Een alias-reeks als Jan Roex alias Coussen alias Schrijvers voor een man (en eventueel een vrouw) is gewoon in de schepenprotocollen (1526-1796) en andere archivalia van de Belgisch-Limburgse gemeente Opglabbeek, en bij uitbreiding ook van andere plaatsen in oostelijk Limburg. Dezelfde Jan kan elders vermeld staan als Jan Coussen alias Roex, Jan Roex alias Schrijvers, Jan Coussen en Jan Schrijvers. Voor genealogen een meestal niet of moeilijk te ontwarren wirwar.
Wat is er eigenlijk aan de hand? Twee naamtypes spelen op elkaar in, nl. de familienamen en de erfnamen(1) die daarenboven meestal van familienamen afgeleid zijn. In de praktijk bleken en blijken de erfnamen een even belangrijk zoniet belangrijker middel tot identificering te zijn dan de familienamen. Bij het raadplegen van geschreven bronnen en tot voor korte tijd ook van de volksmond m.b.t. de Oostlimburgse regio, moeten wij ons dan ook vrijwel steeds de vraag stellen of iemand met zijn werkelijke familienaam, soms in een alias-vorm(2), dan wel met de naam van het erf dat hij bewoont en/of bezit aangeduid wordt. Een paar voorbeelden ter verduidelijking. Jan Rocx alias Vaesen (zijn ouders wonen op het Vasen) huwt op 16.11.1773 met Mechtildis Waeben alias Kimpen (haar ouders zijn eigenaars van het Kimpen); het is gewoon ze elders vermeld te vinden als Jan en Mechel Brans, daar zij zich op het Brans gingen vestigen. Zelfs wanneer een familie een goed voor een tijd huurde, kon de erf- de familienaam in de praktijk verdringen: Arnold Vliegen alias Sijmkens alias Drogen uit het buurdorp Meeuwen huwt op 26.1.1784 met Maria Lucia Geerkens en vestigt zich als pachter op het goed Klaaskens; enige tijd later staan zij in de gichtregisters vermeld als
Arnold en Lucie Kleskens (dialectisch voor Klaaskens). Wij kunnen deze voorbeelden met tientallen uitbreiden.
Daar wij sinds geruime tijd een onderzoek, zowel geografisch als historisch en naamkundig, op de Belg.-Limb. gemeente Opglabbeek geconcentreerd hebben(3), willen wij onze bevindingen betreffende de wisselwerking tussen familie- en erfnamen voor deze gemeente, die als voorbeeld voor de regio kan gelden, op een rijtje zetten.
Over de spreiding van dit soort erfnaam kunnen wij alleen een zekere uitspraak doen over het Belgisch-Limburgse gebied dat onder de Kempen ressorteert. Ten oosten van de lijn (Neer-, Over-)Pelt - Eksel - Hechtel - Helchteren - Houthalen - Zonhoven - Hasselt dragen alle boerderijen (en een aantal huizen in de dorpscentra) niet enkel namen, maar deze zijn voor meer dan 90% afgeleid van de namen van de oudst bekende eigenaars, resp. bewoners (15de-16de eeuw). In het oostelijk Limburgs gebied werkte dit naamgevingsprocédé systematisch, d.w.z. iedere winning heeft een meestal van een familienaam afgeleide naam(4). In het westelijk deel van de Limburgse Kempen is zulks een rariteit. De verklaring voor deze tegenstelling dient ongetwijfeld op het socio-economische vlak gezocht te worden. Het systeem bleek perfect te werken in gemeenschappen die tot vorige eeuw zuiver agrarisch, vrij geïsoleerd en weinig mobiel waren(5), en waar eigenaar en bewoner van een erf meestal identiek waren, wat in genoemd oostelijk deel van de Limburgse Kempen en aansluitend het Maasland grotendeels het geval was. In het westelijk deel van de Limburgse Kempen was de toestand anders. In de meeste gemeenten aldaar ontstond in de 16de eeuw een vorm van leurhandel, bekend als de teutenhandel, was de samenleving minder honkvast, was er meer in- uitwijking en ontstond het type van de boer-leurhandelaar.
Om de hierboven geschetste dualiteit binnen een groot deel van het Belg.-Limburgse gebied nog wetenschappelijker te ondersteunen, zouden wij moeten kunnen beschikken over degelijke sociologische en demografische studies, wat jammer genoeg niet het geval is. Het tot dusver gevoerde naamkundig onderzoek is een hint dat zulke studies wellicht revelerend zouden zijn.
Het is evident dat de socio-economische omstandigheden die in de Limburgse Kempen golden, ook elders konden (kunnen) voorkomen. Meteen rijst dan de vraag of dit zijn weerslag had op de naamgeving. In de literatuur wordt wel eens gewag gemaakt van erfnamen van het type ‘tot (te) Jansen’(6), maar het biedt te weinig houvast tot een vergelijkende studie.
De volgende tabel geeft een overzicht per eeuw en per nederzetting (gehucht) van het aantal erven. Over de toestand in 14de en 15de eeuw zijn wij niet geïnformeerd, daar de doorlopende bronnen eerst in 1522 beginnen.
| 16de e. | 17de e. | 18de e. | 19de e. | |
|---|---|---|---|---|
| Opglabbeek-Dorp | 12 | 15 | 24 | 37 |
| Ophoven(7) | 19 | 19 | 23 | 35 |
| Louwel(8) | 13 | 14 | 23 | 31 |
| Broekkant | 4 | 4 | 5 | 7 |
| Hoeve | 2 | 2 | 4 | 4 |
| 50 | 54 | 79 | 114 |
In vier eeuwen is het aantal erven meer dan verdubbeld, vooral te verklaren door erfdelingen, die vóór de 18de eeuw zeldzaam waren: tussen 1500-1700 hadden slechts twee delingen plaats, nl. van het Roeks en het Vinken, ook twee winningen met uitgestrekte landerijen. Vóór de 18de eeuw hield men zich blijkbaar strikt aan het recht van ‘primogeni-
tur’ of eerstgeboorterecht: Na het overlijden van beide ouders had de oudste zoon per definitie recht op woning, hof en moestuin; daarnaast had hij ook nog zijn aandeel in de overige goederen. De delen waarop zijn broer(s) en/of zuster(s) recht hadden, kocht hij meestal terug. Slechts in uitzonderlijke gevallen verkocht de oudste zoon zelf zijn aandeel aan een broer of een zwager.
In de 18de eeuw hadden er 14 erfdelingen plaats, in de 19de eeuw 24. Wat de 19de eeuw betreft moeten wij er rekening mee houden dat het landbouwareaal toen door heideontginningen toenam, vooral na 1830. In de 19de eeuw werden ook nieuwe woningen opgetrokken (o.m. Bergske, Das, Jannissen, Wever).
Bij een erfdeling werd het goed meestal in twee verdeeld, soms in drie delen (Gebelen en Reimkens in de 18de e.; Bieskens, Engelen, Hagens, Jannis en Groot Vinken in de 19de e.), uitzonderlijk in vier delen (Berger in de 18de e.).
Na een deling werden één (soms twee en drie) nieuwe woningen opgetrokken, die veelal een specificerende naam kregen:
| 1) | Naar de familienaam van de nieuwe, meestal ingetrouwde eigenaar: Aarden (Dries 2), Bos, verkort uit Vandenbosch (Berger 2), Dan(i)els (Roeks 2), Habex (Reimkens 2), Hellings (Kremers 2), Meerten (Gerits 2), Paredis (Hanskens 1), Simons (Bamps 2). |
| 2) | Naar de voornaam van de nieuwe erfman: Geliam (Gebelen 1), naar Wilhelm of Geliam Zegels; Hubes (Dries 4), naar Hubert Maesen; Kobeke (Dries 3), naar Jacob Gabriels. |
| 3) | Soms werd ook naamvormend gewerkt met de klassieke tegenstellingen groot/klein (Drogen, Koesen, Steger en Vinken); oud/nieuw, hoewel het onderscheidend bestanddeel oud - althans in de geschreven bronnen - meestal achterwege blijft(9). |
Voor Opglabbeek beschikken wij over een bunderlijst van omstreeks 1800, waarin alle erven met hun grootte, aangeduid in bunders en kleine roeden(10), vermeld worden:
| Dorp | Louwel | Ophoven | Broek(kant) | Hoeve | |
|---|---|---|---|---|---|
| Van 0 tot 1 bunder | 9 | 4 | 1 | ||
| Van 1 tot 3 bunders | 1 | 1 | |||
| Van 3 tot 5 bunders | 2 | 1 | 2 | ||
| Van 5 tot 10 bunders | 6 | 8 | 7 | 5 | 2 |
| Van 10 tot 15 bunders | 2 | 8 | 6 | ||
| Van 15 tot 20 bunders | 2 | ||||
| Van 20 tot 25 bunders | 1 | 2 | 5 | ||
| Van 25 tot 30 bunders | 1 | ||||
| Van 30 tot 35 bunders | 2 | ||||
| Van 35 tot 40 bunders | 1 | ||||
| Van 40 tot 45 bunders | 1 | ||||
| 24 | 23 | 23 | 5 | 4 |
21 van 79 erven hadden een oppervlakte van minder dan 5 bunders, merendeels in het Dorp te situeren, waar ook een aantal ambachtslieden en kleine handelaars woonden maar tegelijk landbouwers waren.
De meeste winningen hadden een oppervlakte land (bouw- en hooiland, hedevelden en evtl. moerasgrond) tussen de 5 en 10 bunders (28) en 10 à 15 bunders (16).
Naar Kempische maatstaven bezaten een vijftal erven een bijzonder grote oppervlakte land: Schrijvers op het Roekseinde in Ophoven (27 bunders 204 roeden), Bieskens in het Dorp (31 bunders 218 roeden), Engelen in het Dorp (33 bunders 186 roeden), Linden in het Dorp (36 bunders 211 roeden) en Krijns in Ophoven (43 bunders 197 roeden). De eigenaars van deze erven vervulden belangrijke functies, vaak van vader op zoon, in het gemeentelijk en juridisch beleid; de erven bezaten ook een omvangrijke veestapel.
De meeste erfnamen zijn afgeleid van FAMILIENAMEN(11),
type Brans, Klissen, Wevers. Meestal behoren deze familienamen tot de oudste laag die voor Opglabbeek uit de bronnen werd opgetekend.
VOORNAMEN(12), meestal voor jongere erven: Augustijn (naar Augustinus Bortscheit, † 1822), later verdrongen door Driesen (naar Andries Janssen, 1796-1871). - Janen (naar Sebastiaan Waeben, 1757-1829), later verdrongen door Manen (naar Hermanus Waeben, 1804-1879). - Jannissen (naar Johannes Dirx, 1818-1870). - Geliam, Hubes, Kobeke (zie 2.1).
BEROEPSNAMEN(13), ook voor jongere erven, al dan niet na een erfdeling: Dekker (Dries 1, naar Martinus Gabriels, 1846-1913, strodekker van beroep). - Kuiper (Koesen 2, naar de kuiper Jan Mathijs Martens, 1811-1876). - Smid (twee erven, naar meester-hoefsmid Peter Jan Vandeursen, 1815-1880, en naar de familie Stifkens, een 18de-19de eeuwse smedenfamilie). - Wever (twee erven, naar twee linnenweversfamilies, Goossens en Wevers: nomen est omen!).
Deze kleine maar morfologisch zeer interessante groep erfnamen, in bepaalde gevallen ook tot familienamen ontwikkeld, vraagt een uitvoeriger toelichting.
Het betreft -s- en -er-afleidingen van de grondwoorden bampt (beemd), beek, berg, broek, hoeve en steeg.
| 1) | BAM(P)S is de naam van een erf gelegen op de Broekkant tegen een bampt- of hooilandterrein aan de Bosbeek. Aanvankelijk werden de bewoners van het goed inden Bampt genoemd, later met suffigering Bamp(t)s.(14) Bam(p)s is thans nog een frekwent voorkomende naam in Limburg, vooral in Midden-Limburg, met als variant Bammens, met reductie van het tweede lid uit Bammans. |
| 2) | Het erf BEEKS situeert zich evenals Bamps op de Broekkant bij de Kleine Beek. Op de Beek en recenter Beeks fungeren eerst als erfnamen, concurreren vervolgens met de namen van de eigenaars van het goed, totdat Beeks een gangbare familienaam wordt(15). Een familienaam ontwikkelt zich derhalve niet tot erfnaam, zoals hier meestal het geval is, maar omgekeerd ligt een erfnaam aan de basis van een familienaam. |
| 3) | BERGER is zoals Broeker en Steger een -er-afleiding, met name
van berg in de betekenis van landduin of
zavelberg. Het goed ligt in het noorden op de grens van
Opglabbeek-Louwel met Gruitrode tegen
een duinencomplex. Het site van dit erf wordt in de oudst
bekende vermeldingen duidelijk omschreven: 1533 den
Hoff aen die Berghe. - 1581 den Hoff
aendie Berge tot Louwel, reeng. dije
Savelberge. I.p.v. de voorzetselconstructie treedt
later een -er-afleiding op: 1667 den Bergher Hoeff. - 1754 te
Berger. Deze erfnaam ligt tevens aan de basis van de familienaam Berger(16), thans nog voorkomend in de zone Opglabbeek-Genk. Naast Berger kennen wij in Limburg Bergs en vooral Bergmans. |
| 4) | BROEKER, formeel vergelijkbaar met Berger en
Steger, is een -er-afleiding van broek ‘depressie’, i.c.
het Dorperbroek, een uitgestrekt moerasgebied waarin ook de
schans ligt. De naam van het erf Broeker werd en wordt nog overgedragen op de eigenaars van dit goed(17), maar Broeker heeft zich niet tot een vaste familienaam ontwikkeld, althans niet in Opglabbeek en omgeving. |
| 5) | De erfnaam HOEVER, met anorganische -t ook
HOEVERT(18), is afgeleid van hoeve (Lat. mansus), landmaat bij de ontginning. Het is
een geïsoleerd goed in de dalbodem van de Bosbeek en
vergelijkbaar met de talrijke Kempische hoeve-namen die in relatie staan tot een laatmiddeleeuwse ontginningsbeweging. |
| De -er(t)-afleidingen representeren het jongste stadium(19). Hoever(t) heeft zich niet tot familienaam ontwikkeld, hoewel hij dikwijls op de bewoners van het goed werd (wordt) overgedragen(20). | |
| 6) | STEGER is een -er-afleiding van steeg ‘smalle weg, voetpad; letterlijk: weg die
stijgt’. De evolutie van Steegmans/Indestege
tot Steger blijkt uit de chronologie van de
vermeldingen(21). De erfnaam Steger werd ook overgedragen op eigenaars van het goed(22). Toch is Steger niet de gangbare familienaam geworden in Opglabbeek en omgeving, wel Vanderste(e)gen. |
De basisnederzetting is het individuele, resp. familiale erf, dat ofwel in een afgezonderde positie voorkomt, zoals de Hoeve in Opglabbeek, ofwel in groepsverband en dan hanteren wij de term gehucht, een collectief van hof(stede).
Wij vermelden enkel het aantal genoteerde voorzetsels in verbinding met de erfnamen (bijv. het goed genaamd te Beeks) en niet deze in verbinding met de namen van de bewoners der erven (bijv. Jan op die Beek).
| 16de e. | 17de e. | 18de e. | 19de e. | volksmond | |
|---|---|---|---|---|---|
| TOT | 7 | 13 | - | - | - |
| TE | 9 | 19 | 43 | 32 | - |
| OP | 1 | 8 | - | 5 | 4 |
| AAN | 3 | 2 | 1 | - | - |
| BIJ | - | - | - | 19 | alle min vier |
Conclusies:
| 1) | De intern-lokaliserende voorzetsels tot en
te (gereduceerde vorm van tot) domineren in de historische attestaties; daarnaast in
veel mindere mate op dat, zoals verder blijkt,
in drie gevallen semantisch verantwoord is. Tot en te kwamen ook voor in verbinding met de namen van de drie kerngehuchten van Opglabbeek (Opglabbeek-Dorp, Louwel, Ophoven), maar zijn nadien verdrongen door in. Bij de overige nederzettingen treedt op als lokaliserend voorzetsel op. Naar hun site zijn deze laatste meestal uitbreidingen of uitlopers van de kerngehuchten: Broekkant, Roeks- en Stegereinde bij het kerngehucht Ophoven, Vinkeneinde bij Louwel. Een uitzondering vormt de Hoeve die in afgezonderde positie voorkomt. |
| 2) | Op treedt historisch op in verbinding met drie erfnamen, nl. Beeks (in vermeldingen als op de Beek, jonger te Beeks), Bergske (ligging op een weghelling) en Hoeve (afgezonderd domein). |
| 3) | Opmerkelijk is dat het voorzetsel te nog frekwent in 19de-eeuwse bronnen geattesteerd is m.b.t. erfnamen, bijv. 1825 te Meerten, 1826 te den Wever, 1833 te Rutten, 1857 te Drees, enz. Bij de gehuchtnamen is te dan al lang niet meer gebruikelijk, wel in en op. |
| 4) | Het louter plaatsaanduidende voorzetsel aan treedt alleen op bij de oudere variant van de erfnaam Berger, nl. aan de (Zavel)bergen. |
| 5) | In de volksmond treedt thans bij de erfnamen altijd bij op, behalve bij Bergske,
Hoeve en Kimpen die met op verbonden worden. Voor Hoeve
(isolatief) en Bergske (hogere ligging) is dit
laatste normaal, maar op Kimpen is ongewoon,
te meer daar op ook nooit historisch met deze
erfnaam voorkomt. De verbinding met bij is vertrouwelijk. Dit voorzetsel komt voor het eerst in 19de-eeuwse bronnen (vooral de Burgerlijke Stand) voor, in verbinding met erfnamen afgeleid van a) voornamen: Bij Augustijn (Berben, Geliammen, Tijsen, Tonen); b) familienamen van recente eigenaars: Bij Gabriels (Habex, Janssen); c) beroepsnamen: Bij de Dekker (Kuiper, Smid). |
In Opglabbeek maar ook in andere gemeenten uit de Oostlimburgse regio bleken en blijken de erfnamen voor het sociaal verkeer belangrijker te zijn dan de familienamen, ook nadat deze laatste een officiële status gekregen hadden.
Zoals gezegd kunnen wij bij het raadplegen van archivalia vrijwel nooit zeker zijn of wij met familienamen dan wel met overgedragen erfnamen te maken hebben(23). Wij lichten dit toe aan de hand van één voorbeeld. In 1796, onder het Frans Bewind, werd in het Departement van de Nedermaas, waaronder Opglabbeek ressorteerde, een volkstelling per gemeente gehouden(24). Frappant voor de telling in Opglabbeek, opgemaakt door een ingezetene, is dat vrijwel nooit de familienamen vermeld worden, wel de op eigenaars, resp. bewoners overgedragen erfnamen, zonder ook maar enig onderscheid te maken tussen mans- en vrouwennamen. Wij lichten er enkele voorbeelden uit; links staan de namen uit de telling, rechts de eigenlijke familienamen:
| Jan × Marie Bamps = Jan Schenen × Maria Catharina Peeters |
| Andreas × Geertruydis Berger = Andries Nuyens × Gertrudis Knops |
| Jan × Mechel Brants = Joannes Rockx Alias Vaesen × Mechtildis Waeben Alias Kimpen |
| Jan × Agnes Broeker = Joannes Antonius Brockx × Agnes Jannis |
| Willem × Marie Hermans = Willem Schreurs × Maria Gertrudis Vandeursen |
| Nelis × Aldegonde Kimpen = Cornelis Waeben × Aldegondis Sertijns Alias Claessens |
| Arnold × Lucie Kleskens = Arnold Vliegen × Marie Lucie Geerkens |
| Jan × Judie Klissen = Joannes Weevers × Judith Clissen |
| Christiaan × Lucia Coppens = Christiaan Schreurs × Lucia Martens Alias Berger |
| Leonardus × Francine Creemers = Lenaert Hellinck × Francine Fransen |
| Jacob × Elisabeth Millen = Jacob Lemkens × Maria Elisabeth Vanderstegen |
| Berth × Catharina Rijmkens = Lambert Geerkens × Catharina Elisabeth Frederix |
| Gerit × Margaritte Rutten = Gerard Martens × Margaretha Lemkens Alias Vincken |
| Hendrik × Anna Smeets = Hendrik Geerkens Alias Smeets × Anna Jansen Alias Jonckers |
| Frans × Elisabeth Stegher = Frans Rox × Elisabeth Vandersteghen |
| Jan × Joanna Theuwis = Joannes Schreurs × Joanna Maria Grondelaers |
Tot voor een tweetal decennia werden de meeste Opglabbekenaren, zowel mannen als vrouwen en kinderen (de laatsten soms met een van-constructie), genoemd naar het goed dat zij bezaten of huurden;
bewoner en eigenaar vielen evenwel meestal samen. De familienamen vervulden enkel een rol in de administratie.
Het aantal voorbeelden dat hier volgt, zou nog merkelijk uitgebreid kunnen worden. Links staan de officiële familienamen, rechts de overgedragen erfnamen zoals zij in het Opglabbeeks ongeveer klinken.
| Antoon Willems (°2.10.1871, † 9.3.1950) = Toneke Bamps |
| Hubert Bergmans, ingetrouwde schoonzoon (°18.9.1868, † 17.8.1936) = Bert Bieks |
| Jacob Geussens, ingetrouwde schoonzoon (°24.7.1884, † 1.7.1964) = Jaak Bieskens |
| Peter Jan Willem Vanhove, nieuwe eigenaar (°28.10.1840, † 11.7.1922) = Branske |
| Hermanus Jacob Roex (°29.5.1864, † 30.10.1959) = Kuub Broker |
| Laurentius Hellings, ingetrouwde schoonzoon (°9.1.1873, † 11.4.1949) = Linske Driegen |
| Theodoor Truyen, huurder (°9.2.1866, † 15.1.1940) = Door Engelen |
| Herman Geebelen (°8.7.1888, † 10.7.1970) = Maan Gelijamme |
| Peter Jan Cuppens (°3.6.1887, † 14.1.1951) = Pier Geri(t)s |
| Peter Jan Geebelen (°20.12.1869, † 2.6.1938) = Jentje Giens |
| Peter Jan Willems, ingetrouwde schoonzoon (°20.8.1858, † 13.11.1940) = Pierke Hage(n)s |
| Arnold Paesen (°20.2.1879, † 22.10.1958) = Nolke Hermis |
| Philip Casters (°31.12.1885, † 25.8.1965) = Lips van de Hoof |
| Mathijs Waeben (°23.8.1898, † 3.5.1972) = Ties Kimpen |
| Joannes Josephus Knoops (°18.6.1879, † 19.2.1956) = Janneke Kleeske(n)s |
| Jan Nicolaas Gabriels (°21.4.1879, † 4.5.1951) = Jan Klissen |
| Jacob Schreurs (°13.6.1870, † 20.3.1946) = Kuub Kuisen |
| Jan Mathijs Casters (°7.12.1865, † 12.4.1956) = Tieske Kriens |
| Willem Schreurs (°18.11.1843, † 11.11.1925) = Wilke Keppe(n)s |
| Joannes Lambertus Janssen, ingetrouwde schoonzoon (°25.2.1881, † 21.9.1956) = Bert Manen |
| Jacob Hubert Schrooten (°6.7.1868, † 3.3.1944) = Kiebeske Marte(n)s |
| Peter Michiel Vandeursen, nieuwe eigenaar (°8.6.1882, † 11.6.1968) = Geel Millen |
| Karel Baeten, nieuwe eigenaar (°29.12.1873, † 21.1.1950) = Kerelke Oijen |
| Leonard Caelen (°28.3.1891, † 11.8.1968) = Leetje Iems |
| Balthazar Roex (°4.5.1858, † 28.9.1938) = Beltje Pauls |
| Jan Michiel Janssen (°29.9.1891, † 5.12.1955) = Geel Reimke(n)s |
| Lambert Vandeursen (°2.12.1890, † 27.9.1980) = Bert Reiners |
| Peter Joannes Bijnens, ingetrouwde schoonzoon (°1.9.1865, † 30.9.1939) = Pierke Rooks |
| Michiel Vandeursen (°6.6.1887, † 31.10.1944) = Geelke Rutten |
| Leonard Martens (°23.2.1896, † 15.7.1963) = Lei Schas |
| Hendrik Vandeursen, nieuwe eigenaar (°2.5.1852, † 26.9.1926) = Rikske Schrijvers |
| Jan Mathijs Martens (°3.6.1887, † 16.10.1950) = Jan Slegers |
| Jan Karel Geerkens (°26.9.1880, † 27.6.1974) = Charelke Steger |
| Petrus Joannes Paesen (°20.5.1871, † 23.4.1946) = Pier Tievis |
| Lambert Karel Wertelaers, ingetrouwde schoonzoon (°6.4.1870, † 25.9.1950) = Kerelke Vasen. |
De overdracht van de erfnamen op de eigenaars, resp. huurders van de erven heeft eeuwenlang plaatsgehad. Dit is hoofdzakelijk te verklaren vanuit de sociologisch belangrijke plaats die deze erven bekleedden. In een eertijds afgesloten dorpsgemeenschap, in een landschappelijk goed geordend geheel met de gemene gronden, de cultuur-gronden en de erven als basiscomponenten, namen de erven een centrale plaats in, ook elders. Bovendien ligt Opglabbeek in de regio waar deze erven een vaak eeuwenoude naam hadden. Deze erfnamen kregen dan ook een primaire identificatie- en onderscheidingsfunctie, niet de familienamen.
Maatschappelijk en landschappelijk hebben zich de jongste tijd grote verschuivingen voorgedaan. Het aantal oude erven is ook drastisch ingekrompen. De overdracht van erf- op familienaam heeft thans nog enkel plaats binnen een besloten kring van oudere en autochtone Opglabbekenaren. De volgende ingezetenen van de gemeente, ook eigenaars van een oud goed in site, zijn in een weliswaar steeds kleiner wordende groep voornamelijk bekend onder de overgedragen erfnamen:
| Jan Roex (°12.8.1898) = Jentje Broker |
| Pieter Jacob Geebelen (°27.5.1907) = Jaak Giens |
| Hubert Schreurs (°25.9.1904) = Hiebke Kuisen |
| Pieter Michiel Gabriels (°13.6.1915) = Chelke Kriemers |
| Jan Hendrik Cuppens (°30.7.1909) = Jan Leisen |
| Karel Martens (°30.9.1915) = Charel Lemmens |
| Jan Willems (°20.6.1896) = Jentje Danels |
| Alexander Baeten (°25.4.1910) = Zander Tievis |
| Lambert Schreurs (°18.3.1900) = Bertje Vinken |
Eksel
J. Molemans