Willem Elsschot was geen man met wie je, als vreemde, gemakkelijk contact kreeg. Schrijvers behoren, als ze goed zijn, over het algemeen niet tot de vlotte jongens en bij hem versperde bovendien de ingeschapen reserve de weg. Anderzijds is het altijd moeilijk tot een harmonische menselijke omgang te komen met een kunstenaar die je erg bewondert, omdat je dan de hinderlijke neiging hebt, elk woord dat hij spreekt als orakeltaal te beschouwen.
Toch hebben we wel gesprekken gevoerd over zijn boeken. Het was niet makkelijk, hem daartoe te brengen. Een auteur die zelf zijn werk analyseert vergeleek hij met ‘een dokter, die zijn eigen buik onderzoekt.’ Maar toen ik hem vroeg, mij nu eens precies te vertellen waar in Lijmen de waarheid ophoudt en de fantasie begint, ging hij er wel op in. Boorman en mevrouw Lauwereyssen hebben bestaan en het Wereldtijdschrift is ook uit Elsschots (zaken)leven gegrepen. Maar hij heeft zijn dolle avonturen met de ‘advertentiefuik’ geretoucheerd en tot een verhaal gerangschikt.
‘De grote transactie van honderdduizend exemplaren sloot Boorman niet af - dat deed ik,’ zegt hij. ‘Maar niet bij mevrouw Lauwereyssen, doch bij een moeder-overste, die een groot aantal internaten beheerde. Ik schreef een studie over haar arbeid en kwam die voorlezen. Toen ik gereed was viel er een korte stilte. Het vrouwtje bleek tot tranen bewogen en bestelde er meteen honderdduizend. Dat was geweldig; meer dan tienduizend hadden we er nooit geplaatst. Later kreeg ze spijt en
zond advocaten, die door ons werden afgehandeld zoals in het boek staat. Daarna werd prompt betaald. Een moeder-overste komt natuurlijk niet voor het gerecht. Mevrouw Lauwereyssen brachten we veel minder exemplaren toe en het innen van de termijnen, die zij schuldig was, heb ik niet volgehouden. Dat was moreel toch te moeilijk.’
Voor Boorman, de duivelse directeur van het Wereldtijdschrift, die de zachte Laarmans opleidt in de grootse zwendel met bedrukt papier, heeft, naar de oudste zoon van de schrijver mij later in Antwerpen vertelde, een merkwaardige man model gestaan die Jules Valenpint heette. Als men over deze figuur hoort vertellen door iemand die hem goed heeft gekend, wordt de werkmethode die Elsschot als schrijver toepaste aanmerkelijk duidelijker... ‘Ik heb niet de geringste fantasie,’ zei hij eens tegen mij. Hij bedoelde daarmee: ‘Ik ben geen verzinner van verhalen. Ik kan alleen schrijven, wat ik gezien heb.’ Maar wie daaruit zou afleiden dat hij in zijn boeken de beleefde werkelijkheid ‘versloeg’ heeft het mis. Hij kneedde, hergroepeerde en ensceneerde de feiten, tot een nieuwe werkelijkheid was ontstaan die de lezer - immers nooit gebaat bij het feit dat iets ‘waar gebeurd’ is - kon aanvaarden.
Valenpint stond model voor Boorman, maar uit alle verhalen die ik in Antwerpen heb gehoord blijkt dat Elsschot als auteur alleen van hem genomen heeft, wat hij gebruiken kon. Hij was een jeugdvriend van de schrijver, een ongebonden, niet te intimideren man, die
als kind met kranten had gevent en, omdat hij zo goed op zijn handen lopen kon, een jaar lang met een circus meereisde. Een hard jaar, maar toch was de directeur, die zelf opvallende acrobatische gaven had, geen man zonder gevoel. Toen Valenpint eens - een jochie nog - aan de hand van deze Hercules door Dusseldorp liep, passeerde het tweetal een kledingwinkel. In de etalage stond een pop, die een mooi matrozenpakje droeg. De man liep onbewogen door, maar voelde, aan zijn hand, dat het kind de pas wat inhield. Toen hij omkeek zag hij, in de etalage, de oorzaak. Zwijgend ging hij met de kleine Boorman de winkel binnen en plaatste zijn bestelling. De bediende wilde zo'n matrozenpak uit een doos halen, maar de circusdirecteur zei, met een wijzende vinger: ‘Nee, dát pak.’
En hij wachtte tot de pop uit de etalage was gehaald en ontkleed.
Ik bedoel - dan moet men toch wel gevoel hebben voor een kind.
Toen Elsschot in Parijs als duvelstoejager van een corrupte Argentijn de ervaringen opdeed die hij in Villa des Roses beschrijven zou, trachtte Valenpint in België aan de kost te komen. Hij was vaak in Elsschots klassiek geworden pension op bezoek geweest en had er Louise, het kamermeisje, dat in de roman zo'n belangrijke rol speelt, goed gekend. Op een dag kreeg hij een brief uit Parijs. Elsschot was zijn baantje bij de Argentijnse zwendelaar moe en schreef: ‘Als je kans ziet in drie maanden wat Spaans op te pikken, kun je me hier opvolgen.’
Dat gebeurde. Later keerde Valenpint in België terug en begon met een vriend in Brussel het roemruchte Wereldtijdschrift. Elsschot werd in het zaakje opgenomen, aanvankelijk alleen om de ‘studies’ te schrijven. Maar al gauw bleek zijn enorme kracht als verkoper.
Ik vertel dit omdat men uit deze feiten kan afleiden, hoe de werkelijkheid werd gekneed. Valenpint en De Ridder waren niet de antipoden, die Lijmen ons leert kennen. Zij vloeiden in elkaar over. De nep-entourage van het bureau waarin het Wereldtijdschrift gevestigd was ontleende Elsschot aan zijn Parijse tijd, toen de Argentijn een vergelijkbare façade opbouwde om van vele grote firma's een verblijfsvergoeding te kunnen innen. In waarheid was het bureau van het blad, aan de Quai des Charbonnages bij het Noordstation in Brussel, een schamel vertrek. Maar - en nu komen er weer feiten om de hoek - toen de moederoverste, die in haar drift aan Elsschot honderdduizend exemplaren had besteld, tot bezinning kwam zond zij, zoals in Lijmen staat, inderdaad een advocaat. In dat boek wordt de man koeltjes door Boorman afgehandeld. Maar in werkelijkheid ging het zo: Elsschot en zijn collega zaten aan een tafel ‘studies’ te schrijven en Valenpint Boorman, die zijn acrobatisch verleden nooit helemaal vergat, was met ontbloot bovenlijf bezig halteroefeningen te doen, toen de advocaat, een zeer dure, deftige, binnentrad. De atleet legde de halters neer, ging op hem af en sprak: ‘Un, deux, trois...’ Bij trois was de man al verdwenen. En er werd betaald!