|
|
|
| | | | | |
Het taalspel van de probatio pennae
Reeds velen hebben zich bezig gehouden met vorm en inhoud van de
probatio pennae, die
Kenneth Sisam in 1932
1) achter een Oudengels manuscript
vond. In 1954 heb ik in een artikel ‘Quid expectamus nunc?’
2) de
voornaamste tot dat tijdstip verschenen literatuur genoemd, waarin over Sisam's
vondst geschreven was
3),
maar zelf vrijwel niets nieuws over het bekende zinnetje geboden. Wel heb ik
daarin een poging gewaagd de onleesbare resten daarachter te ontcijferen met
behulp van de veronderstelling, dat zij zouden passen bij het nog niet in
vertaling aangewezen overige Latijn van deze probatio pennae: quid
expectamus nu(nc). Het laatste woord was hiermee natuurlijk niet gesproken,
wat ook niemand zal verwonderen, die bedenkt, hoe schaars de gegevens zijn, hoe
moeilijk zulk een zin, die ook als er een bijkomt toch buiten elk ruimer
verband gegeven is, kan worden verstaan, en hoe belangrijk de opgeworpen
kwesties voor de Nederlandse taal- en literatuurstudie zijn.
Nog geen jaar na deze poging verscheen er een artikel van
J.M. de Smet, dat zich bezig hield met de bedoeling en
de datering van het penneprobeersel
4). Had Sisam gedacht aan colloquia uit het
onderwijs | | | | in het Latijn,
Schönfeld aan heimwee van geëmigreerde
monniken naar het Vlaamse vaderland,
Sisam in tweede instantie aan een bijbelse passage, of
aan fabelliteratuur, was
Van Ginneken van oordeel, dat hier een minnedicht met
smachtende h-alliteraties omhoog welde,
De Smet betoogde tegenover deze meningen met klem, dat
‘vogala’ geroepenen Gods zijn, die geestelijke rust zoeken in het
kloosterleven.
Van de hierna verschenen literatuur noem ik een artikel van
J. van Mierlo, die De Smet's opvatting niet kon delen,
maar van mening was, dat het Diets een reminiscentie moest zijn van een oud
minnelied, daarin blijvend bij de verklaring van Van Ginneken, maar ontdaan van
haar romantisme
5).
Voorts verscheen er een artikel van mijn hand
‘Oudnederlands’
6) en een van
A. Sizoo
7), dat zeer belangrijk was, omdat Sizoo
erin slaagde de herkomst aan te wijzen van een andere Latijnse probatio pennae,
die vlak voor de Oudnederlandse geschreven staat.
In 1958 sprak ik op het Filologencongres te Leiden over
‘De Oudnederlandse pennekrabbels van Oxford’
8), waarin ik mij in hoofdzaak bezig hield
met het vragend voornaamwoord quid en hetgeen ik na een persoonlijk
onderzoek te Oxford van een overeenkomst met uuat meende te kunnen
vaststellen.
Meer uitvoerig dien ik in te gaan op een tweede artikel van
Schönfeld ‘Hebban olla vogala …’, na zijn betreurd
verscheiden in dit tijdschrift verschenen
9). Het heeft de
bedoeling een algemeen critisch overzicht te leveren van de discussie over de
probationes pennae juist vijf en twintig jaar na de publicatie van
Schönfeld's eerste artikel. Van mijn Leidse lezing wist de schrijver
echter niet af, daar hij het con- | | | | gres niet bezocht had en het
verslag ervan nog niet was verschenen. De volgende punten roert
Schönfeld aan:
a) wat is de juiste lezing van het eerste deel der pr.p.?
Schönfeld acht ‘Hebban olla vogala nestas bigunnan hinase hi(c)
(e)nda thu’ van
Gijsseling en
Koch
10) ‘een verbeterde, men mag aannemen
definitieve lezing’, daar zij gebruik gemaakt hebben van een foto,
genomen bij ultra-violette belichting. Hij laat eigen lezing
‘hagunnan’ en ‘anda’ geheel varen, wat wel enige
verwondering wekt, daar Gijsseling en Koch onder hun reproducties deze foto,
die toch het bewijs moest leveren, niet opgenomen hebben.
11)
b) in welk dialect geschreven? Het antwoord luidt: in het
Westvlaams. Ook Mevr.
Tavernier-Vereecken is van deze mening, en eveneens
W. Krogmann, die echter de mogelijkheid van anglicismen
aanneemt. Gijsseling en Koch spreken van Oudwestnederlands en door mij is de
term Oudwestnederfrankisch gebruikt. Bij de laatste twee termen wil
Schönfeld zich wel aansluiten, om ‘geheel veilig’ te zijn.
Anderzijds heb ik er geen bezwaar tegen Schönfeld's benaming over te
nemen, daar het Westvlaams onder het Oudwestnederfrankisch valt en veel voor de
engere benaming pleit.
c) wanneer werd de pr.p. geschreven? Sisam meent in de tweede
helft der 11de eeuw, Gijsseling en Koch in het derde kwart ervan.
De Smet oordeelt op grond van een antifoon tot Sint
Nikolaas, in de eerste helft der 12de eeuw. Schönfeld vindt de hele
kwestie van weinig betekenis ‘indien onze regels een citaat zijn uit een
ouder geschrift’. Voor het hele onderzoek acht hij het nodig, teneinde
zekerheid te verkrijgen over allerlei hangende kwesties, dat men zoekt naar een
grondtekst.
Van Mierlo dateert zeer vroeg, namelijk 9de of 10de
eeuw, daar hij het geheel een reminiscentie van een oud minnedicht
acht.
Wanneer het gemaakt is, kan ik niet met zekerheid zeggen;
neer-
| | | |
geschrevenwerd het in ieder geval na de eerste helft
der 11e eeuw.
12) Een der probationes
vermeldt zelf reeds het bekende jaar 1066. Ouder dan het Middelnederlands zijn
wel: de uitgang -as van nestas, de th van thu, de
u van hagunnan en unbidan. Maar de a als
eenheidsvocaal in zwak geaccentueerde positie treft men ook in het Mnl. aan.
13)
d) wat is de inhoud van de pr.p.?
Schönfeld wijst de mening van
Van Ginneken af, dat er een stafrijmende dichtregel
geschreven staat en eveneens die van
De Smet, dat deze pr.p. een verlangen naar het
kloosterleven behelst. Schönfeld betoogt echter, dat alle probationes
‘bijna zonder uitzondering losse fragmenten (zijn) uit geschriften die
geen uiterlijke samenhang hebben, maar wel een innerlijke eenheid verraden: de
vrome geestesgesteldheid van de schrijver’, hieruit besluitend dat dit
ook met Abent (Hebban) enz. het geval moet zijn, wat hij zelfs ‘a priori
aannemelijk’ acht.
e) wat te denken van het tweede deel der pr.p. achter thu? Na
De Smet's suggestie te hebben weergegeven, dat het een vertaling zou kunnen
zijn van quid expectamus nunc, schrijft Schönfeld, dat deze
gedachte ‘in stelliger en uitgebreider vorm is … ontwikkeld door
Caron’.
14)
Tegen mijn reconstructie uuat umbidan (unbidan) uue nu, te lezen in
uug ..... mbiḁda....e nu (de letters die
Gijsseling en
Koch meenden te bespeuren), heeft Schönfeld de
volgende bezwaren:
| 1) het feit dat nu het enige woord is, dat overeenstemt met
het manuscript, vormt een smalle basis voor verregaande gevolgtrekkingen; |
|
| 2) ‘zeer bedenkelijk’ is het ‘wegwerken’ van
de g van uug; |
|
| 3) ‘niet minder bedenkelijk’ is de reconstructie
uue, een angelsaksische |
| | | |
| eigenaardigheid waarbij dan alleen
de afwijking (e) in 't ms. staat; |
| 4) ‘Maar bovenal ondermijnt Caron de gehele theorie van het oudste Nederlandse
minnedicht’. Hoe dit het sterkste van alle bezwaren kan zijn, is niet
duidelijk, daar Schönfeld niet wilde weten van deze theorie. De
inhoud van de pr.p. is bovendien in mijn eerste artikel slechts even ter sprake
gekomen. Met Schönfeld kan ik zeggen, dat het mij er om te doen was het
taalkundig karakter ervan vast te stellen. Op de andere bezwaren zal ik
straks nader ingaan. |
Ofschoon ik mij vroeger nauwelijks met de bedoeling van het zinnetje
heb ingelaten - ik achtte de interpretatie van
Van Ginneken verre te verkiezen boven die van anderen -,
zal ik thans mijn betoog ermee beginnen.
Heel opzettelijk doe ik dat, omdat ik ervan overtuigd ben, dat de
bedoeling van de zinnetjes ten nauwste samenhangt met de vormgeving. Om die
te vinden is een voorafgaand onderzoek naar een origineel waarop het Latijn
teruggaat, zoals
Sizoo dat zo succesvol gedaan heeft voor het Age
iam enz., niet noodzakelijk. Het valt sterk te betwijfelen, of er wel een
‘grondtekst’ bij behoren kan, omdat onze pr.p. kennelijk een
zelfstandige taalkundige eenheid vormt. Is het niet heel opmerkelijk, dat
geen van de andere probationes ‘tweetalig’ is? De onze is dat wel
en blijkbaar speelt die vertaling hier een specifieke rol.
De eerste vraag die we moeten stellen, is: Waarom die
‘tweetaligheid’?
Laat ons aannemen, dat de schrijver der pr.p. slechts vluchtig enige
flarden van herinnering heeft neergeschreven, toen hij een nieuw gesneden pen
probeerde. Hoewel het zeer natuurlijk mag genoemd worden, dat een geestelijke
zich religieuze stof herinnert, mogen we toch niet zeggen, dat nu al zijn
herinneringen a priori geestelijk van aard moeten zijn. Indien de
schrijver niet creatief bezig is - dit te veronderstellen is ten volle
verantwoord door de situatie en wordt ook door de meeste onderzoekers niet
betwijfeld -, dan kan hem louter toevallig van alles in het hoofd schieten. Dat
behoeft ook volstrekt niet ‘autobiografisch’ van aard te zijn. Met
Schönfeld kan ik het wel eens zijn, als hij in zijn laatste artikel
schrijft, dat het een soort ‘ge- | | | | heugenoefening (is), wanneer
hij opschrijft wat hem te binnen valt’, maar ik zou er niet aan toe
willen voegen ‘uit vroeger bestudeerde teksten’, daar men zich zeer
wel iets anders dan een fragment uit eerder onderzochte literatuur kan
herinneren, b.v. de een of andere mondelinge overlevering. Het heeft zin dit
alles zo te stellen, omdat de vraag blijft klemmen, waarom de schrijver enkel
in ons geval een tweetalige pr.p. geeft. Ik laat in het midden, of het
Nederlands de vertaling is van het Latijn dan wel omgekeerd het Latijn van het
Nederlands. Men heeft zich hierover druk gemaakt, maar belangrijk is de vraag
niet, daar er een andere omstandigheid is, die veel te weinig aandacht
ontvangen heeft en niettemin primair is, namelijk de vertaling woord voor
woord. Het doet er niets toe, welke tekst tot vertaling geproclameerd wordt.
Het Latijn staat voorop uitsluitend uit reverentie voor de taal der geleerden.
Het Latijn is vertaling van het Nederlands, maar tegelijkertijd is het
Nederlands vertaling van het Latijn, aangezien de schrijver niet anders bedoeld
heeft dan door een kunstig spel een etymologische grap vertonen. Hij speelt met
de taal en toont ons hoezeer het Nederlands in zinnen, die hij daartoe
gecomponeerd heeft, overeenstemming heeft in vorm en betekenis met het Latijn.
Hij heeft natuurlijk wel geweten, dat het aantal woorden van een Latijnsen
grondtekst en een Nederlandse vertaling (of omgekeerd) doorgaans niet gelijk
is, en evenmin het aantal geaccentueerde syllaben en de zinsbouw, ook al zal
hij nooit van analytische en synthetische taalstructuur gehoord hebben. Wie met
vertalen uit het Latijn niet onbekend is, gelijk onze schrijver van zoveel
Latijnse probationes pennae, weet dit uit ervaring. Daarom kunnen wij ons
indenken, dat het heel plezierig voor hem moet geweest zijn een taalkunstje
neer te schrijven - wie weet hoe oud het reeds voor hem was! -, waarin het
gelukt tegenover elk Latijns woord een Nederlands woord te plaatsen met gelijke
betekenis en bovendien met treffende klankovereenkomst, terwijl tevens het
totaal aantal geaccentueerde syllaben precies gelijk is. Dat er ondanks al die
voorwaarden, waardoor de schrijver zich gebonden had, toch nog een paar
alleraardigste zinnetjes konden ontstaan, zelfs met een gelijk aantal
alliteraties, vervult ons met geen geringe bewondering voor het kunstwerk en
zijn maker. | | | |
Naast al deze strikte gelijkheden moeten we wellicht ook noemen de
merkwaardigheid, dat de etymologische verwantschap van de woorden, waarmee onze
scribent een zin formeert, nog des te sterker voor hem kan geaccentueerd zijn
door de aanwezigheid van consonanten, die wel niet gelijk zijn, maar toch wel
tot dezelfde articulatorische groep behoren: de labialen b en p, de dentalen d
en t (eventueel th), de gutturalen g en c, de ‘semivocales’ van
zijn tijd l, n, m en r.
Telling van het aantal ongeaccentueerde syllaben levert evenmin
volstrekte gelijkheid. We zien, dat het Nederlands er een meer heeft dan het
Latijn. Misschien gevoelen wij dit als een foutje in het patroon, maar we
dienen dan toch te bedenken, dat in het alliteratievers wel het aantal
geaccentueerde, maar niet het aantal ongeaccentueerde syllaben geteld werd.
Wij moeten om dit alles te doorzien en er mede van te genieten, ons
inleven in de gedachten van zo'n middeleeuws taalkundige. Natuurlijk mogen we
geen wetenschappelijk verantwoorde etymologie verwachten. Ook weten we niet
langs welke lijnen de maker geredeneerd heeft; we zien alleen resultaten voor
ons. Hij is getroffen door overeenkomst van allerlei aard en de stand van het
wetenschappelijk denken van zijn tijd inzake etymologie wordt weerspiegeld door
het taalvergelijkend werk, dat hij levert. Wij kunnen met een modern
etymologisch woordenboek in de hand de rekening wel opmaken van wat hij juist
of niet juist gezien heeft, maar dit zou geen immanente critiek mogen heten.
Als hij bij hagunnan, vogala en unbidan gewogen, maar te licht
bevonden wordt, zegt dit niets over het welslagen van zijn taalkunst naar het
oordeel van zijn eigen tijd. Wij zelf kunnen trouwens geen zekere Latijnse
etymologische aequivalenten van deze woorden aanwijzen. En in de overige
woorden is zonder twijfel ook volgens ons modern inzicht min of meer
verwantschap met het Latijn der pr.p. aanwezig.
Laat ons dan nu in de juiste stemming om deze grap te verstaan, en
zonder etymologische ‘misgrepen’ uit de hoogte te veroordelen, dit
geraffineerde taalspel trachten mee te spelen, het spel van de formatie der
overeenkomstige Latijnse en Nederlandse zinnen met gebruikmaking van
etymologisch verwante woorden. Om de bespreking | | | | wat
overzichtelijker te maken deel ik de zinnen als volgt in: Abentomnes
volucres-nidos inceptos-nisi- ego et tu-quid-expectamus-nu(nc), parallel aan:
Hebban-olla vogala-nestas hagunnan-hinase-hi(c) (e)nda thu-uu(at)-(u)nbida(n)
(uu)e-nu.
Abent-Hebban: met treffende overeenkomsten, die we niet
alleen moeten zien, maar vooral ook horen. Ons valt al dadelijk op het
twee-syllabische der woorden met klemtoon op de eerste lettergreep. De a
en de e hebben stuivertje gewisseld. De b en de n blijven
gelijk. Het woordbegin is vocalisch: het Latijn zonder h en het
Nederlands mét de h (die deze Vlaming wel niet zal hebben
uitgesproken). Blijkbaar acht de schrijver de spelling van het vocalische begin
voor het Latijn zonder h juist, tegenover het Nederlandse met
h.
omnes volucres - olla vogala: weer met gelijk ritme. We
letten op het gelijke aantal lettergrepen, het vocalische begin met dezelfde
vocaal. De ‘semivocales’ mn komen voor hem overeen met de
‘semivocales’ ll. De erbij behorende substantieven hebben
een sterk sprekend gelijk begin vo- en vo-, te meer omdat de
hoofdklemtoon erop valt. De l domineert duidelijk in beide woorden, als
beginletter van een syllabe. De velaar g kan corresponderen met de
velaar c (is k).
nidos inceptos - nestas hagunnan: het gelijke ritme is weer
zeer duidelijk, evenals het gelijke aantal syllaben. Het begin van beide
woorden heeft opvallende overeenkomsten, consonantisch en vocalisch. Dat ik
hier tot de lezing hagunnan terugkeer, geschiedt niet in de eerste
plaats om de parallellie van inceptos - hagunnan met Abent -
Hebban, maar op andere gronden, zoals ik straks zal toelichten. Reeds nu
blijkt hagunnan beter dan bigunnan bij inceptos in het
taalspel te passen door het vocalische begin (de h is weer stom); voorts
ziet men de c en g, de versprongen nasaal n. De
overeenkomst van nidos en nestas is evenzeer evident: behalve het
gelijke woordbegin en -eind met n en -s zien we de zeer verwante
klinkers i en e, de dentalen d en t. Misschien kan
zo ook het slot van nestas met s-pluralis hier een verklaring vinden.
Dit betekent niet, dat de schrijver een onverantwoorde meervouds-s hier
bezigt om de zaak etymologisch er steviger te doen uitzien.
Schönfeld betoogt, dat de uitgang -as in 't
Oud-Gents voorkomt bij mannelijke a-stammen en dat nestas geen Ags. vorm
kan zijn, daar in geen | | | | ander dialect van het Westgermaans
nest mannelijk is dan alleen in het Middelnederlands
15). Dit laatste is echter
onjuist. Het toeval wil, dat hetzelfde woord nestas in acc.masc.plur.
voorkomt in de evangeliën van Lindesfarne. Ook
C.W. Grein vermeldt in zijn Angelsächsischer
Wortschatz het woord nestas uit Luc. 8 : 20 met de
toevoeging ‘also auch masculinum’. Al is het dus wel mogelijk
nestas als een anglicisme op te vatten, we kunnen dat beter niet doen,
daar het niet noodzakelijk is, gezien de door
Schönfeld aangevoerde voorbeelden uit Mansion's
Oud-Gentsche Naamkunde (geldindas, Grifningas, Humas).
nisi - hinase: hier is nu het aantal ongeaccentueerde
syllaben ongelijk. Ritmisch is er echter geen enkele storing, aangezien de
-a- slechts weinig geaccentueerd is, terwijl -se geen lange
î heeft, hoewel het uit sî ontstaan is. We moeten
hínase lezen met klemtoon op de eerste syllabe. Onjuist zou zijn
hínase, daar men dient uit te gaan van het normale
ontkenningspartikel en niet met Schönfeld van de versterkte ontkenning;
deze zou in deze syntactische agglutinatie niet op haar plaats zijn.
16) In
ni- en hin- zag de auteur weer een letterverspringing, waardoor
het Vlaamse woord met een vocaal aanving, die als zo vaak met een h
geschreven werd en daarmee in het alliteratie-systeem van den puzzelaar
paste.
ego et tu - hi(c) (e)nda thu: het ritme van deze drie woorden
is beiderzijds gelijk. De h van hi(c) doet wel geforceerd aan en
onderstreept daarmee nog eens het spelkarakter van het geheel. De u's
van tu en thu, evenals de e's van et en enda
spreken voor zichzelf; evenzo wellicht de gutturalen g en c, de
dentalen t en d, t en th.
quid - uuat: de uu, die bilabiaal werd uitgesproken,
past bij de labiovelaar qu. Andere elementen om zich als puzzelaar in te
verheugen zijn de korte, geaccentueerde klinkers en de slotconsonanten.
expectamus - unbidan uue: het pronomen uue behoort bij
het verbum finitum en heeft geen lange î, waarschijnlijk omdat het
slechts bijtoon heeft. Het staat met -e geschreven en is heel goed te
vergelijken met de -e van hínase, die ook op
î teruggaat en bijtoon heeft. We tellen | | | | gelijkelijk
vier syllaben, waarvan de eerste in beide gevallen vocalisch begint. De beide
a's zijn gelijk. Verwante labialen zijn p en b, verwante
dentalen t en d. Het deel -tamus is gezien als
overeenkomend met -danwe. Dat de m kan corresponderen met
nw, kon deze Vlaming in feite zien in assimilaties van zijn moedertaal
als game (voor gaen wi) en mare, maer (voor ne
ware).
17)
nu(nc) - nu: weer is de overeenkomst doorzichtig. Van de
c is in het hs. geen spoor aanwezig; na de u ziet men slechts een
puntje van de volgende letter. Hoewel nunc is opgebouwd uit num +
ce en num ook wel zelfstandig voorkomt, durf ik toch niet aan te
nemen, dat onze puzzelaar hier num geschreven heeft, daar in het
klassieke Latijn num steeds als eerste woord van een vraagzin
optreedt.
Wat de alliteratie betreft zien we, dat de Latijnse zin viermaal
stafrijm heeft van een klinker en de Nederlandse eenzelfde aantal malen van de
h + vocaal. Dat de h van habent achterwege gebleven is,
zal met opzet geschied zijn, evenals de toevoeging van h aan
agunnan en ic. De twee Nederlandse regels hebben bovendien nog
eindrijm in thu en nu.
Met zoveel opmerkelijke spelelementen mogen we niet meer aan toeval
denken, zelfs al zouden we voorlopig moeten aannemen, dat de auteur van deze
zinnen bij het verwerken van de voor hem ongetwijfeld verwante woorden alleen
maar oog en oor gehad heeft voor de strikte gelijkheden, en (nog) niet bekend
was met de verwantschap in de consonantenparen p-b, t-d, c-g, We zouden dit
eerder mogen aannemen, als vaststond, dat de auteur op de hoogte was van de
Hebreeuwse grammatische traditie, die onderscheiding in labialen, dentalen en
gutturalen kent. Het antwoord op deze vraag is niet te geven. Wel mogen we
ervan uitgaan, dat door een verschijnsel als verscherping in auslaut of sandhi,
waarmee de auteur in aanraking kwam, als hij zijn eigen taal schreef, hem het
verwante van c en g (cf. mnl. ric ‘rug’),
vooral van t en d (hant, alstu) bekend was. Met meer
stelligheid, zelfs met zekerheid mogen we aannemen, dat hij in de alom | | | | verbreide Latijnse grammaticale traditie geschoold was en derhalve de
groep semivocales terdege kende; dat wil hier zeggen, dat hij de l, n, m
en r als articulatorisch bijeenbehorend beschouwd heeft. Zo konden de
woorden olla en omnes als etymologisch verwant gelden.
Het hele taalbouwsel getuigt van groot raffinement. De taalvormen
zijn alle echter zeer reëel. Dat behoort zo tot de spelregels, al
veroorlooft de schrijver zich syntactische vrijheden en het gebruik van
anglicismen.
Die taalvormen staan voor ons nog niet alle vast: hagunnan
vraagt in de eerste plaats wel een nadere toelichting.
Gijsseling en
Koch hebben bigunnan voorgesteld, zonder echter
de foto te publiceren. Nadien heeft men dat critiekloos overgenomen. Ook ik
deed dat in mijn eerste artikel, daarbij gebruik makend van dezelfde foto,
genomen met ultra-violette belichting. Dit artikel handelde echter over de
onleesbare resten achter thu, niet over de vormen van het eerste deel
der pr.p. Het werd mij toen reeds duidelijk, dat zelfs de meest moderne foto
niet toereikend was om de aanschouwing te kunnen vervangen. Aan het slot van
het artikel sprak ik dan ook de wenselijkheid uit, dat het stuk zelf zou
bekeken worden. Enkele jaren geleden heb ik, daartoe in staat gesteld door de
Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek, een nader onderzoek te
Oxford ingesteld. Het resultaat was niet minder dan verrassend.
Uit de eigen aanschouwing en de dertien foto's die ik heb laten maken,
18) bleek mij, wat hagunnan betreft, dat er
alle reden is terug te keren tot
Sisam's en
Schönfeld's lezing. Het onduidelijke woordbegin
(men zie de foto) leidt gemakkelijk tot het aannemen van een vorm
bigunnan, die zo aardig in verband kon gebracht worden met het
Nederlandse begonnen, maar toch is de eerste indruk die tot
hagunnan geconcludeerd had, zeker de zuiverste geweest. Deze hoeft ook
niet het zonderlinge ‘ophaaltje’ aan de zogenaamde i te
‘verklaren’ als verschrijving. Bovendien heeft Schönfeld reeds
aannemelijk gemaakt, dat hagunnan geen onbegrijpelijk woord | | | | is. Hij wees erop, dat het prefix a- in het Ags. gevonden wordt
(uit on-) juist bij dit werkwoord.
19) Daar in het oudere Ags. het
deelwoord ook op -an kan uitgaan en het prefix a- in plaats van
on- buiten het Ags. niet bekend is, doet men het best hier
hagunnan te blijven lezen. Aanschouwing en foto steunen deze conclusie.
Het is waar, dat Schönfeld zijn denkbeeld ook weer losgelaten heeft, maar
hij deed dit louter op gezag van anderer onderzoek. Zo verdween voor hem tevens
een der vier ‘smachtende’ h's, evenals het Angelsaksische
vergelijkingsvoorbeeld, dat hijzelf zo verdienstelijk had toegelicht, zij het
onder de voor mij wat vage benaming van Ingvaeoons.
Er komt nu nog wat bij. In de pr.p. is de zwak geaccentueerde vocaal
door a aangegeven; men zie hebban, vogala,
20) nestas, hinase (geen
klemtoon op -na-, vgl. het en zij), enda (niet
anda; men zie verderop), unbidan. Hierbij nu past heel precies
hagunnan met tweemaal een a (beide zijn zwak
geaccentueerd) en met hetzelfde metrum als inceptos. De vorm
agunnan behoort ook als deelwoord bij het Ags. aginnan. Dat er in
een kladhandschrift, geschreven door een in Engeland woonachtig geestelijke,
wel anglicismen gevonden worden, kan allerminst vreemd heten. Ook
Schönfeld was niet geheel afkerig van deze gedachte
en
W. Krogmann heeft die eveneens uitgesproken. Het
gereconstrueerde uue zou hier nog als voorbeeld kunnen dienen, want niet
de e is gereconstrueerd, maar de uu; de e is zeer
duidelijk leesbaar, en past bij die van Ags. uue. Aanvaardt men dus mijn
hypothese, dat quid expectamus nunc overeenkomt met het Nederlands
achter thu, dan volgt hieruit, dat uue moet aangenomen
worden.
Wat enda betreft zijn we spoedig gereed. Van de eerste letter
is niets zichtbaar; ze heeft wel veel doorschijnsel als achtergrond. Men zou
dus even goed anda kunnen aannemen. Daar zulk een begin-a echter
minder frequent voorkomt dan een begin-e en daar we zeker niet met een
zwak geaccentueerde vocaal te maken hebben, bestaat er geen enkele reden aan
anda de voorkeur te geven. Integendeel, het | | | | is dan beter
gewoon enda te reconstrueren. De slot-a heeft wél zwak accent, is
tevens duidelijk leesbaar en past bij de gewoonte van den schrijver.
Nu resten nog de gereconstrueerde vormen uuat unbidan, in
betekenis overeenkomend met quid expectamus. In wat men tot nu toe
gelezen heeft als mbiḁda is de a in de middensyllabe
geëxpungeerd, zoals
Gijsseling en
Koch reeds hebben aangegeven. De i staat
duidelijk hoger geschreven en moet een latere toevoeging (correctie) zijn ter
vervanging van die a. Het enige dat door mij gereconstrueerd is, is de
slot-n en één ‘pootje’ aan het woordbegin. De
aanschouwing heeft me geleerd, dat ik unbidan moet reconstrueren, niet
umbidan. De niet geringe winst is, dat het nog niet in vertaling
aangewezen, maar er toch kennelijk bij behorende Latijn nu ook een Nederlandse
weergave bezit, zodat het taalspel weer tot zijn recht komt. De ruimten waar de
gereconstrueerde letters moeten staan, worden zuiver opgevuld (men zie de
foto); de nieuwe foto's laten nog iets van het begin ener u zien,
alsmede het begin van een slot-n.
Het moeilijkste punt schijnt ten slotte uuat te vormen.
Schönfeld gaat er namelijk van uit, dat er
werkelijk uug te lezen is in het ms. Wie de foto echter goed beziet, zal
niet kunnen erkennen, dat er een g geschreven staat. Integendeel, wat we
duidelijk kunnen lezen, is een u en daarachter nog een halve u.
Meer niet. De zogenaamde g bestaat totaal niet, ook al drukken
Gijsseling en Koch haar af. Schönfeld heeft ook dit te gemakkelijk
geloofd. Reeds in 1954 heb ik die zogenaamde g niet kunnen erkennen,
daar het vage streepje dat voor staart van die g moest dienen, niet
stijlvol naar achteren gebogen is, zoals bij alle g's van het ms. het
geval is. De nieuwe foto's tonen, dat deze gissing juist was. De aanschouwing
van het ms. heeft treffende dingen aan het licht gebracht. Om dit duidelijk te
maken moet ik eerst een ander misverstand wegnemen, namelijk de opvatting, dat
al die probationes op een schutblad zouden geschreven zijn. Ook van dat verhaal
moeten we af. Men vindt ze op de laatste pagina van het ms., precies
gezegd op f. 169 verso, dat is op p. 339. Op verscheidene plaatsen van het
dunne materiaal komt vagelijk de tekst van p. 338 er doorheen schijnen. Dat is
de oorzaak van veel mistasten geweest, | | | | want men heeft voor een
letter op p. 339 aangezien wat in de werkelijkheid slechts een doorschijnsel
van de vorige pagina was; wel een letter, maar uiteraard in spiegelschrift. Zo
is het fabeltje van die g te verklaren. Het vlekje dat men als g
interpreteerde, is niets anders dan een vaag spiegelbeeld van een tamelijk
grote letter e, de middelste van het woord Seo. De vorm ervan heeft
slechts weinig van een g, maar heeft meer weg van het cijfer 9, daar de
staart niet naar achteren gebogen is. Om dit duidelijk vast te leggen publiceer
ik hier enige van de nieuwe foto's, namelijk van:
| 1. De Latijns-Nederlandse probatio pennae, genomen met blauw
filter; |
| 2. een stukje tekst (Ags.) op p. 338, dat zich precies achter onze
pr.p bevindt. Men zoeke op de hoogte van het pijltje naar het woord Seo.
Het gaat om de e van dit woord; |
| 3. datzelfde stukje tekst, maar nu in spiegelbeeld; |
| 4. onze pr.p. op p. 339, niet liggend, maar rechtopstaand
gefotografeerd met veel doorvallend licht, zodat de letters van p. 338
zichtbaar werden; de grijze kleur ervan steekt goed af tegen de zwarte van de
letters op p. 339. |
Men behoeft nu slechts deze foto's te vergelijken om met zekerheid
te concluderen, dat door mij indertijd geen reële g
‘weggewerkt’ is, maar wel iets dat men ten onrechte voor een
g heeft aangezien.
21) Hiermee is dus het
bezwaar om in de reconstructie van het tweede zinnetje uuat als
vertaling van quid op te nemen, verdwenen.
Wat de slotconsonant van dit woord betreft, kunnen we het best
uuat, en niet uuad reconstrueren. In mijn eerste artikel (p. 67)
verkeerde ik hieromtrent nog in twijfel, maar ik meen thans, dat de Oonfr.
bijzondere vorm uuad met een d voor het Westvlaams niet behoeft
aangenomen te worden, te meer nog omdat de foto totaal geen rest van een
d laat zien, maar wel iets dat als ‘dak’ van een t
kan gelden. | | | |

Foto 1. De Latijns-Nederlandse probatio pennae, genomen
met blauw filter.

Foto 4. De probatio pennae, genomen met sterk doorvallend
licht, zodat de tekst van de achterzijde (foto 3) zichtbaar geworden is. De e
van Seo valt precies op de plaats van de zogenaamde g.
| | | |

Foto 2. Gedeelte van het Ags. ms. achter de probatio
pennae.

Foto 3. Spiegelbeeld van foto 2.
| | | |
De beide zinnen vormen een hechte eenheid, daar ze gebouwd zijn
volgens hetzelfde principe, de overeenkomst woord voor woord met het
Latijn.
En hun inhoud? Moeten we a priori aannemen, dat deze religieus van
aard is? Die Vlaamse geestelijken waren, zoals blijkt, plezante mensen,
vernuftig en intelligent, en niet altijd meditatief bezig. Wij zien ze
krabbeltjes maken over het beroemde jaar 1066, over de Sint-Nikolaasverering,
over het spannen van de snaren en het tokkelen van de cither. Het laatste in
leoninische hexameters, die wel niet helemaal correct zijn, maar wat doet dat
ertoe: er staat een uitbundig lied, besloten met alleluia. Een ander
maal schrijven ze een regeltje van Prosper van Aquitanië, dat zich richt
tot de echtgenote, de standvastige metgezellin in 's dichters lotgevallen,
gedicht in een prachtige anakreontische maat. Of ze krabbelen met welgevallen
een onberispelijke hexameter (waar komt die van daan?) over mensen die ze hoog
vereren: scribere qui cupiunt sensum deus augeat illis Zo ook heeft onze
probator weer eens kunnen genieten van het hem bekende, zo frappante taalspel.
Straks is hij er weer los van en schrijft hij heel conscientieus verder aan het
wachtende manuscript.
Eén ding is wel zeker, dunkt mij, het etymologische spel is
de hoofdzaak, niet de zinsinhoud. Wel is deze onmisbaar. Hoe meer echter dit
spel gebonden wordt aan voorwaarden van vormgeving, des te moeilijker zal het
zijn een redelijke gedachte er in verwoord te krijgen.
In een woordspeling als ‘Dergelijke Kitsch produceert enorme
schandlappen van landschappen’ is de binding van het taalspel niet sterk.
De gehele zin is er immers niet aan onderworpen, terwijl de inhoud van de
woordspeling onmiddellijk begrepen wordt uit het geheel. Men vindt er wel iets
gemaniereerds in, maar toch zal men de gedachte niet als iets secondairs
gevoelen. Dat blijkt ook hieruit, dat men haar nader zal willen overwegen en
onderzoeken. Een sterke binding aan een gestelde voorwaarde toont de
palindroom: gelezen van achteren naar voren moet dezelfde zin terugkeren van de
gewone lezing. De zin wordt als het ware omgeklapt om een denkbeeldige as, die
draait tussen twee letters of binnen in een letter. Bekend is de retrograde van
H.L. Spiegel ‘Neder sit wort trow tis
reden’. De zinsinhoud is zeer | | | | aannemelijk, hij staat vrijwel
op zichzelf en dat kan heel goed, daar hij een algemene strekking heeft. Anders
schijnt het te zijn met een meer moderne retrograde als ‘Mooie zeden in
Ede zei oom’. Deze suggereert een ruimer verband. Evenals een Duitse als
‘Eine treue Familie bei Lima feuerte nie’, of een Latijnse als
‘Amor tibi subito motibus ibit Roma’. Wanneer we daarentegen een
Griekse bezien als ‘Νἰψον ἀνομήματα μὴ μὀναν ὄψιν,’
22), dan constateren we, dat de uitgesproken gedachte zo algemeen is
(Was je gebreken niet alleen je gezicht), dat we geen behoefte gevoelen aan
enig ruimer verband te denken. Het vernuftige taalspel ontvangt dan des te meer
aandacht en bewondering. Het zinnetje ‘Mooie zeden in Ede zei oom’
suggereert wel een situatie waarin het past, maar het is toch niet meer dan een
suggestie. Wie het primaire van het zo sterk geconditioneerde woordbouwsel voor
ogen houdt, zal inhoud en situatie wel als een alleszins waardeerbare vondst
beschouwen, maar toch geen tijd aan een ernstig onderzoek daarvan verspillen
door vragen te stellen als: Wat zouden dat voor mooie zeden zijn? Wat is er in
Ede gebeurd? Waarom juist in Ede? Wat zou die oom er meer van
weten? Wie is die oom eigenlijk?
Zo staat het ook met de Oudnederlandse zinnetjes van
Oxford. Ze danken hun ontstaan aan een taalspel en daarom moeten
we niet eisen, dat men naar een oud Latijns citaat zal zoeken, waarop het
Latijn van deze middeleeuwse ‘taalvergelijking’ zou teruggaan. De
schrijver heeft bij elkaar passende Latijnse en Nederlandse woorden in
gelijkgebouwde zinnen weten te gebruiken. Hij is niet uitgegaan van reeds lang
bestaande, zonder enig verband met het Nederlands geschreven zinnen.
Dat de Latijnse en Nederlandse zinnen syntactisch naar elkaar
toegewerkt zijn, zodat ze woord voor woord precies tegenover elkaar kwamen te
staan, is toe te schrijven aan de spelregels, die zulks eisten. Het kunstje
moet kloppen en het is verbazingwekkend te zien, hoeveel overeenstemming tussen
Latijn en Nederlands de schrijver in dit ongelooflijk knappe kunststukje weet
te suggereren.
Aan dit taalspel moet wel een inhoud verbonden zijn, zo het
geslaagd | | | | wil heten. Die inhoud vormt juist zijn bijzondere charme,
maar hij komt er secondair uitvallen, gelijk dat bij taalspel pleegt te
geschieden. Alle tot dusver gepubliceerde opvattingen over de betekenis hebben
dan hun waarde, al geloof ik wel, dat de schrijver een glimlach niet zou hebben
kunnen onderdrukken als hij geweten had, dat er eenmaal over de enig-juiste
bedoeling van zijn kunstig taalbouwsel op zo verschillende wijzen zou
geschreven worden. Welke betekenis zou hijzelf er in de eerste plaats aan
toegekend hebben? Wij weten het niet, maar voor mij persoonlijk blijft de
opvatting van
Van Ginneken zoals die door
Van Mierlo enigszins gemodificeerd is, het meest in
overeenstemming met het speelse karakter van deze Oudnederlandse zinnen.
W.J.H. Caron
|
1)Ms. Bodleian 340 f. 169 v.; zie The Review
of English Studies, Vol. IX (1933).
2)Taal en Tongval VI (1954), 62-67.
3)De bijdragen van
M. Schönfeld, Een Oudnederlandse zin uit de elfde
eeuw, in Ts 52 (1933) met facs. -
Th. Frings, Ein altniederländischer Satz des 11.
Jahrhunderts, in Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und
Literatur, 58 (1934). -
J. van Ginneken, Het oudste gedichtje in de
Nederlandsche taal, in OTt V (1936). -
J. van Mierlo, De Letterkunde van de Middeleeuwen tot
omstreeks 1300, bl. 100. -
W. Krogmann, Altenglisches in einem
altniederfränkischen Satz? in Niederdeutsches Jahrbuch LXIX-LXX
(1943-1947). -
C. Tavernier-Vereecken, Nog over hebban olla vogala
nestas hagunnan hinase hi(c) anda thu, in H Top Dial XXII (1948).
4)Het oudste zinnetje in onze moedertaal, in
Leuv B 1954, 98-113; in voetnoot 1. sprak de schr. eveneens de veronderstelling
uit, door te vragen of het onleesbare laatste gedeelte der pr. p. zou kunnen
overeenkomen met het Latijn quid expectamus nunc. In een mij gezonden brief
deelde De Smet mij mee, dat hij van het bestaan van mijn artikel niet afwist,
toen hij zijn vraag neerschreef. Des te meer blijkt, hoe plausibel de hypothese
van de overeensteming tussen quid expectamus nunc en de
onleesbare woordresten is.
5)Een oud penneprobeersel, in Med V A 1955,
554-559.
6)Studentenalmanak van de Studentencorpora
der Vrije Universiteit 1956, 333-338.
7)Het ‘age iam’ op de probatio
pennae, in Leuv B 1957, 121-125.
8)Hand. 25 ste Ned.
Filologencongres 1959, 28-30.
10)Diplomata Belgica ante annum millesimum
scripta 1950, I, 397 vlg.
11)In Dipl. Belgica werd de foto niet
gepubliceerd, omdat het resultaat, naar Gijsseling meedeelde, toch weinig beter
zou geweest zijn dan de bestaande facsimile uitgaven.
12)Naar Dr.
G.I. Lieftinck mij meedeelde, vermeldt de Summary
Catalogue of Western Manuscripts II, part I p. 351 (Oxford 1922; auteurs F.
Madan en H.H.E. Craster) het Ags. ms. met de toevoeging: ‘written in the
first half of the 11th century in England’.
13)Zie voorbeelden als saka, enda,
dusentach, bagaerte bij Dr.
A. van Loey, Middelnederlandse Spraakkunst, II.
Klankleer, § 97, Gron.-Antw. 1962.
14)Schönfeld schijnt te menen, dat De
Smet's artikel reeds voor het mijne zou zijn verschenen. Iets dergelijks ook in
H Top Dial 1954; in jrg. 1955 werd echter een rectificatie geplaatst.
16)Zie Mnl W II, kol. 633.
17)Zie Franck, Mittelniederländische
Grammatik, Leipzig 1910, § 114 Anmerkung.
18)Met en zonder belichting door
ultra-violette stralen, bovendien gefiltreerd met rode, blauwe, gele en groene
filters om zoveel mogelijk aan de corrupte plaatsen van het hs. te kunnen
ontwringen. Het blauwe filter gaf het duidelijkst de inktresten weer; het rode
was het minst duidelijk.
19)Evenals adraédan, acunan, awoc; zie
R. Girvan, Angelsaksisch Handboek, Haarlem 1931, p. 129; vgl. ook het
hedendaagse Eng. abide, awake.
20)De eerste a van vogala is
een svarabhakti-vocaal, gelijk uitgesproken als de zwak geaccentueerde tot de
eenheidsvocaal verkleurde klinkers.
21)Zo heeft
Van Mierlo een bijzondere betekenis menen te moeten
hechten aan de schuine streep onder onze pr.p. Het bleek mij echter, dat het
perkament hier eenvoudig doorgesneden is. De foto's geven die snede inderdaad
weer door een ‘streep’, maar op de foto met doorvallend licht kan
men duidelijk dat licht door die snede zien dringen.
22)Men vindt het kunststukje reeds bij
Christiaen van Heule vermeld; zie de reeks Trivium, I, deel 2, p 101 vlg.; op
p. 102 staat ook een Latijnse palindroom: Signa te signa temere me tangis et
angis.
|
|