nacht), (zeew.) tweede onder-admiraal. *-IN, v. (-nen), vrouw van den schout. *-SAMBT, *-SCHAP, o. (-pen), betrekking -, waardigheid van schout. *-SDIENAAR, m. (...aren), dienaar -, agent van politie. *-SREGTBANK, v. (-en). *-SROL, v. (-len), (regt.) lijst der zaken die voor de schoutsregtbank moesten dienen; op de - komen, correctioneel beklaagd worden; (ook) voor den schout verschijnen.

[Schouw]

Schouw, v. (-en), overhaalpont, praam; rookvanger, schoorsteen boven op een dak; bezigtiging, opneming, beschouwing; onderzoek; de - rijden, varen, langs de dijken trekken om hunnen toestand te onderzoeken.

[p. 1184]

[Schouwburg]

Schouwburg, m. (-en), gebouw -, plaats waar tooneelvoorstellingen worden gegeven; theater; (fig.) al de aanwezige aanschouwers, publiek. *-ORKEST, o. (-en). *-PERSONEEL, o. gmv. al de personen die tot eenen schouwburg of een tooneel behooren. *-ZAAL, v. (...alen).

[Schouwen]

Schouwen, bw. gel. (ik schouwde, heb geschouwd), zien, bezien, beschouwen, onderzoeken (door het oog); (regt.) een lijk -, onderzoeken om de oorzaak van den dood te vinden; dijken -, hunnen staat opnemen; (oudt.) schelden, beschuldigen; iem. kwaad -, voor schuldig houden. *...ER, m. (-s), onderzoeker; lijkschouwer; (oudt.) ziener, profeet. *...ING, v. (-en), het schouwen; monstering (van troepen); lijk-, lijkopening.

[Schouwman]

Schouwman, m. (...lieden), knecht -, werkman op eene pont of schouw. *...PLAATS, v. (-en), tooneel. *...REGT, o. gmv. regt om schouwing te houden over...; (ook) veer-, pontgeld (dat men betaalt om eene pont te mogen houden). *...SPEL, o. (-en), wat men aanschouwt (in alle bet.); gezigt, tooneel. *...SPELER, m. (-s), tooneelspeler. *...SPUIT, v. (-en). *...STER, v. (-s), zij die schouwt. *...TOONEEL, o. (-en), plaats -, ruimte waar iets vertoond wordt of iets merkwaardigs geschiedt; schouwburg; dit land was het - zijner groote daden. *...TOREN, m. (-s), kijk-, wachttoren. *...VOERDER, m. (-s), schouwman.

[Schove]

Schove, v. (-n), vijfhonderd stuks (in den houthandel). Zie SCHOOF.

[Schoven]

Schoven, ow. zie SCHOFTEN. *-, bw. gel. (ik schoofde, heb geschoofd), in-, tot schoven of garven binden. *-BINDER, m. (-s). *-BINDSTER, v. (-s).

[Schraag]

Schraag, v. (...agen), stut, kruisvormig ineengewerkte houten om iets te dragen; draagezel; stelling. *-, bijw. schaars. *-BALK, m. (-en), draagbalk. *-BEELD, o. (-en), (bouwk.) zuilbeeld, caryatide. *-HOUT, o. (-en). *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine schraag. *-JES, bijw. krapjes. *-SWIJZE, bijw. *-STOEL, m. (-en), onderstel van eenen stoel. *-VORMIG, bn. gekruisd. *-TE, v. schaarschte.

[Schraal]

Schraal, bn. en bijw. (...aler, -st), karig, weinig; mager; dor, koud, ruw; schrale kost, magere spijs; een - (onvruchtbaar) land; eene schrale (slecht voorziene) beurs; - (dun) bier; - (koud, ruw) weder; een schrale (niets beteekenende) troost; een - bewijs; iem. - (karig) beloonen; (timm.) ongeschaafd; de schrale kant (van hout); ik ben - (schor) op de borst. *-HANS, m. (...zen), vrek. *-HEID, *-TE, v. gmv. vrekkigheid; magerheid gebrek, schaarschte; dorheid, droogte; ruwheid. *-TJES, bijw. magertjes; armoedig; het ziet er bij hem - uit.

[Schraap]

Schraap, v. gmv. het schrapen; afschraapsel. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), inhalig, vrekkig; ruw, schrapend (met de keel). *-HEID, v. gmv. schraapzucht. *-IJZER, o. (-s), ijzer dat dient om te schrapen of te krabben; krabber. *-MES, o. (-sen). *-SEL, o. (-s), hetgeen van iets afgeschraapt is, afschraapsel. *-STAAL, o. schraapijzer. *-ZUCHT, v. gmv. inhaligheid, vrekkigheid, winzucht. *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st), vrekkig, inhalig.

[Schrab]

Schrab, v. (-ben), krab, schrap; streep. *-BEN, bw. gel. (ik schrabde

[p. 1185]

heb geschrabd), schrapen, krabben; een varken - (het haar afschroeijen). *-BER, m. (-s), krabber. *-BING, v. gmv. het schrabben. *-SEL, o. gmv. schraapsel.

[Schrafelen]

Schrafelen, bw. gel. (ik schrafelde, heb geschrafeld), schrapen. *...AAR, m., -STER, v. (-s), vrek, schraper, schraapster. *...ING, v. het schrafelen; gierigheid.

[Schrafferen]

Schrafferen, bw. gel. (ik schraffeerde, heb geschraffeerd), (teek.) schaduwlijnen trekken.

[Schragen]

Schragen, bw. gel. (ik schraagde, heb geschraagd), steunen, stutten; (inz. fig.) iem. in zijne voornemens -, hem helpen, bijstaan; de hoop schraagt mij (houdt mij staande). *...GING, v. gmv. steun, stut; ondersteuning, hulp, bijstand.

[Schralen]

Schralen, ow. gel. (ik schraalde, heb geschraald), inkrimpen (van den wind).

[Schram]

Schram, m. (-men), ligte wond (door een schot of scherp wapen). *-MEN, bw. gel. (ik schramde, heb geschramd), ligt wonden of kwetsen; de huid even openrijten.

[Schrander]

Schrander, bn. en bijw. (-der, B. -er, -st), scherpzinnig, snedig, geestig; een -e kop, een vernuftig mensch. *-HEID, v. gmv. scherpzinnigheid, vernuft, helder verstand. *-LIJK, bijw. op schrandere wijze.

[Schrank]

Schrank, v. (-en), schraag, toestel van schragen; paal, staak. *-ELBEEN, o. (-en), krom been. -, m. en v. krombeenige, die met binnenvoeten loopt. *-ELBEENEN, ow. gel. (ik schrankelbeende, heb geschrankelbeend), met kromme beenen of voeten loopen. *-ELEN, ow. gel. (ik schrankelde, heb geschrankeld), (timm.) buiten den haak zijn, scheef zijn. *-EN, bw. gel. (ik schrankte, heb geschrankt), omheinen; (de beenen) kruiselings over elk. leggen. -, ow. kromme -, buitenwaarts staande beenen hebben; (timm.) niet haaksch zijn.

[Schransen]

Schransen, ow. gel. (ik schranste, heb geschranst), veel eten en drinken; zich te goed doen. *...ER, m., *...STER, v. (s), veeleter, veeleetster; gulzigaard, veelvraat. *...ERIJ, v., *...ING, v. (-en), het schransen; onmatige smulpartij.

[Schrap]

Schrap, bn. en bijw. (-per, -st), scherp; gereed tot; zich - zetten, met een vasten voet eenen stand of eene stelling innemen (tegen eenen aanvaller); zijne zinnen - zetten, zich inspannen om goed toe te luisteren. *-, v. (-pen), krab, schrab; streep, doorhaling.

[Schrapen]

Schrapen, bw. gel. (ik schraapte, heb geschraapt), af krabben, schrappen; wortelen - (van het vlies of omkleedsel ontdoen). *-, (fig.) opstapelen; vrekkig bijeenzamelen; met de keel -, het slijm in de keel zoeken los te krijgen. *...PER, m., SCHRAAPSTER, v. (-s), die schraapt (in alle bet.); (inz.) vrek, gierigaard; (ook) scheepskrabber (werkt.). *...ING, v. het schrapen, geschraap.

[Schrapje]

Schrapje, (B. *-N), o. (-s), kleine schrap; krabbetje.

[Schrappen]

Schrappen, bw. gel. (ik schrapte, heb geschrapt), schrabben; doorhalen (met de pen); iem. of iemands naam van de lijst -, hem van zijn lidmaatschap (in een genootschap enz.) vervallen verklaren; iem. als lid niet willen toelaten; eene reeds geplaatste onderteekening doorha-

[p. 1186]

len. *...PER, m., *...STER, v. (-s), die schrapt; krabber. *...SEL, o schraapsel, het geschrapte.

[Schrede]

Schrede, v. (-n), stap, tred; afstand van eene schrede; (ook fig.) stap, daad, gedrag; let op al uwe -n (gedragingen).

[Schreef]

Schreef, v. (...even), *-JE, (B. -N), o. (-s), streep, schrap, doorhaling; halve opening; de deur op eene - zetten; door de schreven (der planken); de - te buiten gaan, te ver gaan, niet te dulden zijn; een -je (een weinig) vooruit hebben; er eene - doorhalen, er niet meer op rekenen; het maar als niet meer bereikbaar beschouwen.

[Schreeuw]

Schreeuw, m. (-en), krijschend -, hard geluid met de stem, gil. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), krijschend, naar schreeuwen gelijkende; een - (plaagziek, grienend) kind. *-BEK, m. en. v. (-ken), die altijd schreeuwt, - klaagt, - grient. *-EN, bw. ow. gel. (ik schreeuwde, heb geschreeuwd), een hard keelgeluid geven, krijschen, gillen; hard roepen; (ook van vele dieren); zeer luide spreken; (fig.) uitvaren, tieren; die misdaad schreeuwt tot God (roept om wraak). *-END, bn. een - (huilend, plagerig) kind; (fig.) een - (stuitend, onvergeeflijk) onregt, geweld. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die (gedurig) schreeuwt of plaagt; (fig.) pochhans, snoever, snoefster; mijne -s of schreeuwertjes, mijne kinderen. *-ERIG, bn. plagerig, gedurig schreeuwend (van kleine kinderen). *-ING, v. het geschreeuw. *-LEELIJK, § *-SMOEL, m. en v. (-en), schreeuwert.

[Schreijen]

Schreijen, (B. SCHREIEN), bw. ow. gel. (ik schreide, heb geschreid), schreeuwen, roepen; tranen storten. *-D, bn. schreeuwen, op een -en (huilerigen) toon. *...JER, m., *...STER, v. (-s), die (gedurig) schreeuwt of krijt; de -storen, -shoek, een torentje op den Buitenkant te Amsterdam, waar oudtijds veelal de zeevarenden afscheid van hunne betrekkingen namen. *...JERIG, bn. gedurig -, ligt schreijend.

[Schrepel]

Schrepel, bn. schraal, mager.

[Schreuver]

Schreuver, v. zek. brandstof.

[Schriel]

Schriel, bn. en bijw. kaal, povertjes, karig.

[Schrift]

Schrift, o. (-en), de daad van het schrijven; alles wat geschreven is of wordt; groot, klein, middelmaat -; loopend (curcijf) -; een - schrijven, schrijfoefening houden; ik heb een - (bewijs) van zijne hand; de meester deelt de -en (schrijfboeken) rond; geschrift, werk; boek; zijne -en, zijn letterkundige arbeid. *-, v. de Heilige -, de Bijbel. *-ELIJK, bn. en bijw. geschreven, in schrift; zich - (bij geschrifte) verbinden. *-ELOOS, bn. zonder -, buiten geschrift; eene schriftelooze (mondelinge) verbindtenis. *-GELEERDE, m. (-n), die bedreven is in de Heilige Schrift (inz. bij de israelieten en mahomedanen), talmudist. *-GELEERDHEID, v. gmv. *-MATIG, bn. overeenkomstig de Heilige Schrift. -HEID, v. gmv.

[Schriftuur]

Schriftuur, v. (...uren), geschrift, geschreven stuk; (regt.) akten en andere schrifturen; (ook) de heilige schrifturen, de Bijbelboeken. *-LIJK, bn. en bijw. overeenkomstig de Heilige Schrift. *-PLAATS, v. (-en), aanhaling uit de Heilige Schrift. *-VAST, bn. bijbelvast. *-WOORD, o. het eigene Bijbelwoord.

[Schrijdbeenen]

Schrijdbeenen, o. mv. wijd uiteengezette beenen (onder het loopen).

[p. 1187]

[Schrijdelings, Schrijlings]

Schrijdelings, Schrijlings, bijw. de beenen wijd uiteenzettende, -houdende. *-CH, bn. met de beenen wijd uiteengezet.

[Schrijden]

Schrijden, ow. ong. (ik schreed, heb of ben geschreden), schrijdelings loopen, zich bewegen; gaan, zich langzaam doch vast voortbewegen; (fig.) (eene zaak) met beradenheid ondernemen. *...DING, v. gmv. het schrijden, het overgaan tot...

[Schrijfbehoeften]

Schrijfbehoeften, v. mv. al wat er tot schrijven noodig is, (papier, inkt, pennen enz.). *...BOEK, o. (-en), onbedrukt boek bestemd om er in te schrijven, schrift, cahier; zakboek. -JE, (B. -N), o. (-s). *...BORD, o. (-en), schoolbord. *...DAG, m. (-en), dag waarop bepaald les in het schrijven wordt gegeven, (ook) - waarop men brieven schrijft. *...FEIL, *...FOUT, v. (-en), misslag in het schrijven, - in de spelling *...GELD, *...LOON, o. (-en), loon voor het schrijven (van iets). *...GEREEDSCHAP, *...GOED, o. gmv. schrijfbehoeften. *...INKT, m. gmv. inkt bepaald geschikt om te schrijven (in tegenst. van drukinkt). *...JEUKTE, v. gmv. (fig.) onbedwingbare zucht om te schrijven, (inz. in het openbaar). *...KABINET, o. (-ten), vertrek van een voornaam persoon waarin hij zijne werkzaamheden verrigt. *...KAMER, v. (-s). *...KANTOOR, o. (...oren), -TJE, B. -N), o. (-s), bureau. *...KAS, v. (-sen), bureau, secretaire; (ook) kast waarin het schrijfgereedschap ligt. *...KISTJE, (B. -N), o. (-s), kistje voor schrijfbehoeften, † nécessaire. *...KNAAP, m. (...apen), jongste klerk. *...KOKER, m. (-s). *...KUNST, v. gmv. de kunst volgens de theorie te schrijven. *...KUNSTENAAR, m. (-s), ...ARES, v. (-sen), schoonschrijver, -schrijfster, † calligraaph. *...LADE, v. (-n), lade waarin de schrijfbehoeften liggen. *...LEI, v. (-jen, B. -en). *...LESSENAAR, m. (-s, ...aren). *...LETTER, v. (-s), geschrevene letter; (boekdr.) cursijf. *...LOON, o. (-en). *...LUST, m. gmv. *...MACHIEN, o. en v. (-en), werktuig om te copiëren. *...MEESTER, m. (-s). *...MES, o. (-sen), pennemes. *...PAPIER, o. (-en), alle papieren geschikt om er op te schrijven; (inz.) papier van groot formaat (in tegenstelling van post-papier voor brieven). *...PEN, v. (-nen), bereide pen. *...PRIEM, m. (-en), *...STIFT, v. (-en), (bij de ouden in gebruik) om op was te schrijven, stilet. *...ROL, v. (-len), schoutsrol. *...SCHALIE, v. (...ën), schrijflei. *...SCHOOL, v. (...olen), school waar uitsluitend in het schrijven onderwezen wordt. *...STER, v. (-s), zij die schrijft (in alle bet.). *...STIJL, m. gmv. *...STOF, -FE, v. (-n), onderwerp waarover men schrijft of schrijven kan. *...TAAL, v. gmv. geschrevene taal (dus meer regelmatig dan de spreektaal). *...TAFEL, v. (-s, -en), tafel waaraan men schrijft; (bij de ouden) tafeltje met was bestreken om er in te schrijven. -TJE, (B. -N), o. (-s), *...TEEKEN, o. (-s), schrijfletter. *...TIJD, m. (-en), tijd bestemd tot schrijven; tijd dien men doorgebragt heeft met schrijven. *...TOR, v. (-ren), zek. insekt, † micograaph. *...TRANT, m. gmv. schrijfstijl. *...TUIG, o. gmv. schrijfgereedschap. *...UUR, o. (uren), uur bestemd tot schrijven. *...VEDER, v. (-en), schrijfpen. *...VERTREK, o. (-ken), schrijfkamer. *...WIJZE, v. (-n), schrijftrant. *...ZIEK, *...ZUCHTIG, bn. vol begeerte om gedurig te schrijven (in alle bet.). *...ZIEKTE, *...ZUCHT, v. begeerte om gedurig te schrijven.

[p. 1188]

[Schrijlings]

Schrijlings, bijw. zie SCHRIJDELINGS.

[↑ Schrijn]

Schrijn, o. (-en), kast (van fijn hout). *-EN, bw. en ow. gel. (ik schrijnde, heb geschrijnd), het vel afdrukken; branden, gloeijen (van wonden). *-HOUT, o. (-en), hout voor meubels, - voor schrijnwerk. *-WERK, o. (-en), kastenmakerswerk. *-WERKEN, ow. gel. (ik schrijnwerkte, heb geschrijnwerkt), kasten-, meubelmaken. *-WERKER, m. (-s), kasten-, meubelmaker; werker in fijn hout. *-WERKERSKNECHT, m. (-s). *-WERKERSLIJM, o. en v. soort zeer sterke lijm.

[Schrijven]

Schrijven, bw. ong. (ik schreef, heb geschreven), met eene stift-, pen of griffel letters op papier of andere voorwerpen maken; (taalk.) spellen; hoe schrijft men dit woord? een boek, een werk - (zamenstellen, vervaardigen); over de staatkunde - (beschouwingen mededeelen); tegen iem. -, hem in een opstel bestrijden of aanvallen; aan iem. (eenen brief) -; hij weet te -, hij heeft een goeden stijl; zich -, noemen, teekenen; zich moede -, door schrijven zich vermoeijen; (fig.) er staat geschreven, (in den bijbel); wat geschreven is, is geschreven, wat men heeft bepaald of geteekend is onveranderlijk. *-, o. uw - (uw brief) is mij wel geworden; - valt mij zwaar, het kost mij moeite te schrijven; met - (als overschrijver of vervaardiger van boeken) den kost verdienen.

[Schrijver]

Schrijver, m. (-s), die schrijft; zamensteller; bewerker (van een boek); die schrijfwerk voor een ander verrigt; klerk, kantoorbediende; secretaris eener rederijkerskamer; (zeew.) beambte aan boord die met het houden der registers enz. belast is. *-IJ, v. (-en), geschrijf; gekrabbel. *-SCHAP, o. gmv. beroep van schrijver, broodschrijverij. *-SBENT, *-SGILD, o. (-en), de gezamenlijke schrijvers (spotnaam).

[Schrik]

Schrik, m. (-ken), plotselinge -, hevige gemoedsaandoening (door eene oorzaak van buiten); ontsteltenis, ontroering; eenen - ontwaren, gevoelen, ondervinden; door - bevangen worden; van - beven; - verspreiden; met den - er afkomen, vrij komen. *-, (fig.) die schrik verspreidt; de leeuw is de - der wouden; groote geweldenaar, veroveraar; hij is de - der volken, der vijanden. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), ligt schrikkend; schichtig (van paarden). -HEID, v. gmv. *-BAREND, bn. (-er, -st), verschrikkelijk, ijselijk. *-BEELD, o. (-en), gedaante -, gestalte die schrik inboezemt; (fig.) angstwekkende voorstelling (van iets). *-BEWIND, o. gmv. wreede -, tirannische regering (meestal van korten duur) van enkelen of één man; (gesch.) het - van Sylla en Marius; het - van Robespierre, Marat en Danton. *-DIER, o. (-en), gedrogt, monster, (ook fig.). *-GEDROGT, o. (-en). *-KELDAG, m. (-en), (tijdr.) om de vier jaren ingelaschte dag (29 Februarij). *-KELJAAR, o. (...aren), jaar dat een dag meer (dus 366 dagen) heeft. *-KELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), schrik aanjagend, ijselijk; verschrikkelijk. -HEID, v. (...heden). *-KELMAAND, v. (-en), de maand Februarij als zij 29 dagen heeft. *-KEN, ow. gel. (ik schrikte, heb of ben geschrikt), hevig ontroeren, ontstellen door eenen schrik; (zeew.) bijvieren, een gespannen touw voorzigtig voeren; plotseling afkoelen (metaal); den (gekookten) visch doen schrikken. *-KIG, bn. schrikachtig. *-KING, v. het schrikken. *-MIDDEL, o. (-en), *-POEDER,

[p. 1189]

*-POEIJER, o. (-s), middel -, poeder tegen de gevolgen van den schrik. *-ROL, v. (-len), (zeew.) rol in den klamp van den kaapstander. *-VERWEKKEND, bn. (-er, -st). *-VERWEKKER, m. (-s). ...STER, v. (-s).

[Schril]

Schril, bn. en bijw. (-ler, -st), beschroomd, angstvallig; schraal.

[Schrob]

Schrob, v. (-ben), verwijt. *-BEN, bw. gel. (ik schrobde, heb geschrobd), den vloer met water en een langen boender reinigen; schoonmaken. *-BER, m. (-s), werktuig om te schrobben, lange boender. -, die schrobt; (fig.) schavuit, lomperd. *-STER, v. (-s), schoonmaakster. § *-BEREN, bw. gel. (ik schrobbeerde, heb geschrobbeerd), berispen, verwijten, doorhalen. *-BERING, v. (-en), scherpe berisping. *-BING, v. het schrobben. *-NET, o. (-ten), soort vischnet; schrobnetvisscherij, vangst der platvisschen langs de nederlandsche kust. *-TIJD, m. gmv. tijd wanneer de tarbot en schol gevangen worden. *-ZAAG, v. (...agen), soort handzaag; (zeew.) stootzaag.

[Schroef]

Schroef, v. (...ven), slangswijs loopend werktuig dat draaijende wordt ingewerkt als een kurketrekker en bijna bij alle handwerken te pas komt; (timm.) - en moêr; eene - aanzetten, vastdraaijen; de - is verloopen (krachteloos); de - (sleutel) eener viool; de - van Archimedes, soort waterperser; (fig.) alles staat op losse schroeven, alles is onzeker, er valt niet op te bouwen. *-BANK, v. (-en). *-BLIK, m. *-BOOR, v. (...oren). *-BOOT, v. (-en), stoomboot zonder raderkasten. *-BOUT, m. (-en). *-DRAAD, m. (...aden), draad die om den cylinder heenloopt en de kracht der schroef is. *-DRAAIJER, m. (-s), werktuig om schroeven aan te zetten. *-FLESCH, v. (...sschen), flesch met geschroefden stop. *-GANG, m. (-en), ruimte langs den schroefdraad. *-HOREN, m. (-s), zek. schelpdier; (ook) kruidhoren met schroef. *-LIJN, v. (-en), (bouwk.). *-PERS, v. (-en), (drukk.) *-PLAAT, v. (...aten), (vuurw.). *-RAD, o. (-eren), zek. werktuig. *-SLEUTEL, m. (-s), werktuig om eene schroef aan te zetten of los te draaijen. *-SLUIS, v. (...zen), sluis die door schroeven zich opent. *-STUK, o. (-ken), *-WERK, o. (-en), toestel met schroeven. *-TANG, v. (-en), kanonniers-gereedschap. *-STAART, m. (-en), uiteinde der schroef. *-TAP, m. (-pen). *-VORMIG, bn. *-WIJZE, bijw. als eene schroef.

[Schroeijen]

Schroeijen, (B. *...IEN), bw. en ow. (ik schroeide, heb geschroeid), ligt branden, zengen; broeijen; geschroeid (bedorven, ziek) koren. *...JER, m., *...STER, v. (-s), die schroeit; snoeijer. *...IJZER, o. (-s), *...JING, v. het schroeijen. *...SEL, o. snoeisel.

[Schroeven]

Schroeven, bw. gel. (ik schroefde, heb geschroefd), eene schroef vastdraaijen, - aanzetten, vastschroeven. *-BOOM, m. (-en), (nat.) boom met schroefvormige zandhuisjes.

[Schrok]

Schrok, m. en v. (-ken), gulzigaard, gulzige eter, - eetster; (fig.) vrek; gierige vrouw. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), gulzig; vrekkig.

[Schroken]

Schroken, bw. gel. (ik schrookte, heb geschrookt), zengen, schroeijen. *...KING, v. het zengen.

[Schrokken]

Schrokken, ow. gel. (ik schrokte, heb geschrokt), gulzig eten, ten lijve slaan, slokken. *...KER, m., *...STER, v. (-s), gulzigaard, slokop; vrek. *...KIG, bn. en bijw. (-er, -st), gulzig; gierig, vrekkig.

[p. 1190]

[Schrollen]

Schrollen, ow. gel. (ik schrolde, heb geschrold), pruilen; bedillen, vitten.

[Schromelijk]

Schromelijk, bn. en bijw. (-er, -st), angstwekkend, vreeselijk, ijselijk; naar. *-HEID, v. gmv. ijselijkheid; benaauwdheid. *...LOOS, bn. en bijw. onbeschroomd. -HEID, v. onbeschroomdheid.

[Schromen]

Schromen, (B. SCHROOMEN), bw. ow. gel. (ik schroomde, heb geschroomd), vreezen, beangst zijn. *...MIG, bn. schroomvallig.

[Schrompe]

Schrompe, v. (-n), *-L, m. (-s), rimpel. *-LEN, ow. gel. (ik schrompelde, heb geschrompeld), rimpelen, kreuken. *-LIG, bn. (-er, -st), rimpelig, gerimpeld.

[Schrooijen]

Schrooijen, (B. SCHROOIEN), bw. gel. (ik schrooide, heb geschrooid), (zeew.) touwen om vaten slaan om ze af te laten. *...TOUW, o. (-en).

[Schroom]

Schroom, m. gmv. angstvalligheid, beschroomdheid, vrees. *-ACHTIG, *-HARTIG, *-VALLIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. beangst, bevreesd, beschroomd, schroomvallig; lafhartig. *-TE, v. (w.g.) beschroomdheid. -HEID, v. gmv. *-VOL, bn. zeer beschroomd.

[Schroot]

Schroot, o. gmv. brokjes ijzer, lood, glas enz. waarmede men schiet; (ook) schiethagel. *-HAMER, m. (-s), munthamer. *-BOS, *-BUS, v. (-sen), bus waarin het schroot is. *-LANTAREN, v. (-s), (zeew.) soort schiettuig. *-ZAKKEN, m. mv. (zeew.).

[Schrupel]

Schrupel, v. zie SCRUPEL.

[Schub]

Schub, v. (-ben), dekvliesje op de huid van visschen en enkele amphibiën. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), van -, als schubben. *-BEN, bw. gel. (ik schubde, heb geschubd), de schubben afnemen (aan visschen); geschubde dieren, dieren van schubben voorzien; (ook) aan welke men de schubben heeft ontnomen. *-BIG, bn. van schubben voorzien. *-BOOM, m. (-en), zek. versteend boomgewas. *-DIER, o. (-en), dier dat schubben heeft, tandeloos zoogdier. *-SWIJZE, bijw. in den vorm -, in de gedaante van schubben. *-VINNIGEN, m. mv. soort stekelvinnige visschen. *-VISCH, m. (...sschen). *-VLEUGELIGEN, m. mv. soort insekten. *-WORTEL, m. (-s), zek. plant.

[Schudde]

Schudde, m. (-n), schavuit; landlooper. *-BOL, m. en v. (-len), die gedurig met zijn hoofd schudt. *-BOLLEN, ow. gel. (ik schuddebolde, heb geschuddebold), het hoofd gedurig heen en weder bewegen; schudden. *-LINGEN, m. mv. hoopje bijeengeveegde kruimels; (ook) wat in eene zeef blijft liggen.

[Schudden]

Schudden, bw. ow. gel. (ik schudde, heb geschud), met min of meer kracht heen en weder bewegen of doen bewegen; schokken, hortende rukken; eenen boom -, er de vruchten van doen vallen; het hoofd -, (van ouderdom, van verwondering); een bed - (opmaken); neen -, met het hoofd eene ontkennende beweging maken; iets uit de mouw -, iets gemakkelijk doen. *-, ruimte maken voor iets; graven -, (op een kerkhof). *-, beven, sidderen. *...DER, m., *...STER, v. (-s), die schudt. *...DING, v. (-en), het schudden; beving, ruk; trilling (bij eene aardbeving).

[Schuif]

Schuif, v. (B.m.) (...ven), het schuiven; voortschuiving; iets dat men schuivende beweegt, grendel, knip; (ook) ruimte waardoor iets wordt heengeschoven; de - eener lade; de - van eenen japon

[p. 1191]

(voor den band). *-BLAD, o. (-en), inschuifblad van eene tafel. *-BLINDE, v. (-n). *-BOUT, m. (-en). *-DEUR, v. (-en), deur welke niet openslaat, maar open en digt wordt geschoven. *-ELAAR, m., -STER, v. (-s), klaplooper, panlikker, panlikster. *-ELACHTIG, bn. (-er, -st), sluipend, gluipend; tafelschuimend. *-ELEN, ow. gel. (ik schuifelde, heb geschuifeld), tafelschuimen, op de klap loopen; blazen (van slangen). *-ELING, v. het schuifelen. *-IJZER, o. (-s), grendel, bout. *-KAR, v. (-ren), handkar, kruiwagen. *-KNOOP, m. (-en), (zeew.) lusknoop. *-LADE, v. (-n). *-LUIK, o. (-en), luik dat men schuivende opent en sluit. *-PUNT, o. (-en). *-PAAL, m. (...alen), paal aan sluisdeuren. *-PLANK, v. (-en). *-RAAM, o. (...amen), raam dat door middel van koorden en gewigten op en neder schuift. *-STEEN, m. (-en), soort slijpsteen. *-TAFEL, v. (-s), tafel die men schuivende door inlegbladen grooter kan maken; (ook) vierkante tafel (in tegenst. eener ronde tafel). *-TANG, v. (-en), kanonniers-gereedschap. *-TROMPET, v. (-ten), zek. blaasspeeltuig. *-UIL, m. (-en), uil van de grootste soort. *-VENSTER, o. (-s), schuifraam.

[Schuijer]

Schuijer, (B. SCHUIER), m. (-s), borstel. *-AAR, m., -STER, v. (-s), die schuijert, borstelt; (fig.) die aan buikloop lijdt. *-EN, bw. ow. gel. (ik schuijerde, heb geschuijerd), borstelen, vegen; af-, uitschuijeren. *-ING, v. het schuijeren; (ook) buikloop. *-MAKER, m. (-s). *-WAGEN, m. (-s), luiwagen. *-WINKEL, m. (-s).

[Schuil]

Schuil, bn. en bijw. verborgen; zich - houden. *-EN, ow. gel. ong. (ik schuilde of school, heb geschuild of gescholen), zich verbergen; beschutten; verborgen zijn; waar mag hij toch - (zich ophouden); (fig.) daar schuilt iets achter, dat is niet pluis; er schuilt eene adder onder het gras, er ligt iets dreigends in verborgen. *-HOEK, m. (-en), plaats waar men zich verbergt of schuil houdt; (ook fig.) de -en (verborgenheden) van het hart. -JE, (B. -N), o. (-s), kleine schuilhoek; zek. kinderspel; - spelen. *-HOL, o. (-en). *-PLAATS, v. (-en), schuilhoek; (ook) vrijplaats -, verzamelplaats voor boosdoeners. *-TOREN, m. (-s), spietoren; (ook) toren waar men zich in hinderlaag legt. *-WINKEL, m. (-s), schuilhoek.

[Schuim]

Schuim, o. (B.v. en o.) gmv. bobbels door werking van eenig vocht (b.v. zeepwater enz.) op de oppervlakte vereenigd; het - der zee; - van bier; het - op den bek der paarden (door het knabbelen op het gebit); tot - klutsen, (eijeren); (fig.) het - staat hem op den mond, (van toorn). *-, soort gebak; opwerpsel van gesmolten metaal; (fig.) het slechtste; het - (de heffe) des volks; op de - loopen, klaploopen; (spr.) geen goud zonder -, geen goed of er is kwaad bij, niets is volmaakt. *-ACHTIG, bn. (-er, -st). -HEID, v. gmv. *-BEKKEN, ow. gel. (ik schuimbekte, heb geschuimbekt), het schuim op den mond hebben; (fig.) - van woede. *-BEESTJE, *-DIERTJE, (B. -N), o. (-s), zek. halfvleugelig insekt. *-BIER, o. (-en). *-BLAD, o. gmv. zek. kruid. *-BOEF, m. (...ven), snoodaard; (ook) schuimlooper. *-EN, bw. gel. (ik schuimde, heb geschuimd), schuim afnemen; (fig.) zuiveren; de zee - (van roovers zuiveren); de tafel

[p. 1192]

-, alles opeten, wegkapen. -, ow. schuim opwerpen, - dragen; het bier schuimt sterk; (fig.) hij schuimt van woede; op zee -, zeeroof plegen. *-END, bn. met -, vol schuim; schuim opwerpend. *-ER, m. (-s), die schuimt; tafelschuimer. *-GIPS, o. *-IG, bn. (-er, -st), een weinig schuimend. *-ING, v. gmv. het schuimen. *-KETTING, m. (-en), mondketting (van een paard). *-LEPEL, m. (-s), *-SPAAN, v. (...anen), lepel met gaatjes dienende om den pot te schuimen. *-LOOPEN, o. gmv. op den klap loopen, tafelschuimen. *-LOOPER, m., ...STER, v. (-s), tafelschuimer, panlikker, -ster. -IJ, v. (-en), het tafelschuimen, panlikkerij. *-PAPAVER, m. (-s), soort slaapbol. *-STEEN, m. (-en), soort delfstof. *-TAFEL, m. en v. (-s), schuimlooper, schuimloopster.

[Schuin]

Schuin, *-SCH, bn. tegenovergesteld van loodregt en waterpas; hellend; scheef. *-S, bijw. - toeloopen, - af, - toe; hij woont - tegenover mij; (meetk.) - snijden (eene lijn); (timm.) - afzagen; (kleêrm.) - naaijen, (en biais); (fig.) dwars; donker; iem. - aanzien; verkeerd, de zaak loopt -. *-SCHHEID, *-TE, v. gmv. scheefte, dwarste; helling. *-EN, bw. gel. (ik schuinde, heb geschuind), schuin maken.

[Schuit]

Schuit, v. (-en), vaartuig op binnenwateren; trekschuit, ligter, praam; met de - gaan, varen; per - komen; eene - turf, zand, eene schuit vol turf of zand; de Muider -, de schuit die op Muiden vaart; hij komt in mijne -, hij wordt het met mij eens; de huwelijks-, de echte staat. *-BOEF, m. (...ven), kaailooper, -knecht, kruijer. *-EBOER, m. (-en), die waren per schuit uitvent. *-EVOERDER, m. (-s), schipper op eenen ligter, (inz. te Amsterdam). -SKNECHT, m. (-s, -en). *-GELD, o. (-en), schuitvracht; (ook) regt dat iem. voor het doorvaren of het houden eener schuit moet betalen. *-GESPREK, o. (-ken), schuitpraatje. *-HUIS, o. (...zen), -JE, (B. -N), o. (-s), overdekte ruimte waarin men een bootje of boeijer enz. bergt. *-JAGER, m. (-s), die op een paard zit dat eene schuit voorttrekt. *-JE, (-B. -N), o. (-s), kleine schuit; boot, sloepje; - varen, spelevaren; (wev.) schietspoel; (fig.) met iem. in één - varen, dezelfde zaak willen, ééne lijn trekken; wij zijn in het - en moeten medevaren, wij hebben de zaak eens begonnen en kunnen nu niet terug. *-, klomp tin van zek. zwaarte. *-LIJN, v. (-en), touw waaraan eene schuit wordt voortgetrokken; (ook) aanlegtouw. *-MAKER, m. (-s). *-PRAATJE, (B. -N), o. (-s), gesprek dat men in eene trekschuit houdt of gehouden heeft; (fig.) ijdel gerucht. *-REIS, v. (...zen). *-SCHIPPER, m. (-s). *-VOL, v. de geheele vracht eener schuit. *-VRACHT, *-EVRACHT, v. (-en), wat in eene schuit geladen is; (ook) wat men voor de overvaart met eene schuit betaalt.

[Schuiven]

Schuiven, bw. ow. ong. (ik schoof, heb geschoven), iets voortbewegen zonder het op te ligten; (fig.) verplaatsen, overbrengen; op iem. de schuld -, hem den misslag wijten; iets van zijnen hals -, zich aan eene beschuldiging zoeken te onttrekken; afschuiver. *...VER, m., SCHUIFSTER, v. (-s), die schuift.

[Schuld]

Schuld, v. (-en), wat men (wegens aankoop, leen enz.) behoort

[p. 1193]

te betalen; het verschuldigde; eene - aangaan (op zich nemen); eene - afdoen (betalen); - maken, - hebben; zich in -en steken; wat ben ik in uwe -? hoeveel moet ik u betalen? *-, som, kapitaal door eenen Staat opgenomen tegen eene zekere rente; binnenlandsche -, (waarvan de renten binnen 's lands betaald worden); buitenlandsche -, (waarvan de renten buiten 's lands betaald worden); werkelijke (dadelijk rentegevende) -, (in Nederland: integralen); uitgestelde -, die eerst na delging van bestaande schuld rente zal dragen; (ook passive - genaamd in vroeger tijd in Nederland: restanten); (regt.) preferente -, die in eene failliete massa het eerst moet betaald worden; (spr.) belofte maakt -, wat men beloofd heeft moet men vervullen. *-, begane misslag, overtreding; - aan iets hebben, van iets dragen; dat is uwe -; iem. de - (van iets) wijten. *-BEKENTENIS, v. (-sen), onderteekend geschrift waarbij men erkent eene zekere som schuldig te zijn; obligatie; -sen ten laste van den Staat, effekten, fondsen. *-, belijdenis van schuld (aan eene misdaad). *-BODE, m. en v. (-n), (oudh.) inner van uitstaande gelden, deurwaarder. *-BOEK, o. (-en), (kooph.) rekening-courantboek. *-BOETE, v. (-n). *-BOETING, v. (-en).*-BRIEF, m. (...ven), schuldbekentenis, obligatie, promesse. *-EISCHER, m., -ES, v. (-sen), die eene schuld te vorderen heeft; crediteur. *-ELOOS, bn. (...zer, -st), zonder schuld (aan eene misdaad), onschuldig. -HEID, v. gmv. onschuld; onnoozelheid. *-ENAAR, m. (-s), *-ENARES, v. (-sen), *-ENAARSTER, v. (-s), die geld schuldig is, debiteur, debitrice. *-HEER, m. (-en), schuldeischer. *-IG, bn. (-er, -st), verschuldigd; verpligt, gehouden; in iemands schuld zijn; hij is hem geld -; hij bleef hem het antwoord -, hij gaf hem geen antwoord. -, misdadig, strafbaar; hij is -, hij heeft de misdaad begaan; de regter heeft hem - verklaard, het - over hem uitgesproken; des doods - zijn, den dood verdiend hebben. *-IGE, m. en v. (-n), die schuldig is (aan eene misdaad); veroordeelde. *-IGLIJK, bijw. met schuld. *-LIJST, v. (en), lijst van onbetaalde geldsommen. *-OFFER, o. (-s), zoenoffer; (ook) offer ten gevolge eener gedane gelofte. *-POST, m. (-en), debetpost (in het boek). *-SPLITSING, v. (regt.) splitsing der schulden in preferente en algemeene. *-VERGEVING, *-VERGIFFENIS, v. (-sen), genade. *-VORDERING, v. (-en), het invorderen eener schuld; schuld die men te vorderen heeft, pretentie.

[Schulp]

Schulp, v. (-en), hoornachtige zelfstandigheid waarmede de schelpdieren omkleed zijn; (fig.) in zijne - kruipen, achteruit krabben, zijn woord breken; (ook) in zijne schamele woning zich terugtrekken; (fig.) de -en wassen op zijnen neus, hij heeft lang ter zee gevaren. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als eene schulp. *-EN, bw. gel. (ik schulpte, heb geschulpt), als schulpen bewerken, er in vatten; een geschulpt doosje. *-ER, m. (-s), pompboor. -, *-STER, v. (-s), die schulpt. *-KALK, m. gmv. kalk die van schulpen gebrand is. *-SCHAAL, v. (...alen), *-SCHOTEL, m. (-s), schaal -, schotel als eene schulp bewerkt. *-SLAK, v. (-ken). *-VISCH, m. (...sschen). *-WERK, o. (-en), grotwerk. *-WIT, o. gmv. loodwit. *-ZAAG, v.

[p. 1194]

(...agen), soort groote zaag. *-ZAND, o. gmv. schuurzand; (ook) tuinzand.

[Schuren]

Schuren, bw. ow. gel. (ik schuurde, heb geschuurd), iets hard wrijven om het schoon en glanzig te maken; (fig.) de stroom schuurt (klotst) de (of tegen de) oevers; schrijnen, de wol schuurde tegen de wond.

[Schurft]

Schurft, v. gmv. besmettelijke huiduitslag (van menschen, dieren en gewassen); (spr.) § - leert krabben, nood leert bidden. *-, *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), met schurft behebt, ruidig; (spr.) één - schaap steekt de gansche kudde aan, door slecht gezelschap wordt men besmet; netelig, verward, berooid; eene -e zaak, (inz. in regten), welke bijzonderheden kan aan den dag brengen die de eer van de daarbij betrokken personen in gevaar brengen. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), van -, als schurft, naar schurft gelijkende. *-DIERTJE, *-BEESTJE, (B. -N), o. (-s), diertje dat, naar men zegt, de schurft veroorzaakt. *-HOOFD, o. (-en), § *-KOP, m. (-pen), kop waarop de schurft zit. -, m. en v. die schurft heeft. *-HEID, *-IGHEID, v. gmv. het schurftige; (ook fig.) het leelijke (eener zaak). *-IG, bn. met schurft behebt. *-KAMER, v. (-s), kamer waar de schurftlijders worden verpleegd. *-KRUID, o. (-en), soort plant tegen de schurft. *-KWAAL, v. (...alen). *-MIDDEL, o. (-en), middel tegen de schurft. *-MIJT, v. (-en), zek. spinachtig diertje. *-MOS, o. gmv. soort mos. *-PUIST, v. (-en). *-VLIEG, v. (-en), vlieg wier beet schurftig maakt. *-ZALF, v. (...ven).

[Schuring]

Schuring, v. gmv. het schuren.

[Schurk]

Schurk, m. (-en), schelm; paal in de weide waartegen de beesten zich wrijven. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), van eenen -, als een schurk, gemeen, laag, oneerlijk. -HEID, v. gmv. *-EN (ZICH), ww. gel. (ik schurkte mij, heb mij geschurkt), zich wrijven tegen, (inz. van beesten). *-ENSTREEK, m. (...eken), *-ENTREK, m. (-ken), *-STUK, o. (-ken), *-WERK, o. (-en), *-ERIJ, v. (-en), schelmstuk, oneerlijke handeling.

[Schut]

Schut, o. (-ten), geschut. *-, beschot, schotwerk, schutting; vuurscherm; hinderpaal; (ook) soort kaartspel. *-BERD, o. gmv. wagenschot. *-BLAD, o. (-en), onbedrukt blad voor in een boek; (plant.) dekblad. *-BORD, o. (-en), valdeur eener sluis. *-DAK, o. (-en), luifel, beschuttend dak. *-DEUR, v. (-en), sluisdeur. *-GAT, o. (-en), schietgat. *-GEVAARTE, o. gmv. (oorl.) geschut; - houden, de kanonnen laten spelen. *-HOK, o. (-ken). *-KOOI, v. (-jen), bergplaats van verdwaald vee. *-MEESTER, m. (-s), schutter van verdwaald vee. *-OVERLOOP, m. (-en), (zeew.) scheepsplecht. *-PLANK, v. (-en), sluisplank; vloeiplank. *-POORT, v. (-en), geschutpoort; sluisdeur.

[Schutsbrief]

Schutsbrief, m. (-ven), handvest; privilegie, octrooi; leenbrief.

[Schutsel]

Schutsel, o. (-s), schutting; (fig.) bescherming.

[Schutsengel]

Schutsengel, m. (-en), *-IN, v. (-nen), beschermengel. *...GOD, m. (-en). *...GODIN, v. (-nen). *...HEER, m. (-en). *...VROUW, v. (-en).

[Schutsluis]

Schutsluis, v. (...zen), dubbele gemetselde waterkeering, sluis die polders of lagere deelen eener stad voor overstrooming beschut. *...STAL, m. (-len), schutskooi.

[p. 1195]

[Schutten]

Schutten, bw. ow. gel. (ik schutte, heb geschut), binnen eene kooi -, achter eene schutting opsluiten; beveiligen, afweren, tegengaan, beletten; een schip door eene sluis laten; door eene sluis varen; (fig.) het spel -, winnen.

[Schutter]

Schutter, m. (-s), die schut; die schiet; gewapend burger, soldaat der burgerwacht; (sterr.) een der 12 teekens van den dierenriem (aangeduid door illustratie ). *-IJ, v. (-en), gewapende burgerij; burgerwacht, nationale garde. *-BOOG, m. (...ogen). *-SDOELEN, m. (oudt.) oefenplaats -, exercitieveld voor de schutters. *-SHOF, o. (...ven), hoofdwacht -, verzamelingshuis der schutterij. *-RAAD, m. (...aden), soort krijgsraad voor de schutterij, schutters-regtbank. *-STASCH, v. (...sschen), patroontasch.

[Schutting]

Schutting, v. (-en), het schutten; afsluiting, (tusschen tuinen enz.).

[Schutvulling]

Schutvulling, v. (-en), (zeew.) ruimte tusschen de geschutpoorten.

[Schuur]

Schuur, v. (...uren), bergplaats (inz. op het land). *-BAK, m. (-ken), bak tot berging van schuurgoed. *-BIEZEN, o. mv. zek. gewas. *-BORSTEL, m. (-s), stijve boender; (ook) fijne wrijfborstel; (grav.) draadschuijer. *-DEUR, v. (-en). *-DOEK, m. (-en). *-LAP, m. (-pen), lap om te schuren. *-GOED, o. gmv. stoffen die tot het schuren gebruikt worden (zand, kalk enz.). *-KAMER, v. (-s). *-SEL, o. schuurgoed. *-STEEN, m. (-en), puimsteen. *-STER, v. (-s), zij die schuurt. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine schuur. *-VOD, o. (-den), schuurlap. *-ZAND, o. gmv. schulpzand.

[Schuw]

Schuw, bn. en bijw. (-er, -st), beangst, beschroomd; een - (schichtig) paard; zich - (angstig) rondzien. *-EN, bw. gel. (ik schuwde, heb geschuwd), vreezen, beangst zijn voor. *-HEID, v. gmv. vrees, beangstheid.

[† Schwadronneren]

Schwadronneren, ow. gel. (ik schwadronneerde, heb geschwadronneerd), naar zekere regelen met degen, zwaard of stok om zich slaan, - zich verweren; (fig.) opsnijden, snoeven, pogchen; het -, de schwadronneerkunst. *...NEERDER, (B. *-EERER), m. (fig.) - met woorden, pochhans, snoever.

[† Scilicet]

Scilicet, bijw. let wel! begrijp je!

[† Sconto]

Sconto, zie DISCONTO.

[† Scorbut]

Scorbut, o. scheurbuik.

[† Scriba]

Scriba, m. (-as), schrijver, klerk. *...BENT, (-en), veelschrijver. *...BOMANIE, v. gmv. veelschrijverij, schrijfziekte, -jeukte.

[† Scrophuleus]

Scrophuleus, bn. (...zer, -st), klierachtig, met klieren. *...PHULA, v. klierziekte.

[† Scrupel]

Scrupel, o. (-s), medicinaal gewigtje = 1.302 ned. wigtje, (aangeduid door het teeken illustratie ); (ook) 1/10 lijn = 1 minuut. *...PULE, v. (-s), bezwaar; angstvalligheid. *...PULEUS, bn. (...zer, -st), naauwgezet, al te voorzigtig; zwaartillend. *...TINEREN, bw. gel. (ik scrutineerde, heb gescrutineerd), onderzoeken, diep uitvorschen, nagaan; (fig.) stemmen inzamelen.

[† Scudo]

Scudo, m. (...di), italiaansche munt (ongeveer = ƒ2.30 nederl.).

[† Scylla]

Scylla, v. gmv. (aardr.) blinde klip; kolk in de straat van Messina (tegenover eene andere klip Charybdis geheeten); (spr.) van

[p. 1196]

- tot Charybdis, van kwaad tot erger vallen, van den regen in den drop komen.

[† Sec, Sek]

Sec, Sek, m. zek. fijne spaansche wijn; kanarie -.

[† Secans]

Secans, m. (wisk.) snijlijn.

[† Seceren]

Seceren, bw. gel. (ik seceerde, heb geseceerd), (ontl.) snijden, openen (een lijk). *...CESSIONISTEN, m. mv. afgescheidenen, (naam aan de zuidelijke bewoners van de Noord-Amerikaansche staten gegeven tijdens hunnen oorlog met de noordelijken).

[† Seclusie]

Seclusie, v. gmv. uitsluiting.

[† Sec(k)ondant]

Sec(k)ondant, m. (-en), helper, getuige bij een tweegevecht; hulponderwijzer, ondermeester. *-E, v. (-n), ondermeesteres. *...DAIR, bn. en bijw. ondergeschikt; in de tweede plaats. *...CONDE, v. (-n), zie SEKONDE. -, (muz.) tweede partij. *...DEREN, bw. gel. (ik secondeerde, heb gesecondeerd), helpen, bijstaan; (muz.) begeleiden, accompagneren.

[† Secretaire]

Secretaire, v. (-s), schrijf-, ladekast; bureau. *...TARIAAT, o. gmv. ambt -, betrekking -, (ook) kantoor van den secretaris. *...TARIE *...TARIJ, v. (-en), kantoor van den secretaris; kantoor voor de akten en geschriften eener gemeente.

[Secretaris]

Secretaris, m. (-sen), geheimschrijver; griffier; zek. fraaije vogel. *-AMBT, o. *-POST, m. (-en), *-SCHAP, o. gmv.

[† Secretie]

Secretie, v. (...ën), (gen.) af- of uitscheiding (van vochten).

[† Sectaris]

Sectaris, m. (-sen), aanhanger -, volgeling eener secte. *...TE, v. (-n), geloofspartij. Zie ook SEKTE. -MAKER, m. (-s), scheurmaker. *...TIE, v. (...ën), (heelk.) insnijding, operatie; lijkopening; afdeeling eener vergadering; wijk eener stad. *...TOR, m. (wisk.) deel van eenen cirkel; ontleder.

[† Seculair]

Seculair, bn. wereldlijk (in tegenst. van geestelijk); het - gezag van den paus. *-, honderdjarig. *...LARISEREN, bw. gel. (ik seculariseerde, heb geseculariseerd), wereldlijk maken, - verklaren; geestelijke goederen - (intrekken, vervreemden).

[† Secunda]

Secunda, v. (-as), tweede wissel (na uitgifte van den prima of eersten). *...DAIR, bn. *...DE, v. zie SEKONDE. *...DEREN, bw. zie SECONDEREN. *...DUS, m. de tweede.

[† Secureren]

Secureren, bw. gel. (ik secureerde, heb gesecureerd), verzekeren; beveiligen. *...CURITEIT, v. (-en), zekerheid; veiligheid; onderpand. *...CUUR, bn. en bijw. zeker, veilig. -, tw. gerust! zeker!

[† Sedecimo]

Sedecimo, (16mo), o. (-os), (boekdr.) formaat van 32 bladz. per vel druks. *...DENTAIR, bn. zittend; een - leven.

[Sedert]

Sedert, vz. bijw. sinds; van...; na dien tijd.

[† Sedes]

Sedes, m. zetel, woonplaats; (ook) stoelgang. *...DIMENT, o. bezinksel. *...DITIE, v. (...ën), opstand, oproer. *...DITIEUS, bn. oproerig. *...DUCTIE, v. verleiding. *...DUISANT, bn. en bijw. verleidelijk.

[Segment]

Segment, m. (-en), (wisk.) afsnijding; deel van eenen cirkel.

[Segrijn]

Segrijn, *-LEDER, *-LEÊR, o. gmv. zeer hard en toch fijn bereid leder. *-BEREIDER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-EN, *-LEÊREN, bn. van segrijn; (boekb.) een - band.

[Sein]

Sein, o. (-en), teeken; (fig.) wenk, aanleiding; (oorl. en zeew.)

[p. 1197]

signaal. *-BOEK, o. (-en), (zeew.) register waarin de verschillende seinen op zee staan aangeteekend. *-EN, bw. ow. gel. (ik seinde, heb geseind), seinen geven; iets aan iem. per telegraaf - (berigten); een schip -, te kennen geven dat een schip nadert. *-GEVER, m. (-s), deel van eenen telegraaf; iem. die het sein geeft. *-ING, v. gmv. het seinen geven. *-PAAL, m. (...alen), paal waaraan seinborden bevestigd zijn. *-POST, m. (-en), standplaats van hen die seinen moeten. *-SCHIP, o. (...epen), adviesjagt. *-SCHOT, o. (-en). *-TEEKEN, o. (-s, -en), merkteeken bepaald of afgesproken om te seinen. *-TOESTEL, m. (-len), telegrafische toestel. *-TOREN, m. (-s). *-TOUW, o. (-en), (zeew.). *-VLAG, v. (-gen). *-VUUR, o. (...uren). *-WACHTER, m. (-s), wachter op de kust.

[Seisen]

Seisen, bw. gel. (ik seiste, heb geseist), (zeew.) dunne touwen om zware touwen slaan. *...SING, *...ZING, v. (-s, -en), (zeew.) het seisen; dun touwwerk.

[Sekonde]

Sekonde, v. (-n), zestigste deel eener minuut; meetkunstig teeken ("). *-NWIJZER, m. (-s). *-SLINGER, m. (-s), slinger die eene sekonde voor zijne schommeling besteedt.

[Sekreet]

Sekreet, o. (...eten), heimelijk gemak, beste kamer. *-BRIL, m. (-len). *-DEKSEL, o. (-s). *-DEUR, v. (-en). *-PUT, m. (-ten). *-RUIMEN, o. *-RUIMER, m. (-s), nachtwerker. *-VLIEG, v. (-en).

[† Sekse]

Sekse, (B. SEXE), v. (-n), kunne, geslacht; de schoone -, de vrouwen.

[† Sekte]

Sekte, v. (-n), menigte die dezelfde geloofsbegrippen aankleeft, (inz.) die zich afgescheiden heeft van de hoofdkerk. *-E(N)GEEST, m. gmv. ijver die onder de aanhangers eener sekte leeft of hen drijft.

[† Seladon, Celadon]

Seladon, Celadon, m. sentimentele minnaar; zeegroen.

[† Sela!]

Sela! (bijb.) let op!

[Selderij]

Selderij, v. gmv. zek. moesgroente. *-BED, o. (-den), met selderij beplant stuk land. *-BAL, *-KNOL, m. (-len). *-LOOF, o. gmv. *-PLANT, v. (-en). *-SALADE, v. gmv. *-SOEP, v. (-en). *-ZAAD, o. (...aden).

[Seldrement!]

Seldrement! tw. drommels!

[† Selene]

Selene, v. maangodin. *...NIET, m. en v. (-en), maanbewoner. -, o. gmv. maansteen; moskovisch glas, soort gips. *...NIETISCH, bn. tot de maan behoorende. *...NIUM, o. zek. delfstof. *...NOGRAPHIE, v. maanbeschrijving.

[† Semester]

Semester, o. (-s), halfjaar. *...TRAAL, bn. en bijw. halfjarig.

[† Semi]

Semi, bn. half.

[† Seminarie]

Seminarie, o. (-ën), *-UM, (...ia), kweekschool (inz.) voor geestelijken. *...NARIST, m. (-en), leerling -, kweekeling van een seminarium.

[† Semitisch]

Semitisch, bn. van Sem afstammende; de -e (oostersche) ialen; de -e stammen.

[† Semper idem]

Semper idem, altijd hetzelfde.

[† Senaat]

Senaat, m. (...aten), raad (bij de oude volken); landsvergadering; Eerste Kamer of Hoogerhuis (in Frankrijk en België); raad der oudste studenten aan eene hoogeschool. *...NATEUR, *...NATOR, m. (-s), lid van eenen senaat. *...NATUS-CONSULT, o. raadsbesluit, (inz.) fransch-keizerlijk dekreet.

[p. 1198]

[† Sene]

Sene, *-BLAD, o., *-PLANT, v. (-en), geneeskrachtige plant. *-GROEN, o. (plant.).

[Senilboom]

Senilboom, m. (-en), lindeboom.

[† Senior]

Senior, SR., bn. oudste, de oudere (in tegenstelling van junior, Jr.), de jongere (veelal achter namen) gesteld. *-AAT, o. (...aten), regt van erfopvolging der oudsten; majoraat; ambt van oudste.

[† Senna-bladen]

Senna-bladen, o. mv. zek. afdrijvend geneesmiddel.

[† Sensatie]

Sensatie, v. gmv. algemeene beweging, indruk, opzien, opschudding. *...SIBILITEIT, v. gevoeligheid. *...SITIEF, bn. zinnelijk, gevoelig. *...SUALISME, o. neiging om naar zinnelijke aandrift te handelen, zinnelijkheid, wellustigheid. *...SUEEL, bn. en bijw. (...eler, -st), zinnelijk, naar zinnelijk genot hakende.

[Sent]

Sent, *-E, v. (-n), (zeew.) lijst, berghout.

[† Sententie]

Sententie, v. (...ën), vonnis, lijfstraffelijk vonnis; zedespreuk, kernspreuk. *...TENTIEUS, bn. (...zer, -st), spreukrijk; vol spraakwendigen.

[† Sentiment]

Sentiment, o. gevoel; kunstgevoel. *-ALITEIT, v. overdreven -, bespottelijke gevoeligheid, gemaaktheid. *-EEL, bn. en bijw. overdreven gevoelig, overspannen.

[† Separaat]

Separaat, bn. afzonderlijk, gescheiden. *...PARATIE, v. scheiding, afzondering. *...PARATISMUS, o. gmv. geest-, zucht tot afzondering (in godsdienst en staatkunde). *...PARATIST, m. (-en), die voor het separatismus ijvert, het bevordert. *...PARATISTISCH, bn. en bijw. als separatist, de afzondering bevorderende.

[† Septime]

Septime, v. (muz.) 7e toon van een octaaf. *...TUAGESIMA, v. (-as), 9e zondag vóór Paschen. *...TUAGINTA, v. gmv. zeventig; de overzetting der - (der 70 joodsche bijbelvertalers te Alexandrië).

[† Sequens]

Sequens, v. het volgende. *...QUESTER, o. (-s), (regt.) beslag, inbeslagneming. *...QUESTRATIE, v. (...ën), (regt.) beslaglegging op; opsluiting. *...QUESTREREN, bw. gel. (ik sequestreerde, heb gesequestreerd), (regt.) beslag leggen op.

[† Seraf, Serafijn]

Seraf, Serafijn, m. (-en), engel, hemelling; de Serafijnen-orde, ridderorde in Zweden en Noorwegen. *-SSTEM, v. (-men). *-SVLEUGEL, *-IJNENVLEUGEL, m. (-s). *-SVLUGT, v. gmv.

[† Serail]

Serail, o. (-s), paleis, vrouwenverblijf (van oostersche vorsten), harem.

[† Seraskier]

Seraskier, m. (-s), opperveldheer; minister van oorlog (in Turkije).

[† Serenade]

Serenade, v. (-s), avond-, nachtmuziek, (inz. als huldeblijk).

[† Serenissimus]

Serenissimus, m., *...MA, v. doorluchtigste (eeretitel aan vorstelijke personen); (ook) aan een akademischen senaat.

[† Sergeant, Serjant]

Sergeant, Serjant, m. (-en), onder-officier. *-MAJOOR, m. (-s), opper-wachtmeester. *-SPOST, m. *-SPLAATS, v. (-en). *-SCHAP, o.

[† Sergie]

Sergie, v. zek. ligte gekeperde stof.

[† Serie]

Serie, v. (-ën), reeks, rij; seriën-trekking (eener loterij).

[† Serieus]

Serieus, bn. en bijw. (...zer, -st), ernstig, ernstiglijk. *-! tw. zoo waar!

[† Sering]

Sering, m. zie SYRING.

[† Sermoen]

Sermoen, o. (-en), preek, predikatie, vermaning; bed-, gordijnpreek, gesprek van man en vrouw in hun slaapvertrek.

[p. 1199]

[† Serpent]

Serpent, o. (-en), (muz.) slangvormig blaasinstrument, slanghoorn; (fig.) boos wijf. *-EREN, ow. gel. (ik serpenteerde, heb geserpenteerd), kronkelen. *-IG, bn. als eene slang, boos, vinnig. *-IJN, m. (en), veldslang, (geschut). -, -STEEN, m. (en), soort delfstof. *-IST, m. (-en), die op het serpent blaast. *-SCH, bn. en bijw. (fig.) boos, kwaadaardig (van vrouwen). *-SLOOK, o. gmv. zek. gewas (tegen den slangenbeet). *-STONG, v. zek. plant.

[Servet]

Servet, o. (-ten), mond-, vingerdoek (om zich af te vegen); tafeldoek minder groot dan een tafellaken. *-GOED, o. gmv. lijnwaad tot servetten.

[Serviel]

Serviel, bn. en bijw. (-er, -st), slaafsch, kruipend; laag. *...VILISMUS, o. gmv. slaafschheid; stelsel van kruiperij, laagheid. *...VILITEIT, o. gmv. slaafsche geest.

[Servies]

Servies, o. (...zen), stel vaatwerk waarvan men zich aan den disch (tot eten of drinken) bedient. *...VINGS, v. mv. (zeew.) slaglijnen, bekleeding van strengen gevlochten. *...VITEUR, m. (-s), dienaar. *...VITUUT, o. (...uten), (regt.) erfdienstbaarheid (last op een perceel of op een stuk grond drukkende en dien men zich moet laten welgevallen); militair -, zulk een last in het belang van de verdediging eener vesting.

[† Sessie]

Sessie, v. (...ën), zitting (inz. van landsvergaderingen en geregtshoven); wij hadden eene lange -, wij zijn lang vergaderd geweest.

[† Seton]

Seton, m. (-s), (gen.) soort fontanel (tot afleiding van vochten).

[Seulen]

Seulen, ow. gel. (ik seulde, heb geseuld), visschen met een net dat door een paard wordt getrokken.

[† Sévère]

Sévère, bn. gestreng, hoog ernstig (inz. in de kunst). *...VERITEIT, v. ernst.

[† Sevigné]

Sevigné, v. (-es), borstspeld, haarspeld (der dames).

[† Sexagesima]

Sexagesima, (r.k.) 6de zondag vóór Paschen.

[† Sexangulum]

Sexangulum, m. (meetk.) zeshoek.

[† Sextant]

Sextant, m. (-en), (zeew.) hoogtemeter. *...TIDE, m. (-n), 6de dag eener decade (uit den tijd der fransche omwenteling van 1789).

[† Sexuaal, Sexueel]

Sexuaal, Sexueel, bn. het natuurlijk geslacht betreffende; sexuele (vleeschelijke -, geslachts-) driften; - systeem, stelsel (van Linnaeus) van geslachtsverdeeling der planten.

[† Sfeer]

Sfeer, v. zie SPHEER.

[† Shawl]

Shawl, v. (-s), groote omslagdoek.

[† Sherif]

Sherif, m. (-s), provinciale regter in Engeland; overheidspersoon in Arabië.

[† Shilling]

Shilling, m. (-s), engelsche munt (= 1/20 van 1 pond sterling of ƒ0.60 nederl. ongeveer).

[† Shire]

Shire, v. (-s), graafschap (in Engeland).

[† Siampan]

Siampan, m. (-s), soort chineesch vaartuig.

[† Sibylle, Sibille]

Sibylle, Sibille, v. (-n), waarzegster; tooverheks. *...LIJNSCH, bn. van -, volgens de sibyllen; de -e boeken, (rom. gesch.) boeken waaruit de romeinsche priesters voorgaven de toekomst te kunnen voorspellen.

[† Sic!]

Sic! tw. let wel! ei! *-, zoo staat er.

[p. 1200]

[Sidderaal]

Sidderaal, m. (...alen), zek. elektrische visch (wiens aanraking eene ligte siddering veroorzaakt).

[Sidderen]

Sidderen, ow. gel. (ik sidderde, heb gesidderd), beven, trillen. *...ING, v. sterke beving, trilling; het sidderen.

[† Sideraal]

Sideraal, bn. de sterren betreffende. *-ASTRONOMIE, v. gedeelte der sterrekunde dat de ligchamen buiten ons zonnestelsel behandelt. *-MAGNETISME, o. magnetische invloed van de sterren op zieken. *...RATIE, v. stand der sterren; gewaande invloed daarvan. *...RISME, o. leer betreffende -, geloof aan den invloed der sterren.

[† Siderographie]

Siderographie, v. ijzer- en staalbeschrijving; staalgraveerkunst.

[† Siderolith]

Siderolith, o. zek. boheemsch pottenbakkerswerk.

[† Sideroscoop]

Sideroscoop, v. (...open), toestel om ijzersporen te ontdekken. *...TECHNIEK, *...URGIE, v. ijzerbereidkunst.

[Sier]

Sier, v. gmv. opschik; goede - maken, fijn -, lekker opdisschen. *-AAD, o. (...aden), tooi, tooisel, versiering; opschik, opsmukking; (fig.) trots, eer, iets waarop men roem draagt. *-EN, bw. gel. (ik sierde, heb gesierd), tooijen, versieren, opsmukken, opschikken; (fig.) tot eer verstrekken; (oudt.) begrooten (naar gissing). *-ING, v. (-en), het versieren; (oudt.) berekening. *-LIJK, bn. en bijw. fraai, net, bevallig; elegant. -HEID, v. (...eden), fraaiheid, netheid; (ook fig.). *-SEL, o. (-s), sieraad, versiering; (fig.) onwaarheid.

[† Sierra]

Sierra, v. berg, gebergte.

[† Siesta]

Siesta, v. gmv. middagslaapje.

[† Siffleren]

Siffleren, bw. ow. uitfluiten; door gefluit zijne afkeuring te kennen geven.

[Sigaar]

Sigaar, v. (...aren), rolletje tabak tot rooken bestemd; eene - opsteken, ze doen branden.

[Sigarenfabriek]

Sigarenfabriek, v. (-en). *...HANDEL, m. gmv. *...MAKER, m. (-s). *...PIJPJE, (B. -N), o. (-s). *...WINKEL, m. (-s).

[† Sigillum]

Sigillum, o. gmv. zegel; loco sigilli, plaats van het zegel, - van den stempel.

[† Signaal]

Signaal, o. (...alen), sein, waarschuwingsteeken; leus, wachtwoord. *...NALEMENT, o. (-en), persoonsbeschrijving; iemands - maken, opgeven, (ook fig.) zijn gedrag uiteenzetten. *...NALEREN, bw. gel. uitduiden, beschrijving; (ook) seinen geven; (zeew.) een schip-(seinen). *...NATUUR, v. (...uren), merk, kenteeken; handteekening; (apoth.) etiket aan de fleschjes. *...NET, o. (-ten), handzegel, cachet. -SNIJDER, m. (-s), graveur, cachetsnijder. *...NIFICATIE, v. (...ën), beteekenis; (regt.) beteekening, aanzegging. *...NIFICEREN, bw. ow. gel. (ik significeerde, heb gesignificeerd), beteekenen; (regt.) aanzeggen.

[† Signor]

Signor, m. (-i), heer; gebieder. *-A, v. (...e), dame, vrouw; gebiedster.

[Sijffelen]

Sijffelen, ow. zie SCHUIFELEN.

[Sijsje]

Sijsje, (B. *-N), o. (-s), soort vogeltje.

[Sikkel]

Sikkel, v. (B.m. en v.), gewigt; (ook) munt in het oude Judea; zilvering; zeis, zeissen. *-SLAG, m. (-en).

[† Silhouette]

Silhouette, v. (-n), schaduwomtrek, -beeld, -portret, (naar den uitvinder dus genoemd). *...EREN, bw. gel. (ik silhouetteerde, heb gesilhouetteerd), een schaduwportret maken.

[p. 1201]

[† Sillicaten]

Sillicaten, o. mv. (scheik.) kiezelzure zouten.

[† Silliciden]

Silliciden, o. mv. zek. delfstoffen.

[† Silometer]

Silometer, m. (-s), toestel om de snelheid der beweging van een schip aan te wijzen.

[Silvester]

Silvester, de laatste maand van het jaar; orde van St. -, pauselijke ridderorde. *--AVOND, m. (-en), oudejaarsavond.

[Sim]

Sim, v. (-men), snoer eener hengelroede; aap, baviaan; (fig.) iem. onder de - hebben, hem in bedwang houden. *-MENGESLACHT, *-MENRAS, o. gmv. apenras. *-MEN, ow. gel. (ik simde, heb gesimd), pruilen, veinzen te schreijen, een huilend gezigt zetten. *-MENKUUR, v. (...uren), apenkuur. *-MENNEUS, m. (...zen), apenneus. -, m. en v. iem. die zoodanigen neus heeft. *-MENTREK, m. (-en).

[† Similor]

Similor, o. halfgoud, spinsbek, bijouterie-goud.

[† Simonie]

Simonie, v. knevelarij, woeker met kerkelijke ambten.

[Simonist (St.)]

Simonist (St.), m. (-en), aanhanger van den franschen utopist St.-Simon. *...NISMUS (ST.), stelsel van St.-Simon (algeheele gelijkheid van bezit, afschaffing van den eigendom).

[Simpel]

Simpel, bn. en bijw. (-er, -st), eenvoudig, enkel; alleenlijk, bloot; eene -e (onderhandsche) akte; een - (gemeen) soldaat; de -e (onschuldige) duif; suf; zwak van hersenen, wezenloos; zij is - geworden. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), eenigzins zwak van hersenen, onnoozel. *-HEID, v. (...eden), onnoozelheid, verzwakking van hersenen.

[Simplankje]

Simplankje, (B. *-N), o. (-s), klos waarom garen wordt gewonden tot het breijen van netten.

[† Simpliciteit]

Simpliciteit, v. gmv. eenvoudigheid, ongekunsteldheid. *...FICEREN, *...ËREN, bw. gel. (ik simplifiëerde, heb gesimplifiëerd), vereenvoudigen.

[† Simulacre]

Simulacre, o. (-s), schijnbeeld, schijnvertooning. *...MULEREN, bw. gel. (ik simuleerde, heb gesimuleerd), veinzen, voorgeven; namaken; een gesimuleerde (geveinsde) koop. *...MULTAAN, bn. en bijw. gelijktijdig. *...MULTANEÏTEIT, v. gelijktijdigheid.

[Sinaasappel]

Sinaasappel, m. (-s, -en), smakelijke -, zoete oranje-appel.

[Sinavaarder]

Sinavaarder, m. (-s), schip dat -, scheepskapitein die op China vaart.

[Sinds, Sints]

Sinds, Sints, vz. en bijw. sedert, van dien tijd.

[† Sinecuur]

Sinecuur, v. (...uren), winstgevend ambt, betrekking in naam (zonder bezigheden).

[† Sine quâ non]

Sine quâ non, bijw. zonder hetwelk .... niet; dit is eene voorwaarde -, (zonder welke de zaak niet doorgaat).

[Singel]

Singel, m. (-s), grof touwweefsel; buikgordel (van een paard); buitenwal (om eene stadsgracht). *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine singel; (fig.) een - maken, rondwandelen. *-EN, bw. gel. (ik singelde, heb gesingeld), omsingelen; een paard -, het den buikriem omdoen.

[† Singulier]

Singulier, bn. en bijw. (-der, B. -er, -st), zonderling, vreemd; in dit -e (enkele) geval. *...LARITEIT, v. (-en), zonderlingheid, vreemdheid.

[† Sinjeur]

Sinjeur, m. (-s), heer, (meest spottend, minachtend).

[Sint]

Sint, bn. heilig. *-, m. heilige. *-JANSBROOD, o. soort pompoen. *-JANSKRUID, o. zek. plant.

[Sint-Nikolaas]

Sint-Nikolaas, v. gmv. kinderfeest (6 December); soort koek -,

[p. 1202]

gebak op dit feest. *-FEEST, o. gmv. *-GAVE, v. (-n). *-GEBAK, o. *-GESCHENK, o. (-en). *-KOEKJE, (B. -N), o. (-s).

[Sintels]

Sintels, m. mv. uitgebrande steenkool; gestold metaalschuim.

[† Sinus]

Sinus, m. boezem, schoot; inham, golf, bogt; (meetk.) zek. hoekpuntslijn.

[† Sipoys]

Sipoys, m. mv. engelsch-oostindische militie (van inlanders).

[† Sir!]

Sir! m. (-s), heer, mijnheer, (namen voor lords of adellijken).

[† Sire]

Sire, m. titel waarmede men eenen koning of keizer aanspreekt.

[† Sirene]

Sirene, v. (-n), (fab.) meermin, zeenimf; walvischachtig dier (b.v. de zeekoe); (fig.) schoone verleidster. *-, toestel om het juiste aantal trillingen van een geluidgevend ligchaam in een gegeven tijd te leeren kennen. *-NZANG, m. (-en), verleidelijke -, verderfelijke zang.

[† Sirius]

Sirius, m. (sterr.) de Hondster.

[† Sirocco]

Sirocco, m. (-os), verpestende woestijnwind.

[† Siroop]

Siroop, v. zie STROOP.

[† Sisteren]

Sisteren, ow. gel. (ik sisteerde, heb gesisteerd), verschijnen, zich (ter plaatse) laten vinden, zich stellen.

[Sissen]

Sissen, ow. gel. (ik siste, heb gesist), een fijn eenigermate scherp geluid als tusschen de tanden voortbrengen; de slang sist (schuifelt). *-, mijn oor sist (suist); het vocht siste (knetterde) op de heete plaat. *...SER, m. (-s), die sist; voorwerp dat een sissend geluid geeft; (vuurw.) voetzoeker; kleine erwt; (fig.) wisjewasje, nietigheid; het zal wel met een - afloopen. *...SING, v. gesis, het sissen.

[Sits]

Sits, v. (-en), soort gedrukt katoen. *-EN, bn. van sits (vervaardigd). *-PAPIER, o. (-en), soort behangselpapier. *-WINKEL, m. (-s).

[† Situatie]

Situatie, v. (...ën), ligging; (fig.) toestand. *...TUEREN, ow. gel. (alleen in het verl. dw.), dit huis is fraai gesitueerd, het ligt fraai; (fig.) wijze van woning, - van huiselijke inrigting; hoe zijn zij gesitueerd?

[† Siwan]

Siwan, v. de negende maand van den israelietischen kerkelijken kalender.

[† Sjampan]

Sjampan, v. (-s), klein chineesch vaartuig.

[Sjappen]

Sjappen, bw. gel. (ik sjapte, heb gesjapt), merken, teekenen (b.v. te vellen hout).

[Sjees]

Sjees, v. (...zen), chais, tweewielig rijtuig.

[Sjerp]

Sjerp, v. (-en), gordel (van eenen officier, ook van dames).

[Sjokken]

Sjokken, ow. zie OMSJOKKEN.

[Sjorklamp]

Sjorklamp, m. (-en), (zeew.). *...REN, bw. gel. (ik sjorde, heb gesjord), vastmaken, een touw slaan om. *...RING, v. gmv. het sjorren. *...TOUW, o. (-en), (zeew.) reep, taliereep.

[Sjouw]

Sjouw, v. gmv. dikke bundel, last; ruk, rol; (fig.) moeijelijkheid, dat was eene heele -; (fig.) aan de - zijn, zwieren. *-EN, bw. ow. gel. (ik sjouwde, heb gesjouwd), zware lasten dragen, - overbrengen; (fig.) moeijelijk werk verrigten; (fig.) zwieren, nachtbraken. *-ER, m. (-s), die hard werkt; zakke-, pakkedrager; werkman; (fig.) zwierbol. *-ERIJ, v. (-en), hard werk, moeijelijke arbeid; het zwieren, nachtbraken. *-ERMAN, m. (...lieden), zakkendrager, daglooner.

[† Skalde]

Skalde, m. (-n), noordsche dichter, bard.

[p. 1203]

[Skelet]

Skelet, o. (-ten), geraamte; (fig.) zeer mager mensch.

[Sla]

Sla, v. zie SALADE.

[Slaaf]

Slaaf, m. (slaven), lijfeigene (door geboorte, verovering of aankoop); iem. die in harde dienstbaarheid verkeert; (fig.) blinde volgeling; (fig.) een - zijner driften zijn, zich door zijne driften laten medeslepen. *-ACHTIG, *-SCH, bn. en bijw. als een -, van eenen slaaf; op onderdanige -, dienstbare wijze; kruipend; eene -e gewoonte (die men niet kan afleggen, waarvan men slaaf is); een -e (harde) arbeid; eene -e (al te getrouwe) navolging. -HEID, v. gmv. lage onderworpenheid, kruiperij.

[Slaag]

Slaag, m. gmv. - krijgen, geslagen worden. *-S, bijw. aan den slag, aan het vechten; - raken, (inz. van vloten). -, (oudt.) van pas.

[Slaak]

Slaak, o. (slaken), doorvaart, stroom, kil, natuurlijk kanaal; plaats waar de zee bij onstuimig weder effen en stil is.

[Slaan]

Slaan, bw. ow. onr. (ik sloeg, heb geslagen), slagen geven, treffen; een paard - (zweepen); om de ooren -, een pak slaag geven; eenen os - (dooden); olie - (persen); het koren - (dorschen); touw -, touw maken of draaijen; een touw - (winden) om; eenen gedenkpenning - (stempelen); geld -, munten; (ook fig.) zich geld zeeken te verschaffen; wegnemen, winnen; eene schijf -, (in het damspel); trommelen; de vogel slaat (fluit, zingt) liefelijk; de hand - aan, beginnen; de handen - aan, schenden, ontheiligen; aan het kruis -, kruisigen; den vijand op de vlugt - (doen vlugten); op de vlugt -, vlugten; § door de keel - (of jagen), verbrassen; (fig.) in den wind -, zich niet bekreunen (om raad enz.); het oog - op, naar, beschouwen; (ook) verliefd worden; de armen over elkander -, niets doen; (ook) zich verwonderen; uit het veld -, verjagen; (ook) verbaasd doen staan; pal zetten (in de redenering); de damp slaat mij op de borst (belemmert mij in de ademhaling); hij sloeg (viel) met het hoofd tegen de steenen; Gods hand slaat en heelt, God schenkt leed en vreugde; de klok slaat (verkondigt het uur); naar iets -, (om het te treffen), (ook) vermoeden iets te weten; gij slaat er maar naar; de bliksem is in den toren geslagen (gevallen); iem. in de boeijen (met ketenen beladen); tot ridder - (verheffen, benoemen); (fig.) den spijker op den kop -, het juist raden; de paarden sloegen (gingen) aan het hollen; eene brug over eene rivier - (leggen); (fig.) zijne tong slaat dubbel of slaat zwaar, men kan aan zijn spreken hooren dat hij dronken is; hij heeft de klok hooren -, hij heeft iets vernomen, maar niet het regte. *-, o. het slaan; slag; klopping. *-D, bn. geluid gevende.

[Slaap]

Slaap, m. gmv. zinverdooving, rust der ledematen en zinnen; - hebben, behoefte gevoelen om te slapen. *-, (slapen), (ontl.) hoofdader (tusschen de oogen en ooren). *-AARD, m. en v. (-s), slaper, slaapster. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), slaperig. -HEID, v. slaperigheid. *-ADER, v. (-en, -s), (ontl.) slaap, hoofdader. *-BAAS, m. (...azen), iem. die voor geld slapers houdt. *-BANK, v. (-en), soort bedlade, rustbed. *-BED, o. (-den), onderbed. *-BEEN, o. (-deren), (ontl.). *-BOL, m. (-len), maankop, zek. plant. *-DEKEN, v. (-s), bedde-deken. -, m. en v. langslaper, -slaapster, druiloor.

[p. 1204]

*-DEUN, m. (-en), -TJE, (B. -N), o. (-s), slaapliedje. *-DOEK, m. (-en), nacht-, hoofddoek. *-DRANK, m. (-en), drank die den slaap bevordert. *-DRONK, m. gmv. teug alvorens men te bed gaat. *-DRONKEN, bn. dronken -, bedwelmd van den slaap. *-GELD, o. (-en), geld dat men voor het slapen, - voor zijn nachtleger betaalt. *-GOD, m. gmv. (fab.) Morpheus. *-GOED, o. gmv. nachtgoed. *-JAK, o. (-ken), nachtjak. *-JE, (B. -N), o. (-s), korte slaap, dut. *-KAMER, v. (-s). *-KAMERAAD, m. en v. (...aden), bedgenoot. *-KOETS, v. (-en), (dicht.) ledekant, bedstede. *-KOORTS, v. (-en), (gen.). *-KOP, m. en v. (-pen), iem. die veel van slapen houdt. *-KRUID, o. (-en), slaapbol, opium. *-LAKEN, o. (-s), beddelaken. *-LEER, v. gmv. (gen.) † hypnologie. *-LIED, o. (-eren), wiegelied. *-LUST, m. gmv. slaperigheid. *-MAKEND, bn. *-MIDDEL, o. (-en), (gen.) slaapdronk. *-MUTS, v. (-en), nachtmuts. -, m. en v. druiloor. *-PIL, v. (-len). *-PLAATS, v. (-en), slaapkamer, alkoof. *-ROK, m. (-ken), nacht-, borstrok. *-STROOP, v. gmv. *-SPIER, v. (-en), (ontl.). *-STEÊ, *-STEDE, v. (-n), huis waarin men gewoon is te slapen; bedstede. -HOUDER, m., -HOUDSTER, v. (-s), die slapers houdt. *-STER, v. (-s), die slaapt. *-VERTREK, o. (-ken). *-VERWEKKEND, *-WEKKEND, bn. *-VROUW, v. (-en), vrouw die slapers houdt. *-WANDELAAR, m., -STER, v. (-s), die in den slaap opstaat en rondloopt, † somnambule. *-WEREND, bn. slaapverdrijvend. *-ZAAL, v. (...alen), groote slaapkamer (inz. in gestichten enz.). *-ZIEKTE, v. (-n), ziekte wier aard is den lijder steeds te doen slapen, † lethargie. *-ZUCHT, v. gmv. lust om altijd te slapen, slaapziekte.

[Slab]

Slab, *-BE, v. (-n), *-BETJE, (B. -N), o. (-s), *-BEDOEK, m. (-en), eet-, morsdoekje.

[Slabak]

Slabak, m. (-ken), saladebak.

[Slabbakke]

Slabbakke, v. (-n), talmster. *-N, ow. gel. (ik slabbakte, heb geslabbakt), talmen, sukkelen; (zeew.) de wind begint te - (te flaauwen). *-RIJ, v. (-en), talmerij, gesukkel.

[Slabbe]

Slabbe, v. (-n), versche haring. *-N, bw. ow. gel. (ik slabde, heb geslabd), leppen, drinken (van dieren); morren onder het eten. *-R, m. (-s), soort haringschuit. *-REN, bw. ow. gel. slobberen.

[Slabbing]

Slabbing, v. gmv. het slabben; (zeew.) woeling, bewindsel der kabels in de kluiven.

[Slach]

Slach, o. soort; zie SLAG. *-TEN, ow. gel. (ik slachtte, heb geslacht), gelijken; overeenkomen met (iem.); hij slacht zijnen vader.

[Slag]

Slag, o. gmv. soort; welk een raar - van menschen. *-, m. (-en), stoot, schok; hard geluid, (ook) het veroorzaken daarvan, beweging; klop, klopping; eenen - geven (aan iem. tegen, op iets); (ook) dit geeft eenen -, (uit zich zelf); op - van drieën, bijna drie uur; een - (klap) in het aangezigt; muntslag; winding (van touw); touwbelegging; zonder - of stoot, zonder te vechten; iem. met den - waarschuwen, onverhoeds iem. iets aankondigen of doen; zijnen - (zijne gelegenheid) waarnemen; met éénen -, eensklaps; goed op -, of op zijnen - komen, bedreven worden, de hebbelijkheid (van iets)

[p. 1205]

krijgen; den - (de gewoonte) van iets hebben; eenen - in iets slaan, er naar raden; eenen - naar iets doen, voetstoots berekenen. *-, strijd, gevecht, veldslag; - leveren; (fig.) ramp, verlies; (gen.) beroerte; (zeew.) over - zeilen; vogelknip. *-, (wev.) linnen van enkel -, van dubbel -.

[Slagader]

Slagader, v. (-en, -s), (ontl.) polsader. *-BESCHRIJVING, v. (-en). *-BLOED, o. gmv. *-BREUK, v. (-en). -IG, bn. *-BUIS, v. (...zen). *-IG, bn. *-LIJK, bn. tot de slagader behoorende. *-OPENING, v. (-en), (heelk.).

[Slagbal]

Slagbal, m. (-len), kaatsbal. *...BED, o. (-den), bedding voor een af te loopen schip. *...BOEG, m. (-en), (zeew.). -, (fig.) buitenkansje. *...BOOG, m. (...ogen), (zeew.) slag, gang. *...BOOM, m. (-en), horizontaal liggend hout om eenen doorgang af te sluiten; (fig.) beletsel. *...BOSCH, o. (...sschen), bosch welks boomen geveld moeten of kunnen worden. *...DEUR, v. (-en), kleine deur in eene grootere, valdeurtje; deur die in tweeën opengaat. *...DREMPEL, m. (-s), sluis-, verlaatdeur. *...DUIF, v. (...ven), duif die tot eene duiventil behoort.

[Slagel]

Slagel, m. (-s), groote houten moker.

[Slagen]

Slagen, ow. gel. (ik slaagde, heb of ben geslaagd), geluk met iets hebben, zijnen wensch vervuld zien; - in iets; - met iem.; ik ben met hem geslaagd, dit is mij met hem gelukt; ik heb den regten persoon in hem gevonden.

[Slager]

Slager, m. (-s), vleeschhouwer, vleeschverkooper. *-IJ, v. (-en), vleeschhouwerswinkel; slagterij.

[Slagersbank]

Slagersbank, v. (-en). *...BIJL, v. (-en). *...HOND, m. (-en). *...KNECHT, m. (-s, -en). *...MES, o. (-sen). *...PRIEM, m. (-en). *...STAAL, o. gmv. *...VROUW, v. (-en). *...WINKEL, m. (-s). *...ZOON, m. (...onen).

[Slaghorologie]

Slaghorologie, v. (...ën), horologie dat slaat, - repeteert. *...HOUT, o. (-en), hout waarmede men (op iets) slaat of klopt. *...KOOI, v. (-jen, B. -en), vogelknip. *...LANTAREN, v. (-s), lantaren aan den mast (bij eenen zeeslag). *...LIJN, v. (-en), (timm.) met krijt bestreken koord dat, losgelaten zijnde, eene streep laat; (zeew.) zek. touw. *...NET, o. (-ten), knipnet. *...ORDE, v. (-n), (oorl.) rangschikking van troepen of schepen (bij eenen slag); in - scharen, stellen. *...PEN, v. (-nen), groote veder of pen van eenen vogel. *...PLAAT, v. (...aten). *...REGEN, m. (-s), harde regen.

[Slagt]

Slagt, v. het slagten; aan de - zijn, voorraad (worst, spek enz.) opdoen.

[Slagtand]

Slagtand, m. (-en), groote voortand (van vele dieren).

[Slagtbaar]

Slagtbaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), geschikt om geslagt te worden. *...BANK, v. (-en), slagersbank; (fig.) moord, slagting. *...BEEST, o. (-en), beest bestemd of geschikt om geslagt te worden (tot voedsel). *...BIJL, v. (-en), slagersbijl. *...BRIEFJE, (B. -N), o. (s), verlofbriefje om te slagten.

[Slagten]

Slagten, (B. SLACHTEN), bw. gel. (ik slagtte, heb geslagt), ombrengen, dooden, (inz. tot spijziging). *...ING, v. (-en), het slagten; (fig.) moord, bloedbad.

[Slagter]

Slagter, m. (-s), slager, vleeschhouwer.

[Slagtgeld]

Slagtgeld, o. (-en). *...HUIS, o. (...zen). *...LOON, o. (-en). *...MAAND,

[p. 1206]

v. November. *...MES, o. (-sen), slagersmes; (fig.) moorddolk. *...OFFER, o. (-s), offer dat (oudt.) ter eere der goden op een altaar werd geslagt; (fig.) offer, dulder, lijder, lijderes; die of wat opgeofferd is. -ANDE, v. (-n), bloedig offer. *...PLAATS, v. (-en). *...TIJD, m. (-en), tijd waarin men gewoonlijk slagt (vee, inz. varkens); Novembermaand. *...VEE, o. gmv. *...VLIJM, o. en v. (-en), slagerspriem.

[Slaguurwerk]

Slaguurwerk, o. (-en). *...VAARDIG, bn. bereid -, gereed tot den veldslag. *...VEDER, v. (-en, -s), slagpen. *...VELD, o. (-en), plaats waar een slag of gevecht geleverd wordt of is, (ook fig.). *...VERBAND, o. plaats aan boord van een oorlogsschip waar de gekwetsten verbonden worden. *...WERK, o. (-en), (horol.). *...WIND, m. (-en), (zeew.) schrale -, onbestendige wind, valwind. *...ZIJDE, v. (-n), (zeew.) zwakke zijde van een schip (waarnaar het overhelt). *...ZWAARD, o. (-en), groot krijgszwaard.

[Slak]

Slak, v. (-ken), soort worm; (ook) schelpdier.

[Slaken]

Slaken, bw. gel. (ik slaakte, heb geslaakt), (dicht.) loslaten; ontbinden; iemands boeijen -; (fig.) zuchten -. *...KING, v. gmv. het slaken, losmaking.

[Slakgaten]

Slakgaten, o. mv. *...HOORN, m. (-s), soort schelpdier.

[Slakkegang]

Slakkegang, m. (-en), kronkelende loop; (fig.) den - gaan, langzaam voortkruipen. *...HUISJE, (B. -N), o. (-s), horentje eener slak. *...KLAVER, *...DRIEBLAD, v. gmv. soort gewas.

[Slakkenmelk]

Slakkenmelk, v. gmv. soort kruid. *...STEEN, m. (-en), steen dien men in den kop van slakken vindt; (ook) soort marmer. *...VORMIG, SLAKVORMIG, bn. en bijw. van -, als eene slak; (bouwk.) spiraalvormig.

[Slalepel]

Slalepel, m. (-s), lepel voor de salade.

[Slampampen]

Slampampen, ow. gel. (ik slampampte, heb geslampampt), brassen, zwieren. *...ER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...ERIJ, v. (-en), brasserij.

[Slang]

Slang, v. (-en), zek. kruipend (vaak vergiftig) dier; (fig.) boos wijf; serpent; knagend geweten; doet gij dit, dan haalt gij u een - in uwen boezem (dan zal het u altoos berouwen). *-, lange lederen buis eener brandspuit; soort vuurwerk; distilleerbuis; zek. sterrebeeld. *-ACHTIG, bn. en bijw. van -, als eene slang. *-BRANDSPUIT, v. (-en), brandspuit met eene slang.

[Slangebalg]

Slangebalg, v. gmv. slangenvet. *...BEET, m. (...eten). *...BOOM, m. (-en), (plant.) serpentaria. *...GIF(T), o. (-en), venijn eener slang. *...HAAR, o. (...aren). *...HOOFD, o. (-en), hoofd eener slang; (ook) zek. gewas. *...HUID, v. (-en). *...KOP, m. (-pen). *...KROMTE, *...KROMME, v. (-n), (meetk.) zek. krommelijn. *...KRUID, o. (-en), (plant.). *...LIJN, v. (-en), slingerende lijn. *...MOND, m., *...MUIL, m. (-en). *...MOS, o. (-sen).

[Slangenaanbidder]

Slangenaanbidder, m. (-s). *...AANBIDDING, v. gmv. *...AARD, m. gmv. geslacht der slangen; (fig.) boos -, kwaadaardig karakter. *...BESCHRIJVER, m. (-s). *...BESCHRIJVING, v. (-en), (nat.). *...BROEDSEL, o. (-s). *...DRAGER, m. (-s), zek. sterrebeeld. *...EI, o. (-jeren). *...ETERS, m. mv. die zich met slangenvleesch voeden. *...GEBLAAS, *...GESIS, o. gmv. *...GEBROED, o. gmv. *...HOK, o. (-ken). *...HUID, v. (-en). *...HOUT, o. (-en), hout dat men tegen den beet der slangen

[p. 1207]

nuttig acht. *...KRUID, o. (-en). *...NEST, o. (-en). *...OOG, o. (-en), oog eener slang; (ook) zek. steen. *...PAPIER, o. *...VORMIG, bn.

[Slangepoeder]

Slangepoeder, *...POEIJER, o. (-s), middel tegen den slangenbeet. *...PRUIK, v. (-en), haar eener slang. *...SPUIT, v. (-en), slangbrandspuit. *...STAART, m. (-en). *...STEEK, m. (...eken). *...STEEN, m. (-en), steen uit het ligchaam der slangen. *...STOK, *...STAF, m. (fab.) Mercuriusstaf. *...TAND, m. (-en). *...TJE, (B. -N), jonge slang, adder; (vuurw.) voetzoeker. *...TONG, v. (-en), (fig.) lasteraarster; zek. kruid; soort delfstof. *...VEL, o. (-len), (ook fig.) boos -, kwaadsprekend wijf. *...VET, o. gmv. (ook) zek. zalf. *...VISCH, m. (...sschen). *...WORTEL, m. (-s), zek. plant. *...ZAAD, o. (...aden), zek. kruid. *...ZUIL, v. (-en), zuil die slangswijze zich verheft.

[Slanghagedis]

Slanghagedis, v. (-sen). *...STUK, o. (-ken), soort geschut.

[Slangswijze]

Slangswijze, bijw. als eene slang, slangvormig.

[Slangvisch]

Slangvisch, m. (...sschen), soort zeeslang, lipvisch. *...VORMIG, bn. en bijw. in de gedaante eener slang, gekronkeld.

[Slank]

Slank, bn. (-er, -st), rijzig, lang. *-HEID, v. gmv. rijzige gestalte.

[Slaolie]

Slaolie, v. gmv. boomolie, olijfolie.

[Slap]

Slap, bn. en bijw. (-per, -st), loshangend, (tegenst. van stijf); buigzaam; - (week) leder; (fig.) ik ben zoo - (zwak) als een vaatdoek; mager, flaauw; -pe (niet krachtige) soep; -pe (niet sterke) thee; (zeew.) een -pe (flaauwe) wind; (fig.) de beurs was -, de koersen waren laag; de handen - laten hangen, den moed verliezen; zich - lagchen, schateren van lagchen. *-ACHTIG, bn., *-JES, (B. *-JENS), bijw. eenigzins slap; (fig.) flaauw; - aan, langzaam; zwakjes.

[Slapeloos]

Slapeloos, bn. en bijw. (...zer, -st), zonder slaap, van slaap beroofd. *-HEID, v. gmv.

[Slapen]

Slapen, ow. ong. (ik sliep, heb geslapen), in slaap zijn; gaan -, zich te bed -, ter ruste begeven; (spr.) een gat in den dag -, langer slapen dan men behoort te doen; bij iem. -, iemands bedgenoot zijn; (ook) in iemands huis den nacht doorbrengen; bij eene vrouw -, haar bekennen; onder den blooten hemel, op straat -, geen onderkomen hebben; over iets -, den nacht laten voorbijgaan alvorens een besluit te nemen. *-, verdooven (van ledematen), mijn voet slaapt; zich dom -, zoo veel slapen dat eindelijk de geest verstompt. *-, o. gmv. de slaap; het in-, uitslapen. *-D, bn. in slapenden toestand. *...PER, m. (-s), die slaapt; (fig.) domoor, droomer; soort balk; -s houden, nachtverblijf geven. *...PERDIJK, m. (-en), soort waterkeering. *...PERIG, bn. en bijw. (-er, -st), vol slaap, geneigd tot slapen; (fig.) dommelig, droomend, traag; een - (vervelend) mensch. -HEID, v. gmv. lust tot slapen; (fig.) droomerigheid, traagheid.

[Slaphartig]

Slaphartig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. beschroomd, bevreesd, angstig. *-HEID, v. gmv. angst, beschroomdheid.

[Slapheid]

Slapheid, v. gmv. buigzaamheid; (fig.) krachteloosheid, flaauwheid, slapte. *...JES, bijw. zie SLAP.

[Slaplant]

Slaplant, v. (-en), saladeplant.

[Slaplenden]

Slaplenden, m. en v. die slappe lenden of leden heeft. *...MOE-

[p. 1208]

DIG, bn. en bijw. (-er, -st), bloohartig, -lijk. *...OOR, m. en v. (-en), die slappe ooren heeft. -IG, bn. met slappe ooren.

[Slappelijk]

Slappelijk, bijw. eenigzins slap, flaauw, langzaam.

[Slappen]

Slappen, ow. gel. zie VERSLAPPEN.

[Slapperment!]

Slapperment! tw. drommels!

[Slapping]

Slapping, v. het verslappen, het slapper worden; (zeew.) oud touwwerk dienende tot bekleeding van kabels.

[Slapte]

Slapte, v. slapheid; (kooph.) de - der beurs, der koersen.

[Slaschotel]

Slaschotel, m. (-s), saladeschotel. *...STRONK, m. (-en). *...TUIN, m. (-en). -TJE, (B. -N), o. (-s).

[Slat]

Slat, *-TING, v. modder, slijk.

[Slaven]

Slaven, ow. gel. (ik slaafde, heb geslaafd), hard en aanhoudend werken, beulen. *-, m. mv. naam van den europeschen volksstam van het zuiden van Rusland tot den Donau en de Adriatische zee. *-AARD, m. gmv. slaafschheid. *-ARBEID, m. gmv. harde arbeid. *-DIENST, v. (-en), slavernij. *-HALER, m. (-s), schip tot het vervoer van slaven (negers) gebezigd; eigenaar -, gezagvoerder van zulk een schip. *-HANDEL, m. (-s). -AAR, m. (-s, ...aren). *-HOUDER, m. (-s), bezitter van slaven. *-HUIS, o. (...zen), verblijf der slaven; (fig.) land waarin men slaaf was; slavernij. *-KELDER, *-KERKER, m. (-s), kerker voor slaven. *-KETEN, v. (-s, -en). *-MAGT, v. (-en), zek. aantal slaven van één eigenaar of tot ééne plantaadje behoorende. *-MARKT, v. (-en), plaats waar vrijen als slaven worden verkocht, (ook) waar slaven te koop worden aangeboden. *-STAAT, m. (...aten), staat in Noord-Amerika waar de slavernij nog bestaat. *-STAND, in. gmv. slavernij; dienstbaarheid. *-WERK, o. gmv. zeer zware arbeid.

[Slavernij]

Slavernij, v. gmv. dienstbaarheid; ondragelijke tucht; afschaffers der -, abolitionisten (in Engeland en Noord-Amerika).

[Slavin]

Slavin, v. (-nen), lijfeigene (door geboorte, verovering of aankoop), meisje dat -, vrouw die in harde dienstbaarheid verkeert.

[Slavonisch]

Slavonisch, bn. tot den volksstam der Slaven behoorende.

[Slavork]

Slavork, v. (-en), saladevork. *...WINKEL, m. (-s). *...ZAAD, o. (...aden).

[Slecht]

Slecht, bn. en bijw. (-er, -st), kwaad, erg, boos, laag; verdorven; van laag allooi (goud of zilver); onvoldoende, ondeugdelijk; - (onstuimig) weder; een - (zwak) gezigt; ik heb een -en (niet scherpen) reuk; -e (stompe, versleten) tanden; het staat - (onvoor-deelig) met zijne zaken; hij ziet er - (ziekelijk, mager) uit; hij ligt - (op sterven); (zeew.) glad, effen (van water); (oudt.) een - (eenvoudig) burger; een -e (versleten) rok; het -e, slechtheid; de -en, de boozen, de verdorvenen. *-ELIJK, bijw. eenigzins slecht; (ook) eenvoudig. *-EN, bw. gel. (ik slechtte, heb geslecht), afbreken, met den grond gelijk maken, amoveren, sloopen. *-HEID, v. (...heden), onwaarde, verdorvenheid, boosheid; (oudt.) eenvoudigheid. *-HOOFD, m. (-en), koppig -, verdorven mensch; (ook) dwarskop. *-IGHEID, v. (...heden), slechtheid. *-ING, v. het slechten, het afbreken, amotie. *-JE, (B. -N), o. (-s), tusschenpoozing tusschen zee en wind.

[p. 1209]

[Slechts]

Slechts, bijw. alleen, -lijk; niet meer dan; niet anders dan.

[Slede]

Slede, v. (-n), SLEÊ, voertuig zonder wielen; werktuig tot afladen (van vaten enz.). *-MENNER, m. (-s), voerman. *-VAART, v. (-en), pleiziertogt van een aantal sleden achter elkander, (inz. over de sneeuw).

[Slee]

Slee, v. (-ën), wilde pruim. *-, bn. zuur; stomp. *-BOOM, m. (-en), boom waaraan sleeën groeijen. *-DOORN, m. (-en), sleeboom.

[Sleedje]

Sleedje, (B. *-N), o. (-s), kleine slede; - rijden, in eene ijsslede rijden.

[Sleef]

Sleef, v. (sleven), groote lepel.

[Sleeg]

Sleeg, v. (slegen), groote houten moker.

[Sleeheid]

Sleeheid, v. gmv. zuurheid; stompheid (der tanden).

[Sleep]

Sleep, m. al wat sleept; de - van een vrouwenkleed; den - achterna dragen; (fig.) reeks, gevolg; welk een - van rampen, wat veel rampen achtereen; stoet, menigte; een - van hovelingen. *-BOOT, v. (-en), stoomboot die vaartuigen in- en uitboegseert. *-DEKEN, m. en v. (-s), luiaard, vadzig mensch. *-DRAGER, m. (-s). *-DRAAGSTER, v. (-s). *-HELLING, v. (-en), helling waar de schepen worden opgesleept tot herstelling. *-JAPON, m. (-nen), *-KLEED, o. (-eren), kleed dat eenen sleep heeft. *-KOETSJE, (B. -N), o. (-s), toeslede (te Amsterdam). *-LENDEN, m. en v. lui mensch. *-LOON, o. (-en). *-NET, o. (-ten), soort visch- of vogelnet. *-TOUW, o. (-en), (zeew.) touw waaraan een schip een ander (inz. grooter geladen) schip voortsleept; op - nemen, (ook fig.) iem. door gedurig uitstellen misleiden. *-TROS, m. (-sen), sleep-, boegseertouw. *-VOET, m. en v. (-en), iem. die zijne voeten altijd voortsleept, die schuivende loopt. *-VOETEN, ow. gel. (ik sleepvoette, heb gesleepvoet), met de voeten slepen. *-ZAK, m. (-ken), soort sleepnet.

[Sleet]

Sleet, v. gmv. het slijten, verslijten; vertier; verkoop in het klein; daar is veel -, in dien winkel wordt veel verkocht; er is breuk noch - aan, het is geheel nieuw. *-, afgedankt schip. *-SCH, bn. (-er, meest -), ligt -, spoedig verslijtend, slordig (op kleêren); (zeew.) versleten, wrak. *-HEID, v. gmv. eigenschap -, gebrek van sleetsch te zijn; slordigheid op kleêren.

[Sleeuw]

Sleeuw, bn. zuur, wrang; eggig; hoekig, stomp (van tanden). *-IG, bn. (-er, -st). *-HEID, v. gmv. zuurheid; hoekigheid (der tanden).

[Slegge]

Slegge, v. (-n), SLEI, v. (-jen, B. -en), groote houten moker.

[Slek]

Slek, v. (-ken), slak, zek. worm. Zie verder SLAK.

[Slem]

Slem, bijw. al de slagen (in het whistspel); - maken.

[Slemp]

Slemp, m. gmv. smulpartij, brasserij; zek. drank. *-DAG, m. (-en), (r.k.) dag waarop men vleesch mag eten, vleeschdag; vrolijke dag. *-EMPEN, *-EN, ow. gel. (ik slempempte of slempte, heb geslempempt of geslempt), brassen, smullen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), brasser, smuller, smulster. *-ERIJ, v. (-en), brasserij, smullerij, zwelgerij. *-HOUT, o. (-en), (zeew.). *-LOOPER, m., *-LOOPSTER, v. (-s), pannelikker, tafelschuimer, -ster. *-MAAL, o. (...alen). *-PARTIJ, v. (-en), brasserij, smulpartij. *-TIJD, m. (-en), (r.k.) tijd vóór de vasten, vleeschdagen.

[p. 1210]

[† Slendangs]

Slendangs, v. zek. geweven stof.

[Slender]

Slender, m. gmv. gewone -, oude -, trage gang; den ouden - volgen, aan den ouden - hangen; slenter, uitvlugt, list. *-EN, ow. gel. (ik slenderde, heb geslenderd), langzaam en traag gaan, sleuren.

[† Sleng]

Sleng, v. (-en), vaartuig op de kust van Coromandel.

[Slenk]

Slenk, v. (-en), poel, moddergoot. *-EN, ow. gel. slinken.

[Slensen]

Slensen, ow. gel. (ik slenste, heb geslenst), verwelken.

[Slenter]

Slenter, m. (-s), lap, vod; (fig.) looze trek, streek; met -s omgaan, met bedrog te werk gaan. *-EN, ow. gel. zie SLENDEREN.

[Slepen]

Slepen, bw. ow. gel. (ik sleepte, heb gesleept), over den grond (iets of iem.) voorttrekken; (ook) zich aldus voortbewegen; (muz.) aanhouden (eenen toon). *-D, bn. (fig.) langzaam, traag voorgaande; eene zaak -e houden, ze niet doen vooruitkomen; eene -e (kwijnende) koorts; eene -e (trage) stem; de -e (trage) uren.

[Sleper]

Sleper, m. (-s), die sleept; voerman bij eene toe- of vrachtslede. *-SFOOI, v. (-jen, B. -en). *-SGELD, *-SLOON, o. (-en). *-GILD, o. (-en), al de slepers te zamen. *-PAARD, o. (-en), oud -, afgereden paard. *-SSTAL, m. (-len).

[Sleping]

Sleping, v. gmv. het slepen; (muz.) aangehouden noot; (ook) loopje.

[Slet]

Slet, v. (-ten), vod, lap; (fig.) laag -, ontuchtig vrouwspersoon.

[Slete]

Slete, v. zie SLEET. *-R, m. (-s), lap.

[Sletvink]

Sletvink, m. (-en), zot, ingebeelde dwaas.

[Sleuf]

Sleuf, v. (...ven), (bouwk.) groeve, uitholing.

[Sleur]

Sleur, v. gmv. slender; de oude -, gewoonte. *-EN, bw. gel. (ik sleurde, heb gesleurd), slepen (langs den grond); slenderen. *-GEBED, o. (-en), geprevel. *-GODSDIENST, v. eeredienst uit gewoonte (zonder gevoel of aandacht). *-WERK, o. (-en), werk der gewoonte, - van de sleur, (zonder genie of nieuwe vinding).

[Sleutel]

Sleutel, m. (-s), werktuig om iets te sluiten of te openen; den - omdraaijen (in het slot); (fig.) den - op de kist leggen, eene nalatenschap afwijzen; (r.k.) de -s van St.-Petrus (van den paus, van den hemel); de - eener viool, (aan de snaren); (ook) teeken van het instrument op het muziekblad; den gouden - (dien van kamerheer) dragen. *-, (fig.) middel om iets te ontcijferen; den - tot iets (de oplossing van iets) weten te vinden; de spraakkunst is de - aller wetenschappen, door haar leert men al de wetenschappen; de voornaamste toegang, deze vesting is de - des lands; (zeew.) de - van het tuig, boegspriet. *-ADER, v. (-s), (ontl.). *-BAARD, m. (-en), (smed.) onderdeel van den sleutel. *-BEEN, o. (-deren), (ontl.) schouderbeen. *-BEENBREUK, v. (-en), (heelk.). *-BEENSPIER, v. (-en), (ontl.). *-BLOEM, v. (-en), zek. voorjaarsbloem. *-BOS, m. (-sen), vele sleutels te zamen aan eenen ring hangende. *-DRAGER, m. (-s), die sleutels in zijne bewaring heeft; (fig.) kamerheer aan een hof. *-GAT, o. (-en), gat in een slot (tot het insteken van den sleutel). *-REEKS, v. (-en), sleutelbos. *-RIEM, *-RING, m. (-en), riem of ring waaraan sleutels hangen. *-VORMIG, bn. (wap.).

[Slib]

Slib, *-BE, *-BER, v. gmv. modder, achtergebleven slijk; slib vangen, zijn doel niet bereiken, in zijn oogmerk niet slagen. *-BER-

[p. 1211]

ACHTIG, bn. (-er, -st). -HEID, v. gmv. *-BEREN, ow. gel. (ik slibberde, heb geslibberd), uitglijden. *-BERIG, bn. glibberig, glad (op een natten grond).

[Slier]

Slier, m. gmv. tik van dronkenschap; eenen - aan hebben, te veel gedronken hebben. *-ASPERSIE, v. (-s), soort lange aspersie. *-BAAN, v. (...anen), glijdbaan. *-EN, bw. ow. gel. (ik slierde, heb geslierd), slingeren, zwaaijen; gieren; sullen. *-PLANT, v. (-en), slingerplant.

[Slij]

Slij, v. (-en), zeelt, (visch). *-, grooten houte hamer.

[Slijk]

Slijk, o. gmv. modder, slib; (fig.) zich in het - wentelen, een verdorven leven leiden; goud is het - der aarde, goud is nietig, - heeft geen waarde; iem. in het - trappen, hem vernederen. *-ACHTIG, *-ERIG, bn. (er, -st). *-DORP, o. (-en), dorp met zeer slijkerige wegen in den winter. *-KUIL, m. (-en). *-PUT, m. (-ten). *-LAND, o. (-en), land vol moeras; (ook) veengrond. *-SCHELP, *-SCHULP, v. (-en), schelp die men in het slijk vindt. *-SLAK, v. (-ken). *-SPAT, m. (-ten), (tegen een kleed enz.). *-SPOOR, v. (...oren), spoor aan het schoeisel vastgehecht om over het slijk te komen.

[Slijm]

Slijm, o. (B.v. en o.) gmv. taaije -, kleverige zelfstandigheid uit de keel gekomen en die men uitspuwt; speeksel eener slang. *-ACHTIG, bn. met slijm behebt; als slijm. -HEID, v. gmv. *-AFDRIJVEND, bn. (gen.). *-BEROERTE, v. (-n), (gen.) *-ERIG, bn. slijmachtig. *-GAST, m. (-en), onverschillige, die geen partij kiest. *-GAT, o. (-en), (ontl.). *-GEZWEL, o. (-len). *-GRAVEEL, o. gmv. *-IG, bn. (-er, -st), met -, als slijm; vettig, dik. *-KLIER, v. (-en), (ontl.). *-KOORTS, v. (-en), (gen.). *-KWAAL, v. (...alen), (gen.). *-POT, m. (-ten), pot waarin men het slijm uitspuwt. -, m. en v. iem. die gedurig slijm opgeeft. *-OPLOSSEND, bn. (gen.) een - middel. *-PROP, m. (-pen), vast stuk slijm. *-VERDRIJVEND, bn. (gen.) een - middel. *-VISCH, m. (...sschen). *-VLIES, o. (...zen), (ontl.). *-ZIEKTE, v. (-n), *-ZUCHT, v. gmv. slijmkwaal. *-ZUURZOUT, o. gmv. (scheik.).

[Slijp]

Slijp, o. gmv. schuurzand. *-BORD, o. (-en), slijpplank. *-EN, bw. ong. (ik sleep, heb geslepen), wetten, scherp maken, aanzetten; kunstig bewerken; polijsten (glas); bewerken (diamant); (fig.) de straat -, gedurig op straat loopen; het verstand, den geest - (scherpen); hij is zeer geslepen (zeer slim). *-ER, m., *-STER, v. (-s), die slijpt. *-GELD, o. (-en). *-HAAK, m. (...aken), (werkt.). *-ING, v. gmv. het slijpen. *-PLANK, v. (-en), plank waarop men messen slijpt. *-POEDER, *-POEIJER, o. slijpsel van diamant dat tot het slijpen van andere edelgesteenten noodig is. *-SEL, o. gmv. wat door het slijpen afvalt, slijppoeder. *-STAAL, o. gmv. staal waarmede of waarop men (iets) slijpt, (inz. bij slagers). *-STEEN, m. (-en), ruwe steen waarop men (iets) slijpt, wetsteen.

[Slijtaadje]

Slijtaadje, v. gmv. het slijten, verslijten (van kleêren); verkoop in het klein. *...ACHTIG, bn. (-er, -st), veel -, ligt verslijtend.

[Slijten]

Slijten, bw. ow. ong. (ik sleet, heb of ben gesleten), door het gebruik kaal worden of doen worden (van kleêren), afnemen; verslijten, afslijten; door gebruik in kracht of in waarde verminderen;

[p. 1212]

(fig.) verminderen, afnemen; in het klein verkoopen; zijn leven - (doorbrengen) met of bij (iem.). *...ER, m., *...STER, v. (-s) die slijt; verkooper -, verkoopster in het klein. *...ERIJ, v. (-en), winkel -, handel in het klein, (inz. van sterke dranken). *...ERSWINKEL, m. (-s). *...ING, v. gmv. het slijten, het verslijten; (ook) slijterij.

[Slik]

Slik, o. gmv. slijk. *-, v. het slikken. *-ARTSENIJ, v. (-en). *-BROK, o. (-ken), een groot stuk om te slikken; (gen.) groote pil. *-KEN, bw. gel. (ik slikte, heb geslikt), zich zelven door de keel (iets) inbrengen; veel eten; (fig.) verkroppen, verduren; dit is eene harde pil om te -, een groot verdriet om te doorstaan. *-KER, m., *-STER, v. (-s), die slikt; veelvraat. *-KING, v. gmv. het slikken. *-MIDDEL, o. (-en). *-POT, m. (-ten), zek. artsenij. *-OP, m. en v. (-pen), slokop, veelvraat.

[Slim]

Slim, bn. en bijw. (-mer, -st), krom, scheef (w.g.); -me (kromme) beenen; kwaad, boos; het -me (erge, kwade) van de zaak is, dat...; loos, listig, -lijk; hij is een -me kerel; dat is - bedacht. *-BEEN, m. en v. (-en), die kromme beenen heeft. *-HALS, m. en v. (...zen), die een scheven nek of hals heeft. *-HEID, v. (...eden), list, doortraptheid, sluwheid. *-MERING, v. (zeew.) vermindering, verachtering van geladen goed. § *-MIGHEID, v. slimheid. *-VOET, m. en v. (-en), die kromme voeten heeft of er mede loopt.

[Slindachtig]

Slindachtig, bn. (-er, -st), verkwistend, kwistig.

[Slinden]

Slinden, bw. zie VERSLINDEN en SLINKEN.

[Slindkolk]

Slindkolk, m. (-en), draaikolk, poel, (ook fig.). *...PENNING, m. (-en), geld om te verkwisten. -, m. en v. verkwister, verkwistster.

[Slinger]

Slinger, m. (-s), het slingeren, slingering; (oudt.) riem met een zakje van onderen om er eenen steen in te doen en dien dan op behendige wijze weg te slingeren, zek. wapentuig; metalen draad met eene zwaarte van onderen (in uurwerken); pendule; windsel, doek; zijnen arm in eenen - dragen; (fig.) eenen - om den arm houden, zich een geheim middel voorbehouden. *-, zwengel (eener pomp). *-AAP, m. (...apen), soort groote aap. *-AAR, m. (-s, ...aren), (oudt.) die den slinger wist te hanteren (in de legers). *-BEEN, m. en v. (-en), die met de beenen slingert onder het loopen. *-BOOM, m. (-en), soort boom. *-BOSCH, o. (...sschen), bosch met slingerlanen, doolhof. *-EN, bw. ow. gel. (ik slingerde, heb geslingerd), onder het bewegen eene kromme lijn beschrijven; (fig.) door vrees en hoop geslingerd worden, beurtelings vreezen en hopen; ronddwalen, verstrooid raken; zijn goed, zijne boeken laten - (niet op eene vaste plaats bewaren). -, bw. smijten, slaan; de golven slingerden het schip tegen de rots. *-END, bn. *-ING, v. (-en), het slingeren; beweging van eene pendule; (fig.) onzekerheid (tusschen hoop en vrees). *-LAAN, v. (...anen). *-LEÊR, *-LEDER, o. gmv. riem van eenen slinger. *-OOREN, o. mv. lange -, nederhangende ooren. *-PAD, o. (-en). *-PLANK, v. (-en), soort plank. *-PLANT, v. (-en), het klimop is eene -. *-RIEM, m. (-en). *-ROOS, v. (...ozen), soort eglantier. *-SLAG, m. (-en), slingering; wijze waarop touw aan iets is vastgemaakt; (zeew.) hooge zeeslag; (fig.) list, ik ben er met een - achter ge-

[p. 1213]

komen, ik heb het door list ontdekt. *-STAART, m. (-en), lange staart; ook zek. gewas. *-STEEN, m. (-en), steen die uit den slinger geworpen wordt. *-STOK, m. (-ken), werpstok. *-TAKKEN, m. mv. (bouwk.) sieraad aan korinthische zuilen. *-UURWERK, o. (-en), uurwerk dat door eenen slinger wordt bewogen, pendule. *-VERBAND, o. (-en), (heelk.). *-VOET, m. en v. (-en), slingerbeen. *-VUISTEN, ow. gel. (ik slingervuistte, heb geslingervuist), met de vuisten slingeren, vechten.

[Slink]

Slink, *-EN, ow. ong. (ik slonk, heb of ben geslonken), inzakken (van zwellingen); de kuil begint te -; de voorraad begint te - (verminderen). *-ER, bn. linker. *-ING, v. vermindering der zwelling; het opraken van den voorraad. *-SCH, bn. en bijw. (-er, meest -), -ELIJK, bijw. linsch, loos, slecht, ondeugend, verraderlijk. *-SCHHEID, v. (...eden), ondeugend -, verraderlijk gedrag, loosheid.

[Slip]

Slip, v. (-pen), hoek, uiteinde; pand (van een kleed); de - (punt) van eenen das; de -pen van een lijkkleed. *-DRAGER, m. (-s), die bij eene zeer plegtige begrafenis eene der slippen van het lijkkleed draagt. *-PEN, ow. gel. (ik slipte, ben geslipt), weg-, doorglijden, glippen, ontglippen; iets laten -, iets opgeven, van iets afkomen. *-PER, m. (-s), glipper; eenen - maken, zich stil uit een gezelschap verwijderen. *-PEREN, ow. gel. (ik slipperde, ben geslipperd), zich wegmaken. *-STEEK, m. (...eken), schuifknoop, open strik (om een voorwerp onder water te vatten). *-TOUW, o. (-en). -TJE, (B. -N), o. (-s), (zeew.) dun touw.

[Slissen]

Slissen, bw. gel. (ik sliste, heb geslist), blusschen, (inz. fig.) lesschen; beslechten. *...SING, v. (-en), het slissen; (fig.) beslechting.

[Slobbe]

Slobbe, v. (-n), vaatdoek; meid -, vrouw die het morsigste werk verrigt; noodhulp. *-TJE, (B. -N), o. (-s), slobbe. *-RDOOS, m. en v. (...zen), vuilak, morser, morsebel. *-REN, bw. ow. gel. (ik slobberde, heb geslobberd), drinken of (soep) eten op hoorbare wijze (als de dieren), opslobberen, opslurpen; (fig.) knoeijen, slordig werken. *-RING, v. (-en), het slobberen; zek. veevoeder.

[Slobbig]

Slobbig, bn. en bijw. (-er, -st), morsig, morsiglijk.

[Slodder]

Slodder, m. zeer morsig mensch. *-ACHTIG, *-IG, bn. en bijw. morsig, slordig. *-BROEK, v. (-en), loshangende -, al te wijde broek. *-EN, ow. gel. flodderen. *-IGHEID, v. gmv. morsigheid, slonsigheid. *-JURK, v. (-en), *-KLEED, o. (-eren), flodderend -, al te wijd kleed. *-KOUS, v. (-en), al te wijde kous; (fig.) slordig -, slonsig meisje. *-VOS, m. (-sen), zeer morsig mensch.

[Sloeischoor]

Sloeischoor, m. (-en), (zeew.) zek. houtwerk.

[Sloep]

Sloep, v. (-en), soort roeivaartuig, groote boot; (ook) oorlogsvaartuig. *-MEESTER, m. (-s), (zeew.). *-RIEM, m. (-en). *-ROEIJER, (B. ...IER), m. (-s). *-SVLAG, v. (-gen). *-TOUW, o. (-en).

[Sloeren]

Sloeren, bw. gel. (ik sloerde, heb gesloerd), (zeew.) meten, opnemen (een vaartuig); (fig.) het moet zoo wat heen -, het moet maar gaan zoo goed als het kan.

[Sloerie]

Sloerie, v. (...ën), lang -, haveloos vrouwspersoon.

[Sloester]

Sloester, m. (-s), groene dop (eener noot). *-EN, bw. gel. (ik sloesterde, heb gesloesterd), ontbolsteren (noten); snoepen.

[Slof]

Slof, v. gmv. slordigheid; het sloffen. *-, v. (-fen), versleten

[p. 1214]

muil, pantoffel; (fig.) op -fen loopen, aan den bedelstaf zijn. *-, (zeew.) zek. houtwerk. *-, m. en v. slordig -, vuil mensch. *-, bn. en bijw. (-fer, -st), *-FELIJK, bijw. nalatig, slordig, achteloos. *-FEN, ow. gel. (ik slofte, heb gesloft), op sloffen loopen; met sleepvoeten loopen; (fig.) nalatig zijn; slof er niet mede, vergeet het niet, wees er niet achteloos op. *-HEID, *-FIGHEID, v. gmv. achteloosheid, slordigheid. *-STUKKEN, o. mv. (zeew.) zek. houtwerk.

[Slok]

Slok, m. (-ken), het slokken, slokking; het slikken; teug (van wijn, sterken drank enz.), borrel; (spr.) daar kan een - op staan, dit is wel waard dat men er een glaasje jenever op drinkt. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), gulzig. -HEID, v. gmv. gulzigheid. *-DARM, m. (-en), (ontl.). -, m. en v. (fig.) gulzigaard, vraat. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine slok (inz. van sterke dranken); borrel, borreltje. *-KEN, bw. gel. *-KER, m. (-s), die slokt of slikt; (fig.) veelvraat; tafelschuimer; sul, arme drommel. *-KING, v. gmv. het slokken. *-LUST, m. gmv. vraat-, drinklust. *-OP, m. en v. die veel in eens eet, die groote happen doet; gulzigaard.

[Slommer]

Slommer, m., *-ING, v. beslommering. *-EN, ow. gel. sluimeren.

[Slomp]

Slomp, m. (-en), drom, stapel, menigte. *-, v. slet; rom-, slordig.

[Slonde]

Slonde, v. (-n), keelgat; voorschoot, morsdoek; (fig.) afgrond, kolk.

[Slons]

Slons, v. (-en), morsebel. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), morsig, nalatig, slordig, -lijk. *-EN, ow. gel. opslonsen. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine slons; dievenlantarentje.

[Sloodse]

Sloodse, v. (-n), muil, pantoffel.

[Sloof]

Sloof, v. (sloven), *-JE, (B. -N), o. (-s), voorschoot, boezelaar; (fig.) afgeleefde werkster, sukkel.

[Slooiknieën]

Slooiknieën, v. mv. (zeew.) soort galjoenklampen.

[Sloop]

Sloop, v. (B.v. en o.) (-en), kussenovertreksel; slooping. *-EN, bw. gel. (ik sloopte, heb gesloopt), afbreken, slechten, † amoveren; uit elkander nemen; (fig.) rooven; uitputten. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die sloopt; (fig.) huizen-, kooper van afbraak. *-GRAAG, m. gmv. liefhebber van sloopen, - van afbreken. *-ING, v. gmv. het sloopen.

[Sloor]

Sloor, v. (sloren), slons, sloerie.

[Sloot]

Sloot, v. (-en), gracht, greppel tusschen twee akkers; (fig.) van den wal in de -, van kwaad tot erger, van den regen in den drop. *-EN, bw. gel. (ik slootte, heb gesloot), slooten maken; eenen akker -, er slooten door maken. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine sloot; - springen, over eene sloot springen door middel van eenen polsstok. -, klein slot (b.v. van een halssnoer, van eenen armband).

[Slooven]

Slooven, (B. SLOVEN), ow. gel. (ik sloofde, heb gesloofd), hard en aanhoudend -, voor karig loon werken; zich afslooven.

[Slop]

Slop, o. (-pen), schuilhoek, watersteegje; opening in den vloer van eenen hooizolder. *-KOUS, v. (-en), overtreksel over de kous, gedeeltelijk op den schoen rustende, (inz. bij soldaten).

[Slordig]

Slordig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. nalatig; morsig, vuil; op nalatige wijze. *-HEID, v. gmv. nalatigheid, morsigheid, onordelijkheid.

[p. 1215]

[Sloren]

Sloren, ow. gel. sleuren.

[Slorp]

Slorp, m. gmv. opslurping; slok. *-EN, ow. gel. slurpen. *-DRANK, m. (-en), drank dien men slurpende tot zich neemt. *-EI, o. (-jeren, B. -eren), week gekookt ei. *-ING, v. het slorpen, geslurp.

[Slot]

Slot, o. (-en), toestel (met knippen en tong of veer) tot sluiting (van deuren enz.); sluiting; doe het - op de deur, sluit de deur; iem. achter - (gevangen) zetten; (fig.) gij kunt hem geen - voor (of op) den mond doen (niet dwingen tot zwijgen). *-, deel van een schietgeweer. *-, einde, besluit, het - der zaak is; per of tot - van rekening. *-, kasteel, ridderverblijf, sterkte, citadel. *-, saldo; batig -, bedrag waarmede de inkomsten de uitgaven overtreffen; nadeelig -, bedrag waarmede de uitgaven de inkomsten overtreffen. *-BEWAARDER, m., ...STER, v. (-s), slotheer, -vrouw, slotvoogd, -es. *-BEWIJS, o. (...zen), (red.) syllogismus. *-DICHT, o. (-en), puntdicht.

[Slotemaken]

Slotemaken, o. gmv. het handwerk of ambacht des slotemakers.

[Slotemaker]

Slotemaker, m. (-s), smid (van sloten, klein werk enz.). *-SGEREEDSCHAP, o. *-JONGEN, m. (-s). *-SKNECHT, m. (-s). *-SWERK, o.

[Slotgangen]

Slotgangen, m. mv. (zeew.) boordplanken. *...GAT, o. (-en), sleutelgat; (zeew.) opening om het slothout door te laten. *...GEVOLG, o. (-en), (red.) logische gevolgtrekking. *...HEER, m. (-en). *...HOUT, o. (-en), (zeew.). *...IJZER, o. (-s), (zeew.) vierkante ijzeren bout. *...KNIEËN, v. mv. (zeew.). *...KRAM, m. (-men), kram aan een slot. -METJES, (B. ...NS), o. mv. *...OPSTEKER, m. (-s), iem. die een slot weet open te steken, (ook) haak daartoe dienende. *...OPZIENER, m. (-s), slotvoogd. *...PLAAT, v. (...aten), achterplaat aan een slot. *...POORT, v. (-en), poort van een kasteel. *...REDE, v. (-n), einde eener redevoering. *...REGEL, m. (-s), laatste regel, - vers; (reden.) grondregel. *...RIJM, o. (-en), laatste rijm, rijmwoord aan het einde van den regel. *...ROOS, v. (...ozen), (bouwk.). *...SCHROEF, v. (...ven), schroef aan een slot. *...STEEN, m. (-en), sluitsteen. *...TOREN, m. (-s), toren die tot een slot behoort. *...VAST, bn. van een slot voorzien, door een slot gesloten. *...VERLOREN, m., -E, v. ongebonden -, ordeloos mensch. *...VERS, o. (...zen), laatste vers (regel). *...VONNIS, o. (-sen), eindvonnis, *...VOOGD, m. (-en), -ES, v. (-sen), opzigter van een slot; slotvuur; (oudt.) kastelein. *...VOOGDIJ, v. gmv. -SCHAP, v. gmv. bevelhebberschap over een slot. *...VOOGDIN, v. (-nen). *...VROUW, v. (-en). *...ZANG, m. (-en), eindzang, laatste coupletten van een vers.

[Sluif]

Sluif, v. (...ven), deel eener orgelpijp.

[Sluijer]

Sluijer, (B. SLUIER), m. (-s), doek, bekleedsel (over het hoofd); (r.k.) den - aannemen, non worden, in een klooster gaan; doopsluijer; (fig.) vermomming; voorwendsel; onder den - van den nacht, van het geheim. *-EN, bw. gel. (ik sluijerde, heb gesluijerd), met eenen sluijer bedekken.

[Sluik]

Sluik, bn. (-er, -st), rank, mager, afhangend; plat op het voorhoofd (van het haar). *-, v. gmv. het sluiken, smokkelen; ter -, verholen; ongemerkt. *-EN, bw. ow. ong. (ik slook, heb gesloken), smokkelen; belastingen ontduiken; zich verschuilen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), smokkelaar, -ster. *-ERIJ, v. (-en); smokkelarij;

[p. 1216]

(fig.) list, slinksche wegen. *-HANDEL, m. gmv. smokkelhandel; - drijven. *-HANDELAAR, m. (-s), -STER, v. (-s). *-HEID, v. gmv. het plat neêrhangen (van het hoofdhaar). *-ING, v. (-en), het sluiken. *-S, bijw. ter -, verholen; ongemerkt. *-SPIL, v. (-len), zek. werktuig.

[Sluimen]

Sluimen, ow. gel. zie SLUIMEREN.

[Sluimer]

Sluimer, m. gmv. sluimering. *-AAR, m., -STER, v. (-s), die sluimert. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), geneigd tot sluimeren, - tot dutten. *-EN, ow. gel. (ik sluimerde, heb gesluimerd), zacht -, doch onvast slapen, dutten. *-IG, bn. slaperig, dommelend. *-ING, v. (-en), het sluimeren; dutje.

[Sluip]

Sluip, v. gmv. het sluipen; ter -, verholen. *-DEUR, v. (-en), kleine deur, vestingpoortje; verborgen deur; (fig.) uitvlugt. *-EN, ow. ong. (ik sloop, ben geslopen), onbemerkt -, gluipende voortloopen; op de teenen gaan; in-, uitsluipen. *-ER, m. (-s), die sluipt; indringer; (fig.) veinsaard; een - maken, zich heimelijk (van een bezoek) verwijderen. *-, (timm.) soort kleine spijker. *-HAVEN, v. (-s), (zeew.) vooronder; (ook) vlugthaven; door rotsen en geboomten bedekte haven (waar zeeroovers of sluikers zich schuil houden). *-HOEK, m. (-en), schuilhoek; verborgen plaats van waar men (iets of iem.) beloert. *-HOER, v. (-en), vrouw die in het geheim ontucht pleegt. *-HOL, o. (-en), heimelijk verblijf eens misdadigers; (jag.) verblijf van den haas. *-KEVER, m. (-s), zek. insekt. *-KOORTS, v. (-en), ongestadige -, ongeregeld afloopende koorts. *-MOORD, m. (-en), geheime -, verraderlijke moord. *-MOORDENAAR, m. (-s, ...aren), die eenen sluipmoord pleegt. *-PAD, o. (-en), heimelijk pad. *-STER, v. (-s), zij die sluipt, indringster, geveinsde. *-TRAP, m. (-pen), verborgen trap. *-WEG, m. (-en, heimelijke weg; (ook fig.). *-WIJZE, bijw. verholen, in het geheim.

[Sluis]

Sluis, v. (...zen), waterkeering; (te Amsterdam) steenen brug; kleine -, verlaat; (fig.) (bijb.) God opende de sluizen des hemels. *-BEDDING, v. (-en), sluisvloer. *-DEUR, v. (-en). *-GELD, o. (-en), geld dat men betaalt voor het schutten door of voor het overgaan van eene sluis. *-MOLEN, m. (-s). *-TEREN, bw. gel. (ik sluisterde, heb gesluisterd), snoepen; ontbolsteren. *-POORT, v. (-en). -JE, (B. -N), o. (-s), sas. *-VLOER, m. (-en), gemetselde bodem eener schutsluis. *-VOL, v. gmv. zooveel water eene sluis bevatten kan. *-WACHTER, m. (-s), bewaker eener sluis; die de schutgelden int.

[Sluitband]

Sluitband, m. (-en), buikgordel; band die tot omsluiting (van iets) dient; hoepel. *...BOUT, m. (-en), bout dienende om iets- af -, in - of vast te sluiten. *...DEUR, v. (-en). *...DOOS, v. (...ozen), doos met slot. *...ELIJK, bijw. ten slotte, eindelijk.

[Sluiten]

Sluiten, bw. ow. ong. (ik sloot, heb gesloten), door middel van een slot digtmaken; afsluiten, afzonderen; den toegang versperren; de haven - (blokkeren); die armband sluit niet goed (blijft niet vastzitten); (kooph.) de boeken -, (op het einde van het jaar om eene balans op te maken); eenen brief - (ten einde schrijven en teekenen; digtlakken of ouwelen); de oogen -, (om te slapen); (ook)

[p. 1217]

sterven; (fig.) de oogen voor of over iets -, iets door de vingers zien; de ooren - voor iets, er niet naar willen hooren; iem. den mond -, hem het stilzwijgen opleggen, hem beletten te spreken; zijne hand -, (tot eene vuist). *-, passen, net zitten (van kleedingstukken); zich -, digtgaan (van eene wond, van planten in den avond enz.). *-, overeenkomen, juist zijn; de rekening sluit niet, de boeken - niet; een huwelijk - (aangaan); den vrede - (maken); eenen koop -, iets koopen of verkoopen; eene verbindtenis -, zich tot iets verbinden; (mil.) de gelederen -, digt bij elk. gaan staan; eene vergadering -, hare werkzaamheden voor geëindigd verklaren, haar opheffen. *-, digtgroeijen; heelen (van eene wond); (spr.) dat sluit als eene tang op een varken, dat raakt kant noch wal, is ongerijmd; uwe redenering sluit niet (gaat niet op); daaruit sluit (beter besluit) ik (maak ik op) dat.... *...ER, m., *...STER, v. (-s), die sluit.

[Sluitgat]

Sluitgat, o. (-en), (timm.) gat waar een bout of eene pin in moet. *...GELD, o. (-en), geld voor het sluiten (van iets). *...HAAK, m. (...aken), haak aan een slot of eene klink. *...HEK, o. (-ken), hek dat dient om te sluiten, hek dat een slot heeft. *...HENGSEL, o. (-s), hengsel aan deuren. *...HOUT, o. (-en), (zeew.) zek. houtwerk; (ook) boekbinders- en letterzetters-gereedschap. *...IJZER, o. (-s), steekijzer der mandemakers.

[Sluiting]

Sluiting, v. gmv. het sluiten (in alle bet.); alles wat tot sluiting dient.

[Sluitklamp]

Sluitklamp, m. (-en), (timm.). *...KLINK, v. (-en), (horol.). *...KOOL, v. (-en), witte kool. *...KROP, m. (-pen), zware krop (tot salade). *...LAKEN, o. (-s), (vroedk.) laken om het lijf van kraamvrouwen. *...MAND, v. (-en), mand met deksel en slot. *...PLANK, v. (-en), plank waarmede de laatste opening gedigt wordt. *...RAD, o. (-eren), (horol.). *...REDE, v. (-n), syllogisme; logisch bewijs; valsche -, sophisme. *...REGEL, m. (-s), laatste regel. *...RIJM, o. (-en), slotrijm, referein. *...SPIER, v. (-en), (ontl.). *...STEEN, m. (-en), (bouwk.) draagsteen. *...STUK, o. (-ken), *...TUIG, o. gmv. (zeew.) vullingstuk, stopstuk. *...VEER, v. (...eren), deel van een slot. *...VERS, o. (...zen), slotvers.

[§ Slungel]

§ Slungel, m. en v. (-s), lange -, magere persoon, - staak.

[Slurf]

Slurf, v. (...ven), snuit van eenen olifant.

[Slurp]

Slurp, m. (-en), het slurpen, opslurping; (zeew.) ineengedraaide punt van touw. *-DRAGENDEN, m. mv. zek. veelhoevige zoogdieren. *-DRANK, m. (-en), drank dien men slurpende inneemt. *-EI, o. (-jeren), B. -eren), ei dat men opslurpt, ongekookt ei. *-EN, bw. gel. (ik slurpte, heb geslurpt), met eene hoorbare beweging der lippen opdrinken; (zeew.) eenen slurp leggen.

[Sluw]

Sluw, bn. en bijw. (-er, -st), slim, loos, listig. *-HEID, v. (...eden), slimheid, loosheid, listigheid, geslepenheid.

[Smaad]

Smaad, m. (B.m. en v.), gmv. hoon, beleediging. *-NAAM, m. (...amen), (w.g.) scheldnaam. *-REDE, v. (-nen), honende -, kwetsende woorden. *-SCHRIFT, o. (-en), schotschrift, satire. *-STER, v. (-s), zij die smaadt of hoont. *-TAAL, v. gmv. smaadrede. *-WOORD, o. (-en), beleedigende uitdrukking.

[p. 1218]

[Smaak]

Smaak, m. gmv. een der vijf zintuigen; vermogen -, gewaarwording door de tong voortgebragt om te proeven (spijzen of dranken); mijn - is weg, ik kan niet proeven. *-, wat smaak geeft of geproefd wordt; dat vleesch, die wijn heeft een slechten -. *-, (fig.) lust, neiging in of tot; mode, kleederdragt; zij is gekleed naar den laatsten -. *-, gevoelen, meening; behagen. *-, kunst-, schoonheidszin; hij is een man van -. *-JE, (B. -N), o. (-s), iets bedorvens, kwade smaak (aan iets). *-VERMOGEN, o. gmv. *-VOL, bn. en bijw. met smaak (gekozen, gemaakt); smaak hebbende. *-VERLIES, o. gmv. gebrek in het smaakvermogen, - in het proeven. *-ZENUWEN, v. mv. tongzenuwen.

[Smaaldicht]

Smaaldicht, o. (-en), helkeldicht. *...STER, v. zij die schimpt.

[Smacht]

Smacht, v. (-en), afgesneden buik van eenen haring of bokking; het smachten; (fig.) op de - loopen, tafelschuimen, klaploopen. *-EN, ow. gel. (ik smachtte, heb gesmacht), reikhalzend en kwijnend verlangen; begeeren; om of naar iets -; van dorst, van honger, van liefde -. *-D, bn. en bijw. (-er, -st), kwijnend, verlangend, reikhalzend; eene -e (dorstige) tong; een - (vurig) verlangen; iem. - (verliefd, kwijnend) aanzien; eene -e (drukkende) hitte. *-ERIG, bn. en bijw. smachtend; er - (haveloos, armoedig) uitzien; - (drukkend) weder. *-LAP, m. (-pen), arme drommel. *-LOOPER m., *-LOOPSTER, v. (-s), tafelschuimer, klaplooper, klaploopster.

[Smadelijk]

Smadelijk, bn. en bijw. (-er, -st), honend, beleedigend, vernederend. *-HEID, v. (...eden), hoon, beleediging; schandelijkheid.

[Smaden]

Smaden, bw. gel. (ik smaadde, heb gesmaad), honen, beleedigen; schelden. *-D, bn. (-er, -st), beleedigend; smalend. *...DER, m., SMAADSTER, v. (-s), honer, beleediger, beleedigster. *...DIG, bn. smadend, smadelijk. *...DING, v. het smaden, smaad.

[Smak]

Smak, v. gmv. sumak, zek. gewas; (zeew.) soort koopvaardijschip. *-, m. gmv. gesnap -, geklap met de lippen (onder het eten of drinken). -, (-ken), val, bons, harde plof; worp (met dobbelsteenen).

[Smakelijk]

Smakelijk, bn. en bijw. (-er, -st), lekker; met smaak, met graagte; bevallig; eet -! beleefdheidsuitdrukking als men van elkander gaat vóór den eten; aannemelijk; hij weet het hem zoo - (aangenaam) te maken dat... *-HEID, v. gmv. lekkerheid; aangename smaak. *...LOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), zonder smaak, beroofd van smaak; (ook fig.) eene smakelooze (niet nette) kleeding. -HEID, v. gmv. slechte smaak, lafheid, slapheid; (fig.) gebrek aan smaak, wansmaak.

[Smaken]

Smaken, bw. ow. gel. (ik smaakte, heb gesmaakt), proeven; (ook) den smaak aandoen; dat vleesch smaakt goed; naar iets -, den smaak van iets hebben; dat smaakt naar visch; een kwalijken smaak voortbrengen; de soep smaakt naar roet, naar rook, het smaakt zuur; (fig.) genoegen - (hebben); die woorden smaakten (bevielen) hem niet; zwemen naar; dat smaakt (riekt) naar ongeloof.

[Smakken]

Smakken, bw. ow. gel. (ik smakte, heb gesmakt), werpen, neêrploffen, neêrkomen. *-, ow. de lippen tegen elkander slaan onder het eten of drinken; met de lippen klappen. *...KER, m. (-s),

[p. 1219]

sukkelaar; (fig.) hij is een regte -, hij neemt alles aan, alles is hem goed.

[Smakmuil]

Smakmuil, m. en v. (-en), die (met de lippen) smakt. *-EN, ow. gel. (ik smakmuilde, heb gesmakmuild), smakken (met de lippen). *...SCHIP, o. (...epen), soort vaartuig. *...TANDEN, ow. gel. (ik smaktandde, heb gesmaktand), smakmuilen. *...ZEIL, o. (-en), zeil van een smakschip.

[Smal]

Smal, bn. en bijw. (-ler, -st), het tegengestelde van breed; dun, rank; mager; wat ziet gij er - (vermagerd) uit; (fig.) gering, armoedig; de -le gemeente, de bedeelden, de schamele klasse. *-BLADIG, bn. (plant.). *-BORSTIG, bn. (gen.) aamborstig, asthmatisch. *-DEEL, o. (-en), (oorl.) afdeeling eener vloot; eskader. *-DEELEN, bw. gel. (ik smaldeelde, heb gesmaldeeld), in kleine deelen scheiden. *-DOEK, o. gmv. smal linnen; (zeew.) doek dat smaller is dan zeildoek; (fig.) dat is geen -, dat is niet gering, - niet weinig.

[Smalen]

Smalen, ow. gel. (ik smaalde, heb gesmaald), beschimpen; - op (iets of iem.). *...LER, m., SMAALSTER, v. (-s), die smaalt, beschimper, beschimpster. *...LING, v. gmv. het smalen, beschimping.

[Smalhans]

Smalhans, m. (...zen), vrek, schrale sinjeur; (spr.) -is er kok, het is er schraal, - karig. *...HEER, m. (-en), (oudt.) heer van een klein leen. *...HEID, v., *...TE, v. gmv. hoedanigheid van smal te zijn. *...KANT, v. gmv. smalle kant (weefsel). *...LIGHEID, v. (w.g.) smalheid.

[Smalt]

Smalt, v. gmv. zek. blaauwe verf, kobaltglas; email.

[Smaltiende]

Smaltiende, v. (-n), kleine opbrengst (aan den leenheer).

[Smaragd]

Smaragd, o. gmv. zek. soort (groen) edolgesteente. *-, m. (-en), zood. steen. *-EN, bn. van smaragd; een - ring, ring die met eenen smaragd bezet of van smaragd gemaakt is.

[Smarotsen]

Smarotsen, ow. gel. (ik smarotste, heb gesmarotst), klaploopen, ongenoodigd ergens te gast komen. *...ER, m., *...STER, v. (-s), die smarotst, tafelschuimer, tafelschuimster.

[Smart]

Smart, v. (-en), pijn, wee; (heelk.) branding, gloeijing eener wond; (fig.) leed, verdriet, droefheid, pijnlijke aandoening van het gemoed; ongeduldig. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), pijnlijk; (fig.) verdriet -, leed veroorzakend. -HEID, v. gmv. *-ELOOS, bn. en bijw. zonder smart of pijn. -HEID, v. gmv. *-EN, bw. ow. gel. (het smartte, heeft gesmart), pijn, smart veroorzaken; (heelk.) schrijnen, branden, gloeijen (van wonden); (fig.) hinderen, zeer doen, leed veroorzaken, treffen; (zeew.) met zeildoek bekleeden. *-IG, bn. open (van eene wond), schrijnend. *-ING, v. gmv. het smarten, schrijnen; (zeew.) geteerd zeildoek. *-OOR, o. (-en), (heelk.) open -, zeer oor (welks achterdeel van de opperhuid beroofd is). -, m. en v. kind dat smartooren heeft. *-SEL, v. (-s), open wond achter het oor.

[Smeden]

Smeden, bw. gel. (ik smeedde, heb gesmeed), metalen (door kloppen) bewerken, (meest in gloeijenden staat); wapens - (vervaardigen); (spr.) men moet het ijzer - terwijl het heet is, men moet zich de gelegenheid ten nutte maken; (fig.) een komplot, eenen aanslag - (bewerken); lagens, verraad - (uitdenken, uitvinden, be-

[p. 1220]

denken); verzen -, slechte rijmen maken. *...DER, m. (-s), die smeedt; (fig.) uitdenker, verzinner. *...DERIJ, v. (-en), het smeden, smidse. *...DIG, bn. (-er, -st), week, buigzaam, smijdig. *...DING, v. het smeden; (fig.) het verzinnen, het brouwen (van verraad, kwaad enz.).

[Smeedbaar]

Smeedbaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), geschikt om gesmeed te worden. *-HEID, v. gmv. geschiktheid om gesmeed te worden. *...BAK, m. (-ken), smids-koelbak. *...KUNST, v. gmv. kunst van den smid. *...STER, v. (-s), uitdenkster, verzinster. *...WERK, o. smidswerk.

[Smeekbede]

Smeekbede, v. (-n), smeekgebed. *...DICHT, o. (-en), smeekschrift in rijm.

[Smeekeling]

Smeekeling, m. en v. (-en), die smeekt.

[Smeeken]

Smeeken, bw. ow. gel. (ik smeekte, heb gesmeekt), zeer nederig verzoeken, ootmoedig vragen om (iets). -, o. *...KER, m., SMEEKSTER, v. (-s), smeekeling. *...KERIJ, v. (-en), smeeking. *...KING, v. (-en), het smeeken, gesmeek.

[Smeekgebed]

Smeekgebed, o. (-en), smeekbede. *...SCHRIFT, o. (-en), ootmoedig verzoek in geschrift, rekwest. *...TAAL, v. gmv. smeekende woorden.

[Smeer]

Smeer, o. gmv. vette zelfstandigheid, vet, ongel, kaarsvet; (fig.) hij heeft - (slaag) gehad; van zijn - (opgespaarde penningen) leven. *-ACHTIG, bn. eenigermate smerig, als smeer. *-ADER, v. (-en, -s), (ontl.) vetader. *-BAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), geschikt om gesmeerd te worden. *-BAK, m. (-ken). *-BAL, m. (-len), bal om vet of smeervlakken uit te wrijven. *-BLAD, o. (eren), zek. plant. *-BLOEM, v. (-en), bloesem van het smeerblad. *-BOL, m. (-len), zek. gebak. *-BOOM, m. (-en), vetzwetende boom. *-BORSTEL, m. (-s), borstel om het schoensmeer in te wrijven. *-BUIK, m. (-en), dikke buik. -, m. en v. dikke -, zwaarlijvige persoon. *-BUS, v. (-sen), *-DOOS, v. (...zen), doos die schoen- of wagensmeer bevat. -, m. en v. smerige -, morsige persoon. *-DER, m. (-s), die smeert. *-GOED, o. gmv. wat dienstig is om er mede te smeren, (ook) smeerschuijers enz. *-HOUTEN, o. mv. (zeew.) zek. houtwerk (tot het vervoer van masten. *-KAARS, v. (-en), kaars van vet (in tegenst. van waskaars). *-KALK, m. gmv. pleisterkalk. *-KLIER, v. (-en), vetklier. *-KRUID, o. gmv. zek. plant. *-KWAST, m. (-en). *-LAP, m. (-pen), lap met smeer of vet bestreken (waarvan de slepers zich onder de vrachtsleden bedienen); (fig.) smerig mensch; (ook) eerloos mensch (scheldnaam). *-LING, m. (-en), soort vischje. *-MAAND, v. November, Slagtmaand. *-PLANK, v. (-en), (zeew.) zeker houtwerk. *-POES, m. en v. (-en), morsig mensch. *-POT, m. (-ten). *-PROP, m. (-pen), (zeew.) gatenstopper (werkt.). *-PUIST, v. (-en), (gen.) soort gezwel. *-SCHOEN, m. (-en), schoenpoetser; (fig.) flikflooijer. -EN, bw. gel. (ik smeerschoende, heb gesmeerschoend), flikflooijen, vleijen, kruipen. *-SEL, o. (-s), alles waarmede gesmeerd kan worden; zalf. *-SELTJE, (B. -N), o. (-s), zalfje, potje met zalf. *-STEEN, m. (-en), steen die vlekken wegneemt, speksteen. *-STRUIK, m. (-en), smeerboom. *-VLEK, v. (-ken), vetvlak. *-WORTEL, m. (-s, -en), smeerplant. *-ZAKJES, o. mv. (gen.). *-ZALF, v. (...ven), zalf om op iets gesmeerd te worden.

[p. 1221]

[Smeet]

Smeet, m. gmv. worp, gooi.

[Smelt]

Smelt, v. (-en), soort kleine visch, zand-aal. *-, gmv. het smelten.

[Smeltbaar]

Smeltbaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), geschikt om gesmolten te worden. *-HEID, v. gmv. *...BAK, m. (-ken), bak onder of naast den smeltoven. *...BUIS, v. (...zen), buis waardoor het gesmolten metaal loopt.

[Smelten]

Smelten, bw. ow. ong. (ik smolt, heb of ben gesmolten), door middel van vuur vloeibaar worden of doen worden (inz. van metalen); van eene vaste in eene vloeibare stof overgaan of doen overgaan; (schild.) doen ineenvloeijen (de kleuren); (fig.) zijne oogen smolten in tranen (stonden vol tranen); iemands hart doen -, (van medelijden); (fig.) zijn geld is mooi aan het - (opraken). *...ER, m. (-s), die smelt; ijzersmelter. *...ERIJ, v. (-en), *...HUIS, o. (...zen), plaats -, fabriek -, huis waar gesmolten wordt. *...IG, bn. (-er, -st), week, zacht. *...ING, v. (-en), het smelten.

[Smeltkroes]

Smeltkroes, m. (...zen), kroes, aarden pot of vat tot smelting van metalen. *...OVEN, m. (-s), oven ingerigt tot het smelten van metalen. *...NET, o. (-ten), net tot het visschen van smelt. *...VANGST, v. gmv. het visschen van smelt. *...VISSCHER, m. (-s). -IJ, v. gmv.

[Smeren]

Smeren, bw. gel. (ik smeerde, heb gesmeerd), iets vettigs strijken op, - over; brood (boter op brood)-; schoenen - (met eene zekere zelfstandigheid insmeren en dan uitwrijven om ze te doen glimmen); het wagenrad -, (met vet); (fig.) de maag -, goed eten; de keel -, veel drinken; iem. honig om den mond -, iem. vleijen, zoete woordjes zeggen; iem. den rug -, hem afrossen; iem. de handen -, hem omkoopen; dat smeert den pot, dat is voordeelig.

[Smergel]

Smergel, m. zek. delfstof tot polijsten van metalen geschikt, amaril.

[Smerig]

Smerig, bn. en bijw. (-er, -st), vettig, olieachtig; met vet -, met vuil bemorst; vuil, morsig; (fig.) voordeelig; vuilaardig, oneerlijk. *-HEID, v. gmv. eigenschap -, hoedanigheid van hetgeen smerig is; vuilheid, morsigheid. *-LIJK, bijw. op smerige wijze, smerig uitziende. *...RING, v. gmv. het smeren; smeersel.

[Smerlijn]

Smerlijn, m. (-en), steenvalk, zek. vogel.

[↑ Smert]

Smert, v. (-en), *-ELIJK, bn. zie SMART enz.

[Smet]

Smet, v. (-ten), vlek; (fig.) dit werpt eene - op zijnen naam, zijn naam is hierdoor bezoedeld; iem. eene - aanwrijven, hem van iets betigten. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), ligt smettend, smetten gevende of aannemende.

[↑ Smets]

Smets, v. (-en), brasserij, smulpartij. *-CH, bn. lekker, smakelijk. *-DAG, m. (-en), slempdag. *-CHEN, *-EN, ow. gel. (ik smets(ch)te, heb gesmets(ch)t), brassen, smullen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), brasser, smuller, smulster.

[Smettelijk]

Smettelijk, bn. (-er, -st), smetachtig, besmettelijk. *...LOOS, bn. zonder smet, vlekkeloos; (ook fig.).

[Smetten]

Smetten, bw. ow. gel. (ik smette, heb gesmet), bevlekken, bemorsen; smetten aannemen. *...TIG, bn. (-er, -st), ligt smettend.

[Smeulen]

Smeulen, ow. gel. (ik smeulde, heb gesmeuld), langzaam gloren zonder vlam (van brandstoffen); het puin smeult nog, (na eenen brand); (fig.) heimelijk bestaan, dreigen; er smeult (er is verborgen) een

[p. 1222]

oproer, verraad, zamenzwering; die liefde smeulde (gevoelde hij) reeds lanq in zijn hart. *-D, bn. niet behoorlijk brandende, glorend; (fig.) in het geheim dreigend. *...ING, v. gmv. het smeulen.

[Smeuren]

Smeuren, bw. gel. (ik smeurde, heb gesmeurd), bemorsen, bezoedelen; smoren. *...IG, bn. (-er, -st), smerig.

[Smid]

Smid, m. (smeden), bewerker van metaal, (inz. ijzer).

[Smids]

Smids, *-E, v. (-n), werkplaats van den smid. *-AANBEELD, o. (-en). *-ARBEID, m. gmv. *-BAAS, m. (...azen), meester smid, (in tegenst. van smidsknecht). *-BAK, m. (-ken), koelbak voor het heete ijzer. *-BEITEL, m. (-s). *-GEREEDSCHAP, o. (-pen). *-HAMER, m. (-s). *-JONGEN, m. (-s). *-KAR, v. (-ren). *-KOLEN, v. mv. grove steenkolen. *-OVEN, m. (-s). *-STAL, m. (-len), hoefstal, travalje van den hoefsmid. *-TANG, v. (-en), lange ijzeren tang. *-WAGEN, m. (-s), smidskar (met eenen schoorsteen, om bij het leger te gebruiken). *-WATER, o. gmv. water tot verkoeling van het heete ijzer. *-WERK, o. (-en). *-WERKPLAATS, v. (-en). *-WINKEL, m. (-s), smidse.

[Smieg]

Smieg, *-JES, bn. smijdig, lenig, buigzaam.

[Smient]

Smient, v. (-en), soort eend; (fig.) lang mager mensch.

[Smijdig]

Smijdig, bn. (-er, -st), lenig; buigzaam, week; - (zacht) laken; -e (goed doorkookte) soep; - (smeedbaar, zacht) goud. *-EN, bw. gel. (ik smijdigde, heb gesmijdigd), zacht -, lenig maken; smeedbaar maken (goud). *-HEID, v. gmv. zachtheid, lenigheid, smeedbaarheid.

[Smijt]

Smijt, v. (-en), (zeew.) touw aan het fokkezeil. *-EN, bw. ong. (ik smeet, heb gesmeten), hard werpen, gooijen; iem. (tegen iets) - ; iets (naar iem.) -. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die smijt; (ook) die gaarne vecht. *-ERSBAAS, m. (...azen), voorvechter.

[Smireel]

Smireel, m. (...elen), soort visch.

[Smis]

Smis, v. (-sen), *-SE, v. (-n), smids werkplaats, smederij.

[Smodderen]

Smodderen, bw. gel. (ik smodderde, heb gesmodderd), bemorsen, bezoedelen. *...IG, bn. en bijw. (-er, -st), vuil, morsig. *...MUIL, m. en v. (-en), vuilak, die gedurig zijne lippen aflikt. -EN, ow. gel. (ik smoddermuilde, heb gesmoddermuild), zich de lippen aflikken.

[Smoddig, Smodsig]

Smoddig, Smodsig, bn. en bijw. (-er, -st), morsig, vuil.

[Smods]

Smods, v. (w.g.) iets vuils, vlek, smet.

[§ Smoel]

§ Smoel, m. (-en), mond, bek, muil; houd je -! zwijg stil! *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine muil of mond, bekje.

[Smoken]

Smoken, bw. ow. gel. (ik smookte, heb gesmookt), rooken; zij zaten den geheelen avond te - (veel te rooken); het smookt hier geweldig, er slaat veel rook uit den schoorsteen. *...KER, m. (-s), die sterk tabak rookt. *...KERIG, bn. rookerig. -HEID, v. gmv. *...KING, v. gmv. het smoken, gesmook.

[Smokkelaar]

Smokkelaar, m., *-STER, v. (-s), die smokkelt, sluikhandel drijft; (ook) schip waarmede men smokkelt. *...LARIJ, v. (-en), smokkel-, sluikhandel; het sluiken. *...LEN, bw. ow. gel. (ik smokkelde, heb gesmokkeld), verboden goederen of goederen waarvoor regten moeten betaald worden in het geheim in- of uitvoeren; smokkelhandel drijven; bedriegen (in het spel); stelen; behendig wegmoffelen. *...GOED, o. (-eren), goed dat binnengesmokkeld is. *...HANDEL, m. gmv. bedrijf

[p. 1223]

des smokkelaars. *...ING, v. gmv. het smokkelen, gesmokkel. *...KROEG, v. (-en), herberg waar de smokkelaars zamenkomen en hunne goederen verbergen. *...SCHIP, o. (...epen), schip dat tot den smokkelhandel gebezigd wordt. *...WIJN, SMOKWIJN, m. (-en), ingesmokkelde wijn.

[Smook]

Smook, m. gmv. dikke rook of damp, stoom. *-GAT, o. (-en).

[Smoorder]

Smoorder, m., *...STER, v. (-s), die smoort. *...DRONKEN, bn. erg -, zwaar beschonken. *...HEET, bn. erg -, zeer heet, drukkend warm. *...LIJK, bn. en bijw. - (onbeschrijfelijk) verliefd zijn op... *...PAN, v. (-nen), pan om vleesch te smoren. *...POT, m. (-ten), doofpot. *...VOL, bn. zeer vol, eivol.

[Smoren]

Smoren, (B. SMOOREN), bw. ow. gel. (ik smoorde, heb gesmoord), dooven, verstikken, doen verstikken; de ademhaling beletten; van dorst -, zwaren dorst lijden; het is hier om te - (van hitte); vleesch -, het in zijne eigene kracht gaar maken. *-, (fig.) onderdrukken, beletten; (zeew.) diep in de golven duiken (waardoor de vaart belet wordt); het schip is achter zijne ankers gesmoord, het is in den grond gereden, - gezonken. *...RING, v. gmv. het smoren.

[Smots]

Smots, v. (w.g.) iets vuils, vlek, smet.

[Smous]

Smous, m. (-en), scheldnaam aan de joden gegeven; (fig.) bedrieger, schagcheraar; naam van zek. hondensoort. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), bedriegelijk. *-EN, ow. gel. (ik smouste, heb gesmoast), bedriegen, schagcheren; (ook) smous! roepen, schelden. *-ENAARD, m. gmv. aard der smousen, bedriegelijk karakter. *-ENTAAL, v. gmv. joodsche tongval, bargoensch van joodsch-duitsch. *-ENWINST, v. (-en), woekerwinst. *-ERIJ, v. (-en), kleinhandel; bedrog, schagcherhandel. *-HOND, m. (-en), -JE, (B. -N), o. (-s), soort hond met fijn krullend haar.

[Smout]

Smout, o. gmv. reuzel; uitgebrand vet; vettigheid; (drukk.) klein drukwerk (als brieven, lijsten enz.). *-ACHTIG, bn. (-er, -st), vettig, als reuzel. *-EN, bw. gel. (ik smoutte, heb gesmout), met smout of reuzel inwrijven, besmeren. *-ERIG, *-IG, bn. smoutachtig. *-HEID, v. gmv. *-MOLEN, m. (oudt.) oliemolen. *-PEER, v. (...eren), boterpeer. *-WERK, o. (drukk.) klein drukwerk.

[Smuig, Smuik]

Smuig, Smuik, v. schuilhoek; ter -, verborgen, verholen. *-EN, ow. gel. (ik smuigde, heb gesmuigd), heimelijk snoepen, zich te goed doen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die in het geheim snoept; veinsaard; gluiper, gluipster.

[Smuk]

Smuk, m. gmv. opschik, sieraad, tooi. *-KEN, bw. gel. (ik smukte, heb gesmukt), opschikken, tooijen.

[Smul]

Smul, v. gmv. het smullen; brasserij; van de - houden (gaarne goede sier maken); lust, neiging; - hebben (op iets); morsjurk; schertsende scheldnaam aan een kind (meisje) gegeven. *-BAARD, m. (-en), kind dat morsig eet; (ook) lekkerbek. *-DAG, m. (-en), slempdag, vreugdedag. *-JURK, v. (-en), morsjurk. *-LEN, ow. gel. (ik smulde, heb gesmuld), lekker eten; brassen; achter de gordijntjes -, zich in stilte te goed doen; morsig eten (inz. van kinderen). *-LER, m., *-STER, v. (-s), die smult (in alle bet.). *-LIG, bn. (-er, -st), besmuld, morsig; ligt besmuld kunnende worden.

[p. 1224]

-HEID, v. gmv. *-LING, v. gesmul. *-MOÊR, v. gmv. smulster, vrouwelijke lekkerbek. *-PAAP, m. (...apen), (scheldnaam), vette -, welgedane priester; (ook) dikke lekkerbek. *-PARTIJ, v. (-en), slemppartij, zwelgerij. *-VRIEND, m. (-en), smulbaard.

[Snaak]

Snaak, m. (snaken), kluchtige persoon; knul. *-SCH, bn. en bijw. (-er, meest snaaksch), kluchtig, grappig, koddig. -HEID, v. (...eden), grappigheid, kluchtige manieren. *-HOOFD, o. misvormd beeldje; kabouter, dik ventje.

[Snaar]

Snaar, v. (snaren), draad, snoer (van natte darmen, koperdraad) om over speeltuigen te spannen; (dichtk.) de snaren tokkelen, bespelen; (fig.) omstandigheid, zielsgedachte; die - moet men niet aanroeren, men moet hiervan niet spreken; (spr.) alles op haren en snaren zetten, alles wagen, hemel en aarde bewegen. *-, bijzit; ligtekooi; deern. *-GEZANG, o. (-en), gezang met begeleiding van een snaren-instrument. *-SPEELTUIG, *-TUIG, o. (-en), besnaard instrument.

[Snaauw]

Snaauw, v. (-en), groot tweemastschip. *-, m. toesnaauwing, bits verwijt. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), bits, boos, kijfzuchtig. *-EN, ow. gel. (ik snaauwde, heb gesnaauwd), bits toespreken; toegraauwen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die snaauwt. *-ERIG, bn. snaauwachtig.

[Snak]

Snak, m. gmv. het snakken.

[Snakerij]

Snakerij, v. (-en), grap, klucht, poets.

[Snakken]

Snakken, ow. gel. (ik snakte, heb gesnakt), een soort hijgend geluid uitbrengen; van honger -, grooten honger hebben; naar brood, lucht - (hevig verlangen). *...KING, v. het smakken.

[Snap]

Snap, m. gmv. het snappen, greep; het was in een - (in een oogenblik) gedaan. *-, gesnap. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), babbel-, praatzuchtig. -HEID, v. gmv. babbel-, praatzucht.

[Snaphaan]

Snaphaan, m. (...anen), geweer, vuurroer; (fig.) gaauwdief. *-DRAGER, m. (-s), soldaat, voetknecht. *-KOGEL, m. (-s), geweerkogel. *-SCHOT, o. (-en).

[Snappen]

Snappen, bw. ow. gel. (ik snapte, heb gesnapt), vatten, grijpen, pakken; zij hebben hem gesnapt (gegrepen, in hechtenis genomen); naar iets - (happen); babbelen, praten; springen, digtslaan (van een slot). *...PER, m., *...STER, v. (-s), babbelaar, -ster. *...PERIJ, v. (-en), gesnap, gebabbel, gekeuvel. *...REISJE, (B. -N), o. (-s), uitstapje.

[Snaps]

Snaps, m. gebabbel, praats. *-, slok, borrel.

[Snar]

Snar, bn. en bijw. (-der, B. -rer, -st), bits, vinnig, hevig, fel. *-HEID, v. gmv. bitsheid, vinnigheid.

[Snarenmaker]

Snarenmaker, m. (-s). *...SLEUTEL, m. (-s), (muz.) sleutel om snaren op te winden. *...SPELER, m., *...SPEELSTER, v. (-s), die een snaren-instrument bespeelt.

[Snarig]

Snarig, bn. (-er, -st), behendig, vlug. *-HEID, v. gmv.

[§ Snater]

§ Snater, m. (-s), mond, bek; houd je -! zwijg. *-AAR, m., *-AARSTER, v. (-s), babbelaar, -ster. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), babbelachtig. -HEID, v. gmv. *-BEK, m. en v. die altijd snatert. *-EN, ow. gel. (ik snaterde, heb gesnaterd), aanhoudend babbelen; die papegaai snatert aardig. *-ING, v. gmv. het snateren, gesnater.

[p. 1225]

[Snavel]

Snavel, m. (-s), bek, sneb (van vogels); snuit (van sommige dieren); (fig.) § mond, muil, bek. *-, m. en v. babbelaar, -ster. *-ZIEKTE, v. (-n), ziekte van sommige vogels.

[Sneb]

Sneb, v. (-ben), snavel; (zeew.) galjoen, voorste punt van een schip, voorsteven; de scheepssnebben, de volkstribune bij de oude Romeinen. *-AAL, m. (...alen), aal met puntigen kop. *-BIG, bn. (-er, -st), snippig. *-SCHUIT, v. (-en), vaartuig met een puntigen voorsteven.

[Snede]

Snede, v. (-n), het snijden, wijze van snijden; deze kleêrmaker heeft eene goede -; de - (het fatsoen) van dien rok bevalt mij wel; de - (scherpe kant) van dit mes is te dun; plat afgesneden deel, eene - brood, eene - vleesch, een citroen in -n suikeren; (boekb.) rand, smalle zijde; een boek verguld op -; (dichtk.) afkapping, overgang van een half-vers uit het andere, † césure; (fig.) beleediging; dit is eene - over zijn aangezigt, eene vlek op zijnen goeden naam; juist ter -, op het geschikte oogenblik. *-LING, m. en v. (-en), kind dat door middel der keizerssnede is ter wereld gekomen.

[Snedig]

Snedig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. verstandig, schrander, scherpzinnig. *-HEID, v. gmv. schranderheid, gevatheid, scherpzinnigheid.

[Sneê, Snede]

Sneê, Snede, v. (-n), (fig.) een goede - aan hebben, dronken zijn.

[Sneedje]

Sneedje, (B. -N), o. (-s), kleine snede; een - brood, ham.

[Snees]

Snees, o. (...ezen), twintigtal; een - eijeren, appelen, schelvisschen. § *-, chinees; (fig.) bedrieger.

[Sneeuw]

Sneeuw, v. (B.m., v. en o.) gmv. witvlokkige bevrozen waterdamp; (fig.) grijze haren. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als sneeuw; met -, vol sneeuw; het is - weder, het dreigt te sneeuwen. -HEID, v. gmv. *-BAAN, v. (...anen), baan over of door de sneeuw. *-BAL, m. (-len), bal van zamengepakte sneeuw; soort heester. -LETJE, (B. -N), o. (-s), kleine sneeuwbal; (fig.) glaasje klare jenever met suiker; (ook) zek. gebakje. *-BANK, v. (-en), rustende sneeuwwolk; bank van opeengestapelde sneeuw. *-BERG, m. (-en), hooge sneeuwhoop; berg met altijd besneeuwden top. *-BLANK, bn. sneeuwwit. *-BLIND, bn. blind door het staren in of op de sneeuw. -HEID, v. gmv. *-BUI, v. (-jen, B. -en), digt vallende sneeuw. *-EN, onp. w. gel. (het sneeuwde, heeft gesneeuwd), in vlokken nedervallen (van bevrozen dampen). *-FIGUUR, o. (-en), sneeuwpop. *-HOEN, o. (-ders, -deren), witte patrijs. *-IG, bn. besneeuwd, sneeuwachtig. -HEID, v. gmv. *-JAGT, v. sneeuwbui met wind, jagtsneeuw; (ook) jagt die men op de sneeuw houdt. *-KLOKJE, (B. -N), o. (-s), soort winterbloem. *-KLOMP, m. (-en), vaste bal of klomp sneeuw. *-MAAND, v. (-en), (fr. gesch.) een der maanden van den republiekeinschen kalender, Nivôse (21 December tot 20 Januarij). *-MODDER, m. gmv. *-MUSCH, v. (...sschen), soort vink. *-ROOS, v. (...ozen), soort rhododendron. *-SLIJK, o. gmv. vertrapte sneeuw. *-STORTING, v. (-en), sneeuwval. *-VINK, m. (-en), vogel. *-VLOK, v. (-ken), klein deeltje bevrozen damp. *-VOGEL, m. (-s), soort watervogel, ijsvogel. *-WATER, o. (-s), gesmolten sneeuw. *-WIT, bn. wit als sneeuw. *-WOLK, v. (-en), wolk met sneeuw beladen.