terug  begin  verderprepost
[p. 76]

Annet

De poes in het café was oud en uitgezakt en toen ze kopjes gaf tegen mijn been, merkte ik dat ze sterk verhaarde. Ze deed me denken aan Annet van de familie Dijkstra. Die verhaarde ook zo en had dezelfde ordinaire kleur bruin.

Bart Dijkstra was in de vierde klas van de lagere school mijn vriend, ofschoon we weinig gemeen hadden want hij behoorde tot de vechters en ik niet. Hij noemde me altijd ‘slome’. Toch hadden we een band. In de gymnastiekzaal moest ik eens het zwaantje uitvoeren. Daar ik een zeer slechte gymnast was, mislukte het. Ik kwam ondersteboven te hangen, met één knie in een ring. Alle jongens lachten en de gymnastiekmeester ook. Maar Bart stond op, liep ernstig door de zaal en tilde me uit de ringen. Hij was dus mijn vriend. Op zaterdagmiddag kwam ik dan ook vrij geregeld bij hem. Hij had een voos dikke, altijd op jammerende toon sprekende moeder en verscheidene broertjes en zusjes. De familie woonde in een groot, oud huis met een achtertuin zonder planten of bloemen. Er lag alleen grind. Op de buitendeur stond B.J. Dijkstra Pzn., beëdigd makelaar. Toen ik er de eerste keer, op een stralende zomermiddag aanbelde, deed de vader van Bart open. Hij was een zeer grote, atletische man, van top tot teen in het zwart gekleed en hij keek op mij neer met een voorbarige verachting. ‘Wat mot je?’ vroeg hij.

‘Ik ben een vriend van Bart, meneer,’ zei ik. Hij maakte een onduidelijk keelgeluid dat leek op het woordje ‘kom’, keerde me de rug toe en liep het huis in.

[p. 77]

Ik volgde hem op eerbiedige afstand. Bij de keuken gekomen, pakte hij twee pannedeksels, duwde ze me in de handen en zei: ‘Ga maar naar de tuin, daar zijn ze.’ Hij sprak langzaam, hees en gevaarlijk. Ik liep de gang door en kwam in de tuin. De kleine kinderen waren daar bezig met pannedeksels in verschillende formaten een hevige herrie te maken. Alleen Bart had een echt instrument, zo'n kleine, zeshoekige trekharmonika, die in het circus wel eens door een clown wordt bespeeld. Maar hij kon er niks van. Hij trok het ding alleen maar uit en in, waardoor het een zeurderig geluid maakte. Terwijl ik onthutst naar het luidruchtig schouwspel keek, hoorde ik roepen: ‘Hé, jij daar. Je moet óók slaan met die deksels.’

Het was de heer Dijkstra. Hij stond, groot en dreigend, op het plat van de eerste etage naar ons te kijken. Ik ramde de deksels meteen tegen elkaar. Pas toen hij naar binnen was gegaan vroeg ik aan Bart: ‘Waarom doen we dit?’

‘Het moet van m'n vader,’ antwoordde hij, een beetje verlegen voor zijn stoere doen, ‘als 't mooi weer is, tenminste. Want dan hebben zij daar de ramen open.’

Met de harmonika in zijn handen wees hij even naar een groot, aangrenzend gebouw. Het was een ziekenverpleging, waar oude, uitgeputte mensen in kamerjassen zaten bij open vensters, die echter al spoedig, één voor één door nijdig kijkende nonnen werden gesloten.

‘Mijn vader wil dat ze ons huis kopen voor hun uitbreiding,’ zei Bart, weer aan de harmonika trekkend. En hij legde me uit dat de georganiseerde herrie ten doel had de verkoop te bespoedigen. Het was een hard middel, maar het bleek doeltreffend. Toen we in de vijfde

[p. 78]

klas zaten vertelde Bart me dat ze gingen verhuizen naar een moderne woning aan de rand van de stad.

‘Vader is blij,’ zei hij. ‘Ze hebben veel geld betaald.’

Ik kon me niet voorstellen hoe hij er blij uit zou zien.

Toen ik een volgende zaterdagmiddag aanbelde, werd de deur opengetrokken met een touw. De heer Dijkstra riep uit de verte: ‘Ben jij dat, Bart?’ maar ik schreeuwde terug dat ik het was.

‘O, kom dan maar boven,’ hoorde ik daarna. Ik ging de trap op. In de kamers op de eerste etage stonden de grauw-groene kisten van de verhuizer al gepakt en kon je aan de plekken op het behang zien waar de schilderijen hadden gehangen. De heer Dijkstra bevond zich op het plat, met zijn jas aan en zijn sneehoed op, zwart weer, want hij had een voorkeur voor die kleur.

‘Bart is naar het nieuwe huis,’ zei hij. ‘Maar ik heb iets voor je.’

Terwijl ik op het plat stond, ging hij het huis binnen. Even later riep hij: ‘Vang,’ en wierp me de trekharmonika toe, die in de lucht een tjengelend geluid maakte.

‘Dat rotding hebben we in het nieuwe huis niet meer nodig,’ zei hij grimmig. Op dat moment kwam de oude poes Annet het plat oplopen, voorzichtig en sukkelachtig. De heer Dijkstra keek naar Annet en riep: ‘Jou wil ik daar óók niet meer zien, mormel.’

Hij greep het beest bij de achterpoten en sloeg het met zó'n enorme kracht tegen de blinde muur dat de schedel werd verbrijzeld. Daarop wierp hij het oude lichaam met een boog over de schutting in de tuin van het ziekenhuis. Met de harmonika lang afhangend in mijn rechterhand, staarde ik verstard van ontzetting naar het kleine bloedvlekje op de blinde muur.

prepostterug  begin  verder