|
|
|
| |
V.
| |
[V]
V, v. 22e letter van het alfabet; als rom. getalmerk beteekent V 5; V., volte, wend om; V.A., Votre Altesse, Uwe Hoogheid; V.A.R., Votre Altesse Royale, Uwe Koninklijke Hoogheid; V.C., verbi causa, bij voorbeeld; V.D., velente Deo, zoo God het wil; V.D.M., verbi divini minister, bedienaar van het goddelijk woord, predikant; Vdt., videlicet, te weten; V.S., volti subito, (muz.) sla schielijk om; V.G., Vostra Grandezza, Uwe Doorluchtigheid; v.h., van huis; v.b., van bureau; v.k., van kantoor; V.T., vieux testa-
| | | |
ment,
het oude testament; V.V., vice versa, heen en terug; Vert., vertatur, men sla (het blad om); (ook) vertaler; Vid. videatur, zie; Viz., (in het engelsch zamengetrokken van videlicet), te weten, namelijk; Voce, op het woord; Vol., volumen, band, deel; Vs., vers; Vt., vidit, gezien; Vz., voorzitter.
| |
[† Va!]
† Va! het zij zoo! het ga! - banque, (uitroep der croupiers aan de speeltafels, zoo veel als: de bank staat op het spel).
| |
[Vaag]
Vaag, v. (B.m. en v.) gmv. weligheid; (fig.) jeugdige kracht. *-, bn. onbestemd, onzeker, onbepaald. *-REGT, o. (-en), regt op schadeloosstelling wegens achtergelaten oogst te velde (na het verlaten van een stuk land). *-SEL, o. (-s), aanveegsel, uitvaagsel.
| |
[Vaak]
Vaak, m. gmv. geneigdheid tot slapen. *-, bijw. dikwijls.
| |
[Vaal]
Vaal, bn. en bijw. (valer, -st), lichtbruin, lichtrood; ontkleurd; er - (tanig) uitzien. *-ACHTIG, bn. eenigzins vaal. *-BRUIN, bn. *-HEID, v. gmv. *-T, *-TE, v. (-n), mesthoop.
| |
[Vaâm]
Vaâm, m. zie VADEM. *-HOUT, o. gmv. hout dat bij den vadem wordt verkocht.
| |
[Vaan]
Vaan, v. (vanen), vaandel; ijzeren windwijzer; (fig.) leus; de - des opstands planten, opstand verwekken, tot opstand geraken; (fig.) eene - ophebben, een weinig te veel gedronken hebben.
| |
[Vaandel]
Vaandel, o. (-s), vlag (met de steng); (eert.) vendel, afdeeling krijgsvolk. *-DRAGER, m. (-s), vaandrig. *-KOORD, o. (-en). *-KWAST, m. (-en). *-PELOTON, o. (-s), peleton dat het vaandel voert en beschut. *-STANDAARD, m. (-en). *-STOK, m. (-ken).
| |
[Vaandrig]
Vaandrig, m. (-s), die het vaandel draagt. *-SAMBT, o. *-SEPAULET, v. (-ten). *-SPOST, *-SRANG, m. *-SJONKER, m. (-s), kadet-vaandrig.
| |
[Vaanleen]
Vaanleen, o. (-en), (leenst.). *...TJE, (B. -N), o. (-s), klein vaandel; windwijzer (op eenen schoorsteen).
| |
[§ Vaar]
§ Vaar, of VAÊR, m. vader; beste vaer, bijnaam van den zeeheld de Ruyter.
| |
[Vaaraal]
Vaaraal, m. (...alen), zek. visch. *...BAAR, bn. en bijw. (-der, -st), gunstig voor het varen; bevaarbaar. -HEID, v. gmv. gunstige weêrsgesteldheid voor het varen; bevaarbaarheid. *...BEURT, v. (-en), beurt om te varen. *...DER, m. (-s), die vaart. *...DIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. gereed, bereid; gewillig; behendig, bedreven, vlug; - zijn met de pen, met de naald, vlug kunnen schrijven of stellen, - naaijen. *...DIGHEID, v. gmv. bereidheid; vlugheid, behendigheid.
| |
[Vaars]
Vaars, v. (...zen), of VAARKOE, v. (-jen, B. -en), jonge koe; (ook) vers, dichtregel, dichtstuk.
| |
[Vaarschroef]
Vaarschroef, v. (...ven), soort schroef.
| |
[Vaart]
Vaart, v. (B.m.), (-en), voortgaande beweging. *-, v. het varen; een schip in de - brengen, het voor het eerst laten varen; binnenlandsche -, vaart op rivieren en kanalen. *-, gracht, doorgang, kanaal; (fig.) voortgang, spoed, snelheid; ergens geene - hebben, zich ergens niet kunnen gewennen; (zeew.) - geven, bij flaauwe koelte wat ruimer sturen alvorens te gaan wenden. *-JE, (B. -N), o. kleine gracht; krijgertje, (kinderspel); vaârtje, vadertje; (spr.) het is een aartje naar zijn -, zoo de vader zoo het kind. *-METER,
| | | |
m. (-s), (zeew.) soort werktuig. *-SCHOUW, m. gmv. inspectie -, opneming der vaarten en kanalen.
| |
[Vaartuig]
Vaartuig, o. (-en), schip, schuit; scherp -, snelzeilend vaartuig. *-JE, (B. -N), o. (-s), boot, boeijer. *...WATER, o. (-s), water waarin men vaart; (zeew.) kielwater; (spr.) iem. in het - zitten, komen, hem tegenstreven, hem door concurrentie onderkruipen; iem. uit zijn eigen - dringen, hem van zijnen eigendom berooven; een gevaarlijk -, eene netelige zaak; een verkeerd - zeilen, verkeerd handelen; uit het - geraken, van zijn onderwerp afdwalen; blijf in dat -, volhard in dat gedrag. *...WEG, m. (-en), waterweg; (ook) rijweg. *...WEL! tw. en o. heilwensch tot afscheid.
| |
[Vaas]
Vaas, v. (vazen), vat, pot, urn; (zeew.) draad, vezel; (fig.) vieze vazen, onbeduidende dingen.
| |
[Vaatdoek]
Vaatdoek, m. (-en), wischdoek (voor vaatwerk, kopjes, borden enz.); (fig.) slons, morsig wijf. *...JE, (B. -N), o. (-s), klein vat; (spr.) uit paters - tappen, van den besten wijn schenken. *...SCH, bn. fustig; - smaken; eene -e kroeg, waar niet meer te drinken is. -, (fig.) zouteloos, laf. *...WATER, o. gmv. spoelwater (van uit-gewasschen vaatwerk). *...WERK, o. gmv. allerlei vaten; (ook) schotels en borden, dischgereedschap.
| |
[† Vacant, Vakant]
† Vacant, Vakant, bn. ledig, onbezet; een -e (niet begeven) post.
| |
[† Vacantie]
† Vacantie, v. (...ën), vrije (school-) tijd, rusttijd, verpoozing, tijd waarin het vergund is niet te werken; kamer van -, regtbank of geregtshof zitting houdende in de vacantie (en aan wier werkzaamheden niet door alle leden wordt deelgenomen). *-DAG, m. (-en). *-TIJD, m. (-en). *-WEEK, v. (...eken). *-WERK, o. werk dat de leerlingen gedurende de vacantie moeten verrigten.
| |
[† Vacatie]
† Vacatie, v. (...ën), arbeid -, tijd (door regtspersonen en andere ambtenaren) aan iets besteed. *-GELD, o. (-en), (regt.) loon -, salaris van eenen ambtenaar. *..CATUUR, v. het onbezet of open zijn (van eenen post). *...CEREN, ow. gel. (ik vaceerde, heb gevaceerd), zitting houden; open -, onbezet zijn.
| |
[† Vaccine]
† Vaccine, v. koepok-stof; (ook) koepok-inenting. *...NATIE, v. (...ën), koepok-inenting. *...NEREN, bw. gel. (ik vaccineerde, heb gevaccineerd), inenten met koepok-stof, de koepokken inenten.
| |
[Vacht]
Vacht, v. (-en), huid met de wol er op; vlies; (fig.) iem. op zijne - komen, hem afrossen.
| |
[† Vacilleren]
† Vacilleren, ow. gel. (ik vacilleerde, heb gevacilleerd), wankelen; (fig.) besluiteloos zijn.
| |
[† Vacuum]
† Vacuum, o. het ledige, de ijle ruimte.
| |
[Vadde, Vadderig]
Vadde, Vadderig, bn. zie VADZIG.
| |
[Vadem]
Vadem, m. (B.v.) (-s), lengtemaat, lengte van 6 voet (= 1.6 ned. el). *-EN, bw. gel. (ik vademde, heb gevademd), bij den vadem meten, - verkoopen; (oudt.) eene naald -, eenen draad in de naald rijgen. *-HOUT, o. gmv. hout dat bij den vadem wordt verkocht. *-ING, v. het vademen.
| |
[† Vade-mecum]
† Vade-mecum, o. (-s), soort hand- of zakboek (over allerlei onderwerpen).
| | | |
| |
[Vader]
Vader, m. (-s, -en), man die een kind of kinderen heeft voortgebragt; (fig.) onze -en, voorouders. *-, (fig.) oorzaak. *-, beschrevene -s, titel der leden van den oud-romeinschen raad. *-, opzigter van een liefdadigheidsgesticht. *-, de hemelsche -, de Godheid; het Onze -, zek. gebed. *-, (fig.) daar helpt geen - of moeder, al het bidden en klagen helpt daar niets. *-AARD, m. gmv. geaardheid -, gemoed des vaders (dat men geërfd heeft). *-ACHTIG, bn. en bijw. vaderlijk. *-ERVE, v. vaderlijk erfdeel. *-GEK, m. (-ken), -JE, (B. -N), o. (-s), kind dat verzot is op zijnen vader. *-HART, o. (-en).
| |
[Vaderland]
Vaderland, o. gmv. geboorteland. *-ER, m. (-s), minnaar van zijn geboorteland, patriot. *-SCH, bn. en bijw. naar den aard of de wijze van het vaderland; tot het vaderland behoorende. *-SGEZIND, bn. en bijw. -HEID, v. gmv. *-SLIEFDE, v. gmv. liefde tot het vaderland, † patriotismus. *-SLIEVEND, bn. het vaderland liefhebbende.
| |
[Vaderlief!]
Vaderlief! tw. lieve vader. *-, m. (soort) jongensmutsje. *-DE, v. gmv. liefde van het kind tot den vader. *...LIJK, bn. en bijw. van den vader; -e liefde, liefde van den vader tot zijn kind; het - erfdeel, wat men van eenen vader erft; het -e (ouderlijke) huis, dak; iem. - (als een vader) behandelen, toespreken. *...LOOS, bn. zonder vader, beroofd van eenen vader. *...MOORD, m. (-en), moord op eenen vader gepleegd. *...MOORDER, m., *...MOORDSTER, v. (-s), *...MOORDENARES, v. (-sen), die zijnen (of haren) vader vermoord heeft. *...MOORDER, m. (-s), (fig.) hoog uitstekende puntige mans-halsboord. *...NAAM, m. naam van vader; (ook) naam des vaders; iem. den - geven, hem vader noemen. *...PEREN, v. mv. *...SCHAP, o. gmv. hoedanigheid van vader. *...STAD, v. gmv. geboortestad. *...VREUGDE, v. gmv. *...VRIEND, m. (-en). *...ZEGEN, m. gmv. *...ZORG, v. (-en).
| |
[† Vadimonium]
† Vadimonium, o. (-s), borg, borgstelling; belofte van verschijning (voor het geregt).
| |
[Vadze]
Vadze, m. en v. (-n), luiaard. *...ZIG, bn. en bijw. (-er, -st), *...ZIGLIJK, bijw. lui, achteloos, traag. *...ZIGHEID, v. gmv. luiheid, achteloosheid, traagheid.
| |
[Vagebond]
Vagebond, m. (-en), landlooper, boef.
| |
[Vagen]
Vagen, bw. gel. (ik vaagde, heb gevaagd), wegvegen; (inz. fig.) de hoop vaagt de nevelen van het hoofd.
| |
[Vagevuur]
Vagevuur, o. gmv. (r.k.) dat deel der onderwereld waar de zielen van hare zonden worden gezuiverd alvorens der zaligheid deelachtig te worden.
| |
[Vak]
Vak, o. (-ken), ledige ruimte, opene plaats, plek; hok, hokje (in eene kast); (fig.) tak, beroep, middel van bestaan.
| |
[Vakeloos]
Vakeloos, bn. (...zer, -st), slapeloos. *...RIG, bn. (-er, -st), slaperig. -HEID, v. gmv. slaperigheid.
| |
[Vakje]
Vakje, (B. *-N), o. (-s), hokje, kleine ruimte; (plant.) zaadhuisje, celletje.
| |
[Val]
Val, m. gmv. nederdaling, -storting; tuimeling, het vallen; (fig.) tegenspoed, orgeluk; zedelijk verderf; ten - komen, in verval geraken; (ook fig.). *-, v. (-len), schoorsteen-gordijntje; strook (aan vrouwenkleederen, hoeden enz.); knip (om muizen te vangen); (zeew.)
| | | |
zek. lijn, reep, hijschtouw. *-BAND, o. (zeew.). *-BIJL, v. (-en), werktuig tot voltrekking der doodstraf, † guillotine. *-BLOK, o. (-en), (zeew.) hijschblok. *-BRUG, v. (-gen), wipbrug. *-DEUR, v. (-en). *-DRANK, m. (-en), soort kruidenmiddel. *-HOED, m. (-en), hoedje (voor kinderen die nog niet loopen kunnen).
| |
[† Valabel]
† Valabel, bn. geldig, aannemelijk.
| |
[† Vale!]
† Vale! vaarwel, leef wel! *...LEREN, ow. gel. (ik valeerde, heb gevaleerd), gelden, waard zijn. *...LEUR, v. (-s), waarde, (inz.) geldswaardig papier. *...LIDATIE, v. (kooph.) geldigverklaring. *...LIDE, bn. geldig; werkdadig; bekwaam; Sultane Validé, de erkende gemalin des sultans. *...LIDEREN, bw. ow. gel. (ik valideerde, heb gevalideerd), geldig verklaren; geldig zijn; het zal u -, het zal u in rekening worden gecrediteerd. *...LIDITEIT, v. gmv. geldigheid; bekwaamheid (tot de dienst).
| |
[Valies]
Valies, o. (...zen), mantelzak, reiszak.
| |
[Valk]
Valk, m. (-en), soort vogel (zeer geschikt om op de jagt afgerigt te worden); orde van den Witten -, ridderorde van Saksen-Weimar. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), van eenen valk, als een valk. *-ENET, o. (-ten), zek. klein kanon, draagbaar veldstuk, † falconet.
| |
[Valkenhuis]
Valkenhuis, o. (-zen), huis waar valken worden gehouden. *...KOOI, v. (-jen, B. -en).
| |
[Valkenier]
Valkenier, m. (-s), iem. die op de valken past of ze afrigt; (oudt.) die het ambt bekleedde op de jagt den valk te houden. *-STASCH, v. (-sschen).
| |
[Valkenkap]
Valkenkap, v. (-pen). *...JAGT, v. (-en), jagt met valken. *...MEST, m. gmv. drek der valken. *...MUTS, v. (-en), valkenkap. *...NEST, o. (-en). *...NET, o. (-ten), net waarin men valken vangt. *...OOG, o. (ook fig.) scherp gezigt. *...STAART, m. (-en).
| |
[Valkerij]
Valkerij, v. (-en), valkenhuis.
| |
[Valkgier]
Valkgier, m. (-en), zek. roofvogel.
| |
[Vallei]
Vallei, v. (-jen, B. -en), dal, laagte tusschen bergen.
| |
[Vallen]
Vallen, ow. ong. eene snelle en regtstandige nederwaartsche beweging volgen; van eene hoogte naar beneden neêrkomen; struikelen, (fig.) vermoord worden, sneuvelen; er valt regen, het regent; het water valt (zakt); in onmagt -, bezwijmen; zich den arm aan stukken (ook stuk) -, zich onder het vallen den arm bezeeren; - in rafels -, rafelen; in scheuren -, scheuren; in duigen -, breken; (ook) mislukken; iem. om den hals -, hem omhelzen; in de rede -, niet laten uitspreken, beletten met spreken voort te gaan; in slaap -; (fig.) in het oog -, bemerkt worden; in den smaak -, geacht worden; dat valt in (helt over naar) het groene; van de graat -, vermageren; zijn hoofd viel onder de bijl, hij werd onthoofd; (fig.) in het net -, er in loopen; in handen -, in bezit komen; bankroet gaan; die koopman is gevallen (gefailleerd); lang -, (vervelen); over iets -, zich aan iets storen, aanmerking op iets maken; gij valt altijd op mij, gij kiest mij altijd uit om mij te berispen; die mantel valt (zit) mooi; mijn oog viel er op, ik zag het bij toeval; (zeew.) binnen -, inloopen (uit zee); van de ra laten -, (scheepsstraf); er vielen klappen, men werd handgemeen. *-, bezwijken; het pad der deugd verlaten; een gevallen
| | | |
meisje; verkeerd - (uitkomen); al naar dat het valt, zoo als het uitkomt; op dat lot is een prijs gevallen, dit lot (nommer) is met eenen prijs uitgetrokken (in de loterij); den moed laten - (zakken); (spr.) die staat zie toe dat hij niet valle, men vertrouwe niet te veel op zijn geluk; ten deel -, verwerven. *-, ebben, lager worden (van het water); minder hevig worden (van den wind). *-D, bn. de -e ziekte, epilepsie; bij -d water, bij de eb; eene -e (verschietende) ster.
| |
[Valletje]
Valletje, (B. -N) o. (-s), schoorsteen-gordijntje; strookje (aan eene muts).
| |
[Vallicht]
Vallicht, o. (bouwk.) licht dat van boven invalt. *...LING, v. val; het vervallen, verhangen, vooruitsteken; (zeew.) de - (hellende stand) van den achtersteven. *...LUIK, o. (-en), door hengsels op en neêr bewogen luik.
| |
[Valor]
Valor, zie VALEUR.
| |
[Valpoort]
Valpoort, v. *-JE, (B. -N), o. (-s), vestingpoortje, luik. *...REEP, v. (...epen), (zeew.) soort touwladder; (fig.) een glaasje op de -, afscheidsdronk.
| |
[Valsch]
Valsch, bn. en bijw. (-er, meest -), niet echt, nagemaakt; een -e munter, die valsch geld maakt, die geld vervalscht; - spelen, bedriegen in het spel; een - (geveinsd) kompliment; een -e (omgekochte) getuige; een - (verkeerd, ongegrond) gerucht; eene -e (niet houdbare) redenering; - licht, kunst- en daglicht ondereen; iets in een - daglicht plaatsen, iets verkeerdelijk voorstellen; eene -e stem; tegen den regel, buiten de maat; - zingen, - spelen, (tegen de regelen der muziek); ik werd zoo - (grimmig, toornig) als eene kat; iem. - aanzien. *-AARD, m. (-s), valsch -, geveinsd mensch. *-ELIJK, bijw. op valsche wijze.
| |
[Valscherm]
Valscherm, m. zek. werkt. der luchtreizigers, † parachute.
| |
[Valschheid]
Valschheid, v. (...eden), onechtheid; geveinsdheid, het gekunstelde; (regt.) - in geschrifte, eene valsche hand; (fig.) gramschap, toorn. *...TONGIG, bn. logenachtig; trouweloos, geveinsd. -HEID, v. logenachtigheid; trouweloosheid.
| |
[† Valslot]
† Valslot, o. (-en), slot dat met eene veer toespringt of valt. *...STRIK, m. (-ken), soort knip, (om dieren te vangen); (fig.) list; loos opzet. *...TAFEL, v. (-s), afslaande klep, kleptafel. *...TIJD, m. (-en), de - der bladeren, herfst, najaar. *...VENSTER, o. (-s), venster op veeren, tuimelaar. *...WIND, m. (-en) wervelwind, van boven neêr-slaande wind.
| |
[† Valueren]
† Valueren, bw. gel. (ik valueerde, heb gevalueerd), schatten, waarderen. *...LUTA, v. (-as), waarde, (in wissels, papier enz.).
| |
[Vampyr]
Vampyr, m. (-s), soort groote vledermuis.
| |
[Van]
Van, vz. - den of het, des; - de, der; - (uit) Parijs; - (dezen) avond; - (sedert) dien tijd; - nu aan, voortaan; - ter zijde, zijdelings, ter zijde; - ouds, - oudsher, sedert oude tijden; - regtswegen, naar -, volgens regt; - wegen, in naam -, voor. *-, voorvoegsel tot aanduiding van een adellijken titel. *-, m. familienaam.
| |
[Vandaal]
Vandaal, m. zie WANDAAL.
| |
[Vanden]
Vanden, *...ELEN, ow. gel. (ik vandde of vandelde, heb gevand of gevandeld), kraamvisites maken, eene kraamvrouw bezoeken.
| | | |
*...ELING, *...ING, v. (en), het bezoeken eener kraamvrouw, kraambezoek. *...ELTIJD, VANDTIJD, m. (-en), tijd bestemd voor de kraambezoeken.
| |
[Vang]
Vang, m. gmv. zie VANGST. *-, (-en), deel van eenen molen; vleezig deel aan de dij van een rund; (fig.) de molen is door den -, de boêl is onderst boven. *-EN, bw. ong. grijpen, bemeesteren; (zeew.) het anker -; regenwater -; opvangen, den ketting -; (fig.) een uiltje -, een slaapje doen; bot -, ergens te vergeefs aankloppen; iem. -, betrappen, er laten inloopen; zich laten - (bedriegen); (spr.) in zulke waters vangt men zulke visschen, van zoodanige lieden moet men zoodanige behandeling verwachten; (ook) zoodanige oorzaken hebben zoodanige gevolgen. *-ENIS, v. gevangenis. *-ENSTOK, m. (-ken), soort kerkerblok. *-ER, m., *-STER v. (-s), die vangt; (ook) werktuig tol vangen; dierenklaauw. *-ERTJE, (B. -N), o. (-s), grijpertje, soort kinderspeelgoed. *-LIJN, v. (en), (zeew.) meertouw. *-ST, v. (-en), het vangen; (inz.) vischvangst.
| |
[† Vanille]
† Vanille, v. soort geurig (oost-indisch) gewas. *-IJS, v. kunstijs met vanille toebereid.
| |
[† Vaniteit]
† Vaniteit, v. ijdelheid.
| |
[† Vapeur]
† Vapeur, m. damp; -s, maagdampen, oprispingen.
| |
[Var]
Var, m. (-ren), jong rund.
| |
[Varen]
Varen, v. zek. plant (in veelvuldige soorten). *-KRUID, o. (-en). *-, ow. gel. ong. (ik voer of vaarde, heb of ben gevaren); voor-uitkomen (van een vaartuig) op het water; zich met een vaartuig ergens heen begeven, (in tegenst. van rijden of loopen); als stuurman, als matroos - (dienst doen); hij heeft reeds lang gevaren (als zeeman dienst gedaan); op de Oost -, gewoonlijk naar Oost-Indië varen. *-, zich (wel of kwalijk) bevinden; zich rijk -, tengevolge van veel varen rijk worden; opgaan, zich verheffen; ten hemel - (rijzen); (ook) naar de hel -, nederdalen; (fig.) voor den wind en stroom -, voorspoed hebben; tegen den stroom, op -, aan alle hindernissen het hoofd bieden; hij vaart in mijn zog, hij volgt mij na; bij den wal langs -, zich niet bloot geven, niets wagen; in ééne beurs -, voor gemeene rekening handelen; hij vaart zoo als de groote mast vaart, hij is en blijft even dom; het zal kwalijk met u -, het zal slecht met u afloopen. *-SGEZEL, o. (-len), matroos. *-STIJD, m. (-en), tijd bepaald tot -, tijd doorgebragt met varen.
| |
[† Varia]
† Varia, v. mv. mengelingen, allerlei. *-BEL, bn. onbestendig, veranderlijk. *-NTE, v. (-n), verschillende lezing, verandering. *-TIE, v. (...ën), verandering, wijziging; (muz.) variatiën op de viool.
| |
[† Varicellen]
† Varicellen, v. mv. waterpokken, valsche pokken. *...RIËREN, bw. ow. gel. (ik variëerde, heb gevariëerd), veranderen, wijzigen; (muz.) een stuk - (met variatiën voordragen); afwisselen, onbestendig zijn (van het weder, de beurs of marktprijzen). *...RIÉTÉ, v. (-s), afwisseling; théâtre des -s, waar allerlei (inz. kleine) stukken vertoond worden, kleine schouwburg. *...RIÉTEIT, v. (-en) verscheidenheid,
| | | |
afwisseling; bastaardsoort. *...RINAS, m. gmv. soort tabak. *...RIOLEN, *...RIOLIEDEN, v. mv. gewijzigde pokken.
| |
[Varken]
Varken, v. (-s), zek. zoogdier, zwijn; een - zengen, (met heet water overgieten, alvorens het te scheren); een - slagten (dooden); (ook fig.) eene moeijelijke zaak ten einde brengen; (spr.) veel -s maken eene dunne spoeling, waar veel te zamen deelen krijgt ieder weinig. *-, (fig.) morsig -, liederlijk -, (ook) slecht mensch; schrobber, handstoffer; (zeew.) legger, watervat. *-DRIJVER, m. (-s). *-DRIJFSTER, v. (-s). *-EN, bw. gel. (ik varkende, heb gevarkend), (zeew.) met den (scheeps)schrobber schoonmaken. *-HOEDER, m. (-s), *-HOEDSTER, v. (-s), die op de varkens past.
| |
[Varkensachtig]
Varkensachtig, bn. en bijw. (-er, -st), als een varken. *...AARD, m. gmv. *...BAK, m. (-ken). *...BLAAS, v. (...azen). *...BORSTELS, m. mv. haar van het varken. *...BROOD, o. zek. plant. *...BUIK, m. (-en). *...DARM, m. (-en), pens. *...DISTEL, m. zek. plant. *...DRAF, o. gmv. spoeling. *...DREK, m. gmv. *...GEBRAAD, o. gmv. gebraden varkens-vleesch. *...GEHAK, o. gmv. *...GRAS, o. zek. plant. *...HAAR, o. (...aren). *...JAGT, (B. *...JACHT), v. (-en), jagt op zwijnen. *...KARBONADE, v. *...KOTELET, v. mv. *...KEURDER, m. (-s). *...KINNEBAK, m. (-ken). *...KOOPER, m. (-s). *...KOP, m. (-pen). *...KOST, m. gmv. mest; (ook) voeder der varkens; (fig.) zeer slechte spijs. *...KOT, v. (-ten), stal voor de varkens; (fig.) vuile -, slechte woning. *...KRAP, v. (-pen), varkenskarbonade. *...LEÊR, *...LEDER, o. gmv. leder van varkenshuiden. *...LEVEN, o. gmv. (fig.) vuil -, ellendig leven. *...LEVER, v. (-s). *...MAAG, v. (...agen), varkenspens. *...MARKT, v. (-en). *...MEST, m. gmv. varkensdrek. -ER, m. (-s). *...MESTING, v. het mesten van varkens. *...MUIL, m. (-en), snuit van het varken. *...OOG, o. (-en). *...OOR, o. (-en). *...POOT, m. (...oten). *...PRUIM, v. soort west-ind. pruim. *...REUZEL, m. en o. gmv. *...RIB, v. (-ben). -BETJE, (B. -N), o. (-s), varkenskotelet.
| |
[Varkenschouwer]
Varkenschouwer, m. (-s), keurder der varkens. *...SCHRAPER, m. (-s), werktuig dat -, persoon die varkens afschraapt.
| |
[Varkenssmout]
Varkenssmout, o. gmv. reuzel. *...SNUIT, m. (-en). *...SPEK, o. gmv. gewoon spek. *...STAART, m. (-en), staart van het varken; (spr.) een krul meer dan een -, meer dan het noodige. *...STEEN, m. (-en), soort kalksteen. *...STRONT, m. gmv. varkensdrek. *...TONG, v. (-en). *...TRANEN, m. mv. (fig.) geveinsde tranen, (ook) krokodillentranen. *...TIJD, m. gmv. slagttijd der varkens. *...TROG, m. (-gen). *...VENKEL, v. gmv. zek. gewas. *...VET, o. gmv. *...VLEESCH, o. gmv. *...WORST, v. *...ZWOERD, *...ZWOORD, o. gmv.
| |
[Varkentje]
Varkentje, o. (-s), klein varken (in alle bet.); klein steenen spaarpotje.
| |
[Varkentor]
Varkentor, v. (-ren), zek. insekt. *...VISCH, m. (...sschen), soort bruinvisch.
| |
[Varsebalie]
Varsebalie, v. en m. (...ën), (zeew.) kuip of tobbe waarin vleesch (spek, visch enz.) ververscht wordt; persoon aan boord hiermede belast.
| |
[Vassal]
Vassal, m. (-en), leenman.
| |
[Vast]
Vast, bn. en bijw. (-er, -st), niet los, niet vloeibaar; aaneen-,
| | | |
zamenhangend; digt; het -e land (tegenst. van eiland); ineengewerkt (van deeg); -e (grove) spijzen; -e (diepe) slaap; -e ster, (in tegenst. van dwaalster of planeet); onwrikbaar, stevig; standvastig (van karakter); -e (onroerende) goederen; -geld, een bepaald inkomen; -e wal, het land, (in tegenoverstelling van de zee); (fig.) een - (onwrikbaar) besluit; - werk, werk waarop men voor zekeren tijd kan rekenen; een -e (niet te verminderen) prijs; een -e knecht, eene -e meid, knecht -, meid die niet bij den dag of de week is aangenomen; eene -e hand (in het schrijven, biljartspel enz.); met -e hand, standvastig; - (zeker, stellig) beloven; -, al -, vooreerst, intusschen.
| |
[Vastbakken]
Vastbakken,1) bw. ow. gel. bakkende zich vast- of aaneenhechten. *...BINDEN, bw. ong. *...BLAZEN, bw. ong. *...BLIJVEN, ow. ong. (fig.) volharden in; ik blijf vast bij mijn besluit. *...BOEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...BRADEN, bw. ow. gel. *...DOUWEN, *...DUWEN, bw. gel. *...DRAAIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...DRIJVEN, bw. ong. door kloppen vaster maken. *...DRUKKEN, bw. gel. ZICH -, ww. zich aan of tegen iets drukken.
| |
[Vaste]
Vaste, *-N, v. gmv. (r.k.) tijd waarin men geen vleesch of vleeschspijzen mag nuttigen; de zes weken vóór Paschen. *-LAVOND, m. zie VASTENAVOND.
| |
[Vastelijk]
Vastelijk, bijw. zekerlijk, onfeilbaar.
| |
[Vasten]
Vasten, ow. gel. (ik vastte, heb gevast), zich geheel of gedeeltelijk onthouden (inz. van eten of drinken).
| |
[Vastenavond]
Vastenavond, m. (r.k.) dag (inz. avond) vóór dat de groote vasten begint. *-GEK, m. (-ken), *-ZOT, m. (-ten), vrolijke kwant. *-TIJD, m. gmv. *-VREUGDE, m. gmv. vreugdedagen vóór het begin der vasten (inz. in de roomsche landen), karnaval. *-ZOTJE, (B. -N), o. (-s), soort bloem.
| |
[Vastendag]
Vastendag, m. (-en), dag waarop men niet of weinig eet en drinkt; dag waarop het nuttigen van zekere spijzen en dranken verboden is. *...SOEP, v. (-en), magere -, botersoep.
| |
[Vaster]
Vaster, m. (-s), *...STER, v. (-s), die vast.
| |
[Vastgaan]
Vastgaan, ow. onr. met vasten tred gaan; (fig.) zeker zijn. *...GIETEN, bw. ong. *...GRIJPEN, bw. ong. *...GROEIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. *...HAKEN, bw. gel. *...HANGEN, bw. ow. ong. *...HEBBEN, bw. onr. vasthouden; (fig.) een vast inkomen genieten. *...HECHTEN, bw. gel.
| |
[Vastheid]
Vastheid, v. gmv. stevigheid, digtheid; (fig.) zekerheid.
| |
[Vasthouden]
Vasthouden, bw. ow. onr. (ook) gevangen nemen, - houden. ZICH -, ww. zich klemmen (aan); (fig.) volharden (in zijn beweren). *-D, bn. gierig, inhalig. *-DHEID, v. gmv. taaiheid; (fig.) gierigheid, inhaligheid.
| | | |
| |
[Vastigheid]
Vastigheid, v. gmv. vastheid; (fig.) zekerheid. *-, (...heden), vast goed, onroerend goed, vast pand.
| |
[Vastkeggen]
Vastkeggen, bw. gel. met keggen vastzetten. *...KETENEN, bw. gel. *...KLAMPEN, bw. gel. *...KLEVEN, ow. gel. blijven -, niet vaneengaan. *...KLOPPEN, bw. gel. *...KLUISTEREN, bw. gel. *...KNELLEN, bw. gel. *...KNEVELEN, bw. gel. *...KNIJPEN, bw. ong. *...KNOOPEN, bw. gel. *...KOPPELEN, bw. gel. (ook fig.). *...KRUIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. zich vastzetten (van ijs). *...LAKKEN, bw. gel. *...LEGGEN, bw. gel. aan een touw -, aan eenen ketting vasthouden. *...LIGGEN, ow. ong. (ook) verzekerd zijn (van gelden in eene bank enz.); (zeew.) gebogen liggen en niet kunnen slingeren. *...LIJMEN, bw. gel. *...LOOPEN, ow. ong. ZICH -, ww. loopen tot dat men niet verder kan; (zeew.) op strand loopen. *...MAKEN, bw. gel. vasthechten; (ook) hecht maken; (zeew.) - zonder opgaan, een gespannen touw vastmaken zonder dat het minder strak staat. *...MAKING, v. het vastmaken. *...METSELEN, bw. gel. *...NAAIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...NAGELEN, bw. gel. vastspijkeren. *...NESTELEN, bw. gel. ZICH -, ww. vastraken (ook fig.). *...PAKKEN, bw. gel. *...PEKKEN, bw. gel. *...PINNEN, bw. gel. ...NING, v. het vastpinnen, bevestiging met pinnen. *...PLAKKEN, bw. gel. *...KING, v. het vastplakken. *...PLEISTEREN, bw. gel. ...PLEISTERING, v. *...PLOEG, v. (-en), (zeew.). *...PRANGEN, bw. gel. *...RAKEN, ow. gel. blijven vastzitten; (zeew.) stooten, stranden, aan den grond raken; (fig.) blijven steken (in eene rede). *...REDENEREN, bw. gel. (fig.) iem. -, pal zetten. *...RIJDEN, bw. ow. ong. *...RIJGEN, bw. ong. *...RIJPEN, onp. w. gel. vastvriezen. *...ROEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. *...SCHROEIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. *...SCHROEVEN, bw. gel. *...SCHUIVEN, bw. ong. *...SJORREN, bw. gel. *...SLAAN, bw. onr. *...SMEDEN, ow. gel. *...SOLDEREN, bw. gel. *...SPELDEN, bw. gel. *...SPIJKEREN, bw. gel. *...STAAN, ow. onr. (fig.) volharden, onwankelbaar zijn (in zijn besluit). *...STANDIG, bn. (-er, -st), standvastig. *...STEKEN, bw. ow. ong. *...STELLEN, bw. gel. (ook) bepalen. ...LING, v. (-en), (ook) bepaling; regeling. *...STIKKEN, bw. gel. *...STOPPEN, bw. gel. *...STRIKKEN, bw. gel. *...STUREN, bw. gel. (zeew.). *...STUWEN, bw. gel. (zeew.). *...TIMMEREN, bw. gel. *...TOEBINDEN, bw. ong. *...TRAPPEN, bw. gel. *...VAREN, bw. gel. ong. ZICH-, ww. onder het varen vastraken. *...VLECHTEN, bw. gel. *...VRIEZEN, onp. w. onr. *...WAAIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. ong. *...WASSEN, ow. gel. *...WERKEN, bw. gel. ZICH -, ww. (ook fig.) zich in verlegenheid brengen, zich in het riet werken. *...WOELEN, bw. gel. ZICH -, ww. door woelen vastraken. *...WRINGEN, bw. ong. ZICH -, ww. *...ZEILEN, ow. gel. *...ZETTEN, bw. gel. (ook) gevangen zetten; (fig.) iem. -, pal zetten, in het naauw brengen; zoodanig spelen (in het schaak- of damspel) dat de tegenpartij hare stukken of schijven niet verder kan bewegen. *...ZIJN, ow. onr. (fig.) door woorden of daden verbonden zijn. *...ZITTEN, ow. onr. (ook) in de gevangenis zitten; (zeew.) aan den pond zitten; (fig.) gehuwd zijn; (ook) aan den duivel verkocht zijn. *...ZWACHTELEN, bw. gel.
| |
[Vat]
Vat, o. (-en), alles wat iets vochtigs bevatten kan; vaas, kan,
| | | |
ton; een nederl. -, hectoliter (= 100 ned. kan); (ontl.) de valen van het ligchaam, (darmen, cellen enz.); de -en (borden, pannen enz.) wasschen; een - (tou) wijn; een - opsteken, er het eerst van beginnen te tappen; naar het - smaken, fustig zijn; wat in een goed - is verzuurt niet, uitgesteld is niet verloren; (bijb.) uitverkoren -en, menschen tot groote doeleinden bestemd. *-, m. greep; (fig.) het vatten, grijpen, greep; (fig.) geenen - op iem. hebben, iem. van niets kunnen beschuldigen, geene reden tot aanklagte tegen iem. hebben. *-ACHTIG, bn, als een vat; (ook) fustig; (ontl.) met vaten. *-BAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), te vatten, te grijpen; hij is zeer - voor koude, hij wordt ligt verkouden; (fig.) bevattelijk; - zijn voor rede, redenering, rede verstaan; hij is niet - voor verbetering, hij is niet te verbeteren. -HEID, v. gmv. bevattelijkheid; geschiktheid. *-BINDER, m. (-s), kuiper.
| |
[Vaten]
Vaten, bw. gel. (ik vaatte, heb gevaat), in of op vaten doen, fusten. *-WASSCHER, m. (-s). *-WASCHSTER, v. (-s).
| |
[Vatgeld]
Vatgeld, o. (-en), tonnengeld. *...HOUT, o. (-en), kuiphout, duigen.
| |
[† Vatikaan]
† Vatikaan, o. gmv. het paleis van den paus te Rome; (fig.) de paus, de pauselijke regering; de bliksem van het -, de pauselijke banvloek.
| |
[Vatsel]
Vatsel, o. (-s), handvatsel. *...SPOELSEL, o. waschwater der vaten.
| |
[↑ Vattelijk]
↑ Vattelijk, bn. (-er, -st), bevattelijk, vatbaar.
| |
[Vatten]
Vatten, bw. ow. gel. (ik vatte, heb gevat); grijpen, tasten, aanraken, nemen; dat slot vat niet (sluit niet goed); het anker vat niet, het blijft niet in den grond zitten, het sleept; dat zeil wil geen wind -, de wind waait er langs zonder het te doen opzwellen; hij is gevat (in verzekerde bewaring gebragt). *...TING, v. het vatten, vat.
| |
[Vatvuil]
Vatvuil, o. gmv. droesem, bodemaanzetsel (van een vat).
| |
[† Vaudeville]
† Vaudeville, o. (-s), (ontl.) volks- of straatliedje; (thans) klein zangspel.
| |
[† Vauxhall]
† Vauxhall, m. (-s), verlichte lusttuin (met muziek enz.).
| |
[Vechtachtig]
Vechtachtig, bn. (-er, -st), het vechten beminnende, twistziek, kijfachtig. *-HEID, v. gmv. twistzucht.
| |
[Vechten]
Vechten, ow. ong. (ik vocht, heb gevochten), strijden, kampen, zich te weer stellen, aanvallen. *-SGEZIND, bn. geneigd tot vechten.
| |
[Vechter]
Vechter, m., *...STER, v. (-s), iem. die altijd vecht of wil vechten, twistzoeker, -zoekster. *-IJ, v. vechtpartij. *-SBAAS, m. (...azen), voorvechter.
| |
[Vechtkunst]
Vechtkunst, v. gmv. oorlogskunst, schermkunst. *...LUST, m. gmv. *...MEESTER, m. (-s), schermmeester. *...PARTIJ, v. (-en), kloppartij, schermutseling. *...PERK, o. (-en), strijd-, worstelperk. *...PLAATS, v. (-en), gekozen plaats tot een tweegevecht. *...SCHOOL, v. (...olen), schermschool. *...VAAN, v. (...anen), banier; roode bloedvlag.
| |
[† Vedas]
† Vedas, m. mv. heilige boeken der Hindoes.
| |
[Vedel]
Vedel, v. (-s), (oudt.) viool. *-AAR, m. (-s, ...aren), vioolspeler, dorpsmuziekant. *-BOOG, m. (...ogen), strijkstok. *-HOUT, o. (-en), soort hout. *-HOUTBOOM, m. (-en). *-HARS, m. gmv. vioolhars, † colophaan. *-SNAAR, v. (...aren). *-SPELER, m. (-s), *-SPEELSTER, v. (-s).
| | | |
| |
[Veder]
Veder, v. (-en), pluim, dons, pen; huidbekleedsel der vogels; baard (aan eenen pijl); (spr.) met eens anderen (of geleende) -en (of veêren) pronken, met eens anderen werk eer of roem verwerven; (spr.) men kent den vogel aan zijne -en, men leert iemand uit zijn voorkomen kennen; (fig.) zijne schoonste -en (kleederen) aantrekken; zoo lang hij eene - van den mond kan blazen, zoo lang hij nog eenige middelen bezit. *-, veêr. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als -, van vederen. *-BAL, m. (-len), pluimbal. *-BED, o. (-den), bed met vederen gevuld. *-BEZEM, m. (-s), zeer zachte bezem, - borstel. *-BOS, m. (-sen), pluim (op eenen krijgsmanshoed of helm). *-HANDEL, m. gmv. *-HANDELAAR, m. (-s), -STER, v. (-s). *-HOED, m. (-en), hoed met eene pluim. *-JAGT, v. (-en), vogeljagt. *-KRUID, o. (-en), zek. plant. *-KUSSEN, o. (-s), kussen met vederen gevuld. *-LIGT, bn. ligt als eene veder. *-LOOS, bn. naakt, zonder vederen. *-VERKOOPER, m. (-s), ...STER, v. (-s). *-VOL, bn. vol vederen. *-VORMIG, bn. als eene veder; waaijervormig.
| |
[† Vedette]
† Vedette, v. (-n), schildwacht te paard, ruiterwacht, uiterste voorpost.
| |
[Vee]
Vee, o. gmv. de redelooze -, (inz.) tamme viervoetige dieren; het - van het veld, horenvee; gewold -, schapen; geschubd -, visschen; gevederd -, vogelen. *-, (fig.) slecht volk, gespuis. *-ARTS, m. (-en), die het zieke vee geneest. *-ARTSENIJKUNDE, v. gmv. bereiding van geneesmiddelen voor het vee. *-BOOT, v. (-en), stoomboot waarmede vee vervoerd wordt. *-DIEF, m. (...ven). *-DIEVERIJ, v. (-en), het stelen van vee (uit de weide). *-DRIJVER, m. (-s). *-FONDS, o. verzekeringfonds tegen de verliezen door veeziekte. *-FOKKER, m., ...STER, v. (-s), vetweider. *-FOKKERIJ, v. (-en), vetweiderij.
| |
[Veeg]
Veeg, bn. en bijw. (er, -st), gevaarlijk, netelig, hagchelijk, dreigend; het staat - (slecht) met hem; -, (op sterven) liggen; een - (verdorven) land. *-, m. gmv. het vegen; geef hier nog een - (of veegje), (nog een streekje met den stoffer, eenen doek enz.). *-, zware slag, oorveeg, snede; (fig.) scherp verwijt. *-, v. (...egen), feeks. *-MES, o. (-sen), schoenmakers-, smidsmes. *-SEL, o. aangeveegd drek of vuil. *-STER, v. (-s), vrouw die veegt.
| |
[Veehandel]
Veehandel, o. gmv. handel in vee. *-AAR, m. (-s), -STER, v. (-s). *...HOEDER, m., *...HOEDSTER, v. (-s), die op het vee past. *...HOEDERIJ, v. (-en). *...HONGER, m. gmv. geeuwhonger. *...KOOPER, m. (-s). *...KOOPSTER, v. (-s). *...KUDDE, v. (-n).
| |
[Veel]
Veel, bn. en bijw. (meer, meest), het tegenovergestelde van weinig; in menigte, zeer overvloedig, -lijk; in groote hoeveelheid; voor zoo - als; (zamengest. tot voegw.) voor zoo - (zoo verre) ik weet; zoo - (des) te beter, te erger. *-, o. vele dingen, - voorwerpen; ik zag - dat mij niel beviel; - behaagt mij hier. *-AL, bijw. dikwijls, meermalen. *-BEMIND, bn. zeer bemind. *-BLOEMIG, bn. *-BLADIG, bn. (plant.). *-BORSTELIG, bn. *-DEELIG, bn. veelledig. *-DOORNIG, bn. (plant.). *...DRUK, m. (-ken), (boekdr.). *-DRUKKER, m. (-s). *-EER, bijw. eerder, liever. *-ETEND, bn. zich sterk voedend. *-ETER, m. (-s). *-EETSTER, v. (-s). *-GATIG, bn. met
| | | |
veel gaten of poriën, sponsachtig. *-GODENDOM, o., *-GODERIJ, v. gmv. heidendom, † polytheïsme; aanbidding van veel goden. *-HALMIG, bn. (plant.). *-HARIG, bn. *-HEID, v. (...eden), menigte; (rek.) verzameling van grootheden; groot aantal. *-HOEK, m. (-en), (meetk.) polygoon. *-HOEKIG, bn. (meetk.). -HEID, v. gmv. *-HOOFDIG, bn. met veel hoofden; (ook fig.) -e regering, bestuur door vele personen tegelijk. *-JARIG, bn. -HEID, v. gmv. ouderdom. *-KENNER, m. (-s), ...STER, v. (-s). *-KLEURIG, bn. bont. -HEID, v. gmv. bontheid. *-LEDIG, bn. met veel leden; (rek.) eene -e grootheid. *-LETTERGREPIG, bn. *-LIGT, bijw. welligt. *-MAALS, bijw. dikwijls, dikwerf. *-MALIG, bn. en bijw. herhaald; dikwijls. *-MANNERIJ, v. gmv. onnatuurlijk verkeer der mannen. *-MEER, bijw. veeleer. *-MIN, bijw. des te minder. *-MONDIG, bn. (nat. gesch. en aardr.) eene -e rivier. *-NAMIG, bn. *-POOTIG, bn. *-SCHRIJVER, m. (-s), kladder, broodschrijver; (ook) oppervlakkig schrijver. *-SLACHTIG, bn. (taalk.) iets dat veel geslachten heeft of er toe behoort. *-SOORTIG, bn. *-STEKELIG, bn. *-STIJLIG, bn. (plant.). *-TAKKIG, bn. (ook fig.). *-TIJDS, bijw. dikwijls. *-VAKKIG, bn. met; veel vakken. *-VERWIG, bn. veelkleurig. *-VINGERIG, bn. *-VOET, m. (nat. gesch.) soort insekt, † polypus. -IG, bn. (nat. gesch.). *-VORMIG, bn. *-VOUD, v. (rek.) deelbaar getal; 12 is het - van 2 × 2 × 3; het kleinste gemeene -, het kleinst mogelijke getal waarin zijne factoren opgaan; 12 is het kleinste gemeene - van 2, 3 en 4. *-VRAAT, m. (...aten), zek. dier; (ook) gulzigaard. *-VULDIG, bn. en bijw. (-er, -st), talrijk; dikwijls. *-WETEND, bn. *-WETER, m. (-s). *-WEETSTER, v. (-s). *-WETERIJ, v. gmv. geleerdheid; betweterij. *-WIJVERIJ, v. gmv. het huwen van veel vrouwen; † polygamie. *-WIJVIG, bn. (plant). *-WOORDIG, bn. woordenrijk; wijdloopig. *-ZADIG, bn. (plant.) de -en, planten die veel zaad voeren. *-ZIJDIG, bn. (meetk.); (ook fig.) veelvuldig; eene -e kennis, kennis die velerlei wetenschappen omvat. *-ZIJDS, bijw. van vele zijden of kanten. *-ZINS, bijw. op velerlei wijze.
| |
[Veem]
Veem, o. (B.o. en. v.), (-en), (oudt.) geheim genootschap; veemgerigt; (nog) waagdragersgild of gebroederschap (inz. te Amsterdam).
| |
[Veeman]
Veeman, m. (...lieden), boer, landman. *...MARKT, v. (-en), plaats waar vee ten verkoop aangevoerd wordt. *...MEESTER, m. (-s), opzigter van het vee.
| |
[Veen]
Veen, o. (-en), turfland, -grond, -aarde; (spr.) in het - komt het op geen turfje aan, waar veel is behoeft men niet te sparen. *-AARDE, v. gmv. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als veen. *-ADER, v. (-s). *...AKKER, m. (-s). *-ARBEID, m. gmv. *-BAAS, m. (...azen), opzigter eener veenderij. *-BEZIE, v. (...ën), soort bezie. *-BOER, m. (-en), iem. die zich bezig houdt met turf maken, eigenaar eener veenderij. *-BONK, m. (-en), groote turfkluit. *-BOOR, v. (...oren), werktuig om naar turf te zoeken. *-DERIJ, v. (-en), turfgrond, aanleg tot verveening. *-EN, ow. gel. (ik veende, heb geveend), turf steken, - maken. *-GRAVER, m. (-s). *-GRAAFSTER, v. (-s). *-GRAVERIJ, v. (-en). *-GROND, m. (-en). *-MAN, m. (...lieden), turfsteker.
| | | |
*MOS, o. (-sen), zek. plant. *-PLAATS, v. (-en). *-PUIT, m. (-en), soort paling. *-PUT, m. (-ten). *-SLIK, o. gmv. *-WERKER, m. (-s). *-WERKSTER, v. (-s).
| |
[Veêr]
Veêr, v. (-en), zie VEDER; metalen -, platte draad wier drukking eenen terugstoot te weeg brengt; horologie-; - aan een slot. *-, dun gezaagd hout. *-BUIGER, m. (-s), zek. werktuig.
| |
[Veer]
Veer, o. (veren), plaats van vertrek en aankomst der beurtschepen; punt aan eene rivier waar men wordt overgezet; (ook) beurtvaart; (fig.) hij gaat over de veren, overal legt hij eens aan, (ook) - om te borrelen. *-BOOT, v. (-en). *-GELD, o. (-en). *-LOON, o. (-en). *-HUIS, o. (...zen), huis waar de beurt- of veerschuiten vertrekken, - waar men de plaatsen bestelt enz.
| |
[Veerijk]
Veerijk, bn. rijk aan vee.
| |
[Veerkracht]
Veerkracht, v. gmv. (nat.) inwonende eigenschap der ligchamen om na eene drukking hunnen vorigen vorm te hernemen, elasticiteit; (fig.) drukking eener (metalen) veer. *-IG, bn. (-er, -st), uitzettend, drukkend, † elastisch, elastiek.
| |
[Veerman]
Veerman, m. (...lieden), beurtschipper; (ook) die met eene pont of schouw de lieden overzet. *...PONT, v. (-en). *...SCHIP, o. (...epen), beurtschip. -PER, m. (-s). *...SCHUIT, v. (-en).
| |
[Veertien]
Veertien, telw. en bn. hoofdgetal; over of binnen - dagen, (eene halve maand); een dag of -, min of meer 14 dagen; de Breê -, eene zandbank op de westkust van Nederland; wij waren met ons -en. *-DAAGSCH, bn. 14 dagen durende, om de 14 dagen terugkeerende. *-DAGIG, bn. van 14daagschen duur. *-DE, bn. rangschikkend getal; de 14e (dag der maand); Lodewijk de - of XIV, de veertiende van dien naam. *-, o. het 14e deel (van iets); de -e man, (aan eene tafel, om het getal 13 te overschrijden dat, volgens een dom bijgeloof, onheilspellend is). *-DEHALF, bn. dertien en een half. *-DERHANDE, *-DERLEI, bn. van 14 verschillende soorten. *-JARIG, bn. 14 jaar oud, om de 14 jaar terugkeerende. *-MAAL, (of veertien malen, bijw. *-MAANDIG, bn. 14 maanden oud, om de 14 maanden terugkeerende. *-URIG, bn. 14 uur oud, 14 uur geduurd hebbende.
| |
[Veertig]
Veertig, telw. en bn. hoofdgetal; (gesch.) de raad van - (veertig leden, te Venetië); (kooph.) - dagen na zigt (zes weken); hij is in de - (jaar oud); om en bij de -, omtrent -, bijkans veertig. *-DAAGSCH, bn. *-ER, m. (-s), iem. die 40 jaar oud is; hij is een goede, stijve - (45, 46 jaar of ouder); (ook) oorlogsschip van 40 stukken; wijn van het gewas van 1840. *-JARIG, bn. *-MAAL, bijw. *-MAANDIG, bijw. *-STE, bn. rangschikkend getal. -, o. het 40ste deel. *-TAL, o. (-len). *-VOUD, o. (-en). -, *-VOUDIG, bn.
| |
[Veêrvormig]
Veêrvormig, bn. (ontl.) als eene veder.
| |
[Veerwijf]
Veerwijf, v. (...ven), vrouw die een veer (beurtvaart) bestuurt.
| |
[§ Veest]
§ Veest, v. (-en), wind (uit het lijf).
| |
[Veestal]
Veestal, m. (-len). *...STAPEL, m. (-s), voorraad -, aantal runderen, schapen enz. in een land aanwezig. *...STERFTE, v. gmv.
| |
[Veete, Veede, Vete]
Veete, Veede, Vete, v. (-n), wrok, haat, vijandschap; † vendetta
| | | |
(inz. op Korsika). *-BRIEF, m. (...ven), schriftelijke aanzegging van vijandschap, uitdaging, † cartel. *-LOOS, bn. zonder wrok.
| |
[Veeteelt]
Veeteelt, v. gmv. het fokken van vee, veefokkerij *...VOEDER, o. gmv. *...ZIEKTE, v. (-n).
| |
[Vegen]
Vegen, bw. gel. (ik veegde, heb geveegd), wrijven, van stof reinigen, borstelen; (fig.) afrossen; de baan -, of schoon-, ruimtemaken, het overtollige -, het minder goede doen verdwijnen; iem. -, of iem. den mantel -; (fig.) verwijtingen maken. *...GER, m. (-s), bezem, stoffer. -, m., VEEGSTER, v. (-s), die veegt.
| |
[† Vegetabiliën]
Vegetabiliën, v. mv. gewassen, kruiden. *...TATIE, v. gmv. plantengroei, -leven. *...TEREN, ow. gel. (ik vegeteerde, heb gevegeteerd), een plantenleven leiden; geen genoegen voor de zinnen of den geest smaken.
| |
[† Vehement]
† Vehement, bn. en bijw. (-er, -st), hevig, -lijk, sterk, geweldig. *...HIKEL, *...HICULUM, o. (-s), voertuig; (ook fig.) beweegoorzaak.
| |
[Veil]
Veil, o. gmv. klimop, zek. plant. *-, bn. (-er, -st), te koop; omkoopbaar; zijn leven - hebben voor, bereid zijn het op te offeren voor...; hij is voor alles -, voor geld kan men alles van hem gedaan hebben; -e (verdorvene) stad! eene -e (onkuische) deern. *-BAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), verkoopbaar. *-DAG, m. (-en), verkoopdag (voor publieke verkoopingen). *-DRAGER, m., *-DRAAGSTER, v. (-s), uitdrager, -draagster. *-EN, bw. gel. (ik veilde, heb geveild), in het openbaar verkoopen, - te koop bieden. *-ER, m. (-s), verkooper, vendumeester. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), *-IGLIJK, bijw. zeker, verzekerd, beveiligd, behoed; zonder gevaar. *-IGEN, bn. beveiligen. *-IGHEID, v. gmv. zekerheid, veilige staat, - toestand. *-ING, v. (-en), openbare verkooping (van huizen, landerijen, boeken enz.). *-KRANS, m. (-en), klimop-krans. *-TIJD, m. (-en), verkooptijd. *-UUR, o. (...uren), verkoopnur.
| |
[† Veine]
† Veine, v. (-s), ader; en - zijn, op zijn dreef zijn; geluk hebben (in het spel).
| |
[Veinood]
Veinood, m. zie VENNOOT.
| |
[Veinsaard]
Veinsaard, m. (-s), VEINSSTER, v. (-s), geveinsd -, valsch mensch, huichelaar, -ster.
| |
[Veinzen]
Veinzen, ow. gel. (ik veinsde, heb geveinsd), huichelen, verhelen (zijne gedachten, zijn gevoel); geveinsde (beweerde, gehuichelde) vriendschap. *...ZER, m. (-s), veinsaard. *...ZERIJ, v. (-en), huichelarij, valschheid, verheling (der gedachten).
| |
[† Veitsdans (Sint-)]
† Veitsdans (Sint-), m. gmv. (gen.) onwillekeurige beweging van het ligchaam, zenuwachtige kramptrekkingen (zek. ziekte).
| |
[Vel]
Vel, o. (-len), huid (van menschen en dieren); (fig.) in een slecht - steken, ziekelijk -, zwak zijn; (fig.) van woede uit zijn - springen, zeer boos zijn; iem. het - over de ooren trekken, iem. door woeker geld afpersen, zeer duur laten betalen. *-, kwaadaardig vrouwspersoon. *-, blad papier; een - druks (van 16 of 24 bladzijden). *-, vlies over gekookte melk.
| |
[Veld]
Veld, o. (-en), land, akker; vlakte; weide; onbehouwde plek; slagveld; (fab.) de Elizeesche -en, het verblijf der gelukzaligen; de
| | | |
-en (ruiten) van een dam- of schaakbord; (wap.) grond van een wapenschild; te -e trekken, naar den oorlog gaan, (ook fig.) iem. bestrijden; (fig.) den vijand uit het - slaan, iem. pal zetten, beschamen; het - behouden, zich staande houden, (ook fig.) aan het langste eind blijven. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als -, van het veld. *-AJUIN, m. wilde uijen. *-ALTAAR, o. (...aren), draagbaar altaar. *-ANJELIER, m. (-en), zek. bloem. *-APOTHEEK, m. (...eken), vervoerbare (leger-) apotheek. *-APOTHEKER, m. (-s). *-ARBEID, m. gmv. landbouw. *-ARTILLERIE, v. gmv. grof geschut. *-ARTS, m. (-en), officier van gezondheid. *-BAKKER, m. (-s). -IJ, v. (-en). *-BATTERIJ, v. (-en). *-BED, o. (-den), legerbed; rustbed, brits. *-BEWONER, m., *-BEWOONSTER, v. (-s). *-BLOEM, v. (-en). *-BOON, v. (-en), tuinboon. *-BOUW, m. gmv. akkerbouw. -ER, m. (-s). *-CHIRURGIJN, m. (-s), plattelands-heelmeester; (ook) chirurgijn bij het leger. *-CIPRES, v. (-sen), zek. boom. *-DIEF, m. (...ven), strooper, struikroover. *-DIEVERIJ, v. (-en). *-DIENST, v. (-en), dienst te velde (van een leger); (ook) heerendienst. *-DISTEL, m. (-s), zek. gewas. *-DRAGON, v. gmv. *-DUIF, v. (...ven), wilde duif. *-ELING, m. en v. (-en), veldbewoner. *-EPPE, v. gmv. zek. gewas. *-FLESCH, v. (...sschen), soldaten-, matten flesch. *-FLUIT, v. (-en), herdersfluit. *-GEDIERTE, o. gmv. *-GESCHREEUW, *-GESCHREI, o. gmv. oorlogskreten. *-GEWAS, o. (-sen). *-GEZANG, o. (-en), herderszang; † bucolica. *-GEZIGT, o. (-en), landschapsschilderij. *-GOD, m. (-en), *-GODIN, v. (-nen), (fab.) landelijke -, boschgod, boschgodin. *-GRAS, o. gmv. *-HAVER, v. gmv. wilde haver.
| |
[Veldheer]
Veldheer, m. (-en), aanvoerder, bevelhebber, legerhoofd, generaal. *-LIJK, bn. en bijw. als -, van een veldheer. *-SCHAP, o., *-SCHAPPIJ, v. gmv. gezag -, gebied -, magt van den veldheer. *-SGAVE, v. aangeboren aanleg tot veldheer. *-(S)KUNST, v. gmv. *-STALENT, o., (-en), *-SBEKWAAMHEID, v. (...heden).
| |
[Veldhoed]
Veldhoed, m. (-en), helm, oorlogshoed; (ook) ligte zomerhoed. *...HOEN, o. (-ders, -deren), wild hoen. *...HOSPITAAL, o. (...alen). *...HUT, v. (-ten). *...JAGER, m. (-s). *...KAARS, v. (-en), zek. gewas. *...KAS, v. (-sen), oorlogs-, krijgskas. *...KERS, v. gmv. (plant.) wilde kers. *...KETEL, m. (-s), soldatenketel. *...KLAVER, v. zek. kruid. *...KOETS, v. (-en), oorlogskoets, veldheerskoets. *...KONIJN, o. (-en), wild konijn. *...KREKEL, m. (-s), wilde krekel. *...LATUW, v. gmv. zek. kruid. *...LAZARET, o. (-s), veldhospitaal. *...LEEUWERIK, v. (-ken), wilde leeuwerik. *...LEGER, o. (-s), leger te velde. *...LEGERING, v. (-en), inlegering ten platten lande, kantonnement. *...LELIE, v. (...ën), wilde lelie; lelie der dalen. *...LIED, o. (-eren), veldgezang. *...MAARSCHALK, m. (-en), algemeene opperbevelhebber eens legers. -SCHAP, o. gmv. waardigheid van veldmaarschalk. *...MAARSCHALKSSTAF, m. (...aven). *...MARTER, m. (-s), wilde marter. *...METER, m. (-s), landmeter. *...MOSCH, v. (...sschen), wilde mosch. *...MUIS, v. (...zen). *...MUZIEK, *...MUZIJK, v. gmv. *...NIMF, v. (-en). *...ONTDEKKER, m. (-s), (oorl.) verkenner. ...KING, v. (-en), verkenning. *...OVERSTE, m. (-n), veldheer. *...PATRIJS, v. (...zen), zek. vogel. *...PIJP, v. (-en), veld- | | | | fluit.
*...POST, m. (-en), legerschildwacht. *...PREDIKANT, m. (-en), *...PREDIKER, m. (-s), predikant bij het leger. *...PRIESTER, m. (-s), almoezenier. *...RAT, *...ROT, v. (-ten). *...RIET, o. (-en), (fig.) veldfluit. *...ROK, m. (-ken), soldatenpij. *...ROOS, o. (...ozen), wilde roos. *...ROOSJE, (B. -N), o. (-s). *...SAFFRAAN, v. gmv. zek. kruid. *...SALADE, v. gmv. *...SALIE, v. gmv. *...SCHADE, v. (-n), schade -, nadeel in het open veld toegebragt. *...SCHALMEI, v. (-jen, B. -en). *...SCHEERDER, m. (-s). *...SLAG, m. (-en). *...SLANG, v. (-en), soort kanon. *...SMEDERIJ, v. (-en). *...SNIP, v. (-pen), zek. vogel. *...SPIN, v. (-nen), groote spin, hooiwagen. *...SPINAZIE, v. gmv. wilde spinazie. *...SPAATH, m. gmv. zek. delfstof. *...STOEL, m. (-en), vouwstoel. *...STUK, o. (-ken), zwaar kanon. *...TEEKEN, o. (-s), (oorl.) sein. *...TENT, v. (-en). *...TOGT, m. (-en). *...TREIN, m. (-en), (oorl.) legertroep. *...TROS, m. (-sen), oorlogsbagaadje. *...TUIG, o. gmv. oorlogstuig. *...TUIGMEESTER, m. (-s), aanvoerder der artillerie. *...TUIGWERKER, m. (-s), geschutwerker. *...VAAN, v. (...anen), banier. *...VLAM, v. (-men), zek. kruid. *...VERMAAK, o. (...aken), uitspanning -, genieting -, feest in het open veld. *...VLUGTIG, bn. voortvlugtig. *...VRUCHT, v. (-en), aardvrucht, (ook) koren, *...WACHT, v. (-en), (oorl.); 's Rijks -, politie. -ER, m. (-s), politie-agent ten platten lande; (ook) bosch-wachter. *...WORM, m. (B.v.) (-en). *...ZIEKTE, v. (-n), besmettelijke ziekte in eene legerplaats. *...ZIGT, o. gmv. gezigt op of over het veld.
| |
[Vele]
Vele, vnw. aantal, veel. *-N, m. mv. veel menschen, veel lieden. -, bw. gel. (ik veelde, heb geveeld), verdragen, verduren, dulden.
| |
[Velerhande, Velerlei]
Velerhande, Velerlei, bn. van alle soort, veelvuldig.
| |
[Velg]
Velg, v. (-en), buitenrand van een wiel.
| |
[Velijn]
Velijn, *-PAPIER, o. (-en), gesatineerd papier.
| |
[Vellen]
Vellen, bw. gel. (ik velde, heb geveld), omhouwen, omhakken; doen vallen; de pieken - (presenteren); (fig.) een oordeel, vonnis - (uitspreken). *-KOOPER, m., *-KOOPSTER, v. (-s), huidenkooper, -ster. *-PLOTER, m., *-PLOOTSTER, v. (-s), die de wol van de schapenvellen scheert; zeemtouwer, zeemtouwster.
| |
[Velletje]
Velletje, (B. *-N), o. (-s), klein vel, vliesje. *...LIES, o. (...zen), valies. *...LIG, bn. (-er, -st), vlies-, huidachtig; met vel bedekt.
| |
[† Velociteit]
† Velociteit, v. gmv. vlugheid, gezwindheid.
| |
[Vendel]
Vendel, o. (-s, -en), (oudt.) vaandel; kompagnie (soldaten).
| |
[† Vendetta]
† Vendetta, v. (-as), erfvijandschap, familie-vete. *...DITA, *...TA, v. (-as), verkoophuis.
| |
[† Vendu]
† Vendu, v. (-en), openbare verkooping. *-HUIS, o. (...zen), huis voor openbare verkoopingen. *-KNECHT, m. (-en). *-MEESTER, m. (-s), openbare verkooper, afslager. *-REGT, o. (-en), regt van openbaren verkoop.
| |
[† Venerabel]
† Venerabel, bn. (-er, -st), eerbiedwaard. *...RABILE, o. gmv. (r.k.) het hoogwaarde, (het Christusbeeld). *...RATIE, v. (...ën), vereering. *...REREN, bw. gel. (ik venereerde, heb gevenereerd), vereeren, aanbidden.
| |
[† Venerisch]
† Venerisch, *...RIEK, bn. (gen.) van venusziekte besmet. *...RIEK, o. gmv. venusziekte.
| | | |
| |
[† Venia aetatis]
† Venia aetatis, v. jarenvermindering -, afslag van jaren (aan minderjarigen); brieven van - (van meerderjarigheid).
| |
[Venijn]
Venijn, o. (-en), gif, vergift; (fig.) lastertaal. *-DRANK, m. (-en), gifdrank. *-MENGER, m., *-MENGSTER, v. (-s), gifmenger, - mengster. *-IG, bn. (-er, -st), vergiftigd; (fig.) bits, boos, lasterend.
| |
[† Venizoen]
† Venizoen, o. gmv. wild, wildbraad. *-PASTEI, v. (-jen, B. -en).
| |
[Venkel]
Venkel, v. (-s), zek. kruid. *-APPEL, m. (-s, -en). *-OLIE, v. gmv. *-WATER, o. gmv. *-ZAAD, v. (...aden).
| |
[Vennoot]
Vennoot, m. en v. (-en), lid -, deelgenoot eener maat- of vennootschap, stille deelhebber. *-SCHAP, v. (-pen), naamlooze maatschappij (van kooplieden, fabriekanten enz.), deelgenootschap, handelmaatschappij.
| |
[Venster]
Venster, o. (-s), raam met glasruiten. *-BANK, v. (-en), bank voor een venster. *-BESLAG, o. gmv. ijzeren beslag aan een venster. *-BLIND, o. (-en), luik aan een venster. *-BOOG, m. (...ogen), (bouwk.) ojief, spitsboog. *-BOOM, m. (-en), middenstaak of stang van een venster. *-GAT, o. (-en), (bouwk.). *-GELD, o. (-en), belasting op de vensters. *-GLAS, o. (...azen), glas voor vensterruiten. *-GORDIJN, v. (-en). *-GRENDEL, m. (-s). *-HAAK, m. (...aken). *-KLEED, o. (-en), scherm, gordijn voor een venster. *-KNIP, m., -JE, (B. -N), o. (-s), grendeltje voor een venster. *-KOORD, o. en v. (-en). *-KRAM, v. (-men). *-KRUIS, o. (...zen), geraamte van een venster zonder de glazen. *-KUSSEN, o. (-s), langwerpig kussen op eene vensterbank. *-KWAST, m. (-en), kwast aan eene staatsiegordijn voor een venster. *-LOOD, o. (-en), zwaartelood aan een schuifraam. *-LUIK, o. (-en). *-MAT, v. (-ten), vloermat voor een venster. *-MUZIEK, v. gmv. muziek ter eere van iem. voor de vensters zijner woning gespeeld, serenade, aubade. *-PEN, v. (-nen), (timm.). *-RAAM, o. en v. (...amen). *-ROEDE, v. (-n), (timm.) lijstje van het vensterkruis. *-RUIT, v. (-en), gesneden glas voor een venster. *-SCHARNIER, o. (-en). *-TJE, (B -N), o. (-s), klein venster. *-TRALIE, v. (...ën). *-WERK, o. (-en), toestel tot een venster. *-ZIEK, bn. een weinig ongesteld. -TE, v. gmv. ligte ongesteldheid.
| |
[§ Vent]
§ Vent, m. (-en), kerel, man. *-JE, (B. -N), o. (-s), manneke.
| |
[† Venta]
† Venta, v. (-as), herberg aan den grooten weg, (in Spanje en Portugal).
| |
[Ventbaar]
Ventbaar, bn. (-der, -st), verkoopbaar.
| |
[Venten]
Venten, bw. gel. (ik ventte, heb gevent), verkoopen (inz. aan de huizen).
| |
[Ventiel]
Ventiel, m. (-en), windklep. *...TILATIE, v. (...ën), luchtverversching; luchtstrooming; (fig.) naauwkeurig onderzoek. *...TILATOR, m. (-s), luchtververscher, windvang (werkt.).
| |
[† Ventriloquentie]
† Ventriloquentie, v. gmv. buikspraak, -spreekkunst. *...LOQUE, *...LOQUIST, m. en v. (-en), buikspreker, -spreekster.
| |
[Ventjagen]
Ventjagen, ow. gel. (ik ventjaagde, heb geventjaagd), rondvaren (om koopwaren ter markt te brengen); (ook) rondventen. *...JAGER, m. (-s), marskramer; (ook) schuit die ventjaagt. -IJ, v. (-en), het ventjagen; marskramerij.
| | | |
| |
[Venus]
Venus, v. (fab.) godin der schoonheid; (fig.) geslachtsdrift, wellust; (sterr.) morgen- en avondster, planeet (aangeduid door het teeken ); (scheik.) koper. *-ANGEL, m. (-s), (ontl.). *-BERG, m. (-en), (ontl.). *-BUIL, v. (-en), (heelk.). *-DIENST, v. gmv. eeredienst aan Venus bewezen; (fig.) een ontuchtig leven. *-DIER, o. (-en), ontuchtig vrouwspersoon. *-HAAR, o. (...aren), zek. plant. *-JONKER, m. (-s), losbandige jongeling, zwierbol, § hoerenjager. *-KWAAL, v. (...alen), *-ZIEKTE, v. (-n), veneriek. *-NAVELKRUID, o. (-en), zek. plant. *-SPEL, o. (-en), minnespel. *-TEMPEL, m. (-s). *-ZOON, m. gmv. (fab.) Amor, Cupido; de minnegod.
| |
[Ver, Verre]
Ver, Verre, bn. en bijw. (-der, -st), afgelegen, verwijderd; (fig.) een -re (niet nabestaande) bloedverwant; eene -re hoop, verwachting, (wier vervulling niet nabij is); gevorderd; hoe - zijt gij? hoe - is zij al? hoe veel maanden is zij zwanger? het zij -re dat ik hem beschuldige! dat zij -re! daarmede zal hij niet - komen, daarvan zal hij niet veel vrucht zien; hij is - van rijk (te zijn); het is nog - van zingen, wij kunnen nog den goeden uitslag niet verzekerd achten; het is - beneden mij, ik acht mij te hoog, - te verheven; hij gaat te -, hij is niet gematigd; tot dusverre, tot hier; tot hier toe en niet -der; lees niet -der, ga niet voort met lezen; ik kan niet -der (voort); al het -dere (overige) schenk ik u; het -dere weet gij; en zoo -der, en zoo voorts; -der strekken zijne eischen niet, meer verlangt hij niet; hel verdere, hetgeen volgt.
| |
[Veraangenamen]
Veraangenamen, bw. gel. (ik veraangenaamde heb veraangenaamd), aangenaam maken. *...AANGENAMING, v. het veraangenamen. *...AARDEN, bw. ow.1) tot aarde maken, met aarde bedekken; ontaarden. *...AARDING, v. het veraarden. *...ABUSEREN (ZICH), ww. gel. zich vergissen, dwalen. *...ACCIJNSEN, bw. gel. accijns -, regten opleggen of betalen.
| |
[Veracht]
Veracht, bn. en dw. niet in achting. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), laag, waard veracht te worden; met verachting. -HEID, v. gmv. *-ELOOZEN, bw. gel. (ik verachteloosde, heb verachteloosd), verwaarloozen. *-EN, bw. gel. niet achten, met minachting aanzien, - behandelen; trotseren. -D, bn. en dw. honend; minachtend; verachtelijk. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die veracht; die trotseert. *-EREN, ow. gel. (ik verachterde, ben verachterd), achterlijk raken; achteruit gaan; in waarde -, in gehalte verminderen. ...ING, v. (-en), het verachteren, vermindering, achteruitgang. *-ING, v. gmv. het verachten; hoon, minachting.
| |
[† Veraciteit]
† Veraciteit, v. gmv. waarheidsliefde; echtheid; geloofbaarheid.
| |
[Veradellijken]
Veradellijken, bw. gel. in -, tot den adelstand verheffen. *...ADELLIJKING, v. het veradellijken. *...ADEMEN, bw. gel. weder adem scheppen; tot rust -, tot kalmte komen. ...ING, v. het verademen; ik kan niet tot - (tot rust komen.
| | | |
| |
[Veraf]
Veraf, bijw. op grooten afstand. *-GELEGEN, bn. (verder -, verst afgelegen), verwijderd. -HEID, v. gmv. groote afstand.
| |
[† Veranda]
† Veranda, v. (-as), (bouwk.) overdekte plaats voor den voorof achtergevel.
| |
[Veranderbaar]
Veranderbaar, bn. veranderlijk. *...ANDEREN, bw. ow. gel. (ik veranderde, heb of ben veranderd), wijzigen; eene andere gedaante -, een anderen vorm geven; (ook) - aannemen of krijgen; anders worden; van kleederen - (verwisselen); gij zijt niets veranderd (dezelfde gebleven); in goud, in steen - (herscheppen); van hand -, met eene andere hand grijpen, - aanvatten; zijne hand is veranderd, hij schrijft niet zoo als hij vroeger schreef; zijne stem -, er een ander geluid aan geven; de wind verandert (loopt om). *...ANDERING, v. (-en), het veranderen; wijziging; ommekeer; (gen.) maandstonden (der vrouwen). *...ANDERLIJK, bn. en bijw. (-er, -st), onbestendig, ongestadig, onvast; wispelturig, -lijk, -HEID, v. gmv. onbestendigheid, ongestadigheid, wispelturigheid. *...ANKEREN, bw. gel. (zeew. en bouwk.) met ankers vastleggen.
| |
[Verantwoord]
Verantwoord, (B. VERANDWOORD), bn. en dw. geregtvaardigd. *-ELIJK, bn. (-er, -st), aansprakelijk; - zijn voor...; een - ambtenaar, ministerie, die (dat) voor zijne daden tot verantwoording kan geroepen worden, - rekenschap moet afleggen. -HEID, v. gmv. aansprakelijkelijkheid; gehoudenheid tot het geven van rekenschap. *-EN, bw. gel. rekenschap geven van...; verontschuldigen; veel te - hebben, eene groote verpligting op zich hebben; de zieke heeft het zwaar te - (verkeert in groot gevaar). ZICH -, ww. zich verontschuldigen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die verantwoordt; verdediger, verdedigster. *-ING, v. (-en), het verontschuldigen, verontschuldiging, verdediging; rekenschap; rekening en - geven, gedane uitgaven toelichten.
| |
[Verarbeiden]
Verarbeiden, bw. gel. bewerken; arbeidende verbruiken. *...ARBEIDING, v. het verarbeiden. *...ARMEN, bw. ow. gel. (ik verarmde, heb of ben verarmd), arm maken, - worden; verminderen, bederven; dat goed verarmt (vermindert in waarde) door het liggen. ...ING, v. gmv. het verarmen. *...AZEN (ZICH), ww. gel. (ik veraasde mij, heb mij veraasd), te veel -, te gulzig eten.
| |
[Verbaal]
Verbaal, bn. woordelijk. *-, o. proces-verbaal. *...BALISEREN, ow. gel. (regt.) geregtelijk neêrschrijven (bevindingen, verklaringen); mondeling behandelen; (fig.) veel omhaal van woorden, maken. *...BAALMONDEN, bw. gel. (ik verbaalmondde, heb geverbaalmond), onwettig doorbrengen (het goed van zijnen pupil).
| |
[Verbaasd]
Verbaasd, bn. en bijw. (-er, -st), ontsteld, verwonderd. *-, tw. uitroep van groote verwondering. -! wat was dat? wel -! *-ELIJK, bijw. op verbaasde wijze. *-HEID, v. gmv. verwondering, verstomming, ontsteltenis; verbazing. *...BABBELEN, bw. gel. babbelende doorbrengen of verkwisten (den tijd). *...BAKKEN, bw. gel. bakkende gebruiken; bederven; overbakken. ...KING, v. gmv. het verbakken. *...BALLASTEN, bw. gel. in ballast gebruiken.
| |
[Verband]
Verband, o. (-en), het verbinden; zamenvoeging der deelen; verbindtenis, obligatie; (regt.) onder - als naar regten; onder - liggen,
| | | |
gehypothekeerd zijn; (ook fig.) gehouden zijn tot; er is geen - (zamenhang) hoegenaamd in dien stijl; welk - (welke betrekking) bestaat er tusschen hen? (heelk.) zwachteling, omwinding. *-BRIEF, m. (...ven), (regt.). *-HUIS, o. (...zen), *-KAMER, v. (-s), gedeelte van een gasthuis of hospitaal tot verbinding der gewonden ingerigt.
| |
[Verbanneling]
Verbanneling, m. en v. (-en), banneling. *...BANNEN, bw. gel. bannen. ...NING, v. (-en), het verbannen; ballingschap. *...BASTERD, bn. ontaard. *...BASTEREN, ow. gel. (ik verbasterde, ben verbasterd), ontaarden. ...ING, v. gmv. ontaarding. *...BAZEN, bw. gel. (ik verbaasde, heb verbaasd), verwonderen, ontstellen. *...BAZEND, bn., bijw. en dw. (er, -st), verwonderlijk. ...ZING, v. het verbazen; verwondering. *...BEDDEN, bw. gel. (ik verbedde, heb verbed), het bed opmaken (van eenen zieke, van eene kraamvrouw). -STIJD, m., -SUUR, o. tijd -, uur tot verbedden. ...DING, v. het verbedden. *...BEELDEN, bw. gel. afbeelden, voorstellen. ZICH -, ww. zich inbeelden, voorstellen; zich houden voor...; verwaand zijn. ...END, bn., bijw. en dw. voorstellend, zinnebeeldig. *...BEELDING, v. (-en), het verbeelden; valsche voorstelling; inbeelding, verwaandheid. -SKRACHT, v. gmv. ingeschapen vermogen van den geest om zich zaken voor te stellen. *...BEENEN, ow. gel. (ik verbeende, ben verbeend), been worden. *...BEESTELIJKT, bn. verdierlijkt; tot dier geworden, als een dier. *...BEESTEN, ow. gel. ik verbeestte, ben verbeest), verdierlijken. *...BEIDEN, bw. gel. (ik verbeidde, heb verbeid), wachten, afwachten. ...ING, v. het verbeiden. *...BERGEN, bw. ong. wegstoppen, onzigtbaar maken; bedekken, verzwijgen; ontveinzen; hij heeft een verborgen (geheimzinnig) karakter. ZICH -, ww. zich schuil houden achter..., zich verschuilen, zich verborgen houden. *...BERGER, m., ...BERGSTER, v. (-s), die verbergt; heler, heelster. *...BERGING, v. gmv. het verbergen; heling. *...BERGPLAATS, v. (-en), bergplaats, schuilhoek. *...BETERAAR, m., -STER, v. (-s), die verbetert; corrector. *...BETERBLAADJE, (B. -N), o. (-s), (boekdr.). *...BETEREN, bw. ow. gel. beter maken, zuiveren (van fouten, van gebreken); corrigeren (eene drukproef). ZICH -, ww. beter worden, van gedrag veranderen. *...BETERHUIS, o. (...zen), gevangenis voor correctioneel-veroordeelden, huis van correctie. *...BETERING, v. het verbeteren; correctie; (fig.) onder -, met uw verlof. *...BETERLIJK, bn. (-er, -st), vatbaar voor verbetering. *...BEURBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar om verbeurd te worden. *...BEUREN, bw. gel. van de plaats verzetten, overdragen naar eene plaats; verliezen (door wangedrag of ligtzinnigheid); er is niet veel aan verbeurd, er gaat niet veel mede verloren; verbeurd verklaren, (inz. bij vonnis, ten voordeele der schatkist), confisqueren. *...BEURTE, v. gmv. verlies. *...BEUZELEN, bw. gel. dwaasheid of ligtzinnigheid doorbrengen (den tijd, geld enz.).
| |
[† Verbeus]
† Verbeus, bn. woordenrijk, wijdloopig, omslagtig.
| |
[Verbezigen]
Verbezigen, ow. gel. bezigen. *...BEZIGING, v. het verbezigen. *...BIDDELIJK, (-er, -st), bn. lankmoedig. -HEID, v. gmv. lankmoedigheid. *...BIDDEN, bw. onr. overhalen, vermurwen; zich laten -. *...DING, v. gmv. het verbidden. *...BIEDELIJK, bn. (-er, -st), gezeggelijk, gehoorzaam.
| | | |
*...BIEDEN, bw. ong. door een gebod beletten; eene verboden vrucht, iets dat verboden is; iem. het (bezoeken van zijn) huis -; verboden goederen, die niet mogen uitgevoerd worden. *...BIEDEND, bn. (regt.) belettend. *...BIEDING, v. het verbod. *...BIJSTERD, bn. verward, bedwelmd; - van zinnen. -HEID, v. gmv. verlegenheid, verwarring. *...BIJSTEREN, bw. gel. (ik verbijsterde, heb verbijsterd), verwarren, bedwelmen. ...ING, v. gmv. buitengemeene verlegenheid, verstomming. *...BIJTEN (ZICH), ww. ong. verkeerd -, op zijne tong bijten; ik heb mij verbeten; (fig.) zich met moeite inhouden; ik stond mij van woede te -. *...BINDEN, bw. ong. (iets) overbinden, nog eens binden; (heelk.) zwachtelen; eene wond -, er een windsel om doen; iem. de oogen - (blinddoeken); te zamen, aaneenbinden; voegen; een goed verbonden (gevoegde) muur; door het huwelijk -, in den echt opnemen, echtelijk vereenigen; de verbondene mogendheden, de gealliëerden. -, gehouden maken; hij is door zijne handteekening -. ZICH -, ww. zich verpligten; (iets) op zich nemen (te doen of te laten). -D, bn. bindend; (fig.) verpligtend. *...BINDING, v. (-en), zamenvoeging, vereeniging; verbindtenis. -SKLOS, m. (-sen), (zeew.) draagbalk. -STEEKEN, o. (-s), (taalk.) koppelteeken, (-). *...BINDTENIS, v. (-sen), zamenvoeging, vereeniging; geteekende verpligting; - tot betaling, schriftelijke -, obligatie, kontrakt. *...BITTERD, bn., bijw. en dw. (-er, -st), woedend, wrokkend, vertoornd; hij heeft mij het leven - (zuur gemaakt). *...BITTEREN, bw. gel. (ik verbitterde, heb verbitterd), vertoornen, vergrammen; ergeren; bedroeven; iemands leven - (verstoren); iemands genoegen - (wegnemen). ING, v. het verbitteren. *...BLAZEN, bw. ong. wegblazen. *...BLEEKEN, ow. gel. bleek worden. -D, bn. *...BLEEKING, v. (-en), het verbleeken. *...BLIJD, bn. verheugd; verrukt, opgeruimd. -EN, bw. gel. (ik verblijdde, heb verblijd), blijde maken, verheugen. ZICH -, ww. zich verheugen; zich opvrolijken. ...ING, v. het verblijden. *...BLIJF, o. (...ven), oponthoud; plaats van verblijf; (regt.) vergelijk; (oudt.) berusting. -PLAATS, v. (-en), woonplaats, (plaats van) oponthoud, † domicilie. *...BLIJVEN, ow. ong. blijven, voortdurend zijn; zich ophouden; berusten; aan of bij hem verbleef de zaak, hij moest er verder voor zorgen. ...VING, v. het verblijven. *...BLIKKEN, ow. gel. verwelken. *...BLIND, bn. (-er, -st), (alleen fig.) begoocheld; blind geworden, als met blindheid geslagen. -EN, bw. gel. (ik verblindde, heb verblind), het gezigt ontnemen, blind maken; (fig.) begoochelen. *...BLINDHEID, v. gmv. staat van blindheid; (ook fig.) begoocheling. *...BLINDING, v. gmv. het verblinden; waan, verbijstering, begoocheling. *...BLOEMD, bn. en bijw. (-er, -st), beeldsprakig, figuurlijk; overdragtelijk; bedekt, verholen, geveinsd. *...BLOEMEN, bw. gel. (ik verbloemde, heb verbloemd), (alleen fig.) opsmukken, verhelen, verbergen; bewimpelen; vergoêlijken. ...ING, v. het verbloemen, bewimpeling. *...BLUFFEN, bw. gel. uit het veld slaan, beschaamd maken. *...BLUFFER m., *...BLUFSTER, v. (-s), die verbluft. *...BLUFT, bn. en dw. (-er, -st), beschaamd, verlegen, onthutst; wat ziet hij er - (onnoozel) uit. *...BLUFFING, v. het verbluffen. *...BOD,
| | | |
o. (-en), het verbieden, verbieding (van iets). *...BODEN, bn. en dw. ontzegd; afgeweken; zie VERBIEDEN. *...BODEMEN, bw. gel. (kuip.) eenen bodem maken (in een vat). *...BODSBEPALING, v. (-en), *...BODSWET, v. (-ten), bepaling of wet die (iets) verbiedt of ontzegt, (inz. den in- of uitvoer). *...BOEKEN, bw. gel. overboeken. ...ING, v. het verboeken. *...BOEREN, bw. gel. met -, in den akkerbouw verteren (geld). *...BOERTEN, bw. gel. boertende doorbrengen. *...BOGEN, bn. en dw. verkeerd gebogen; (taalk.) veranderd (van uitgang). *...BOLGEN, bn. bijw. en dw. boos, kwaad, vertoornd; de - (onstuimige) zee. -HEID, v. gmv. toorn, gramschap.
| |
[Verbond]
Verbond, o. (-en), vereeniging; verdrag; overeenkomst; een - sluiten, aangaan; (ned. gesch.) het - der edelen (1566), het compromis. *-, al de leden van een verbond. *-BREKER, m., *-BREEKSTER, v. (-s), die een verbond breekt of schendt. *-BREKING, v. gmv. schending van een verbond. *-EN, bn. en dw. vereenigd; gehouden, verpligt; een diep - (diepgaand) schip. -HEID, v. (...eden), zamenhang; (fig.) verpligting. *-MAKING, v. het aangaan van een verbond of verdrag. *-SBEKER, m. (-s), beker bij de bekrachtiging van een verbond dienende. *-SBOEK, o. (-en), de wet van den tabernakel. *-SBREUK, v. schending van een verbond. *-SBRIEF, m. (...ven), (akte van) verbond. *-SCHENDER, m., ...STER, v. (-s). *-SEED, m. (-en). *-SKIST, *-SARKE, v. gmv. (Bijb.) tabernakel. *-SMAAL, o. gmv. (r.k.) nachtmaal. *-SOFFER, o. (-s), (r.k.) misoffer, heilig brood. *-STAFEL, v. (-s, -en), (r.k.). *-SWET, v. (-ten).
| |
[Verboorden]
Verboorden, bw. gel. over-, nog eens boorden; (ook zeew.). *...BORGEN, bn. bijw. en dw. (-er, -st), geheim, ongezien; steelsgewijze; op geheime of raadselachtige wijze; een - (geheimzinnig, raadselachtig) karakter. -HEID, v. gmv. geheimzinnigheid, steelschheid. -, (...heden), geheim, mysterie; de - der Drieëenheid; de verborgenheden (geheimenissen) Gods; de verborgenheden (volkszeden en ondeugden) van Parijs.
| |
[† Verbositeit]
† Verbositeit, v. gmv. wijdloopigheid, omhaal van woorden.
| |
[Verbouwen]
Verbouwen, bw. gel. over-, anders bouwen; bespitten, omploegen (van landerijen); voortbrengen (vruchten); bouwende verteren (geld). *...BOUWING, v. het verbouwen. *...BOUWEREREN, bw. ow. gel. (ik verbouwereerde, heb of ben verbouwereerd), doen schrikken, angst aanjagen; schrikken. *...BRABBELEN, bw. gel. verwarren; bemorsen. *...BRADEN, bw. ow. gel. te veel braden, zengen; bradende verteren. -, bn. door te lang braden bedorven. *...BRANDBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar voor verbranding. *...BRANDEN, bw. ow. gel. door vuur of vlam verteren; zengen, schroeijen; (plant.) verschroeijen (door koude of storm). *...BRANDHEID, v. gmv. (plant.) verzenging door den wind. *...BRANDING, v. (-en), het verbranden (in alle bet.). *...BRASSEN, bw. gel. doorbrengen, verkwisten (in overdaad). *...BRASSER, m., *...BRASSTER, v. (-s), doorbrenger, ...ster. ...SING, v. (-en), het verbrassen. *...BREEDEN, bw. gel. (ik verbreedde, heb verbreed), breeder maken; verruimen, uit den weg ruimen. -D, bn. en dw. verruimend. *...BREEDING, v. (-en), het verbreeden, verruiming. -STUKKEN, o. mv. (zeew.)
| | | |
twee planken aan het roer. *...BREEKBAAR, bn. vatbaar voor breken. *...BREIDEN, bw. gel. (ik verbreidde, heb verbreid), ver-, uitspreiden; bekend -, ruchtbaar maken. ZICH -, ww. ruchtbaar worden. *...BREIDER, m., *...BREIDSTER, v. (-s). ...ING, v. het verbreiden. *...BREIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. breijende doorbrengen, - gebruiken. BREKELIJK, bn. breekbaar. *...BREKEN, bw. ong. geheel breken; (fig.) schenden (een verdrag, eenen eed). -D, bn. en dw. schendend. *...BREKER, m., *...BREEKSTER, v. (-s), die verbreekt; schender, schendster. *...BREKING, v. het verbreken; breuk; inbraak; (fig.) schending, overtreding, inbreuk. *...BRENGEN, bw. onr. vervoeren; (fig.) doorbrengen, verkwisten. *...BRIEVEN, bw. gel. overbrieven. *...BRIJZELAAR, m., -STER, v. (-s), die verbrijzelt; (ook) zek. werktuig. *...BRIJZELEN, bw. gel. vergruizen, stuk slaan, vermorzelen. ...ING, v. het verbrijzelen. *...BROD, bn. bedorven, verknoeid. *...BRODDELEN, *...BRODDEN, bw. gel. bederven; (ook fig.) verkeerd behandelen (eene zaak). *...BRODDER, m., *...BRODSTER, v. (-s), bederver, bederfster, knoeijer, knoeister. *...BRODDING, v. bederving, verknoeiing. *...BROEDEREN, bw. gel. (ik verbroederde, heb verbroederd), door eenen broederband -, door broeder- (of zuster-) liefde vereenigen. ZICH -, ww. broederschap sluiten, zich innig met elkander vereenigen. ...ING, v. (-en), het verbroederen, vereeniging; broederschap. *...BROEIJEN, (B. ...IEN), bw. ow. gel. te veel broeijen; overbroeijen (van hooi enz.); linnengoed -, er al te heet water op gieten. *...BROKKELEN, bw. gel. in kleine stukjes breken; verdeelen (b.v. een land). ...ING, v. het verbrokkelen. *...BRUID, bn. bijw. en dw. slecht, erg; het ziet er - leelijk uit; wel -! verdord, drommels! *...BRUIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. bederven, verkerven; hij heeft het bij hem verbruid (hem ontevreden gemaakt). *...BRUIK, o. voorwerpen van -, die men dagelijks (inz. tot voedsel enz.) noodig heeft. *...BRUIKEN, bw. gel. (ik verbruikte, heb verbruikt), opmaken, in -, door het gebruik verteren. *...BRUIKER, m., *...BRUIKSTER, v. (-s), die verbruikt; † consument. *...BRUIKING, v. het verbruiken. *...BRUIKSBELASTING, v. (-en), belasting op voorwerpen van verbruik. *...BUIGBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar om te buigen; (taalk.) verbogen kunnende worden. *...BUIGEN, bw. ong. anders buigen; (taalk.) den uitgang veranderen (naar geslacht, getal en geval of naamval). ...ING, v. (-en), overbuiging; (taalk.) wijziging, verandering (in den uitgang), † declinatie. *...BUIST, bn. (-er, -st), verwaaid, afgezwierd. *...BULDEREN, bw. gel. afbluffen, afschrikken.
| |
[† Verbum]
† Verbum, o. (...ba), woord; werkwoord.
| |
[Verburgeren]
Verburgeren, bw. ow. gel. (ik verburgerde, heb verburgerd), tot burgers maken, - benoemen; (fig.) beschaven. *...BURGERING, v. opneming in de burgerij; (fig.) beschaving. *...CIJFEREN, bw. gel. verrekenen. *...DAAN, dw. zie VERDOEN. *...DACHT, -IG, bn. in verdenking zijn van iets); oplettend; - op iets zijn, er op letten. *...DACHTHEID, v. verdenking. *...DAGEN, bw. gel. opschorten, schorsen, verschuiven; van vreugde opspringen; (regt.) dagvaarden. ...GING, v. (-en), het verdagen. *...DAMPEN, ow. gel. in damp vervliegen; uitdampen. ...ING,
| | | |
v. het verdampen. *...DANSEN, bw. gel. dansende verslijten (den tijd), - verteren (geld). *...DARTELEN, bw. gel. dartelende doorbrengen (den tijd); verwennen (een kind). ...ING, v. het verdartelen. *...DEDIGBAAR, bn. te verdedigen, houdbaar. *...DEDIGEN, bw. gel. (ik verdedigde, heb verdedigd), verweren, beschermen (inz. eene vesting); (fig.) voorspreken; pleiten (voor iem.). ZICH -, ww. zich verweren. -D, bn. en dw. tot verdediging strekkende; een aanvallend en - (of- en defensief) verbond. *...DEDIGER, m., *...DEDIGSTER, v. (-s), die verdedigt (in alle bet.); (regt.) voorspraak, advokaat. *...DEDIGING, v. gmv. het verdedigen; verwering, voorspraak; (regt.) pleidooi. -SMIDDEL, o. (-en). ...SCHRIFT, o. (-en), ...REDE, v. (-n), pleidooi; memorie van verdediging, † apologie. *...DEELBAAR, bn. deelbaar. *...DEELD, bn. en dw. gedeeld; (wap.) gebroken; niet geheel; (fig.) de stemmen zijn -, men heeft in allerlei rigtingen gestemd, - op verscheidene personen stemmen uitgebragt; versnipperd; oneenig. -HEID, v. (...heden), oneenigheid, twist, vete. *...DEELEN, bw. gel. in deelen scheiden; verbrokkelen; (fig.) twist zaaijen, onrust stoken; verdeel om te heerschen, (voorschrift van Machiavelli en der jezuïten). *...DEELER, m., *...DEELSTER, v. (-s), die verdeelt. ...ING, v. (-en), het verdeelen, scheiding, verbrokkeling; indeeling; uitdeeling. *...DEK, o. (-ken), dek (van een schip); (ook) deksel, bedekking. *...DEKSBALKEN, m. mv. (zeew.). *...DEKT, bn. (zeew.) met een verdek; (ook fig.). *...DELGEN, bw. gel. ten onder brengen, vernielen, uitdelgen. *...DELGER, m., *...DELGSTER, v. (-s), vernieler, vernielster. ...ING, v. (-en), uitroeijing, vernieling. *...DEMOEDIGEN, bw. gel. tot ootmoed brengen, beschamen, in zich zelven doen keeren. ZICH -, ww. ootmoed betoonen. ...ING, v. *...DENKEN, bw. onr. vermoeden (in kwaden zin), achterdocht hebben (op); iemands goede trouw -, er een ongunstig denkbeeld van hebben. ...ING, v. het verdenken, kwaad vermoeden, achterdocht, argwaan.
| |
[Verder]
Verder, bn. en bijw. zie VER.
| |
[Verderf]
Verderf, o. gmv. ondergang, vernieling, dood. *-ELIJK, bn. (-er, st), ten verderve leidende; bederfbaar, noodlottig. -HEID, v. gmv. *-ENIS, v. gmv. (bijb.) verdoemenis; ondergang. *...DERVEN, bw. ong. (ik verdierf, heb verdorven), bederven; vernielen, ondermijnen (inz. fig.). *...DERVING, v. gmv. verderfenis.
| |
[Verdicht]
Verdicht, bn. (-er, -st), verzonnen, valsch. *-EN, bw. gel. verzinnen, uitdenken, bedenken. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die verzint. *-ING, v. (-en), het verdichten; verzinsel. *-SEL, o. (-s), verzonnen verhaal; fabel; logen. *-SELKUNDE, v. gmv. fabelleer. *-SELTJE, (B. -N), o. (-s), kleine fabel, klein verdicht verhaal.
| |
[† Verdict]
† Verdict, o. uitspraak, vonnis, beslissing, (inz. van eenen jury).
| |
[Verdiend]
Verdiend, bn. en dw. waard zijnde, toekomende; hij heeft zijn -e loon, hij heeft wat hem toekomt (inz. straf). *...DIENEN, bw. gel. winnen (geld); salaris -, loon krijgen; zijn brood winnen; (spr.) die iets verdient moet iets hebben, de zondaar moet gestraft worden; waard zijn (geprezen -, gestraft te worden); heb ik dit aan u verdiend? is dit mijne belooning? *...DIENSTE, v. (-n), wat men (door
| | | |
arbeid, door eene vaste betrekking enz.) wint of ontvangt; waardigheid; talent, gaven; de orde van -, naam van ridderorden (in Pruissen, Beijeren, Saksen en Wurtemberg); lid van -n, eerclid (eener maatschappij). *...DIENSTELIJK, bn. en bijw. waardig, met -, vol van verdienste. -HEID, v. gmv. hoedanigheid van hetgeen verdienstelijk is. *...DIEPEN, bw. gel. dieper maken. ZICH -, ww. zich met inspanning (op iets) toeleggen; ergens diep indringen; zich diep in iets steken; zich in gissingen -, zich aan gissingen overgeven. ...ING, v. (-en), het verdiepen; uitdieping, uitgraving; alles wat diep inloopt; achtergrond; (ook) afdeeling, rangorde der vertrekken (in een gebouw); (fig.) hersens; het schort hem in de bovenste -, hij is niet regt bij zinnen. *...DIERLIJKEN, bw. ow. gel. (ik verdierlijkte, heb of ben verdierlijkt), tot dier maken, - worden. *...DIERLIJKT, bn. en bijw. tot dier geworden, als een dier; een - leven leiden. *...DIERLIJKING, v. gmv. overgang van plant tot dier; (fig.) diepe verbastering. *...DIJEN, bw. gel. (ik verdijde, heb verdijd), volstrekt weigeren (iets te doen). *...DIKBAAR, bn. (-der, -st), vatbaar voor verdikking. -HEID, v. gmv. *...DIKKEN, bw. ow. gel. (ik verdikte, heb verdikt), dikker maken, - worden (van melk); de lucht verdikt (wordt bewolkt). ZICH -, ww. -D, bn. en dw. dikker makende, - wordende. ...KING, v. gmv. het dikker worden; opzwelling; verharding; bewolking (van de lucht). ↑ *...DING, o. (-en), vergelijk. *...DOBBELEN, bw. gel. verspelen door dobbelen; in het spel -, door gewaagde speculatiën verliezen; (ook) om iets dobbelen of laten dobbelen. *...DOEMD, bn. (-er, -st), gedoemd, veroordeeld. -! tw. verdord. *...DOEMELIJK, bn. (-er, -st), doemenswaard, verwenscht. *...DOEMELING, m. (-en), die verdoemd is. *...DOEMEN, bw. gel. veroordeelen, verwijzen tot straf; de zielen der boozen zullen verdoemd (tot eeuwige straffen veroordeeld) zijn. *...DOEMENIS, v. (-sen), eeuwige straf. *...DOEMER, m., *...DOEMSTER, v. (-s), die verdoemt. *...DOEN, bw. onr. verkwisten; doorbrengen; (ook) over-, herdoen. ZICH -, ww. zich om het leven brengen. *...DOENER, m., *...DOENSTER, v. (-s), verkwister, doorbrenger, ...ster. *...DOENLIJK, bn. (-er, -st), verkwistend; duur, hoog in prijs. -HEID, v. verkwisting. *...DOFFEN, bw. ow. gel. (ik verdofte, heb of ben verdoft), doffer maken, - worden. *...DOFFER, m., *...DOFSTER, v. (-s), die dof of doffer maakt. *...DOFFING, v. het verdoffen. *...DOLEN, ow. gel. af-, verdwalen. ...LING, v. (-en), het verdolen, afdwaling. *...DOMMELEN, bw. gel. vermommen, verbergen; dommelende doorbrengen (den tijd). *...DOMPEN, bw. gel. uitdooven, blusschen. *...DONKERAAR, m., -STER, v. (-s), die verdonkert. *...DONKEREN, bw. ow. gel. (ik verdonkerde, heb of ben verdonkerd), donker -, duister maken, - worden; bij deze tijding verdonkerde (zich) zijn gelaat (werd zijn gelaat betrokken); ontvreemden, zoek maken. ...ING, v. gmv. het verdonkeren; verduistering; ontvreemding. *...DONKERMANEN, bw. gel. (ik verdonkermaande, heb verdonkermaand), verduisteren, ontvreemden; wegfutselen. ...NING, v. gmv. het verdonkermanen. *...DOOFD, bn. en dw. dof, uitgebluscht. *...DOOLD, bn. en dw. verdwaald. -E, m. en v. (-n), die verdoold of afgedwaald
| | | |
is, (ook fig.). *...DOOLDHEID, v. gmv. dwaling; - der zinnen, krankzinnigheid. ↑ *...DOOREN, ow. gel. (ik verdoorde, ben verdoord), gek worden. *...DOOVEN, bw. ow. gel. doof maken, - worden; (inz. fig.); hij verdooft mij door dat geraas, hij maakt mij als doof; verkleumd -, stijf maken (door koude); dof worden (b.v. van eenen diamant); (fig.) verbazen, luide aankondigen; men verdooft mij (verhaalt mij zeer veel) van zijnen roem. ...VING, v. het verdooven; stijfheid, loomheid. *...DORD, bn. bijw. en dw. uitgedroogd, verdroogd; dor. -! tw. (verzachting van verdoemd). -HEID, v. dorheid, verdrooging. *...DORREN, ow. gel. (ik verdorde, ben verdord), verdroogen, dor -, onvruchtbaar worden, (ook fig.). ...RING, v. het verdorren, verstijving. *...DORVEN, bn. bedorven; (fig.) onzedelijk. -HEID, v. gmv. bederf, onzedelijkheid, ontaarding; zedebederf. *...DOSSEN, bw. gel. opschikken, smukken. ...SING, v. het verdossen, opschik. *...DOUWELIJK, bn. (-er, -st), verteerbaar, ligt te verduwen. *...DOUWEN, bw. gel. verteren (van spijzen); (fig.) verkroppen. ...ING, v. het verdouwen; (spijs-) vertering. *...DRAAGBAAR, bn. te verdragen, *...DRAAGZAAM, bn. (...amer, -st), -LIJK, bijw. inschikkelijk, geduldig, lijdzaam; toegeeflijk (op het stuk van godsdienst). *...DRAAGZAAMHEID, v. gmv. geduld, lijdzaamheid; inschikkelijkheid, toegeeflijkheid (in de godsdienst). *...DRAAID, bn. en bijw. gedraaid, verkeerd gedraaid; eene -e (lamme) schroef. -! tw. (verzachting van verdoemd). *...DRAAIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. verkeerd draaijen, verwringen, verlammen (een slot, eene schroef); ik heb mijnen (of mij den) arm verdraaid (verstuikt); (fig.) verwringen, uit zijn verband rukken; eenen zin, de wet - (valsch-, verkeerd uitleggen). ...JING, v. (-en), het verdraaijen, verwringing; verstuiking; (fig.) valsche uitlegging (der wet enz.). *...DRAG, o. (-en), overeenkomst, schikking; kontrakt; traktaat; (tusschen twee of meer landen); - van uitlevering, cartel; een onderhandsch -, (zonder medewerking van eenen notaris); (oorl.) bij - overgaan, capituleren (van eene vesting), *...DRAGEN, bw. ong. overdragen, - brengen (w.g.); dulden, lijden, ondergaan; beleedigingen - (verkroppen); verteren, bestand zijn (tegen); hij kan veel wijn - (veel wijn drinken zonder dronken te worden); die spijs kan ik niet goed - (verteren, verduwen); zich - met elkander, goed met elkander over weg kunnen. ZICH -, ww. een verdrag onderling aangaan. *...DRAGING, v. (-en), overdraging, verplaatsing. -, gmv. verdraagzaamheid, geduld. *...DRAVEN, bw. gel. door (hard) draven winnen, - verkrijgen; eene gouden zweep laten -, ze uitloven aan den overwinnaar bij eene harddraverij. ZICH -, ww. dravende verrekken, boven de kracht draven. ...VING, v. gmv. het verdraven. *...DREVELING, m. en v. (-en), verbannene, verjaagde. *...DRIEDUBBELEN, bw. gel. (ik verdriedubbelde, heb verdriedubbeld), driedubbel nemen. ...ING, v. gmv. het verdriedubbelen. *...DRIET, o. gmv. zielesmart, spijt, hartzeer, kwelling; weêrzin. *...DRIETELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), met verdriet; kwellend, hinderlijk, onaangenaam. -HEID, v. (...heden), onaangenaamheid, kleine tegenspoed; kwelling, verveling. *...DRIETEN, onp. w. ong. (het verdroot, heeft verdroten), onaange- | | | | naam
zijn, kwellen, weêrzin -, afkeer baren; alles verdriet hem, is hem tegen; dit verdroot mij zeer, dit griefde mij innig. *...DRIETIG, bn. en bijw. (-er, -st), verdrietelijk; hinderlijk. *...DRIJVEN, bw. ong. ver-, wegjagen, doen ontruimen. *...DRIJVER, m., *...DRIJFSTER, v. (-s), die verdrijft of verjaagt. *...DRIJVING, v. gmv. het verdrijven. *...DRINGEN, bw. ow. ong. wegstooten, van de plaats dringen. *...DRINKEN, bw. ow. ong. (ik verdronk, heb of ben verdronken), drinkende doorbrengen, - slijten (den tijd); drinkende verteren (geld); te laag bij het water brengen, in het water doen omkomen, - smoren; hij is verdronken, in het water omgekomen; het gansche land ligt verdronken (overstroomd); - eer men water gezien heeft, zich zedelijk of ligchamelijk bederven zonder er genot van te hebben gehad. ZICH -, ww. zich zelven (in het water enz.) doen omkomen. ...ING, v. (-en), het verdrinken; de -en in de Loire, (gedurende de fransche omwenteling in l793). *...DROOGEN, bw. ow. gel. doen opdroogen; droog worden, uitdroogen. *...DROOMEN, bw. gel. droomende doorbrengen, slijten (den tijd). *...DRUKKEN, bw. gel. drukkende gebruiken; (ook) slecht drukken; overdrukken; (fig.) onderdrukken, geweld aandoen. *...DRUKKER, m., *...DRUKSTER, v. (-s), die verdrukt; tiran, geweldenaar, ster. ...KING, v. (-en), onderdrukking, slavernij. *...DRUKT, bn. en dw. overgedrukt, slecht gedrukt; (fig.) onderdrukt. *...DRUPPELEN, bw. gel. wegdruipen. ...ING, v. gmv. het verdruppelen. *...DUBBELEN, bw. gel. dubbel -, tweevoudig maken; nog eens herhalen; zijne schreden -, sneller loopen; (zeew.) een schip -, van eene dubbele huid voorzien. ...ING, v. het verdubbelen. -, (-en), (ontl.) dubbel vlies; (zeew.) dubbele -, omgelegde huid; ijzeren stoofoven (in eene kagchel); (fig.) vermeerdering, vergrooting. *...DUFFEN, ow. gel. duf worden; stikken. *...DUIDELIJKEN, bw. gel. (ik verduidelijkte, heb verduidelijkt), duidelijk maken, ophelderen, verklaren. ...ING, v. gmv. het verduidelijken, opheldering, toelichting. *...DUISTEREN, bw. ow. gel. (ik verduisterde, heb verduisterd), duister -, donker maken, - worden; (fig.) droef maken, - worden; ontfutselen, gelden verduisteren, gelden gebruiken waarover men niet voor zich zelven beschikken mag. ...ING, v. het verduisteren (in alle bet.). *...DUITSCHEN, bw. gel. (ik verduitschte, heb verduitscht), vertolken, vertalen. *...DUITSCHER, m. (-s), die verduitscht, verklaarder. ...ING, v. het verduitschen; verklaring, toelichting, vertaling. *...DUIVELD, bn. duivelsch, helsch. *...DULDIG, bn. (-er, -st), geduldig. *...DUNNEN, bw. ow. gel. dun -, dunner maken of worden; vermageren; afnemen (van hout, van steen). -D, bn. dun makend. *...DUNNING, v. (-en), het verdunnen; (fig.) vermagering. *...DUREN, bw. gel. verdragen, dulden; lijden. -, ow. in prijs stijgen. ...RING, v. gmv. het verduren. *...DUTTEN, bw. gel. duttende doorbrengen, - verteren; - slijten; (fig.) stomp -, dom maken. *...DUURZAMEN, bw. gel. duurzaam maken; verduurzaamde spijzen (die op verre reizen goed blijven). *...DUWEN, bw. gel. verdouwen; (fig.) verkroppen. *...DUWELIJK, bn. (-er, -st), te verduwen, verteerbaar. *...DWAALD, bn. en dw. afgedwaald, verdoold. *...DWAASD, bn. en bijw. dwaas, uitzinnig; zot. -HEID, v.
| | | |
gmv. zotheid, loszinnigheid. *...DWAZEN, bw. ow. gel. (ik verdwaasde, heb of ben verdwaasd), dwaas -, zot maken of worden. *...DWIJNEN, ow. ong. (ik verdween, ben verdwenen), onzigtbaar worden; mijne hoop is verdwenen (vernietigd). ...ING, v. het verdwijnen.
| |
[Veredelen]
Veredelen, bw. gel. (ik veredelde, heb veredeld), edel -, edeler -, fijner maken; vruchten -, (door overenting); wijn -, (door vermenging met betere soorten); (ook fig.) de vergiffenis veredelt onze ziel; veradelen. *...EDELING, v. gmv. het veredelen. *...EELT, bn. en dw. tot eelt geworden, verhard (van de huid). -EN, bw. ow. gel. (ik vereeltte, heb of ben vereelt), tot eelt maken, - worden. ...ING, v. (-en), het vereelten, verharding. *...EENEN, *...EENIGEN, bw. gel. (ik vereende of vereenigde, heb vereend of vereenigd), tot een maken, verbinden, zamenvoegen; overeenbrengen; paren; de zeven vereenigde gewesten (der Nederlanden); de Vereenigde Staten (van Noord-Amerika). *...EENIGBAAR, bn. vereenigd kunnende worden. *...EENIGER, m., ...STER, v. (-s), die vereenigt. *...EENIGING, v. (-en), het vereenigen, zamenvoeging; verbond; verbindtenis; verdrag; zamenkomst, gezelschap, genootschap; (fig.) huwelijk; de - (zamensmelting) der kleuren. *...EENVOUDIGEN, bw. gel. (ik vereenvoudigde, heb vereenvoudigd), eenvoudig -, gemakkelijker maken. ...ING, v. (-en), het vereenvoudigen. *...EENZELVIGEN, bw. gel. (ik vereenzelvigde, heb vereenzelvigd), tot één -, tot eene en dezelfde zaak maken. ZICH -, ww. hij vereenzelvigde zich hiermede, hij en dit vormden één geheel. *...EERDER, (B. *...EERER), m., ...STER, v. (-s), die vereert. *...EEREN, bw. gel. eeren, eer bewijzen aan; iem. iets - (schenken). -SWAARD, -IG, bn. (-er, -st), waard vereerd te worden. *...EERING, v. (-en), het vereeren, eerbewijzing, eeredienst; geschenk. *...EEUWIGEN, bw. gel. (ik vereeuwigde, heb vereeuwigd), eeuwig doen zijn; zijnen naam - (onsterfelijk maken); door de graveerslift -, eeuwig doen leven (op eene afbeelding); de vereeuwigde, de overledene. ...ING, v. het vereeuwigen, het onsterfelijk maken, bezingen. *...EFFENEN, bw. gel. effen maken; betalen, delgen; eene schuld - (afbetalen); schikken. ...ING, v. (-en), het vereffenen, afbetaling, delging (van schuld); schikking; aanzuivering. *...EISCH, o. gmv. eisch, wat noodig is. -EN, bw. gel. vorderen, vragen. ...ING, v. eisch. *...EISCHT, bn. en dw. gevorderd, gevraagd; bekoorlijk; de -e (noodige) zorg aan iets besteden. -E, o. (-n), het gevorderde, het behoorlijke; dit is geen -, dit is niet noodzakelijk; de -n tot dezen post zijn, daartoe behoort men te (bezitten, kennen enz.). *...ENGEN, bw. gel. (ik verengde, heb verengd), eng -, enger -, naauwer maken. ...ING, v. (-en). *...ERGEREN, bw. ow. gel. erg -, erger maken, - worden; de wonde verergert (wordt slimmer). ...ING, v. gmv. het verergeren, verslimmering. *...ETEN, bw. onr. etende verteren, - doorbrengen. *...ETTEREN, ow. gel. tot ettering overgaan (van wonden); te veel etteren. ...ING, v. *...EVENEN, bw. gel. vereffenen.
| |
[Verfbord]
Verfbord, o. (-en), (schild.) palet. -JE, (B. -N), o. (-s), plankje met stalen van verf er op. *...BORSTEL, v. (-s), (schild.) groote kwast. *...DOOS, v. (...zen), doos met onderscheidene stukjes
| | | |
verf en penseelen. *...HANDELAAR, m. (-s). *...HANDELAARSTER, v. (-s). *...HOUT, o. (-en), hout geschikt om er verf uit te bereiden. *...KETEL, m. (-s), ketel der lijnwaadverwers. *...KOOPER, m. (-s). *...KOOPSTER, v. (-s). *...KUIP, v. (-en), (verw.). *...KUNST, v. gmv. *...KWAST, m. (-en).
| |
[Verfijnen]
Verfijnen, bw. gel. (ik verfijnde, heb verfijnd), fijn -, fijner maker; (fig.) uitermate beschaven; de verfijnde smaak der Franschen. *...FIJNING, v. (-en), het verfijnen, overdreven beschaving. *...FLAAUWEN, ow. gel. (ik verflaauwde, ben verflaauwd), slap -, zwak worden; (ook fig.) verminderen in ijver. ...ING, v. het verflaauwen, verslapping. *...FLENSEN, bw. ow. gel. (ik verflenste, heb of ben verflenst), doen verwelken; verwelken.
| |
[Verfloof]
Verfloof, m. (plant.) geelhoutboom. *...MOLEN, m. (-s), molen ter bereiding van verfstoffen. *...POT, m. (-ten).
| |
[Verfoeijelijk]
Verfoeijelijk, (B. ...IELIJK), bn. en bijw. (-er, -st), waard verfoeid te worden, afschuwelijk, op verfoeijelijke wijze. -HEID, v. (...eden), afschuwelijkheid. *...FOEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. (ik verfoeide, heb verfoeid), verafschuwen, diep verachten. -SWAARD, bn. bijw. verfoeijelijk. *...FOEIJING, v. het verfoeijen. *...FOELIËN, bw. gel. (ik verfoeliede, heb verfoelied), met kwik overtrekken (het glas tot spiegels). *...FOELIESEL, o. (-s), kwik, foelie (tot vervaardiging van spiegelglas). *...FOMFOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. (ik verfomfooide, heb verfomfooid), kreuken, frommelen. *...FOMMELEN, *...FROMMELEN, bw. gel. (ik verfrommelde, heb verfrommeld), verkreukelen. ...ING, v. het verfrommelen.
| |
[Verfraaijen]
Verfraaijen, (B. ...IEN), bw. gel. (ik verfraaide, heb of ben verfraaid), versieren; opschikken. *...FRAAIJING, v. (-en), het verfraaijen, versiering. *...FRANSCHEN, bw. gel. (ik verfranschte, heb verfranscht), een franschen vorm geven aan... ZICH -, ww. fransche vormen en manieren aannemen. ...ING, v. (-en), het verfranschen; (taalk.) gallicisme. *...FRISSCHEN, bw. gel. (ik verfrischte, heb verfrischt), opfrisschen, frisch maken; ververschen. -D, bn. (-er, -st), frisch makend, verkoelend. *...FRISSCHING, v. het verfrisschen, verversching.
| |
[Verfschelp]
Verfschelp, v. (-en), schelp met verf toebereid. *...STER, v. (-s), vrouw die verft. *...STOFFEN, *...WAREN, v. mv. *...VERKOOPER, m. (-s). *...VERKOOPSTER, v. (-s). *...WINKEL, m. (-s).
| |
[Vergaan]
Vergaan, ow. onr. (ik verging, ben vergaan), omkomen, sterven; verongelukken (op zee enz.); (spr.) onkruid vergaat niet, het slechte drijft vaak boven. *-, (fig.) mij vergaat hooren en zien, ik ben mijne zinnen niet meer meester. *-, te niet -, te gronde gaan; verrotten. ↑ ZICH -, ww. (oudt.) een luchtje scheppen; (thans) zich vertreden.
| |
[Vergaârbak]
Vergaârbak, m. (-ken), bak waarin men regenwater (of andere vloeistoffen) opvangt. *...GAARDER, m., ...STER, v. (-s), die vergaart. *...GAARSEL, o. (-s), het vergaarde. *...GAAUWEN, bw. gel. (ik vergaauwde, heb vergaauwd), bedriegen. ...ING, v. gmv. het vergaauwen, bedrog, misleiding. *...GADEREN, bw. ow. gel. (ik vergaderde, heb of ben vergaderd), bijeenzamelen, -brengen, verzamelen; bijeenko- | | | | men;
de raad is vergaderd (houdt zitting); (oudt.) in iets - (toestemmen). ...ING, v. (-en), het vergaderen, verzameling; bijeenkomst van personen (in alle bet.); ter (in de) - verschijnen; staande (gedurende) de -. *...GADERPLAATS, v. (en), *...GADERZAAL, v. (...alen), plaats van zamenkomst van verscheidene personen. *...GALLEN, bw. gel. (ik vergalde, heb vergald), het galvlies (der visschen) doen barsten; (fig.) bederven, zuur maken; (spr.) het botje is vergald, de zaak is bedorven. ...LING, v. gmv. het vergallen. *...GALOPPEREN (ZICH), ww. (fig.) te ver gaan, onvoorzigtig zich uiten of handelen. ...RING, v. gmv. overijling. *...GANKELIJK, bn. (-er, -st), sterfelijk, broos, onbestendig, zwak. -HEID, v. gmv. broosheid, onsterfelijkheid; onbestendigheid. *...GAPEN, ow. te hard -, te wijd gapen; gapende doorbrengen, slijten. ZICH -, ww. verkeerd doch dwaas verliefd raken. ...PING, v. het vergapen. *...GAREN, bw. gel. (ik vergaarde, heb vergaard), bijeen brengen, verzamelen; opstapelen. *...GARING, v. het vergaren; opstapeling. *...GARSTEN, ow. gel. zuur -, ransig worden (van vleesch); bederven (van boter enz.). ...ING, v. het vergarsten. *...GASTEN, bw. gel. (ik vergastte, heb vergast), goed onthalen; hij heeft ons op eene redevoering vergast (eene aangename redevoering voor ons gehouden). ...ING, v. het vergasten. *...GEEFLIJK, bn. bijw. (-er, -st), verschoonbaar, -lijk. -HEID, v. verschoonbaarheid.
| |
[Vergeefs]
Vergeefs, *-CH, bijw. nutteloos, vruchteloos.
| |
[Vergeetachtig]
Vergeetachtig, bn. (-er, -st), niet goed kunnende onthouden, ontrouw van geheugen. *-HEID, v. zwakheid van geheugen. *...GEETAL, m. en v. die alles vergeet. *...GEETBOEK, o. gmv. (fig.) vergetelheid; in het - raken. *...GEETVLOED, m. gmv. (fab.) een der zeven helsche vloeden; Lethe. *...GEKKEN, bw. gel. voor den gek houden; gekkende -, schertsende (den tijd) doorbrengen. *...GELDEN, bw. ong. loonen, beloonen; betalen; vergoeden. *...GELDER, m., ...STER, v. (-s), die vergeldt; Christus de -, Remunerator. *...GELDING, v. (en), het vergelden, belooning; (ook) straf. *...GELIJK, o. gmv. overeenkomst (waarbij ieder toegeeft); (kooph.) akkoord, compromis; een - (verdrag) trefen (maken). -ELIJK, bn. en bijw. te vergelijken. *...GELIJKEN, bw. ong. naast elkander zien, - beoordeelen; overeenstemming en verscheidenheid vinden tusschen personen of zaken. -DERWIJZE, bijw. bij vergelijking. *...GELIJKING, v. (-en), het vergelijken; oordeel over de meerdere of mindere waarde (van iets); eene - (parallel) trekken tusschen; (wisk.) equatie; de termen eener -; (5 + 6 = 3 + 8); eene meetkundige, rekenkunstige -; (taalk.) de trappen van -, verandering in den uitgang der bijvoegelijke naamwoorden.
| |
[Vergen]
Vergen, bw. gel. (ik vergde, heb gevergd), vragen, eischen.
| |
[Vergenoegd]
Vergenoegd, bn. en bijw. (-er, -st), tevreden; voldaan; opgeruimd. *-HEID, v. tevredenheid. *...GENOEGEN, bw. gel. (ik vergenoegde, heb vergenoegd), tevreden stellen, bevredigen; genoegen doen aan. ZICH -, ww. tevreden zijn. *...GENOEGZAAM, bn. ligt tevreden gesteld. -HEID, v. gmv. tevreden aard. *...GETELHEID, v. gmv. zwakte van geheugen, - van herinnering; tot de - doemen (doen vergeten); aan de - onttrekken, in herinnering houden; de - (het
| | | |
vergeten) der misdaden; (fab.) de vloed der -, de Lethe-stroom. *...GETEN, bw. ong. (ik vergat, heb vergeten), de herinnering -, het geheugen van iets verliezen; alles is - en vergeven, er wordt niet meer aan gedacht en het wordt niet gestraft. -, bn. en bijw. als een - (eenvoudig) burger leven. ZICH -, ww. buiten zich zelven raken (van woede, van smart). *...GETENHEID, v. vergetelheid. *...GETER, m., *...GEETSTER, v. (-s), die vergeet. *...GEVEN, bw. ong. vergiffenis schenken (aan); vergeef mij! (beleefdheidsuitdrukking: pardon!); slecht geven (de kaart); een ambt - (begeven, opdragen); vergiftigen, vergif ingeven; door vergif doen sterven. ZICH -, ww. zich door middel van vergif het leven benemen. -SGEZIND, bn. -HEID, v. gmv. *...GEVER, m., *...GEEFSTER, v. (-s), die vergiffenis schenkt; (ook) die vergif ingeeft; (beter) gifmenger, ...ster. *...GEVING, v. gmv. vergiffenis. *...GEWISSEN (ZICH), ww. gel. (ik vergewiste mij, heb mij vergewist), zich zekerheid verschaffen (van). *...GEZELLEN, bw. gel. zie VERZELLEN.
| |
[Vergezigt]
Vergezigt, o. vermogen slechts van verre te kunnen zien; (teek.) perspectief. *-KUNDE, v. gmv. kunst -, wetenschap van het perspectief. *...GIETEN, bw. ong. storten (van vochten); bloed - (doen stroomen); tranen -, schreijen. -, her-, overgieten (b.v. kanonnen). *...GIETER, m., ...STER, v. (-s), die vergiet. *...GIETING, v. het vergieten, storting; overgieting, hersmelting. *...GIETTEST, v. (-en), gatenpetiel, gatenplatteel; zek. keukengereedschap. *...GIFFENIS, v. gmv. kwijtschelding (van straf) (r.k.) aflaat. *...GIFT, *...GIF, o. (-en), doodelijk werkend middel, venijn. -BOOM, m. (-en), boom welks sap of bast vergiftigd is. *...GIFTIG, bn. (-er, -st), venijnig, vol gifdeelen; (fig.) -e tong, lastertong. *...GIFTIGEN, bw. gel. (ik vergiftigde, heb vergiftigd), vergiftig maken, met venijn besmetten; (fig.) verbitteren; een kwaden uitleg geven (aan woorden). *...GIFTIGER, m., ...STER, v. (-s), die vergiftigt of besmet; gifmenger, ...ster. *...GIFTIGHEID, v. gmv. hoedanigheid van hetgeen vergiftig is. *...GIFTIGING, v. (-en), het vergiftigen. *...GISSEN (ZICH), ww. gel. dwalen, het mis hebben; zich misrekenen. ...ING, v. (-en), dwaling, misrekening.
| |
[Verglaasbaar]
Verglaasbaar, bn. (scheik.) vatbaar voor -, geschikt tot verglazing. *-HEID, v. gmv. *...GLAASSEL, o. (-s), glazuur, glans, polijsel. *...GLAZEN, bw. gel. (ik verglaasde, heb verglaasd), glazuur -, vernis opleggen, glanzen. *...GLAZER, m., *...GLAASSTER, v. (-s), die verglaast. *...GLAZING, v. het verglazen. *...GLIJDEN, ow. ong. verkeerd glijden, glijdende vallen. ZICH -, ww. glijdende zich bezeeren. *...GLIMPEN, bw. gel. (ik verglimpte, heb verglimpt), eenen glimp geven (aan). *...GODEN, bw. gel. (ik vergoodde, heb vergood), tot god of godin verheffen; bovenmatig vereeren, - verheffen. ...DING, v. het vergoden, buitengemeene vereering; zelf-, overdreven eigen lof. *...GOEDEN, bw. gel. (ik vergoedde, heb vergoed), schadeloosstelling geven; goed maken. ...ING, v. (-en), het vergoeden, schadeloosstelling. *...GOÊLIJKEN, bw. gel. (ik vergoêlijkte, heb vergoêlijkt), verschoonen, eenen glimp geven. ...ING, v. (-en), het vergoêlijken, glimp. *...GOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. verkeerd gooijen; om iets gooijen (met dobbelsteenen). ZICH -, ww. beneden zijne waardigheid -, beneden
| | | |
zijnen rang handelen, zich verlagen. *...GOUDEN, bw. gel. VERGULDEN. *...GRAMD, bn. en bijw. (-er, -st), vertoornd, boos, verstoord. -HEID, v. gmv. toorn, verstoordheid. *...GRAMMEN, bw. gel. (ik vergramde, heb vergramd), vertoornen, gramstorig maken. ZICH -, ww. gramstorig worden. ...MING, v. het vergrammen. *...GRAZEN, bw. gel. van weide doen veranderen. *...GRIJNEN (ZICH), ww. gel. onophoudelijk schreijen. *...GRIJP, o. (-en), misdaad, overtreding. -EN, bw. ong. verkeerd grijpen. ZICH -, ww. zich te buiten gaan; zich aan iem. -, iem. handtastelijk aanvallen; zich aan iets -, iets stelen. *...GRIJPING, v. het vergrijpen. *...GRIMMEN, ow. gel. woedend worden. *...GROEIJEN, (B. ...IEN), ow. verkeerd -, krom groeijen; een vergroeide (kromme) boom, rug. ...JING, v. (-en), het vergroeijen, kromgroeijing. *...GROOTEN, bw. gel. (ik vergrootte, heb vergroot), grooter maken, - doen schijnen; (fig.) opvijzelen, overdrijven; eene gebeurtenis -, er in het verhaal iets bijvoegen. -D, bn. grooter makend; (taalk.) de -e trap, (van bijvoegelijke naamwoorden). *...GROOTER, m., ...STER, v. (-s), die vergroot. *...GROOTGLAS, o. (...zen), glas zoodanig geslepen dat de voorwerpen er grooter door schijnen, mikroskoop. *...GROOTING, v. (-en), het vergrooten, overdrijving; grootspraak. *...GROVEN, bw. gel. (ik vergroofde, heb vergroofd), grover maken. ...VING, v. het vergroven. *...GRUIZEN, bw. gel. tot gruis maken, - stooten; verbrijzelen; stuk slaan. ...ZING, v. het vergruizen. *...GULD, bn. met goud (vlies) bekleed, in goud geglansd; eene -e lijst (om eenen spiegel enz.); (fig.) -e ketenen dragen, onder den schijn van rijkdom en pracht verslaafd zijn, - onderdrukt worden. *...GULDEN, bw. gel. (ik verguldde, heb verguld), met goudvlies bekleeden, in goud glanzen; (fig.) met iets verguld zijn, er zeer mede ingenomen zijn; eene pil -, eene onaangename zaak schoon of aannemelijk voorstellen; (dicht.) de zon verguldt de toppen der bergen. *...GULDER, m., ...STER, v. (-s), die verguldt. *...GULDING, v. het vergulden. *...GULDKWASTJE, (B. -N), o. (-s), ...PENSEEL, o. (-en), *...GULDMES, o. (-sen), werkt. des vergulders. *...GULDSEL, o. (-s), datgene waarmede men verguldt; wat verguld is. *...GUNNEN, bw. gel. toestaan, bewilligen, schenken; veroorloven. ...NING, v. (-en), het vergunnen, gunst, verlof; toestemming; † concessie.
| |
[Verhaal]
Verhaal, o. (...alen), vertelling, geschiedenis; sprook, roman; verslag; (regt.) schadeloosstelling, vergoeding; - nemen op, zijn - hebben op iem., vergoeding van hem eischen; er is geen - op, er is geen vergoeding voor. *-, herkrijging van krachten; ik kan niet op mijn - komen, (na eene ziekte). *-TRANT, m. *-WIJZE, v. *...HAASTEN, bw. gel. bespoedigen; overhaasten. ...ING, v. gmv. bespoediging. *...HAGEN, bw. gel. met hagen of heggen omgeven, - beplanten. *...HAKEN, bw. gel. overhaken. *...HAKKELEN, bw. gel. bedremmelen, verlegen maken. *...HAKKEN, bw. gel. overhakken; tot brandhout hakken; door omhakken versperren. ZICH -, ww. zich zelven er in helpen, zich in de war praten. *...HAKKING, v. (-en), het verhakken, overhakking; versperring van geveld hout. *...HAKSTUKKEN, bw. gel. (ik verhakstukte, heb verhakstukt), (schoenm.) van nieuwe hakken
| | | |
(hielen) voorzien; (fig.) verhandelen; hier is niets te - (niets te doen, niets te verdienen). *...HALEN, bw. gel. vertellen; zich schadeloos stellen; iets op iem. -, vergoeding voor iets bij iem. vragen; zich - op, zich revaleren (wegens een betaalden wissel); (regt) zijn verhaal nemen op... -, van ligplaats veranderen (van een schip of eene schuit in een dok-of in eene haven). *...HALER, m., *...HAALSTER, v. (-s), die verhaalt. *...HALING, v. gmv. het verhalen; verhaal. *...HANDELAAR, m., -STER, v. (-s), die verhandelt of eene verhandeling houdt, redenaar, -ster. *...HANDELBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), te verhandelen, verkoopbaar. *...HANDELEN, bw. ow. gel. handelen, koopen en verkoopen, eene verhandeling of redevoering uitspreken; bespreken, behandelen (zaken). ...ING, v. (-en), het verhandelen; uitgewerkt opstel, redevoering (over een onderwerp); afdoening, behandeling van zaken. *...HANGEN, bw. ong anders -, elders hangen, ophangen; (fig.) de hekken zijn -, de zaken zijn veranderd, het bestuur is in andere handen overgegaan. ZICH -, ww. zich door ophanging van het leven berooven. *...HANGING, v. gmv. het verhangen; zelfmoord door ophanging. *...HANSELEN, bw. gel. (ik verhanselde, heb verhanseld), verknoeijen, verkwanselen. ...ING, v. het verhanselen, knoeijerij, kwanselarij. *...HANSEN, bw. gel. (ik verhanste, heb verhanst), den eersten dronk bij de intrede in een gild doen. *...HARD, bn. en dw. hard geworden, vereelt; (fig.) ongevoelig, onaangedaan; wreed; hij is in de ondeugd - (verstokt). *...HARDDRAVEN, bw. gel. *...HARDEN, verdraven. bw. ow. hard maken, - worden; (fig.) ongevoelig maken, - worden. *...HARDHEID, v. hardheid; (fig.) verstoktheid, hardnekkigheid. *...HARDING, v. (-en), het verharden, wat hard is; vereelting; (fig.) wreedheid. *...HAREN, (B. ...AIREN), ow. gel. de haren verliezen; ruijen (van dieren). ...RING, v. het verharen. *...HEELSTER, v. (-s), zij die verheelt of verbergt. *...HEERDER, m., ...STER, v. (-s), verwoester, overweldiger, ...ster. *...HEEREN, bw. gel. (ik verheerde, heb verheerd), overmeesteren; verwoesten, verdelgen, plat loopen (een land); alles te ouur en te zwaard -. ...ING, v. (-en), het verheeren, verwoesting, verdelging. *...HEERGEWADEN, bw. gel. een leen verheffen, - instellen; iem. met een land -, het hem laten besturen. *...HEERLIJKEN, bw. gel. (ik verheerlijkte, heb verheerlijkt), roemen, verheffen, vieren, betuigen; Gods naam - (prijzen). ...ING, v. (-en), het verheerlijken; roem. *...HEFFEN, bw. ong. opheffen, hooger maken, - stellen; rijzen, oprigten; de stem -, luider spreken; benoemen, bevorderen; tot den adelstand -, een adellijken titel schenken; zij naam werd hemelhoog verheven (geroemd); (leenst.) dit landschap verheft van (ontleent zijne leenroerigheid aan) den graaf. ZICH -, ww. sterker worden (b.v. van de koorts); zich verzetten, opstaan, tegenstand bieden; (op iets) hoogmoedig zijn. *...HEFFING, v. gmv. het verheffen, oprijzing, verhooging; het opzetten (van den wind); het hevig worden (van de koortsen).
| |
[Verheid]
Verheid, v. (...heden), afstand; verwijdering; schools-, dragt.
| |
[Verhelderen]
Verhelderen, bw. ow. gel. (ik verhelderde, heb verhelderd), ophelderen, helderder maken; (ook fig.). *...HELDERING, v. het ver- | | | | helderen,
opheldering; verlichting (van het verstand). *...HELEN, bw. gel. verbergen, verzwijgen, niet openbaren. *...HELER, m. (-s), die verbergt of verzwijgt. *...HELING, v. (-en), het verhelen. *...HELPEN, bw. ong. verbeteren, genezen; herstellen. ...ING, v. het verhelpen. *...HEMELTE, o. (-n), (ontl.) gewelf van den mond; overdekking, hemel (van eenen troon, een ledekant, eenen preêkstoel enz.). *...HENGEN, bw. zie GEHENGEN. *...HEUGD, bn. (-er, -st), vrolijk, opgeruimd, blijde. -HEID, v. vreugde, vrolijkheid. *...HEUGEN, bw. gel. vrolijk maken; blijdschap verwekken. ZICH -, ww. vrolijk -, blijde zijn. *...HEUGEND, bn. verblijdend. *...HEUGENIS, v. het verheugen, blijdschap; een vrolijke dronk. *...HEUGING, v. eene - hebben, beginnen dronken te worden. *...HEVELING, v. (-en), verschijnsel van den dampkring (als: regen, sneeuw, onweder enz.). *...HEVEN, bn. en bijw. (-er, -st), boven (iets anders) uitstekend; opstaande; (beeldh.) - beeldwerk, † relief; half -, † bas relief; (fig.) een - (uitmuntend) verstand; -e (grootsche) daden; eene -e (niet alledaagsche) gedachte. -HEID, v. het verhevene; hoogte; want uitsteekt boven den grond; (fig.) edelaardigheid. *...HINDEREN, bw. gel. beletten, tegengaan, voorkomen. ...ING, v. (-en), het verhinderen, beletsel, hinderpaal. *...HIT, bn. (-ter, -st), heet, gloeijend; (fig.) opgewekt, vurig; eene -te verbeeldingskracht. *...HITTEN, bw. gel. (ik verhitte, heb verhit), heet maken; doen gloeijen; (fig.) opwekken, opstoken. ZICH -, ww. zich in het zweet werken, - loopen; (fig.) zich zelven opwinden. -D, bn. en dw. heetmakend; -e (opwekkende) spijzen, dranken. *...HITTING, v. gmv. het verhitten (in alle bet.). *...HOEDEN, bw. gel. (ik verhoedde, heb verhoed), beletten, voorkomen. ...ING, v. gmv. het verhoeden. § *...HOEREN, bw. gel. hoerende doorbrengen, - verteren. *...HOETELEN, bw. gel. (ik verhoetelde, heb verhoeteld), bederven, kreukelen, bemorsen. *...HOLEN, bn. en bijw. verborgen, sluiks; geheim. -HEID, v. (...heden), verborgenheid. *...HONDERDVOUDIGD, bn. ...EN, bw. gel. honderdmaal meer nemen; (fig.) zeer vermeerderen. *...HONGEREN, bw. ow. gel. uithongeren; hij ziet er verhongerd uit, hij ziet er uit als of hij in lang niet gegeten heeft. ...ING, v. het verhongeren, uithongering; uitputting. *...HOOGEN, bw. gel. hooger maken, opwerpen (aarde); vermeerderen (den prijs); (fig.) verheffen, prijzen. *...HOOGER, m., ...STER, v. (-s), die verhoogt; (fig.) die prijst, looft, verheft. *...HOOGING, v. (-en), het verhoogen, vermeerdering (van prijs); waarde - (der munt); (fig.) lof, verheffing. *...HOOGSEL, o. (-s), wat verhoogd is. *...HOOR, o. (-en), (regt.) ondervraging. -BANKJE, (B. -N), o. (-s), zitbankje voor de beschuldigden. *...HOORDER, (B. *...HOORER), m. (-s), die verhoort of ondervraagt; (ook) die aanneemt of vervult (een gebed); God is de - (toeverlaat) der ongelukkigen. *...HOOREN, bw. gel. ondervragen, in het verhoor nemen; aanhooren; vervullen (eenen wensch); overhooren. ...ING, v. gmv. het verhooren, verhoor. *...HOOVAARDIGEN, bw. (ik verhoovaardigde, heb verhoovaardigd), hoovaardig -, hoogmoedig maken. ZICH -, ww. - op, trotsch zijn op... *...HOOVAARDIGING, v. gmv. het verhoovaardigen, hoovaardij, ingebeelde trots. *...HOPEN, bw. gel. hopen. *...HOUDEN, bw. onr. weêrhouden. ZICH -
| | | |
ww. in verhouding staan (tot). *...HOUDING, v. (-en), het verhouden; (wisk.) betrekking (van grootheden onderling tot elkander); de - van 6 tot 18 is als 1 tot 3; afmeting; de -en van een gebouw, van een werktuig; (fig.) evenredig; dat is buiten alle -. *...HUISDAG, m. (-en), dag waarop men verhuist. *...HUISDROKTE, v. gmv. *...HUISKIST, v. (-en), kist die men verhuurt om bij verhuizingen te dienen. *...HUISTIJD, m. (-en). *...HUIZEN, ow. gel. (ik verhuisde, ben verhuisd), van woning -, van huis veranderen; uit het eene huis in het andere trekken; de dienst verlaten (van meiden, knechts enz.); (fig.) sterven. ...ZING, v. (-en), het verhuizen (in alle bet.). *...HUREN, bw. gel. in huur geven; verpachten; onder-, aan een derde verhuren wat men zelf in huur heeft. ...RING, v. gmv. het verhuren. *...HUTSELEN, bw. gel. schuddende verplaatsen, verfomfooijen. *...HUURDER, m., ...STER, v. (-s) die verhuurt. *...HUURKANTOOR, o. (...oren), kantoor waar men dienstboden enz. verhuurt. *...HUURTIJD, m. (-en), gewone tijdruimte gedurende welke -, tijdstip waarop men verhuurt. *...HUWELIJKEN, bw. gel. uithuwelijken. *...HYPOTHEKEREN, bw. gel. een vast goed als pand laten inschrijven.
| |
[† Verificateur]
† Verificateur, m. (-s), ambtenaar die de echtheid (eener opgave, enz.) moet onderzoeken. *...FICATIE, v. (...ën), onderzoek naar de echtheid. *...FIËREN, *...FICEREN, bw. gel. (ik verifiëerde of verificeerde, heb geverifiëerd of geverificeerd), onderzoeken naar de echtheid; de echtheid (van iets) bekrachtigen.
| |
[Verijdelen]
Verijdelen, bw. gel. (ik verijdelde, heb verijdeld), nutteloos maken, te niet doen, te leur stellen; doen mislukken. *...IJDELING, v. gmv. het verijdelen. *...IJZEN, ow. gel. ijs worden, in het ijs vastraken. ...IJZING, v. (-en), het verijzen. *...INTERESTEN, bw. gel. (ik verinterestte, heb verinterest), op interest plaatsen, (gelden), rente weder beleggen. *...JAARD, bn. (regt.) verbeurd -, vernietigd door de jaren (van eene geldschuld); (ook) door veeljarig bestaan regtens geworden (b.v. een gebruik, misbruik).
| |
[Verjaardag]
Verjaardag, m. (-en), dag waarop iets of iemand een of meer jaren oud is. *...DICHT, o. (-en), gelegenheidsgedicht tot viering van iemands verjaardag. *...FEEST, o. (-en). *...GESCHENK, o. (-en). *...MAAL, o. (...alen). *...PARTIJ, v. (-en), feest ter viering van eenen verjaardag.
| |
[Verjagen]
Verjagen, bw. gel. ong. wegjagen, verdrijven; (doen) verwijderen. *...JAGER, m., *...JAAGSTER, v. (-s), die verjaagt; verdrijver, verdrijfster. *...JAGING, v. gmv. het verjagen, verdrijving. *...JAREN, bw. gel. (ik verjaarde, heb of ben verjaard), iemand op zijnen verjaardag eer bewijzen; iem. met iets -, hem een verjaargeschenk geven. -, ow. jarig worden; zijn verjaarfeest vieren; jarig zijn; deze gebeurtenis verjaart heden, het is heden een (of weder een) jaar geleden sedert....; (regt.) door verloop van zek. aantal jaren niet meer invorderbaar zijn (van eene geldschuld); (ook) regtens worden door veeljarig bestaan (b.v. van een misbruik). *...JARING, v. (-en), het verjaren, (in alle bet.); verjaarfeest. -SREGT, o. gmv. regt waardoor, na een zeker aantal jaren, de aanspraak op iets verloren of verbeurd is.
| | | |
*...JONGEN, bw. ow. gel. jonger maken, - worden. *...JONGING, v. gmv. het verjongen. -SBRON, v. zoogenaamde bron wier water kan verjongen; fontein van Jouvence. -SKUUR, v. (...uren), leefregel -, gebruik van (toover)middelen om te verjongen. -SMIDDEL, o. (-en), tooverdrank.
| |
[Verkaarden]
Verkaarden, bw. gel. kaardende gebruiken; overkaarden. *...KAARDING, v. gmv. het verkaarden. *...KABBELEN, bw. gel. kabbelende slijten, verspoelen. ...ING, v. het verkabbelen. *...KAKELEN, bw. gel. kakelende doorbrengen, - slijten; leggen (van kippen). *...KALEFATEREN, bw. gel. kalefaterende verteren; overkalefateren. ...ING, v. gmv. het verkalefateren. *...KALKEN, bw. ow. gel. tot kalk maken, - worden. ZICH -, ww. ...ING, v. het verkalken. *...KALLEN, bw. gel. kallende-, pratende doorbrengen. ZICH -, ww. zich verpraten, meer praten dan men behoort. *...KAMMEN, bw. gel. kammende doorbrengen; overkammen. *...KANKEREN, bw. ow. gel. kankerende verteren; uitteren (door kanker). ...ING, v. gmv. het verkankeren. *...KAPPEN, bw. gel. kappende -, hakkende verteren, slijten; over-, herkappen. -, (w.g.) met eene kap omhullen. ...PING, v. het verkappen (in alle bet.). *...KASTEN, bw. ow. (ik verkastte, heb of ben verkast), in eene andere kas of kast leggen. § -, verhuizen. *...KAVELEN, bw. gel. bij kavelingen verkoopen, - indeelen; (ook) verdobbelen, op eenen worp wagen. *...KEER, o. gmv. omgang; handels-, betrekkingen van koophandel. -BORD, o. (-en), soort spel, triktrak. *...KEERD, bn. bijw. (-er, -st), omgekeerd, averegtsch; aan de keerzijde; onjuist, onregt, valsch; het komt - (niet zoo als men verwachtte) uit; (fig.) hij is mijn vriend aan den -en kant, hij is mijn vijand. -HEID, v. (...eden), het verkeerde; iets dat verkeerd is; misslag, gebrek, ondeugd, bedorvenheid. *...KEEREN, ow. gel. veranderen; - (omgaan) met; hij verkeert (vrijt) met dat meisje; op het verkeerbord spelen; zich gedragen, zich houden; in slavernij, in ballingschap - (zich bevinden); (spr.) waar men mede verkeert, wordt men mede geëerd, wij worden geschat naar de lieden waarmede wij omgaan. ...ING, v. gmv. het verkeeren; verkeer; vrijaadje; -hebben, zoeken, (met een meisje). *...KEERSPEL, o. (-en), verkeerbord, (soort) tiktak. *...KENBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), geschikt om verkend te worden. *...KENNEN, bw. gel. opnemen; (oorl.) onderzoeken, zich bekend maken met de plaatselijke gesteldheid van...; (zeew.) een schip -, zijne grootte en hoedanigheid trachten op te nemen. ...NING, v. (-en), het verkennen; op (kondschap) - uitgaan, uitzenden. *...KENNINGSMIDDEL, o. (-en). *...KENNINGSTEEKEN, o. (-s), (oorl. en zeew.) sein; signaal. *...KERVEN, bw. gel. kervende slijten, slecht kerven; onbruikbaar maken; (ook fig.) bederven; hij heeft het bij hem verkorven, hij heeft zijne gunst verloren. ...VING, v. gmv. het verkerven. *...KETTEREN, bw. gel. (ik verketterde, heb verketterd), tot ketter verklaren, als ketter uitkrijten; (fig.) iem. of iets aan de kaak stellen; men heeft deze stelling verketterd (veroordeeld). ...ING, v. gmv. het verketteren; banvloek, wraking. *...KEUVELEN, bw. gel. keuvelende doorbrengen (den tijd). *...KIELEN, bw. gel. overkielen, van eene nieuwe kiel voorzien. ...ING, v. het verkielen; nieuwe kiel.
| | | |
*...KIESBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), geschikt -, bevoegd om verkozen te worden; verkieslijk. -HEID, v. gmv. bevoegdheid om gekozen te worden. *...KIESDAG, m. (-en), dag tot eene verkiezing bestemd. *...KIESLIJK, bn. en bijw. (-er, -st), de voorkeur verdienende; verkiesbaar. *...KIEZEN, bw. ong. kiezen, eene keuze doen; de voorkeur geven; verkiezen, uitkiezen; willen; behagen; hij verkiest het niet te doen, (uit eigenzinnigheid). ...ZING, v. (-en), het verkiezen; keuze; de -en, benoemingen tot volksvertegenwoordigers; (godg.) de vrije -, vrije wil. -, welbehagen. *...KIJKEN, bw. ong. kijkende verteren; - doorbrengen; wedden; de kans is verkeken (verloren). *...KINDEREN, ow. gel. kindsch -, onnoozel worden. *...KLAARBAAR, bn. (-der, B. ....arer, -st), verklaard kunnende worden; duidelijk. *...KLAARDER, m., ...STER, v. (-s), die verklaart; uitlegger, uitlegster. *...KLADDEN, bw. gel. kladdende bederven; (ook) bekladden. *...KLAGEN, bw. gel. aanklagen. *...KLAGER, m. (-s), *...KLAAGSTER, v. (-s), die beschuldigt. ...GING, v. het verklagen. *...KLAPPEN, bw. gel. verklikken, overbrengen; iem. -, verraden. ZICH -, ww. onvoorzigtig zijn geheim uitbrengen, zich beschuldigen. *...KLAPPER, m., ...STER, v. (-s), die aanbrengt, verklikker, verklikster. *...KLAREN, bw. gel. (ik verklaarde, heb verklaard), klaar maken (w.g.); uitleggen, verduidelijken (den zin, de beteekenis van iets); oplossen, ophelderen; te kennen geven; noemen; valsch -, eene valsche getuigenis afleggen. ZICH -, ww. zich uiten. *...KLAREND, bn. ophelderend. *...KLARING, v. (-en), het verklaren, opheldering; uitlegging (b.v. van eenen droom); getuigenis; - afleggen, geven, (voor den regter); schriftelijke -, getuigschrift, attest; mondelinge -, getuigenis. *...KLEEDEN, bw. gel. vermommen, hullen in, over-, anders kleeden. ZICH -, ww. zich vermommen; een verkleede, die verkleed is, die zich verkleed heeft. *...KLEEDING, v. (-en), het verkleeden, vermomming. *...KLEEFD, bn. (-er, -st), gehecht, verknocht (aan iem.); verslaafd (b.v. aan den drank). -HEID, v. gmv. gehechtheid, verknochtheid; verslaafdheid. *...KLEINBAAR, bn. vatbaar voor verkleining; (rek.) eene niet verkleinbare breuk. *...KLEINEN, bw. gel. (ik verkleinde, heb verkleind), klein -, kleiner -, geringer maken; (rekenk.) breuken -, teller en noemer tot kleinere getallen herleiden; op kleinere schaal maken (eene landkaart); (fig.) iets gering schatten, met minachting (van iets of iem.) spreken; iets kleiner -, als gering voorstellen; deze daad heeft zijn aanzien verkleind (verminderd). ZICH -, ww. kruipen, zich zelven lager stellen dan men behoort. *...KLEINER, m., ...STER, v. (-s), die verkleint, (in alle bet.). *...KLEINGLAS, o. (...azen), glas waardoor men de voorwerpen kleiner ziet dan zij natuurlijk zijn. *...KLEINING, v. (-en), het verkleinen, (in alle bet.); (rek.) herleiding tot kleinere getallen; (fig.) minachting. *...KLEINWOORD, -JE, (B. -N), o. (-s), woord dat (door verandering van uitgang) het voorwerp er door uitgedrukt kleiner voorstelt (als: tafeltje, boompje enz.). *...KLEUMD, bn. (-er, -st), bevangen -, stijf van de koude. -HEID, v. gmv. verstijving; stramheid van koude. *...KLEUMEN, ow. gel. stijf -, bevangen worden van koude. ...ING, v. gmv. het verkleumen, verkleumdheid. *...KLEUREN, bw.
| | | |
ow. gel. de kleur -, van kleur veranderen, ontkleuren, kleurloos worden, de kleur verliezen. ...ING, v. het verkleuren; verbleeking. *...KLIKKEN, ow. gel. aan -, overbrengen, verraden. *...KLIKKER, m., ...STER, v. (-s), die verklikt; aanbrenger, ...ster. *...KLIKKER, m. (-s), (zeew.) spaansche waker, zek. windwijzer. ...KING, v. (-en), het verklikken. *...KLOEKEN, bw. gel. (ik verkloekte, heb verkloekt), kloek maken; moed geven; (fig.) door list vangen, in den strik laten loopen, verschalken. ZICH -, ww. zich verstouten. *...KLOEKER, m., *...KLOEKSTER, v. (-s), die verkloekt, (in alle bet.). ...ING, v. gmv. het verkloeken, (in alle bet.). *...KLONGELEN, bw. gel. verbeuzelen. *...KLONGELAAR, m. -STER, v. (-s), die verbeuzelt; verkwister, verkwistster. ...ING, v. het verklongelen. *...KNAGEN, bw. gel. knagende stuk maken. ...GING, v. gmv. het verknagen; (fig.) wroeging, hartzeer. *...KNECHTEN, bw. gel. onder het juk brengen, dienstbaar maken. *...KNEDEN, bw. gel. over-, herkneden. ...DING, v. het verkneden. *...KNEUZEN, bw. gel. kneuzende breken, plat kneuzen. ...ZING, v. gmv. *...KNIJPEN, bw. ong. knijpende stuk maken. ZICH -, ww. zich pijnlijk bedwingen (van spijt). *...KNIJPING, v. het verknijpen; (fig.) verlegenheid. *...KNIJZEN, *...KNIEZEN, bw. gel. kniezende doorbrengen. -, ow. ZICH -, ww. van innig hartzeer verteerd worden. *...KNIEZING, v. gmv. het verkniezen; (fig.) in de - (verlegenheid) zitten. *...KNIPPEN, bw. gel. knippende stuk maken; in kleine stukjes knippen; slecht knippen, knippende bederven; versnijden. *...KNIPPER, m., *...KNIPSTER, v. (-s), die verknipt. ...PING, v. het verknippen. *...KNOCHTEN, bw. gel. (ik verknochtte, heb verknocht), verbinden, aanhechten; aan iem. verknocht (innig verbonden) zijn. *...KNOCHTING, *...KNOCHTHEID, v. gmv. innige verbinding, gehechtheid, vriendschap. *...KNOEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. knoeijende doorbrengen, - verteren (tijd, geld); bederven. *...KNOEIJER, m., ...STER, v. (-s), die verknoeit. *...KNOEIJING, v. het verknoeijen. § *...KNOLLEN, bw. gel. (ik verknolde, heb verknold), verbroddelen; het bij iem. verknold hebben, bij iem. in ongenade zijn gevallen. ...LING, v. gmv. het verknoeijen, bederving. *...KNOOPEN, bw. gel. over-, her-, anders knoopen; in de war knoopen. ...ING, v. gmv. het verknoopen. *...KOELDRANK, m. (-en), verfrisschende drank. *...KOELEN, bw. ow. gel. koel -, koeler maken; bekoelen; verfrisschen; de maag -, ongesteld maken door gebruik van koele vruchten of dranken; (fig.) verflaauwen (van vriendschap); zij zijn sedert eenigen tijd verkoeld, zij zijn zulke innige vrienden niet meer. -D, bn. (-er, -st), koel makend; -e dranken, -e vruchten, vruchten die de maag verkoelen of ongesteld maken. *...KOELING, v. gmv. het verkoelen, vermindering van warmte; verfrissching (van een kanon); (fig.) verflaauwing van vriendschap. *...KOKEN, bw. ow. gel. kokende verminderen; verteren; verdampen. ...KING, v. het verkoken, verdamping. *...KOLEN, bw. ow. gel. (ik verkoolde, heb of ben verkoold), tot kool maken, - worden. ...LING, v. het verkolen, verbranding. *...KOLVEN, bw. gel. kolvende doorbrengen (tijd, geld); (ook) kolvende naar eenen prijs mededingen. *...KOMEN, ow. onr. bekomen, bedaren. *...KONDIGEN, bw. gel. (ik verkondigde, heb verkondigd),
| | | |
bekend maken, verspreiden; leeren, prediken. *...KONDIGER, m., ...STER, v. (-s), die verkondigt; de - van Gods woord, Gods gezant, predikant. *...KONDIGING, v. (-en), aankondiging, bekendmaking, leer; predikatie. *...KONDSCHAPPEN, bw. gel. melden, onderrigten; (ook) uitvorschen. ...PING, v. gmv. het verkondschappen. *...KONKELEN, bw. gel. doorbrengen, verspillen, verknoeijen (inz. door vrouwen). ...ING, v. het verkonkelen.
| |
[Verkoop]
Verkoop, m. (-en), het verkoopen; koop en -, handel. *-BAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), geschikt om verkocht te worden. -HEID, v. gmv. *-DAG, m. (-en), dag waarop verkocht wordt of verkocht zal worden. *-EN, bw. onr. aan anderen (iets) tot een zekeren prijs (inz. om winst te maken) overdoen; koopen om weder te -, handelen; geregtelijk -, (op hoog gezag, wegens onbetaalde belasting of andere schulden); op daling -, in de contranime zijn, (in den fondsenhandel); op rijzing -, in de liefhebberij zijn, (in den fondsenhandel). ZICH -, ww. zijne diensten voor geld veil hebben, (tot bevordering eener staatspartij enz.). *-ER, m., *-STER, v. (-s), die verkoopt; openbare -, vendumeester. *-ING, v. (-en), het verkoopen, (inz. in het openbaar); veiling. *-HUIS, o. (...zen), *-PLAATS, v. (-en), plaats waar verkocht wordt, gebouw waar openbare veilingen gehouden worden. *-TIJD, m. (-en).
| |
[Verkoperen]
Verkoperen, bw. gel. (zeew.) met koper bekleeden, beslaan; koperen; bronzen. *...KOPERING, v. het verkoperen. *...KOREN, dw. verkozen; uitverkoren. *...KORSTEN, bw. ow. gel. met korst bedekken, tot korst worden. *...KORTEN, bw. gel. kort -, korter maken; een uittreksel (van iets) maken; (fig.) den tijd - (verdrijven); het leven -, door verdriet; iem. in zijne belangen -, hem benadeelen. *...KORTER m., *...KORTSTER, v. (-s), die verkort. *...KORTING, v. (-en), het verkorten (in alle bet.); kort begrip, overzigt. -STEEKEN, o. (-s), (taalk.) afkappingsteeken, apostrophe, ('). *...KORTSCHRIFT, o. (-en), overzigt, kort begrip; (ook) kunst om kort te schrijven, (soort) stenographie of tachygraphie. *...KOUD, of *...KOUDEN, bn. door koude bevangen, - pijnlijk aangedaan; (fig.) hij is er om -, hij moest er voor boeten, heeft het met den dood bekocht. *...KOUDEN, bw. ow. gel. (ik verkoudde, heb of ben verkoud), koud maken, - worden; verkoelen. ZICH -, ww. verkouden worden. *...KOUDHEID, v. ongesteldheid door belette huiduitwaseming; stramheid. *...KOUTEN, bw. gel. koutende doorbrengen, - slijten (den tijd). *...KRACHTEN, bw. gel. (ik verkrachtte, heb verkracht), overtreden, geweld aandoen (de wet); (ook) onteeren (een meisje). *...KRACHTER, m. (-s), die verkracht; onteerder. *...KRACHTSTER, v. (-s), die (de wetten) verkracht. ...ING, v. (-en), het verkrachten; overtreding; onteering, schending. *...KRANKEN, bw. gel. ziek maken; in ziekelijkheid doorbrengen, - verteren (tijd, geld); (fig.) benadeelen, schenden. *...KREUKEN, bw. gel. verkeerd -, valsch kreuken of plooijen; kreukende bederven, verfrommelen. ...ING, v. (-en), het verkreuken. *...KRIJGBAAR, bn. te verkrijgen, te koopen. *...KRIJGEN, bw. ong. bekomen, koopen; verwerven (door pogingen); lof, eer - (inoogsten). *...KRIJGER, m., *...KRIJGSTER, v. (-s), die verkrijgt of verwerft. ...ING, v.
| | | |
het verkrijgen; verwerving. *...KRIMPEN, ow. ong. krimpende korter worden; (fig.) zich -, hevige pijn -, verdriet ondervinden. *...KROMMEN, bw. gel. krom maken, - buigen; (fig.) het regt -, onregt doen. ...MING, v. (-en), het verkrommen. *...KROPPEN, bw. gel. kroppende slikken, door de keel duwen; zwaar eten verslikken; (fig.) verduren, verbijten (leed, beleedigingen). ...PING, v. het verkroppen; opstopping in de keel; (fig.) het verduren (van leed enz.). *...KROTTEN, bw. gel. (ik verkrotte, heb verkrot), vervuilen, verwaarloozen. *...KRUIJEN, (B. ...IEN), bw. ow. gel. en ong. kruijende vervoeren, - verplaatsen; opschuiven (van ijsschollen). ...JING, v. (-en), het verkruijen. *...KRUIMELEN, bw. gel. kruimelende verknoeijen, - bederven. *...KRUIPEN, ow. ong. kruipende zich verwijderen. ZICH -, ww. (fig.) zich verschuilen (van schaamte). ...ING, v. het verkruipen. *...KUIJEREN, (B. ...IEREN), ow. ong. (w.g.) heenwandelen, heengaan. ...ING, v. het verkuijeren. *...KUILEN, bw. gel. (ik verkuilde, heb verkuild), overbrengen van den eenen kuil in den anderen; van kuil veranderen. *...KUIPEN, bw. gel. kuipende doorbrengen, - gebruiken, - slijten; (ook) van kuip veranderen, in eene andere kuip overstorten. ...ING, v. (-en), het verkuipen. *...KUISCHT, bn. zindelijk, proper; (fig.) met iets - (ingenomen, opgehemeld) zijn. *...KUSSEN, bw. gel. kussende doorbrengen, - slijten (den tijd). *...KWAKKELEN, bw. gel. verwaarloozen, verluijeren. *...KWANSELEN, bw. gel. kwanselende zoek maken, verteren, verspillen. ...ING, v. het verkwanselen. *...KWAPSEN, bw. gel. (ik verkwapste, heb verkwapst), zoek maken, bederven. *...KWIJLEN, bw. ow. gel. kwijlende bederven, - slijten; door kwijlen verzwakken. ...ING, v. gmv. het verkwijlen; loozing van te veel kwijl. *...KWIJNEN, bw. ow. gel. kwijnende doorbrengen, - slijten (zijnen tijd, zijne krachten); wegkwijnen, kwijnende verzwakken, - afnemen. ...ING, v. het verkwijnen. *...KWIKBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar voor verkwikking; (ook) verkwikkelijk. *...KWIKKELIJK, bn. (-er, -st), verfrisschend; (fig.) opwekkend, vertroostend, troostrijk. *...KWIKKEN, bw. gel. (ik verkwikte, heb verkwikt), laven, ver-, opfrisschen; (fig.) troosten, opwekken; eene -de (opbeurende) tijding. *...KWIKKER, m., *...KWIKSTER, v. (-s), die verkwikt, laaft; (fig.) die vertroost. ...KING, v. (-en), het verkwikken, lafenis; (fig.) troost, opwekking. *...KWISTEN, bw. gel. (ik verkwistte, heb verkwist), verspillen, wegmaken (geld, tijd enz.); te ruim zijn in het gebruik van iets. -D, bn. (-er, -st), verspillend, losbandig. *...KWISTER, m., *...KWISTSTER, v. (-s), die verkwist of doorbrengt. ...ING, v. (-en), het verkwisten; verspilling, doorbrenging.
| |
[Verlaat]
Verlaat, o. (verlaten), soort sluis; wetering. *-SMEESTER, m. (-s), sluiswachter. *...LAAUWEN, ow. gel. laauw -, laauwer worden. ...WING, v. het verlaauwen, verkoeling. *...LADEN, bw. gel. over-, herladen. *...LADING, v. het verladen; overlading. *...LAGEN, bw. gel. (ik verlaagde, heb verlaagd), laag -, lager maken; de munt -, hare gehalte verminderen; (fig.) vernederen, schande aandoen (door af te keuren gedragingen). ZICH -, ww. lage handelingen verrigten, laagheden doen; zich vernederen (door een onfatsoenlijk gedrag). *...LAGING, v. (-en), het verlagen; - der munt, ver- | | | | mindering
van hare gehalte, † depreciatie; (fig.) vernedering; onteering, † degradatie. *...LAK, -SEL, o. (-s), vernis, lak; soort schoensmeer. *...LAKKEN, bw. gel. vernissen, lakken; verlakt (chineesch, japansch) werk; (fig.) foppen, bedotten. *...LAKKER, m., *...LAKSTER, v. (-s), die verlakt; (fig.) spotter, fopper, fopster. ...KING, v. (-en), het verlakken; lakwerk, verlaksel; (fig.) fopperij. *...LAMD, bn. en dw. verstijfd, lam geworden, verstramd; vervangen, stijf (van paarden). -HEID, v. gmv. stijfheid, verstijving (der ledematen), lamheid. *...LAMMEN, bw. ow. gel. (ik verlamde, heb of ben verlamd), lam maken, - worden; iem. aan armen en beenen -, lam slaan. ...MING, v. (-en), het verlammen; lamheid, stijfheid. *...LANDEN, ow. gel. land worden, aanspoelen; (ook) het land verlaten (w.g.). ...ING, v. (-en), landwording, aanspoeling; verhuizing uit het land. *...LANGEN, bw. gel. (ik verlangde, heb verlangd), begeeren, wenschen; iets -, naar iets uitzien; vorderen (geld). -, verlengen. -, onp. w. het verlangt mij (ik ben nieuwsgierig) te weten. -, o. (-s), begeerte, wensch, eisch. *...LANGING, v. gmv. verlenging. *...LANGST, v. het verlangen, begeerte. *...LANTERFANTEN, bw. gel. nutteloos doorbrengen, - slijten (den tijd). *...LAPPEN, bw. gel. lappende slijten, - gebruiken; overlappen, verstellen. ...PING, v. gmv. het verlappen. *...LARIËN, bw. gel. verbeuzelen. *...LASTEN, bw. gel. (ik verlastte, heb verlast), her-, overladen. *...LASTEREN, bw. gel. lasteren, belasteren. *...LATEN, bw. ong. overgieten, -storten; begeven, daar-, achterlaten; afscheid nemen; opgeven (vrienden); de wereld -, overlijden; ik laat (verkoop, geef) het u voor...; mijn gezigt, mijn gehoor verlaat mij, mijn gezigt -, mijn gehoor verzwakt. -, ow. afwijken. ZICH -, ww. - op, vertrouwen stellen op of in; berusten; ik verlaat mij (ik reken) op uw woord. -, bn. en dw. een - kind, vondeling; een - (ledig) huis; eene -e, meisje dat door haren minnaar -, vrouw die door haren man verlaten is; eene -e (eenzame, afgelegen) woning. -HEID, v. gmv. eenzaamheid; toestand van iem. die verlaten is. *...LATER, m., *...LAATSTER, v. (-s), die verlaat; vlugteling. *...LEDEN, bn. vroeger, laatste; de -e (vorige) week; - jaar, ten vorigen jare; de akte is - (opgemaakt) ten overstaan van... -E, o. gmv. wat verleden of vroeger is; de verleden tijd. *...LEDIGEN (ZICH), ww. gel. zich bezig houden (met), andere zaken laten staan. *...LEELIJKEN, bw. ow. gel. (ik verleelijkte, heb verleelijkt), leelijk maken, - worden. ...ING, v. gmv. het verleelijken; leelijke voorstelling; misvorming van iets. *...LEENEN, bw. gel. toegeven, schenken, toestaan (ambten, gunsten enz.). ...ING, v. gmv. het verleenen. *...LEEREN, bw. gel. afleeren, ontleeren, doen vergeten; (fig.) ik zal hem dat liegen wel - (afwennen). ...ING, v. gmv. het verleeren. *...LEESTEN, bw. gel. (schoenen) op eene andere leest zetten. *...LEGEN, bn. te lang gelegen; door liggen bedorven, verkleurd (van goederen); (zeew.) - (zeer boos) weêr (op zee). -, bn. en bijw. bedremmeld, onthutst, angstig; zich - maken, (om of over iets); - zijn om, behoefte hebben aan; noodig hebben. -HEID, v. (...heden), bedremmeldheid, angst, kommer; (fig.) geldnood, geldgebrek. *...LEGEREN, ow. gel. elders legeren, van legerplaats verande- | | | | ren.
...ING, v. (-en), het verlegeren. *...LEGGEN, bw. gel. anders -, overleggen, elders leggen, verplaatsen; overpakken; vervouwen; troepen -, van legerplaats doen veranderen; vergeten waar iets geborgen is. ...GING, v. gmv. het verleggen, overplaatsing. *...LEIDBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar voor verleiding. *...LEIDELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), verleidend, bekoorlijk; -e (boeijende) oogen. -HEID, v. (...heden). *...LEIDEN, bw. gel. medeslepen, bekoren; verlokken, betooveren; een meisje -, misleiden, ongelukkig maken, onteeren. -D, bn. (-er, -st), verleidelijk. *...LEIDER, m., *...LEIDSTER, v. (-s), die verleidt, misleider, snoode bedrieger, - bedriegster. ...DING, v. (-en), het verleiden; verlokking. *...LEKKEREN, bw. gel. (ik verlekkerde, heb verlekkerd), aan het lekkere gewennen; op iets verlekkerd (verzot) zijn. ...ING, v. gmv. het verlekkeren. *...LENGEN, bw. gel. (ik verlengde, heb verlengd), langer maken; (fig.) eenen wissel -, den termijn van betaling opschorten, † prolongeren. ...ING, v. (-en), het verlengen (in alle bet.); (kooph.) prolongatie (eens wissels). *...LENGSTUK, o. (-ken), stuk dat aan eenig voorwerp vastgehecht wordt om dit langer te maken. *...LEPPEN, ow. gel. (ik verlepte, ben verlept), verflensen, verwelken (inz. van bloemen); (fig.) zijne schoonheid verliezen. *...LEPT, bn. verflenst, verwelkt; (fig.) eene -e (uitgeleefde) schoonheid (vrouw). *...LEPTHEID, v. gmv. *...LET, o. gmv. verhindering, beletsel; verwaarloozing. *...LETTEN, bw. gel. verhinderen; (ook) verwaarloozen, niet letten op. *...LEUTEREN, bw. gel. verbeuzelen (den tijd). *...LEVENDIGEN, bw. ow. gel. (ik verlevendigde, heb of ben verlevendigd), levendig -, levendiger maken, worden, verhelderen; (schild.) kleuren - (opfrisschen); (fig.) den handel - (weder opwekken). -D, bn. weder opwekkend. *...LEVENDIGER, m., ...STER, v. (-s), die verlevendigt, die weder opwekt. *...LEVENDIGING, v. gmv. het verlevendigen; weder-opwekking; herleving. *...LEZEN, bw. gel. uit-, overlezen; schoonmaken (groenten enz.). ...ZING, v. het verlezen. *...LICHT, bn. en bijw. van licht voorzien; (r.k.) eene -e kapel, waar waskaarsen branden rondom eene lijkkist; (fig.) helderziend, wetenschappelijk. *...LICHTEN, bw. gel. van licht voorzien; eene kamer -, er licht opsteken; de stad was verlicht (geïllumineerd); (fig.) wetenschap -, kennis verspreiden; voorlichten, ophelderen (b.v. door het Evangelie). -D, bn. lichtgevend, -makend; (fig.) ophelderend, kennis en wetenschap verspreidende. *...LICHTER, m., ...STER, v. (-s), die verlicht (in alle bet.). *...LICHTING, v. gmv. het verlichten; licht (door middel van olie, gas enz.); feestelijke -, illuminatie. -, (fig.) verspreiding -, heerschappij van kennis en wetenschap. *...LIEFD, bn. en bijw. van -, met liefde bezield; verzot; verliefd worden op; een - paar, (jongen en meisje die op elkander verliefd zijn). -E, m. en v. (-n), die verliefd is; minnaar, minnares. *...LIEFDELIJK, bijw. vol liefde. *...LIEFDHEID, v. gmv. verzotheid; ingenomenheid met. *...LIES, o. (...zen), derving (van geld enz.); gemis (door den dood); het - der oogen, het blindworden. *...LIESBAAR, bn. verloren kunnende worden. -HEID, v. gmv. *...LIEVEN, ow. gel. verliefd raken, verzot worden; zich - op of in (iem. of iets). *...LIEZEN, bw.
| | | |
onr. (ik verloor, heb verloren), derven, kwijt raken; missen; (ook fig.) zijn geduld -, niet langer willen wachten; het leven -, omkomen (in den slag). ZICH -, ww. verdwalen; uit het gezigt raken; (fig.) men verliest zich in (men raakt verward in de vele) gissingen. *...LIEZER, m. en v. (-s), die verliest. *...LIGGEN, ow. ong. doorliggen. *...LIGTEN, (B. *...LICHTEN), bw. gel. ligt -, ligter maken (b.v. eene schuit); (fig.) opbeuren; helpen (in den arbeid). ...ING, v. gmv. het verlichten; (fig.) opbeuring, bemoediging; steun, hulp. *...LIJDEN, bw. ong. opmaken (eene akte, een testament) voor eenen notaris.
| |
[Verlof]
Verlof, o. (...oven), vergunning, veroorloving; met uw -, vergun mij te spreken of te zeggen; - geven, vergunning geven voor eenigen tijd naar huis te gaan (inz. aan militairen). *-BRIEF, m. (...ven). *-DAG, m. (-en). *-GANGER, m. (-s), soldaat die verlof heeft (een bepaalden tijd te huis door te brengen). *-PAS, m. (-sen), bewijs van verlof (voor eenen soldaat). *-TIJD, m. (-en).
| |
[Verlokkelijk]
Verlokkelijk, bn. en bijw. (-er, -st), aanlokkend, verleidelijk. *-HEID, v. (...heden). *...LOKKEN, bw. gel. aanlokken; verleiden. *...LOKKER, m., ...STER, v. (-s), die verlokt; verleider, verleidster. *...LOKKING, v. (-en), het verleiden, verleiding. *...LOKSEL, o. (-s), datgene wat verlokt. *...LOOCHENAAR, m. (-s), *...LOOCHENARES, v. (-sen), afvallige, ontrouwe (inz. in de godsdienst); godloochenaar. *...LOOCHENEN, bw. gel. loochenen, afvallen (van de godsdienst); zich laten -, zich niet te huis houden; zijne geboorte -, beneden zijne afkomst handelen. ZICH -, ww. tegen zijn eigen gemoed handelen, ontrouw worden aan zijne eigene beginselen. ...ING, v. gmv. het verloochenen, zelfverloochening. *...LOODEN, bw. gel. over-, herlooden; looden, met lood bedekken; van een looden merk voorzien. *...LOOFD, bn. en dw. zij zijn -, zij zijn bestemd om man en vrouw te worden. -E, m. en v. (-n), bruigom, bruid, aanstaande. *...LOOMEN, ow. gel. (ik verloomde, ben verloomd), loom -, mat worden. *...LOOP, o. gmv. het verloopen; weg-, vervloeijing; verdwijning; (zeew.) verandering, teruggang; het - van het tij, - van den vloed; (zeew.) hevige windvlaag met regen; het verstrijken van tijd; achteruitgang (van zaken); (gen.) voortgang (der ziekte). -EN, bw. ow. ong. loopende doorbrengen, - slijten (den tijd); wegloopen, weg-, vervloeijen; verstrijken, verdwijnen; afnemen, vervallen; verminderen (b.v. van eene nering); verwaarloozen; (spr.) als het tij verloopt moet men de bakens verzetten. ZICH -, ww. het spoor bijster worden. *...LOREN, bn., bijw. en dw. vergeefsch; nutteloos; - (vruchteloos uitgegeven) geld; -e (te vergeefs gedane moeite; eenzaam, werkeloos; een - oogenblik, oogenblik waarin men niets dringends te verrigten heeft; (oorl.) een - (vooruitstaande) post, (het digtst bij den vijand); diep gevallen, verontzedelijkt; - gaan of worden, wegraken, verdwijnen; de - (verkwistende) zoon, (gelijkenis van Jezus); hij is een - (diepgezonken, ongelukkig) man. -, (zeew.) fluitwijze gewerkt. *...LOSKUNDE, v. gmv. vroedkunde. *...KUNDIG, bn. en bijw. naar de regels der verloskunde, daarmede in verband, er over handelende. -E, m. (-n), vroedmeester, † accoucheur. *...LOS-
| | | |
SEN,
bw. ow. gel. bevrijden, redden; bevrijd raken; baren, bevallen; eene vrouw -, haar in het baren helpen. *...LOSSER, m. (-s), redder, bevrijder; - der wereld, Jezus Christus. *...LOSSING, v. (-en), bevrijding, redding (uit den kerker, uit grooten nood); bevalling (eener vrouw). *...LOSSTER, v. (-s), zij die verlost, redster. *...LOSTANG, v. (-en), zek. vroedmeesterswerktuig. *...LOTEN, bw. gel. door het lot (eenig voorwerp) laten toewijzen. *...LOTER, m., *...LOOTSTER, v. (-s), die verloot of uitloot.. *...LOTING, v. (-en), verkooping en trekking van loten, het verloten of uitloten (van iets). *...LOVEN, bw. gel. door trouwbelofte verbinden; uithuwen. *...LOVING, v. (-en), vereeniging door trouwbelofte; ondertrouw. *...LUCHTEN, bw. gel. aan den wind bloot geven, laten doorwaaijen; uitluchten; (fig.) zich eens laten -, een luchtje scheppen. *...LUCHTIGING, v. gmv. opbeuring, opvrolijking. *...LUCHTING, v. (-en), het verluchten, uitluchting. *...LUIDEN, ow. gel. geluid geven; uiten, te kennen geven; hij heeft laten -, hij gaf te kennen (doch niet zeer bepaald). *...LUIJEREN, (B. ...IEREN), bw. gel. luijerende doorbrengen (den tijd). ...ING, v. het verluijeren. § *...LULLEN, bw. gel. verpraten, verbabbelen (den tijd). *...LUSTIGEN, bw. gel. (ik verlustigde, heb verlustigd), opvrolijken, opwekken. ZICH -, ww. zich vermaken; genoegen scheppen. ...ING, v. (-en), uitspanning, vermaak, genoegen.
| |
[Vermaagschappen]
Vermaagschappen, bw. gel. (ik vermaagschapte, heb vermaagschapt), verzwageren, door verwantschap verbinden. ZICH -, ww. - aan of met. *...MAAGSCHAPPING, v. het vermaagschappen, verzwagering, verwantschap. *...MAAK, o. (...aken), genoegen, uitspanning; pleizier, verlustiging; zielstevredenheid. *...MAAKBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), kunnende vermaken; vermaakt of hersteld kunnende worden; bij testament bestemd kunnende worden. ...SHALVE, bijw. om tot vermaak te dienen. *...MAALBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vermaald kunnende worden. *...MAANBRIEF, m. (...ven), bisschoppelijke -, herderlijke brief. *...MAARD, bn. (-er, -st), meer dan befaamd, minder dan beroemd. -HEID, v. gmv. (meer dan) befaamdheid, (minder dan) beroemdheid. *...MAGEREN, bw. ow. gel. mager maken, - worden; (landb.) eenen akker -, uitputten. ...ING, v. gmv. het vermageren, afneming, schraalheid, (ook van gronden). *...MAKELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), genoegelijk, vermaak gevend (door spelen enz.). -HEID, v. (...eden), verlustiging, onderhoudende uitspanning; vermaak. *...MAKEN, bw. gel. over-, vermaken; anders maken (van kleedingstukken); herstellen; eene pen - (versnijden); bij uitersten wil schenken, nalaten. ZICH -, ww. genoegen smaken, uitspanning genieten; zich verlustigen. *...MAKING, v. gmv. het vermaken, herstellen (van iets); legaat (bij uitersten wil). *...MALEDIJD, bn. en bijw. vervloekt, verwenscht. *...MALEDIJEN, bw. gel. vervloeken, verwenschen. *...MALEN, bw. gel. malende doorbrengen, - verteren; vergruizen, vermorzelen (in eenen molen, met de handen). *...MALLEN, bw. gel. verkwisten, nutteloos -, in nietigheden verteren. *...MANEN, bw. gel. voorhouden, voorstellen, waarschuwen. *...MANER, m., *...MAANSTER, v. (-s), die vermaant; zedemeester, -es. *...MANGE-
| | | |
LEN,
bw. gel. mangelende doorbrengen (tijd, geld); over -, anders mangelen; (oudt.) ruilen. *...MANING, v. (-en), het vermanen, zedeles, waarschuwing, aansporing tot het goede; (gen.) - (ligte aanval) van koorts. -SBRIEF, v. schriftelijke waarschuwing. *...MANNEN, bw. gel. (ik vermande, heb vermand), vermeesteren, overweldigen; (ook) moed inboezemen. ZICH -, ww. moed vatten. ...NING, v. gmv. overmeestering; moedvatting. ↑ *...MAREN, bw. gel. (ik vermaarde, heb vermaard, vermaard -, beroemd maken. *...MASTEN, bw. gel. al te vet mesten; overladen; (fig.) vermast, overstelpt van droefheid. *...MEEND, bn. en dw. verondersteld, gewaand, beweerd. *...MEENDELIJK, bijw. (regt.) zoo als vermoed -, verondersteld wordt. *...MEENEN, ow. veronderstellen, vermoeden, het er voor houden. *...MEERDERAAR, m. (-s, ...aren), die vermeerdert; (oudt.) een der titels van den keizer van Duitschland. *...MEERDEREN, bw. ow. gel. meerder -, grooter maken, - worden; toenemen. ...ING, v. (-en), het vermeerderen, toeneming, vergrooting, aanwas. *...MEESTEREN, bw. gel. (ik vermeesterde, heb vermeesterd), overmeesteren, beheerschen, veroveren; § aan heelmeesters betalen. ZICH -, ww. zich beheerschen, - bedwingen. ...ING, v. het vermeesteren. *...MEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. (ik vermeide, heb vermeid), met meitakken -, met lover versieren. ZICH -, ww. in de open lucht -, over het veld -, in de dreven wandelen. *...MELDEN, bw. gel. gewag maken van, noemen. -SWAARD, bn. *...MELDER, m., ...STER, v. (-s), die vermeldt. *...MELDING, v. het vermelden. *...MENGEN, bw. gel. ondereen-, zamenmengen; (ook fig.). ...ING, v. (-en), het vermengen, mengsel; vleeschelijke -, bijwoning van man en vrouw.
| |
[Vermenigvuldigbaar]
Vermenigvuldigbaar, bn. vatbaar voor vermenigvuldiging. *...VULDIGEN, bw. gel. (rek.) eene grootheid twee- of meermalen nemen; vermeerderen; het -, een der vier hoofdregels van de rekenkunde; een werk -, er veel afdrukken of uitgaven van maken. -, veel malen terugkaatsen (van spiegels). ZICH -, ww. zich voortplanten (van menschen en dieren). *...VULDIGER, m. (-s), (rek.) getal waarmede men vermenigvuldigt. *...VULDIGTAL, o. (-len), getal dat vermenigvuldigd wordt. *...VULDIGING, v. (rek.) het vermenigvuldigen; vermeerdering, voortplanting; tafel van -, rekentafel.
| |
[Vermetel]
Vermetel, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. stout, stoutmoedig, onberaden, koen. *-E, m. en v. (-n), die vermetel is. *-HEID, v. (...heden), stoutheid, koenheid.
| |
[Vermeten]
Vermeten, bw. ong. her-, overmeten. ZICH -, ww. zich in het meten vergissen; (ook) zich verstouten, stoutmoedig zijn. *-, bn. vermetel. *...METSELEN, bw. gel. her-, overmetselen; metselende doorbrengen, - gebruiken, - verteren (geld). ...ING, v. het vermetselen.
| |
[Vermicelli]
Vermicelli, v. mv. buis- of haarvormige meelpijpjes, (inz. in Italië in gebruik). *-MAKER, m., *-MAAKSTER, v. (-s). *-SOEP, v. (-en). *-SPIJS, v. (...zen). *-TAART, v. (-en).
| |
[Vermijden]
Vermijden, bw. ong. ontwijken, schuwen, mijden; zich onthouden van. *...MIJDING, v. gmv. het vermijden. *...MIJMEREN, bw. gel. mijmerende doorbrengen, - slijten (den tijd). ZICH -, ww. zich door
| | | |
mijmeren ziek maken. *...MIJTEN, bw. ow. gel. (ik vermijtte, heb of ben vermijt), aan mijten (stapels) zetten (hooi, stroo enz.); door de mijten (wormen) geknaagd worden (van stoffen).
| |
[Vermiljoen]
Vermiljoen, o. soort hoogroode kleur. *-KLEURIG, bn. *-EN, bw. gel. (ik vermiljoende, heb gevermiljoend), in -, met vermiljoen kleuren.
| |
[Verminderen]
Verminderen, bw. gel. minder -, kleiner maken; (teek.) een beeld -, het naar kleinere omtrekken teekenen; de munt -, hare gehalte slechter maken. *-, ow. afnemen, minder worden; hij vermindert (wordt zwakker) van dag tot dag; in prijs -, dalen, goedkooper worden. *...MINDERING, v. gmv. het verminderen; daling (der prijzen). *...MINKEN, bw. gel. mank -, kreupel maken; van een of meer ligchaamsdeelen berooven; (fig.) woorden -, zinsneden opzettelijk veranderen, snoeijen; de wet - (verkrachten). *...MINKTE, m. en v. (-n), die verminkt is. *...MINKING, v. (-en), het verminken (in alle bet.). *...MISSEN, bw. gel. missen, (iets) niet kunnen vinden.
| |
[Vermits]
Vermits, vw. mits, omdat, dewijl, aangezien.
| |
[Vermodderen]
Vermodderen, bw. gel. met modder besmetten; in modder wentelen; (fig.) verknoeijen. *...MOEDELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), waarschijnlijk, denkelijk. *...MOEDEN, bw. gel. (ik vermoedde, heb vermoed), gissen, denken, verwachten. -, o. (-s), gissing, verwachting, veronderstelling; verdenking, argwaan. *...MOEID, bn. en bijw. afgemat (door inspanning). -HEID, v. gmv. afgematheid; uitputting. *...MOEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. (ik vermoeide, heb vermoeid), afmatten, moede maken; het gezigt, de oogen - (verzwakken); (fig.) tot last zijn. *...MOEIJEND, bn. (-er, -st), moede makend, afmattend. *...MOEIJENIS, v. (-sen), *...MOEIJING, v. (-en), het vermoeijen; afmatting. *...MOGEN, bw. onr. de magt -, het verlof hebben (tot iets); kunnen, hij vermag dit (te doen, te zeggen enz.); invloed -, magt hebben, kunnen bewerken (iets bij iem.). -, o. (-s), magt, gezag; bevoegdheid; zielskracht, gave des verstands, zielsvermogen. -, gmv. rijkdom, bezitting, geld. -D, bn. magtig (tot); rijk, bemiddeld. *...MOLMD, bn. en dw. wormstekig, vergaan (van hout). *...MOLMEN, *...MOLSEMEN, ow. gel. (ik vermolmde of vermolsemde, ben vermolmd of vermolsemd), beginnen te vermolmen. *...MOMBOREN, bw. gel. (ik vermomboorde, heb vermomboord), onder voogdij plaatsen, - brengen. -, ow. onder voogdij staan. *...MOMD, bn. en dw. gemaskerd, verkleed; (fig.) geheim, verborgen, geveinsd. -E, m. en v. (-en), gemaskerde, verkleede. *...MOMMEN, bw. gel. (ik vermomde, heb vermomd), verkleeden, hullen in, maskeren; (fig.) verbergen, geheim houden, ontveinzen. ZICH -, ww. zich verkleeden, maskeren; (fig.) veinzen. ...MING, v. (-en), het vermommen; verkleeding; (ook fig.). ↑ *...MONDEN, bw. gel. mondeling verhalen, overbrengen. ...ING, v. (-en), het vermonden. ↑ *...MOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. (ik vermooide, heb vermooid), verfraaijen. *...MOORDEN, bw. gel. van het leven berooven, het leven ontnemen aan, ombrengen; den tijd - (verbeuzelen). ...ING, v. (-en), het vermoorden, moord. *...MORSEN, bw. gel. door morsen bederven; verspillen (zijn geld); nutteloos bederven; in onnut doorbrengen (den tijd); zijn leven -, (door een zedeloos gedrag). ...ING, v. gmv. het vermorsen.
| | | |
*...MORZELEN, bw. gel. (ik vermorzelde, heb vermorzeld), vergruizen, verbrokkelen, verbrijzelen; plat drukken. ...ING, v. (-en), het vermorselen. *...MOTTEN, ow. gel. (ik vermotte, ben vermot), van motten doorknaagd worden. ...TING, v. gmv. het vermotten. *...MUFFEN, ow. gel. door mufheid vergaan. *...MUNTEN, bw. gel. her-, overmunten; muntende verbruiken. ...ING, v. (-en), het vermunten, hermunting. *...MURWEN, bw. gel. (ik vermurwde, heb vermurwd), gevoelig maken, het hart tot medelijden stemmen, verteederen. -D, bn. verteederend. ...ING, v. gmv. het vermurwen, verteedering. *...NAAIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. overnaaijen; naaijende verbruiken (het garen); naaijende slijten (den tijd). ↑ *...NAAMD, bn. vermaard. *...NAAUWEN, bw. ow. gel. (ik vernaauwde, heb vernaauwd), naauw -, naauwer maken of worden. ...ING, v. (-en), het vernaauwen; naauwte, engte, enge doortogt. *...NACHTEN, ow. gel. den nacht (ergens) doorbrengen. *...NACHTBRIEFJE, (B. -N), o. (-s), *...NACHTCEÊL, v. (-en), bewijs van (ergens) te hebben overnacht (in eene slaapsteê). *...NAGELEN, bw. gel. (ik vernagelde, heb vernageld), toe-, bespijkeren; van nagels (spijkers) voorzien; een vernageld (hinkend) paard, (door eenen nagel die te diep in den hoef zit); een kanon -, het onbruikbaar maken door het inslaan van eenen spijker. ...ING, v. het vernagelen. *...NAGELPIN, v. (-nen), pin ingerigt tot vernagelen (van geschut enz.). *...NARREN, bw. gel. (ik vernarde, heb vernard), narrende (in sleden) verteren, - slijten (geld tijd, enz.). *...NEDEREN, bw. gel. (ik vernederde, heb vernederd), (altijd fig.) verlagen, honen, oneer aandoen; beneden de waarde rekenen. ZICH -, ww. beneden zijnen rang of zijne waardigheid handelen of spreken; zich laag gedragen; zich voor God -, ootmoedig zijn. -D, bn. (-er, -st), verlagend, honend; beschamend. ...ING, v. (-en), het vernederen; verlaging, beleediging. *...NEEMACHTIG, bn. (-er, -st), (w.g.) nieuwsgierig. *...NEEMAL, m. en v. (-len), nieuwsgierige, vraagal. *...NEMEN, bw. ong. hooren, onderrigt worden van; uitvorschen, onderzoeken. ...MING, v. (w.g.) het vernemen. *...NESTELEN, bw. gel. uit het nest halen, - jagen (vogels). ...ING, v. gmv. het vernestelen. *...NEUTELD, bn. (-er, -st), verfrommeld; verwelkt; ineengekrompen. *...NIELAL, m. en v. (-len), die alles bederft, - vernielt. *...NIELBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar voor vernieling. -HEID, v. gmv. *...NIELEN, bw. gel. te niet doen, verdelgen. -D, bn. (-er, -st), verdelgend. ...ING, v. (-en), het vernielen. *...NIELER, m., *...NIELSTER, v. (-s), die vernielt. *...NIELZUCHT, v. gmv. lust tot vernielen. *...NIETIGEN, bw. gel. (ik vernietigde, heb vernietigd), te niet doen, verdelgen; uitdelgen; onbruikbaar maken; (regt.) † casseren. -D, bn. te niet doende, verdelgend. ...ING, v. gmv. het vernietigen; het onbruikbaar maken; (regt.) van-onwaarde-verklaring. *...NIEUWEN, bw. gel. (ik vernieuwde, heb vernieuwd), nieuw maken, hernieuwen; het oude -, het versletene -, het onbruikbare vervangen. *...NIEUWER, m., *...NIEUWSTER, v. (-s), die vernieuwt. ...ING, v. (-en), het vernieuwen; hernieuwing.
| |
[Vernis]
Vernis, o. (-sen), soort kunstglans, verlaksel. *-BAL, m. (-len), zek. gereedschap. *-BOOM, m. (-en). *-SEN, bw. gel. (ik verniste,
| | | |
heb vernist), met vernis bestrijken, glanzen, verglazen; (fig.) iets schooner voorstellen (dan het is); de waarheid -, ontveinzen, eene zaak anders doen schijnen dan zij is. *-SER, m., *-STER, v. (-s), die vernist. *-SING, v. het vernissen; het glanzen; vernis.
| |
[Vernoegd]
Vernoegd, bn. (-er, -st), vergenoegd. *-HEID, v. gmv. vergenoegdheid. *...NOEMEN, bw. gel. her-, over-, anders noemen. ...ING, v. gmv. het vernoemen. *...NUCHTEREN, bw. ow. gel. (ik vernuchterde, heb vernuchterd), nuchter maken.
| |
[Vernuft]
Vernuft, o. gmv. scherpzinnigheid, geestigheid; valsch -, gemaaktheid, valsche geestigheid, gedwongen aardigheid. *-, o. (-en), verstandige -, geestige persoon. *-IG, bn. bijw. (-er, -st), scherpzinnig, geestig, aardig. -HEID, v. (...eden), (w.g.) aardigheid, geestige trek.
| |
[Veronachtzamen]
Veronachtzamen, bw. gel. (ik veronachtzaamde, heb veronachtzaamd), verwaarloozen, voorbijzien. *...ONACHTZAMING, v. het veronachtzamen. *...ONEDELEN, bw. gel. (ik veronedelde, heb veronedeld), den adel ontnemen, ontadelen; (fig.) het edele wegnemen. *...ONGELDEN, bw. gel. (ik verongeldde, heb verongeld), de onkosten betalen; vrijhouden. ...ING, v. gmv. het verongelden. *...ONGELIJKEN, bw. gel. (ik verongelijkte, heb verongelijkt), ongelijk aandoen; (iem.) in het ongelijk stellen. *...ONGELIJKER, m., *...ONGELIJKSTER, v. (-s), die verongelijkt. ...ING, v. (-en), aangedaan onregt; beleediging, achteruitzetting. *...ONGELUKKEN, ow. gel. (ik verongelukte, ben verongelukt), omkomen (inz. in het water); schipbreuk lijden; (fig.) mislukken, slecht uitvallen. ...KING, v. het verongelukken; (fig.) mislukking. *...ONTHEILIGEN, bw. gel. ontwijden, schenden. *...ONTHOUDEN, bw. gel. terughouden. *...ONTREINIGEN, bw. gel. vuil maken, besmetten. *...ONTRUSTEN, bw. gel. (ik verontrustte, heb verontrust), de rust ontnemen, onrust, angst baren (aan iem.); geene rust laten. ZICH -, ww. zich ongerust maken, angst voeden. ...ING, v. het verontrusten. *...ONTSCHULDIGEN, bw. gel. (ik verontschuldigde, heb verontschuldigd), verschoonen, vrijspreken, pleiten voor. ZICH -, ww. verschooning vragen; zich regtvaardigen. *...ONTSCHULDIGER, m., *-ONTSCHULDIGSTER, v. (-s), die verontschuldigt. ...ING, v. (-en), reden van verschooning. *...ONTWAARDIGD, bn., bijw. en dw. uiterst toornig, vol gramschap. *...ONTWAARDIGEN, bw. gel. (ik verontwaardigde, heb verontwaardigd), ergernis -, toorn verwekken. ZICH -, ww. gebelgd zijn, gegriefd zijn, zich boos of toornig maken. ...ING, v. gmv. toorn, gramschap. *...OORDEELAAR, m., -STER, v. (-s), die veroordeelt. *...OORDEELEN, bw. gel. afkeuren, schuldig verklaren; (regt.) vonnissen. ...ING, v. (-en), sterke afkeuring; (regt.) vonnis tegen (iem.). *...OORLOGEN, bw. gel. oorlogende verteren, - slijten, - verteren (tijd, geld). *...OORLOVEN, bw. gel. (ik veroorloofde, heb veroorloofd), toelaten, vergunnen; zich veel -, groote vrijheid nemen. ...VING, v. gmv. het veroorloven, verlof, vergunning. *...OORZAKEN, bw. gel. ik veroorzaakte, heb veroorzaakt), te weeg brengen, bewerken, oorzaak -, aanleiding geven tot. *...OORZAKER, m., *...OORZAAKSTER, v. (-s), die veroorzaakt. ...KING, v. gmv. het veroorzaken. *...OOTMOEDIGEN, bw. gel. (ik verootmoedigde, heb verootmoedigd), tot ootmoed brengen, vernederen. ZICH -,
| | | |
ww. in ootmoed buigen (inz. voor God). ...IGING, v. gmv. het verootmoedigen. *...ORBEREN, bw. gel. (ik verorberde, heb verorberd), verteren, gebruiken; nuttigen, verduwen. *...ORDENEN, bw. gel. bevelen; bepalen; uitvaardigen (wettelijk); schikken, inrigten. ...ING, v. (-en), het verordenen; schikking; reglement, stadskeur. *...ORDINEREN, bw. gel. bevelen, verordenen. *...OUDEN, bw. ow. gel. (ik veroudde, heb of ben veroud), oud -, ouder maken of worden; (regt.) verjaren, verouderen. *...OUDERD, bn. bijw. oud geworden; afgeleefd, ingevallen; (regt.) verjaard; een - (niet meer bestaand) gebruik, eene -e (niet meer nageleefde) wet; eene -e (ingewortelde) kwaal. *...OUDEREN, bw. ow. gel. oud -, ouder maken of worden. *...OUDERING, v. gmv. het verouderen. *...OVERAAR, m., -STER, v. (-s), die verovert, overwinnaar. *...OVEREN, bw. gel. (ik veroverde, heb veroverd), bemeesteren (met de wapenen); (fig.) harten -, ze winnen door liefde, - door innemendheid. ...ING, v. (-en), het veroveren, bemeestering; overwinning; (ook) hetgeen men verovert. -SZUCHT, v. gmv. eerzucht, drift naar veroveringen.
| |
[Verpachten]
Verpachten, bw. gel. in pacht (huur) geven, - nemen (land enz.); aanbesteden, tijdelijk afstand doen (tegen eene zekere som); de tollen -; (oudt.) het zout (d.i. den accijns er van) -. *...PACHTER, m., *...PACHTSTER, v. (-s), die verpacht, in pacht neemt of geeft. ...ING, v. (-en), het verpachten, (in alle bet.); verhuring. *...PAKKEN, bw. gel. her-, over-, anders pakken; (fig.) het hazepad kiezen, stil verhuizen. ...KING, v. (-en), het verpakken. *...PANDEN, bw. gel. (ik verpandde, heb verpand), in pand geven, - nemen; beleenen; een huis -, er hypotheek op nemen; (fig.) zijn woord, zijne eer -, borg staan op het woord van eer; zijn leven -, beloven te sterven (voor iem. of iets). ZICH -, ww. zich ten naauwste verbinden; zich aan den booze -, (zek. middeleeuwsch bijgeloof) een verbond met den duivel sluiten. ...ING, v. (-en), het verpanden, verzekering, borgstelling; - van vaste goederen, schepenkennis, hypotheek. *...PAPPEN, bw. gel. pappende doorbrengen (den tijd); overpappen. ...PING, v. het verpappen. *...PAREN, bw. gel. over-, herparen. *...PASSEN, ow. gel. her-, overpassen; niet aannemen (het spel). *...PEISTEREN, bw. ow. gel. door pleisteren (op eenen togt) verkwikken, - verkwikt worden. *...PEKELEN, bw. gel. her-, overpekelen, -zouten; te veel pekelen, door pekelen bederven. ...ING, v. het verpekelen. *...PEKKEN, bw. gel. her-, overpekken. ...KING, v. het verpekken. *...PEST, bn. en dw. besmettend. *...PESTEN, bw. ow. gel. (ik verpestte, heb of ben verpest; door de pest besmetten, - besmet worden. ...ING, v. het verpesten. *...PESTEND, bn. (-er, -st), besmettend (door de pest); (fig.) - (door kwalijken reuk). *...PIJNEN (ZICH), ww. gel. (ik verpijnde mij, heb mij verpijnd), zich afwerken, - afsloven; (ook) veel verdriet hebben. *...PIKKEN, bw. gel. her-, overpikken (van vogels); zie VERPEKKEN. *...PLAATSEN, bw. gel. her-, over-, elders plaatsen; overbrengen; van standplaats doen veranderen. ZICH -, ww. van plaats veranderen; opschuiven, plaats maken; (gen.) de ziekte heeft zich verplaatst. ...ING, v. (-en), het verplaatsen; plaats- | | | | verandering;
(rek.) getallen-, permutatie; (gen.) ziekte-, (der ziek testof). *...PLAKKEN, bw. gel. her-, overplakken. ...KING, v. gmv. het verplakken. *...PLANTEN, bw. gel. her-, overplanten; (fig.) overbrengen, verhuizen. *...PLANTER, m., *...PLANTSTER, v. (-s), die verplant. ...ING, v. (-en), het verplanten. *...PLASSEN, bw. gel. plassende bederven. *...PLEISTEREN, bw. gel. pleisterende doorbrengen (den tijd enz.), her-, overpleisteren. -, ow. ergens pleisteren, verblijven. *...PLEITEN, bw. gel. pleitende doorbrengen, - slijten, verteren (tijd, geld). *...PLETTEN, bw. gel. her-, overpletten. ...TING, v. het verpletten. *...PLETTEREN, bw. gel. (ik verpletterde, heb verpletterd), verbrijzelen, vermorzelen. ...ING, v. het verpletteren, (ook fig.).
| |
[Verpligt]
Verpligt, bn. en dw. genoodzaakt, gehouden; verschuldigd; te danken hebbende. *-, tw. ik dank u. *-EN, bw. gel. (ik verpligtte, heb verpligt), noodzaken, verbinden; ik was verpligt (gehouden) hem te gehoorzamen; dienst doen, - bewijzen. *-END, bn. bijw. noodzakend, dwingend, verbindend; een -e maatregel; het onderwijs - maken, eene strafbepaling stellen op het verzuim den kinderen onderwijs te laten geven; gedienstig, voorkomend, beleefd; eene -e behandeling. *-ING, v. gmv. het verpligten, noodzakelijkheid; dankbaarheid.
| |
[Verplooijen]
Verplooijen, (B. *...PLOOIEN), ow. gel. her-, over-, anders plooijen. *...PLOOIJING, v. het verplooijen. *...POGCHEN, bw. gel. pogchende doorbrengen (den tijd); ontmoedigen (door grootspraak). *...PONDING, v. (-en), grondbelasting (van vaste goederen). *...POOZEN, bw. ow. gel. aflossen, laten uitrusten; bij tusschenpoozen werken. ZICH -, ww. (zeew.) paarsgewijze werken. ...ZING, v. (-en), het verpoozen; rust; verademing. *...POTEN, bw. gel. verplanten. ...TING, v. het verpoten. *...PRALEN, bw. gel. pronkende -, pralende doorbrengen (den tijd), - verteren (geld). ...LING, v. het verpralen. *...PRATEN, bw. gel. pratende doorbrengen, verbeuzelen (den tijd). ZICH -, ww. onvoorzigtig praten; zich een geheim laten ontvallen. *...PRONKEN, bw. gel. verpralen. *...PRUILEN, bw. gel. pruilende doorbrengen, - verliezen (tijd, eene gelegenheid). ...ING, v. gmv. het verpruilen.
| |
[Verraad]
Verraad, o. gmv. het verraden, trouweloosheid; hoog -, aanslag, zamenzwering (tegen eenen vorst, tegen het land), landverraad. *...RADEN, bw. gel. trouweloos handelen tegen; het vaderland -, er eenen aanslag tegen smeden; een geheim - (uitbrengen); (fig.) zij kunnen mij - en verkoopen, zij kunnen tot mijn nadeel zeggen wat zij verkiezen. *...RADER, m., *...RAADSTER, v. (-s), *...RADERES, v. (-sen), die verraadt. *...RADERIJ, v. het plegen van verraad. -, (-en), verraderlijke handeling. *...RADERLIJK, bn. en bijw. (-er, -st), met -, door verraad; iem. - (onverhoeds) aanvallen. *...RAFELEN, bn. en ow. rafelende uithalen; tot rafels worden. *...RASSEN, bw. gel. (ik verraste, heb verrast), onverhoeds (iets) doen, - (iem.) overvallen; overrompelen (eene stad, vesting); onverwachts mededeelen (b.v. eene goede tijding). ...SING, v. (-en), het verrassen; onverhoedsche daad; overrompeling.
| |
[Verre]
Verre, bn. en bijw. zie VER. *-GAAND, bn. ver gedreven, overdreven; eene -e (bijna ongehoorde) stoutheid.
| |
[Verregten]
Verregten, bw. gel. in regtsgedingen verteren. *...REIKEN (ZICH),
| | | |
ww. boven zijne magt reiken. *...REIZEN, bw. ow. gel. reizende verteren; van de eene plaats naar de andere reizen; vertrekken. *...REKENEN, bw. gel. vereffenen, gelijk maken, afbetalen. ZICH -, ww. rekenende zich vergissen. ...ING, v. (-en), het verrekenen, vereffening; misrekening.
| |
[Verrekijker]
Verrekijker, m. (-s), werktuig om op verren afstand te zien.
| |
[Verrekken]
Verrekken, bw. ow. gel. uit het verband rekken; ver-, ontwrichten; sterven; § verrek! (zek. scheldwoord). ZICH -, ww. *...REKKING, v. (-en), het verrekken; ontwrichting.
| |
[Verreziende]
Verreziende, m. en v. (-n), die slechts van verre goed ziet.
| |
[Verridselen]
Verridselen, ow. gel. ridselen. ZICH -, ww. zich verroeren. *...RIGTEN, bw. gel. doen, uitvoeren. *...RIGTER, m., *...RIGTSTER, v. (-s), uitvoerder, ...ster. ...ING, v. (-en), uit-, volvoering, daad. *...RIJKEN, bw. gel. (ik verrijkte, heb verrijkt), rijk -, rijker maken. ZICH -, ww. ...ING, v. het verrijken; rijkmaking, -wording. *...RIJZEN, ow. ong. oprijzen, zich rijzende verheffen; uit het graf opstijgen; uit den doode -. *...RIJZENIS, v. (-sen), opstijging; opstanding, herleving (uit den doode). *...RIMPELEN, bw. ow. gel. rimpels maken, - krijgen; rimpelen. *...ROEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. roeijende doorbrengen, - slijten (tijd); - verteren (geld); wegroeijen. *...ROEKELOOZEN, bw. gel. (ik verroekeloosde, heb verroekeloosd), door nalatigheid of wildheid wegmaken, - bederven. ...ZING, v. het verroekeloozen. *...ROEPEN, bw. ong. naar eene andere plaats roepen. *...ROEREN, bw. ow. gel. omroeren; verzetten, van zijne plaats brengen. -, ZICH -, ww. zich (van zijne plaats) bewegen; in beweging zijn; geen blaadje verroert zich, er is volstrekt geen wind. ...ING, v. gmv. beweging. *...ROESTEN, ow. gel. (ik verroestte, ben verroest), met of door roest overdekt of verteerd worden. ...ING, v. (-en), het verroesten. *...ROLLEN, bw. ow. gel. weg-, heenrollen. ...LING, v. gmv. het verrollen. *...ROMMELEN, bw. gel. wegruimen, -schuiven. *...RONKEN, bw. gel. ronkende doorbrengen (den tijd). *...RONSELEN, bw. gel. door sluwheid in dienst krijgen; tot de (krijgs- of zee-) dienst overhalen. ZICH -, ww. (voor handgeld) dienst nemen. *...ROOKEN, bw. gel. (tabak of sigaren) rookende verteren (zijn geld). -, ow. gel. in rook opgaan, - verteren; uitrooken; het hout verrookt (smeult) maar brandt niet. *...ROT, bn. en dw. (-ter, -st), ontbonden, bedorven; (fig.) een - (ondermijnd) ligchaam. *...ROTTEN, ow. gel. bederven, door invretende bestanddeelen zich ontbinden. ...TING, v. het verrotten; bederf, ontbinding. *...RUILEN, bw. gel. omruilen, inwisselen tegen, ruilen. ...ING, v. (-en), het verruilen, ruil. *...RUKBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), weggerukt -, verplaatst kunnende worden; (fig.) in vervoering gebragt kunnende worden. *...RUKKELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), bekoorlijk, treffend, boeijend. *...RUKKEN, bw. gel. wegrukken, met eenen stoot of ruk verschuiven; (fig.) vervoeren, bekoren, opgetogen doen zijn. ...KING, v. (-en), het verrukken; vervoering, opgetogenheid; (godg.) -en, geestdrijverij, vizioenen.
| |
[Vers]
Vers, o. (verzen), gedicht, dichtstuk, -je; (ook) dichtregel; zinsnede uit een (bijbelsch) hoofdstuk.
| | | |
| |
[Versaagd]
Versaagd, (B. *...TSAAGD), bn. (-er, -st), bevreesd, verbluft, onthutst, verlegen. *-HEID, v. gmv. bevreesdheid, onsteltenis, verlegenheid, verbluftheid. *...SAGEN, bw. ow. gel. (ik versaagde, heb versaagd), ontstellen, vrees wekken; schrik aanjagen; den moed verliezen, - opgeven.
| |
[† Versaliën, Versaalletters]
† Versaliën, Versaalletters, v. mv. (drukk.) kapitale beginletters.
| |
[† Versatiel]
† Versatiel, bn. (-er, -st), wuft, veranderlijk. *...TILITEIT, v. gmv. wuftheid, veranderlijkheid.
| |
[Versch]
Versch, bn. (-er, meest -), pas gegroeid, - uitgekomen, - geslagt, - gevangen, - gebakken, - geplukt; nog onaangeroerd; eene -e flesch (bier waaruit nog niet geschonken is); -e (andere uitgeruste) paarden; -e (pas aangekomene, nog niet gevochten hebbende) troepen; (fig.) dit ligt nog - in het geheugen, het is nog met zeer lang geleden; -e (frissche) lucht; eene -e wond, (die pas geslagen is); mijne wond is nog te -, mijn verdriet is nog te jong; (zeew.) -e schoot, strook zoet water die onvermengd een eind in zee loopt.
| |
[Verschaffen]
Verschaffen, bw. gel. (ik verschafte, heb verschaft), bezorgen, doen toekomen, voorzien van. *...SCHAFFING, v. het verschaffen. *...SCHALEN, ow. gel. (ik verschaalde, ben verschaald), geur en kracht verliezen, vervliegen (b.v. van wijn). ...LING, v. het verschalen. *...SCHALKEN, bw. gel. (ik verschalkte, heb verschalkt), misleiden, foppen. *...SCHALKER, m., *...SCHALKSTER, v. (-s), die verschalkt; misleider, misleidster. ...ING, v. (-en), het verschalken; misleiding, fopperij. *...SCHANSEN, bw. gel. (ik verschanste, heb verschanst), versterken, van -, met schansen omringen. ZICH -, ww. zich binnen eene sterkte opsluiten; schansen (versterkingen) bouwen. *...SCHANSING, v. (-en), het verschansen; sterkte, bewalling, bolwerk; (zeew.) zijdeel, hoog achterdeel (van een schip). *...SCHANSINGSKLEEDEN, o. mv. dekkleeden over de verschansingen. *...SCHEELLICHT, *...SCHILZIGT, o. gmv. (sterr.) † parallaxis.
| |
[Verscheiden]
Verscheiden, bn. vele, talrijke; verschillende, meer dan één. *-, ow. gel. sterven, overlijden. *-, o. gmv. het sterven; de dood. *-HEID, v. (...eden), verschil, afwisseling, onderscheid. *-LIJK, bijw. op verscheidene wijzen. *...SCHENKEN, bw. ong. schenkende kwijt raken; - ledigen. ZICH -, ww. te veel schenken; doen overloopen. *...SCHEPEN, bw. gel. (ik verscheepte, heb verscheept), overladen; te scheep overbrengen. ...PING, v. (-en), het verschepen. *...SCHERPEN, ow. gel. (zeew.) voorbijschieten (van balken of planken). *...SCHERPEN, bw. gel. her-, overslijpen, scherp -, scherper maken. ...ING, v. het verscherpen. *...SCHERTSEN, bw. gel schertsende -, boertende doorbrengen (zijnen tijd). *...SCHERVEN, bw. ow. gel. (timm.) zamenvoegen, lasschen; (ook) tot scherven scheuren. ...VING, v. (-en), (timm.) lassching. *...SCHEUREN, bw. gel. vaneen rijten, in of aan stukken scheuren; stuk bijten; verslinden; vernietigen (een verband, een verdrag); lasteren, kwaad spreken. *...SCHEUREND, bn. (-er, -st), verslindend; de - (vleeschetende) dieren; -e (zeer hevige) pijnen (in de ingewanden). ...ING, v. (-en), het verscheuren; scheuring.
| |
[Verschheid]
Verschheid, v. gmv. het versche, nieuwe; frischheid.
| | | |
| |
[Verschiet]
Verschiet, o. gmv. hoeveelheid (van voorwerpen waaruit eene keuze te doen is); verschot; verscheidenheid; verre afstand; (schild.) vergezigt; in het - (in perspectief) teekenen; (fig.) toekomst. *-EN, bw. ong. schietende verbruiken, bezigen; (ook fig.) alles zeggen wat men weet; kaarten - (doorschudden, vaardig verplaatsen); geld - (voorschieten); ik zal het u wel -, voor u betalen in afwachting van teruggave; koren - (verleggen, uitluchten). -, ow. laten -, van ligplaats veranderen; ont-, verbleeken (van verwen); van schrik -, bleek worden; opspringen; van plaats veranderen; eene -e (vallende) ster. -ING, v. het verschieten (in alle bet.). *...SCHIJNDAG, m. (-en), vervaldag (eener schuld, eens wissels); (regt.) dag waarop men moet verschijnen (voor de regtbank). *...SCHIJNEN, ow. ong. te voorschijn komen, - treden, zich toonen; voor God -, (op den dag des oordeels); geesten doen -, ze oproepen; vervallen; komen; de wissel verschijnt (moet betaald worden) overmorgen; de maand is verschenen (is om, is verstreken. *...SCHIJNENDE, m. en v. (regt.) comparant. ...ING, v. (-en), het verschijnen (in alle bet.); -en (vizioenen) hebben. *...SCHIJNSEL, o. (-s), al wat verschijnt; spook; vizioen; (fig.) iets zeer zeldzaams; -en die de dampkring oplevert, luchtverhevelingen. *...SCHIKKEN, bw. gel. anders schikken, - plaatsen, - leggen; (fig.) uitstellen. ...KING, v. (-en), het verschikken, verplaatsing, uitstel.
| |
[Verschil]
Verschil, o. (-len), overschot; onderscheid; twist, krakeel; geschil. *-DEREN, bw. ow. ver-, overschilderen; (ook) schilderende doorbrengen, - gebruiken (den tijd, verf, geld), (ook) op schildwacht staan. ...ING, v. gmv. het verschilderen. *-FEREN, ow. gel. in schilfers vallen. *-LEN, ow. gel. afwijken van; zich onderscheiden van; in meening -, het oneens zijn over iets. *-LEND, bn. en bijw. onderscheiden, ongelijk; afwijkend; -e (verscheidene, enkele, menigerlei) zaken. -HEID, v. (...eden), verscheidenheid. *-LIG, bn. verschillend. -HEID, v. verschil. *-METER, m. (-s), (zeew.) zek. werktuig tot meting der waterdragt. *-PUNT, o. (-en). *-STUK, o. (-ken), punt -, zaak van geschil; kwestie. *-ZIGT, o. (sterr.) verscheellicht.
| |
[Verschimmelen]
Verschimmelen, ow. gel. geheel door den schimmel bederven. *...SCHOFFELEN, bw. gel. wegschuiven, -duwen; (fig.) op zijde -, achteruit zetten. *...SCHOKKEN, bw. gel. schokkende -, rukkende verplaatsen. *...SCHOMMELEN, bw. gel. schommelende bezigen, - gebruiken, - slijten (den tijd); stootende verplaatsen. ...ING, v. (-en), het verschokken; verplaatsing door schokken, verkeerde schommeling. *...SCHOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. schooijende -, dolende doorbrengen (den tijd). *...SCHOONBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar -, geschikt om verschoond te worden. *...SCHOONEN, bw. gel. (ik verschoonde, heb verschoond), schoon -, schooner maken; verfraaijen; verontschuldigen, vergeven; vergoêlijken, bewimpelen; verschoon (spaar) mij niet, wanneer gij mijne dienst behoeft. ZICH -, ww. zich verontschuldigen; schoon linnengoed aantrekken. ...ING, v. het verschoonen; verontschuldiging; verfraaijing; schoon linnengoed. *...SCHOONLIJK, bn. en bijw. (-er, -st), verschoonbaar, vergeeflijk. *...SCHOPPEN, bw. gel. wegschoppen, schoppende wegstooten; (fig.) verwerpen,
| | | |
door onvoorzigtigheid verbeuren. ...PING, v. het verschoppen; (fig.) verwerping.
| |
[Verschot]
Verschot, o. (-ten), voorschot, wat men (voor een ander) uitgeeft of voorschiet; (kleêrm.) wat behalve het laken wordt geleverd. *-BRIEFJE, (B. -N), o. (-s), lijst -, nota van verschotten. *...SCHOVELING, m. en v. (-en), die achteruit gezet of met minachting behandeld wordt. *...SCHRABBEN, bw. gel over-, herschrabben, herschrapen. *...SCHRANKEN, ow. gel. (ik verschrankte, ben verschrankt), (w.g.) afwijken, uit de voegen raken. ...ING, v. (-en), het verschranken. *...SCHREEUWEN (ZICH), ww. zich overschreeuwen, te hard schreeuwen, zich schreeuwende pijn doen. *...SCHREIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. schreijende doorbrengen (den tijd). ZICH -, ww. zich schreijende pijn doen. ...JING, v. het verschreijen. *...SCHRIJVEN, bw. ong. over-, herschrijven; schrijvende gebruiken; aanteekenen (tot ondertrouw). ZICH -, ww. zich schrijvende vergissen, eene schrijffout maken. ...VING, v. het verschrijven. *...SCHRIKBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar om ligt te schrikken. *...SCHRIKKELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), schrik -, afschuw inboezemende. -HEID, v. akeligheid, afschuwelijkheid. *...SCHRIKKEN, bw. ow. gel. schrik veroorzaken, doen schrikken; schrik gevoelen, schrikken. *...SCHRIKKER, m., ...STER, v. (-s), die doet schrikken. *...SCHRIKKING, v. (-en), het verschrikken; schrik, ontsteltenis. *...SCHROBBEN, bw. gel. schrobbende doorbrengen, - slijten; over-, herschrobben. *...SCHROEID, bn. en dw. (-er, -st), verdord, verzengd, verbrand; (fig.) toegeschroeid. *...SCHROEIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. verzengen, verbranden; doen verdorren. ...JING, v. gmv. het verschroeijen; verzenging. *...SCHROEVEN, bw. gel. her-, over-, verkeerd schroeven. *...SCHROKKEN, bw. gel. schrokkende (op gulzige wijze) verteren, -verorberen. -, bn. (fig.) verschrikt. -HEID, v. gmv. versaagdheid, angst. *...SCHROMPELD, bn. (-er, -st), gerimpeld, ingevallen. -HEID, v. gmv. gerimpeldheid, hooge ouderdom. *...SCHROMPELEN, ow. gel. rimpelen. *...SCHROMPELING, v. gmv. het verschrompelen. *...SCHRONKELING, ow. gel. slangsgewijze inkrimpen. *...SCHUDDEN, bw. ow. gel. schuddende doorbrengen, - verliezen; her-, overschudden; hard -, sterk lagchen. ...DING, v. gmv. het verschudden. *...SCHUILEN, bw. ong. verbergen. ZICH -, ww. zich verbergen, zich schuil houden. *...SCHUIMEN, bw. ow. gel. over-, herschuimen, het schuim afnemen; in schuim vervliegen, schuim worden. *...SCHUINEN, bw. gel. schuin maken, schuins plaatsen. *...SCHUIVEN, bw. ong. schuivende verplaatsen; (fig.) uitstellen, opschorten. -D, bn. opschuivend; (regt.) opschortend. *...SCHUIVING, v. gmv. het verschuiven; opschorting. *...SCHULDIGD, bn. schuldig; te voldoen, te bewijzen; het -e, (geld) dat men schuldig is. *...SCHULDIGEN, bw. gel. (w.g.) schuldig doen zijn, verpligten. *...SCHUREN, bw. gel. schurende gebruiken, doorbrengen (den tijd); her-, overschuren.
| |
[Versebalie]
Versebalie, v. zie VARSEBALIE.
| |
[† Verseren]
† Verseren, bw. gel. (ik verseerde, heb of ben geverseerd), omvallen (met een rijtuig); (fig.) zich (in iets) bevinden; bedreven zijn. *...SIE, v. (...ën), omval; (fig.) lezing; verteling.
| | | |
| |
[Versierbloem]
Versierbloem, v. (-en), (inz.) kunstbloem. *...SIERDER, *...SIERER, m., ...STER, v. (-s), die versiert. *...SIEREN, bw. gel. tooijen, opsmukken, verfraaijen; (fig.) tot sieraad verstrekken; opsieren, met logens opsmukken; een versierd (fabelachtig) verhaal, een sprookje. ...ING, v. (-en), het versieren; opsmukking; (fig.) fabelachtig verhaal. *...SIERSEL, o. (-s, -en), alles wat tot versiering dient; sieraad. *...SIERSTEEN, m. (-en), edelgesteente; (ook) gekleurde steen.
| |
[† Versificatie]
† Versificatie, v. (...ën), versbouw. *...SIFIËREN, *...SIFICEREN, bw. gel. (ik versifiëerde of geversificeerd, heb geversifiëerd of geversificeerd), verzen maken, - zamenstellen.
| |
[Versjouwen]
Versjouwen, bw. gel. sjouwende verplaatsen, - overdragen. ZICH -, ww. zich sjouwende zeer doen, - wonden. *...SLAAFD, bn. (-er, -st), dienstbaar als slaaf; (fig.) zeer overgegeven zijn aan eenen hartstogt, (b.v. aan den drank, het spel, de vrouwen). -HEID, v. staat van eenen slaaf, - van iem. die aan eenen hartstogt is overgegeven. *...SLAAN, bw. ow. onr. slaande doorbrengen; her-, overslaan; verkeerd slaan; slaande verwijderen; nederslaan, vellen, overwinnen (den vijand); verjagen, lesschen (den dorst); verschalen; (kookk.) bekoelen. *...SLAG, o. (-en), rekenschap, berigt, relaas, verhaal, † rapport. *...SLAGEN, dw., bn. en bijw. ter neêrgeslagen; onthutst, verschrikt; overwonnen. -HEID, v. gmv. neêrslagtigheid, bedroefdheid. *...SLAGSCHRIFT, o. (-en), verslag. *...SLAMPAMPEN, *...SLAMPEN, bw. gel. verleuteren, in nietigheden verteren, verdoen. *...SLAMPAMPER, m., ...STER, v. (-s), verkwister, verleuteraar, -ster. *...SLAMPAMPING, v. het verslampampen. *...SLAPEN, bw. ong. slapende doorbrengen (den tijd); verteren (aan slaapgeld); hoeveel heb ik dezen nacht -? hoeveel moet ik voor nachtverblijf betalen? -, verliezen, derven (ten gevolge van het slapen); hij heeft zijn eten -. ZICH -, ww. te lang slapen. *...SLAPPEN, bw. ow. gel. slap maken, - worden; de pols verslapt (slaat flaauwer). ...PING, v. (-en), het verslappen. *...SLAVEN, bw. gel. (ik verslaafde, heb verslaafd), in -, tot slavernij brengen. ZICH -, ww. zich tot slaaf maken, zich laag onderwerpen; (fig.) zich overgeven (aan eenen hartstogt). ...VING, v. het verslaven; juk, dienstbaarheid, vrijwillige onderwerping. *...SLECHTEN, bw. ow. gel. slechter maken, - worden; verslimmeren. ...ING, v. het verslechten. *...SLENSEN, ow. gel. (ik verslenste, heb of ben verslenst), verwelken; kleur en geur verliezen. ...ING, v. gmv. het verslensen. *...SLEPEN, bw. gel. slepende vervoeren, - overbrengen; de kat heeft hare jongen versleept (naar een anderen hoek overgebragt). *...SLETEN, dw., bn. en bijw. afgedragen; (fig.) uitgeleefd, verzwakt. *...SLEUREN, bw. gel. wegslepen; verwaarloozen. *...SLIJKEN, ow. gel. (ik verslijkte, ben verslijkt), tot slijk worden; vol slijk loopen. ...ING, v. (-en), het verslijken. *...SLIJMEN, ow. gel. (ik verslijmde, ben verslijmd), tot slijm worden, door slijm verzwakken, - bederven. ...ING, v. (-en), het verslijmen. *...SLIJTBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar voor verslijting. *...SLIJTEN, bw. ow. ong. afdragen, door dragen of gebruiken doen afnemen. -, (fig.) houden voor; ik werd daar voor een gek versleten (gehouden); afne- | | | | men,
vergaan; slijten. ...ING, v. gmv. het verslijten. *...SLIKKEN, bw. gel. slikkende innemen; (fig.) verduwen. ZICH -, ww. slikkende zich bezeeren, - zich pijn doen. *...SLIMMEREN, bw. ow. gel. (ik verslimmerde, heb of ben verslimmerd) slimmer -, erger maken, erger worden. ...ING, v. gmv. het verslimmeren. *...SLINDEN, bw. ong. (ik verslond, heb verslonden), gulzig opslikken, ten lijve slaan, inzwelgen; (fig.) loerend -, gretig aanzien. *...SLINDER, m., *...STER, v. (-s), die verslindt, gulzigaard. *...SLINGEREN, bw. ow. gel. slingerende wegwerpen; door onachtzaamheid verliezen, - zoek maken; wegraken, verloren gaan. ZICH -, ww. (fig.) verliefd raken (beneden zijnen rang of staat); (ook) verslingerd zijn. *...SLODDEREN, bw. verslonsen. *...SLOFFEN, bw. gel. sloffende verslijten; (fig.) door achteloosheid laten voorbijgaan; (iets) verwaarloozen. ...FING, v. gmv. het versloffen. *...SLONSEN, bw. gel. (ik verslonste, heb verslonst), verwaarloozen, vuil dragen. *...SLUIZEN, bw. gel. (ik versluisde, heb versluisd), afdammen, keeren door sluizen (het water).
| |
[Versmaad]
Versmaad, bn. en dw. veracht, geminacht. *-HEID, v. verachting, minachting. *-STER, v. zij die versmaadt.
| |
[Versmaat]
Versmaat, v. (dicht.) maat der verzen, rijmkunst.
| |
[Versmachten]
Versmachten, ow. gel. smachtende verlangen; van dorst, honger, liefde -; lijden, treuren; in verdriet, in de gevangenis -. *...SMACHTING, v. (-en), het versmachten. *...SMADELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), te versmaden. *...SMADEN, bw. gel. verachten, minachten; (fig.) iets beneden zich achten; verwerpen. *...SMADER, m. (-s), die versmaadt. ...DING, v. gmv. het versmaden. *...SMAKKEN, bw. gel. smakkende verzetten. *...SMALLEN, bw. ow. gel. (ik versmalde, heb versmald), smal -, smaller maken of worden. ...LING, v. (-en), het versmallen; spoor-, het digter aaneen leggen van spoorstaven of rails (op eenen spoorweg). *...SMEDEN, bw. gel. smedende doorbrengen of gebruiken (tijd, geld, metaal); her-, oversmeden. ...DING, v. (-en), het versmeden. *...SMEEKEN, bw. gel. smeekende doorbrengen (den tijd); afsmeeken. *...SMELTBAAR, bn. gesmolten kunnende worden. *...SMELTEN, bw. ow. ong. smeltende gebruiken; her-, oversmelten; ondereen smelten; wegsmelten; (fig.) afnemen, verminderen. *...SMELTER, m., ...STER, v. (-s), die versmelt. *...SMELTING, v. (-en), het versmelten. *...SMEREN, bw. gel. smerende verbruiken; her-, oversmeren; (fig.) verbrassen, doorbrengen (in lekker eten). ...RING, v. (-en), het versmeren. *...SMEULEN, ow. gel. smeulende verteren, - vergaan. *...SMIJDIGEN, bw. gel. (ik versmijdigde, heb versmijdigd), smijdig maken. *...SMIJTEN, bw. ong. verwerpen, wegsmijten, vergooijen; zijn geluk - (verbeuren); her-, oversmijten. *...SMOREN, bw. ow. gel. smorende doen stikken; door smoren omkomen; (fig.) onderdrukken. ...RING, v. (-en), het versmoren. *...SMULLEN, bw. gel. smullende doorbrengen (geld, tijd); verbrassen. *...SNAAUWEN, bw. gel. afsnaauwen. *...SNAPERING, v. (-en), lekkernij, lekker beetje. *...SNERKEN, ow. gel. snerkende verteren, verbranden. *...SNIJDEN, bw. ong. her-, oversnijden; eene pen - (vermaken); snijdende bederven, verkeerd snijden; snijdende verbruiken; wijn -, met anderen wijn ver- | | | | mengen,
- vervalschen. ZICH -, ww. zich in het snijden vergissen; verkeerd snijden. *...SNIJDER, m., ...STER, v. (-s), die versnijdt (in alle bet.). *...SNIJDING, v. (-en), het versnijden. *...SNIPPEREN, bw. gel. snipperende doorbrengen (den tijd); in snippers snijden (papier enz.); (fig.) in nietigheden slijten (den tijd); in kleine deelen nutteloos verdeelen; de stemmen -, zoodanig stemmen dat niemand een voldoend aantal stemmen op zich vereenigt. ...ING, v. (-en), het versnipperen (in alle bet.). *...SNOEPEN, bw. gel. snoepende verteren. *...SNOEREN, bw. gel. over-, anders -, vaster snoeren. *...SNOFFEN, bw. ow. gel. snoffende doorbrengen (den tijd); verkouden worden. *...SNOODEN, bw. ow. gel. (ik versnoodde, heb of ben versnood), snood -, snooder maken of worden. ...ING, v. gmv. het versnooden. *...SNORKEN, bw. gel. snorkende doorbrengen (den tijd). *...SOLLEN, bw. gel. sollende doorbrengen (den tijd); bederven; er versold (verwilderd) uitzien. ...LING, v. gmv. het versollen. *...SPADEN, bw. gel. spadende -, spittende doorbrengen (den tijd); her-, omspaden, omspitten. ...DING, v. gmv. het verspitten. *...SPANNEN, bw. gel. her-, over-, anders spannen. ...NING, v. (-en), het verspannen. *...SPAREN, bw. gel. besparen. ...RING, v. (-en), het versparen. *...SPARKELEN, ow. gel. sparkelende -, vonkelende vergaan, - verteren. ...ING, v. het versparkelen. *...SPELDEN, bw. gel. her-, over-, anders spelden. *...SPELEN, bw. gel. spelende doorbrengen (den tijd); spelende verteren, - verliezen (geld); (fig.) verbeuren (door roekeloosheid); spelende bederven, - in de war brengen. ZICH -, ww. spelende zich vergissen; het spel verbroddelen. ...LING, v. gmv. het verspelen. *...SPELLEN, bw. gel. her-, overspellen. ZICH -, ww. spellende zich vergissen. *...SPERREN, bw. gel. afsluiten (door versperringen); den weg -, den doorgang belemmeren. ZICH -, ww. zich achter eene versperring opsluiten; zich barrikaderen. ...RING, v. (-en), het versperren, afsluiting (door belemmeringen), beletsel van den doorgang; † barrikade. *...SPIEDEN, bw. gel. bespieden. *...SPIEDER, m. (-s), bespieder, spion. *...SPIEDSTER, v. (-s), zij die verspiedt of bespiedt, vrouwelijke spion. *...SPIEDING, v. (-en), het verspieden, spionneren. *...SPIEDJAGT, o. (-en), soort vaartuig, † aviso. *...SPIEDTOREN, m. (-s), wachttoren. *...SPILLEN, bw. gel. verkwisten, nutteloos verteren (geld), - doorbrengen (tijd). *...SPILLER, m., ...STER, v. (-s), die verspilt; verkwister, verkwistster. *...SPILLING, v. (-en), het verspillen, verkwisting. *...SPINNEN, bw. ong. spinnende doorbrengen, - slijten (den tijd); her-, overspinnen; spinnende bederven. *...SPITSEN, bw. gel. her-, overspitsen; spits maken; zich - op iets, zich op iets zetten, iets met ijver vervolgen. *...SPLIJTEN, ow. ong. vaneen -, dwars -, verkeerd splijten. ...ING, v. (-en), het versplijten, spleet. *...SPLINTEREN, ow. gel. in splinters vallen. *...SPLITSEN, bw. gel. her-, over-, anders splitsen. *...SPOELEN, bw. ow. gel. her-, overspoelen; doen wegspoelen. *...SPREIDEN, bw. gel. her-, overspreiden; uitstrooijen; uitbreiden; uitspreiden; indeelen; (fig.) alom bekend maken. ZICH -, ww. zich uitbreiden; hier en daar zich vestigen; (fig.) bekend worden. *...SPREIDER, m., ...STER, v. (-s), die verspreidt of uitstrooit; (ook fig.). *...SPREIDING, v. gmv.
| | | |
het verspreiden (in alle bet.); (fig.) bekendmaking, bekendwording. *...SPREKEN, bw. ong. toezeggen, beloven. ZICH -, ww. in het spreken zich vergissen. ...KING, v. gmv. het verspreken. *...SPRENGEN, bw. gel. sprengende verbruiken; besprengen. ...ING, v. (-en), het versprengen. *...SPRINGEN, ow. ong. springende van plaats veranderen; overslaan; het nieuwjaarsfeest verspringt jaarlijks een dag (komt telken jare een dag later); wegspringen. ZICH -, ww. springende zich bezeeren. ...ING, v. gmv. het verspringen.
| |
[Verstaald]
Verstaald, bn. en dw. tot staal gemaakt, - geworden met staal beslagen; (fig.) onbeschaamd; hard, ongevoelig. *-HEID, v. gmv. hardheid van staal; (fig.) onbeschaamdheid, ongevoeligheid. *...STAAN, bw. ow. onr. begrijpen, bevatten, kennen; wat moet ik daaruit - (opmaken)? gekheid - (kunnen verdragen); hij verstaat zijne wereld, hij kent den omgang der menschen; ik versta (wil, verlang) dat gij mij gehoorzaamt; wat verstaat (meent, bedoelt) gij daarmede of daaronder? ZICH -, ww. goed -, ter dege weten; - op (iets); (spr.) zij - elkander als twee dieven op eene kermis; toegeven, bewilligen; dat verstaat zich van zelf, dat is zeer natuurlijk; te lang -, over den tijd staan; dit pand is -, voor dit pand is de wettige tijd tot inlossing overschreden. *...STAANBAAR, bn. en bijw. (-der, B. ...arer, -st), duidelijk, hoorbaar; begrijpelijk. -HEID, v. gmv. duidelijkheid; begrijpelijkheid. *...STALEN, bw. ow. gel. tot staal maken; met staal bedekken, - overtrekken. ZICH -, ww. hard worden als staal; (fig.) ongevoelig -, onbeschaamd worden. ...LING, v. gmv. het verstalen. *...STALLEN, bw. ow. gel. verplaatsen van den eenen stal naar den anderen; van stal veranderen, vertrekken. ...LING, v. gmv. het verstallen. *...STAMPEN, bw. gel. stampende doorbrengen (den tijd); her-, overstampen; klein -, tot gruis stampen. ...ING, v. gmv. het verstampen.
| |
[Verstand]
Verstand, o. gmv. begrip, doorzigt, geest, bevatting; het gezond (gewoon) -; vernuft; kennis, wetenschap; zijn - gaat kuijeren (is verdwaald); aan het - brengen, doen begrijpen; een groot -, een man van groot vernuft; (regt.) met dien -e, onder die voorwaarde, mits. *-ELIJK, bn. en bijw. met verstand; tot het verstand behoorende, † intellectueel (in tegenst. van ligchamelijk). *-ELOOS, bn. en bijw. zonder verstand, dom, op domme wijze. -HEID, v. gmv. domheid, onnoozelheid. *-HOUDING, v. (-en), geheime betrekking tot, - briefwisseling met; goede -, voet van vriendschap. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. met verstand begaafd; geestig, vernuftig, -lijk; goed bedacht, - doordacht. *-IGHEID, v. (w.g.) geestigheid. *-SVERBIJSTERING, v. gmv. zinneloosheid, krankzinnigheid.
| |
[Verstapelen]
Verstapelen, bw. gel. her-, overstapelen. *...STAPELING, v. gmv. het verstapelen. *...STAPPEN, ow. gel. nog eens stappen. ZICH -, ww. verkeerd stappen; stappende zich bezeeren. *...STAVEN, ow. door droogte zich openen, - wijder worden.
| |
[Versteend]
Versteend, bn. en bijw. tot steen geworden, steenhard; (fig.) wreed, wreedaardig, -lijk. *-HEID, v. gmv. hardheid als steen; (ook fig.) hardheid, wreedheid van gemoed. *...STEENEN, bw. ow. gel. (ik versteende, heb of ben versteend), tot steen maken, - worden; (fig.) hard- | | | | vochtig
-, wreed maken of worden; verharden. *...STEENEND, bn. tot steen makende, - wordende; (fig.) verhardend. ...ING, v. (-en), het versteenen, alles wat steen wordt of is geworden; dropsteen. *...STEK, o. gmv. (regt.) verberging; bij - veroordeelen, vonnis vellen over een afwezigen beschuldigde. *...STEKEN, bw. ong. her-, over-, anders steken; verbergen, wegmoffelen; berooven; (zeew.) van plaats doen veranderen; hij is van het noodige verstoken, hij moet het noodige ontberen. ZICH -, ww. zich verbergen, zich schuil houden. ...KING, v. gmv. het versteken, verberging; berooving. *...STELD, bn. en dw. gelapt, verbeterd; verschrikt, onthutst. -HEID, v. groote verbazing, verbaasdheid, schrik. *...STELLEN, bw. gel. verplaatsen, anders stellen; verbeteren, lappen, repareren (kleederen, schoenen); kant - (stoppen); een orgel - (stemmen). *...STELLER, m., *...STELSTER, v. (-s), die verstelt; die verbetert of lapt; (muz.) stemmer, stemster. ...LING, v. (-en), het verstellen; verbetering; het lappen. *...STEMMEN, bw. ow. gel. (muz.) her-, over-, (ook) ontstemmen. ...MING, v. gmv. het verstemmen. *...STEMPELEN, bw. gel. her-, over-stempelen. ...ING, v. gmv. het verstempelen. *...STENDIGEN, bw. gel. onderrigten. ...ING, v. (-en), het verstendigen; tijding, mededeeling. *...STERF, o. gmv. dood, afsterven; uitsterving; verkoeling; het -, van gekookt vleesch; volkomen dood; (regt.) bij - (door den dood) overgegaan op.... *...STERFBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar voor af- of uitsterving. *...STERFENIS, v. (-sen), nalatenschap, overgang eener erfenis door sterfgeval. *...STERFREGT, o. (-en), regt van erfopvolging, - van successie. *...STERKEN, bw. gel. sterk -, krachtig -, krachtiger maken; eene stad -, haar van vestingwerken voorzien; een leger -, het aantal troepen vermeerderen; door eenen eed - (bekrachtigen). ZICH -, ww. zich sterker maken (inz. van eene legermagt). *...STERKEND, bn. (-er, -st), sterk makend, kracht gevend. ...ING, v. (-en), het versterken; vestingwerk; hartsterking; hulp, bijstand. *...STERVEN, ow. ong. overlijden, af-, uitsterven; (regt.) bij erfenis overgaan; (kookk.) vleesch laten -; besterven. ...VING, v. gmv. het versterven (in alle bet.); opdrooging. -, (-en), legaat, erfdeel.
| |
[Verstijfd]
Verstijfd, bn. stijf, stijf geworden, verstramd; verkleumd. *...STIJVEN, bw. ow. gel. stijf -, stram maken of worden; verkleumen; overstijven (van linnengoed). ...VING, v. (-en), het verstijven, stijfwording; zware koude; rheumatismus; beroerte. *...STIKKEN, bw. ow. gel. doen stikken; stikken, versmoren; (naaist.) overstikken. ...KING, v. (-en), het verstikken. *...STINKEN, ow. ong. door stank vergaan. *...STOKEN, bw. gel. stokende (aan brandstof) verbruiken, - verteren. -, bn. zie VERSTEKEN. *...STOKKEN, bw. ow. gel. verharden, ongevoelig maken, - worden. *...STOKT, bn. (-er, -st), verhard, ongevoelig; een verstokt hart, doof voor alle vermaningen. -HEID, v. gmv. verharding (in het kwaad, in de zonde) *...STOMMEN, ow. gel. (ik verstomde, ben verstomd), stom -, sprakeloos worden; (fig.) verstomd -, hoogst verbaasd staan. ...MING, v. gmv. het verstommen; plotselinge sprakeloosheid; (fig.) hoogste trap van verbazing. *...STOMPEN, bw. ow. gel. afstompen; knotten, stomp maken, - worden; (fig.) verdommelijken; den geest, het verstand - (door te veel studie); zijne ziel is voor alle indrukken verstompt (on-
| | | | gevoelig). ...ING, v. gmv. het verstompen, stomp maken; afknotting; (fig.) verdommelijking, afmatting (van den geest). *...STOOMEN, bw. ow. gel. stoomende verbruiken; uitstoomen, in stoom opgaan. ...ING, v. (-en), het verstoomen. *...STOORBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar voor verstoring; (fig.) ligtgeraakt. *...STOORD, bn. (-er, -st), verhinderd, gestoord; vertoornd, vergramd. *...STOORDER, m., *...STOORSTER, v. (-s), die stoort (rust, vrede enz.). *...STOORDHEID, v. gmv. toorn, gramschap. *...STOOTELLING, m. en v. (-en), verschoveling, iem. die niet in tel is, die niet op gelijken voet met anderen behandeld wordt. *...STOOTEN, bw. ong. stootende verplaatsen; verschuiven; (fig.) verwerpen; een kind -, het niet als echt erkennen; een vrouw -, zich van haar scheiden, haar uit het huis zetten. -, verachten, van zich afwerpen (vermaningen enz.). ...ING, v. gmv. het verstooten; (regt.) onterving; verjaging. *...STOPPEN, bw. gel. over-, her-, anders stoppen; wegbergen, ongezien maken; opstoppen, den doorloop (van water enz.) belemmeren; luchtdigt -, waterdigt maken; deze pijp is verstopt, het water -, de rook kan er niet door; (gen.) deze spijzen verstoppen de maag, de darmen (beletten de spijsvertering); mijn neus, mijne hersens zijn verstopt, (van verkoudheid); (fig.) de bronnen zijner verteringen zijn verstopt, hij kan nergens meer geld krijgen. *...STOPPEND, bn. (-er, -st), op-, digtstoppend. *...STOPPING, v. (en), het verstoppen; opstopping; (gen.) † constipatie, obstructie; verkoudheid. *...STOPTHEID, v. toestand van iets dat verstopt is. *...STOREN, bw. gel. hinderen, belemmeren; boos maken, tergen; vernielen, bederven. ...RING, v. (-en), het verstoren; stoornis; hinder, belemmering; vernieling; ramp, onrust. *...STORTEN, bw. gel. overstorten, verkeerd storten. *...STORVEN, bn. (regt.) toegevallen (door nalatenschap); bestorven. -E, m. en v. (-n), overledene. *...STOUTEN, bw. gel. (ik verstoutte, heb verstout), moed geven, verkloeken. ZICH -, ww. moed vatten, durven. ...ING, v. gmv. het verstouten. *...STRAMMEN, bw. ow. gel. (ik verstramde, heb of ben verstramd), stram -, stijf maken of worden (door ouderdom, ziekte enz.). ...MING, v. (-en), het verstrammen. *...STRATEN, bw. gel. (ik verstraatte, heb verstraat), over-, anders bestraten. *...STREKKEN, bw. gel. geven, toereiken, aan de hand doen; bezorgen; verschaffen; dienen tot. ...KING, v. (-en), het verstrekken; verschaffing, bezorging. *...STRENGELEN, bw. gel. her-, over-, anders strengelen; ineenstrengelen, in de war maken. ...ING, v. het vestrengelen. *...STRENGEN, bw. gel. door strengen binden, - vastmaken; tot strengen maken. *...STRIJKEN, bw. ow. ong. over-, anders strijken; verloopen (van den tijd); eene verstreken (vervallen) termijn. ...ING, v. gmv. het verstrijken. *...STRIKKEN, bw. gel. her-, over-, anders strikken; met strikken omleggen; lokken; iem. in eene hinderlaag -, hem verraderlijk omringen; verschalken, beet nemen; in vragen -, verlegen maken. ZICH -, ww. zich (door verkeerde antwoorden enz.) in ongelegenheid brengen. *...STRIKKER, m., *...STRIKSTER, v. (-s), die verstrikt, verschalkt enz. *...STRIKKING, v. (-en), het verstrikken, verschalking; strikvraag. *...STROOID, bn. en bijw. verkeerd gestrooid; (fig.) afgetrokken (van gedachten). -HEID, v. (...heden), afgetrokkenheid, afwezigheid
| | | |
(van geest). *...STROOIJELINGEN, (B. ...IELINGEN), m. mv. zwervers, zwervelingen. *...STROOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. strooijende verbruiken, - verspillen; (fig.) verjagen, uiteendrijven (van den vijand); afleiden (de gedachten); wij zullen trachten hem een weinig te - (hem afleiding te verschaffen). ZICH -, ww. uiteengaan, zich verspreiden; afleiding -, uitspanning zoeken. ...JING, v. (-en), het verstrooijen; (fig.) afleiding, uitspanning; verjaging. *...STUIKEN, bw. gel. (ik verstuikte, heb verstuikt), uit het lid stooten, ontwrichten. ZICH -, ww. ik heb mij den (of ik heb mijnen) arm verstuikt. ...ING, v. (-en), het verstuiken, ontwrichting. *...STUIVEN, bw. ow. ong. doen vervliegen, vervliegen (als stof); (fig.) uiteenloopen, vlugten. ...VING, v. gmv. het verstuiven. *...STUWEN, *...STOUWEN, bw. gel. (zeew.) her-, anders -, verkeerd stuwen, stouwen, overpakken, de stuwaadje van plaats doen veranderen. ...ING, v. het verstuwen. *...SUFFEN, bw. gel. suffende doorbrengen. *...SUKKELEN, bw. ow. gel. sukkelende doorbrengen, - verteren (tijd, geld); (ook) plagen. ...ING, v. (-en), het versukkelen; ziekelijkheid; (fig.) groote verlegenheid.
| |
[Vertaalbaar]
Vertaalbaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar voor -, geschikt tot vertaling. *...LOON, o. (-en). *...OEFENING, v. (-en), stuk tot oefening in het vertalen. *...REGT, o. gmv. regt om te mogen vertalen (bij uitsluiting van anderen). *...STER, v. (-s), zij die zich met vertalen onledig houdt; translatrice. *...WERK, o. (-en), wat vertaald wordt.
| |
[Vertakelen]
Vertakelen, bw. gel. her-, overtakelen; (zeew.) van takelaadje voorzien; een schip - (optuigen). *...TALEN, bw. gel. overbrengen, vertolken (van de eene taal in de andere). *...TALER, m. (-s), die vertaalt, overzetter; beëedigd -, translateur. *...TALING, v. (-en), overzetting, vertolking. *...TALINGSREGT, o. gmv. vertaalregt. *...TALINGSWERK, o. vertaalwerk.
| |
[Vertalmen]
Vertalmen, bw. gel. talmende doorbrengen (den tijd). *...TALMING, v. gmv. het vertalmen. *...TAPPEN, bw. gel. tappende verbruiken, - ledigen; overtappen. ...PING, v. (-en), het vertappen. *...TASTEN, bw. ow. gel. over-, anders tasten. ZICH -, ww. mistasten, -grijpen. ...ING, v. (-en), het vertasten, mistasting. *...TEEKENEN, bw. gel. her-, over-, anders teekenen; misteekenen. ZICH -, ww. teekenende zich vergissen. ...ING, v. het verteekenen, misteekening. *...TEERDER, m., *...TEERSTER, v. (-s), die verteert; verkwister, verkwistster. *...TEGENWOORDIGEN, bw. gel. (ik vertegenwoordigde, heb vertegenwoordigd), als aanwezig voorstellen, voor oogen houden, schetsen; optreden -, handelen in naam van een ander; in de plaats treden van; voorstellen; de afgevaardigden - het volk; de afgezant vertegenwoordigt den vorst of het land; zich iets -, voorstellen, verbeelden. -D, voorstellend; de -e regeringsvorm, (waarbij de landsvergadering als een deel der regering is opgenomen). *...TEGENWOORDIGER, m., ...STER, v. (-s), die vertegenwoordigt, die voorstelt, die de plaats bekleedt van...; de vertegenwoordigers des volks, de afgevaardigde ter wetgevende vergadering. ...ING, v. gmv. het vertegenwoordigen; voorstelling, afbeelding; volksvertegenwoordiging. *...TELLEN, bw. gel. verhalen, mededeelen; wijsmaken. -, her-, over-, verkeerd
| | | |
tellen. ZICH -, ww. zich in het tellen vergissen. *...TELLENSWAARD, -IG, bn. (-er, -st). *...TELLER, m., *...TELSTER, v. (-s), die vertelt; verhaler, verhaalster. ...LING, v. (-en), het vertelen; sprook, sprookje, verhaal. *...TELSEL, o., -TJE, (B. N-), o. (-s), klein verhaal; dat zijn altemaal -tjes, logens, praatjes. *...TEREN, bw. ow. gel. verbruiken, verorberen; uitgeven (aan gelag enz.); den pot -, door velen opgespaarde penningen in een pleizierigen dag opmaken; verbranden; wegvreten, doorbijten; vermageren; (fig.) vergaan, wegkrimpen (van nijd, verdriet). -, bw. (zeew.) her-, overteren, met teer bestrijken, terende verbruiken. *...TERING, v. (-en), het verteren; onkosten (in eene herberg, op reis enz.); spijsvertering; verbranding; (spr.) de - (of de tering) naar de nering zetten, niet meer uitgeven dan men verdient; (zeew.) het overteren (van een schip, zeildoek). *...TEUTEN, bw. gel. teutende doorbrengen (den tijd). *...TIENEN, bw. gel. (ik vertiende, heb vertiend), met tiende bezwaren; tienden heffen, - betalen; den tienden man straffen, dooden (zek. krijgsstraf der ouden), † decimeren. *...TIENER, m. (-s), tiendheffer. ...ING, v. (-en), het vertienen, (in alle bet.).
| |
[† Verticaal]
† Verticaal, bn. loodregt.
| |
[Vertier]
Vertier, o. gmv. handelsverkeer, verkoop. *...TIEREN, bw. gel. slijten, verkoopen. (zeew.) achteruitgaan. ...ING, v. gmv. het vertieren; debiet. *...TILLEN, bw. gel. tillende verplaatsen. ZICH -, ww. tillende zich bezeeren, boven zijne kracht tillen. ...LING, v. (-en), het vertillen; verstuiking. *...TIMMEREN, bw. gel. her-, overtimmeren; timmerende verteren, verbruiken; ten koste leggen aan verbouwingen. ...ING, v. (-en), het vertimmeren; verbouwing. *...TINNEN, bw. gel. (ik vertinde, heb vertind), met (gesmolten) tin bestrijken, overtinnen. *...TINNER, m., *...TINSTER, v. (-s), die vertint. ...NING, v. (-en), het vertinnen. *...TINSEL, o. (-s), hetgeen vertind is, wat dient om er mede te vertinnen. *...TOBBEN, bw. gel. tobbende doorbrengen (den tijd). ...BING, v. het vertobben. *...TOEF, o. gmv. het vertoeven; uitstel; (regt.) zonder -, onverwijld. *...TOEFKAPEL, v. (-len), -LETJE, (B. -N), o. (-s), kleine bidplaats (bij processiën). *...TOEFKERK, v. (-en). *...TOEFPLAATS, v. (-en), wijk-, schuilplaats, herberg. *...TOEVEN, ow. gel. verblijven, uitrusten, zich ophouden; wachten, verbeiden. *...TOEVER, m., *...TOEFSTER, v. (-s), die (ergens) vertoeft, zich ophoudt. *...TOLKEN, bw. gel. vertalen, overzetten; uitleggen, verduidelijken. *...TOLKER, m., *...TOLKSTER, v. (-s), die vertolkt; vertaler, uitlegger, uitlegster. ...ING, v. (-en), het vertolken; vertaling, overzetting; uitlegging. *...TOLLEN, bw. gel. (ik vertolde, heb vertold), aan tol onderwerpen; tol heffen, - betalen. ...LING, v. (-en); het vertollen; tolheffing, -betaling. *...TONNEN, bw. gel. in tonnen doen, overtonnen. *...TOOG, o. (-en), betoog, verhandeling; voorstelling (mondeling of in geschrift). -EN, bw. gel. (ik vertoogde, heb vertoogd), voorstellen, aantoonen. *...TOOGJE, (B. -N), o. (-s), klein vertoog. *...TOOGSCHETS, v. (-en), kort -, onuitgewerkt vertoog (in de hoofdpunten).
| |
[Vertoon]
Vertoon, o. gmv. het vertoonen, het laten zien; op -, wanneer het (dit) vertoond wordt. *-BAAR, bn. geschikt om vertoond
| | | |
te worden; vervallen. *-DAG, m. (-en), dag waarop een wissel vervallen en betaalbaar is; dag waarop een tooneelstuk vertoond wordt. *-DER, m., (B. *...ER), *-STER, v. (-s), die vertoont; toonder, honder (b.v. van een wissel); die speelt (op het tooneel.) *-ING, v. (-en), het vertoonen; voorstelling; † representatie. *-PLAATS, v. (-en), schouwburg, tent, tooneel.
| |
[Vertoornen]
Vertoornen, bw. gel.(ik vertoornde, heb vertoornd), boos -, toornig maken; verstoren, vergrammen. ZICH -, ww. zich toornig maken, driftig worden. *...TORSCHEN, bw. gel. torschende verplaatsen; vertillen. *...TRAGEN, bw. gel. (ik vertraagde, heb vertraagd), traag-, trager maken; dralen met; uitstellen; langzamer doen gaan (een uurwerk.) ...GING, v. (-en), het vertragen; oponthoud; langzamer gang. *...TRAPPEN, bw. gel. onder de voeten treden, trappende verbreken; (fig.) onderdrukken, vernederen; pertrapt! als ik het doe, (in de gemeene volkstaal). *...TRAPPER, m., *...TRAPSTER, v. (-s), die vertrapt; (fig.) onderdrukker, ...ster. ...PING, v. (-en), het vertrappen; vertreding; (fig.) onderdrukking, vernedering; geweld. *...TREDEN, bw. ong. vertrappen; tredende zich bezeeren; zich den voet - (verstuiken, ontwrichten). ZICH -, ww. eene kleine wandeling -, een toertje te voet doen, (inz. na eene ziekte); zich den voet verstuiken. *...TREDER, m., *...TREEDSTER, v. (-s). ...DING, v. (-en), vertrapping; kleine wandeling.
| |
[Vertrek]
Vertrek, o. (-ken), kamer. *-, gmv. afreis; hij staat op zijn -, zijn vertrek is nabij. *-BRIEF, m. (...ven). *-KEN, bw. ong. her-, anders trekken, trekkende van plaats doen veranderen; (fig.) hij vertrok geen gezigt (beter aangezigt), hij liet niets van zijne inwendige gewaarwording blijken; zijn mond is geheel vertrokken (scheef). -, ow. afreizen, eene plaats verlaten, verhuizen. *-KING, v. (-en), het vertrekken; verplaatsing door trekken; verdraaijing van den mond. *-PLAATS, v. (-en), plaats van afreize. *-SCHOT, o. (-en), (zeew.) saluutschot bij het vertrek.
| |
[Vertreuren]
Vertreuren, bw. gel. treurende doorbrengen (den tijd). ZICH -, ww. van kommer vergaan, - wegkwijnen. *...TREUZELEN, bw. gel. treuzelende doorbrengen, - slijten (den tijd); verbeuzelen. ...ING, v. gmv. het vertreuzelen. *...TROETELD, bn. verwend (door liefkozingen). *...TROETELEN, bw. gel. troetelende verwennen. *...TROOSTEN, bw. gel. troosten. *...TROUWD, bn. bijw. (-er, -st), innig verbonden (met); het vertrouwen genietende van; een - vriend, op wien men zich verlaten kan; - (goed bekend) met de talen zijn, er goed bedreven in zijn. -E, m. en v. (-n), innige vriend, - vriendin. *...TROUWELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), innig vertrouwd; geheim. -HEID, v. (...eden), vertrouwelijke omgang; (ook) liefdebetrekking. *...TROUWELING, m. en v. (-en), die het vertrouwen geniet; aanhanger; handlanger, geheime vriend, - vriendin. *...TROUWEN, bw. ow. gel. (ook) ZICH -, ww. in iem. -, zich op iets verlaten; vertrouwen stellen; iem. een geheim -; zich overtuigd houden; denken. -, o. gmv. het vertrouwen. *...TUIGEN, bw. gel. over-, anders (op)tuigen. ...GING, v. gmv. het vertuigen. *...TUIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. (ik, vertuide heb vertuid), (zeew.) het tuianker uitwerpen, voor anker komen; ergens vertuid lig-
| | | |
gen,
zich ergens bevinden waar men door eigen schuld niet gemakkelijk van daan kan raken. ...JING, v. (-en), het vertuijen. *...TUIANKER, o. (-s). *...TUINEN, bw. gel. (ik vertuinde, heb vertuind), (zeew.) van voor- en achterkasteel voorzien (een schip). ...ING, v. (-en), het vertuinen. -SPLANK, v. (-en), (zeew.). *...TUISCHEN, bw. gel. op behendige wijze bedriegelijk verruilen. ...ING, v. (-en), het vertuischen. *...TUITEN, bw. gel. tot tuiten (krullen) vlechten; (fig.) optooijen. *...TWEERNEN, *...TWIJNEN, bw. gel. garen maken, - winden. *...TWIJFELD, bn. en bijw. en dw. wanhopig. *...TWIJFELEN, ow. gel. wanhopen (aan). ...ING, v. gmv. het vertwijfelen, wanhoop.
| |
[Vervaard]
Vervaard, bn. (-er, -st), bevreesd, angstig, beschroomd. *-HEID, v. gmv. bevreesdheid, beschroomdheid. *-IGEN, bw. gel. (ik vervaardigde, heb vervaardigd), maken, zamenstellen; schrijven, opmaken. *-IGER, m., *-IGSTER, v. (-s), maker, zamensteller, -ster. *-IGING, v. gmv. het vervaardigen; zamenstelling.
| |
[Vervaarlijk]
Vervaarlijk, bn. en bijw. (-er, -st), angstwekkend, schrikbarend, geducht, op geduchte wijze. *-HEID, v. gmv. hetgeen angst of schrik verwekt.
| |
[Verval]
Verval, o. gmv. zakking; verschil van diepte (des waters) bij vloed en ebbe; verergering, verzwakking; - (uitputting) van krachten; verarming, ellende; toevallige winst, fooijen (van dienstboden). *-DAG, m. (-en), dag waarop een wissel (of eenige andere verbindtenis) moet voldaan worden. *-LEN, ow. ong. afnemen, verzwakken, verarmen; (zeew.) op eene plaats komen waar men niet wezen wil, stranden, op eene zandbank loopen; zich overgeven aan (inz. sterken drank); verbeurd verklaard worden; invorderbaar worden (b.v. van eenen wissel); afgezet worden; veroordeeld worden; verjaren; verzwakken, krachteloos worden; open -, vakant zijn. -, o. gmv. vervaldag, -tijd. -HEID, v. gmv. verval, armoede, ellende.
| |
[Vervalschen]
Vervalschen, bw. gel. (ik vervalschte, heb vervalscht), valsch maken; namaken (eene handteekening); verdraaijen; den tekst - (anders aanhalen dan hij is); met vreemde bestanddeelen vermengen (wijn, eetwaren). *...VALSCHER, m., ...STER, v. (-s), die vervalscht; falsaris. *...VALSCHING, v. (-en), het vervalschen (in alle bet.).
| |
[Vervaltijd]
Vervaltijd, m. (-en), vervaldag.
| |
[Vervangen]
Vervangen, bw. ong. de plaats innemen van; elkander - (aflossen). *...VANGER, m., ...STER, v. (-s), die vervangt. *...VANGING, v. plaatsvervanging.
| |
[Vervaren]
Vervaren, bw. ow. ong. varende doorbrengen, - verteren (geld, tijd); hij heeft drie gulden - (aan vaarloon betaald). *-, schrikken, angst gevoelen; (fig.) zich heen begeven; ik weet niet waar hij - (gebleven) is; (zeew.) af-, uitschaken, verder van elkander brengen; veranderen; het zeildoek - (bevochtigen). *...VATEN, bw. gel. (ik vervaatte, heb vervaat), overstorten in een ander vat. *...VATTEN, bw. gel. her-, anders vatten, grijpen; opstellen; het geschrift was in deze bewoordingen vervat, het luidde aldus. ...TING, v. gmv. het vervatten. *...VECHTEN, bw. ong. vechtende derven, - verliezen. *...VEDEREN, *...VEÊREN, ow. gel. (ik vervederde of verveêrde, ben vervederd of
| | | |
verveêrd), van vederen veranderen, ruijen (van vogels). *...VEENEN, bw. gel. (ik verveende, heb verveend), turf maken, - halen (uit een veen). ...ING, v. (-en), veenderij. *...VEERTIJD, m. (-en), ruitijd. *...VEGEN, bw. gel. vegende verplaatsen, wegvegen. *...VELEN, bw. gel. (ik verveelde, heb verveeld), tot last zijn; kwelling veroorzaken. ZICH -, ww. zonder bezigheid zijn, geen tijdkorting hebben (en daardoor onaangenaam gestemd zijn). *...VELEND, bn. en bijw. (-er, -st), lastig, afkeer verwekkend; op lastige wijze. *...VELING, v. gmv. last, verdriet; afkeer, vermoeidheid (bij hetgeen men moet aanhooren of toeschouwen). *...VELLEN, ow. gel. (ik vervelde, ben verveld), van vel -, van huid veranderen, nieuw vel krijgen. *...VERSCHEN, bw. gel. (ik ververschte, heb ververscht), versch maken; laven, verkwikken; verfrisschen; den voorraad -, een nieuwen voorraad bezorgen. ZICH -, ww. zich verkwikken; ververschingen gebruiken. ...ING, v. het ververschen; -en, dranken, likeuren, vruchten enz. *...VERWEN, bw. ow. gel. her-, oververwen. ZICH -, ww. ontkleuren, verschieten (van stoffen). *...VEUGELEN, bw. gel. leuterende (den tijd) doorbrengen. *...VIJLEN, bw. gel. her-, overvijlen, verkeerd vijlen. ...ING, v. het vervijlen. *...VLIEGEN, ow. ong. uitdampen, uitwasemen (van reukwerken, specerijen enz.); weg-, heenvliegen; (fig.) mijne hoop is vervlogen (verdwenen). ...ING, v. het vervliegen, uitdamping; verlies van geur. *...VLIETEN, ow. ong. weg-, heenvlieten, vervloeijen. *...VLOEKEN, bw. gel. vloeken op, een vloekwoord uitspreken. ZICH -, ww. razen en tieren tegen zich zelven. *...VLOEKER, m., ...STER, v. (-s), die vervloekt. ...ING, v. (-en), vloek, verwensching; openlijke -, kerkelijke -, banvloek. *...VLOEKT, bn. verwenscht, gevloekt; een -e (ellendige) kerel. -, tw. *...VLOEREN, bw. gel. her-, overvloeren. *...VLUGTIGEN, bw. gel. (ik vervlugtigde, heb vervlugtigd), (scheik.) vlugtig maken, tot eene gassoort vervormen. *...VOCHTEN, bw. ow. gel. vochtig-, vochtiger maken of worden. -, dw. zie VERVECHTEN. *...VOEDEREN, ow. gel. her-, overvoederen; te sterk voederen, opstoppen; voederende verbruiken. *...VOEGBAAR, bn. (taalk.) vatbaar voor vervoeging. *...VOEGEN, bw. gel. (bouwk.) her-, overvoegen; (taalk.) een werkwoord geregeld (naar wijzen, tijden en personen) schrijven of opzeggen. ZICH -, ww. zich begeven, gaan, zich wenden. ...ING, v. (-en), (taalk.) het vervoegen, † conjugatie. *...VOER, o. gmv. overbrenging, † transport. *...VOERDER, m., ...STER, v. (-s), die vervoert, overbrenger, -brengster. *...VOERD, dw. en bijw. overgevoerd; vol geestdrift, buiten zich zelven; woedend. *...VOEREN, bw. gel. overbrengen, -dragen, † transporteren; (fig.) verleiden.
| |
[Vervolg]
Vervolg, o. (-en), voortzetting. *-EN, bw. gel. voortzetten, voortgaan met; betrekken (in regten); aanklagen; plagen, kwellen, lastig -, hinderlijk zijn; verontrusten (wegens geloofszaken); najagen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die vervolgt, (in alle bet.); de vervolger van Suetonius, schrijver die de geschiedenis van Suetonius heeft voortgezet. -, vijand, belager. *-ENS, bijw. daarna, naderhand. *-ING, v. (-en), het vervolgen; vervolg, voortzetting; vijandige belaging. -SGEEST, m. -SWOEDE, v. gmv. *-STOF, v. gmv. vervolg van iets.
| | | |
*-ZUCHT, v. gmv. *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st), strevende naar -, vurig in het vervolgen; onverdraagzaam (in godsdienstzaken).
| |
[Vervoogden]
Vervoogden, bw. gel. (ik vervoogdde, heb vervoogd), onder voogdij -, onder curatele stellen; (fig.) onder den duim houden. *...VOOGDING, v. (-en), het vervoogden, † curatele, voogdijschap. *...VORDEREN, bw. gel. doen vorderen; voortgaan; verhaasten. ...ING, v. (-en), bespoediging. *...VORMEN, bw. gel. over-, anders vormen. ...ING, v. (-en), het vervormen, overvorming. *...VRACHTEN, bw. gel. bevrachten. *...VREEMDBAAR, bn. vatbaar voor -, geschikt tot vervreemding; verkoopbaar. *...VREEMDEN, bw. ow. gel. (ik vervreemdde, heb of ben vervreemd), verkoopen, in andere handen brengen, overdoen (vaste goederen); vreemd -, afkeerig maken van; vreemd worden aan. *...VREEMDHEID, v. gmv. onverschilligheid, verkoeling. *...VREEMDING, v. het vervreemden; verkoop (van vast goed). *...VRETEN, bw. ong. vretende (gulzig etende) doorbrengen, - verspillen (tijd, geld). ZICH -, ww. te veel -, te gulzig eten; zich de maag volproppen. *...VREUGDEN (ZICH), ww. (ik vervreugde mij, heb mij vervreugd), zich verheugen, verblijden. *...VRIEZEN, ow. onr. geheel -, door en door bevriezen. ...ZING, v. het vervriezen. *...VROEGEN, bw. ow. gel. (ik vervroegde, heb vervroegd), vroeg -, vroeger stellen of uitvoeren; de dagteekening (van eenen brief enz.) - (vervalschen); een horologie -, (de wijzers terugzetten); de koorts is heden vervroegd (vroeger gekomen dan ik dacht). ...ING, v. het vervroegen. *...VROLIJKEN, bw. gel. (ik vervrolijkte, heb vervrolijkt), vrolijk maken. ...ING, v. het vervrolijken. *...VROUWELIJKEN, bw. gel. vrouwelijk maken. *...VROUWEN, bw. ow. gel. (ik vervrouwde, heb vervrouwd), (leenst.) in een vrouwelijk leen veranderen. -, verwijven, verwijfd worden.
| |
[Vervuilen]
Vervuilen, bw. ow. gel. (ik vervuilde, heb of ben vervuild), vuil maken, - worden, door vuilnis bederven of vergaan; eene vervuilde (bedorven) maag. *...VUILING, v. het vervuilen, bederf. *...VULLEN, bw. gel. vol maken; uitvoeren; betrachten; nakomen; voldoen; zijne beloften -, doen wat men beloofd heeft. *...VULLER, m., ...STER, v. (-s), die betracht, - voldoet, - nakomt. *...VULLING, v. betrachting, nakoming, naleving; verwezenlijking. *...VUREN, ow. gel. bederven, inwendig vergaan, rotten door het vuur (zekere ziekte in het hout). *...VURING, v. het vervuren, verrotting.
| |
[Verw]
Verw, v. zie VERF.
| |
[Verwaaibaar]
Verwaaibaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar om weg te waaijen. *...WAAID, bn. (zeew.) afgedreven, van den koers verdwaald; (fig.) verwilderd. *...WAAIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. (zeew.) afdrijven (van den koers), weggeslagen worden; dwalen. ...JING, v. gmv. het verwaaijen. *...WAAND, bn. en bijw. (-er, -st), -ELIJK, bijw. ingebeeld, hoogmoedig, waanwijs, † pedant; - zijn op iets. *...WAANDHEID, v. gmv. ingebeeldheid, dwaze hoogmoed. *...WAARBORGEN, bw. gel. borg staan, - blijven (voor). ...ING, v. het waarborgen; waarborg. *...WAARDIGEN, bw. (ik verwaardigde, heb verwaardigd), waardig achten (een mindere). ZICH -, ww. het niet beneden zich achten; ik verwaardig mij hem te antwoorden, ik zal hem met een antwoord vereeren; ik
| | | |
verwaardig mij niet (acht het beneden mij) hem te antwoorden. ...ING, v. het verwaardigen. *...WAARLOOZEN, bw. gel. (ik verwaarloosde, heb verwaarloosd), verzuimen, veronachtzamen, niet achten, geen zorg voor iets dragen. *...WAARLOOZER m., *...WAARLOOSSTER, v. (-s), die verwaarloost; nalatige; onachtzame. ...ZING, v. (-en), het verwaarloozen; veronachtzaming; verzuim. *...WACHTEN, bw. gel. afwachten; wachten (op); verbeiden; voorbereid zijn (op); verdragen; ik verwacht (duld) deze behandeling niet. *...WACHTEND, bn. en bijw. in afwachting. *...WACHTING, v. (-en), het verwachten, verbeiding; hoop; uitzigt. *...WAKKEREN, ow. gel. opwakkeren. ...ING, v. (-en), opwakkering. *...WANDELBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), veranderlijk, wankelbaar. *...WANDELEN, bw. ow. gel. veranderen; wandelende dwalen. ...ING, v. (-en), het verwandelen, verandering; (fig.) herschepping.
| |
[Verwant]
Verwant, bn. in den bloede bestaande; verbonden (door familiebetrekking); overeenkomende (met); de -e (zuster-) wetenschappen. *-, m. en v. (-en), lid eener familie. *-SCHAP, v. gmv. bloedverwantschap, familiebetrekking; (fig.) betrekking, overeenkomst. -T, bn. overeenkomende, verbonden (met).
| |
[Verward]
Verward, bn. en bijw. (-er, -st), *-ELIJK, bijw. in de war, wild, overhoop, dooreengemengd; (fig.) verlegen. *-HEID, v. (...eden), onordelijkheid; ongeregeldheid; (fig.) verlegenheid. *...WAREN, bw. gel. bewaren. *...WARMEN, bw. gel. warm maken; (ook fig.). ...ING, v. gmv. het verwarmen. *...WARREN, bw. ow. gel. (ik verwarde, heb verward), in wanorde -, in de war brengen, - sturen, - raken; in verlegenheid brengen, - komen; beschamen, verlegen maken; verstoren; vermengen. ...RING, v. gmv. het verwarren, wanorde; verlegenheid, beschaamdheid. *...WASEMEN, bw. ow. gel. verdampen. *...WASSCHEN, bw. ong. wasschende verbruiken, - slijten. *...WASSEN, ow. ong. verkeerd -, krom wassen of groeijen; (ook) vergroeijen. ...SING, v. (-en), kromgroeijing; vergroeijing. *...WATEN, bn. en bijw. (-er, -st), verdoemd, in den kerkban gedaan; vermetel, stout, overmoedig; onberaden. -HEID, v. gmv. vermetelheid, trots; ondeugendheid. *...WATERD, bn. door water verslapt, - los geworden; flaauw, slap; - (uitgekookt) vleesch. *...WATEREN, bw. ow. gel. door water bederven; slap -, smakeloos maken of worden; haring - (ververschen met nieuw water). -, (zeew.) met water vullen. ...ING, v. gmv. het verwateren.
| |
[Verwedden]
Verwedden, bw. gel. eene weddingschap aangaan. *...WEEKELIJKEN, bw. ow. gel. week -, verwijfd maken of worden. *...WEEKELIJKT, bn. verweekt; (fig.) verwijfd. *...WEEKEN, bw. ow. gel. week -, zacht maken of worden. *...WEELDERIGEN, bw. ow. gel. weelderig -, dartel maken of worden. *...WEERD, bn. door het weder -, door de zon ontkleurd of vergaan; er - (door het weder vermoeid) uitzien. *...WEERDER, m., -ES, v. (-sen), of *...WEERSTER, v. (-s), (regt.) gedaagde, pleiter tegen den eisch. *...WEERSCHRIFT, o. (-en), akte van verdediging; † apologie. *...WEEZEN, ow. gel. (ik verweesde, ben verweesd), wees -, weezen worden, zijne ouders verliezen. *...WEIDEN, bw. gel. van de eene weide in de andere leiden. ...DING, v. het verweiden, verande- | | | | ring
van weide. *...WEKKEN, bw. gel. voortbrengen, telen; wekken, opwekken, veroorzaken, aansporen; te weeg brengen. *...WEKKER, m., *...WEKSTER, v. (-s), die verwekt; voortbrenger, -brengster; (fig.) oorzaak. ...KING, v. het verwekken; voortbrenging; oorzaak; aansporing. *...WELDIGEN, bw. gel. overweldigen. *...WELF, o. (...ven), -SEL, o. (-s), gewelf. *...WELKEN, ow. gel. verflensen, geur en kleur verliezen; (ook fig.). *...WELKBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar voor verwelking. -HEID, v. gmv. *...WELKING, v. gmv. het verwelken; verflensing; verval. *...WELKOMEN, bw. gel. (ik verwelkomde, heb verwelkomd), welkom heeten; (iem.) feestelijk ontvangen. ...ING, v. gmv. het verwelkomen; onthaal, ontvangst (bij de aankomst van iem.). *...WELLUSTEN, bw. gel. (ik verwellustte, heb verwellust), in wellust verteren, - doorbrengen (geld, tijd).
| |
[Verweloos]
Verweloos, bn. zonder verf. *-HEID, v. gmv.
| |
[Verwelven]
Verwelven, bw. gel. van een verwelf voorzien, met een verwelf dekken. *...WELVING, v. het verwelven.
| |
[Verwen]
Verwen, bw. gel. (ik verfde, heb geverfd), met verf bestrijken, schilderen.
| |
[Verwennen]
Verwennen, bw. gel. alles inwilligen en daardoor (iem.) bederven; afwennen, afleeren. *...WENNING, v. het verwennen. *...WENSCHEN, bw. gel. kwade wenschen uiten, vloeken. ZICH -, ww. vertwijfelen, wanhopen. ...ING, v. (-en), kwade wensch, vervloeking.
| |
[Verwer]
Verwer, m. (-s), die verft; huisschilder.
| |
[Verweren]
Verweren, bw. gel. verdedigen. ZICH -, ww. zich verdedigen, weêrstand bieden. *...WERING, v. (-en), verdediging, wederstand.
| |
[Verwerij]
Verwerij, v. (-en), het werwen; (ook) plaats -, huis waar geverfd wordt; schilderswinkel.
| |
[Verwerken]
Verwerken, bw. ow. gel. werkende verbruiken (bouwstoffen enz.); her-, overwerken; ter dege dooreenmengen; werkende verplaatsen; door gisting bederven (van bier). *...WERKING, v. het verwerken; gisting. *...WERPELIJK, bn. (-er, -st), onwaardig, verachtelijk, wraakbaar. -HEID, v. gmv. verachtelijkheid, onwaardigheid. *...WERPELING, m. en v. (-en), verstootene, verworpene. *...WERPEN, bw. ong. van zich afwerpen, wegstooten; (regt.) wraken (getuigen); een voorstel - (afkeuren bij stemming). *...WERPENSWAARD, -IG, bn. (-er, -st), verwerpelijk. *...WERPING, v. het verwerpen; verachting; afkeuring (bij stemming).
| |
[Verwersgild]
Verwersgild, o. (-en), (oudt.) gebroederschap der verwers. *...AMBACHT, *...HANDWERK, o. gmv. *...KUIP, v. (-en). *...KUNST, v. gmv. *...REKENING, v. (-en). *...WINKEL, m. (-s).
| |
[Verwervelijk]
Verwervelijk, bn. (-er, -st), verkrijgbaar. *...WERVEN, bw. ong. verkrijgen. ...VING, v. het verwerven, verkrijging. *...WEVEN, bw. gel. wevende verbruiken, - verwerken; her-, overweven; slecht weven.
| |
[Verwig]
Verwig, bn. als verf, kleurig.
| |
[Verwiggelen]
Verwiggelen, bw. ow. gel. (ik verwiggelde, heb verwiggeld), schokken, doen trillen. *...WIGGELING, v. (-en). *...WIJDEN, bw. ow. gel. wijd -, wijder -, ruim -, ruimer maken of worden. -D, bn. verruimend, vergrootend, uitzettend. *...WIJDERD, bn. afgelegen, ver. *...WIJDEREN, bw. gel. (ik verwijderde, heb verwijderd), ver -, verder
| | | |
plaatsen, afzonderen; iem. uit zijn huis -, hem den toegang ontzegggen; zich -, zich van eene plaats begeven; verwijder u, ga van hier; dit heeft hen zeer van elkander verwijderd, dit heeft hunne vriendschap bekoeld. ...ING, v. verplaatsing op zekeren afstand; (fig.) bekoeling (van vriendschap); (sterr.) afstand eener dwaalster van de zon. *...WIJDERINGSHOEK, m. (sterr.). *...WIJDING, v. (-en), het verwijden; verruiming; uitloop. *...WIJFD, bn. (-er, -st), -ELIJK, bijw. vervrouwelijkt, verweekelijkt. *...WIJFDHEID, v. (...heden), zwakkelijkheid, flaauwheid, weekelijkheid. *...WIJL, o. gmv. uitstel; zonder -, oogenblikkelijk. *...WIJLEN, bw. ow. gel. uitstellen, verschuiven; blijven, verpoozen. ...ING, v. het verwijlen, verwijl. *...WIJT, o. (-en), berisping. -ELIJK, bn. (-er, st), berispelijk. *...WIJTEN, bw. ong. berispen, laken; ten laste leggen; (spr.) de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, de eene misdadiger berispt den anderen. *...WIJTER, m., *...WIJTSTER, v. (-s), die verwijt; laker, laakster. *...WIJVEN, bw. ow. gel. week maken of worden (van karakter). *...WIJZEN, bw. ong. wijzen -, zenden naar; verbannen; veroordeelen; (regt.) in de kosten -, tot betaling der kosten veroordeelen. *...WIJZING, v. (-en), het verwijzen (naar), † renvoi; veroordeeling, vonnis. *...WILDERD, bn. en bijw. (-er, -st), wild -, woest geworden (van land enz.); (fig.) woest, losbandig. *...WILDEREN, ow. gel. verwilderd -, losbandig raken of worden. ...ING, v. het verwilderen; losbandigheid, ongeregeldheid, verdorvenheid. *...WILLIGEN, bw. ow. gel. bewilligen, toestaan. *...WILLIGING, v. (-en), be-, inwilliging, toestemming. *...WINBAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), overwinnelijk. -HEID, v. gmv. *...WINDEN, bw. ong. her-, overwinden; windende verbruiken. ...ING, v. gmv. het verwinden.
| |
[Verwing]
Verwing, v. (-en), het verwen; schilderwerk.
| |
[Verwinnaar]
Verwinnaar, m., *...WINNARES, v. (-sen), overwinnaar, overwinnares. *...WINNELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), genomen -, overwonnen -, veroverd kunnende worden. *...WINNEN, bw. ong. overwinnen. ...NING, v. het verwinnen, overwinning. *...WINTEREN, bw. ow. gel. overwinteren. ...ING, v. overwintering. *...WISSELBAAR, bn. (-er, -st), verwisseld kunnende worden. *...WISSELEN, bw. ow. gel. wisselen, ruilen (het een voor het ander); van kleederen -, andere kleederen aantrekken; (fig.) van kleur -, eene andere partij kiezen. -, (zeew.) aflossen. ...ING, v. (-en), het verwisselen; ruil, verandering (van naam enz.). *...WITTEN, bw. gel. wittende verbruiken; her-, overwitten. *...WITTIGEN, bw. gel. (ik verwittigde, heb verwittigd), bekend maken; onderrigten. ...ING, v. (-en), mededeeling (eener tijding).
| |
[Verwoed]
Verwoed, bn. (-er, -st), *-ELIJK, bijw. woedend, razend (van drift). *-EN, bw. ow. gel. woedende doorbrengen (den tijd); razen, tieren. *-HEID, v. gmv. woede, blinde drift.
| |
[Verwoest]
Verwoest, bn. en dw. vernield; te gronde gerigt. *-EN, bw. gel. (ik verwoestte, heb verwoest), vernielen, te gronde rigten, uitplunderen, uitmoorden. *-END, bn. (-er, -st), vernielend, verdelgend. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die verwoest. *-ING, v. (-en), vernieling, verdelging, plundering.
| | | |
| |
[Verwonden]
Verwonden, bw. gel. kwetsen, bezeeren. *...WONDERAAR, m. (-s), bewonderaar. *...WONDEREN, bw. gel. (ik verwonderde, heb verwonderd), verbazen. ZICH -, ww. verbaasd zijn (over), (iets) vreemd vinden; het verwondert mij, het brengt mij in verbazing, het komt mij vreemd voor. -SWAARD, -IG, bn. (-er, -st). *...WONDERING, v. verbazing; bewondering. -STEEKEN, v. (-s), (taalk.) uitroepingsteeken, (!). *...WONDERLIJK, bn. en bijw. (-er, -st), verwondering wekkend, verbazend; vreemd, zonderling. -HEID, v. zonderlingheid, vreemdheid. *...WONDING, v. (-en), het verwonden; kwetsing, wonde. *...WONEN, bw. gel. aan huur geven; ik verwoon (mijn huurprijs bedraagt) honderd gulden. *...WONNELING, m. en v. (-en), die overwonnen is, overwonnene. *...WORDEN, ow. onr. bederven. ...ING, v. bederf. *...WORMEN, ow. gel. (ik verwormde, ben verwormd), van wormen doorvreten -, wormstekig worden. ...ING, v. het verwormen. *...WORPELING, m. en v. (-en), die verworpen is; ellendeling, ellendige; gevallene. *...WORPENHEID, v. gmv. ellende, diepe val; verachting. *...WORTELEN, ow. gel., ZICH -, ww. inwortelen, wortel vatten. *...WRIKKEN, bw. gel. wrikkende -, schokkende schudden. ...KING, v. (-en), schokking, schudding, beweging. *...WRINGEN, bw. ong. wringende verdraaijen; her-, overwringen; (fig.) verdraaijen. *...WULF, o. (...ven), gewelf.
| |
[Verwurgen]
Verwurgen, bw. gel. wurgen.
| |
[Verwwinkel]
Verwwinkel, m. (-s), winkel van verfwaren; schilderswerkplaats.
| |
[Verzachten]
Verzachten, bw. ow. gel. (ik verzachtte, heb verzacht), zacht -, zachter maken of worden; de pijn - (doen verminderen), (door geneesmiddelen); (fig.) verminderen, verligten; lenigen; matigen. *-D, bn. (-er, -st), zachter makend; (regt.) verligtend; -e omstandigheden, die den misdadiger eenigermate verontschuldigen. *...ZACHTING, v. gmv. het verzachten; vermindering (der ruwheid); leniging. *...ZADELIJK, bn. vatbaar voor verzadiging. *...ZADEN, bw. gel. (ik verzaadde, heb verzaad), of *...ZADIGEN, bw. gel. (ik verzadigde, heb verzadigd), zat maken, ten volle voeden; de maag -, haar zoo veel geven als zij behoeft. -, (fig.) stillen (b.v. zigne wraak); (scheik.) vochten -, er zoo veel vaste bestanddeelen bij doen dat het vocht geheel verdwijnt, † satureren. ZICH -, ww. den honger stillen. *...ZAGEN, bw. gel. zagende doorbrengen (den tijd); - verbruiken; verkeerd zagen. *...ZAKEN, bw. gel. (ik verzaakte, heb verzaakt), verloochenen, afvallig worden van; eenen vriend -, hem niet meer willen kennen; (spel) troef, kleur -, ze niet spelen ofschoon men ze heeft. *...ZAKER, m., *...ZAAKSTER, v. (-s), die verzaakt, afvallige, ontrouwe. *...ZAKING, v. gmv. het verzaken; afval (van de godsdienst); ontrouw (in vriendschap); het opgeven (van ondeugden); (kaarts.) - van kleur, † renonce. *...ZAKKEN, ow. gel. wegzakken; inzakken (van muren enz.). ...KING, v. (-en), het ver- of doorzakken. *...ZAMELAAR, m., -STER, v. (-s), die verzamelt, - opraapt, - bijeengaart; inzamelaar, -ster. *...ZAMELBAAR, bn. vatbaar voor verzameling. *...ZAMELEN, bw. gel. bijeengâren, oprapen; vereenigen, vergaderen; te zamen brengen. ZICH -, ww. vergaderen, bijeenkomen. -D, bn. bijeenkomend; bijeenroepend; (taalk.) -e zelfstandige naam-
| | | |
woorden,
(als: valk, zand, menigte enz.). *...ZAMELING, v. (-en), het verzamelen; vergadering, bijeenkomst; menigte, troep, hoop; (heelk.) ophooping (van kwade stoffen). *...ZAMELPLAATS, v. (-en), plaats van vereeniging; loopplaats (van soldaten); vergaderplaats. *...ZAMELSTAAT, m. (...aten), staat of tabel waarop de uitkomsten van eenige staten vermeld staan. *...ZAMEN, bw. gel. verzamelen. *...ZANDEN, bw. ow. gel. met zand vullen; volloopen met zand, (b.v. van eene haven). ...ING, v. (-en), het verzanden; ophooping van zand; aanslibbing. *...ZEEUWD, bn. zeeziek. -HEID, v. gmv. zeeziekte. *...ZEEUWEN, ow. gel. (ik verzeeuwde, ben verzeeuwd), zeeziek -, misselijk worden. *...ZEGELAAR, m., -STER, v. (-s), die verzegelt. *...ZEGELEN, bw. gel. onder -, met een zegel bevestigen; vast maken; (regt.) het zegel drukken. ...ING, v. (-en), het verzegelen; zegel. *...ZEGGEN, bw. onr. door belofte verbinden (zoodat een ander er niet over beschikken kan); de plaatsen zijn verzegd (besproken); (fig.) iets -, plegtig verklaren het niet te doen. ZICH -, ww. zijnen persoon verbinden. *...ZEILEN, bw. ow. gel. overzeilen; iets - (of laten -), iets als prijs uitloven voor hem die het hardste zeilt; zeilende van plaats veranderen; te land komen waar men niet wezen wil; op eene klip -, stranden; (fig.) zich ergens toevallig bevinden; een schip - (verliezen).
| |
[Verzekeraar]
Verzekeraar, m., *-STER, v. (-s), die verzekert; assuradeur. *...AKTE, v. (-n), *...BRIEF, m. (...ven), polis van assurantie. *...D, bn. zeker, overtuigd van; geassureerd. *...DE, m. en v. (-n), die verzekerd (geassureerd) is. *...DHEID, v. gmv. overtuiging; (kooph.) assurantie. *...EN, bw. gel. (ik verzekerde, heb verzekerd), betuigen, met overtuiging zeggen, verklaren; vrijwaren (tegen brandschade, zeegevaar enz.); assureren; zijn leven -, lijfrente nemen. -, (zeew.) de vlag -, bij het ophalen der vlag een schot doen. ZICH -, ww. ik wil mij - (overtuigen) of dit waar is; hij verzekerde zich van (bemagtigde) haren persoon. *...GELD, o. (-en), premie van assurantie. *...KANTOOR, o. (...oren), bureau van verzekering.
| |
[Verzekering]
Verzekering, v. (-en), betuiging, bevestiging; vrijwaring tegen schade, † assurantie; in - (beslag) nemen; tot - (onderpand). *-KONTRAKT, o. (-en), polis van assurantie. *-MAATSCHAPPIJ, v. (-en).
| |
[Verzelfstandigen]
Verzelfstandigen, bw. gel. tot zelfstandigheid brengen. *...ING, v. gmv. het verzelfstandigen; (godg.) † transsubstantiatie.
| |
[Verzellen]
Verzellen, bw. gel. (ik verzelde, heb verzeld), bij (iem.) blijven; op zijde staan, met iem. gaan, begeleiden; (fig.) gepaard gaan met... *...ZELLER, m., *...ZELSTER, v. (-s), die verzelt. ...LING, v. gmv. het verzellen. *...ZENDEN, bw. ong. af-, over-, toezenden. *...ZENDER, m., *...ZENDSTER, v. (-s), die verzendt of afzendt. ...ING, v. (-en), het verzenden; af-, overzending.
| |
[Verzenen]
Verzenen, v. mv. hielen.
| |
[Verzengen]
Verzengen, bw. gel. zengen, ligtelijk branden, schroeijen; (aardr.) de verzengde luchtstreek, tusschen de twee keerkringen; (landb.) verflensen. *...ZENGING, v. het verzengen.
| |
[Verzenmaker]
Verzenmaker, m., *...MAAKSTER, v. (-s), dichter, -es, rijmelaar, -ster. *-IJ, v. rijmelarij.
| | | |
| |
[Verzet]
Verzet, o. gmv. verpoozing, rust, uitspanning; tegenkanting, wederstand, oproer; pand, hetgeen men verzet heeft. *-TEN, bw. gel. verplaatsen; verpanden; (fig.) geenen voet -, niet uitgaan. ZICH -, ww. uitspanning nemen, een luchtje scheppen; tegenstand bieden; verkeerd zetten (in het dam- of schaakspel). *-TING, v. gmv. het verzetten; verplaatsing; verpanding. *...ZIEDEN, ow. ong. verkoken. *...ZIEN, bw. onr. voorbijzien, niet zien; wedden; betalen voor hetgeen men ziet. ZICH -, ww. verkeerd zien, miszien; zich vergissen; kwaden indruk ontvangen en op de vrucht overplanten (van zwangere vrouwen). *...ZIENING, v. (-en), veronachtzaming; vergissing. *...ZIERDER, m., (B. *...ZIERER), -STER, v. (-s), verdichter, -ster; opsmukker, -ster. *...ZIEREN, bw. gel. (ik versierde, heb verzierd), verzinnen, verdichten, opsmukken (een verhaal). ...ING, v. (-en), het verzieren; opsmukking. *...ZIERSEL, o. (-s), verzinsel, opsmukking, woordenpraal.
| |
[Verzigttop]
Verzigttop, m. (-pen), mikwijzer (aan geschut).
| |
[Verzijgen]
Verzijgen, bw. ong. laten doorzijgen; doorzijpelen; doorlekken. *...ZIJGING, v. gmv. het verzijgen. *...ZIJGVAT, o. (-en), soort filtreermachine. *...ZIJPEN, ow. gel. zijpende verdwijnen. *...ZILVERAAR, m., -STER, v. (-s), die verzilvert. *...ZILVERBAAR, bn. te verzilveren, in specie te betalen (van papieren geld enz.). *...ZILVEREN, bw. gel. (ik verzilverde, heb verzilverd), met zilver overtrekken, - beleggen; (kooph.) het kapitaal nemen (eener rente, van eenen tol enz.), kapitaliseren. ...ING, v. (-en), het verzilveren. *...ZINKEN, bw. ow. ong. doen zinken, verdrinken; zinken; (fig.) verdiepen (b.v. in gedachten). ...ING, v. het verzinken. *...ZINNELIJKEN, bw. gel. (ik verzinnelijkte, heb verzinnelijkt), in zigt-, hoor- of voelbaren vorm voorstellen of overgieten. ...ING, v. het verzinnelijken. *...ZINNEN, bw. ong. uitdenken, verdichten (b.v. logens). ZICH -, ww. zich vergissen; eene feil maken. *...ZINNER, m., *...ZINSTER, v. (-s), die uitdenkt of verzint. ...NING, v. (-en), het verzinnen; verdichting; vergissing; schrijffout. *...ZINSEL, o. (-s), vond, alles wat verzonnen is; verdichtsel. *...ZITTEN, bw. ow. onr. zittende doorbrengen (den tijd), - verteren (geld); men verzit er (betaalt voor eene zitplaats) drie stuivers; zittende benadeelen; van plaatsen veranderen.
| |
[Verzoek]
Verzoek, o. (-en), vraag; bede, aanzoek; ten -e (op het verzoek) van. *-EN, bw. onr. vragen, bidden; uitnoodigen; beproeven, in verzoeking brengen; tergen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die verzoekt; die een aanzoek doet; onderteekenaar -, inzender van een smeek- of verzoekschrift, requestrant, suppliant, adressant; verleider; de - der menschen, de Booze, Satan. *-ING, v. (-en), het verzoeken; beproeving (ten kwade); verleiding. *-MEESTER, m. (-s), (eert. in Frankrijk) † maître des requêtes. *-SCHRIFT, o. (-en), request, adres.
| |
[Verzoenbaar]
Verzoenbaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar voor verzoening. *...DAG, m. (-en), dag der verzoening; groote -, algemeene boete- en vastendag der Israelieten. *...DEKSEL, o. (-s), deksel der Verbondskist, - van den tabernakel (bij de Isr.). *...EN, bw. gel. bevredigen; de vriendschap herstellen; God -, boete doen, zijne zon- | | | | den
bekennen en er voor boeten. ZICH -, ww. weder vrede sluiten (met elk.). *-D, bn. (-er, -st), bevredigend. *...ER, m., *...STER, v. (-s), die verzoent. *...ING, v. (-en), bevrediging, herstel van vriendschap. -SWERK, o. poging tot verzoening. *...LIJK, bn. (-er, -st), verzoend kunnende worden. -HEID, v. vatbaarheid voor verzoening.
| |
[Verzoeten]
Verzoeten, bw. gel. zoet maken; (fig.) troosten, vergoeden; (spr.) geld verzoet den arbeid, de belooning voor den arbeid maakt dezen minder onaangenaam. *-D, bn. zoet makend; (fig.) troostend. *...ZOETING, v. het verzoeten; (fig.) troost, vertroosting. *...ZOLEN, bw. gel. her-, anders zolen (schoenen), nieuwe zolen maken. *...ZOLING, v. (-en), het verzolen. *...ZOLER, m., *...ZOOLSTER, v. (-s), die verzoolt. *...ZONEN, bw. gel. (w.g.) als -, tot zoon aannemen. *...ZOOMEN, bw. gel. her-, overzoomen; zoomende doorbrengen (den tijd). *...ZORGEN, bw. gel. zorgen voor; voorzien van; iem. -, hem het noodige geven; in veiligheid brengen; eene dochter -, haar uithuwen; het vuur -, het behoorlijk dekken (gedurende den nacht enz.); goed sluiten (deuren en vensters); hij heeft zijne bedienden verzorgd, hen in zijnen uitersten wil bedacht. *...ZORGER, m., *...ZORGSTER, v. (-s), die verzorgt; bezorger (van eetwaren). -SAMBT, o. gmv. post van opzigter -, - van inkooper der levensmiddelen (in een gesticht). *...ZORGING, v. gmv. het verzorgen. *...ZOT, bn. (-ter, -st), zeer gesteld op; ingenomen met; verliefd. -TEN, ow. gel. (ik verzotte, ben verzot), verzot -, verliefd raken (op). *...ZOUTEN, bw. gel. te veel zouten; zoutende bederven; (spr.) veel koks - den brij, waar velen aan arbeiden bederven zij de zaak. *...ZUCHTEN, bw. gel. zuchtende doorbrengen (den tijd); diep zuchten. ...ING, v. (-en), het verzuchten; diepe zucht. *...ZUIM, o. gmv. veronachtzaming, verwaarloozing. -EN, bw. gel. (ik verzuimde, heb verzuimd), veronachtzamen, verwaarloozen, laten voorbijgaan; te laat komen. § *...ZUIPEN, bw. ow. ong. in (sterken) drank verteren; (ook) in het water omkomen, verdrinken. *...ZUIPER, m. (-s), die sterken drank drinkt. *...ZUREN, bw. gel. ow. zuur maken, - worden; (scheik.) oxyderen; (spr.) wat in een goed vat is verzuurt niet, al komt het goede niet dadelijk voor den dag, ten slotte zal het blijken. ...RING, v. het verzuren. *...ZWAGEREN, bw. gel. door maagschap of huwelijk verbinden; verswagerd (vermaagschapt) zijn. ...ING, v. gmv. het verzwageren. *...ZWAKKEN, bw. ow. gel. (ik verzwakte, heb of ben verzwakt), zwak -, zwakker maken of worden; afnemen (door ziekte); (fig.) doen afnemen. ...KING, v. gmv. het verzwakken; afneming; uitputting. *...ZWAREN, bw. gel. zwaar -, zwaarder maken of worden; bezwaren. *...ZWAREND, bn. (-er, -st), verergerend; (regt.) -e omstandigheden, die ongunstig voor den beschuldigde zijn. ...RING, v. gmv. verergering. *...ZWEETEN, bw. gel. zweetende doorbrengen; uitzweeten. *...ZWELGEN, bw. ong. zwelgende doorbrengen, - verorberen; gulzig inslokken; (fig.) doorlaten. *...ZWELGER, m., *...ZWELGSTER, v. (-s), die verzwelgt; gulzigaard. ...ING, v. gmv. het verzwelgen; gulzigheid, vraatzucht. *...ZWENDELEN, bw. gel. zwendelende doorbrengen, op oneerlijke wijze verkwisten. *...ZWEREN, bw. ong. zwerende weigeren;
| | | |
onder eede zich tot iets verbinden. -, ow. tot eene zweer overgaan. ZICH -, ww. door eenen eed zich verbinden; (fig.) zich aan den duivel verbinden. ...RING, v. (-en), het verzweren; verbindtenis onder eede; (heelk.) verettering, overgang tot eene zweer. *...ZWIEREN, bw. gel. zwierende doorbrengen, - verteren (tijd, geld). *...ZWIJGEN, bw. ong. verhelen, niet zeggen; achteraf houden; men verzwijgt mij alles, alles houdt men voor mij verborgen. *...ZWIJGER, m., *...ZWIJGSTER, v. (-s), die verzwijgt. ...GING, v. het verzwijgen; verheling; achterhoudendheid. *...ZWIKKEN, bw. ow. gel., ZICH -, ww. zwikkende bezeeren, - uit het lid brengen, ik heb mijnen (of mij den) voet verzwikt. ...KING, v. (-en), het verzwikken; verstuiking. *...ZWINDEN, ow. ong. verdwijnen.
| |
[Vesper]
Vesper, v. gmv. vroeg-avond; (r.k.) namiddagdienst, -gebed. *-BOEK, o. (-en), (r.k.) gebedenboek. *-BROOD, o. gmv. namiddageten, vieruurtje. *-TIJD, m. (-en).
| |
[Vest]
Vest, v. (-en), *-E, v. (-n), sterke muur (eener vesting); vesting, versterkte plaats; (ook) stadsgracht. *-, o. (-en), *-JE, (B. -N), o. (-s), zek. (mans)kleedingstuk, kamizool.
| |
[Vesta]
Vesta, v. (sterr.) naam van een der planeten (aangeduid door het teeken ); (fab.) godin van het vuur. *-ALSCH, bn. van Vesta, aan Vesta gewijd; het -e (geheiligde) vuur. *-LE, v. (-n), maagd aan Vesta gewijd, priesteres van Vesta; (fig.) kuische maagd.
| |
[Vesten]
Vesten, bw. gel. (ik vestte, heb gevest), vestigen.
| |
[† Vestibule]
† Vestibule, v. (-n), voorportaal. *...TIGE, v. spoor, overblijfsel.
| |
[Vestigen]
Vestigen, bw. gel. (ik vestigde, heb gevestigd), gronden, bouwen; oprigten, inrigten; tot stand brengen; vaststellen; eene rente op iemands hoofd -, lijfrente op iem. nemen; de oogen - (rigten) op. ZICH -, ww. gaan wonen, zich neêrslaan. *...TIGER, m., *...TIGSTER, v. (-s), die vestigt; grondlegger, ...ster. *...TIGING, v. (-en), het vestigen; grondlegging, nederzetting, stichting.
| |
[Vesting]
Vesting, v. (-en), sterkte, versterkte stad, fort, citadel. *-BOUW, m. gmv. *-BOUWER, m. (-s). *-BOUWKUNDE, v. gmv. *-BOUWKUNDIG, bn. en bijw. *-STRAF, v. (-fen), onteerende straf volgens de krijgswet, (ook kruiwagen genoemd). *-WERK, o. (-en), fort, versterking.
| |
[Vet]
Vet, o. gmv. vettigheid; smeer; talk, ongel; (fig.) straf, berisping; ik zal hem zijn - geven (scherp doorhalen); (spr.) het - is van den ketel, de meeste winst is reeds gemaakt; (fig.) het - der aarde, rijkdom, overvloed. *-, bn. en bijw. (-ter, -st), vettig, smerig; mollig, poezelig; vruchtbaar (van den grond); een - (gemest) varken; (spr.) het oog des meesters maakt het paard -, die zelf zijne zaken bestuurt houdt ze het best in orde; (fig.) de os is er -, men vindt er eene ruim voorziene tafel; eene -te (dik uitdrukkende) letter; (spr.) hij zit er - in, hij is rijk, - bemiddeld; het is er niet -, men moet zich daar behelpen; een - (winstgevend) ambt; een - penseel, schilder die te dikke verwen opwerpt. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), eenigzins vet. *-ADER, v. (-en), (ontl.). *-BREUK, v. (-en), (heelk.). *-BUIS, v. (...zen), (ontl.). *-DARM, m. (-en), (ontl.).
| |
[Veter]
Veter, m. (-s), koord met nestel. *-EN, bw. gel. (ik veterde, heb geveterd), met eenen veter toe- of digtrijgen. *-BESLAG, o. gmv.
| | | |
*-GAT, o. (-en). *-KLOPPER, *-MAKER, m. (-s). *-MAAKSTER, v. (-s). *-SLOT, o. (-en).
| |
[† Veteraan]
† Veteraan, m. (...anen), oud -, uitgediend soldaat; (fig.) - in de kunst, die er in oud geworden of er in doorkneed is.
| |
[† Veterinair]
† Veterinair, m. (-en), veearts, paardendokter; -e school, veeartsenijschool.
| |
[Vetgans]
Vetgans, v. (...zen), soort gans, huisgans. *...GEZWEL, o. (-len), (heelk.). *...HEID, v. gmv. het vette. *...HORENTJE, (B. -N), o. (-s), zek. schoenmakers-gereedschap. *...JE, (B. -N), o. (-s), (fig.) voordeel. *...KETEL, m. (-s), ketel om vet te smelten. *...KLIER, v. (-en), (heelk.) zek. gezwel. *...LEDER, o. gmv. zek. ledersoort. *...MAAG, v. (...agen), derde maag der herkaauwende dieren. *...MAKING, v. gmv. *...MANNETJE, (B. -N), o. (-s), soort oude munt. *...NAVELBREUK, v. (-en), (heelk.). *...POT, m. (-ten), pot vol vet; (fig.) het is er -, er is overvloed. *...ROK, m. (-ken), (ontl.) vleezig vlies. *...SALADE, v. gmv. zek. eetbare plant. *...STAART, m. (-en), soort schaap.
| |
[† Veto]
† Veto, ik verbied; het - op iets plaatsen, zijn - over iets uitspreken, iets verbieden.
| |
[Vetten]
Vetten, bw. gel. (ik vette, heb gevet), met vet bestrijken; (drukk.) de vormen -, ze met inkt bestrijken door middel van eene drukrol.
| |
[Vettewariër]
Vettewariër, m. (-s), die vette waren (olie, kaarsen enz.) verkoopt.
| |
[Vettig]
Vettig, bn. (-er, -st), vetachtig, smerig. *-HEID, v. gmv. het vette. -, (...heden), alles wat vettig of smerig is; vetvlak. *...VIN, v. (-nen). *...VLAK, v. (-ken). *...VLIES, o. (...zen). *...WEIDE, v. (-n). *...WEIDEN, bw. gel. (ik vetweidde, heb gevetweid), vee fokken, - mesten. *...WEIDER, m., *...WEIDSTER, v. (-s), veefokker, ...ster, vetmester. *...WEIDERIJ, v. (-en), veefokkerij. *...WINKEL, m. (-s), vleesch-houwers-, varkenslagerswinkel. *...ZAK, m. en v. (-ken), dik mans- of vrouwspersoon. *...ZUUR, o. (...uren), (scheik.).
| |
[Veulen]
Veulen, o. (-s), jong paard, jonge ezel, jong kameel enz.
| |
[† Vexatie]
† Vexatie, v. (...ën), kwelpartij, plagerij; afpersing, knevelarij.
| |
[† Vexeren]
† Vexeren, bw. gel. (ik vexeerde, heb gevexeerd), plagen, kwellen; spijten; afpersen.
| |
[Vezel]
Vezel, v. (-s), harig of dradig deel, - spiertje. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als vezels; dun, harig. -HEID, v. gmv. *-EN, ow. gel. (ik vezelde, heb gevezeld), fluisterende spreken; rafelen. *-GIPS, o. soort gips. *-ING, v. gmv. het vezelen. *-STOF, v. (-fen), bestand-deel der vezelen. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine vezel; spiertje, draadje. *-TOP, m. (-pen), (plant.) top -, punt der helmdraden. *-WORTEL, m. (-s).
| |
[† Vezier]
† Vezier, o. zie VIZIER.
| |
[Veziken]
Veziken, ow. gel. (ik vezikte, heb gevezikt), fluisteren, vezelen.
| |
[† Via]
† Via, v. weg. *-, vz. over; langs; - Southampton, - Marseille, (op adressen van brieven welke naar andere werelddeelen worden verzonden). *-DUCT, v. (-en), boogbrug (over rivieren of bergen). *-TICUM, o. (-s), (r.k.) laatste vormsel, - oliesel; (ook) reis- of teerpenning.
| |
[† Vibratie]
† Vibratie, v. (...ën), trilling (van snaren), schommeling. *...BRE-
| | | |
REN,
ow. gel. (ik vibreerde, heb gevibreerd), trillen, (ook muz.); eene -de stem, die niet vast in den toon blijft.
| |
[† Vicariaat]
† Vicariaat, o. ambt van vikaris; regtsgebied van eenen vicaris. *...RUIS, *...RIS, m. (-sen), hulpgeestelijke, plaatsvervangend pastoor, onderabt.
| |
[† Vice]
† Vice, bijw. tweede, onder; -admiraal, -president, -consul enz.; - versa, heen en terug; (fig.) over en weêr.
| |
[† Vicieus]
† Vicieus, bn. (...zer, -st), ondeugend, zedeloos; (fig.) gebrekkig, met fouten.
| |
[Victime]
Victime, v. (-s), slagtoffer. *...TORIE, v. overwinning. *...TORIEUS, bn. en bijw. (-er, -st), overwinnend, zegevierend, glorierijk.
| |
[† Victualie]
† Victualie, v. (...ën), levensmiddelen, scheepsbehoeften. *...LIËREN, bw. gel. (ik victualiëerde, heb gevictualiëerd), van levensmiddelen -, van scheepsbehoeften voorzien, provianderen. *-MEESTER, m. (-s), spijsbezorger, proviandmeester (inz. op schepen). *-WANT, o. keuken- en tafelgereedschap aan boord.
| |
[† Vide, Videatur]
† Vide, Videatur, zie, sla op. *...DETUR, o. gevoelen. *...DI, ik heb het gezien. *...DIMATIE, v. (...ën), bekrachtiging, legalisatie. *...DIMEREN, bw. gel. (ik vidimeerde, heb gevidimeerd), bekrachtigen, legaliseren.
| |
[Vier]
Vier, telw. een getal; zij zijn met hun -en (vier in getal). *-, v. het cijfer 4.
| |
[Vieravond]
Vieravond, m. (-en), (r.k.) heilige avond, ingang van een feest.
| |
[Vierbeenig]
Vierbeenig, bn. *...BLAD, o. zek. plant. -ERIG, bn. met -, van vier bladen. *...BLADIG, bn. met vier (uitslaande) bladen (van eene tafel enz.). *...BLOEMIG, bn. *...BOT, v. (-ten), vuurbaak. *...DEELIG, bn.
| |
[Vierdaagsch]
Vierdaagsch, bn. van vier dagen.
| |
[Vierde]
Vierde, bn. van orde, (rangschikkend getal); het is heden de - (dag der maand); het - deel (van een geheel), kwart; de - penning, (25 ten honderd); Hendrik de - (van dien naam). *-, o. kwart, vierde gedeelte; (rek.) een -, 1/4. *-, (kaartsp.) vier in waarde opeenvolgende kaarten. *-DAAGSCH, bn. om den vierden dag. *-HALF, o. drie en een half. *-PART, o. (-en).
| |
[Vierder]
Vierder, m., *...STER, v. (-s), die viert; die vereert.
| |
[Vierderhande]
Vierderhande, *...LEI, bn. van vier soorten.
| |
[Vierdraadsch]
Vierdraadsch, bn. uit vier draden bestaande. *...DUBBEL, bn. en bijw. tweemaal dubbel, viermaal. *...DUIZENDSTE, bn. en o.
| |
[Vieren]
Vieren, bw. ow. (ik vierde, heb gevierd), in rust -, feestelijk doorbrengen (eenen dag); niet arbeiden, rusten; toegeven, ontzien; vereeren, eer bewijzen aan; de gevierde (geprezene) kunstenaar; loslaten, laten uitloopen; (zeew.) den kabel - (uitpalmen); bot-, (aan zijne hartstogten, zijne lusten) den vrijen teugel laten. *-, ow. (zeew.) vuren opsteken, lantaarns uithangen.
| |
[Vierendeel]
Vierendeel, o. (-en), vierde deel, kwart; -uurs, kwartier; -jaars, drie maanden. *-EN, bw. gel. in vier deelen (stukken) scheuren, - snijden, - houwen, (eert. lijfstraf); met vier paarden vaneen trekken; (wap.) een schild in vier velden verdeelen.
| |
[Vierhandig]
Vierhandig, bn. met vier handen. *...HOEK, m. (-en), (meetk.) dat vier hoeken heeft; trapezium. -IG, bn. met vier hoeken. *...HONDERDSTE, bn. en o. *...HOORNIG, bn. met vier horens.
| | | |
| |
[Viering]
Viering, v. (-en), het vieren.
| |
[Vierjarig]
Vierjarig, bn. vier jaren oud -, durende; om de vier jaren.
| |
[Vierkant]
Vierkant, o. (meetk.) vierhoek (aangeduid door het teeken ); ongelijkzijdig -, trapezium; een voet in het -, vlak van een voet lengte en een voet breedte; het - (de quadratuur) van den cirkel. *-, *-IG, bn. vierhoekig; (wisk.) een - getal, een getal met zich zelf vermenigvuldigd, (als: 3 × 3 = 32 = 9); eene -e grootheid, (als: a × a = a2). *-EN, bw. gel. (ik vierkantte, heb gevierkant), vierkant maken, - behouwen. *-IGHEID, v. gmv. hoedanigheid van het vierkant. *-SVERGELIJKING, v. (-en), (wisk.) vergelijking die meestentijds alleen door worteltrekking oplosbaar is.
| |
[Vierklaauw]
Vierklaauw, m. (-en), iets dat vier klaauwen bezit. *-IG, bn. *...KLEURIG, bn. *...LEDIG, bn. (wisk.) -e grootheid. *...LETTERGREPIG, bn. *...LING, m. en v. (-en), broeder, zuster (van vier tegelijk gegeborenen); vierde gedeelte. -EN, m. mv. vier kinderen van ééne dragt. *...LOBBIG, bn. *...LOOPER, m. (-s), (zeew.) zek. touw. *...MAAL, bijw. iets - nemen, met vier vermenigvuldigen. *...MAANDIG, bn. van vier -, om de vier maanden. *...MALIG, bn. viermaal zooveel. *...MAN, m. (-nen), lid van een kollegie van vier personen. *...MANNIG, bn. eene -e plant, (met vier hamertjes). *...PONDER, m. (-s), kogel van vier pond; stuk geschut (daarnaar genoemd); kaas -, brood van vier pond. *...PONDIG, bn. van vier pond. *...POOT, m. (-en), elk voorwerp dat vier pooten heeft. -JE, (B. -N), o. (-s), standaardje met vier pooten. *...POOTIG, bn. *...PUNTIG, bn. met vier punten. *...REGELIG, bn. van vier regels. *...SCHAAR, v. (...aren), regtbank; de - is gespannen, de regters zijn vergaderd. *...SCHIJN, m. (sterr.), (aangeduid door ). *...SCHOOTIG, bn. opgeschoten, rijzig. *...SNARIG, bn. *...SPAN, o. (-nen), rijtuig -, wagen met vier paarden. *...SPANNIG, bn. met vier paarden bespannen. *...SPLETIG, bn. (plant.) een - (liervormig) blad. *...SPRONG, m. (-en), kruisweg. *...STAAT, m. (...aten), gewest met vier steden. *...STEMMIG, bn. (muz.) voor vier stemmen geschreven; - lied, † quatuor, quartet. *...STREPIG, bn. *...TAL, o. (-len), vier stuks. -LIG, bn. (rek.) het - stelsel, (welks getalmerken niet verder dan tot 3 gaan). *...TANDIG, bn. met vier tanden. *...TEL, o. (-s), oude vochtmaat (= 7 1/2 ned. kan). *...TIJD, m. (-en), feesttijd; (ook) ledige tijd, vacantie. *...TIJDIG, bn. in alle vier jaargetijden zich vertoonende; (r.k.) -e vasten, quatertemper. *...VAKKIG, bn. met vier vakken of vakjes. *...VINGERIG, bn. *...VLEUGELIG, bn. *...VOET, m. (-en), wat of wie vier voeten heeft; te -, snel, in galop. -IG, bn. vier voeten hebbende; de -e dieren. *...VORST, m. (-en), ondergeschikt vorst over een vierde gedeelte eener provincie, † tetrarch. *...VORSTENDOM, o. (-men), gebied van eenen viervorst. *...VOUD, o. vier maal zoo veel. -, -IG, bn. viermaal. *...WEKELIJKSCH, bn. om de vier weken. *...WERF, bijw. vier malen. *...WIJVIG, bn. (plant.) met vier helmsteeltjes. *...ZIJDIG, bn. met vier zijden of kanten. *...ZUILIG, bn. *...ZINS, bijw. op vier wijzen.
| |
[Vies]
Vies, bn. en bijw. (...zer, -st), walgelijk; walging gevoelende; kiesch, keurig (inz. op het eten); zich - (al te keurig) houden; ik
| | | |
ben - (afkeerig) van hem; hij valt niet -, hij is niet zeer keurig. *-HEID, v. gmv. te groote keurig- of kieschheid; walgelijkheid. *-NEUS, m. en v. (...zen), die tegen alles den neus optrekt; die van alles vies is.
| |
[Viezevaas]
Viezevaas, v. (...azen), gril, kuur. *...VAZEN, ow. gel. (ik viezevaasde, heb geviezevaasd), grillen -, kuren hebben; van alles vies zijn, kieskaauwen.
| |
[† Vif]
† Vif, bn. (viver, vifst), levendig, geestig.
| |
[† Vigelante]
† Vigelante, v. (-n), kleine huurkoets, rolkoetsje.
| |
[† Vigilant]
† Vigilant, bn. en bijw. waakzaam; ijverig, vlijtig. *-IE, v. waakzaamheid; vlijt, ijver. *...LEREN, ow. gel. (ik vigileerde, heb gevigileerd), waakzaam zijn; op iets -, zich op iets bevlijtigen, oplettend iets nagaan.
| |
[† Vignet]
† Vignet, o. (-ten), druksieraad, titelprentje.
| |
[† Vigoroso]
† Vigoroso, bijw. (muz.) krachtig.
| |
[† Vigoureus]
† Vigoureus, bn. (...zer, -st), krachtig; (fig.) nadrukkelijk.
| |
[Vijand]
Vijand, m. (-en), het tegendeel van vriend; kwalijkgezinde, tegenstander; zij zijn -en, hunne vriendschap is gebroken; zij zijn gezworen -en, zij haten elkander vinnig; tegenstander in den oorlog; de - (het vijandelijke leger) nadert; (fig.) 's menschen -, de Satan, de Booze. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), als een -, van den vijand; de -e aanval. *-ELIJKHEID, v. (...heden), daad -, aanval eens vijands. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), haatdragend, met vijandschap bezield. *-SCHAP, v. gmv. gevoel van afkeer, - van haat.
| |
[Vijf]
Vijf, telw. een getal; half -, 4 1/2 ure, (tijd van den dag); wij zijn met ons vijven (vijf in getal). *-, v. het cijfer 5. *-ADERIG, bn. *-BLAD, o. soort plant. *-BLADIG, bn. met vijf baden. *-BLOEMIG, bn. *-DAAGSCH, bn. vijf dagen oud, - durende. *-DE, bn. (telwoord van orde); de - (dag der maand); Karel de - of V (van dien naam). -, o. (-n), vijfde deel van iets; (rek.) een -, 1/5. *-DEHALF, bn. vier en een half. *-DERHANDE, *-DERLEI, bn. van vijf verschillende soorten. *-DRAADSCH, bn. van vijf draden. *-DUBBEL, *-VOUD, -IG, bn. vijf maal. *-DUIZENDSTE, bn. en o. *-HOEK, m. (meetk.) figuur met vijf hoeken; (fig.) de citadel van Antwerpen. -IG, bn. met vijf hoeken. *-HONDERDSTE, bn. en o. *-HOOFDIG, bn. met vijf hoofden; eene -e regering, uit vijf leden bestaande, (als het Directoire van Frankrijk in 1794). *-JARIG, bn. vijf jaren oud, - durende. *-KANT, m. (-en), vijfhoek. *-KAPSELIG, bn. eene -e plant (met vijf hoedjes of zaadbuisjes). *-KLEURIG, bn. *-KORRELIG, bn. *-LEDIG, bn. *-LETTERGREPIG, bn. *-MAAL, bijw. *-MAANDIG, bn. vijf maanden oud, - durende. *-MAN, m. (-nen), lid eener vijfhoofdige regering, † pentarch; (ook) lid van een bestuur van vijf leden. -NIG, bn. eene -e plant, (met vijf hamertjes). *-PARIG, bn. -e plant. *-SNARIG, bn. *-SPLETIG, bn. -e plant. *-TANDIG, bn.
| |
[Vijftien]
Vijftien, telw. een getal. *-DAAGSCH, bn. vijftien dagen oud, - durende. *-DE, bn. telwoord van orde; de - eeuw, tijdvak van 1400 tot 1500. -, o. vijftiende deel, (1/15). *-DERHANDE, *-DERLEI, bn. van vijftien verschillende soorten. *-HOEK, m. (meetk.). -IG, bn. *-JARIG, bn. *-MAAL, bijw. *-MAANDIG, bn. *-TAL, o. (-len). -LIG, bn.
| | | |
| |
[Vijftig]
Vijftig, telw. een getal; wij zijn met ons -en (vijftig in getal). *-ER, m. (-s), die 50 jaar oud is; lid van een bestuur of eener vergadering uit 50 leden bestaande; iets dat 50 pond weegt. *-ERHANDE, *-ERLEI, bn. van 50 verschillende soorten. *-JARIG, bn. 50 jaren oud, alle 50 jaren terugkeerende; een - huwelijksfeest, eene gouden bruiloft. *-MAAL, bijw. *-STE, bn. *-TAL, o. (-len).
| |
[Vijfvakkig]
Vijfvakkig, bn. met vijf vakken. *...VINGERKRUID, o. zek. plant. *...VINGERVISCH, m. (...sschen), zek. visch. *...VLEUGELIG, bn. *...VOETIG, bn. *...VOUD, o. (-en). -IG, bn. en bijw. *...WERF, bijw. *...WIJVIG, bn. eene -e plant, (met vijf helmsteeltjes). *...ZIJDIG, bn. *...ZUILIG, bn.
| |
[Vijg]
Vijg, v. (-en), zek. zuidvrucht; (spr.) -en na Paschen, iets dat te laat komt; (fig.) paardevijg. *-APPEL, m. (-en), zek. appel.
| |
[Vijgebijter]
Vijgebijter, m. (-s), zek. vogel. *...BLAD, o. (-en), blad van den vijgeboom; (fig.) zich met -en dekken, nietige uitvlugten zoeken. *...BOOM, m. (-en), (fig.) onder den - rusten, in rust en welstand leven. -GAARD, m. (-en). *...BOON, v. (-en), zek. krachtgevende boon. *...KAAS, v. (...azen), kaas met vijgen er door. *...MAND, v. (-en). -JE, (B. -N), o. (-s). *...MAT, v. (-en), vijgemand. *...MELK, v. (-en), melk op vijgen getrokken. *...PEER, v. (...eren), soort peer. *...PUIST, v. (-en), soort uitwas of gezwel. *...SNIP, v. (-pen), soort vogel. *...TAK, m. (-ken). *...TUIN, m. (-en), vijgeboomgaard.
| |
[Vijl]
Vijl, v. (-en), zek. ijzeren of stalen plat werktuig met inkepingen (tot verdunnen, afschaven enz.). *-EN, bw. gel. (ik vijlde, heb gevijld), met de vijl werken; afvijlen, uitvijlen. *-ER, m. *-STER, v. (-s), die vijlt. *-ING, v. (-en), het vijlen. *-MAKER, m. (-s). *-SEL, o. (-s), het afgevijlde (van iets); ijzervijsel. *-VISCH, m. (...sschen), soort haai.
| |
[§ Vijsten]
§ Vijsten, ow. zie VEESTEN.
| |
[Vijt]
Vijt, v. (heelk.) zek. zweer (aan den vinger).
| |
[Vijver]
Vijver, m. (-s), omsloten water (inz. in tuinen); vischvijver. *...VISCH, m. (...sschen), vischbroedsel.
| |
[Vijzel]
Vijzel, m. (-s), koperen of ijzeren werktuig (om er iets in fijn te stampen); (soort) windas. *-EN, bw. gel. (ik vijzelde, heb gevijzeld), met eenen vijzel opwinden. *-HOOFD, o. (-en), schroef van den vijzel. *-STAMPER, m. (-s).
| |
[† Vilain]
† Vilain, bn. (-er, st), gemeen, snood.
| |
[Vilder]
Vilder, m. (B. *...LER), *...STER, v. (-s), die vilt.
| |
[Vilhout]
Vilhout, o. (-en), schippersboom. *...KUIL, m. (-en), kuil waarin de afgevilde huiden worden geworpen. *...LEN, bw. gel (ik vilde, heb gevild), afstroopen (de huid); (fig.) kerven; slecht voorsnijden. *...LING, v. (-en), het villen. *...MES, o. (-sen). *...PLAATS, v. (-en). *...LERIJ, v. (-en), het villen; (ook) plaats waar gevild wordt.
| |
[† Vilipendentie]
† Vilipendentie, v. gmv. verguizing. *...PENDEREN, bw. gel. (ik vilipendeerde, heb gevilipendeerd), verguizen.
| |
[† Villa]
† Villa, v. (...as), lust-, buitenplaats; lusthof.
| |
[Vilt]
Vilt, o. (-en), scheerwol (tot manshoeden). *-EN, bn. van vilt. *-FABRIEK, v. (-en). *-KRUID, o. (-en), soort plant. *-LUIS, v.
| | | |
(...zen), zeer vuil insekt. *-MAKER, m., *-MAAKSTER, v. (-s). *-MAKERIJ, v. (-en), het vilt maken; viltfabriek. *-MANTEL, m. (-s), met vilt gevoerde mantel. *-MUTS, v. (-en), vilten muts.
| |
[Vim]
Vim, v. (-men), honderdtal (van zek. waren); een - hout, honderd spaken brandhout.
| |
[Vin]
Vin, v. (-nen), zwemwiek van eenen visch; (fig.) de -nen verroeren, zich bewegen. *-, soort zweertje, bloedvin.
| |
[Vinden]
Vinden, bw. ong. (ik vond, heb gevonden), in handen krijgen, aantreffen -, ontmoeten wat of wien men zoekt; iem. te huis -, hem aantreffen; (fig.) oordeelen, meenen; verdichten, uitdenken; overeenkomen, een vergelijk treffen; het met iem. - (eens worden); achterhalen, zich wreken op; zich laten -, inschikkelijk zijn; zich ergens laten -, zorgen dat men ergens tegenwoordig is; (spr.) die zoekt die vindt, door vlijt en inspanning ontdekt men veel. *-, bevinden. *...ER, m., *...STER, v. (-s), die vindt; (ook) dichter, zanger; uitvinder; ziener. *...ING, v. (-en), het vinden; (fig.) ontdekking, uitvinding; dichterlijke geest. *...INGRIJK, bn. (-er, -st), vernuftig, geestig, vaardig (in het uitdenken van kunstjes). *...INGRIJKHEID, v. gmv. vernuft, geest, vaardigheid in het uitdenken.
| |
[† Vindicatie]
† Vindicatie, v. (...ën), (regt.) terugvordering; hereisch; - van eer. *...DICEREN, bw. gel. (ik vindiceerde, heb gevindiceerd), (regt.) terugvorderen, hereischen; straffen, wreken. *...DICTE, v. gmv. regtsvordering van den algemeen tegenover het individu.
| |
[Vinger]
Vinger, m. (-s, -en), een van geledingen voorzien deel der hand of van den voet; de kleine -, de pink; de groote -, (inz. aan den voet), duim; (fig.) de - Gods, blijk van Gods Almagt; de taal der -s, het zigtbaar spreken der doofstommen; de twee -s opsteken, (gebruikelijk bij het afleggen van eenen eed); (fig.) ik kan hem met een natten - beloopen, ik zie hem in mijne tegenwoordigheid, hij is aanwezig; iem. met de -s nawijzen, (die iets schandelijks heeft gedaan); (spr.) als men hem eenen - geeft neemt hij de geheele hand, door eene kleine gunst of vrijheid verstout hij zich tot hetgeen ongeoorloofd is; hij laat zich om eenen - winden, hij is zeer zachtaardig; iets door de -s zien, oogluikend toelaten; iets vergeven; iets uit den - zuigen, eene logen verzinnen; als met den - aanwijzen, zeer duidelijk voorstellen of bedoelen; iem. op de -s kloppen, hem berispen; lange -s hebben, diefachtig zijn. *-BREED, *-DIK, bn. zoo breed of dik als een vinger. *-EN, bw. gel. (ik vingerde, heb gevingerd), met de vingers aanraken, - behandelen. *-GREEP, m. (...epen), greep met de vingers; zooveel tusschen twee vingers kan gegrepen worden. *-GEWRICHT, o. (-en). *-GELEDINGEN, v. mv. *-HANDSCHOEN, m. (-en), handschoen met vingers. *-HOED, m. (-en), metalen werktuigje om onder het naaijen aan de naald kracht bij te zetten. *-HOEDSKRUID, o. gmv. zek. plant. *-LANG, bn. en bijw. zoo lang als een vinger; (spr.) lekker is een -, snoepen geeft geen voedsel; - is kort van duur. *-LID, o. (...eden). *-LIK, m. (-ken), wat men van den vinger aflikt (om te snoepen). *-LING, m. (-en), open vingerhoed; (zeew.) deel van het roer. *-PLUIM, v. zek. plant. *-RING,
| | | |
m. (-en), handring; (zeew.) ring aan het roer. *-SNEL, bn. vlug van vingers. -HEID, v. gmv. vlugheid der vingers. *-SPEL, o. (-en), soort kinderspel. *-SPIER, v. (-en), (ontl.). *-SPRAAK, of *-TAAL, v. gmv. kunsttaal der doofstommen, † dactyologie. *-STOK, m. (-ken), werktuig (om de vingers der handschoenen uit te zetten). *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine vinger. *-TOP, m. (-pen). *-VISCH, m. (...sschen), soort visch. *-VORMIG, bn.
| |
[Vink]
Vink, m. (-en), soort vogel. *-BAAN, v. (...anen), plaats -, ruimte waar vinken worden gevangen. *-EKOOI, v. (-jen, B. -en). *-EJAGT, v. (-en). *-EN, bw. gel. (ik vinkte, heb gevinkt), ter vinkejagt gaan. *-ENET, o. (-ten), net om vinken te vangen; (zeew.) enternet. *-ESLAG, m. (-en), werktuig om vinken te vangen; (ook) het slaan -, de zang van den vink. *-ETIJD, m. (-en), jaargetijde der vinken. *-EVALK, m. (-en), soort roofvogel. *-EVANGER, m. (-s). *-MEES, v. (...ezen), zek. vogel. *-OORDE, v. gmv. zek. plant.
| |
[Vinnig]
Vinnig, bn. en bijw. (-er, -st), scherp; dreigend; ruw, bits; hevig verbitterd. *-HEID, v. gmv. scherpte, hevigheid; ruw-, bitsheid; verbittering.
| |
[Vinvisch]
Vinvisch, m. (...sschen), soort walvisch.
| |
[† Viola di gamba]
† Viola di gamba, (muz.) soort snarenspeeltuig, knieviool.
| |
[† Viol]
† Viol, v. gmv. (regt.) vrouwenschending. *-ATIE, v. (...ën), schending, verkrachting.
| |
[Violenhout]
Violenhout, o. gmv. zek. hout.
| |
[† Violent]
† Violent, bn. en bijw. (-er, -st), geweldig, erg; gewelddadig. *-IE, v. (...ën), gewelddadigheid, hevigheid.
| |
[Violenstroop]
Violenstroop, v. gmv. soort medicijnstroop.
| |
[† Violeren]
† Violeren, bw. gel. (ik violeerde, heb gevioleerd), schenden, verkrachten.
| |
[Violet]
Violet, bn. paarsch; - (schaamrood) worden. *-BRUIN, *-ROOD, bn. paarschbruin, -rood.
| |
[Violier]
Violier, m. (-en), zek. struik. *-BLOEM, v. (-en). *-BOOM, m. (-en). *-PLANT, v. (-en).
| |
[† Violine]
† Violine, v. (-s), viool. *...LIST, m. en v. (-en), vioolspeler, -speelster. *...LONCEL, v. (-len), kleine basviool. -LIST, *...LONIST, m. (-en), bassist.
| |
[Viool]
Viool, v. (violen), zek. snarenspeeltuig; eene - besnaren (met snaren betrekken); (spr.) ik laat violen zorgen, ik bekommer mij niet om hetgeen er gebeurt. *-BLOK, o. (-ken), (zeew.) zek. houtwerk. *-SPELER, m. (-s). *-SPEELSTER, v. (-s). *-STUKKEN, o. mv. (zeew.) beplankingen. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine viool; (ook) zek. plantje.
| |
[† Virago]
† Virago, v. (-os), manwijf, forsch -, krachtig vrouwspersoon.
| |
[† Virginiteit]
† Virginiteit, v. gmv. maagdelijkheid.
| |
[† Viriel]
† Viriel, bn. (-er, -st), mannelijk, van den man; (muz.) diep van toon (van eene vrouwenstem). *...RILITEIT, v. gmv. manbaarheid, forschheid.
| |
[† Virtel]
† Virtel, o. zie VIERTEL.
| |
[† Virtuoos]
† Virtuoos, m. (...ozen), meester (in de kunst, inz. in de muziek), volleerde kunstenaar. *...TUOSE, v. (-n), meesteres in de
| | | |
kunst. *...TUOSITEIT, v. gmv. meesterlijkheid in de kunst, volleerdheid, vaardigheid.
| |
[† Visa]
† Visa, o. (-as), bekrachtiging, schriftelijke getuigenis van iets gezien te hebben.
| |
[† Vis-à-vis]
† Vis-à-vis, bijw. tegenover. *-, m. en v. die tegenover een ander zit; (muz.) dubbel piano.
| |
[† Viseerder]
† Viseerder, (B. *...SEERER), m. (-s), ijker, rooimeester; mikker; die passen enz. viseert, die er het visa op stelt. *...SEREN, bw. gel. (ik viseerde, heb geviseerd), nazien, bekrachtigen, het visa plaatsen (op eenen pas enz.); (fig.) doelen, streven naar.
| |
[Visch]
Visch, m. (visschen), diersoort uitsluitend in het water levende; (spr.) zoo gezond als een -, zeer gezond; de - wil zwemmen, bij een vischmaal behoort goede wijn; (ook) als men visch gegeten heeft wil men veel drinken; zoo stom als een -, steeds zwijgende, te dom om te spreken; boter bij den -, gereed geld, kontant; groote visschen eten de kleinen, de grooten verdrukken de geringen; hoe meer - hoe droever water, hoe meer volk hoe minder de bedeeling. *-AAS, o. gmv. lokspijs voor de visschen. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st). *-ANGEL, m. (-s). *-AREND, m. (-en), soort roofvogel. *-BAK, m. (-ken), bak waarin men visch haalt of doet. *-BANK, v. (-en), verkoopbank op eene vischmarkt. *-BEEN, o. (-deren), sterke graat; (ook) balein. *-BEN, v. (-nen), vischmand. *-BLAAS, v. (...azen). *-BOEK, o. (-en), beschrijving der visschen. *-BOER, m. (-en). *-BOOM, m. (-en), zek. west-indische boom. *-BOOT, v. (-en), boot waarmede men vischt. *-BUN, v. (-nen), vischkaar. *-DAG, m. (-en), dag waarop men vischt, - veel vangt; (ook r.k.) vastendag. *-DOBBER, m. (-s), kurkje aan een vischtuig. *-DOOP, m. gmv. vischsaus. *-EMMER, m. (-s). *-ETER, m., *-EETSTER, v. (-s), die alleen van visch leeft; een volk van -s, een vischetend volk, † ichtyophagen. *-FUIK, v. (-en), visschersgereedschap. *-GAL, v. gmv. *-GELD, o. (-en), belasting op den visch; (ook) koopprijs van visch. *-GIER, m. (-en), vogel die op visschen aast. *-GRAAT, v. (...aten). *-HAAK, m. (...aken), *-HOEK, m. (-en), angel waarmede men visch vangt. *-HANDEL, m. gmv. *-HANDELAAR, m., -STER, v. (-s), groothandelaar -, -ster in visch. *-HOUDER, m. (-s), vischbun. *-HUID, v. (-en). *-JAGER, m. (-s), schipper -, schuit die op de vischvangst uitgaat. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine visch; (spr.) een klein - een zoet -, men moet eene kleinigheid niet verwerpen; -spring in, wees welkom! *-KAAK, v. (...aken), bek van den visch. *-KAAR, v. (...aren). *-KAKER, m. (-s), die visch (b.v. haring) kaakt of in vaten zout. *-KAR, v. (-ren), kar dienstig tot het vervoer van visch. *-KETEL, m. (-s). *-KIEUWEN, v. gmv. soort ooren van den visch. *-KOKER, m., *-KOOKSTER, v. (-s). *-KOOPER, m., *-KOOPSTER, v. (-s). *-KOP, m. (-pen). *-KORF, m. (...ven). *-KUIP, v. (-en). *-KUIT, v. (-en). *-LEPEL, m. (-s). *-LEVER, v. (-s). *-LIJM, v. en o. gmv. soort lijm tot zuiveren geschikt (inz. van wijn). *-LOOD, o. (-en), lood bij hengelaars in gebruik. *-MAAL, o. (...alen). *-MAND, v. (-en). *-MARKT, v. (-en).
| | | |
*-MEID, v. (-en), bezorgster van visch. *-NET, o. (-ten). *-OOG, o. (-en). -STEEN, m. (heelk.). *-OOREN, o. mv. kieuwen van den visch. *-OTTER, m. (-s), gewone otter. *-PAKKER, m. (-s), inpakker van (gedroogden) visch. *-PEKEL, v. gmv. -AAR, (B. -er), m. (-s), die visch pekelt. *-POORT, v. (-en), poort in eenen stadswal waar de vischschuiten aankomen. *-PUT, m. (-ten). *-REEP, v. (-en), touw met vischhaken. *-REIGER, m. (-s), vogel die op visch aast. *-RIJK, bn. (-er, -st), eene -e rivier, waarin veel visch is. *-SCHOTEL, m. (-s). *-SCHROBBER, m. (-s). *-SCHUB, v. (-ben). *-SOEP, v. (-en). *-SPAAN, v. (...anen), lepel om visch uit te scheppen. *-STAART, m. (-en), staart van eenen visch; (zeew.) zek. houtwerk. § *-TEEF, v. (...even), vischwijf. *-TEELT, v. gmv. aankweeking van visch; kunstmatige -, piscicultuur. *-TOB, v. (-ben), -BE, v. (-n). *-TON, v. (-nen). *-TUIG, o. gereedschap voor het visschen. *-VANGST, v. gmv. het vischvangen, visscherij. *-VERKOOPER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-VIJVER, m. (-s), besloten waterkom (in eenen tuin enz.) met visch. *-VROUW, v. (-en), vrouw die visch verkoopt of uitvent. *-WANT, v. (-en), netten en tuig van eenen visscher. *-WATER, o. gmv. water waar visch in gekookt is of moet worden. -, (-s), (ook) uitgestrektheid water waar men vischt, - waar visch zich ophoudt. *-WEER, v. (...eren), ruimte door netten besloten. § *-WIJF, o. (...ven), gemeene vischvrouw; vischwijventaal, gemeene taal.
| |
[† Visibel]
† Visibel, bn. en bijw. zigtbaar, te zien; duidelijk; (fig.) ten bedde uit, gereed iem. te ontvangen. *...SIBILITEIT, v. gmv. zigtbaarheid. *...SIE, v. gmv. gezigt; inzage; ter -liggen, (van stukken, staten, bestekken enz.). -, (...ën), vizioen. *...SIONAIR, m. (-s), dievizioenen heeft; ziener, geestdrijver. *...SIER, VIZIER, m. (-en), eerste minister van eenen sultan, grootwaardigheidbekleeder. *...SITATIE, v. (...ën), onderzoek, bezoek; huiszoeking; (ook) betasting van eenen persoon (bij het zoeken naar smokkelgoederen). *...SITE, v. (-s), bezoek; doctors-, bezoek van eenen geneesheer; (fig.) zeer kort bezoek. -KAARTJE, (B. -N), o. (-s), naamkaartje dat afgegeven wordt als men iem. wil bezoeken dien men niet te huis vindt. *...SITEBOEKJE, o. (-s), boekje waarin men visitekaartjes bergt. *...SITEREN, bw. gel. (ik visiteerde, heb gevisiteerd), bezoeken; onderzoeken. *...SITEUR, m. (-s), bezoeker; (inz.) onderzoeker, beambte bij een kantoor van in- en uitgaande regten, - aan de grenzen; vreemdeling die eene vrijmetselaarsloge bezoekt.
| |
[Visorium]
Visorium, o. (-s), zek. letterzettersgereedschap.
| |
[Visschen]
Visschen, m. mv. naam van een der teekens van den dierenriem, (aangeduid door ). *-, bw. gel. (ik vischte, heb gevischt, met een net of eenen hengel visch vangen of trachten te vangen; (in het dominospel) steenen opnemen om te kunnen bijzetten; (fig.) uitvorschen; naar iets -, eenig voorwerp in het water opzoeken; (ook fig.) trachten achter een geheim te komen; (spr.) in troebel water is goed -, waar verwarring heerscht doet de oneerlijke man zijn voordeel; achter het net -, te laat komen; met een zilveren hengel -, door geld zijn doel bereiken; voor eens visschers deur -, vergeefsche moeite doen; elk vischt op zijn getij, ieder zoekt op zijne wijze voor- | | | | uit
te komen. *-, o. visscherij, vischvangst. *-BROEDSEL, o. (-s), jonge vischjes tot aankweeking.
| |
[Visscher]
Visscher, m., VISCHSTER, (w.g.), v. (-s), die vischt; die zijn bedrijf maakt van visschen en van visch verkoopen; (zeew.) mastgat, zek. balk. *-IJ, v. (-en), het visschen, vischvangst; de groote -, de haringvangst.
| |
[Visschersboot]
Visschersboot, v. (-en). *...HUT, v. (-ten). *...PINK, v. (-en), vaartuig voor de zeevischvangst (inz. te Scheveningen). *...SCHUIT, v. (-en). *...VROUW, v. (-en).
| |
[Vissing]
Vissing, v. (-en), (zeew.) mastgat.
| |
[† Vista]
† Vista, v. gmv. (kooph.) zigt; een wissel à - (op zigt); (muz.) à prima -, van het blad af (spelen, zingen), zonder voorbereiding.
| |
[† Visum repertum]
† Visum repertum, o. verslag van (lijk)schouwing.
| |
[† Vita]
† Vita, leven; attestatie de -, bewijs -, akte van leven; (spr.) - brevis, ars longa, het leven is kort, de kunst lang. *-AL, bn. tot het leven behoorende; (fig.) dit is eene vitale (levens)kwestie. *-LITEIT, v. gmv. levenskracht; vatbaarheid voor het leven.
| |
[Vitlust]
Vitlust, m. gmv. zucht tot vitten, - tot berispen.
| |
[† Vitreus]
† Vitreus, bn. glasachtig.
| |
[† Vitrificeren]
† Vitrificeren, bw. gel. verglazen, doen verglazen.
| |
[Vitriool]
Vitriool, o. gmv. metaalroest, -zout. *-ACHTIG, bn. *-ERTS, m. en o. (-en). *-GEEST, m. gmv. *-OLIE, v. (...ën). *-STEEN, m. (-en). *-WATER, o. gmv. *-ZUUR, o. (...uren), (scheik.).
| |
[Vitten]
Vitten, bw. gel. (ik vitte, heb gevit), laken, berispen. *...TER, m., *...STER, v. (-s), die vit, - laakt, - berispt; betweter, betweetster. *...TERIJ, *...ZUCHT, v. vitlust.
| |
[† Vitupereren]
† Vitupereren, bw. gel. vitten.
| |
[† Vitusdans]
† Vitusdans, m. zie ST.-VEITDANS.
| |
[† Vivarium]
† Vivarium, o. (...ia), glazen behouder ter bewaring van dieren.
| |
[† Vivat!]
† Vivat! bw. hij -, zij leve; io -, (oudt.) aanhef van eene hymne aan Jupiter; (thans) aanhef van de meeste studentenliederen. *...VACITEIT, v. gmv. levendigheid, vlugheid. *...VIFICATIE, v. levendmaking. *...VRES, v. mv. levensmiddelen, mondbehoefte.
| |
[Vizier]
Vizier, o. (-en), helmmasker, -klep; mikijzer; (ontl.) oog, gezigtsvermogen. *-, zie VISIER.
| |
[Vla]
Vla, *-DE, v. (-n), zek toespijs, dessertspijs (van eijeren, melk, kaneel enz.).
| |
[Vlaag]
Vlaag, v. (vlagen), bui, valwind; (fig.) opwelling, aanval (van toorn, ijlhoofdigheid, barensweën enz.); bij vlagen, bij tusschenpoozen.
| |
[Vlaak]
Vlaak, v. (vlaken), losse houten vloer; horde.
| |
[Vlaamsch]
Vlaamsch, bn. van Vlaanderen. *-, o. de vlaamsche taal.
| |
[† Vladika]
† Vladika, m. (-as), titel van den vorst der Montenegrijnen.
| |
[Vlag]
Vlag, v. (-gen), vaandel, vaan; (dicht.) dundoek; de witte -, vlag ten teeken van overgave; (oudt.) fransche koninklijke vlag; de roode -, bloedvlag, vlag ten teeken van oorlog, - van voortzetting des gevechts; admiraal van de blaauwe -, admiraal welks schip eene blaauwe seinvlag voert; de - onderhalen (nederhalen); (fig.) voor iem. bukken; (fig.) welke - voert hij? onder welke - vaart hij?
| | | |
tot welke partij behoort hij? (ook) door wien wordt hij beschermd? met - en wimpel, volkomen overwinnend, onbelemmerd; de - dekt de lading, in oorlogstijd wordt de onzijdige vlag der schepen geëerbiedigd; de - voeren, de baas zijn; de groote - (het hoogste woord) voeren; -gen en geen schip, veel geschreeuw en weinig wol; dat staat - als eene - op eene modderschuit, die opschik komt niet met de rest overeen. *-, (fig.) de zeemagt (eener natie).
| |
[Vlaggedoek]
Vlaggedoek, o. gmv. doek tot vlaggen gebruikelijk. *...HEK, o. (-ken), (zeew.). *...HOOGTE, *...LENGTE, v. gmv. (zeew.). *...JONGEN, m. (-s), scheepsjongen op een oorlogschip. *...KAART, v. (-en), kaart waarop de vlaggen van alle natiën zijn afgebeeld. *...KAPITEIN, m. (-s), kapitein die op het admiraalschip het bevel heeft. *...KIST, (-en), kist ter bewaring van de vlaggen. *...LIJN, v. (-en), lijn waarmede de vlag geheschen wordt. *...MAN, (...lieden), aanvoerder, gezagvoerder; (fig.) leider.
| |
[Vlaggen]
Vlaggen, ow. gel. (ik vlagde, heb gevlagd), een of meer vlaggen uithangen (tot viering van een feest enz.).
| |
[Vlaggespil]
Vlaggespil, v. (-len). *...STOK, m. (-ken). *...SCHIP, of VLAGSCHIP, o. (...epen), schip dat de admiraalsvlag voert. *...STOEL, m. (zeew.). *...STROPJES, (B. ...ENS), o. mv. (zeew.) *...TOUW, o. (-en). *...VAL, m. (-len), (zeew.).
| |
[Vlagjonker of Vlaggejonker]
Vlagjonker of VLAGGEJONKER, m. (-s), vaandrig; (zeew.) kadet, adelborst. *...VOERDER, m. (-s), admiraalschip; (ook) de admiraal zelf; (fig.) voorste, eerste, leider.
| |
[Vlak]
Vlak, bn. en bijw. (-ker, -st), effen, glad, zonder diepte, juist, regt; de -ke (platte) hand; een - (onbebouwd) terrein; de -ke (opene) zee; de wind is (pal) noord; - maken, evenen; - (plat) leggen. *-, o. (-ken), platte effenheid (b.v. der hand); (dicht.) het - der baren, de oppervlakte der zee. -, (zeew.) buik -, deining van een schip, de scheepsbodem. *-, v. vlek.
| |
[Vlaken]
Vlaken, bw. gel. (ik vlaakte, heb gevlaakt), wol kloppen (op een matten vloer).
| |
[Vlakgang]
Vlakgang, m. (-en), (zeew.) boeiplank. *...HEID, v. (...eden), effenheid, vlak.
| |
[Vlakken]
Vlakken, bw. gel. (ik vlakte, heb gevlakt), evenen, effen maken; vlekken. *...PAPIER, o. gmv. vloeipapier. *...KRUID, o. gmv. vlekkenkruid.
| |
[Vlakte]
Vlakte, v. (-n), uitgestrektheid, plat land, effen grond; vallei; (ook) vlakke zijde (van iets). *-MAAT, v. (...aten), maat in het vierkant (lengte met breedte vermenigvuldigd). *-METER, m. (-s), werktuig om de vlakten te meten; (ook) iem. die het land meet. *-METING, v. het vlaktemeten.
| |
[Vlakverheven]
Vlakverheven, o. halfverheven. *...WEGERS, m. mv. (zeew.). zek. houtwerk. *...ZIEKTE, v. (-n), huiduitslag met koorts.
| |
[Vlam]
Vlam, v. (-men), brandende rook; (fig.) de -men van de hel, het vreeselijke der verdoemenis; alles in vuur en - zetten, eene sterke spanning veroorzaken. *-, (fig.) hoogrood; de -men slaan hem uit (van angst). *-, ader, kronkeling (in marmer enz.). *-BLOEM, v. (-en).
| |
[Vlaming]
Vlaming, m. en v. (-en), inboorling van Vlaanderen.
| | | |
| |
[Vlamkleur]
Vlamkleur, v. (-en), vuurkleur. *-IG, bn. vuurrood.
| |
[Vlammen]
Vlammen, bw. ow. gel. (ik vlamde, heb of ben gevlamd), vlammen maken, - teekenen, - schilderen; aderen; vlam geven, vlammen opwerpen; (fig.) zeer gesteld zijn (op iets). *-D, bn. opvlammend, flikkerend. *...METJE, (B. -N), o. (-s), kleine vlam; brandend zwavelstokje (om eene kaars of pijp op te steken). *...MIG, bn. (-er, -st), vlammend; met vlammen; rood -, met roode vlekken.
| |
[Vlamschilder]
Vlamschilder, m. (-s), brandschilder, † émailleur. *-ING, v. (-en), brandschildering; † email. *...STEEK, m. (...eken), soort naaisteek. *...VERF, v. (...wen), brandverf, -kleur. *...VERWIG, bn. brandkleurig, scharlaken. *...VORMIG, bn. als eene vlam.
| |
[Vlas]
Vlas, o. gmv. zek. dradig gewas waarvan men linnen maakt. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als vlas. *-AKKER, m. (-s), veld waarop vlas groeit. *-BAARD, m. (-en), eerste -, vroegste baard, melkbaard; (fig.) jonge knaap, lafbek. *-BLAD, o. (-eren). *-BLOEM, v. (-en). *-BOOM, m. (-en). *-BRAAK, v. gmv. zek. werktuig; (ook) gebroken vlas. *-BREKER, m. (-s). *-DOTTER, m. (-s), zek. olieplant. *-DRAAD, m. (...aden). *-HAAR, o. (...aren), (fig.) eerste kinhaar; blond haar. *...HAMER, m. (-s), vlasbraak. *-HANDEL, m. gmv. *-HEKEL, m. (-s), zek. werktuig. *-HEKELAAR, m., -STER, v. (-s). *-HOUT, o. (-en). *-KAM, m. (-men). *-KAMMER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-KLEUR, v. gmv. *-KLEURIG, bn. *-KRUID, o. (-en), zek. plant. *-LAND, o. (-en). *-LINNEN, o. (-s). *-MARKT, v. (-en). *-ROKKEN, o. (-s). *-SEN, bn. van vlas. -, ow. gel. (ik vlaste, heb gevlast), als -, tot vlas worden; (fig.) op iets -, op iets belust zijn, naar iets streven, op iets loeren. *-SIG, bn. (-er, -st), vlasachtig. *-STENG, v. (-en). *-STOPPEL, m. (-s). *-VELD, o. (-en). *-WEB, o. (-ben). *-WINKEL, m. (-s). *-ZAAD, o. (...aden).
| |
[Vlecht]
Vlecht, v. (-en), lok, gevlochten haarlok; trens, mat; (ontl.) vlechtvormig bloedvat. *-EN, bw. ong. (ik vlocht, heb gevlochten), kruiselings over elkander slaan. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die vlecht. *-ING, v. (-en), het vlechten; het gevlochtene. *-JE, (B. -N), o. (-s). *-RIJS, o. (...zen), dun hout, takjes (om te vlechten). *-SNOER, o. (-en). *-WERK, o. (-en), mande-, haarwerk; mat.
| |
[Vledermuis, Vleêrmuis]
Vledermuis, Vleêrmuis, v. (...zen), zek. afzigtelijke vogel die slechts in de schemering vliegt. *-JE, (B. -N), o. (-s).
| |
[Vleesch]
Vleesch, o. gmv. (alle vaste) bestanddeelen van dieren en vruchten; versch (ongezouten) -; het - (eetbare) der vrucht; (heelk.) wild (kwaad) -. *-, (fig.) de mensch; alle - is - (is sterfelijk); (spr.) hij is - noch visch, hij is een nietig mensch; (bijb.) den weg alles -es gaan, sterven; in den -e, in den bloede; het gaat hem naar den -e, hij is wel af, zijne zaken gaan goed. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als vleesch, vleezig. *-ADER, v. (-en). *-BAL, m. (-len), -LETJE, (B. -N), o. (-s), gehak, fricadel. *-BANK, v. (-en), uitstalbank van eenen vleeschhouwer (inz. in de vleeschhal). *-BLOK, o. (-ken), blok dienende om er vleesch op te hakken. *-BREUK, v. (-en), (heelk.). *-DAG, m. (-en), (r.k.), dag waarop het nuttigen van vleesch vergund is. *-DARM, m. (-en), (ontl.). *-ELIJK,
| | | |
bn. en bijw. in vleesch, naar den vleesche; -e gemeenschap, verboden omgang (van man en vrouw); -e (dierlijke) lust. -, in den bloede bestaande; mijn -e (volle) broeder. -HEID, v. gmv. ligchamelijkheid, tastbaarheid; (fig.) vleeschelijke lust. *-ETEND, bn. *-GEZWEL, o. (-len), (gen.). *-HAAK, m. (...aken), haak om er een geslagt beest aan te hangen. *-HAL, v. (-len), overdekte vleeschmarkt. *-HEUVEL, m. (-s), (ontl.). *-HOUWER, m. (-s), beestenslagter en vleeschverkooper. -IJ, v. (-en), het vleeschhouwen; (ook) plaats waar vleesch verkocht wordt. *-HUID, v. (-en), (gen.). *-HUIS, o. (...zen), vleesch-houwerswinkel. *-IJZER, o. (-s), zek. slagers- en leêrlooijersgereedschap. *-KAMER, v. (-s), kamer waar (geslagt) vleesch bewaard wordt. *-KANT, m. (-en), zijde waar het vleesch is (in tegenst. van het vette of de spekzijde). *-KETEL, m. (-s), groote kookketel. *-KEUR, v. (-en), voorschriften betreffende het toezigt over de vleeschhouwerijen. *-KLEUR, v. gmv. -IG, bn. *-KLOMP, m. (-en). *-KUIP, v. (-en). *-MAAL, o. (...alen), maal uit vleeschgeregten bestaande. *-MADE, v. (-n), soort worm. *-MAKEND, bn. (heelk.), den groei van het vleesch bevorderende. *-MARKT, v. (-en). *-NAT, o. gmv. (kookk.) † bouillon, aftreksel van de kracht uit het vleesch. *-NAVELBREUK, v. (-en), (heelk.). *-NETBREUK, v. (-en), (heelk.). *-OFFER, o. (-s), dieren-, menschenoffer (bij de ouden). *-PASTEI, v. (-jen, B. -en), -TJE, (B. -N), o. (-s), soort gebak. *-PIN, v. (-nen), hout in het vleesch gestoken om het bijeen te houden. *-POT, m. (-ten), pot tot het koken van vleeschspijzen; (bijb.) de - van Egypte, de betere spijzen van Egypte (in tegenst. van die der woestijn.) *-SOEP, v. (-en). *-TAART, v. (-en), -JE, (B. -N), o. (-s), soort gebak. *-TIJD, m. (-en), (r.k.) tijd wanneer het veroorloofd is vleesch te eten. *-TON, v. (-nen), vleeschkuip. *-VATEN, o. mv. (ontl.). *-VLIES, o. (...zen), (ontl.). *-VORK, v. (-en), groote keukenvork. *-VORMIG, bn. *-VRETEND, bn. vleeschetend. *-WONDE, v. (-n). *-WORDING, v. gmv. (godg.) menschwording (van Christus). *-WORST, v. (-en). *-ZETTING, v. (-en), wettelijke prijsbepaling van het vleesch.
| |
[Vleet]
Vleet, v. (-en), zek. visch; soort vischnet; (zeew.) mast- en tuigwerk; de haringnetten als zij in zee liggen; kleine schuit. *-, v. (B.m.) een net vol; menigte; bij de -, in overvloed.
| |
[Vleezig]
Vleezig, bn. (-er, -st), van vleesch voorzien; gezet; de -e deelen, (des ligchaams, eener vrucht). *-HEID, v. gmv. het vleezige.
| |
[Vlegel]
Vlegel, m. (-s), lange stok met een anderen korten stok aan het einde bevestigd; werktuig om koren te dorschen; (fig.) lomperd, boerenkinkel. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), lomp, dom, onbeleefd. *-KAP, v. (-pen). *-SLAG, m. (-en). *-STEEL, m. (...elen). *-STOK, m. (-ken).
| |
[Vleijen]
Vleijen, (B. VLEIEN), bw. gel. (ik vleide, heb gevleid), zaken zeggen die een ander aangenaam doch overdreven of ook onwaar zijn, flikflooijen, naar den mond praten; iem eene schoone verwachting geven; iem. (of iets) schooner maken of schilderen dan men (of het) is. ZICH -, ww. zich zelven hoop geven op iets; hij vleit zich (voedt de hoop) dat dit gebeure. *-D, bn. en bijw. (-er, -st), streelend, behagelijk (van woorden, beloften enz.). *...JER, m., *...STER,
| | | |
v. (-s), die vleit; kind dat streelt. *...JERIJ, v. (-en), al wat vleit of streelt. *...TAAL, v. gmv. vleijende woorden. *...ZUCHT, v. gmv. begeerte om iem. naar den mond te praten.
| |
[Vlek]
Vlek, v. (-ken), verzameling van huizen in straten afgedeeld, doch kleiner dan eene stad; plattelandsgemeente; vlak, smet (door slijk, vet enz.); vuile plek (op kleederen); (fig.) smet (op iem. naam enz.). *-BAL, *-KENBAL, m. (-len), bal om vlekken uit te wisschen. *-KELOOS, bn. zonder vlek of smet. -HEID, v. gmv. zuiverheid, reinheid.
| |
[Vlekken]
Vlekken, bw. ow. gel. (ik vlekte, heb gevlekt), vlekken maken, bevlekken; bezoedelen; vlekken krijgen. *-KOORTS, v. (-en), scharlakenkoorts. *-KRUID, o. (-en), zek. plant. *-PAPIER, o. (-en), schuurpapier. *-WATER, o. (-en), water tot uitwissching van vlekken, eau-de-Javelle. *...KIG, bn. (-er, -st), met vlekken.
| |
[Vlerk]
Vlerk, v. (-en), vleugel; (zeew.) deel van het scheepswant; (fig.) § arm. *-EN, bw. gel. (ik vlerkte, heb gevlerkt), de boegplanken over elk. slaan.
| |
[Vlet]
Vlet, v. (-ten), *-SCHUIT, v. (-en), platboomd vaartuig, soort praam. *-TEN, bw. gel. (ik vlette, heb gevlet), plat leggen, evenen (turf). *-TER, m., *-STER, v. (-s), turvenlegger, -legster.
| |
[Vleug]
Vleug, v. (-en), vlam.
| |
[Vleugel]
Vleugel, m. (-s, -en), deel van het ligchaam eens vogels dat hem tot vliegen dient, vlerk; de -s korten, kortwieken. *-, deel (regts of links) van een gebouw, - van een leger; - van eene vloot; zijstuk (van een net enz.); windwijzer; (fig.) bescherming; iemand onder zijne -en (hoede) nemen. *-ADJUDANT, m. (-en), officier. *-DEKSEL, o. (-s), deel van het ligchaam van zek. dieren. *-EN, bw. gel. (ik vleugelde, heb gevleugeld), knevelen. *-HOOFDJES, (B. ...NS), o. mv. (zeew.). *-HOREN, m. (-s). *-IG, bn. met vleugels. *-INSEKT, o. (-en), vliegend insekt. *-LOOS, bn. zonder vleugels. *-MAN, m. (-nen), flankeur. *-SPIL, v. (-len), (zeew.). *-STOEL, m. (-en), (zeew.). *-TJE, (B. -N), o. (-s). *-VORMIG, bn. (ontl.). *...ZAAD, o. (...aden).
| | | |