|
|
|
| |
Z.
| |
[Z]
Z, v. 26e letter van het alfabet; als rom. getalmerk beteekent Z 2000; Z., zuid; Z.D., Zijne Doorluchtigheid; Z.D.H., Zijne Doorluchtige Hoogheid; Z.E., of ZEd., Zijne Edelheid, (ook) Zijn Eerwaarde; Z. Em., Zijne Eminentie; Z. Exc., Zijne Excellentie; Z.H. Zijne Hoogheid; (ook) Zijne Heiligheid; Z.H.E.G., Zijn Hoog Edel Gestrenge; Z.K.H. Zijne Koninklijke (of Keizerlijke) Hoogheid; Z.K.K.H., Zijne Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid; Z.K.M., Zijne Keizerlijke (of Koninklijke) Majesteit; Z.K.K.M., Zijne Keizerlijke en Koninklijke Majesteit; Z.M., Zijne Majesteit; z.i., zijns inziens; Z.O., zuid-oost; Z.W. zuid-west.
| |
[Zaad]
Zaad, o. (zaden), plantvoortbrengsel waaruit als het gezaaid is een dergelijke plant voortkomt; teelvocht van menschen en dieren; (fig.) geslacht, stam, nakomelingschap; (fig.) grondbeginsel, kiem, oorsprong; op zwart - komen of zitten, bekrompen moeten leven. *-ADER, v. (-s, -en), (ontl.). *-ADERBREUK, v. (-en), (heelk.). *-ARTSENIJ, v. (-en). *-BAK, m. (-ken). *-BAKJE, (B. -N), o. (-s), voederbakje in eene vogelkooi. *-BAL, m. (-len), (ontl.) teelbal. *-BEDEKSEL, o. (-s), (plant.). *-BEURSJE, (B. -N), o. (-s), (plant.). *-BLAASJE, (B. -N), o. (-s). *-BOLSTER, m. (-s), (plant.). *-BREUK, v. (-en), (heelk.). *-BUIS, v. (...zen), (plant.). *-DEEL, o. mv. (ontl.). *-DORSCHER, m. (-s), (landb.). *-FEEST, o. (-en), zek. landbouwfeest bij de oude Romeinen. *-HANDEL, m. gmv. handel in granen en zaden. *-HANDELAAR, m. (-s). *-HOUT, o. (-en), (zeew.) tegenkiel, kolsem. *-HUISJE, (B. -N), o. (-s), (plant. en ontl.). *-KELK, m. (-en). *-KNOP, m. (-pen). *-KOOL, v. (...olen). *-KOOPER, m. (-s). *-KOOPSTER, v. (-s). *-KORREL, m. (-s). *-KRAAM, v. (...amen). *-LEIDER, m. (-s), (ontl.). *-LINGSHENNEP, m. mannelijke hennep. *-LOB, v. (-ben). *-LOOP, m. gmv. (ontl.) het vloeijen van het teelvocht. *-OOGST, m. gmv. *-PAREL, v. (-s). *-PEUL, v. (-en). *-PLUIMPJE, (B. -N), o. (-s). *-SCHIETING, v. het uitschieten van het zaad (van planten en gewassen); het schieten van het teelvocht. *-STOF, o. gmv. (plant.). *-TON, v. (-nen). *-VATEN, o. mv. (ontl.). *-VLIES, o. (...zen), (plant.). *-VLOEIJING, (B. ...ING), v. (-en). *-WINKEL, m. (-s). *-ZAAIJER, (B. ...IER), m. (-s). *-ZAK, m. (-ken). *-ZOLDER, m. (-s), bergplaats voor zaden.
| |
[Zaag]
Zaag, v. (B.m. en v.) (zagen), platte strook ijzer aan de eene
| | | |
zijde getand en dienende om houten of steenen voorwerpen zuiver te verdeelen. *-BEK, m. (-ken), zek. vogel. *-BLAD, o. (-en), deel eener zaag. *-BOK, m. (-ken), toestel waarop eene zaag bij het gebruik rust. *-HOUT, o. gmv. hout dat gezaagd moet worden. *-KRUID, o. gmv. zek. plant. *-LOON, m. en o. (-en), geld dat voor het zagen betaald wordt. *-MEEL, o. gmv. zaagsel, afval van gezaagd hout. *-MOLEN, m. (-s), molen waar hout gezaagd wordt. *-MOLENAAR, m. (-s), eigenaar van eenen zaagmolen. *-RAAM, o. (...amen), toestel eener zaag. *-SEL, o. gmv. afval van hout onder het zagen. *-SWIJZE, bijw. in den vorm eener zaag, als eene zaag. *-TAND, m. (-en), een der punten van eene zaag. *-VIJL, v. (-en), zek. gereedschap. *-VISCH, m. (...sschen), zek. visch. *-VLIEG v. (-en), zek. insekt. *-VORMIG, bn.
| |
[Zaaibaar]
Zaaibaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), gezaaid kunnende worden, te zaaijen. *...BLOEM, v. (-en). *...BOON, v. (-en), boon die gezaaid wordt. *...JEN, (B. ...IEN), bw. gel. (ik zaaide, heb gezaaid), zaad in den grond strooijen; (fig.) verspreiden; tweedragt - (stoken); (fig.) het geld is dun bij hem gezaaid, hij is niet bemiddeld. *...JER, (B. ...ER), m. (-s), die zaait; (ook) soort aardappel. *...JING, v. het zaaijen. *...KOREN, o. gmv. *...KORF, m. (...ven). *...LAND, o. (-en), grond geschikt om bezaaid te worden. *...LING, m. (-en), soort vlas of hennep. *...MAAND, v. (-en), maand waarin gezaaid wordt. *...MAND, v. (-en), mand waaruit gezaaid wordt. *...PLANT, v. (-en). *...PLOEG, m. (-en), (landb.) zek. gereedschap. *...SEL, o. gmv. wat gezaaid is. *...TIJD, m. gmv. tijd wanneer gezaaid wordt. *...VELD, o. (-en), zaailand. *...WEDER, o. gmv. weder gunstig om te zaaijen. *...ZAAD, o. (...aden). *...ZAK, m. (-ken).
| |
[Zaak]
Zaak, v. (zaken), iets (ligchamelijks of denkbeeldigs) dat bestaat, ding, voorwerp; onderwerp, punt van behandeling; daad, bedrijf; proces, regtsgeding; de zaken, handelsbedrijf; (ook) omstandigheden; zijne zaken staan slecht, hij verkeert in eenen ongunstigen toestand; het is - dat..., het behoort, het is nuttig of noodig dat...; nu ter zake, thans gaan wij tot ons eigenlijk onderwerp over; ter zake van, wegens, om, ter oorzake van; het zijn uwe zaken niet, het betreft u niet, gij behoeft er u niet mede te bemoeijen. *-BEZORGER, m. (-s), die zaken voor iem. waarneemt of behandelt. *-GELASTIGDE, m. (-n), gevolmagtigde, die in last heeft voor of namens iem. te handelen of iets te verrigten. *-VERSLAG, o. (-en), proces-verbaal. *-VOERDER, m. (-s), zaakbezorger, agent. -SCHAP, o. agentschap. *-WAARNEMER, m. (-s), die voor een ander zaken verrigt.
| |
[Zaal]
Zaal, v. (zalen), groot vertrek, prachtvertrek (in aanzielijke huizen). *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine zaal.
| |
[Zaâl]
Zaâl, m. (zâlen), zadel. (Zie dit woord).
| |
[Zaan]
Zaan, v. gmv. dikke -, geronnen melk.
| |
[Zabberaar]
Zabberaar, m., *-STER, v. (-s), kwijlbaard, die speeksel uit zijnen (haren) mond laat loopen. *...DOEK, m. (-en), slabbedoek, slabbetje. *...EN, ow. gel. (ik zabberde, heb gezabberd), kwijlen. *...ING, v. het kwijlen.
| | | |
| |
[Zacht]
Zacht, bn. en bijw. (-er, -st), niet hard, week, teeder, mollig, buigzaam; aangenaam, liefelijk (van geluid); niet luid (van stem); niet ruw of guur (van het weder); wollig (van laken); niet grof, niet barsch (in den omgang); een - (half gekookt) ei; - st (of op zijn -st) genomen, de zaak van de gunstigste zijde beschouwd. *-, tw. -! - wat! niet zoo hard; niet zoo schielijk, bedaard aan! *-AARDIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. zacht van aard, - van inborst. *-AARDIGHEID, v. gmv. *-BLAD, o. gmv. zek. plant. *-ELIJK, bijw. met zachtheid. *-HEID, v. gmv. het zachte, weekheid; zachte behandeling; (fig.) geduld. *-JES, (B. *-JENS), bijw. op zachte wijze; - aan, niet wild, bedaard. *-MOEDIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. zachtaardig. *-MOEDIGHEID, v. gmv. *-ZINNIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. bedaard; niet wild; vriendelijk. *-ZINNIGHEID, v. gmv.
| |
[Zadel]
Zadel, m. (-s), zetel (van leder enz.) op den rug eens paards; iem. uit den - ligten, hem van het paard werpen; (ook fig.) hem onderkruipen; (fig.) iem. weder in den - zetten, iemands zaken die verward zijn weder in orde brengen. *-BEEN, o. (-deren), (ontl.). *-BOOG, m. (...ogen), voorste deel van eenen zadel. *-BOOM, m. (-en), deel van eenen zadel. *-EN, bw. gel. (ik zadelde, heb gezadeld), eenen zadel opleggen (aan een paard, eenen ezel enz.). *-KAMER, v. (-s), bewaarplaats voor zadels en paardentuig. *-KLEED, o. (-en), doek waarmede een zadel bedekt wordt. *-KNOP, m. (-pen), voorste punt van eenen zadel. *-KUSSEN, o. (-s), kussen op den zadel gelegd. *-LEEN, o. (-en), (eert.) mannelijk leen. *-MAKER, m. (-s), vervaardiger van zadels en paardentuig, - ook van ander lederwerk. -IJ, v. gmv. het zadelmaken. -, (-en), werkplaaats van den zadelmaker. *-PAARD, o. (-en), rijpaard; paard van den disselboom. *-RIEM, m. (-en), riem waarmede de zadel op het paard is vastgehecht, buik-gordriem. *-RUG, m. (-gen), rug (eens paards) waarop een zadel ligt. *-TASCH, v. (...sschen), lederen zak die aan den zadel hangt. *-TUIG, o. de zadel met al wat er toe behoort.
| |
[† Zagaai]
† Zagaai, v. (-jen, B. -en), werpspies der negers.
| |
[Zagen]
Zagen, bw. gel. (ik zaagde, heb gezaagd), met eene zaag doorsnijden, - verdeelen; (fig.) slecht op de viool spelen, krassen. *...GER, m. (-s), die zaagt; vioolkrasser. -SBOK, m. (-ken), zek. werktuig.
| |
[Zak]
Zak, m. (-ken), tasch (van katoen, leder, papier of andere stof vervaardigd) dienende om er iets in te bergen of te vervoeren; deel van een kleedingstuk bestemd om er voorwerpen in te bewaren; gat in eene biljarttafel waarin de ballen vallen; (ontl.) deel van het ligchaam waarin de teelballen zich bevinden; mud, zek. inhoudsmaat (= 30 schepels); § iem. den - geven, hem ontslaan, wegzenden, niets meer van hem willen weten; den - krijgen, zijn afscheid bekomen, weggestuurd worden; (fig.) met pak en - vertrekken, voor goed heengaan en alles medenemen; zijne -ken vullen, zich verrijken; ik heb hem in mijnen -, ik ken hem door en door, ik ben achter zijne listen en streken gekomen; (ook) ik doe met hem wat ik wil; steek dat in uwen -, dat is voor u, neem aan (inz. van eene
| | | |
bijtende toespeling); kat in den - koopen, bedrogen worden bij het koopen van iets; kat in den -, soort zacht linnen, voeringkatoen; past op uwe -ken, zorgt dat gij niet bestolen wordt; wie den - houdt is zoo erg als hij die hem vult, de heler is zoo goed als de steler; in - en asch, in diepe droefheid. *-BAND, m. (-en), touw of koord waarmede een zak vastzit of digtgehaald wordt. *-BIJBELTJE, (B. -N), o. (-s), bijbel in klein formaat (geschikt om in den zak te worden gedragen). *-BOEKJE, (B. -N), o. (-s), aanteekenboekje. *-BORSTELTJE, (B. -N), o. (-s), kleine borstel die in den zak wordt gedragen. *-BREUK, v. (-en), (heelk.). *-DOEK, m. (-en), neusdoek, doek om den neus er in te snuiten.
| |
[Zakelijk]
Zakelijk, bn. en bijw. (-er, -st), wezenlijk; belangrijk, gewigtig; feitelijk; juist (van stijl); de -e (hoofd)inhoud van een boek. *-HEID, v. gmv. het wezenlijke, noodige; juistheid van stijl.
| |
[Zakformaat]
Zakformaat, o. klein formaat (van boeken enz.), geschikt om in den zak gedragen te worden. *...GAT, o. (-en), opening van den zak. *...GELD, o. gmv. geld ter voorziening in kleine dagelijksche uitgaven. *...GEZWEL, o. (-len), (heelk.). *...HOROLOGIE, o. (...ën), uurwerk dat men in den zak draagt.
| |
[Zakje]
Zakje, (B. *-N), o. (-s), kleine zak (in alle bet.); (apoth.) popje (vastgebonden stukje stof) met specerijen of kruiden. *-SBLOEM, m. zek. plant.
| |
[Zakkedrager]
Zakkedrager, m. (-s), lastdrager, kruijer, sjouwerman.
| |
[Zakken]
Zakken, bw. gel. (ik zakte, heb gezakt), in zakken doen, in zijnen zak steken. *-, ow. dalen, nederwaarts gaan, - vallen, - komen; lager worden, vallen (van water enz.); verminderen, dalen (in prijs); zinken; (fig.) het hoofd laten -, ontmoedigd worden, denmoed verliezen; hij liet hem -, hij bekommerde zich niet meer om hem. *-ROLLER, m. (-s), beurzensnijder, gaauwdief, behendige dief (die de zakken van anderen ledigt). -IJ, v. het plegen van zulke diefstallen.
| |
[Zakkertje]
Zakkertje, (B. *-N, o. (-s), glaasje, sterke drank (na iets genuttigd te hebben).
| |
[Zakkijker]
Zakkijker, m. (-s), draagbaar kijkglas, tooneelkijker.
| |
[Zakking]
Zakking, v. het zakken (in alle bet.).
| |
[Zakknoopje]
Zakknoopje, (B. *-N), o. (-s), knoopje waarmede een (broek-) zak wordt digtgemaakt. *...KUIL, m. (-en), bodem van eenen zak. *...LINNEN, o. gmv. grof linnen waarvan zakken gemaakt worden. *...MES, o. (-sen), mes geschikt om in den zak te dragen. *...NET, o. (-ten), soort net om patrijzen te vangen. *...PIJP, v. (-en), zek. blaasspeeltuig. *...PIJPER, m. (-s), die op de zakpijp speelt. *...PISTOOL, v. (...olen), kleine pistool. *...PUT, m. (-ten), zinkput. *...SPIEGEL, m. (-s). spiegeltje dat men in den zak draagt. *...UURWERK, o. (-en), zakhorologie. *...VIOOL, v. (...olen), viooltje (der dansmeesters).*...VOL, m. gmv. zoo veel in eenen zak kan, een gevulde zak.
| |
[Zalf]
Zalf, v. (zalven), soort smeersel tot uitwendig geneesmiddel dienende; (spr.) er is geene - aan hem te strijken hij is niet te verbeteren; (fig.) dat is een -je voor hem, dat zal hem doen; een -je op de wond, troostmiddel. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als zalf.
| | | |
*-ACHTIGHEID, v. gmv. *-BUS, v. (-sen), *-DOOS, v. (...zen), bus of doos waarin zalf wordt bewaard. *-OLIE, v. (r.k.) heilige olie. *-KRUIKJE, (B. -N), o. (-s), kruikje waarin zalf was (ten gebruike eertijds bij de krooning der fransche koningen). *...PLEISTER, v. (-s). *-POT, m. (-ten). *-WINKEL, m. (-s).
| |
[Zalig]
Zalig, bn. en bijw. (-er, -st), hoogst gelukkig, de zaligheid genietende (hier namaals); (r.k.) - spreken, heilig verklaren, canoniseren; (fig.) - worden, gered worden; een - (aangenaam) gevoel, genot; (fig.) hij is mooi - (dronken); mijn vader -er, wijlen mijn vader; -er gedachtenis, (van afgestorvenen sprekende). *-EN, bw. gel. (ik zaligde, heb gezaligd), hoogst gelukkig maken. *-HEID, v. (...heden), staat van het hoogste geluk; aangenaamheid; hoogste tevredenheid, - genot. *-LIJK, bijw. op eene zalige wijze; met -, in zaligheid. *-MAKEND, bn. de zaligheid verschaffende, heilzaam; (fig.) de alleen -e kerk, de roomsch-katholieke kerk. *-MAKER, m. (-s), Heiland, verlosser der wereld, Jezus Christus. *-MAKING, v. gmv. verlossing. *-SPREKING, v. gmv. heiligverklaring.
| |
[Zaling]
Zaling, v. (-s), (zeew.) dwarshout aan den masttop.
| |
[Zalm]
Zalm, m. (-en), zek. visch; (fig.) het neusje van den -, het beste of fijnste van iets; het uitstekendste van zijne soort. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als zalm; naar zalm smakende, op zalm gelijkende. *-BOER, m. (-en), zalmverkooper. *-FOREL, v. (-len), zek. visch. *-GRAAT, v. (...aten). *-KOP, m. (-pen). *-NET, o. (-ten), net voor de zalmvangst. *-PJE, (B. -N), o. (-s), kleine zalm. *-ROOKER, m. (-s), die zalm rookt. -IJ, v. (-en), plaats waar zalm gerookt wordt. *-SCHUIT, v. (-en). *-VANGST, *-VISSCHERIJ, v. *-VISSCHER, m. (-s).
| |
[Zaluw]
Zaluw, *-ACHTIG, bn. (-er, -st), geelachtig, tanig, morsig, taankleurig.
| |
[Zalven]
Zalven, bw. gel. (ik zalfde, heb gezalfd), met zalf bestrijken; met zalfolie overgieten (b.v. de kruin van eenen vorst bij zijne krooning); wijden, heiligen. *...VING, v. het zalven; wijding; (r.k.) de laatste -, het heilige oliesel (aan stervenden); (fig.) stichting (door eene godsdienstplegtigheid, leerrede enz.); godsvrucht.
| |
[† Zambo]
† Zambo, m. (-os), kind eens negers en eener indiaansche vrouw.
| |
[Zamelaar]
Zamelaar, m. (-s), *-STER, v. (-s), die verzamelt, - die bijeen-brengt, - vergaart. *...EN, bw. gel. (ik zamelde, heb gezameld), bijeenbrengen, vergaderen. *...ING, v. gmv. het verzamelen. -, (-en), hoeveelheid, hoop. *...PLAATS, v. (-en), plaats van bijeenkomst.
| |
[Zamen]
Zamen, (B. SAMEN), bijw. bij -, met elkander, bijeen, te gader, vereenigd; tegelijk; gezamenlijk, eenstemmig; te -, met elkander. *-AARDEN, (B. *-AARTEN, ow. gel.1) met elk. overeenkomen, overeenstemmen. *-BINDEN, bw. ong. bij elkander -, bijeenbinden; vereenigen (metalen), amalgameren. *-BINDING, v. (-en). *-BRENGEN, bw. onr. bijeenbrengen. *-BRENGING, v. *-BUIGEN, bw. ong.
| | | |
buigende bij of tot elk. brengen. *-BUIGING, v. (-en). *-DOEN, bw. ow. onr. bij elk. doen, vereenigen; zamensmelten; in vereeniging met iem. doen (handelen enz.). *-DRAAIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. draaijende vereenigen, ineendraaijen. *-DRAAIJING, v. (-en), *-DRAGEN, bw. ong. bijeendragen. *-DRIJVEN, bw. ow. gel. drijvende bijeenbrengen, - bijeenkomen. *-DRUKKEN, bw. gel. op elk. drukken, door drukken aan elk. vastmaken. *-DRUKKING, v. (-en). *-DUWEN, bw. gel. duwende bijeenbrengen. *-GAAN, bw. onr. met een of meer menschen tegelijk gaan; in overeenstemming handelen; overeenkomen. *-GESTELD, bn. niet enkelvoudig, uit verscheidene deelen bestaande; verward, niet helder. *-GESTELDHEID, v. *-GEZWORENE, m. (-n), die deel neemt aan eene zamenzwering. *-GIETEN, bw. ong. door middel van gieten vereenigen. *-GIETING, v. (-en). *-HALEN, bw. gel. bijeenhalen. *-HALING, v. *-HANDEL, m. gmv. gemeenschappelijke handel, handelsvereeniging. *-HANG, m. gmv. onderling verband, aaneenschakeling; zamenklevende kracht (der metalen enz.); (fig.) zonder -, ongeregeld, van den hak op den tak. *-HANGEN, ow. ong. verbonden zijn aan, vereenigd zijn met, in verband staan tot; onderling verbonden zijn. *-HECHTEN, bw. gel. hechtende bijeenbrengen, bijeenvoegen. *-HECHTING, v. (-en). *-HOOPEN, bw. gel. ophoopen, opstapelen. *-HOOPING, v. (-en). *-KETENEN, bw. gel. door middel van ketenen aan elk. verbinden. *-KETENING, v. *-KLANK, m. gmv. overeenstemming. *-KLEVEN, ow. gel. klevende vastzitten. *-KLEVING, v. *-KNOOPEN, bw. gel. knoopende aan elk. hechten. *-KNOOPING, v. (-en). *-KOMEN, bw. ow. bij elk. -, bijeenkomen, vergaderen; elk. ontmoeten. *-KOMST, v. (-en), het zamenkomen; bijeenkomst, onderhoud; ontmoeting; (sterr.) schijnbare ontmoeting van twee dwaalsterren in hetzelfde teeken (aangeduid door het teeken ). *-KOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. (boekdr.) de vormen ineenslaan; § (fig.) bij elk. slapen. *-KOPPELAAR, m., -STER, v. (-s), die twee personen enz. tot elk. brengen, huwelijksmakelaar. *-KOPPELEN, bw. gel. aan elk. verbinden. *-KOPPELING, v. (-en). *-KOUTEN, ow. gel. met elk. praten, in gesprek zijn. *-KOUTING, v. (-en), gesprek, praatje. *-LEGGEN, bw. gel. en onr. bij elk. leggen; vouwen (de handen). *-LEGGING, v. (-en). *-LEVEN, ow. gel. met elk. leven, te zamen wonen. *-LEVING, v. gmv. het zamenleven; burgermaatschappij; woordenboek der -, conversations-lexicon. *-LIGGEN, ow. ong. bij elk. liggen, - gelegen zijn. *-LIGGING, v. *-LIJMEN, bw. gel. door middel van lijm vasthechten. *-LIJMING, v. *-LOOP, m. gmv. het bij elk. loopen het ineenloopen; toevloed van menschen; plaats waar voorwerpen zamenloopen; vereeniging; door eenen - van omstandigheden, door omstandigheden die allen te zamen hebben ten gevolge gehad dat... *-LOOPEN, ow. ong. met elk. loopen; ineen-, bijeenloopen; stremmen, stollen (van vruchten); (fig.) medewerken tot, mede oorzaak zijn van. *-MENGEN, bw. gel. mengende bij elk. brengen. *-MENGING, v. *-MENGSEL, o. (-s). *-NAAIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. naaijende verbinden. *-PAKKEN, bw. gel. bij elk. pakken. *-, ow. gel. ophoopen (van wolken). *-PAKKING, v. (-en). *-PAREN,
| | | |
bw. gel. twee voorwerpen vereenigen. *-PARING, v. (-en). *-PERSEN, bw. gel. *-PERSING, v. *-PLAKKEN, bw. gel. met stijfsel (of lijm enz.) aan elk. hechten. *-RAAPSEL, o. wat van verschillende kanten bijeengebragt is; mengelmoes. *-RAPEN, bw. gel. van verschillende kanten bijeenbrengen. *-RAPING, v. *-RIJGEN, bw. ong. rijgende vasthechten. *-RIJMEN, ow. gel. denzelfden eindklank hebben (van twee of meer woorden); (fig.) overeenkomen. *-RIJMING, v. *-ROEPEN, bw. gel. bijeenroepen; beleggen, beschrijven (eene vergadering). *-ROEPING, v. *-ROEREN, bw. gel. roerende bij elk. brengen. *-ROLLEN, bw. gel. in eene rol -, tot rollen maken, oprollen. *-ROLLING, v. *-ROTTEN, ow. gel. oproerig bijeenscholen; troepsgewijze zich vereenigen. *-ROTTING, v. (-en). *-RUKKEN, ow. gel. bijeenkomen, zich vereenigen. *-SCHAKELEN, bw. gel. *-SCHAKELING, v. *-SCHIKKEN, bw. gel. *-SCHIKKING, v. *-SCHOLEN, ow. gel. troepsgewijze bijeenkomen (van menschen, ook van vischen). *-SCHOLING, v. (-en). *-SLAAN, bw. onr. slaande of klopende vereenigen, - aan elk. hechten. *-SLUITEN, bw. ow. ong. sluitende vasthechten; toevallen, digtgaan: overeenkomen. *-SMELTEN, bw. ow. ong. *-SMELTING, v. (-en). *-SPANNEN, bw. gel. bijeenspannen. -, ow. zich met anderen verbinden tot een zeker doel; een komplot maken. *-SPANNING, v. (-en). *-SPELDEN, bw. gel. door middel van spelden vasthechten, - aan elk. verbinden. *-SPRAAK, v. (...aken), tweespraak, gesprek -, onderhoud tusschen twee personen. *-SPREKEN, bw. ong. een gesprek voeren, in gesprek zijn. *-SPREKING, v. (-en), het zamenspreken, overleg. *-STEL, o. gmv. wat zamengesteld wordt of is; inrigting, bouw; wijze van vervaardiging; stelsel. *-STELLEN, bw. gel. vervaardigen, maken; opstellen, schrijven. *-STELLER, m. (-s), die zamenstelt. *-STELLING, v. (-en), het zamenstellen; het zamengestelde. *-STEMMEN, bw. gel. overeenstemmen, het eens zijn. -D, bn. welluidend, harmonisch. *-STEMMING, v. (-en), *-STOOTEN, bw. gel. stootende fijn maken. -, ow. tegen elk. stooten. *-STREMMEN, ow. gel. stollen. *-STREMMING, v. *-STRENGELEN, bw. gel. *-STRENGELING, v. (-en). *-STRIJD, m. wedstrijd, verdediging, naijver. *-TREKKEN, bw. ow. onp. trekkende zamenvoegen, - zamengevoegd worden; bijeentrekken, zich bijeentrekken; verdikken (van dampen). *-TREKKING, v. (-en). *-VLECHTEN, bw. ong. *-VLECHTING, v. (-en). *-VLECHTSEL, o. (-s), wat zamengevlochten is. *-VLOED, m. te-zamen-vloeijing. *-VLOEIJEN, (B. ...IEN), ow. gel. bijeen vloeijen, vloeijende zich vereenigen. *-VLOEIJING, v. (-en). *-VOEGEN, bw. gel. bijeenvoegen, vereenigen, paren, verbinden. *-VOEGING, v. (-en), vereeniging. *-VOEGSEL, o. (-s), wat zamengevoegd is. *-VOUWEN, bw. gel. *-VOUWING, v. *-WASSEN, ow. ong. groeijende vereenigd worden. *-WEEFSEL, o. (-s), wat te zamen geweven is; (fig.) een - van logens, misdaden enz., reeks logens, misdaden enz. die met elk. in verband staan. *-WERKEN, bw. gel. met elk. werken, gemeenschappelijk arbeiden; in overleg handelen; medewerken (tot of aan iets). *-WERKING, v. *-WEVEN, bw. gel. ondereen -, bij elk. weven, wevende
| | | |
bijeenvoegen. *-WEVING, v. *-WINDEN, bw. ong. te zamen tot een kluwen winden. *-WONEN, bw. gel. bij elk. wonen, te zamen ééne woning in gebruik hebben; zamen leven. *-WONING, v. gemeenschappelijke woning; het zamenwonen. *-WRIJVEN, bw. ong, *-WRIJVING, v. (-en). *-WRINGEN, bw. ong. *-ZETTEN, bw. gel. *-ZETTING, v. *-ZETSEL, o. (-s), wat zamengezet is. *-ZWEERDER, m., ...STER, v. (-s), die deel neemt aan eene zamenzwering. *-ZWEREN, ow. ong. een komplot smeden, zich tot het verrigten van iets (kwaads) met anderen verbinden. *-ZWERING, v. (-en), komplot, verbond tot het verrigten van iets kwaads.
| |
[Zand]
Zand, o. gmv. zek. ligte fijne geelachtige aarde met schulpen enz. vermengd; (fig.) op - bouwen, ijdele plannen maken, op onzekeren grondslag te werk gaan; iem. - in de oogen werpen, hem bedriegen, foppen, misleiden, verblinden; als droog - aaneenhangen, zonder zamenhang zijn, geen geregelde volgorde hebben (van een verhaal, eene redevoering enz.); in het - liggen, dood zijn. *-, (-en), zandachtige plaats of plek, (inz.) zandplaat in de zee. *-AAL, m. (...alen), soort aal of paling; (ook) zandkleurige slang. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als zand; met zand bedekt; door zand bedorven. *-BAAI, v. (-jen, B. -en), verzande baai. *-BAD, o. (-en), soort bad als geneesmiddel. *-BAK, m. (-ken), -JE, (B. -N), o. (-s), voorwerp waarin zand bewaard of met zeker doel gedaan wordt. *-BANK, v. (-en), rotsachtige verhevenheid onder de oppervlakte der zee, ondiepte. *-BERG, m. (-en), duin. *-BESTORTING, v. (-en), het storten van zand over eene oppervlakte (inz. bij dijk- of havenwerken). *-BOER, m. (-en), zandverkooper. *-BUSJE, *-DOOSJE, (B. -N), o. (-s). *-DUIN, v. (-en), verhevenheid van zand op het strand. *-EN, bw. gel. (ik zandde, heb gezand), met zand bedekken, - bestrooijen. *-ERIG, bn. zandachtig. *-GLAS, o. (...zen), zandlooper, (tijdwijzer). *-GOED, o. gmv. soort inlandsche tabak, tabaksbladeren die het digtst bij den grond gegroeid zijn. *-GRAVER, m. (-s), die zand verzamelt om het te verkoopen. *-GROEF, v. (...ven), plek onder den grond waaruit zand gehaald wordt. *-GROND, m. (-en), zanderige bodem; (fig.) op eenen - bouwen, op losse grondslagen bouwen, zijne hoop op bedriegelijken grond vestigen. *-HAAS, m. (...azen), soort witte haas. *-HALER, m. (-s), zandverkooper. *-HEUVEL, m. (-s), hooge verhevenheid van zand boven de oppervlakte. *-HOK, o. (-ken), bewaarplaats voor zand. *-HOOP, m. (-en), verzameling van zand. *-IG, bn. (-er, -st), zandachtig, zanderig. *-IGHEID, v. gmv. eigenschap van iets dat als zand uitziet enz. *-KAR, v. (-ren), voertuig tot het vervoer van zand. *-KIST, v. (-en). *-KLOOT, m. (-en), zek. venerisch gezwel aan de teelballen. *-KOKER, m. (-s), voorwerp met gaatjes voorzien waaruit het daarin gedane zand wordt gestrooid (tot drooging van schrift enz.). *-KORREL, v. (-s). *-KUIL, m. (-en). *-KRAAI, v. (-jen, B. -en), zek. vogel. *-LAADJE, (B. -N), o. (-s), lade eener schrijftafel waarin zund is. *-LEPELTJE, (B. -N), o. (-s), lepeltje waarmede wen het zand op pas beschreven papier strooit. *-LOOPER, m. (-s), zek.
| | | |
werktuig als tijdwijzer dienende. *-MAN, m. (-nen), zandverkooper. *-MUMIE, *-MUMMIE, v. (...ën). *-OEVER, m. (-s), met zand bedekte oever. *-PAD, o. (-en), weg -, pad met zand belegd. *-PLAAT, v. (...aten), zandbank, schor, drooge plaat in zee. *-PLAATS, v. (-en), (glasb.) plaats waar het gewasschen zand gelegd wordt. *-PONT, v. (-en), zandschuit. *-RAAP, v. (...apen), raap die op eenen zandgrond groeit. *-REGEN, m. het neêrvallen van eene groote hoeveelheid zand. *-RUITER, m. (-s), iem. die van zijn paard in het zand valt. *-SCHIPPER, m. (-s), die zand in eene schuit vervoert. *-SCHUIT, v. (-en), schuit tot vervoer van zand. *-STEEN, m. (-en), soort kiezelsteen. *-STREEK, v. (...eken), zandachtige uitgestrektheid land. -, *-STROOK, m. (-en), (zeew.) breede gang in de sponning van de kiel van den voor- naar den achtersteven. *-VLAKTE, v. (-n), bodem met zand bedekt. *-WEG, m. (-en), weg met zand bedekt; (fig.) zijn karretje rijdt op eenen -, het gaat hem naar zijnen zin. *-WOESTIJN, v. (-en). *-WOL, v. gmv. *-WOLK, v. (-en), wolk van drijfzand. *-ZEE, v. (-ën), drijfzand in zee. *-ZAK, m. (-ken), zak waarin zand bewaard of vervoerd wordt; (fig.) log en zwaar mensch.
| |
[Zang]
Zang, m. het zingen; gezang; gekweel (der vogelen); (fig.) het is koekoek de oude (of één) -, altijd wordt hetzelfde onderwerp behandeld, van één ding gesproken. *-, (-en), zangstuk; lied; afdeeling van een dichtstuk. *-BERG, m. gmv. (fab.) verblijf van Apollo met de muzen, Helikon, Parnassus; (fig.) den - beklimmen, de dichtkunst beoefenen. *-BOEK, o. (-en), liederenboek; boek dienstig bij het zangonderwijs; (ook) kerkboek. *-BORD, o. (-en), bord waarop de zangnoten aangegeven zijn, werktuig bij het zangonderwijs. *-DRIFT v. gmv. buitensporige liefde voor den zang. *-ER, m. (-s), *-ERES, v. (-sen), die zingt; lid van een zanggezelschap, lid van een koor, korist; (fig.) dichter. *-ERSFEEST, o. (-en). *-ERIG, bn. (-er, -st), gezongen kunnende worden; den zang -, het zingen beminnende; aangenaam van geluid, zoo zoet als zang (inz. van vogelen). *-GEZELSCHAP, o. (-pen), voreeniging van zangers, - van personen die de zangkunst beoefenen. *-GOD, m. (fab.) Apollo. *-GODIN, v. (-nen), muze. *-GODINNENDOM, o. muzenkoor. *-KOOR, o. (...oren), vereeniging van zangers die tegelijk zingen (in eene kerk, op het tooneel enz.). *-KUNDE, *-KUNST, v. gmv. kunst van zingen naar de regelen der toonkunst. *-KUNSTENAAR, m. (-s), ...ARES, v. (-sen), zanger -, zangeres van beroep. *-LES, v. (-sen), tijd tot het zangonderwijs bestemd. *-LUST, m. gmv. liefde tot den zang, opgewektheid tot zingen; (fig.) dichtlust. *-MAAT, v. gmv. *-MEESTER, m., -ES, v. (-sen), die onderwijs geeft in den zang. *-MUZIEK, v. muziek behoorende bij een zangstuk. *-NIMF, v. (-en), (fab.) muze. *-NOOT, v. (...oten), muzieknoot. *-ONDERWIJS, o. gmv. *-ONDERWIJZER, m. (-s). -ES, v. (-sen). *-SCHOOL, v. (...olen), school waar onderwijs in den zang wordt gegeven. *-SLEUTEL, m. (-s), grondtoon voor den zang. *-SPEL, o. (-en), (toon.) opera, tooneelstuk dat geheel of gedeeltelijk door zangers en zangeressen wordt gespeeld.
| | | |
*-STEM, v. (-men), stem geschikt tot zingen. *-STER, v. zangeres. *-STUK, o. (ken), lied, gezang. *-SWIJZE, bijw. als gezang; (fig.) muze der dichtkunst. *-TOON, m. (-en). *-VERMOGEN, o. gmv. *-VOGEL, m. (-s), vogel die zingt. *-WEDSTRIJD, m. het voordragen van zangstukken door twee of meer personen of gezelschappen ten einde te zien wie de voorkeur verdient. *-WIJZE, v. (-n), wijze van zingen; maat, toon, melodie, air. *-ZOET, bn. zangerig.
| |
[Zark]
Zark, v. (-en), groote vierkante steen (voor stoepen enz.); grafsteen.
| |
[Zat]
Zat, bn. en bijw. (-ter, -st), genoeg, verzadigd, met gevulde maag; dronken, vol; in overvloed; (fig.) afkeerig van; des levens - zijn, niet langer willen leven. *-HEID, v. gmv. verzadiging; dronkenschap.
| |
[Zathe]
Zathe, v. (-n), hoeve, landgoed, buitenplaats.
| |
[Zaturdag]
Zaturdag, (B. SATURDAG), m. de laagste dag der week; des -s, op Zaturdag. *-, tw. drommels! *-AVOND, m. *-MIDDAG, m. *-MORGEN, m. *-SCH, bn. van den Zaturdag, tot den Zaturdag behoorende, op Zaturdag geschiedende.
| |
[Zavel]
Zavel, o. gmv. grof zand. *-AARDE, v. pouzzolanaarde. *-ACHTIG, bn. als zavel. *-BOOM, m. (-en), (plant.) zevenboom. *-GROND, m. (-en), aardachtige grond. *-KUIL, m. (-en), zandkuil.
| |
[Ze]
Ze, vnw. zij, hen, haar.
| |
[† Zebaoth]
† Zebaoth, Eeuwige -, God der hemelsche heirscharen.
| |
[Zebra]
Zebra, m. (-as), wilde ezel, kaapsche ezel.
| |
[† Zechine, Zequine]
† Zechine, Zequine, v. (-n), turksche-, italiaansche gouden munt.
| |
[Zede]
Zede, v. (-n), wijze, manier, gewoonte, gebruik; de zeden, mv. gewoonten, gebruiken; goede zeden, de zedelijkheid. *-BEDERF, o. gmv. verbastering der (goede) zeden. *-BEDERVER, m. (-s). *-DEUGDEN, v. mv. *-KUNDE, *-LEER, v. gmv. leer der zeden. *-KUNDIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. tot de zeden -, tot de zedelijkheid behoorende. *-KUNDIGE, m. (-n), *-LEERAAR, m. (-s), die onderrigt geeft in de zedekunde, die goede zeden leert en verkondigt; † moralist. *-LES, v. (-sen), heilzame les, vermaning, verklaring van den zin eener fabel, † moraal; zedelijke opmerking. *-LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), overeenkomstig met de goede zeden, deugdzaam, braaf. *-LIJKHEID, v. gmv. *-LOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), zonder (goede) zeden, slecht, onfatsoenlijk, losbandig (van gedrag); ontuchtig, de ontucht bevorderende. *-LOOSHEID, v. gmv. *-MEESTER, m. (-s), die de zedelijkheid bevordert; (cert., rom. gesch.) censor. *-PREDIKER, m. (-s). *-RIJK, bn. (-er, -st), goede zeden hebbende en beoefenende. *-SPREUK, v. (-en), spreuk die eene zedeles of vermaning in zich bevat. *-VOOGD, m. (-en), (eert., rom. gesch.) censor. *-WET, v. (-ten), wet regelende de zeden, wet ter beteugeling van uitspatting.
| |
[Zedig]
Zedig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. ingetogen, bescheiden; stemmig (van kleeding). *-HEID, v. gmv. bescheidenheid.
| |
[Zee]
Zee, v. gmv. uitgestrektheid zout water die al de deelen der aarde bespoelt; het water der zee. *-, (-ën), elk afzonderlijk gedeelte der zee dat door eene bijzondere benaming onderscheiden is (b.v. de
| | | |
Middellandsche -, de Gele -, enz.). *-, golf, baar. *-, (fig.) overvloed. *-, hooge -, lage -, hoog -, laag water; wassende, opkomende -, (gedurende den vloed); afloopende -, (gedurende de eb); in - loopen, - kiezen, uitzeilen; de - oversteken, eene zeereis volbrengen; op - brengen, uit de haven of van de reede de volle zee doen inzeilen (eene vloot); de - houden, in zee blijven; zware -, hoogstaande golven; er gaat veel -, er is een sterke stroom; de - breekt, de golven storten kort neder, - breken boven het boord; slechte -, kalme -, effene zee; staande -, zee met weinig eb en vloed; daar staat -, de zee is onstuimig; de ruime - kiezen, zich in volle zee begeven; - en lucht zijn aan elkander, het is boos weêr; - winnen, zeewaarts inzeilen; in - duiken, uit - rijzen, ondergaan, opgaan (van de zon); ter - varen, zeeman zijn, zeereizen doen. *-, (fig.) regt door -, zonder omwegen; met iem. te diep in - gaan, zich te veel met iem. inlaten; eene - van rampen, eene menigte rampen; een - van geld, overvloed van geld; het is koel op -, het gaat er stil toe; water in - dragen, iets geven aan iem. die er reeds ruim van voorzien is, iets verrigten waaraan geen behoefte is; in - gaan, eene onderneming wagen; de - is zonder water, rijke lieden klagen alsof zij gebrek hebben; wat zal de - al opwerpen? wat zal er al voor den dag komen? *-AAL, m. (...alen), soort aal. *-ADDER, v. (-s), soort slang. *-AGAAT, *-BERIL, m. zek. steensoort. *-AJUIN, m. zek. plant. *-ALSEM, m. zek. plant. *-ANJELIER, m. (-s), zek. bloem. -APPEL, m. (-s), soort polyp. *-AREND, m. (-en), soort roofvogel. *-ARM, m. (-en), gedeelte der zee dat de eilanden omvat. *-ATLAS, m. (-sen), *-BOEK, o. (-en), verzameling van zeekaarten. *-BAAK, v. (...aken), teeken tot aanwijzing van het vaarwater in zee. *-BAAR, v. (...aren), groote golf. *-BAARS, m. (...zen), zek. visch. *-BAD, o. (-en), bad in zee. *-BAL, m. (-len), zek. polyp. *-BANK, v. (-en), zandbank, klip. *-BARBEEL, m. (-en), zek. visch. *-BEDDING, v. (-en), zandrug door de zee op het strand geworpen. *-BEER, m. (-en), havenmuur ter beveiliging tegen den golfslag; (ook) zek. dier. *-BEROERING, v. (-en), beweging der zee ten gevolge eener aardbeving. *-BESCHRIJVING, v. *-BEURS, v. (...zen), soort roofvogel. *-BEWIND, o. admiraliteit, raad van bestuur betreffende zeezaken. *-BIES, o. gmv. soort gewas. *-BLAAS, v. (...azen), soort worm op het water. *-BLOEM, v. (-en), zek. plant. *-BOEZEM, m. (-s), *-BOGT, (B. *-BOCHT), v. (-en), golf, bogt der zee landwaarts inloopende. *-BONK, m. (-en), geoefend zeeman, matroos die lang gevaren heeft. *-BRAK, o. gmv. zeewater aan de kust. *-BRAND, m. gmv. branding der zee. *-BRASEM, m. (-s), soort visch. *-BRIEF, m. (...ven), zeepas, paspoort van regeringswege aan de koopvaardijschippers afgegeven. *-BURG, m. (-en), vesting -, kasteel aan zee. *-COMMISSARIS, m. (-sen), ambtenaar voor de zeezaken. *-DADEN, v. mv. heldendaden ter zee. *-DAGEN, m. mv. dagen op reis (buiten het verblijf in de havens of op de reede). *-DAMP, m. (-en), damp die uit zee opstijgt en zich over het land verspreidt. *-DIENST, v. gmv. dienst
| | | |
bij het zeewezen. *-DIER, o. (-en), in de zee levend dier. *-DIJK, m. (-en), dijk tegen de zee opgeworpen. *-DORP, o. (-en), dorp digt bij de zee gelegen. *-DRAAK, m. (...aken), soort dier. *-DRAAKJE, (B. -N), o. (-s), zek. oost-indische visch. *-DRIFT, v. strandvond, aangespoelde voorwerpen uit zee. *-DRUIF, v. (...ven), soort plant. *-DUIVEL, m. (-s), soort gehoornde visch; (fig.) schip. *-DUIZENDBEEN, o. (-en), soort zeeworm. *-EEND, v. (-en), zek. vogel. *-EENHOORN, *-EENHOREN, m. (-s), zek. dier. *-EGEL, m. (-s), zek. dier. *-EIKEL, m. (-s), soort gewas. *-ENGEL, m. (-en), zek. visch. *-ENGTE, v. (-n), straat, naauwe doorgang der zee tusschen twee landen. *-EIK, m. (-en), zek. boom.
| |
[Zeef]
Zeef, v. (B.m. en v.) (zeven), werktuig tot het ziften van voorwerpen. *-, v. gmv. bijzondere en aangename smaak van den wijn. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als eene zeef. *-BEEN, o. (-deren), (ontl.) neusbeen. *-BIJ, v. (-en), soort wesp. *-DOEK, m. (-en), doorzijgdoek. *-SPONS, v. (-en). *-VORMIG, bn. *-WIJZE, bijw. als eene zeef.
| |
[Zeefakkel]
Zeefakkel, v. titel van eene verzameling zeekaarten enz.
| |
[Zeeg]
Zeeg, v. (-en), wijfje van den reebok, geit.
| |
[Zeegaren]
Zeegaren, o. gmv. zek. plant. *...GAT, o. (-en), monding der stroomen (waar zij in de zee vallen); plaats waar twee of meer zeeën gemeenschap met elk. hebben; (fig.) hij moet het - uit, hij moet ter zee varen. *...GAST, m. (-en), zeevarende, matroos. *...GEBRUIKEN, o. mv. gebruiken -, gewoonten ter zee. *...GEDROGT, (B. ...CHT), o. (-en), zeemonster. *...GEDRUISCH, o. *...GEREGT, (B. ...CHT), o. admiraliteit, krijgsraad aan boord van een schip. *...GEVAAR, o. (...aren), gevaar dat de zee oplevert, - aan zeereizen verbonden. *..GEVECHT, o. (-en), strijd tusschen oorlogsschepen. *...GEWEST, o. (-en), gewest aan zee gelegen. *...GEWAS, o. (-sen), gewas dat in zee groeit. *...GEZIGT, o. (-en), schilderstuk dat de zee voorstelt.
| |
[Zeeghaftig]
Zeeghaftig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. overwinnend, zegevierend. *-HEID, v. gmv. overwinning ter zee.
| |
[Zeegier]
Zeegier, m. (-en), zek. vogel. *...GOD, m. (fab.) Neptunus. *...GODIN, v. (fab.). *...GOLF, v. (...ven), baar; (ook) baai. *...GRAS, o. soort gewas, zeewier. *...GROEN, bn. en o. zek. kleur.
| |
[Zeegt]
Zeegt, o. (-en), (zeew.) rondte; loop in de lengte (van een schip).
| |
[Zeehaan]
Zeehaan, m. (...anen), zek. visch. *...HAAR, o. zek. plant. *...HAAS, m. (...zen), zek. visch. *...HANDEL, o. gmv. handel op overzeesche landen. *...HANDELAAR, m. (-s). *-HAND, v. -en en voeten hebben, op zee t' huis zijn. *-HARD, bn. de vermoeijenissen ter zee kunnende doorstaan. *...HAVEN, v. (-s), ligplaats voor schepen aan zee. *...HEESTER, m. (-s), soort gewas. *...HEIDE, v. zek. koraalgewas. *...HELD, m. (-en), die zich dapper gedraagt in zeegevechten. *...HOND, m. (-en), zek. dier. *...HOOFD, o. (-en), havenhoofd, beer, afsluiting, aanlegplaats. *...HOREN, *...HOORN, v. (-s), soort schelp. *...HOUT, o. (zeew.) boord van het schip; hout boven den overloop aan de scheepzijde. *...KAART, v. (-en), kaart waarop waterwegen (met de kusten, havens, zandbanken, ondiepten enz.) aangeteekend zijn. -ENBOEK,
| | | |
o. (-en), (zeew.) graadboek, wegwijzer. *...KADET, m. (-ten), kweekeling-zeeofficier. *...KALF, o. (...veren), zek. dier. *...KAMP, m. (-en), zeegevecht. *...KANT, m. rigting naar de zee. *...KAP, v. (-pen), matrozen-hoofddeksel. *...KAPITEIN, m. (-en), officier aan boord van een oorlogsschip. *...KASTEEL, o. (-en), (dichtk.) schip. *...KAT, v. (-ten), endiepte, droogte (in zee). *...KLIP, v. (-pen). *...KLIT, v., *...KNOOP, m. zek. gewas. *...KOE, v. (-jen, B. -ien), zek. dier. *...KOMPAS, o. zie KOMPAS. *...KONING, m. (-en), zek. visch; de -en, naam der noorsche en deensche zeeroovers in de 9e en 10e eeuw. *...KOUS, v. soort zeegras. *...KRAAL, v. groente aan de zeeuwsche kust gevischt. *...KRAB, v. (-ben), zek. dier. *...KREEFT, m. (-en), zek. dier. *...KRIJG, m. oorlog die ter zee wordt gevoerd. *...KRIJGSRAAD, m. (...aden), krijgsraad aan boord van een oorlogsschip. *...KROON, v. (-en), (eert.) eereblijk voor eene behaalde overwinning ter zee. *...KUST, v. (-en), kust die zich langs de zee uitstrekt. *...KWAB, v. (-ben), zek. visch.
| |
[Zeel]
Zeel, v. (B.m. en v.), (zelen), streng van hennep, draagriem.
| |
[Zeeland]
Zeeland, o. gmv. aan of in zee geleden land, eiland. *...LEEUW, m. (-en), zek. dier. *...LEIDEN, *...LUÎ, m. mv. zeevolk, matrozen.
| |
[↑ Zeelingzaad]
↑ Zeelingzaad, o. kuil achtergelaten door een schip in den waterbodem waarin het zat.
| |
[Zeelt]
Zeelt, v. (B.m.) (-en), zek. visch.
| |
[Zeelucht]
Zeelucht, v. gmv. lucht die op (of uit) zee waait.
| |
[Zeem]
Zeem, o. (B.v. en o.) bereide, schapen- of geitenhuid; gemzen-leder. (Zie HONIGZEEM).
| |
[Zeemaan]
Zeemaan, v. maan die op zee schijnt. *...MAAT, m. Janmaat, matroos. *...MAGT, (B. ...CHT), v. gmv. getal oorlogsschepen die een Staat in zee kan brengen; vloot; zeemogendheid. *...MAN, m. (...lieden), matroos, varensgast, varensgezel; een bevaren -, die op zee goed, t'huis is; (spr.) - geen man, (klagt van eene t'huis gebleven vrouw); (fig.) een goed - wordt ook wel eens nat, een matig mensch drinkt ook wel eens een glaasje meer dan hij verdragen kan. *...MANSCHAP, v. en o. gmv. zeevaartkunde; (fig.) - gebruiken, met overleg handelen, niet al te streng zijn, geven en nemen. *...MANSHUIS, o. (...zen), verblijfplaats voor de zeelieden wanneer zij aan land zijn; (fig.) welbezeild -, digt schip. *...MANSKUNST, v. kennis der zeevaart. *...MANSTAAL, v. taal bij de zeelieden in gebruik. *...MAKELAAR, m. (-s), makelaar in schepen en zeezaken.
| |
[Zeembereider]
Zeembereider, m. (-s), vervaardiger van zeemleder.
| |
[Zeemeermin]
Zeemeermin, v. (-nen), (fab.) zek. gedrogt, Sirene. *...MEEUW, v. (-en), zek. vogel.
| |
[Zeemen]
Zeemen, ow. gel. (ik zeemde, heb gezeemd), huiden van schapen enz. tot leder bereiden. *-, bn. van zeemleder (vervaardigd).
| |
[Zeemerk]
Zeemerk, o. (-en), baak -, boei in zee. *...METER, m. (-s), zek. werktuig. *...MIJL, v. (-en), zek. afstandsmaat ter zee.
| |
[Zeemleder]
Zeemleder, *...LEÊR, o. gmv. leder van schapen- of geitenhuiden vervaardigd. *-EN, bn. zie ZEEMEN.
| |
[Zeemogendheid]
Zeemogendheid, v. (...heden), mogendheid die eene staatsvloot
| | | |
bezit. *...MONSTER, m. (-s), gedrogtelijk dier dat in zee leeft. *...MOS, o. gmv. zek. gewas. *...MOSSEL, v. (-en), soort schelpvisch.
| |
[Zeemtouwer]
Zeemtouwer, m. (-s), bereider van zeemleder. *-IJ, v. (-en), plaats waar zeemleder bereid wordt.
| |
[Zeemuis]
Zeemuis, v. (...zen), zek. dier. *...NAALD, v. (-en), zek. visch. *...NAT, o. gmv. zeewater. *...NATIE, v. (...ën), natie bijzonder tot de zeevaart geschikt. *...NETEL, v. (-s), soort gewas. *...NEVEL, m. gmv. mist op zee. *...NIMF, v. (-en), (fab.) nereïde. *...OEVER, m. (-s), kust der zee. *...OFFICIER, m. (-en), officier bij 's lands vloot. *...OORLOG, m. (-en), oorlog die ter zee gevoerd wordt. *...OVERSTE, m. (-n), bevelhebber van een of meer oorlogsschepen.
| |
[Zeep]
Zeep, v. (B.m. en v.) gmv. zek. zelfstandigheid geschikt tot waschmiddel.
| |
[Zeepaap]
Zeepaap, m. (...apen), zek. visch. *...PAARD, m. (-en), zek. dier.
| |
[Zeepaarde]
Zeepaarde, v. gmv. aarde met zeepachtige deelen vermengd.
| |
[Zeepaauw]
Zeepaauw, m. (-en), zek. vogel.
| |
[Zeepachtig]
Zeepachtig, bn. (-er, -st), als zeep, naar zeep gelijkende. *...APPEL, m. (-en), soort appel.
| |
[Zeepas]
Zeepas, m. (-sen), zeebrief.
| |
[Zeepbak]
Zeepbak, m. (-ken), bak ter bewaring van zeep. *...BAL, m. (-len), balvormig stuk zeep. *...BEL, v. (-len), blaasvormige opborreling van het schuim van zeepwater. *...BOOM, m. (-en), zek. boom. *...DOOS, v. (...zen). *...BROOD, o. *...EN, bw. gel. (ik zeepte, heb gezeept), met zeep in- of besmeren. *...ER, m. (-s), zeepzieder. *...ERIG, bn. (-er, -st), als zeep. *...ERIJ, v. (-en), zeepziederij. *...IG, bn. (-er, -st), als zeep, zeepachtig.
| |
[Zeepijl]
Zeepijl, m. (-en), dolfijn, soort visch.
| |
[Zeepketel]
Zeepketel, m. (-en), ketel waarin zeep wordt bereid. *...KIST, v. (-en). *...KOOPER, m. (-s), handelaar in zeep. *...KRAAM, v. (...amen), plaats waar zeep verkocht wordt. *...KRAMER, m. (-s). *...KRUID, o. gmv. zek. plant.
| |
[Zeeplaats]
Zeeplaats, v. (-en), plaats aan zee gelegen. *...PLANT, v. (-en), plant die in of digt bij de zee groeit.
| |
[Zeepnoot]
Zeepnoot, v. (...oten). *...PIL, v. (...len). *...PROPJE, (B. -N), o. (-s), (gen.) steekpil, zetpil. *...SOP, *...WATER, o. water met zeep vermengd. *...ZIEDEN, ow. gel. zeep bereiden. *...ZIEDER, m. (-s), vervaardiger van zeep. -IJ, v. (-en), plaats waar zeep gemaakt wordt. *...ROOS, v. (...ozen), soort bloem. *...STEEN, m. (-en), soort steer.
| |
[Zeeprotest]
Zeeprotest, o. (-en), protest op zee, - betreffende zeezaken.
| |
[Zeer]
Zeer, bn. pijnlijk, smartelijk, pijn veroorzakende; -e (ontstoken) oogen; een - hoofd, tinea capitis. *-, o. pijn, smart; hinderlijke gewaarwording; - doen, pijn veroorzaken; (ook fig.) beleedigen; zich - doen, zich kwetsen; kwaad -, schurft. *-, bijw. grootelijks, in hooge mate; sterk; al te -, buitengemeen, buitensporig.
| |
[Zeeraad]
Zeeraad, m. (...aden), raad (vergadering) die over zeezaken oordeelt. *...RAAF, v. (...aven), zek. roofvogel. *...RAFELING, v. (-en), zek. kabbeling in zee. *...REGISTER, o. (-s), dagboek, journaal (aan
| | | |
boord). *...REGT, o. regt (wettelijke bepalingen) tot regeling van de zeevaart en den zeehandel; scheepvaartregt (zek. belasting); (fig.) havenkantoor voor de in- en uitgaande regten. *...REIS, v. (...zen), reis ter (over) zee.
| |
[Zeerheid]
Zeerheid, v. uitwendige ziekte. *...HOOFDIG, bn. met uitslag op het hoofd.
| |
[Zeerig]
Zeerig, bn. pijn gevoelende. *-HEID, v. uitwendige ziekte.
| |
[Zeerob]
Zeerob, m. (-ben), zek. dier; (fig.) zeeman. *...ROEPER, m. (-s), werktuig om op zee op verren afstand met elkander te spreken. *...ROOF, m. gmv. roof aan een schip op zee gepleegd. *...ROOVER, m. (-s). -IJ, v. (-en).
| |
[Zeerot]
Zeerot, v. (-ten), zek. dier. *...ROTS, v. (-en), rots in of bij de zee.
| |
[Zeertje]
Zeertje, (B. *-N), o. (-s), kleine puist, kleine zweer.
| |
[Zeerund]
Zeerund, o. (-eren), zek. dier. *...RUPS, v. (-en), zek. dier. *...SCHADE, v. schade op of door de zee gekregen; averij. *...SCHELP, v. (-en). *...SCHENDER, m. (-s), die op zee schade aanbrengt. *...SCHIP, o. (...epen), schip dat de zee bevaart; (fig). een lastig, ongemakkelijk - (mensch). *...SCHORPIOEN, m. (-en), zek. dier, soort knorhaan. *...SCHUIM, o. gmv. witte bellen en mos boven de oppervlakte der zee. *...SCHUIMER, m. (-s), zeeroover. *...SLAG, m. (-en), gevecht op zee. *...SLAK, *...SLEK, v. (-ken), soort schelpdier. *...SLANG, v. (-en), zek. dier. *...SLOT, o. (-en), zeekasteel. *...SMAAK, m. gmv. smaak van zeewater. *...SNOEK, m. (-en), soort visch. *...SOLDAAT, m. (...aten), soldaat die op een oorlogsschip dient, marinier. *...SPIN, v. (-nen), zek. dier. *...SPOOK, o. (...oken), zek. gedrogt. *...STAD, v. (...eden), aan zee -, digt bij de zee gelegen stad. *...STAR, *...STER, v. (-ren), soort mossel. *...STILTE, v. gmv. windstilte op zee. *...STOEL, m. (-en), (eert.) stoel aan de tafel verbonden (aan boord van een schip). *...STORM, m. (-en). *...STRAND, o. *...STREEK, v. (...eken), deel eener zee; (ook) kustland. *...STRIJD, m. (-en), strijd -, gevecht op zee. *...STUK, o. (-ken), schilderij een zeegezigt voorstellende.
| |
[Zeet]
Zeet, v. (zeten), het zitten; zitplaats, zitkamertje, zetel; vouw.
| |
[Zeetaktiek]
Zeetaktiek, v. gmv. krijgskunst toegepast op den oorlog ter zee. *...TERM, m. (-en), woord -, uitdrukking bij zeevarenden in gebruik. *...TELEGRAAF, m. (...afen), onderzeesche telegraaf, telegraafkabel op den bodem der zee gelegd; (ook) telegraaf op zee gebezigd. *...TIJDING, v. (-en), berigt uit zee; lijst van aangekomen en vertrokken schepen. *...TOGT, m. (-en), reis ter zee; onderneming naar overzeesche gewesten. *...TON, v. (-nen), ton die in de zeegaten ligt bij de ondiepten. *...TRIOMF, m. gmv. overwinning op zee behaald. *...TROMPET, v. (-ten), scheepsroeper; (nat. hist.) horenslak. *...UIL, m. (-en), zek. dier. *...UURWERK, o. (-en), scheeps-chronometer.
| |
[Zeeuw]
Zeeuw, m. (-en), inboorling van de nederlandsche provincie Zeeland); (eert.) zeeuwsche rijksdaalder (= ƒ2.60). *-SCH, bn. van -, uit Zeeland; eene zeeuwsche (vrouw).
| |
[Zeevaarder]
Zeevaarder, m. (-s), zeeman, (inz.) die verre zeetogten doet. *...VAART, *...VAARDIJ, v. gmv. vaart op de zee. *...VAARTKUNDE, v. gmv. kennis van al wat tot de zeevaart behoort. *...VADER, m. (-s), leermeester in de scheepsbewegingen; officier die den adelborst in
| | | |
de manoeuvres -, stuurman die den leerling in het eijferen -, onder-officier die den jongen in het scheepswerk onderrigt. *...VAK, o. gmv. zeevaartkunde. *...VAREND, bijw. ter zee reizende. *...VAST, bn. bestand tegen de beweging der zee.
| |
[Zeever]
Zeever, v. gmv. kwijl, speeksel. *-AAR, m. (-s), *-BAARD, m. (-en), *-AARSTER, v. (-s), die zeevert of kwijlt. *-DOEK, m. (-en), slab, slabbetje. *-EN, ow. gel. (ik zeeverde, heb gezeeverd), kwijlen. *-ZAAD, o. zek. plant.
| |
[Zeeverzekeraar]
Zeeverzekeraar, m. (-s), die verzekert tegen zeeschade. *...VERZEKERING, v. (-en), verzekering -, assurantie tegen zeeschade. - MAATSCHAPPIJ, v. (-en). *...VISCH, m. (...sschen), visch dien de zee oplevert, (tegenst. van riviervisch). -MARKT, v. (-en), markt waar zeevisch (geen riviervisch) verkocht wordt. *...VLAS, o. gmv. zek. plant. *...VOETEN, m. mv. voeten die gewend zijn aan de beweging der zee; (fig.) - hebben, gemakkelijk op het dek kunnen heen en weêr loopen. *...VOGEL, m. (-s), vogel die laag boven de oppervlakte der zee vliegt. *...VOLK, o. gmv. zeelieden, matrozen. *...VOND, m. (-en), uit zee aangespoelde voorwerpen. *...VOOGD, m. (-en), vlootvoogd, admiraal. *...VOOGDIJ, v. gmv. bevel over eene vloot, admiraalschap; admiraliteit. *...VOS, m. (-sen), soort visch. *...VRIJBUITER, m. (-s), kaper, zeeroover. *...WAAIJER, (B. ...IER), m. (-s), soort koraal. *...WAARDIG, bn. in staat om uit te zeilen (van een schip). *...WAARTS, (B. *...WAART), bijw. naar de zee, in de rigting van de zee. *...WAGEN, m. (fab.) wagen -, kar van Neptunus. *...WATER, o. gmv. water der zee; zout water; (fig.) golf. *...WERING, v. (-en), dijkwerk ter beveiliging tegen de overstroomingen. *...WERKSTUK, o. (-ken), op te lossen vraagstuk betreffende de zeevaartkunde. *...WERVING, v. het in dienst nemen van matrozen of zeesoldaten. *...WETTEN, v. mv. wetten en voorschriften betreffende de zeevaart. *...WEZEN, o. gmv. al wat op de zeevaart en de zeedienst betrekking heeft. *...WIER, o. gmv. zek. gewas. *...WIJF, o. (...ven), (fab.) zeemeermin. *...WILG, m. (-en), zek. boom. *...WIND, m. (-en), wind die uit zee waait. *...WOLF, m. (...ven), zek. dier. *...WONDER, o. (-en), wonder dat de zee heeft opgeleverd. *...ZAKEN, v. mv. zaken het zeewezen betreffende; de kamer van -, de admiraliteit. *...ZIEK, bn. aangetast door zeeziekte; (fig.) je maakt me -, gij verveelt me. *...ZIEKTE, v. gmv. onaangename gewaarwording aan boord bij iem. die voor het eerst op zee is of niet gewoon is zeereizen te doen; (fig.) verveling. *...ZOG, o. gmv. vaarwater in zee; weg door een schip op zee afgelegd. *...ZON, v. (-nen), zon die op zee schijnt. *...ZWALUW, v. (-en), zek. vogel.
| |
[Zegachtig]
Zegachtig, bn. (-er, -st), praatziek, babbelachtig.
| |
[Zege]
Zege, v. gmv. overwinning, triomf. *-BOOG, m. (...ogen), eerepoort (inz. voor eenen overwinnaar). *-BRIEF, m. (...ven). *-DICHT, o. (-en), zek. hulde aan eenen overwinnaar. *-KAR, v. (-ren). *-KOETS, v. (-en), rijtuig waarin een overwinnend veldheer is gezeten bij een plegtigen optogt te zijner eere. *-KRANS, m. (-en). *-KROON, v. (-en), onderscheidingsteeken voor eenen overwinnaar. *-LOON, m. en o. belooning voor eene overwinning.
| | | |
| |
[Zegel]
Zegel, o. (-s), in metaal gesneden letters, figuur, familiewapen enz. en dienende als signet om het in lak of was af te drukken; stempel ten bewijze van echtheid (van bescheiden); merk, stempel-merk op papier (van welk zoodanig gestempeld papier het gebruik in bepaalde gevallen bij de wet is voorgeschreven); een adres (verzoekschrift) op - (op gezegeld papier geschreven); onder -, van wege het geregt verzegeld; (fig.) zijn - aan iets hechten, iets goedkeuren; (fig.) het -, de belasting op het zegel; vrij van -, ontheven van de zegelbelasting. *-AAR, m. (-s), die een zegel op iets zet of drukt, stempelaar. *-BEWAARDER, m. (-s), zek. staatsambtenaar; (ook) minister van justitie (in enkele landen). *-DOOSJE, (B. -N), o. (-s), doosje waarin het zegel wordt bewaard. *-EN, bw. gel. (ik zegelde, heb gezegeld), een zegel op iets stellen; eenen brief digtmaken en er het zegel op drukken; gezegeld papier, papier waarop het rijkswapen gestempeld is. *-GELD, o. (-en), belasting van het zegel. *-ING, v. het zegelen. *-KLOPPER, m. (-s), die papier zegelt. *-LAK, o. gmv. lak waarin men stempels afdrukt. *-MERK, o. (-en), merk -, teeken van het zegel. *-PERS, v. (-en), toestel om papier te zegelen. *-RING, m. (-en), ring voorzien van eenen stempel om af te drukken. *-SNIJDER, m. (-s), graveur, vervaardiger van stempels. *-WAS, o. gmv. was om zegels of stempels er in af te drukken.
| |
[Zegen]
Zegen, m. gmv. heil, voorspoed; heilwensch; gebed; onder 's Hemels -, met den Goddelijken bijstand; (fig.) hierop is geen -, dit gaat niet voorspoedig. *-, v. (-s), soort vischnet; sleepnet (voor patrijzen). *-AAR, m. (-s), die zegent, die zijnen zegen geeft; de Al-, het Opperwezen. *-BOEK, o. (-en), (r.k.) kerkboek met lofzangen. *-EN, bw. gel. (ik zegende, heb gezegend), den zegen geven, - schenken; inwijden (eene kerk); geluk-, heilwenschen; voorspoedig maken; God zegene u! God schenke u gezondheid en voorspoed! (ook) heilwensch bij het niezen; een gezegend (gelukkig) land; met kinderen gezegend zijn, (veel) kinderen hebben; in een gezegenden staat zijn, of zich in gezegende omstandigheden bevinden, zwanger zijn; (spr.) die het kruis heeft zegent zich, die van eene gunstige gelegenheid partij kan trekken verzuimt dit niet. *-ING, v. (-en), het zegenen; zegenwensch; gunst, voorspoed; de -en des Hemels, door God geschonken voorspoed; in - blijven, in erkentelijke herinnering blijven. *-RIJK, bn. (-er, -st), met zegeningen overladen; voorspoedig, in bloei. *-WENSCH, m. (-en).
| |
[Zegeoffer]
Zegeoffer, o. (-s), (oudh.) offerande ter viering eener overwinning. *...POORT, v. (-en), triomfboog. *...PRAAL, v. (...alen), luister-rijke intogt eens overwinnaars, triomf; (fig.) overwinning. *...PRALEN, ow. gel. (ik zegepraalde, heb gezegepraald), eene overwinning vieren. *...PRALER, m. (-s). *...SCHOTEN, o. mv. kanonschoten gelost ter gelegenheid eener behaalde overwinning, triomfsalvo. *...STANDAARD, m. (-s), *...VAAN, v. (...anen), vlag der overwinning. *...TEEKEN, o. (-en), voorwerp op den vijand buit gemaakt, trofee. *...VIEREN, ow. gel. triomferen; de overwinning behalen; met eere afkomen (van iets); moeijelijkheden -, bezwaren te boven komen. *...VUUR, o. (...uren), vreugdevuur ter gelegenheid van het behalen eener overwinning.
| | | |
*...WAGEN, m. (-s), wagen waarop een triomferend veldheer is gezeten. *...ZANG, m. (-en), lied ter viering eener behaalde overwinning.
| |
[Zeggen]
Zeggen, bw. onr. (ik zeide, heb gezegd), mondeling (iets) te kennen geven, woorden uiten, spreken; (fig.) te - hebben, gezag uitoefenen, kunnen gebieden; wat wil dat -? wat beduidt of beteekent dat? het - is, men zegt, naar men wil, volgens gerucht; naar het - van..., volgens hetgeen... vertelt; zich niet - laten, geene rede verstaan, zijnen eigenen zin volgen; ongehoorzaam zijn; dat is genoeg gezegd, meer behoeft er niet te worden bijgevoegd. *-, o. het gesprokene. *...GER, m., *...STER, v. (-s), die zegt. *...GING, v. het zeggen; uitdrukking, bewoordingen. -SKRACHT, v. gmv. gave met gevoel en nadruk te spreken.
| |
[Zegsman]
Zegsman, m. (-nen), *...VROUW, v. (-en), die iets zegt, - verteld heeft; wie is uw zegsman? van wien hebt gij het vernomen? zegslieden, scheidsmannen. *...WIJZE, v. (-n), spreekkunst, manier van uitdrukken. *...WOORD, o. (-en), uitdrukking, bewoording.
| |
[§ Zeik]
§ Zeik, v. gmv. pis. *-EN, bw. ow. gel. (ik zeikte, heb gezeikt), pissen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), pis-in-bed. *-MIER, v. (-en), zek. insekt. *-POT, m. (-ten), waterpot.
| |
[Zeil]
Zeil, o. (-en), doek (van linnen enz.) tot het opvangen van den wind en tot andere einden uitgespannen (inz. op vaartuigen); waarloos -, zeil dat tegen den mast ligt, - geen wind vangt; onder - gaan, wegzeilen, vertrekken; (fig.) inslapen; met volle (alle) - en; het - strijken (laten vallen); - bijzetten, het aantal zeilen vermeerderen; met klein - varen, weinig zeilen voeren; de -en liggen blind, zij worden door anderen belet wind te vangen; de -en scheppen, zij beginnen wind te vangen; (fig.) alle -en bijzetten, alle krachten inspannen; een oog in het - houden, goed uitkijken, toezien, een wakend oog houden (op); met een opgestreken (of opgestoken) -, driftig, vertoornd; met de laatste schepen onder - gaan, laat -, te laat heengaan, eene gunstige gelegenheid laten voorbijgaan; het waait hem in zijn -, het gelukt hem, hij wordt door de fortuin begunstigd; met -en tegen den mast liggen, in onmagt liggen; met de -en voor den mast liggen, met het beginnen gereed zijn; dat is geen - voor dat schip, die vrouw deugt niet voor dien man; als het - scheurt dan heeft het een groot gat, dit kan niet ligt gebeuren; met een nat - loopen, beschonken zijn; - op iets maken, iets bejagen, naar iets streven; het - inbinden, zijnen staat verminderen, bekrompener leven; hij staat stijf onder het -, hij kan (iets) verdragen; alle -en blank spelen, er alles aan wagen. *-, doek (in het algemeen) over iets gespannen; (ook) vloerkleed. *-, schip; eene vloot van tachtig -en (schepen). *-AADJE, v. gmv. de zeilen; vaart -, loop van een schip. *-BOOM, m. (-en), zek. houtwerk. *-BAAR, bn. geschikt om te zeilen. *-DOEK, o. gmv. grof en stevig doek (soort linnen) waarvan zeilen vervaardigd worden. *-EN, ow. gel. (ik zeilde, heb gezeild), met behulp der zeilen over het water gaan, - voortdrijven; het schip kan - noch drijven, het is loom, het wil niet voort; op zijnen buik -, op zij liggende voortzeilen; ruimschoots (met goeden wind) -; (fig.) het zoo naauw
| | | |
niet nemen; slag over slag -, met korte gangen laveren; uit -gaan, een togtje met eene zeilschuit doen; (spr.) men moet - terwijl de wind waait, men moet de gelegenheid waarnemen; (fig.) hard achteruit -, arm worden; iem. in de zijde -, hem benadeelen; - of verzuipen, alles op spel zetten; als het maar een halven wind wil -, als het maar half wil gelukken; - en treil, zie op TREIL. *-ER, m. (-s), zeilend schip; (ook) zeevaarder. *-GAREN, o. gmv. garen waarmede zeilen genaaid worden. *-ING, v. gmv. het zeilen. *-JAGT, (B. ...CHT), o. (-en), soort vaartuig. *-KAMER, v. (-s), *-KOOI, v. (-jen, B. -en), bergplaats voor de zeilen. *-KLEED, o. (-en), baan zeildoek. *-KOERS, m. (-en), weg dien een zeilend schip aflegt. *-MAKER, *-ENMAKER, v. (-s), vervaardiger van zeilen. -IJ, v. (-en), zeilmakersambacht, zeilmakerswerkplaats. *-NAALD, v. (-en), naald die de zeilmakers gebruiken; (ook) magneet. *-ORDE, v. gmv. orde waarin gezeild wordt. *-PRIEM, m. (-en), zek. gereedschap. *-PUNT, o. (-en), punt waarop de werking van den wind op de zeilen zich moet rigten; zwaartepunt der zeilen. *-REE, *-VAARDIG, bn. gereed om uit te zeilen. *-ROL, v. (-len), rol van verdeeling der manschap bij de zeilen. *-SCHIP, o. (...epen). *-SCHUIT, v. (-en). *-SLAK, *-SLEK, v. (-ken), schippertje, soort schelpvisch. *-STEEN, m. noordsteen, magneet, steen die de eigenschap heeft het ijzer aan te trekken. *-TJE, (B. -N), o. (-s), klein zeil; (fig.) een - strijken, van zich zelven vallen. *-TOGT, m. (-en), reis op een zeilschip. *-VAARTUIG, o. (-en). *-VEREENIGING, v. (-en), vereeniging van liefhebbers van zeilen. *-VERMAAK, o. gmv. uitspanning aan boord van een zeilschip. *-VOEREND, bn. van zeilen voorzien. *-WEDER, *-WEÊR, o. weder geschikt om onder zeil te gaan. *-WIND, m. (-en), wind gunstig voor de zeilschepen.
| |
[Zeis]
Zeis, v. (-sen), *-SEN, v. (-s), werktuig der gras- of hooimaaijers; (spr.) zijne - in eens anderen koren slaan, zich in de werkzaamheden van een ander indringen. *-SENMAKER, m. (-s). *-SENMAKERIJ, *-SENSMEDERIJ, v. (-en), werkplaats waar zeissen vervaardigd worden. *-VORMIG, bn. als eene zeis.
| |
[Zeker]
Zeker, bn. en bijw. (-der, -st), waaraan niet te twijfelen valt, gewis, stellig; gerust, zonder zorg, buiten gevaar, veilig; - iemand, een persoon niet bij name aangeduid; op -en (onbepaalden) dag; ik weet het van -e (goeder)hand; zeer -, wel -, (uitdrukking van bevestiging). *-HEID, v. gmv. gewisheid; veiligheid, gerustheid; verzekering, onderpand. -SHALVE, bijw. om de -, voor de -, uit zekerheid. *-LIJK, bijw. op zekere of stellige wijze.
| |
[Zel, Zelling]
Zel, m., Zelling, v. (zeew.) plaats in de engte waar een anker heeft vastgezeten.
| |
[Zelden]
Zelden, bijw. niet dikwijls.
| |
[Zeldzaam]
Zeldzaam, bn. en bijw. (...amer, -st), schaarsch, niet dikwijls voorkomende; vreemd, zonderling, ongehoord, wonderlijk. *-HEID, v. (...eden), schaarschheid; vreemdheid, zonderlingheid. *-LIJK, bijw. op zeldzame wijze.
| |
[Zelf, Zelve]
Zelf, Zelve, bn. in eigen persoon; dat spreekt van -, dat be- | | | | hoeft
geene vermelding, - geen betoog, - niet gezegd, dat is zeer natuurlijk; hij - moet komen, hij mag geen ander in zijne plaats zenden; van zich zelve(n) vallen, in eene bezwijming vallen, buiten kennis geraken; zij heeft geene goederen van haar zelve (die haar in persoon toebehooren). *-BEDROG, o., *-BEGOOCHELING, v. waan waarin men zich zelven brengt of gebragt heeft, verbeelding. *-BEHAGEN, o. gmv. innige voldoening over zich zelven, ijdele hoogmoed op zich zelven. *-BEHEERSCHING, v. gmv. het bedwingen zijner hartstogten. *-BEHOUD, o. gmv. zorg voor zijn leven, verdediging van zijnen persoon. *-BELANG, o. persoonlijk belang; (ook) baatzucht. *-BEPROEVING, v. gmv. onderzoek van zich zelven. *-BESTAAN, o. gmv. het bestaan door zich zelf, † perseïteit. *-BEVLEKKING, v. zek. geheime en voor de gezondheid zeer gevaarlijke ondeugd, † onanie. *-BEWEGEND, bn. van zelven zich bewegende. *-BEWUST, bn. met innerlijk besef. *-DE, bn. de -, het -, geen ander, de reeds genoemde, de reeds bedoelde; ik wensch u het - (evenveel). *-GEVOEL, o. *-HEERSCHER, m. (-s), onbeperkt gezaghebber, † autocraat. *-HEERSCHERES, v. (-sen). *-HEERSCHING, v. gmv. † autocratie. *-KANT, m. (-en), buitenkant, dikke wollen rand aan eenig weefsel. *-KLINKER, m. (-s), letter die zonder hulp van andere letters uitgesproken wordt, † vokaal. *-LIEFDE, v. gmv. eigenliefde. *-MOORD, m. (-en), het benemen van het leven aan zich zelven. *-MOORDENAAR, m. (-s), ...NARES, v. (-sen), die zelf (zelve) een einde aan zijn (haar) leven maakt. *-OPOFFERING, v. (-en), het bloot geven of veil hebben van zijn leven in het belang van een anderen persoon (of voor eene zaak).
| |
[Zelfs]
Zelfs, bijw. ook dan.
| |
[Zelfstandig]
Zelfstandig, bn. (-er, -st), wezenlijk, op zich zelf staande, onafhankelijk; - naamwoord, een der tien rededeelen van eene taal; - werkwoord, het werkwoord wezen of zijn wanneer het niet als hulpwerkwoord gebezigd is; - handelen, bij zijne handelingen vrij zijn van den invloed van andere personen. *-HEID, v. gmv. onafhankelijkheid; het op zich zelf staan. -, (...heden), natuurstof, bewerkte stof; (gen.) bestanddeel van artsenijen. *-LIJK, bijw. op zelfstandige wijze. *...STRIJD, m. gmv. inwendige strijd, (b.v. tusschen liefde en pligt). *...VERDEDIGING, v. gmv. persoonlijke verdediging. *...VERGODING, *...VERHEFFING, v. gmv. het prijzen van zich zelven. *...VERLOOCHENING, v. gmv. het verloochenen zijner gevoelens. *...VERTROUWEN, o. gmv. vertrouwen in of op zich zelven. *...ZUCHT, v. gmv. eigenbaat, baatzucht. *...ZUCHTIG, bn. en bijw. tuk op eigen voordeel, baatzuchtig, † egoïstisch.
| |
[Zelk]
Zelk, v. (-en), hoop asch of vuilnis. *-ASCH, v. gmv.
| |
[Zelling]
Zelling, v. (-en), (zeew.) zie ZEL.
| |
[† Zeloot]
† Zeloot, m. (...oten), ijveraar (inz. voor het geloof). *...LOTISMUS, ...ME, o. gmv. leer en grondstelligen van eenen geloofsijveraar.
| |
[Zemel]
Zemel, v., *-EN, v. mv. het grofste gedeelte van gemalen koren. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als zemel. *-IG, bn. (-er, -st), met zemel vermengd, vol zemel. *-KNOOPEN, ow. gel. muggeziften, spits- | | | | vondig
zijn. *-KNOOPER, m., *-KKOOPSTER, v. (-s), muggezifter, -ziftster.
| |
[† Zendavesta]
† Zendavesta, v. wetboek van Zoroaster.
| |
[Zendbode]
Zendbode, m. (-n), afgevaardigde. *...BRIEF, m. (...ven), herderlijk schrijven, mandement; de zendbrieven van..., naam van eenige geschriften van het Nieuwe Testament.
| |
[Zendeling]
Zendeling, m. en v. (-en), afgezondene, afgevaardigde; (inz.) die in last heeft vreemde landen te bezoeken met het doel lieden tot een ander geloof over te halen, † missionaris. *-BLAD, o. (-en), o. (-en), tijdschrift gewijd aan de uitbreiding van het geloof. *-GENOOTSCHAP, o. (-pen), vereeniging ter bevordering van het christendom onder de heidenen enz.
| |
[Zenden]
Zenden, bw. ong. (ik zond, heb gezonden), zorgen dat iets van de eene plaats naar de andere komt, doen toekomen, sturen; (fig.) iem. naar de andere wereld -, hem den dood berokkenen. *...ER, m., *...STER, v. (-s), die zendt of stuurt. *...ING, v. het zenden. -, (-en), opdragt, taak, iets wat vervuld of verrigt moet worden; (fig.) gezantschap, legatie; (ook) missie, standplaats van geestelijken ter bevordering van het christendom onder de heidenen.
| |
[Zeneblad]
Zeneblad, o. (-en), *...PLANT, v. zek. geneeskrachtig gewas.
| |
[Zeng]
Zeng, v. (-en), (zeew.) plotselinge en kortstondige verheffing van den heerschenden wind. *-EN, bw. gel. (ik zengde, heb gezengd), schroeijen, ligt branden; eene kip -, de haren van de huid eener kip afbranden. *-ING, v. (-en), het zengen; ligte brandwond.
| |
[† Zenith]
† Zenith, o. kruin-, top-, schedelpunt.
| |
[† Zenonismus]
† Zenonismus, o. leer van den griekschen wijsgeer Zeno, stoïcijnsche leer. *...NIST, m. (-en), aanhanger dier leer, stoïcijn.
| |
[Zenuw]
Zenuw, v. (-en), zek. inwendig gedeelte van het dierlijk ligchaam, (ook) pees; (fig.) kracht, sterkte; (fig.) het geld is de - (of ziel) van den oorlog, heeft men geld dan kan men oorlog voeren; zij heeft het op de -en, haar zenuwgestel is aangedaan. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als eene zenuw; (ook) met een ligt aangedaan zenuwgestel, † nerveus. *-ADER, v. (-en), (ontl.). *-BEROERTE, v. (-n), zek. ziekte. *-BESCHRIJVING, v. (-en). *-GESTEL, o. al de zenuwen in het dierlijk ligchaam. *-KNOOP, m. (-en), (ontl.). *-KOORTS, v. (-en), zek. ziekte. *-LEER, v. gmv. kennis van het zenuwgestel. *-LOOS, bn. (...zer, -st), zonder zenuwen; (fig.) zwak, kwijnend; uitgeput; zonder kracht. *-RIJK, bn. zeer zenuwachtig. *-SMART, v. (-en), pijn in de zenuwen. *-VERSTERKEND, bn. *-VLIES, o. (...zen). *-WATER, o. (ontl.) zek. vocht. *-ZIEKTE, v. (-n).
| |
[† Zephyr, Zefir]
† Zephyr, Zefir, m. koele -, zachte westewind, aangenaam koeltje. *-ISCH, bn. zacht waaijende, ruischende (van bladeren door den wind).
| |
[Zerk]
Zerk, v. (B.m.) (-en), groote vierkante steen (voor stoepen en gangen); grafsteen, zark.
| |
[† Zero]
† Zero, v. de nul.
| |
[Zerp]
Zerp, bn. en bijw. (-er, -st), zuur, scherp, wrang. *-ZOET, bn.
| |
[Zes]
Zes, telw. een hoofdgetal. *-, v. het cijfer 6; zes oogen of punten op dobbelsteenen of kaarten; dominosteen met zes oogen; dubbel -,
| | | |
dominosteen met twaalf oogen; wij zijn met ons -sen (zes in getal); (fig.) van -sen klaar, gereed (van paarden), d.i. met vier goede pooten en twee goede oogen; (fig.) van alle markten t'huis; hij is van -sen klaar, hij is goed voorbereid of toegerust, weet op alles te antwoorden. *-BLADIG, bn. zes bladeren hebbende. *-DAAGSCH, bn. van zes dagen, zes dagen durende. *-DE, bn. de -(dag der maand); Karel de -, (van dien naam); ten -, in de zesde plaats. -, o. het zesde gedeelte, 1/6. -, v. (muz.) zek. noot. *-DERHANDE, *-DERLEI, bn. van zes verschillende soorten; op zes verschillende manieren of wijzen. *-DRAADSCH, bn. uit zes draden bestaande. *-DUIZENDSTE, bn. en o. *-HOEK, m. (-en), zek. meetk. figuur; hexagoon, teerling. *-HOEKIG, bn. zes hoeken hebbende. *-HONDERDSTE, bn. en o. *-HOOFDIG, bn. zes hoofden hebbende. *-JARIG, bn. zes jaren oud; om de zes jaren; zes jaren durende. *-KANT, m. (-en), -IG, bn. (meetk.) hexaeder. *-KEER, *-MAAL, *-WERF, bijw. zes malen. *-MAANDIG, bn. zes maanden oud, - durende. *-MANNIG, bn. (plant.) met zes vezeltjes; (eert). eene -e draagkoets, (die door zes mannen gedragen werd). *-PONDER, m. (-s), brood -, kogel van zes pond; kanon waaruit kogels van zes pond geschoten worden; elk voorwerp dat zes pond zwaar is. *-REGELIG, bn. uit zes regels bestaande. *-SCHIJN, m. (sterr.) (aangeduid door het teeken ). *-TAL, o. zes stuks, - voorwerpen. *-THALF, tw. vijf en een half. -, m. (...ven), (eert.) hollandsch muntstuk (= ƒ0.275).
| |
[Zestien]
Zestien, telw. hoofdgetal. *-DE, bn. de - (der maand); Lodewijk de - (van dien naam); ten -, in de zestiende plaats (bij volgorde). -, o. een zestiende gedeelte; (rek.) 1/16. *-DERHANDE, *-DERLEI, bn. van zestien verschillende soorten; op zestien verschillende manieren of wijzen. *-JARIG, bn. zestien jaren oud, - durende. *-MAAL, bijw. *-MAANDIG, *-MAANDSCH, bn. zestien maanden oud, - durende.
| |
[Zestig]
Zestig, telw. hoofdgetal; (fig.) zijt ge (of ben je) -? zijt gedwaas? hij is -, hij mijmert. *-ER, m. (-s), iem. die zestig jaren oud is; schip dat zestig stukken geschut voert; wijn van het jaar 1760. *-ERHANDE, *-ERLEI, bijw. van zestig verschillende soorten, op zestig verschillende manieren of wijzen. *-JARIG, bn. zestig jaren oud, - durende. *-KEER, *-MAAL, *-WERF, bijw. *-STE, bn. -, o. (1/60). *-TAL, o. (-en), zestig stuks, - voorwerpen; (eert.) schok.
| |
[Zesvleugelig]
Zesvleugelig, bn. zes vleugels hebbende. *...VOETIG, bn. zes voeten hebbende; (ook dicht.). *...VOUD, o. zes maal zoo veel. *...VOUDIG, bn.
| |
[Zet]
Zet, m. (-ten), het zetten; het schuiven (van eene schijf op het dambord); het verplaatsen van een stuk (op het schaakbord); duw, stoot, ruk; fijne trek, list, loosheid; vond; woordspeling; snedig gezegde; in éénen -, plotseling; buitengemeen vlug, spoedig; ik weet er eenen - op, ik weet een middel om er uit te komen. *-BAAS, m. (...azen), ambachtsman die den meester vervangt; iem. die niet voor eigene rekening handel drijft; (fig.) strooman. *-BOER, m. (-en), iem. die voor loon de werkzaamheden verrigt in de boerderij in plaats van den eigenaar. *-BORDEN, o. mv. klein schotwerk langs de boorden eener sloep, schuifplanken.
| | | |
| |
[Zetel]
Zetel, m. (-s), zitplaats; stoel; troon; (fig.) verblijfplaats (inz. van eenen vorst of anderen voornamen persoon); de koninklijke -, de troon; de pauselijke -, de heilige stoel; bisschoppelijke -, verblijfplaats van den bisschop; deze maatschappij heeft haren - (is gevestigd) te....; (fig.) iem. op den - tillen, hem tot een aanzienlijk ambt verheffen. *-EN, bw. ow. gel. (ik zetelde, heb of ben gezeteld), zetten, doen zitten; gezeten zijn, zitten; gevestigd zijn; verblijf houden; (fig.) de onschuld zetelt op haar gelaat (is op haar gelaat te lezen).
| |
[Zetgang]
Zetgang, m. (-en), (zeew.) losse plank boven langs het boord op lage vaartuigen; gang tegen de buitenoppervlakte der inhouten. *...HAAK, m. (...aken), (zeew.) zek. gereedschap; (letterz.) werktuig waarin de regels (naar de verschillende breedte der paginaas) gezet worden. *...HAMER, m. (-s), hamer met vierkanten kop. *...IJZER, o. (-s), soort haak. *...LIJN, v. (-en), zek. letterzettersgereedschap. *...MAAT, v. (bouwk.) zek. gereedschap ter bepaling van de evenredigheid der deelen van een gebouw. *...MEEL, o. gmv. stijfsel. *...PIL, v. (-len), zek. geneesmiddel. *...REGEL, m. (-s), grondregel, stelregel, korte spreuk. *...SCHIPPER, m. (-s), die aangesteld is om eenen schipper tijdelijk te vervangen; (fig.) hij is -, hij is tijdelijk met de zaak belast.
| |
[Zetsel]
Zetsel, o. (-s), zoo veel als men in eens zet (van thee, kruiden enz.); bezinksel, grondsop; (letterz.) gezette regels.
| |
[Zetten]
Zetten, bw. gel. (ik zette, heb gezet), stellen, plaatsen, eene bepaalde plaats geven, doen nederzitten, doen staan; in de gevangenis brengen, - laten brengen; letterzetten; in eene kast of lijst zetten (juweelen enz.); (zeew.) vastraken (aan den grond); te regt -, schikken, regelen; tot rede brengen; weg-, bergen; in de loterij -, op eene kaart - (geld wagen); gelagen -, eene kroeg houden, het tappersbedrijf uitoefenen; op noten -, muziek maken (op een lied); zich -, zitten gaan; zet u, neem plaats; iem. iets betaald -, zich wreken; zijnen zin op iets -, zich op iets toeleggen, iets doordrijven; een gezet (bedaard) overleg; op gezette (bepaalde) tijden. *...TER, m. (-s), letterzetter; hoofdambtenaar bij de regeling van den aanslag in de patentbelasting; die diamanten in ringen enz. zet; (art.) zek. gereedschap. *...TERIJ, v. letterzetterswerkplaats. *...TING, v. het zetten; van overheidswege bepaalde prijzen (b.v. van het brood). *...WEGER, m. (-s), (zeew.) zek. houtwerk.
| |
[Zeug]
Zeug, v. (-en), wijfje van het zwijn, moederzwijn, zwijn dat eens geworpen heeft; pissebed (zek. insekt).
| |
[Zeulen]
Zeulen, bw. ow. gel. (ik zeulde, heb gezeuld), met kracht medeslepen; voorttrekken, visschen met een door een paard getrokken net; (fig.) sukkelen. *...TER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...ING, v.
| |
[Zeunij, (B. Zeuny, Zeunie), Zeunis]
Zeunij, (B. Zeuny, Zeunie), Zeunis, v. (-en, -sen), varkenstrog.
| |
[Zeur]
Zeur, v. (-en), lor, vod, prul; wisjewasje, beuzeling, kleinigheid. *-EN, ow. gel. (ik zeurde, heb gezeurd), smarten, leed -, droefheid verwekken; lastig vallen; dwingen, plagen (met aanhoudend knorren); over iets -, lang spreken over iets. *-IG, bn. (-er, -st), onaangenaam, lastig, hinderlijk.
| | | |
| |
[Zeven]
Zeven, tw. een hoofdgetal; met ons -en, zeven in getal; half -, zes en een half uur. *-BLAD, o. zek. plant. *-BLOEM, v. zek. plant. *-BOOM, m. (-en), zek. boom. *-DAAGSCH, bn. zeven dagen durende, - oud, om den zevenden dag. *-DE, bn. de - (dag der maand); Karel de -, (van dien naam); ten -, in de zevende plaats. -, o. (rek.) 1/7; een -, zeven na elkander volgende kaarten van ééne kleur. *-DEHALF, bn. zes en een half. *-DEHALFJE, (B. -N), o. (-s), oud muntstuk, pietje (= ƒ0.325). *-DERHANDE, *-DERLEI, bn. van zeven verschillende soorten. *-DRAADSCH, bn. uit zeven draden bestaande. *-DUIZENDSTE, bn. *-GESTERNTE, *-GESTARNTE, o. gmv. zek. sterrebeeld. *-GETIJDE, o. (plant.) welriekende klaver. *-HOEK, m. (-en), voorwerp met zeven hoeken; (wisk.) zek. figuur. *-HOEKIG, bn. *-HONDERDSTE, bn. *-HOOFDIG, bn. zeven hoofden (bestuurders) hebbende. *-JAARSBLOEM, v. (-en), (plant.). *-JARIG, bn. zeven jaren oud, - durende; om de zeven jaren. *-JARIGE, m. en v. (-n), die zeven jaren oud is. *-KONING, m. (-en), (gesch.) † heptarch. -SCHAP, o. † heptarchie. *-MAAL, bijw. *-MAANDSCH, bn. een - kind, dat in de zevende maand der zwangerschap is geboren. *-MAANDIG, bn. zeven maanden oud, - durende.
| |
[Zevenkramer]
Zevenkramer, *...MAKER, m. (-s), vervaardiger -, verkooper van zeven.
| |
[Zevenman]
Zevenman, m. (-nen), lid van een bewind dat uit zeven leden bestaat. *-SCHAP, o. regering -, bestuur van zeven personen. *...OOG, o. (-en), (heelk.) zek. gezwel. *...SLAPERS, m. mv. *...SNARIG, bn. met zeven snaren. *...TAL, o. (-len), zeven stuks.
| |
[Zeventien]
Zeventien, tw. een hoofdgetal. *-DE, bn. de - (dag der maand); Lodewijk de -, (van dien naam); ten -, in de zeventiende plaats. *-DEHALF, bn. zestien en een half. *-DERHANDE, *-DERLEI, bn. van zeventien verschillende soorten. *-TAL, o. (-len), zeventien stuks.
| |
[Zeventig]
Zeventig, tw. een hoofdgetal; de bijbelvertaling der -en, Septuagesima. *-ER, m. (-s), iem. die 70 jaren oud is; schip dat 70 stukken geschut voert; wijn van het jaar 1770; lid van eenen raad van 70 personen. *-JARIG, bn. 70 jaren oud. *-JARIGE, m. en v. (-n), iem. die 70 jaren oud is. *-STE, bn.
| |
[Zevenvoetig]
Zevenvoetig, bn. met zeven voeten, (ook in de dichtk.). *...VOUD, o., -IG, bn. zevenmaal zooveel. *...WIJVIG, bn. de -e planten, (met zeven stampertjes).
| |
[Zeverzaad]
Zeverzaad, o. gmv. zek. geneeskrachtige plant; wormkruid.
| |
[Zich]
Zich, ww. -zelf, -zelve, -zelven; hij leeft voor -zelven, hij verkeert niet in gezelschappen; (ook) hij is zeer baatzuchtig; geen geld bij - (op zak) hebben.
| |
[Zicht]
Zicht, v. (-en), sikkel, zeis.
| |
[Zieden]
Zieden, bw. ow. gel. en ong. (ik ziedde of zood, heb of ben gezoden), laten koken; koken. *...ER, ZIEDSTER, v. (-s), die kookt. *...ERKETEL, m. (-s), deel van een stormtuig. *...ING, v. het zieden.
| |
[Ziedharing]
Ziedharing, m. (-en), haring die gebakken wordt.
| |
[Ziek]
Ziek, bn. (-er, -st), ongesteld, onpasselijk; ongezond; in een
| | | |
kwalijken toestand. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), niet wel, kwijnend. *-BED, o. (-den), bed waarop een zieke ligt; tijd eener ziekte. *-E, m. en v. (-s), lijder, lijderes. *-ELIJK, bn. (-er, -st), ongezond; niet in een gunstigen toestand. *-ELIJKHEID, v. gmv. ongezonde -, ongunstige toestand, kwijning; zwakheid. *-EN, ow. gel. (ik ziekte, heb geziekt), ziek zijn; wegkwijnen.
| |
[Ziekenbewaarder]
Ziekenbewaarder, *...BEZORGER, *...OPPASSER, m. (-s), *...BEWAARSTER, *...BEZORGSTER, *...OPPASSTER, v. (-s), die de zieken helpt en van het noodige voorziet. *...FONDS, o. (-en), vereeniging van personen ter bekoming van geneeskundige hulp voor weinig kosten. *...GRENS, v., *...BOEG, m. plaats aan boord waarin de zieken worden nedergelegd. *...HUIS, o. (...zen), gasthuis, hospitaal, inrigting ter verpleging van zieken. *...KAMER, v. (-s), kamer waarin een of meer zieken verblijf houden. *...MOEDER, v. (-s), opzienster eener ziekenzaal. *...STOEL, m. (-en), ruime -, gemakkelijke stoel voor eenen zieke. *...TROOSTER, m. (-s), krankenbezoeker. *...VADER, m. (-s), hoofd-suppoost op eene ziekenzaal. *...VERPLEGING, *...VERZORGING, v. gmv. *...ZAAL, v. (...alen), groote kamer waarin zieken verblijf houden (in een gasthuis enz.). *...ZAND, o. gmv. zand dat voor en in de nabijheid van de woning eens zieken op de straat gelegd wordt ter voorkoming van het geraas der rijtuigen.
| |
[Ziekmakend]
Ziekmakend, bn. ziekteverwekkend.
| |
[Ziekte]
Ziekte, v. (-n), ongesteldheid, onpasselijkheid; land-, volks-, epidemie; vallende -, epilepsie. *-KUNDE, *-LEER, v. gmv. wetenschap van het ontstaan en de verschijnselen der ziekten. *-TEEKEN, *-VERSCHIJNSEL, o. (-en). *-VERSLAG, o. (-en), mededeeling betreffende de ziekten en haren loop.
| |
[Ziel]
Ziel, v. (-en), eerste levensoorzaak bij de levende wezens; (fig.) persoon, mensch; werkende kracht (in iets); het voornaamste, het onmisbaarste (van iets); de - is uit hem gegaan, hij is overleden; bij (of op) mijne -, ik verklaar het plegtig, - met de hand op het hart; geld is de - van alles, met geld vermag men alles; deze stad bevat 200,000 -en (inwoners); er is geen levende - (niemand) te vinden; het gaat mij door mijne -, het doet mij innig leed; Aller-endag, (r.k.) zek. feestdag (2 November); arme -, sukkel, arme drommel; vrome -, godvruchtige -, brave -, eerlijke vrouw; ligte -, loszinnige, loshoofd. *-, (schoenm.) tusschensteeksel, stuk leder tusschen de zolen. *-, binnendeel van een kanon; binnendeel eener pen; vliesje in den haring.
| |
[Zielangst]
Zielangst, m. gmv. onrust van het gemoed. *...BEUL, m. (-en), dwingeland, tiran; (fig.) knagend berouw, wroeging.
| |
[Ziele-adel]
Ziele-adel, m. gmv. verhevenheid van den mensch door uitstekende deugd. *...DWANG, m. gmv. gewetensdwang. *...GIF, o. gmv. vergif voor het gemoed. *...HEIL, o. gmv. *...LEER, v. gmv. *...RUST, v. gmv. kalmte des gemoeds. *...SLAAP, m. gmv. slaap des geestes. *...SMART, v. zielsverdriet. *...STREELEND, bn. aangenaam voor de zinnen. *...STRIJD, m. gmv. strijd in het gemoed.
| |
[Zielkunde]
Zielkunde, v. gmv. kennis -, leer der ziel en van hare eigenschap- | | | | pen.
*...LOOS, bn. en bijw. zonder ziel, levenloos. *...MIS, v. (-sen), godsdienstoefening ter nagedachtenis van overledenen. *...MISBOEK, o. (-en), kerkboek waarin de dooden staan opgeschreven. *...ROEREND, bn. en bijw. (-er, -st), treffend, hoogst aandoenlijk; pathetisch. -HEID, v. gmv.
| |
[Zielsaandoening]
Zielsaandoening, v. (-en), ontsteltenis. *...GEDACHTE, v. (-n), diep verborgen gedachte. *...GEKLAG, o. het smartelijk weeklagen. *...GENOEGEN, o. *...GENOT, o. *...GEVOEL, o. *...GEZIGT, o. (-en), vizioen. *...KRACHT, v. eigenschap der ziel; sterkte van gemoed; zelf-bedwang. *...VERDRIET, o. gmv. diep gevoeld leed. *...VERHEFFING, v. edele hoogmoed. *...VERHUIZING, v. *...VERLANGEN, o. vurige begeerte, hartgrondige wensch. *...VERMOGEN, o. (-s), vermogen der ziel, - van den geest. *...VERRUKKING, v. gmv. *...VERTROUWEN, o. gmv. *...VERVOERING, v. *...VREUGDE, v. *...VRIEND, m. (-en), -IN, v. (-nen), boezemvriend, -in, beminde.
| |
[Zieltje]
Zieltje, (B. *-N), o. (-s), (fig.) arme bloed, sukkel; vliesje in den haring; (fig.) een - winnen, iem. tot eene andere godsdienst of tot eene andere partij weten over te halen.
| |
[Zieltogen]
Zieltogen, ow. gel. (ik zieltoogde, heb gezieltoogd), op sterven liggen, weldra den geest geven. *-D, bn. op sterven liggende. *-DE, m. en v. (-n), die op sterven ligt. *...TOGING, v. doodsangst, doodstrijd. *...VERHEFFEND, bn. *...VERKOOPER, m. (-s), ronselaar, werver (van krijgsvolk). *...VERPESTEND, bn. *...VERZORGER, m. (-s), geestelijke, biechtvader.
| |
[Zien]
Zien, bw. ow. onr. (ik zag, heb gezien), de voorwerpen door middel van de oogen gewaar worden; aanschouwen, beschouwen, bezigtigen; opmerken, gadeslaan; veel menschen -, in vele gezelschappen verkeeren, (ook) veel bezoek ontvangen; hij ziet haar gaarne, hij houdt veel van haar, is op haar verliefd; wij zullen -, of laat ons -, wij zullen onderzoeken, - afwachten wat gebeurt; hij is daar wel gezien, hij is daar welkom, men heeft hem er gaarne; iets door de vingers -, oogluikend toelaten; iem. op de vingers -, zijne handelingen naauwkeurig gadeslaan; naar iets -, de blikken op iets werpen; voor zich -, niet achteruit zien; (fig.) oppassen, voorzigtig zijn; zie daar, daar is, daar hebt gij; zie hier, hier is, hier hebt gij; hij is -de blind, hij heeft oogen en ziet niet. *-ER, m. (-s), die ziet; (fig.) profeet, voorspeller, voorzegger; die vizioenen heeft. *-ING, v. het zien. *-LIJK, bn. en bijw. zigtbaar, te zien.
| |
[Zier]
Zier, v. (B.m.) (-en), *-TJE, (B. -N), o. (-s), huidwormpje; (fig.) zeer kleine hoeveelheid, uiterst weinig, genoegzaam niets; kruimeltje; geen -, volstrekt niets.
| |
[Zift]
Zift, v. (-en), zeef. *-BEEN, o. (-deren), (ontl.). *-EN, bw. gel. (ik ziftte, heb gezift), door eene zeef laten gaan of loopen; (fig.) vitten, uitpluizen; op alles iets aan te merken hebben; haarkloven, spitsvondig zijn. *-ER, m. (-s), die zift of zeeft; (fig.) bediller; taal-, purist. *-ERIJ, v. het ziften; (fig.) muggezifterij. *-ING, v. het ziften. *-SEL, o. wat bij het ziften door de zeef is gevallen.
| |
[Zigt]
Zigt, o. gmv. het zien, vertoon; op -, bij vertoon van (dezen
| | | |
wissel); betaalbaar acht dagen na -, acht dagen na vertoon. *-BAAR, bn. en bijw. (-der, B. ...arer, -st), -LIJK, bijw. gezien kunnende worden, waarneembaar door de oogen; (fig.) helder, duidelijk, klaar, blijkbaar. *-BAARHEID, v. gmv. eigenschap van hetgeen gezien kan worden; (fig.) blijkbaarheid. *-EINDER, m. gezigteinder. *-KUNDE, v. gmv. gezigtkunde. *-MAARTKRUID, o. gmv. zek. plant.
| |
[† Zigzag]
† Zigzag, in -, Z-vormig, kronkelend (van lijnen), hoeklijnig.
| |
[Zij]
Zij, (B. ZY), vnw. derde persoon vrouwelijk enkelvoud; (ook) meervoud van hij of zij. *-, v. zie ZIJDE.
| |
[Zijafdak]
Zijafdak, o. (-ken), deel eener scheepstimmerwerf. *...BALK, m. (-en), balk ter zijde aangebragt. *...BEENEN, *...BEENDEREN, o. mv. (ontl.).
| |
[Zijd]
Zijd, bijw. wijd en -, overal, van alle kanten, naar alle zijden.
| |
[Zijde]
Zijde, v. (-n), kant, gedeelte aan weêrskanten van het midden van iets; zek. ligchaamsdeel (boven de heup); deel eener bedstede; (zeew.) boord, regter- of linkerkant van een schip; (fig.) lijn van bloedverwantschap; streek; bladzijde; ter -, afzonderlijk; iemands - kiezen, zijne partij opvatten, zich voor iem. verklaren; dit is zijne zwakke -, op dit punt kan men hem treffen; eene - spek, zek. hoeveelheid spek; (zeew.) een schip op - leggen, (om het te kalfaten); de sloep op - (langs boord) halen; den vijand de breede - bieden, hem uit de bak- of stuurboordsbatterij beschieten; (fig.) scherts ter -, laat ons ophouden met schertsen; mijn oom van vaders -, mijns vaders broeder; mijn oom van moeders -, de broeder mijner moeder.
| |
[Zijde]
Zijde, v. gmv. zek. kostbare stof vervaardigd uit het spinsel van den zijdeworm; eene streng -, zek. hoeveelheid zijden draden; een stuk -, geweven stof om er kleedingstukken enz. van te vervaardigen; (fig.) hij zal er geen - bij spinnen, hij wint er niets bij. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als zijde, naar zijde gelijkende. *-DRUKKER, m. (-s), die figuren op zijden stoffen drukt. *-FABRIEK, v. (-en), plaats waar zijden stoffen vervaardigd worden. *-FABRIEKANT, m. (-en). *-HANDEL, m. gmv. *-HANDELAAR, m. (-s). *-HASPEL, m. (-s), gereedschap om zijden draden te winden. *-HASPELAARSTER, v. (-s), spoelster. *-KLOS, v. (-sen), zek. hoedenmakersgereedschap.
| |
[Zijdelings]
Zijdelings, bijw., *-CH, bijw. van ter zijde; niet regtstreeks, niet regtstreeksch; collateraal (van erfgenamen).
| |
[Zijdemolen]
Zijdemolen, m. (-s), molen ter bereiding van zijde.
| |
[Zijden]
Zijden, bn. van zijde vervaardigd.
| |
[Zijde-opening]
Zijde-opening, v. (-en), zijgat in eenen glasblazersoven. *...PIJN, v. (-en), pijn in de zijde; pleuris.
| |
[Zijdeplant]
Zijdeplant, v. (-en), zek. plant. *...SPINNER, m. (-s). -IJ, v. (-en), het zijde spinnen; plaats waar zijde gesponnen wordt. *...SPOEL, v. (-en), zek. werktuig.
| |
[Zijdesteek]
Zijdesteek, m. (...eken), steek -, pijn in de zijde; steek van ter zijde (bij het naaijen enz.).
| |
[Zijdeteelt]
Zijdeteelt, v. gmv. het aankweeken van zijdewormen. *...TWIJNDER, *...TWIJNER, m. (-s), die zijde bereidt. -IJ, v. (-en), het bereiden van zijde; plaats waar dit geschiedt.
| | | |
| |
[Zijdeur]
Zijdeur, v. (-en), deur ter zijde.
| |
[Zijdeverwer]
Zijdeverwer, m. (-s), *-IJ, v. (-en). *...WATTEN, m. mv.
| |
[Zijdewee]
Zijdewee, o. zijdepijn, pleuris.
| |
[Zijdewerk]
Zijdewerk, o. voorwerp van zijde vervaardigd, zijden stoffen. *-ER, m. (-s). *...WEVER, m. (-s), -IJ, v. (-en).
| |
[Zijdewinden, Zijwinden]
Zijdewinden, Zijwinden, m. mv. laterale winden.
| |
[Zijdewinkel]
Zijdewinkel, m. (-s), winkel waar zijden stoffen verkocht worden. *...WORM, m. (B.v.), (-en), zek. rups die tot pop geworden zijde geeft.
| |
[Zijdgeweer]
Zijdgeweer, o. (...eren), sabel, degen.
| |
[Zijgalerij]
Zijgalerij, *...GAANDERIJ, v. (-en), gaanderij ter zijde. *...GANG, m. gmv. het gaan naar eene zijde, - op zijde. -, (-en), gang ter zijde; (fig.) middel om in het geheim iets te erlangen.
| |
[Zijgbak]
Zijgbak, m. (-ken), bak waarin vocht doordruipt of zijgt, - men iets laat vallen dat doorgezegen is. *...DOEK, m. (-en), doek dienende om iets te laten doorzijgen, filtreerdoek. *...EN, bw. ong. (ik zeeg, heb gezegen), eene vloeistof door een ondigt voorwerp laten loopen om ze te zuiveren, filtreren. -, ow. (ik zeeg, ben gezegen), flaauw vallen, in onmagt geraken. *...ING, v. het zijgen. *...PAPIER, o. gmv. filtreerpapier.
| |
[Zij-jijn]
Zij-jijn, v. (-en), (zeew.) zek. touw. *...KAMER, v. (-s), voorkamer, spreekkamer. *...KLEP, v. (-pen), klep ter zijde aangebragt.
| |
[Zijl]
Zijl, v. (-en), afloop van water, waterloozing. *-REGT, o. regt van waterloop. *-VEST, m. (-en), zek. betrekking in een dijk- of polderbestuur.
| |
[Zijleuning]
Zijleuning, m. (-en), leuning ter zijde. *...LIJN, v. (-en), lijn ter zijde. *...LOK, v. (-ken), haarlok over de slaap van het hoofd. *...MUUR, m. (...uren), muur ter zijde, nevenmuur; deel van eenen schoorsteen.
| |
[Zijn]
Zijn, hulpw., zelfst. w., onr. (ik ben, was, ben geweest), wezen, bestaan, in wezen zijn; er -, aanwezig zijn, voorhanden zijn; zich bevinden. *-, o. het wezen, het bestaan. *-, vnw. van hem; de -e, die hem toebehoort; de -n, zijne bloedverwanten of betrekkingen, zijn aanhang. *-ENT (TEN), bijw. ten zijnen huize, bij hem, in zijn huis. *-ENTHALVE, *-ENTWILLE, bijw. om hem, uit liefde, uit achting voor hem. *-ENTWEGE, bijw. uit zijnen naam, voor hem.
| |
[Zijpaard]
Zijpaard, o. (-en), postiljonspaard naast het paard in den toom. *...PAD, o. (-en), pad ter zijde; (fig.) niet regtstreeksche weg.
| |
[Zijpelen]
Zijpelen, *...EN, *...EREN, ow. gel. (ik zijpelde, zijpte of zijperde, heb gezijpeld, gezijpt of gezijperd), langzaam afdruipen, lekken, bij droppels neêrvallen, straalsgewijze doordringen (van vocht); zijpende (leep)oogen. *...ELING, *...ING, *...ERING, v. het lekken. *...GAT, o. (-en), (heelk.) fontanel.
| |
[Zijplank]
Zijplank, v. (-en), plank ter zijde. *...LAP, m. (-pen), lap ter zijde aangebragt. *...RAAM, o. (...amen), raam ter zijde.
| |
[Zijreeden]
Zijreeden, ow. gel. zijde bereiden, twijnen. *...REEDER, m. (-s), *...REEDSTER, v. (-s).
| |
[Zijsje]
Zijsje, (B. *-N), o. (-s), zek. vogeltje.
| |
[Zijsprong]
Zijsprong, m. (-en), sprong van ter zijde. *...STOOT, m. (-en),
| | | |
(schermk.) stoot of steek van ter zijde, - in de zijde. *...STUK, o. (-ken), stuk van ter zijde aangebragt, gedeelte aan den kant van iets; wang (houtwerk); deel van een stuk slagtvee; deel van eenen schoen; deel eener pers; deel van een rolpaard, enz. *...TOUW, o. (-en), boelijn. *...WEG, m. (-en), weg naast of ter zijde van den grooten weg, omweg; (fig.) niet regtstreeksche weg, geheim middel. *...WIND, m., *...WORM, m. (B.v.) zie ZIJDEWIND, ZIJDEWORM. *...ZEIL, o. (-en), (zeew.) boelijnszeil.
| |
[Zilt]
Zilt, *-IG, bn. (-er, -st), zoutig, zoutachtig; de zilte stroomen, het zilte nat, de zee. *-HEID, *-IGHEID, v. gmv. zoutachtige smaak,
| |
[Zilver]
Zilver, o. gmv. een der edele metalen; zilverwerk, zilveren voor. werpen; (inz.) zilveren lepels en vorken; (scheik.) Luna; (fig.) zilvergeld-nieuw -, russisch -, mengsel van zilver met andere metalen. *-ACH TIG, bn. (-er, -st), als zilver; (fig.) helderklinkend (van geluid). *-ADER, v. (-en), ader in eene zilvermijn. *-ARBEID, m. gmv. voorwerpen van zilver. *-BERGWERK, o. (-en), zilvermijn. *-BEWAARDER, m. (-s), bewaarder van zilveren vaatwerk enz. *-BLAD, o. (-en), stuk uitgeplet zilver. *-BLANK, bn. wit als zilver. *-BLENDE, *-BLINDE, v. (-n), zilverhoudende mijn. *-BLIK, o. gmv. geplet zilver. *-BOOM, m. (-en), zek. afrikaansche boom; (scheik.) zilver met kwikzilver vermengd. *-DRAAD, m. (...aden), als draad getrokken zilver; (ook) garen of zijde met zilver bezet. *-DRAAD-TREKKER, m. (-s), vervaardiger van zilverdraad. *-DRAGEND, bn. zilver of zilverstof bevattende. *-DRUK, m. gmv. zilveren letters, papier met zilver bedrukt. *-DUIKER, m. (-s), zek. vogel. *-EN, bn. van zilver vervaardigd; - stem, bijzonder helder of fraai klinkende stem; - bruiloft, feestviering ter gelegenheid van eene 25jarige echtvereeniging; - feest, elk feest ter herinnering van iets dat 25 jaren geleden is; - haren, grijs haar. *-EN, bw. gel. (ik zilverde, heb gezilverd), met zilver overdekken, verzilveren. *-ERTS, m. gmv. delfstof, het zilver zoo als het uit de mijn komt. *-FAISANT, m. (-en), zek. vogel. *-GELD, o. gmv. zilveren muntstukken. *-GLANS, m. gmv. het schitteren van zilver. *-GLIT, o. wat van het gesmolten zilver bovendrijft. *-GOED, o. gmv. voorwerpen van zilver (inz. tot huiselijk gebruik). *-GRAAUW, *-GRIJS, bn. witachtig. *-GROEF, v. (...ven), zilvermijn. *-KAMER, v. (-s), kamer waar het zilver bewaard wordt. *-KAS, v. (-sen), *-KAST, v. (-en), kas of kast waarin zilveren voorwerpen bewaard worden. *-KLANK, m. (-en), zeer heldere klank. *-KLEUR, v. gmv. *-KLEURIG, bn. *-KLOMP, *-KOEK, m. (-en), gestold zilver na gesmolten te zijn. *-KORREL, v. (-s). *-KRUID, o. gmv. zek. gewas. *-LING, m. (-en), oud-israelietische munt, sikkel. *-LOOVERTJE, (B. -N), o. (-s), zeer dun en klein plaatje zilver. *-MAKEND, bn. *-MEID, v. (-en), dienstbode met het bewaren en schoonhouden van het zilvergoed belast. *-MIJN, v. (-en), onderaardsche plek die zilvererts oplevert. *-MUNT, v. (-en), zilvergeld. *-PLAAT, v. (...aten), plaat van zilver. *-PROEF, v. (...ven), proefneming om de gehalte van zilver te kennen. *-PROEVER, m. (-s), † essayeur. *-RIJK, bn. rijk aan zilver. *-SCHOON,
| | | |
bn. glinsterende als zilver. *-SCHUIM, o. wat van het gesmolten zilver overblijft. *-SERVIES, o. (...zen), zilveren voorwerpen ten gebruike aan de tafel. *-SMID, m. (...eden), vervaardiger van zilveren voorwerpen. *-STAAF, v. (...aven), baar zilver. *-STEEN, m. (-en), zek. delfstof. *-STOF, o. gmv. nazand, poeder of stof dat van het zilver afvalt bij het bewerken. *-STOFFE, v. (-n), geweven stof van zilver voorzien. *-VERGULD, bn. verguld zilver. *-VERWIG, bn. de kleur van zilver hebbende. *-VISCH, m. (...sschen), zek. visch. *-VLOOT, v. (gesch.) aantal schepen die belast waren met het halen van zilver en goud uit Peru; de spaansche -. *-WERK, o. gmv. zilveren voorwerpen. *-WIT, bn. zoo wit als zilver. *-ZAND, o. gmv. poeder van zilver.
| |
[Zim]
Zim, o. gmv. eerbied, ontzag; (fig.) iem. onder het - (onder den duim) houden.
| |
[Zin]
Zin, m. (-nen), vermogen waardoor men eene gewaarwording ontvangt; de vijf -nen, (gezigt, gevoel, gehoor, reuk, smaak). *- (fig.) zintuig. *-, gedachte, verbeelding; trek, smaak, begeerte, lust; beteekenis, meening, geest (waarin iets opgevat wordt); veel hoofden veel -nen, hoe meer menschen over eene zaak gehoord worden hoe minder gemakkelijk men tot een besluit komt; van -s zijn, voornemens zijn; - hebben in iets, iets begeeren, iets wenschen in bezit te hebben; hij heeft - in (is verliefd op) dat meisje; ik zal uwen - doen, ik zal doen wat gij verlangt of begeert; van zijne -nen beroofd, gek, waanzinnig; zet dat uit uwe -nen, denk daar niet meer aan; (eert.) spelen van -, zek. rederijkers-voordragt. *-, volzin, lid, alinea. *-DEEL, o. (-en), deel van eenen volzin; voor-, na-.
| |
[Zindelijk]
Zindelijk, bn. en bijw. (-er, -st), rein, zuiver; net, schoon. *-HEID, v. gmv.
| |
[Zinduiding]
Zinduiding, v. (-en), aanwijzing der beteekenis (van iets).
| |
[Zingen]
Zingen, bw. ow. ong. (ik zong, heb gezongen), liederen voordragen naar de regelen der toonkunst; geluid geven (van sommige vogels); sissen van water dat boven het vuur hangt en nabij het kookpunt is. *...BAAR, bn. gezongen kunnende worden. *...ER, m. (-s), die zingt; zanger. *...FLUITJE, (B. -N), o. (-s), zek. blaas-speeltuig, † flageolet. *...GEZELSCHAP, o. (-pen), liedertafel. *...GLAS, o. (...zen). *...KOOR, o. (...oren), plaats (in de kerk) voor de zangers bestemd. *...ORGELTJE, (B. -N), o. (-s), orgeltje om vogels te leeren zingen.
| |
[Zink]
Zink, o. gmv. zek. delfstof. *-BLOEM, v. (scheik.). *-BOOR, v. (...oren), spitsboor, ronde vijl, zek. gereedschap. *-EN, bn. van zink vervaardigd.
| |
[Zinken]
Zinken, ow. ong. (ik zonk, ben gezonken), naar de diepte -, naar beneden gaan; te gronde gaan (van schepen); in een diepen slaap gezonken (gevallen) zijn; hij is diep gezonken, hij is (door tegenspoed of slecht gedrag) zeer tot verval geraakt; laten - (zakken); den moed laten - (verliezen). *...GAT, o. (-en), (zeew.) gat waardoor het vuile water wordt afgevoerd.
| |
[Zinking]
Zinking, v. (-en), zek. ongesteldheid. *-ACHTIG, bn. *-KOORTS, v. (-en). *-PIJN, v. (-en). *-PLEISTER, v. (-s). *-SNUIF, v. gmv.
| | | |
| |
[Zinklood]
Zinklood, o. (-en), peillood, dieplood. *...NOOT, v. (...oten), noot (inz. hazelnoot) die vol en goed is. *...PLAAT, o. (...aten), plaat van zink. *...PLAT, o. (-ten), plat van zink. *...PUT, m. (-ten), onderaardsche opening waarin voorwerpen neêrzakken; (fig.) dit valt in eenen -, alle bijstand helpt hier niet. *...ROER, o. (-en), zek. schiet-geweer. *...SEL, o. uitgebrand vet (der kaarsenmakers). *...STEEN, m. (-en), steen aan een net, - aan eene lijn. *...TON, v. (-nen), volle ton.
| |
[Zinnebeeld]
Zinnebeeld, o. (-en), aanschouwelijke voorstelling van iets niet werkelijks, figuur, symbool, allegorie; attribuut, devies. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), niet werkelijk. *-ELIJK, bijw. bij wijze van zinnebeeld. *...LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), onder het bereik der zinnen vallende; wulpsch, wellustig; gevoelig. -HEID, v. gmv. waarneembaarheid door de zinnen; wulpschheid; gevoeligheid; smaak, hang, trek, lust. *...LOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), zonder zinnen, beroofd van zinnen, krankzinnig; onzinnig, dwaas; raaskallend. -HEID, v. gmv. waanzin, krankzinnigheid. -, (...heden), onzinnige -, dwaze daad.
| |
[Zinnen]
Zinnen, ow. ong. (ik zon, heb gezonnen), peinzen, overdenken.
| |
[Zinnespel]
Zinnespel, o. (-en), (eert.) tooneelmatige voorstelling van rederijkers.
| |
[Zinrijk]
Zinrijk, bn. en bijw. (-er, -st), snedig, geestig, vernuftig; krachtig (van een gezegde). *-HEID, v. gmv. nadruk, kracht (van stijl). *...SCHEIDING, v. (taalk.) het afdeelen der volzinnen door leesteekens, † punctuatie. *...SLOT, o. einde -, laatste woorden van eenen volzin. *....SNIJDING, v. (-en), rust, plaats waar men onder het lezen moet ophouden; zinteeken, leesteeken. *...SPELEN, ow. gel. (ik zinspeelde, heb gezinspeeld), sprekende of schrijvende (op iets of iem.) doelen, iets bedektelijk aanduiden of te kennen geven. *...SPELING, v. (-en), † allusie. *...SPREUK, v. (-en), spreuk die eene bijzondere beteekenis of een nadrukkelijk zin heeft; kenspreuk (van een adellijk geslacht, een genootschap, een voornaam persoon enz.), leus, † devies. *...SPREUKIG, bn. en bijw. *...TEEKEN, o. (-s), leesteeken. *...TUIG, o. (-en), ligchaamsdeel waardoor de zinnen werken, werktuig van den zin. *...TWISTEN, ow. gel. (ik zintwistte, heb gezintwist), twisten over den zin of de beteekenis van een woord. *...TWISTING, v. (-en). *...VERMAAK, o. uitspanning, genot. *...VERZETTING, v. (-en), zek. redekunstige figuur.
| |
[Zitbank]
Zitbank, v. (-en), bank om er op te zitten. *...BEEN, o. (-deren), (ontl.) heupbeen. *...DAG, m. (-en), dag waarop eene vergadering gehouden wordt, - eene regtbank zitting houdt. § *...GAT, o. (fig.) hij is (of heeft) geen -, hij kan niet lang achtereen zitten (te werken enz.). *...KUSSEN, o. (-s). *...PLAATS, v. (-en). *...TEN, ow. ong. (ik zat, heb of ben gezeten), gezeten zijn, rusten op eenen zetel, eenen zetel innemen; vergaderd zijn, vergadering houden; op eenen tak rusten (van vogels); (fig.) zich in de gevangenis bevinden; (zeew.) gestrand zijn, onbewegelijk zijn; in den raad -, lid van den raad zijn; vast -, gekerkerd zijn; (zeew.) den grond raken; ik zit er mede aan den grond, ik ben er mede verlegen; gaan -, zich nederzetten; blijven -, niet opstaan; (ook fig.) niet vooruitkomen, niet bevorderd worden (op scholen, in ambtsbediening enz.); ledig -, werkeloos zijn,
| | | |
niets doen; niets te doen hebben; op den troon -, als souverein regeren; (ook fig.) het gezag in handen hebben; laten -, verlaten; niet omzien naar; afzien van; hij liet haar -, hij verliet haar, hij bekommerde zich niet meer om haar; hij liet haar goed -, hij liet haar fortuin na; hij zit er goed (of wel) in, hij is zeer bemiddeld; veel geld er bij laten - (verliezen); deze rok zit (kleedt) u goed; zij zal wel blijven - (wel niet trouwen); er zit mij veel slijm op de borst, mijne borst is vol slijm; daar zit niets op, er is niets aan te doen, er is geen voordeel van te halen; daar zit niets anders op dan..., alleen dit kan nog gedaan of beproefd worden; daar zit de dood op, de doodstraf is hiertegen bedreigd; daar zit het juist, dat is juist de zaak; op de eijeren -, broeden, uitbroeden (van vogels); (bilj.) de bal zit (is gemaakt); veel -, weinig uitgaan; elk, in de haren -, handgemeen zijn; (ook fig.) een scherpen pennestrijd voeren. *...TEND, bn. gezeten; een - leven leiden, weinig beweging hebben. *...TER, m., *...STER, v. (-s), die zit; die altijd vlijtig werkt. *...TERS, m. mv. (zeew.) zek. houtwerk. *...TING, v. (-en), vergadering, bijeenkomst; tijdperk van de opening tot de sluiting eener (inz. wetgevende) vergadering; zitplaats, stoel, bank; bekleedsel van stoelen (b.v. van trijp, fluweel enz.); tijd tot het verrigten van iets besteed; sekreetbril; - houden, vergaderd zijn; (ook) zich op eene bepaalde plaats bevinden om menschen te spreken; - nemen, voor het eerst eene vergadering als lid bijwonen; - met gesloten deuren, geheime -, comité-generaal; -jaar, duur eener wetgevende zitting. *...UUR, o. tijd gedurende welken eene vergadering duurt; tijdstip waarop eene bijeenkomst aanvangt.
| |
[Zode, (Zoo, Zoô)]
Zode, v. (-n), (Zoo, Zoô), met eene spade afgestoken stuk grasland; zek. hoeveelheid voedingsmiddelen (inz. visch) voor eenen maaltijd genoegzaam; (spr.) dat brengt geen zoden aan den dijk, dat geeft geen voordeel. *-, heete -, zuur in de maag, oprispingen. *-, het water is ann de zoô, het water kookt.
| |
[Zodiak]
Zodiak, m. dierenriem, zonneweg.
| |
[Zoek]
Zoek, bijw. - zijn, niet gevonden kunnende worden; verborgen zijn; - maken, verduisteren, (geld) verkwisten; zich - maken, zich stil verwijderen. *-EN, bw. onr. (ik zocht, heb gezocht), trachten te vinden (iets dat verloren is); pogingen aanwenden, trachten; die zoekt die vindt, met vlijt en inspanning bereikt men zijn doel; (zeew.) eene haven -, naar eene haven stevenen; gezocht zijn, veel navraag hebben (van koopwaren); (ook) overal goed ontvangen worden. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), die zoekt. *-ER, m. (-s), (zeew.) voorste gedeelte van eenen zoekerbout. *-ERBOUT, m. (-en), (zeew.). *-ING, v. het zoeken; onderzoek.
| |
[Zoel]
Zoel, bn. en bijw. (-er, -st), benaauwd, afmattend, week, eenigzins warm, loom. *-HEID, v. gmv. warme -, loommakende weêrsgesteldheid.
| |
[Zoen]
Zoen, m. (-en), kus. *-, gmv. verzoening, het vrede maken of sluiten; (fig.) verbetering; (zeew.) het biedt geen -, het weêr wil niet bedaren. *-EN, bw. gel. (ik zoende, heb gezoend), kussen, kussen geven; omhelzen. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), die zoent. *-GELD, o. geld dat betaald wordt als boete. *-OFFER,
| | | |
o. (-s), *-OFFERANDE, v. (-en), offer tot uitwissching van zonden. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine zoen.
| |
[Zoet]
Zoet, bn. en bijw. (-er, -st), het tegenovergestelde van bitter of zuur; aangenaam (voor den smaak, het gehoor enz.); beminnelijk, zachtaardig, gehoorzaam, volgzaam (van kinderen); (fig.) gedwee, onderworpen; - water, drinkbaar water, rivierwater; (fig.) 's levens - en zuur, de aangenaamheden en de wederwaardigheden des levens. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), eenigzins zoet. *-BOORSCHAAF, v. (...aven), zek. schrijnwerkersgereedschap. *-EKERS, v. (-en), zek. gewas. *-EKLAVER, v. zek. gewas. *-EKOEK, m. (-en), soort gebak; (fig.) moet ik alles voor - opnemen? moet ik mij dit alles laten welgevallen?
| |
[Zoetelaar]
Zoetelaar, m. (-s), marketenter. *-STER, v. (-s), marketentster. *...LEN, ow. gel. (ik zoetelde, heb gezoeteld), spijs en drank in een leger verkoopen.
| |
[Zoetemelksch]
Zoetemelksch, bn. van zoetemelk gemaakt; -e kaas.
| |
[Zoeten]
Zoeten, bw. ow. gel. (ik zoette, heb gezoet), zoet maken, worden.
| |
[Zoetheid]
Zoetheid, v. gmv. het zoete; gedweeheid (van kinderen). *...HOUT, o. gmv. zek. geneeskrachtig gewas.
| |
[Zoetigheid]
Zoetigheid, v. gmv. het zoete, eigenschap van zoet te zijn; (fig.) aangenaamheid, bevalligheid, liefelijkheid; winst, voordeel. *-, (fig.) zoetigheden, lekkernijen, snoeperijtjes.
| |
[Zoetjes]
Zoetjes, (B. ZOETJENS), bijw. zacht, zachtkens; bedaard, zonder overijling, langzaam; niet hard op, niet overluid.
| |
[Zoetluidend]
Zoetluidend, bn. en bijw. (-er, -st), aangenaam klinkend. *-HEID, v. gmv. welluidendheid. *...MAKEND, bn. *...MAKING, v. *...SAPPIG, bn. (-er, -st), laf, zoet; (fig.) laf, zouteloos; vleijend, verlokkend. *...SPRAKIG, *...SPREKEND, bn. met eene aangename taal; (fig.) vleijend. *...VIJL, v. (-en), zek. gereedschap. *...VLOEIJEND, (B. ...IEND), bn. (-er, -st), aangenaam, welluidend; welsprekend. -HEID, v. gmv.
| |
[Zog]
Zog, v. (-gen), zeug, wijfje van het varken. *-, o. gmv. moedermelk; (zeew.) spoor dat het schip in het opborrelend water achterlaat, doodwater; kielwater; (fig.) in iemands - varen, hem volgen.
| |
[Zogen]
Zogen, bw. gel. (ik zoogde, heb gezoogd), laten zuigen (een kind aan de borst), met moedermelk voeden.
| |
[Zoggat]
Zoggat, o. (-en), (zeew.) vullingsgat; (ook) hok waar kogels in geborgen worden. *...GEBREK, o. gmv. het niet of niet genoeg voorhanden zijn van moedermelk. *...KOORTS, v. (-en), koorts door de zog veroorzaakt (inz. bij eene kraamvrouw). *...STUKKEN, o. mv. (zeew.) zek. houtwerk. *...WATER, o. gmv. water dat achter het schip opborrelt.
| |
[Zolder]
Zolder, m. (-s), eene der bovenverdiepingen van een gebouw; bovengedeelte -, dekking eener kamer; houten verhevenheid tot verhooging van den grond; (fig.) bewaar-, bergplaats. *-DEUR, v. (-en), deur die toegang geeft tot eenen zolder. *-EN, bw. gel. (ik zolderde, heb gezolderd), op den zolder leggen, - brengen; gezolderd zijn, op den zolder bewaard liggen. -, van eene zoldering voorzien, † plafouneren. *-ING, v. gmv. het zolderen. -, (-en), ver- | | | | dieping
van een gebouw; bovenvloer, bedekking (eener kamer), † plafond. *-GRENDEL, m. (-s). *-HUUR, v. (...uren), geld dat voor het gebruik eens zolders betaald wordt. *-KAMER, v. (-s), kamer op de bovenste verdieping van een huis; gedeelte van eenen zolder dat tot eene kamer is ingerigt; (fig.) op een -tje wonen, zeer armoedig gehuisvest zijn. *-LUIK, o. (-en). *-RIB, v. (-ben), zek. houtwerk. *-STOK, m. (-ken), lange houten stok of staak waaraan nat waschgoed te droogen wordt gehangen. *-TRAP, m. (-pen). *-VENSTER, o. (-s).
| |
[Zolen]
Zolen, bw. gel. (ik zoolde, heb gezoold), zolen onder schoenen of laarzen zetten.
| |
[Zomer]
Zomer, m. gmv. het tweede der vier jaargetijden (van 21 Junij tot 21 September); des -s, in -, gedurende den zomer. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), van den zomer; als in den zomer. *-AVOND, m. (-en). *-BEZOEK, o. (-en), bezoek dat men des zomers aflegt. *-BLOEM, v. (-en). *-DAG, m. (-en). *-DIJK, m. (-en), kleine dijk. *-DRADEN, m. mv. (plant.) vezelen die gedurende den zomer in de lage lucht zweven. *-EN, onp. w. gel. het zomert, het begint warm te worden. *-GARST, v. gmv. vroege garst. *-GEWAS, o. (-sen). *-GOED, o. gmv. planten -, vruchten die in den zomer goed zijn, die slechts één zomer duren; kleedingstukken ten gebruike in den zomer. *-GRAAN, o. *-HAAR, o. (van dieren). *-HITTE, v. gmv. het branden der zon in den zomer. *-HUISJE, (B. -N), o. (-s), landhuisje, buitenverblijf; priëel. *-KADE, v. (-n), kleine dijk of dam. *-KEUKEN, v. (-s). *-KLEED, o. (-eren, -en). *-KOREN, o. gmv. *-LOON, o. (-en), loon voor arbeid die des zomers verrigt wordt. *-LUCHT, v. gmv. *-LUST, m. gmv. uitspanning in den zomer. *-MAAND, v. Junij. *-MORGEN, m. *-OCHTEND, m. (-en). *-NACHT, m. (-en). *-PEER, v. (...eren). *-REGEN, m. (-s). *-ROGGE, v. gmv. vroege rogge. *-ROOS, v. (...ozen), zek. bloem. *-SCH, bn. van -, in den zomer. *-SPROETEN, v. mv. zek. vlekjes in het aangezigt. *-STOPPELS, m. mv. (landb.). *-TARWE, v. gmv. vroege tarwe. *-TIJD, m. gmv. het warme saizoen. *-VERBLIJF, o. (...ven), buitenplaats, lusthuis. *-VOEDER, *-VOÊR, o. gmv. voedsel der dieren gedurende den zomer. *-VLEK, v. (-ken), roode plek op het aangezigt. *-VLEKKIG, *-VLAKKIG, bn. sproetig. *-VOGEL, m. (-s). *-VREUGD, v. gmv. *-VRUCHT, v. (-en). *-WEDER, *-WEÊR, o. gmv. *-WERK, o. gmv. arbeid die in den zomer is of wordt verrigt. *-WONING, v. (-en). *-ZAAD, o. *-ZIJDE, v. zuidzijde. *-ZONNESTAND, m. (sterr.).
| |
[Zon]
Zon, v. gmv. vaste ster om welke de aarde en de andere planeten van ons zonnestelsel draaijen; als sterrekundig teeken aangeduid door ; het rijzen, dalen, opgaan, ondergaan der -; (zeew.) de - meten of schieten, hare hoogte berekenen, peilen; de - staat, zij is op haar hoogst; (fig.) de rijzende - aanbidden, zich indringen bij hen die tot voorspoed en aanzien geraken; hij laat de - niet van zich schijnen, hij is niet mededeelzaam, - niet milddadig; hij mag niet zien dat de - in het water schijnt, het hindert hem dat ook anderen zich vermaken. *-, (-nen), zonvormig voorwerp, (inz. vuurwerk);
| | | |
orde van de - en den Leeuw, perzische ridderorde. *-, (zeew.) scheur of plek in de kiel of eenig ander scheepsdeel dat verweloos gebleven is. *-AANBIDDER, m. (-s), *-AANBIDSTER, v. (-s), die de zon als godheid vereert. *-AANBIDDING, v. gmv.
| |
[Zondaar]
Zondaar, m. (-s, ...aren), *...ARES, v. (-sen), die zondigt, die zonde begaan heeft.
| |
[Zondag]
Zondag, m. (-en), eerste dag der week, dag des Heeren; des -s, op Zondag. *-SCH, bn. van Zondag, op den Zondag betrekking hebbende; op zijn - (zeer net, met het beste gewaad) gekleed. *-SKIND, o. (-eren), kind op Zondag geboren. *-SKLEED, o. (-eren), *-SGEWAAD, *-PAK, o. het beste kleedingstuk. *-SLETTER, v. letter die aanwijst op welken dag der week de eerste Zondag in hetjaar viel. *-SCHOOL, v. (...olen), school waar op Zondag (inz. stichtelijk) onderwijs gegeven wordt. *-SPREEK, v. (...eken).
| |
[Zonde]
Zonde, v. (-n), overtreding der goddelijke of kerkelijke wet; (spr.) het is - en schande, het is hoogst laakbaar en zeer te betreuren; voor zijne - boeten. *-LOOS, bn. zonder zonde, vrij van zonde. *-LOOSHEID, v. gmv. *-NREGISTER, o. (fig.) iemands - openleggen, opsommen al het verkeerde door hem bedreven.
| |
[Zonder]
Zonder, vw. niet in het bezit van, buiten (iets of iem.); hij is - geld, hij heeft geen geld. *-, vw. niet; dit geschiedt - dat hij het weet (buiten zijn weten). *-BAAR, bn. (-der, ...arer, -st), *-LING, bn. en bijw. (-er, -st), vreemd, niet alledaagsch, ongewoon. -HEID, v. gmv.
| |
[Zondig]
Zondig, bn. (-er, -st), overhellende tot zonde, aan de zonde overgegeven; zonden bedrijvende. *-EN, ow. gel. (ik zondigde, heb gezondigd), zonden begaan, in strijd met de goddelijke en kerkelijke wetten handelen. *-HEID, v. gmv. schuld.
| |
[Zondoffer]
Zondoffer, o. (-s), zoenoffer. *...VLOED, m. gmv. groote watervloed die volgens het Bijbelverhaal de wereld met al wat er op was verzwolg.
| |
[Zoneclips]
Zoneclips, v. (-en), zonsverduistering. *...LICHT, o. gmv. licht der zon.
| |
[Zonnebeeld]
Zonnebeeld, o. (-en), (sterr.). *...BLINDE, v. (-n), soort gordijn of luik ter bescherming tegen de zonnestralen, † jalousie. *...BLOEM, v. (-en), soort bloem. *...CIRKEL, m. (sterr.) zodiak; reeks van 19 jaren na verloop waarvan de datums weder op dezelfde dagen vallen. *...DAK, o. (-en). *...DEK, o. (-ken), (zeew.) tent over het dek gespannen. *...DAAUW, m. gmv. zek. verschijnsel in het weder; (ook) zek. plant. *...FAKKEL, v. (-s), (dicht.) de toorts van den dag. *...GLANS, m. gmv. het schitteren van de zon. *...GLAS, o. (...zen), zonnekijker. *...GLOED, m. gmv. het branden der zon. *...GOD, m. (fab.) Phoebus, Apollo. *...HOED, m. (-en), breedgerande hoed. *...HOOGTE, v. gmv. (sterr.). *...JAAR, o. (...aren), jaar dat volgens den omloop der aarde om de zon wordt berekend (in tegenstelling van maanjaar). *...KEERKING, m. (aardr., sterr.). *...KIJKER, m. (-s), zek. werktuig. *...KLAAR, bn. en bijw. zoo helder -, zoo duidelijk als de dag, onbetwistbaar, ontegenzeggelijk. *...KRING, m.
| | | |
gmv. (sterr.) zodiak; (dicht.) jaar. *...LICHT, o. gmv. licht der zon. *...LOOP, o. gmv. (sterr.). *...MAAGD, v. (-en), (oudt.) priesteres aan de zon gewijd. *...METER, m. (-s), zek. werktuig.
| |
[Zonnen]
Zonnen, bw. gel. (ik zonde, heb gezond), in de zon leggen, aan de werking der zonnestralen blootstellen. *-ONDERGANG, m. het ondergaan der zon, het vallen van den avond.
| |
[Zonnepaard]
Zonnepaard, o. (fab.). *...RING, m. (sterr.). *...SCHERM, o. (-en), † parasol, voorwerp ter beveiliging van hoofd en aangezigt tegen de zonnestralen; (ook) vensterscherm, soort jalousie; tent voor eenen winkel. *...SCHIJF, v. gmv. (sterr.). *...SCHIJN, v. gmv. het schijnen -, het lichtgeven der zon; (spr.) na regen komt -, op verdriet volgt vermaak. *...SCHUW, bn. het zonlicht vliedende. *...STAND, *...STILSTAND, m. (sterr.). *...STEEK, m. zeer gevaarlijke uitwerking door den fellen zonneschijn op de hersens uitgeoefend, hersenziekte daardoor veroorzaakt. *...STEEN, m. (-en), soort opaalsteen. *...STELSEL, o. de zon, maan en andere planeten te zamen genomen; leer der hemelsche ligchamen en van hunne beweging. *...STOPJE, (B. -N), o. (-s), † atoom, bijna onmerkbaar stofdeeltje. *...STRAAL, m. (...alen). *...TANING, v. kortstondige verduistering der zon. *...VLAK, *...VLEK, v. (-ken), vlak die men op de zon waarneemt. *...VLECHT, v. (-en), (ontl.). *...VOGEL, m. (-s), paradijsvogel. *...WAGEN, m. (fab. en dicht.). *...WEG, m. (sterr.) † celiptica. *...WENDE, v. (plant.) zonnebloem. *...WIJZER, m. (-s), tijdwijzer door middel der zonnestralen.
| |
[Zonnig]
Zonnig, bn. blootgesteld aan de zon; het is hier -, de zon schijnt hier sterk.
| |
[Zonsafstand]
Zonsafstand, m. *...AZIMUTH, o. regte standplaats der zon bij haren ondergang. *...DECLINATIE, v. afwijking der zon van de linie. *...EFFENING, *...EVENING, v. (tijdr.) uitlating van drie schrikkeljaren. *...HOOGTE, v. hoogte der zon op den middag (waardoor op zee de breedte wordt waargenomen). *...VERDUISTERING, v. het onzigtbaar worden der zon ten gevolge van den stand der maan tnsschen haar en de aarde.
| |
[Zoo]
Zoo, bijw. en vw. op deze (of die) wijze, dus; indien, wanneer, als; het zij -, dus geschiede het; amen; dan zus dan -, dan op deze dan op gene wijze; -doende, door op deze wijze te handelen; even-, op dezelfde -, op gelijke wijze; - niet, anders, bij gebreke hiervan; - (even) rijk als. *-, aanstonds, onmiddellijk; ik kom - (dadelijk); ik ben - (pas) aangekomen. *-, hoe; - oud ik ook zij. *-DANIG, bn., -LIJK, bijw. op zulk eene wijze, van zulk eenen aard, dergelijk; zoodat.
| |
[Zoode]
Zoode, v. (zeew.) zie POMPZODE.
| |
[Zoodje]
Zoodje, (B. *-N), o. (-s), kleine graszode; geringe hoeveelheid (visch, groente enz.).
| |
[Zoodra]
Zoodra, bijw. onmiddellijk, onverwijld, zoo spoedig mogelijk.
| |
[Zoogbroeder]
Zoogbroeder, m. (-s), *...ZUSTER, *...DOCHTER, v. (-s), die met anderen door dezelfde vrouw gezoogd wordt of is. *...DIER, o. (-en), dier dat zijne jongen zoogt.
| |
[Zoogenaamd]
Zoogenaamd, bn. van dien naam; beweerd; -e vriend, die geen vriend is.
| | | |
| |
[Zooghengst]
Zooghengst, m. (-en), *...KALF, o. (...veren), *...LAM, o. (-meren), *...VARKEN, o. (-s), hengst die -, kalf -, lam -, varken dat nog zuigt. *...KIND, o. (-eren), kind dat zuigt, kind dat bij eene min besteed is. *...STER, v. (-s), vrouw die een kind met hare melk voedt, min.
| |
[† Zoögraphie]
† Zoögraphie, v. gmv. beschrijving der dieren.
| |
[Zool]
Zool, v. (zolen), onderst vlak van den voet; onderleder van schoeisel; onderstuk van eene affuit. *-LEDER, *-LEÊR, o. gmv. (schoenm.).
| |
[† Zoölogie]
† Zoölogie, v. gmv. leer -, kennis der dieren; dierkunde. *...GISCH, bn. dierkundig; -e tuin, diergaarde. *...PHIEL, m. (-en), dierenvriend. *...PHIET, m. (-en), plantdier.
| |
[Zoom]
Zoom, m. (-en), vouw, rand (van een kleed of ander voorwerp); omgeslagen en digtgenaaide rand (van linnen, laken, lood enz., van eenen doek enz.); boord, oever, strand; kant (van een bosch, eenen akker enz.); (ontl.) rand (van het oor); (zeew.) broeking eener vlag. *-EN, bw. gel. (ik zoomde, heb gezoomd), eenen zoom maken, - naaijen, omboorden. *-MACHINE, v. (-n), werktuig om spoedig en gemakkelijk te zoomen. *-TOUW, o. (-en), (zeew.) zek. touw aan een zeil; einde van een vischnet. *-WERK, o. gmv. (zeew.).
| |
[Zoon]
Zoon, m. (-s, zonen), kind van het mannelijk geslacht; (fig.) de verloren -, (bijbelsche gelijkenis). *-SCHAP, o. gmv. hoedanigheid van zoon. *-SDOCHTER, v. (-s), kleindochter. *-SKIND, o. (-eren), kleinkind. *-SVROUW, v. (-en), schoondochter. *-SZOON, m. (...onen), kleinzoon.
| |
[Zoopje]
Zoopje, (B. *-N), o. (-s), teugje, slokje sterke drank. *-SMAN, m. (-nen), tapper.
| |
[Zoor]
Zoor, bn. en bijw. (-der, -st), ruw, stram, scherp, hard, droog. *-HEID, v. het ruwe.
| |
[Zorg]
Zorg, v. (-en), oplettendheid; bevlijtiging (om iets goed te doen); - dragen voor iets, er op passen, het bewaken. *-, ongerustheid, bekommering, verdriet; hij heeft veel - of -en, het gaat hem niet voordeelig. *-, m. en v. iem. (inz. hoogbejaarde) die zeer bezorgd is. *-, (fig.) leuningstoel, zorgstoel. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), met sorg; bekommerd. *-BAND, m. (zeew.) zek. touwwerk. *-DRAGEND, bn. (-er, -st), oppassend; niet ligtvaardig; behartigend. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), ongerust, bekommerd; onrustbarend, hagehelijk, gevaarlijk; in -e omstandigheden. *-ELOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), onbezorgd, zonder zorg; onverschillig; achteloos, nalatig. -HEID, v. gmv.
| |
[Zorgen]
Zorgen, ow. gel. (ik zorgde, heb gezorgd), zorg dragen, - hebben; waken voor; voor iets -, iets goed behartigen, in iets voorzien, maken dat iets gebeuren zal, - zal worden gedaan enz. *-, ongerust zijn. *...ER, m., *...STER, v. (-s), die zorgvuldig is.
| |
[Zorgketting]
Zorgketting, m. (B.v.) (-en), (zeew.). *...LIJN, v. (-en), (zeew.) zek. touwwerk.
| |
[Zorgvuldig]
Zorgvuldig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. zorgdragend, oplettend, waakzaam; naauwkeurig, stipt. *-HEID, v. gmv. zorg; oplettendheid; waakzaamheid; stiptheid. *...ZAAD, o. mv. grasachtige plant. *...ZAAM, bn. en bijw. (...amer, -st), zorgvuldig, -lijk.
| | | |
| |
[Zot]
Zot, bn. en bijw. (-ter, -st), *-TELIJK, bijw. dwaas, gek; onverstandig, dom. *-, m. (-ten), zot, dwaas. *-HEID, *-TIGHEID, v. (...heden), dwaasheid, gekheid, malligheid. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine zot. *-SKAP, v. (-pen), kap met bellen, narrenkap. -, m. en v. dwaas, gek; gekkin. *-TERNIJ, v. (-en), dwaasheid, gekheid; domme streek. *-TIN, v. (-nen), gekkin. *-TINNETJE, (B. -N), o. (-s).
| |
[Zout]
Zout, o. zek. kristalachtige zelfstandigheid die uit de mijnen gehaald en in het zeewater, alsmede in de meeste plantaardige en dierlijke ligchamen gevonden wordt; (fig.) het zinrijke, geest, pit (van een gezegde, eener rede); (fig.) de zee. *-, *-ACHTIG, *-IG, bn. (-er, -st), zout van smaak. *-ADER, v. (-s), zoutbevattende laag onder den grond. *-AMBT, o. (-en), tolkantoor voor het zout. *-AZIJN, m. (scheik.). *-BAK, m. (-ken). *-BELASTING, v. (-en), regten op het zout geheven. *-BERG, m. (-en), zoutmijn. *-BROOD, o. (-en), *-BROK, o. (-ken), *-STUK, o. (-ken), zek. hoeveelheid zout in eenen vorm gegoten. *-DAL, o. (-en). *-DRAGEND, *-HOUDEND, *-VOEREND, bn. zoutdeelen bevattende. *-DRAGER, m. (-s), die zakken zout van de eene plaats naar de andere brengt. *-ELOOS, bn. (...zer, -st), zonder zout; (fig.) laf, zonder pit, niet geestig. *-ELOOSHEID, v. lafheid. *-EN, bw. gel. (ik zoutte, heb gezouten), met zout bestrooijen, - toebereiden, in zout leggen, pekelen; (fig.) duur verkoopen, aansmeren. *-ER, m. (-s), die inzout. *-ERIJ, v. (-en), plaats waar huiden enz. gezouten worden. *-EVISCH, m. gezouten visch. *-GEEST, m. gmv. (scheik.). *-GELD, o. belasting op het zout. *-GROEF, v. (...ven), zoutmijn. *-HANDEL, m. gmv. *-HANDELAAR, m. (-s). *-HEID, v. zoutachtige smaak. *-HOOP, m. (-en), zek. hoeveelheid zout. *-HUIS, o. (...zen), bewaarplaats -, verkoopplaats van zout. *-HUT, v. (-ten), bereidplaats voor zout. *-IG, bn. (-er, -st), zoutachtig. *-IGHEID, v. gmv. *-ING, v. het zouten. *-KEET, v. (-en), verzamel- en bereidplaats van zout. *-KETEL, m. (-s). *-KOKER, *-KOOPER, m. (-s). *-KOOPERIJ, v. (-en). *-KORF, m. (...ven). *-KORREL, m. (-s). *-KRAMER, m. (-s). *-KRUK, v. (-ken), zek. plank (gereedschap in de zoutgroeve). *-KUIL, m. (-en), zoutmijn. *-KUIP, v. (-en). *-MAAT, v. (...aten). *-MAGAZIJN, o. (-en). *-MAKING, v. zoutwording, -bereiding. *-MAND, v. (-en). *-METER, m. (-s), die belast is met het meten van zout. *-MIJN, v. (-en). *-MOER, v. gmv. *-MOERAS, o. (-sen). *-PACHT, v. verpachte zoutbelasting. *-PAKHUIS, o. (...zen). *-PAN, v. (-nen). *-PILAAR, m. (...aren), zuil van zout (in eene mijn); beeld van zout (in de Heilige Schrift). *-POT, m. (-ten). *-SCHIP, o. (...epen), schip met zout geladen. *-SCHUIM, o. (glasbl.) hetgeen bij de eerste smelting van het glas overblijft. *-SCHUIT, v. (-en), schuit bestemd tot het vervoer van zout. *-SLUIKER, m. (-s), die zout invoert met ontduiking der verschuldigde belasting. *-STEEN, m. brok zouterts. *-STOF, o. gmv. (scheik.). *-VAT, o. (-en), zek. tafelgereedschap. *-VERKOOP, m. het verkoopen van zout. *-VERKOOPER, m. (-s). *-VERKOOPSTER, v. (-s). *-VIJZEL, m. (-s), toestel waarin het zout wordt gestampt. *-WAAG, v. (...agen), plaats waar het zout gewogen wordt;
| | | |
(scheik.) zek. werktuig. *-WACHTER, m. (-s), zoutbelastinggaarder, kommies. *-WEGER, m. (-s), die zout weegt, (beëedigd ambtenaar). *-WEGING, v. gmv. *-WORDING, v. het tot zout worden, verandering in zout. *-ZAK, m. (-ken), zak waarin zout gedaan wordt; (fig.) aartsdomkop, *-ZEE, v. (aardr.) de Doode Zee. *-ZIEDER, m. (-s), zoutbereider. *-ZIEDERIJ, v. (-en), bereidplaats van zout. *-ZOLDER, m. (-s), bewaarplaats voor zout. *-ZUIL, v. (-en), zie ZOUTPILAAR. *-ZUUR, o. (scheik.).
| |
[Zucht]
Zucht, m. (-en), bedrukte ademhaling; verzuchting. *-, v. opzwelling (door koude enz. veroorzaakt); vochten (in het ligchaam); (gen.) waterzucht; (fig.) sterke en aanhoudende begeerte naar iets; drift; genegenheid, lust; eerste beginsel van melk (eener kraamvrouw). *-EN, ow. gel. (ik zuchtte, heb gezucht), zuchten lozen, - slaken; hevig naar iets verlangen, - haken; kermen (van pijn). *-END, bn. kermend. *-ER, m. (-s), die zucht. *-IG, bn. ongesteld ten gevolge van kwade vochten in het ligchaam; waterzuchtig. *-ING, v. het zuchten; weeklagt. *-JE, (B. -N), o. (-s), (zeew.) windje.
| |
[Zuid]
Zuid, *-EN, o. een der vier hoofdwindstreken. *-, bn. ten zuiden, van de zuidzijde; de wind is - (waait van de zuidzijde). *-, v. zuidwaarts liggende streek; om de - varen. *-ELIJK, bn. (-er, -st), zich ten zuiden bevindende. *-ELIJKEN, ow. (zeew.) naar het zuiden schieten; het begint te -, de wind loopt naar het zuiden. *-EN, o. zie ZUID; ten -, aan den zuidkant; het -, het zuidelijk gelegen land.
| |
[Zuider]
Zuider, bn. ten zuiden, van -, uit het zuiden. *-ASPUNT, o. *-BREEDTE, v. *-HALFROND, o. *-KRUIS, o. zek. sterrebeeld; orde van het -, braziliaansche ridderorde. *-LICHT, o. (sterr.). *-POOLCIRKEL, m. *-ZON, v.
| |
[Zuidewind]
Zuidewind, m. wind die uit het zuiden waait.
| |
[Zuidkust]
Zuidkust, v. (-en), zuidelijk gelegen kust.
| |
[Zuid-oost]
Zuid-oost, bn. windstreek tusschen oost en zuid. *-ELIJK, bn. ten zuid-oosten, in de rigting naar het zuid-oosten. *-EN, o. *-EWIND, m.
| |
[Zuidpool]
Zuidpool, v. zuideraspunt. *-CIRKEL, m. (-s).
| |
[Zuidwaarts]
Zuidwaarts, bijw. naar het zuiden.
| |
[Zuidwest]
Zuidwest, bn. windstreek tusschen zuid en west. *-ELIJK, bn. ten zuid-westen, in de rigting naar het zuid-westen. *-ER, m. (-s), zek. breedgerande zeemanshoed of kap.
| |
[Zuidzeevaarder]
Zuidzeevaarder, m. (-s), schip dat ter Zuidzee vaart; gezagvoerder van zulk een schip. *...ZIJDE, v. *...ZUID-OOST, *...ZUID-WEST, bn. windstreken.
| |
[Zuigdier]
Zuigdier, o. (-en), dier dat gezoogd wordt. *...DOTJE, (B. -N), o. (-s), iets dat men aan zeer jonge kinderen in den mond geeft om er aan te (laten) zuigen. *...ELING, m. en v. (-en), kind dat met de moedermelk gevoed wordt; (fig.) zeer jong kindje. *...EN, bw. ong. (ik zoog, heb gezogen), naar zich toehalen door terugtrekking der er op gezette lippen, lurken; opslurpen (b.v. het sap eener vrucht door de aarde); (fig.) iets uit den vinger -, het verzinnen, logens vertellen. -, ow. de
| | | |
moedermelk nuttigen. *...ER, m. (-s), die zuigt; deel eener pomp; stamper, stok eener spuit; vormeloos misgeboorte; soort inlandsche tabak; huid van een jong kalf; (zeew.) mastring, mastband (zek. ijzeren ring). *...ERVISCH, m. (...sschen), zek. visch. *...GLAS, o. (...zen), glazen pijpje om zeer jeugdige kinderen met melk te voeden. *...INSEKT, o. (-en). *...KUIL, m. (-en), (zeew.) soort draaikolk. *...LAM, o. (-meren), lam dat nog gezoogd wordt. *...MIN, -NE, v. (-n), voedstermoeder. *...PAPIER, o. gmv. vloeipapier. *...PIJP, v. (-en), deel eener pomp; (heelk.) zek. werktuig. *...POMP, v. (-en). *...POPJE, (B. -N), o. (-s), zuigdotje. *...SNAVEL, m. (-s), snavel van sommige dieren (b.v. van spinnen, muggen enz.). *...VROUW, v. (-en), zoogster, min. *...WORM, m. (B.v.) (-en), zek. ingewandsworm.
| |
[Zuijen]
Zuijen, (B. ZUIEN), ow. gel. (ik zuide, heb gezuid, een half hoorbaar geluid maken, neuriën; een kind in slaap zingen. *-, o. het zuiden.
| |
[Zuil]
Zuil, v. (B.m. en v.) (-en), kolom, pilaar, pilaster; (fig.) steun, tegenstand. *-ENGANG, m. (-en), *-ENRIJ, v. (-en), *-ENWERK, o. (bouwk.). *-COLONNADE, v. deel van een gebouw met zuilen omringd.
| |
[Zuimachtig]
Zuimachtig, bn. en bijw. (-er, -st), onoplettend, onnadenkend, traag, nalatig. *-HEID, v. *...EN, ow. gel. (ik zuimde, heb gezuimd), dralen, talmen; nalatig zijn; verzuimen.
| |
[Zuinig]
Zuinig, bn. en bijw. (-er, -st), spaarzaam, karig; matig; - leven, niet veel geld uitgeven; hij is - met zijne wooorden, hij spreekt weinig; (fig.) - kijken, verbaasd -, boos uitzien. *-HEID, v. gmv. spaarzaamheid; (spr.) - bedriegt de wijsheid. *-JE, (B. -N), o. (-s), voorwerp dat op eenen kandelaar geplaatst wordt om er het laatste eindje kaars op te laten uitbranden. *-JES, *-LIJK, bijw. op spaarzame wijze, matig.
| |
[Zuip]
Zuip, v. gmv. onmatig gebruik van sterken drank; van de - houden; aan de - zijn. *-ACHTIG, bn. van sterken drank houdende. *-BAST, m. (-en), *-BROEDER, m. (-s), onmatige drinker. *-EN, bw. ong. (ik zoop, heb gezopen), onmatig drinken; § drinken. -, ow. zich dronken drinken, aan het misbruik van sterken drank verslaafd zijn. -, o. dronkenschap. *-ER, m., *-STER, v. (-s), die veel (inz. sterken drank) drinkt, dronkaard. *-ERIJ, v. gmv. dronkenschap. *-HUIS, o. (...zen), gemeene kroeg. § *-LAP, m. (-pen), dronkaard. *-LIED, o. (-eren), lied dat door dronkaards gezongen wordt. *-LUST, m. gmv. zucht tot drinken. *-PARTIJ, v. (-en), gezelschap drinkers.
| |
[Zuivel]
Zuivel, o. gmv. stof waarvan boter en kaas gemaakt wordt; alles wat van melk komt. *-BEREIDING, v.
| |
[Zuiver]
Zuiver, bn. en bijw. (-der, -st), helder, klaar, onvermengd, onvervalscht; rein, zindelijk; schoon; onbevlekt; kuisch; zonder fouten (van stijl); onbewolkt; (zeew.) zonder gevaar; de kust is - (zonder klippen of banken); eene -e haven, (die men gemakkelijk kan inzeilen). *-, bijw. alleen; met ernst, degelijk. *-AAR, m. (-s), die zuivert; † raffineur; purist (in taal en spelling). *-DRANK, m. (-en),
| | | |
purgeermiddel. *-EN, bw. gel. (ik zuiverde, heb gezuiverd), schoon maken, reinigen, louteren; verbeteren, de fouten uithalen of wegnemen (in een opstel), kuischen (den stijl). ZICH -, ww. zich regtvaardigen, zijne onschuld aan den dag brengen. *-ING, v. het zuiveren; purgeermiddel; reinheid, netheid, zindelijkheid; zuivere toestand; opregtheid; kuischheid; helderheid (van de lucht); regtvaardiging; maandstonden (der vrouw); -seed, (bij het aanvaarden van een ambt enz.). *-HEID, v. gmv. *-LIJK, bijw. op zuivere wijze, in zuiveren toestand; naar den regel (van taal, spelling enz.).
| |
[Zulk]
Zulk, *-E, vnw. zoodanig, dusdanig. *-S, vnw. dit, dat.
| |
[Zullen]
Zullen, hulpw. (ik zal, zoude), (alleen gebruikelijk ter vorming van den toekomenden en den voorwaardelijken tijd bij de vervoeging der werkwoorden).
| |
[Zult]
Zult, o. gmv. hoofdkaas, hoofdvleesch; gepekelde spijs. *-BOONEN, v. mv. ingelegde snijboonen. *-EN, bw. gel. (ik zultte, heb gezult), inmaken, in de pekel -, in het zout leggen. *-ING, v. gmv. het zulten. *-SPEK, o. gmv. gezouten spek.
| |
[Zundgat]
Zundgat, o. (-en), laadgat van een geweer of kanon.
| |
[Zuren]
Zuren, bw. ow. gel. (ik zuurde, heb gezuurd), zuur maken, - worden; (fig.) het is nog niet in het vaatje waarin het moet -, de zaak loopt (marcheert) nog niet. *...RING, v. gmv. het zuren; soort moeskruid; -saus, saus met zuring toebereid; -zout, zek. chemische zamenstelling.
| |
[Zus]
Zus, bijw. zoodanig, op zulk eene wijze; - en zoo, tamelijk, redelijk, niet goed en niet slecht; (ook) op tweederlei wijze; het gaat - of zoo, het scheelt weinig. *-, v., *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine -, jonge zuster; (fig.) eene fijne zus, eene kwezel.
| |
[Zuster]
Zuster, v. (-s), vrouwelijk kind (met andere kinderen van dezelfde ouders); (ook) zek. krentengebak; halve -, (alleen van vaders- of moederszijde); geestelijke -, non, klopje. *-LIJK, bn. en bijw. van -, als eene zuster. *-LING, m. en v. (-en), neef, nicht, zusterszoon, -dochter. *-MAATSCHAPPIJ, v. (-en), instelling door haar doel of hare strekking met eene andere verwant. *-MOORD, m. (-en). *-MOORDENAAR, m. (-s). *-SCHAP, v. gmv. hoedanigheid van zuster. -, (-pen), nonnenorde. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine -, jonge zuster.
| |
[Zustersdochter]
Zustersdochter, v. (-s). *...KIND, o. (-eren). *...MAN, m. (-nen). *...ZOON, m. (...onen).
| |
[Zuur]
Zuur, bn. en bijw. (-der, -st), scherp, bijtend, ruw, wrang, (tegenstelling van zoet); (fig.) stuursch, norsch, onvriendelijk; moeijelijk, hard, netelig; bedorven (van spijs of drank); (fig.) door een zuren appel bijten, iets met tegenzin doen, zich iets moeijelijks of onaangenaams laten welgevallen; - zien, onvriendelijk zien; dat zal hem - opbreken, hij zal er de onaangename gevolgen van ondervinden. *-, o. het zuur; - (zek. branding) in de maag. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), een weinig zuur. *-ACHTIGHEID, v. gmv. *-BRAAD, o. gmv. zuur gebraden ossenvleesch. *-DEEG, *-DEESEM, o. gmv. gest; (fig.) wrokkend beginsel in zake van godsdienst of staat- | | | | kunde,
partijhaat. *-DRAGEND, bn. met zure bestanddeelen. *-HEID, v. eigenschap van iets dat zuur is, scherpte; maagzuur. *-KOOL, v. gmv. met azijn ingemaakte kool. *-MUIL, *-SMOEL, m. (-en), onvriendelijk -, norsch mensch. *-STOF, o. (scheik.). *-WEI, v. gmv. zure wei of hui. *-ZOET, o. *-ZOUT, o.
| |
[Zuwe]
Zuwe, (B.), v. (-n), looppad door een moeras.
| |
[Zwaai]
Zwaai, m. (-jen, B. -en), keer, draai, het zwaaijen, zwaaijende bewegen. *-HAAK, m. (...aken), zek. timmermansgereedschap. *-JEN, (B. *-EN), ow. bw. gel. (ik zwaaide, heb of ben gezwaaid), slingeren, doen slingeren, geslingerd worden; heen en weder bewogen worden (door den wind enz.); als een dronkaard loopen; schuins zijn, hellen, niet regthoekig zijn, scheef staan (van eenen muur); (fig.) den schepter -, regeren, heerschappij voeren; den hoed -, met den hoed wuiven; het vaandel - (heen en weder bewegen). -, gieren, zich boogsgewijze bewegen; voor anker liggende van stelling veranderen door de werking van wind of stroom; op den wind -, op het tij -, den voorsteven naar den wind (of naar het tij) keeren.
| |
[Zwaan]
Zwaan, v. (zwanen), zek. watervogel; orde van de -, pruissische ridderorde.
| |
[Zwaar]
Zwaar, bn. en bijw. (-der, -st), van veel gewigt, niet ligt; grof, groot, plomp, dik; (fig.) ongemakkelijk, moeijelijk; streng, norsch, bits; zwanger; - geld, groote muntstukken; eene zware (dikke) tong; - (sterk) bier; eene zware (zeer strenge) straf; zware kosten, aanzienlijke uitgaven; - (grof) geschut; zware (met zware wapenen voorziene) ruiterij; - (ernstig, gevaarlijk) ziek; hij heeft mij - (erg) bedrogen; (fig.) dit weegt - bij mij, hierover moet ik ernstig nadenken, dit moet ik bijzonder in aanmerking nemen. *-, (zeew.) wijd; een - schip (van grooten omvang); - weêr, stormweêr; zware bui, hevige wind; zware (hooge) zee; het schip rijst -, valt - in zee, het heft zich moeijelijk uit de zee.
| |
[Zwaard]
Zwaard, o. (-en), zek. oorlogswapen, zijdgeweer, degen; (zeew.) schuinsch ovaal aan de zijde van een vaartuig bevestigde planken om het afdrijven te beletten; (wap.) bewijs van adeldom van vaderszijde (op een blazoen); (fig.) te vuur en te - verdelgen, verbranden en vermoorden; het eene - houdt het andere in de scheede, daar beide strijdkrachten gelijk zijn worden de vijandelijkheden voorkomen; met den -e gestraft worden, onthoofd worden; met het - over het hoofd zwaaijen, (eert.) zek. openbare straf (in Nederland); meester van den scherpen -e, scherpregter; het - der geregtigheid, de wrekende hand; de honger is een scherp -, men doet het ongeloofelijke om zich voedsel te verschaffen; orde van het -, zweedsch-noorweegsche ridderorde; het - van Damocles, een altoos dreigend gevaar. *-BLOEM, v. (-en). *-LELIE, v. (...ën), zek. lelie, lischbloem. *-KRUID, o. gmv. zek. plant. *-VECHTER, m. (-s), (oudt.) kampvechter (in de wedstrijden). *-VEGEN, ow. gel. wapenen vervaardigen. *-VEGER, m. (-s), vervaardiger van wapenen. *-VISCH, m. (...sschen), zek. visch. *-VORMIG, bn. als een zwaard.
| |
[Zwaarhoofd]
Zwaarhoofd, m. en v. (-en), die zich verontrust over hetgeen
| | | |
komen of gebeuren moet. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), zorgzaam, ongerust, bekommerd. *-IGHEID, v. gmv. ongerustheid, bekommering. *...LIJK, bijw. moeijelijk, met moeite. *...LIJVIG, bn. (-er, -st), dik van ligchaam, gezet. -HEID, v. *-MOEDIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. droefgeestig; ter neêr geslagen. *...MOEDIGHEID, v. gmv. droefgeestigheid, neêrslagtigheid.
| |
[Zwaarte]
Zwaarte, v. zek. natuurkracht; het zware; gewigt; (fig.) het ernstige (eener zaak). *-KRACHT, v. gmv. (nat.) aantrekking en wenteling der hemelligchamen om elk. *-METER, m. (-s), (nat.) zek. werktuig. *-PUNT, o. (-en), punt ter weêrszijde waarvan de twee deelen van een ligchaam gelijke zwaarte hebben.
| |
[Zwaarwigtig]
Zwaarwigtig, bn. (-er, -st), veel wegende; (fig.) zeer belangrijk, van hoog gewigt. *-HEID, v.
| |
[Zwabber]
Zwabber, m. (-s), (zeew.) scheepsdweil; (fig.) scheepsjongen. *-EN, bw. gel. (ik zwabberde, heb gezwabberd), met eenen zwabber schoonmaken; (fig.) plassen in het water. *-HALEN! uitroep der matrozen wanneer de plek moet schoongemaakt worden waar iem. niet op zee gewoon door het slingeren van het schip gevallen is. *-KAPITEIN, *-PAAI, m. jongen die den zwabber moet schoonmaken.
| |
[Zwachtel]
Zwachtel, m. (-s), windsel; lange band tot het verbinden eener wond enz. *-EN, bw. gel. (ik zwachtelde, heb gezwachteld), met eenen zwachtel omwinden; inbakeren (een kind).
| |
[Zwad]
Zwad, *-E, v. (-n), snede gras, hoeveelheid gras in eens met de zeis afgemaaid; hoeveelheid gras of koren in eenen regel gelegd.
| |
[Zwadder]
Zwadder, m. gmv. slangenspog; (fig.) vergif van den laster. *-IG, *...DIG, bn. (-er, -st), onrein, vuil, troebel.
| |
[Zwager]
Zwager, m. (-s), schoon-, behuwdbroeder, zustersman, mans-, vrouwsbroeder. *-IN, v. (-nen), schoon-, behuwdzuster. *-SCHAP, v. gmv. vermaagschapping door aanhuwelijking.
| |
[Zwak]
Zwak, bn. en bijw. (-ker, -st), niet sterk, krachteloos, teêr; nog niet geheel hersteld (van eene ziekte); broos, ligt breekbaar; buigzaam; ligt te overhalen, al te toegevend; slap; ziekelijk; (fig.) de -ke zijde, zie op ZIJDE. *-, o. gmv. gewoonte, hebbelijkheid; dit is zijn -, hieraan is hij overgegeven. *-HEID, v. gmv. gemis van sterkte, - van ligchaamskrachten; broosheid, breekbaarheid. -, (...heden), al te toegevende handeling, te groote inschikkelijkheid. *-JES, (B. *-JENS), bijw. ligtelijk, een weinig. *-KELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), een weinig zwak; aan de betere hand; (ook) sukkelende. *-KEN, bw. ow. gel. (ik zwakte, heb of ben gezwakt), zwak maken, - worden. *-TE, v. gmv. zwakheid, zwakke toestand.
| |
[Zwakke-hals]
Zwakke-hals, m. (...zen), (zeew.) zek. houtwerk.
| |
[Zwalken]
Zwalken, ow. gel. (ik zwalkte, heb gezwalkt), drentelende zich bewegen; zeer langzaam gaan; zwerven, ronddolen; op zee -, verre zeereizen doen. *...ER, m., *...STER, v. (-s), treuzelaar, -ster. *...ING, v. het zwalken.
| |
[Zwalp]
Zwalp, m. (-en), gulp; dikke eikenplank; (zeew.) zek. houtwerk. *-EN, ow. gel. (ik zwalpte, heb gezwalpt), golvende zich verhef- | | | | fen
(van de zee). *-END, bn. zacht golvend; (fig.) het -e nat der baren, de onstuimige zee.
| |
[Zwaluw]
Zwaluw, v. (-en), soort vogel. *-NEST, o. (-en). *-STAART, m. (-en), staart eener zwaluw; (zeew., timm.) zek. houtwerk; (vest.) zek. buitenwerk. *-WORTEL, m. zek. plant.
| |
[Zwam]
Zwam, o. gmv. soort paddestoel; uitwas aan boomen; toebereid zwam als middel om iets vuur te doen vatten; uitwas aan de voorpooten der paarden. *-, (-men), zwamsoort. *-ACHTIG, bn. als zwam. *-MAKER, m. (-s), bereider van zwam (om b.v. de pijp aan te steken).
| |
[Zwamp]
Zwamp, v. (-en), kreek, kleine rivier.
| |
[Zwanedons]
Zwanedons, o. gmv. de zachtste vederen der zwaan. *...HALS, m. (...zen), hals eener zwaan; (fig.) zeer lange hals; (zeew.) zek. ijzerwerk. *...KOP, m. (-pen).
| |
[Zwanendrift]
Zwanendrift, v. (-en), eenige zwanen bij elk. zwemmende; het regt om zwanen te houden. *...TEELT, v. aankweeking van zwanen; plaats daartoe.
| |
[Zwanepen]
Zwanepen, v. (-nen), *...SCHACHT, *...SCHAFT, v. (-en), groote en dikke schrijfpen. *...POOT, m. (-en). *...VEL, o. (-len). *...VLERK, v. (-en). *...VLEUGEL, m. (-s). *...WIEK, v. (-en). *...ZANG, m. gmv. het zingen van de zwaan; (fig.) laatst werk, (inz.) laatste gedicht van eenen dichter.
| |
[Zwang]
Zwang, m. gmv. gebruik, gewoonte; mode; in - zijn, komen, geraken, brengen.
| |
[Zwanger]
Zwanger, bn. bevrucht, moetende baren; - zijn, in gezegende omstandigheden -, in blijde verwachting zijn; (fig.) met iets - gaan, voornemens zijn iets te doen, een plan gevormd hebben. *-HEID, *-SCHAP, v.
| |
[Zwanken]
Zwanken, ow. gel. (ik zwankte, heb gezwankt), waggelen, wankelen, schudden.
| |
[Zwankroede]
Zwankroede, v. (-n), soort wip. *...VEDEREN, v. mv. slagvederen.
| |
[Zwans]
Zwans, v. (-en), staart (inz. der dieren).
| |
[Zwarigheid]
Zwarigheid, v. (...heden), moeijelijkheid, bezwaar, tegenwerping, beletsel; gevaar.
| |
[Zwarm]
Zwarm, m. (-en), zie ZWERM.
| |
[Zwart]
Zwart, bn. en bijw. (-er, -st), de donkerste kleur; duister, niet helder; verbrand van de zon; (fig.) leelijk, afschuwelijk; - brood, zeer grof brood; de -e staar, zek. blindheid; -e noot, zek. muzieknoot; de -e kunst, waarzeggerskunst; tooverij; (ook plaatsn.) etskunst; een -e kunstenaar, toovenaar; -e vos, pikzwart paard; eene - e (snoode) daad; iem. - maken, hem in een ongunstig licht plaatsen, veel kwaad van hem vertellen; - op wit, bewijs op schrift. *-, v. de zwarte kleur; in het - gekleed, met zwarte kleederen aan. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), naar het zwart overheilende. *-BLAAUW, bn. *-BRUIN, bn. *-EN, bw. gel. (ik zwartte, heb gezwart), zwart maken, met zwarte verf bestrijken. *-GALLIG, bn. (-er, -st), droefgeestig, knorrig, melankoliek. *-GALLIGHEID, v. gmv. zwaarmoedigheid. *-GEVLEKT, bn. met zwarte vlekken op witten (of anderen)
| | | |
grond, zwart gespikkeld. *-HARIG, (B. *-HAIRIG), bn. met zwart haar. *-HARIGE, m. en v. (-n), *-HOOFD, m. en v. (-en), *-KOP, m. en v. (-pen), die zwart haar heeft. *-HOOFDIG, bn. met een zwarten kop (van een paard). *-IN, v. (-nen), negerin. *-MAKEND, bn. (fig.) lasterend. *-MAKING, v. gmv. het in minachting brengen (van iem.). *-OOG, m. en v. (-en), die zwarte oogen heeft. *-OOGIG, bn. met zwarte oogen.
| |
[Zwartsel]
Zwartsel, o. gmv. schoorsteenroet. *-DOOS, v. (...zen). *-EN, ow. gel. (ik zwartselde, heb gezwartseld), met zwartsel bestrijken. *-KWAST, m. (-en). *-POT, m. (-ten). *-TON, v. (-nen).
| |
[Zwartsteenzuur]
Zwartsteenzuur, o. gmv. (scheik.). *-ZOUT o. gmv. *...VAAL, bn. zek. kleur (inz. van paarden). *...VERWER, m. (-s), die voorwerpen zwart verft. *...VOS, m. (-sen), soort paard. *...WOUD, o. het Zwarte Woud (hoogland van Baden).
| |
[Zwavel]
Zwavel, v. gmv. zek. ligt ontvlambare delfstof. *-AARDE, v. gmv. aarde die zwaveldeelen in zich bevat. *-ACHTIG, bn. als zwavel. *-ADER, v. (-s), streek onder de aarde waar zwavel gevonden wordt. *-BERG, m. (-en), zwavelmijn. *-BLOEM, v. *-DAMP, m. (-en). *-DRAAD, m. (...aden), gezwavelde lont. *-EN, bw. gel. (ik zwavelde, heb gezwaveld), met zwavel doortrekken, iets van zwaveldeelen voorzien. *-ERTS, m. de zwavel zoo als zij uit de mijn komt. *-GEEL, bn. de kleur van zwavel hebbende. *-GEEST, m. gmv. (scheik.). *-GROEF, v. (...ven), zwavelmijn. *-LEVER, v. (scheik.). *-LUCHT, v. gmv. *-MELK, v. gmv. *-MIJN, v. (-en). *-OLIE, v. gmv. *-OVEN, m. (-s), oven waarin de ruwe zwavel gezuiverd wordt. *-REGEN, m. *-REUK, m. gmv. *-STOK, m. (-ken), langwerpig smal stukje hout welks eene uiteinde met zwavel is voorzien en dienende om vlam te vatten; strijk-, lucifer. *-WATER, o. *-WORTEL, m. zek. gewas. *-ZALF, v. *-ZAND, o. *-ZUUR, o. (scheik.). *-ZUURZOUT, o. (scheik.).
| |
[Zweefster]
Zweefster, v. (-ren), dwaalster.
| |
[Zweem]
Zweem, m. (B.m. en v.), gmv. gelijkenis, betrekking; er ligt geen - van schuld op haar gelaat, op haar gelaat leest men niets dan onschuld; geen - van opregtheid, niets dat naar opregtheid gelijkt, of er aan kan doen denken. *-EN, ow. gel. (ik zweemde, heb gezweemd), eenige gelijkheid hebben, min of meer overeenkomen met; overhellen tot (van kleuren).
| |
[Zweep]
Zweep, v. (-en), werktuig om voort te drijven; (ook fig.) spoorslag; (fig.) met de - er achter zitten, onophoudelijk voortjagen, - aanzetten; (spr.) een oude voerman hoort nog gaarne het klappen van de -, oude lieden hooren nog gaarne vertellen wat hun in hunne jeugd aangenaam was. *-EN, bw. gel. (ik zweepte, heb gezweept), met de zweep voortdrijven; slaan; (fig.) de wind zweept de baren. *-ER, m. (-s) die zweept. *-ING, v. het zweepen. *-RIET, o. touw of leder aan eenen stok of een handvatsel. *-SLAG, m. (-en). *-STOPPER m. (-s), (zeew.) zek. touwwerk. *-TOL, m. (-len), zek. kinderspeeltuig. *-TOUW, o. (-en).
| |
[Zweer]
Zweer, v. (zweren), ettergezwel. *-DER, m., *-STER, v. (-s),
| | | |
die zweert, die eenen eed doet, vloeker, vloekster. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine zweer.
| |
[Zweesrik, Zwezerik]
Zweesrik, Zwezerik, (B. ZWEEZERIK), v. (-ken), borstdeel (van ossen, kalveren enz.).
| |
[Zweet]
Zweet, o. gmv. vocht dat door de poriën der ligchaamshuid naar buiten dringt; (jag.) bloed; in het - des aanschijns, zeer zwaar werkende, zwoegende; het - (de uitwaseming) is gekomen; (fig.) hij mag zijn - niet ruiken, hij houdt niet van werken. *-BAD, o (-en). *-BANK, v. (-en). *-DOEK, m. (-en). *-DRANK, m. (-en), geneesmiddel ter bevordering van het uitzweeten. *-DRIJVEND, bn. de huid-uitwaseming bevorderende. *-DROPPEL, m. (-s). *-EN, bw. ow. gel. (ik zweette, heb gezweet), vocht uitwasemen; zweet van zich geven; vochtig worden en uitslaan (van hout); (fig.) een zeer moeijelijken arbeid verrigten; (fig.) ik kan hem wel -, hij staat ver beneden mij (in verdiensten, bekwaamheid enz.). *-ER, m., *-STER, v. (-s), die zweet. *-ERIG, bn. (-er, -st), ligt zweetende. -HEID, v. *-GAT, o. (-en), porie (der ligchaamshuid enz.). *-HUIS, o. (...zen), drooghuis voor den tabak. *-ING, v. het zweeten. *-KAMER, v. (-s). *-KOORTS, v. (-en). *-MIDDEL, o. (-en), middel ter bevordering van het zweeten. *-LUCHT, v. gmv. onaangename reuk van het zweet. *-POEDER, o. (-s). *-STOOF, v. (...oven). *-ZUCHT, v. gmv. het buitengewoon zweeten. *-VOET, m. (-en), soort paard; (fig.) iem. die zweeterige voeten heeft.
| |
[Zwei]
Zwei, v. (-jen, B. -en), beweegbare winkelhaak, zek. gereedschap.
| |
[Zwelen]
Zwelen, bw. gel. (ik zweelde, heb gezweeld), (landb.) het uitgespreide en gedroogde hooigras met de hark bijeen zamelen; zweelhooi.
| |
[Zwelg]
Zwelg, m. gmv. het zwelgen. *-, (-en), slok, teug. *-EN, bw. ow. ong. (ik zwolg, heb gezwolgen), slokken, opslurpen; een liederlijk leven leiden, brassen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), gulzigaard, vraat; dronkaard; wellusteling. *-ERIJ, v. het zwelgen; liederlijk leven, brasserij. *-ING, v. het zwelgen. *-KUIL, m. (-en), draaikolk, maalstroom. *-PARTIJ, v. (-en), brasserij.
| |
[Zwelkenboom]
Zwelkenboom, m. (-en), watervlierboom.
| |
[Zwellen]
Zwellen, ow. ong. (ik zwol, ben gezwollen), uitzetten, dik worden, in omvangt oenemen, vermeerderen, toenemen. *...LING, v. gmv. het zwellen. -, (-en), iets dat gezwollen is, gezwel.
| |
[Zwemblaas]
Zwemblaas, v. (...azen), zek. ligchaamsdeel der visschen. *...BROEK, v. (-en), kleedingstuk der zwemmers. *...GORDEL, m. (-s). *...KLEED, o. (-eren). *...KUNST, v. gmv. kunst zich in het water te bewegen en vooruit te komen zonder te zinken. *...MEN, ow. ong. (ik zwom, heb gezwommen), zich door beweging boven water houden; drijven (van eenig voorwerp) boven water; (fig.) visch wil -, als men visch gegeten heeft is men dorstig. *...MER, m., *...STER, v. (-s), die zwemt. *...MER, m. (-s), zek. plant. *...MING, v. het zwemmen. *...OEFENING, v. (-en). *...PLAATS, v. (-en). *...SCHOOL, v. (...olen). *...STEEN, m. (-en), zek. delfstof. *...VIN, v. (-nen), zek. ligchaamsdeel der visschen. *...VOET, m. (-en), voet eens watervogels. *...VOGEL, m. (-s), watervogel. *...WEDSTRIJD, m. (-en).
| | | |
| |
[Zwendelaar]
Zwendelaar, m., *-STER, v. (-s), opligter, bedrieger, bedriegster. *...EN, ow. gel. (ik zwendelde, heb gezwendeld), oneerlijk handelen, opligten, bedriegen (in handelszaken). *...HANDEL, m. gmv. *...ARIJ, v. (-en), oneerlijke handeling in koophandel.
| |
[Zwengel]
Zwengel, m. (-s), wiek van eenen windmolen; wip van eenen put; arm van de pomp; kruk; deel van een affuit. *-BOUT, m. (-en). *-IJZERS, o. mv. (art.).
| |
[Zwenk]
Zwenk, m. (-en), draai, beweging, omkeering, zwaai, wending; in één -, in een ommezien. *-EN, bw. ow. gel. (ik zwenkte, heb gezwenkt), draaijen, wenden, keeren, zwaaijen; (mil.) zich wenden. *-ING, v. gmv. het draaijen. -, (-en), draai, wending.
| |
[Zweren]
Zweren, ow. bw. ong. (ik zwoer, heb gezworen), eenen eed doen; onder eede bevestigen, - verklaren; vloeken; bij hoog en bij laag -, bij kris en kras -, zweren bij alles wat heilig is. *-, etteren (van eene wond), zich tot eene zweer zetten. *...RING, v. het zweren; verzwering.
| |
[Zwerfster]
Zwerfster, v. (-s), landloopster; arme -, verlatene.
| |
[Zwerk]
Zwerk, o. gmv. drijvende wolken; (fig.) het blaauwe -, de hemel, het uitspansel.
| |
[Zwerm]
Zwerm, m. (-en), vlugt; (fig.) menigte; hoop (bijen, vinken, eenden enz.). *-EN, ow. gel. (ik zwermde, heb gezwermd), uitvliegen (van bijen); rondloopen (van menschen); (fig.) zonder vaste woonplaats zwerven. *-ER, m. (-s), landlooper; zek. kunstvuurwerk, vuurpijl. *-POT, m. (-ten), zek. kunstvuurwerk.
| |
[Zwerven]
Zwerven, ow. ong. (ik zwierf of zworf, heb gezworven), omdolen, zonder vaste woonplaats zijn. *-D, bn. een - leven leiden, geene vaste woonplaats hebben; (ook fig.) veeltijds op reis zijn. *...VER, m. (-s), die ronddoolt; zandlooper; arme -, ronddolende, verlatene. *...VING, v. het zwerven.
| |
[Zwetsen]
Zwetsen, ow. gel. (ik zwetste, heb gezwetst), veel en onbedachtzaam spreken; grootspreken, snoeven, pogchen. *...ER, m., *...STER, v. (-s), grootspreker, grootspreekster, windbuil, pochhans. *...ERIJ, v. het zwetsen, grootspraak.
| |
[Zweven]
Zweven, ow. gel. (ik zweefde, heb gezweefd), zich in de lucht of in de ruimte bewegen; over iets heenvaren zonder het te beroeren; (Bijb.) de geest Gods zweefde over de wateren; (fig.) het zweeft mij voor den geest of voor de oogen, het is mij als of ik het zie; het zweefde mij op de tong of lippen, ik was op het punt het te zeggen; hij zweeft (dobbert) tusschen vrees en hoop. *-D, bn. hangend, aanhangend; -e geschillen.
| |
[Zwichten]
Zwichten, bw. gel. (ik zwichtte, heb gezwicht), (zeew.) oprollen, inhalen (zeilen of touwen); oprollen (de zeilen van eenen windmolen). *-, ow. wijken, zich onderwerpen, toegeven, onderdoen. *...INGBOUTEN, m. mv. (zeew.) zek. ijzeren staven. *...SERVING, v. (-s), (zeew.) zek. touwwerk.
| |
[Zwiepen]
Zwiepen, bw. gel. (ik zwiepte, heb gezwiept), zie ZWEEPEN. *-D, bn. los, veerkrachtig. *...ING, v. (-s), (zeew.) zek. planken.
| |
[Zwier]
Zwier, m. gmv. goede manieren, fijn voorkomen; aardigheid,
| | | |
bevalligheid; mode; draai, wending; opschik, tooi; verblinding; (fig.) losbandig leven; aan den - gaan, nachthuizen bezoeken. *-BOL, m. (-len), die een losbandig leven leidt. *-EN, ow. gel. (ik zwierde, heb gezwierd), draaijen, zich wenden; een vrolijk of losbandig leven leiden. *-IG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. sierlijk, fraai, opgeschikt; bloemrijk (van stijl). *-IGHEID, v. gmv. sierlijkheid. *-ING, v. het zwieren.
| |
[Zwijgachtig]
Zwijgachtig, bn. (-er, -st), niet gewoon veel te spreken. *...EN, bw. ow. ong. (ik zweeg, heb gezwegen), niet spreken, zijne stem niet laten hooren; verbergen; verhelen, geheim houden; de wet zwijgt hierover, hierover is in de wet niets te vinden; laat ons daarvan - (hierover niet spreken); (fig.) iem. tot - brengen, hem geheel ter neder slaan; zwijg! stilte! geen woord meer! *...ER, m., *...STER, v. (-s), die zwijgt; Willem de Zwijger, Willem I, prins van Oranje.
| |
[Zwijm]
Zwijm, v. (B.m.) gmv. flaauwte, bezwijming; in - vallen, liggen. *-EL, m. gmv. (fig.) roes. *-ELEN, ow. gel. (ik zwijmelde, heb gezwijmeld), duizelig worden, flaauw vallen, buiten kennis raken. *-ELDRANK, m. (-en), drank die den gebruiker in zwijm doet vallen. *-ELGEEST, m. gmv. roes; (fig.) te ver gedreven opgewondenheid. *-ING, v. het zwijmelen. *-EN, ow. gel. (ik zwijmde, heb gezwijmd), bezwijmen. *-ING, v. zwijm.
| |
[Zwijn]
Zwijn, o. (-en), varken; (fig.) vuil -, morsig mensch. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als een zwijn. *-EGEL, m. (-s), stekelvarken; (fig.) varken (scheldnaam).
| |
[Zwijnendistel]
Zwijnendistel, m. (-s), zek. gewas. *...HOEDER, m., *...HOEDSTER, v. (-s), oppasser -, oppasster der zwijnen. *...JAGT, v. jagt op zwijnen. *...JONGEN, m. (-s), knecht van eenen zwijnenhoeder. *...KOST, m. gmv. voeder om zwijnen te mesten. *...KOT, o. (-ten), stal -, hok voor de zwijnen. *...SLA, v. zek. plant. *...SPRIET, m. (-en), dikke stok met ijzer beslagen (op de wilde-zwijnenjagt). *...TIJD, m. tijd waarin de zwijnen vet zijn. *...TROG, m. (-gen), bak waaruit de zwijnen vreten. *...VLEESCH, o. gmv. varkensvleesch.
| |
[Zwijnsborstels]
Zwijnsborstels, v. mv. harde stekelige haren van de zwijnshuid. *...HAAR, o. *...HOOFD, o. (-en). *...HUID, v. (-en). *...KOP, m. (-pen).
| |
[Zwijntje]
Zwijntje, (B. *-N), o. (-s), speenvarken.
| |
[Zwik]
Zwik, m. gmv. het zwikken, verdraaijing, verstuiking (van een ligchaamsdeel). *-, *-JE, (B. -N), o. (-s), houten pen of pin die in een vat wordt gestoken om er lucht te laten uitkomen. *-BOOR, v. (...oren), zek. gereedschap van sommige ambachtslieden. *-GAT, o. (-en), tapgat eener kuip. *-KEN, ow. bw. gel. (ik zwikte, heb gezwikt), eene verdraaijing of verstuiking krijgen, zich verstuiken (eenig ligchaamsdeel); wankelen. *-KING, v. het zwikken. *-STELLING, v. (-en), deel van eenen molen.
| |
[Zwilg, Zwilk]
Zwilg, Zwilk, o. gmv. trielje, soort tijk (zek. geweven stof); zek. gegomd linnen.
| |
[Zwin]
Zwin, v. (-nen), wad, droogte tusschen het water.
| |
[Zwindel]
Zwindel, m. (-s), duizeling, duizeligheid. *-, zie ZWENDEL.
| | | |
*-EN, ow. gel. met duizelingen behebt zijn; zie ZWENDELEN. *-IG, bn. duizelig; aan duizelingen onderhevig. *-IGHEID, *-ING, v.
| |
[Zwingel]
Zwingel, m. (-s), wip; braakstok (voor het vlas). *-AAR, m. (-s), vlasbraker. *-EN, bw. gel. (ik zwingelde, heb gezwingeld), slaan, slingeren, braken (het vlas). *-ING, v. het zwingelen.
| |
[Zwoegen]
Zwoegen, ow. gel. (ik zwoegde, heb gezwoegd), hijgen, sterk ademen; zwaar en moeijelijk werk verrigten. *...ER, m., *...STER, v. (-s), die veel en zwaar werkt. *...ING, v. het zwoegen.
| |
[Zwoel]
Zwoel, bn. (-er, -st), zoel, zeer heet. *-HEID, v. zoele weêrsgesteldheid, drukkende lucht.
| |
[Zwoord]
Zwoord, o. varkenshuid.
|
1)De vervoeging der werkwoorden met het voorvoegeel ZAMEN is bij deze oorspronkelijke werkwoorden opgegeven.
|
|