Het zou ideaal zijn in dit overzicht alle titels die verschenen, oorspronkelijk en vertaald dichtwerk, herdrukken, oude rijmpjes en liedjes te kunnen opnemen. Het geven van preciese cijfers wordt dan echter een onmogelijke opgave. Vooral het aantal herdrukken valt moeilijk te achterhalen. De getallen die hier vermeld worden, zijn te beschouwen als minimum-grenzen, hoewel geprobeerd werd de juiste cijfers zo dicht mogelijk te benaderen. Dit overzicht heeft trouwens vooral de bedoeling een algemeen beeld te schetsen. Voor velen zal dit wellicht al bijzonder verrassend aankomen. Er werd inderdaad heel wat meer gepubliceerd dan de bundels van Schmidt... Globaal genomen zien de verhoudingen er voor de drie onderscheiden decennia als volgt uit:
| VERSJES | OUDE RIJMPJES | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Druk | Herdruk | Druk | Herdruk | |||||
| Ned. | Vl. | Ned. | Vl. | Ned. | Vl. | Ned. | Vl. | |
| 1950-1959 | 114 | 25 | 82 | 2 | 6 | 1 | 17 | / |
| 1960-1969 | 83 | 29 | 44 | 3 | 1 | / | 24 | / |
| 1970-1979 | 64 | 10 | 80 | 1 | 12 | 1 | 25 | / |
| LIEDJES | VERTAALD | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Druk | Herdruk | Ned. | Vl. | |||
| Ned. | Vl. | Ned. | Vl. | |||
| 1950-1959 | 6 | 2 | 2 | 1 | 4 | / |
| 1960-1969 | 28 | 10 | 36 | / | 8 | 4 |
| 1970-1979 | 14 | 2 | 16 | / | 46 | 3 |
Meest opvallend bij deze cijfers is ongetwijfeld het grote overwicht dat Nederland in alle domeinen op Vlaanderen heeft. De langere traditie in het Noorden zal hier wel een rol in spelen, maar kan toch moeilijk alleen verantwoordelijk gesteld worden. Dat dit in het verleden niet anders is geweest, bewijzen de (weer bij benadering vastgestelde) cijfers voor de jaren 1850-1880. Toen werden er in het Noorden meer dan 490 titels gepubliceerd tegenover ruim 60 in het Zuiden, wat een verhouding betekent van 8 tot 1. Als we de cijfers uit bovenstaande tabel met die uit het verleden vergelijken, kan met vrij grote zekerheid gesteld worden dat het aantal gepubliceerde oorspronkelijke werken achteruitgelopen is, maar dat de totale publikatie-activiteit over de decennia heen niet zo sterk gewijzigd is. De laatste jaren (1979-'80-'81) valt trouwens in Nederland een ware revival van het kindervers te constateren.
Tenslotte vindt u hier nog in grafiek de getallen voor de nieuwe oorspronkelijke verzenbundeltjes per jaar, zodat de evoluties op dit vlak, en de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen (gearceerd) duidelijker naar voor kunnen komen.


Een van de bekendste uitspraken van de Duitse criticus Ruth Lorbe is ongetwijfeld deze: ‘Das Thema der Kinderlyrik ist die Welt’.(1), of met andere woorden: de wereld van het kindervers is de wereld. En dan is die wereld geenszins een eenzijdig kinderlijke wereld. Kinderpoëzie kan de meest verscheidene onderwerpen binnen haar bereik brengen. Je kunt haast niets bedenken, zo doodgewoon of zo knettergek, of er is een kinderversje over geschreven. Toch is ook vooral in kinderverzen overduidelijk de wereld waarin het kind leeft allesoverheersend, van de kleine kamer rondom de kruipende peuter tot het steeds wijder wordende gebied voor het op avontuur trekkende kind en de onbeperkte ruimte van de fantasie. Het is dan ook vooral de omgeving rondom het kind die in de kinderpoëzie primeert. Kinderverzen hebben een hoofdzakelijk extravert karakter.
Hoofdzaak in onze moderne kindergedichten blijft zonder twijfel dat de dichter de kinderen wil laten zingen en dansen, spelen en lachen, dat hij ze dus plezier wil laten beleven aan zijn verzen. Hij maakt, zoals Jan Vercammen het noemt, vooral taalspeelgoed. Lange tijd behoorden de innerlijke wereld van het kind, zijn gevoelens als eenzaamheid, verdriet enz. niet of slechts heel marginaal tot de thema's van het kindervers. Het is pas vrij recent dat de aandacht hiervoor gegroeid is. De belangstelling voor de toenemende kennis van de psychologie van het jonge kind zal daar wel niet vreemd aan zijn. Ik kom op deze verschuiving nog terug (cf. 2.2.2.). In hoofdzaak is de thematiek van het kindergedicht erg traditioneel en weinig aan verandering onderhevig. De wereld van het kindervers is een vrij statische wereld. Dit geldt ook voor de laatste dertig jaar. Steeds dezelfde onderwerpen keren terug, en worden dan nog meestal op gelijkaardige wijze benaderd. Zo duiken uit de lectuur van de versjes van deze periode een aantal merkwaardige motieven op. De boeiendste ervan zal ik als leidraad gebruiken om u door die wondere en vaak in zijn statisch-zijn toch heel originele wereld binnen te brengen. De mogelijke evoluties en verschuivingen van accenten van na 1950 zal ik in een afzonderlijk punt behandelen (cf. 2.2.).
Zoals ik in het begin van deze paragraaf opmerkte, is de thematiek van de kinderpoëzie bijzonder rijk geschakeerd. Toch is het niet onmogelijk hierin enkele hoofdthema's te onderscheiden. Voor een praktische behandeling van de verzen kunnen deze een bijzonder bruikbaar instrument leveren. Ik ben er mij terdege van bewust dat de indeling die ik voorstel slechts één van de vele mogelijke is. Ze is vrij algemeen, maar dat heeft het voordeel dat de gedichten er zeer vlot in kunnen worden ondergebracht. Ze doorstond in elk geval de bruikbaarheids- en relevantietest in erg bevredigende mate.
De wereld van het kindervers kent dan in grote lijnen de volgende werelddelen:
Een afzonderlijke paragraaf wijd ik aan de nonsens- en humoristische versjes. (Hoewel deze verspreid zijn binnen de vijf bovenstaande groepen).
Binnen het hier volgende overzicht nam ik enkel oorspronkelijk dichtwerk voor kinderen op. Daarbij stel ik de dichter centraal. Het beeld dat ik wou verkrijgen was dat van wat er in die dertig jaar oorspronkelijk in Nederland en Vlaanderen aan poëzie voor kinderen in boekvorm gepubliceerd werd (bundels verhalen + versjes nam ik in de regel niet op). Er werd echter vanzelfsprekend heel wat meer gelezen dan deze oorspronkelijke gedichtjes. Er verschenen ook talrijke herdrukken, er werd ook een en ander vertaald en tenslotte werd een aantal boeken uitgegeven waarin Nederlandse dichter(e)s(sen) kinderversjes schreven bij vreemde tekeningen (zo b.v. H. Laurey, P. Biegel en J. Idserda bij platen van A. Zábransky, en L. Smulders bij illustraties van Gyo Fuykawa). Herdrukken nam ik niet op omdat die versjes volgens mijn principe in de tijd van de eerste druk thuishoren. Vertalingen aanzie ik wel als evenwaardig nederlandstalig werk, maar opname ervan zou een vertekend beeld gegeven hebben van wat in Nederland en Vlaanderen gecreëerd werd en aan onderwerpen leefde, daar de thema's niet zelf bedacht waren. Bij de laatste groep tenslotte zat ik met een identiek probleem, daar zijn de onderwerpen opgedrongen door buitenlandse illustraties. Een ondertitel als ‘Nederlandse kinderversjes van Harriet Laurey’ is in deze context gedeeltelijk misleidend. Deze werkjes werden dus niet opgenomen in de algemene schets van de wereld van het kindervers na 1950 zoals ik die zal behandelen. Als integrerend bestanddeel van het totaalbeeld van wat er aan poëzie voor kinderen verscheen, zal ik het er wel bij de betreffende auteurs nog over hebben. (cf.2.3.) Maar laten we nu binnentreden, of misschien past hier beter binnenwippen, in die wonderlijke wereld van het kindervers.

Een kwartier uit het leven van Barend, uit: Kuiper, N., De kraai is door het nest gezakt en andere versjes (ill. Elly van Beek), BV Uitgeversmaatschappij Elsevier, A'dam.
De eigen wereld van het kind, van opstaan tot slapengaan, op zijn eentje, met zijn vriendjes en in het -dikwijls onprettige- contact met volwassenen, vond ik uitgebeeld in 844 versjes (28,23%). Na de dierenwereld maakte het de laatste dertig jaar het tweede grootste thema uit binnen de kinderpoëzie. Het aandeel van deze verzen werd wel belangrijker naar de jaren '80 toe, wat vooral te maken heeft met een vernieuwde kijk op deze wereld (cf.2.2.2.) en met het afnemend belang van de grappige of vreemde verhaaltjes. Binnen deze groep neemt het kinderspel een bijzondere plaats in. Met 226 gedichtjes beslaan ze meer dan 1/4 van het totale aantal. Ik zal ze dan ook als een aparte geleding behandelen, na de twee andere hoofdthema's die hier aan bod komen: thuis/gezin en de wereld buitenshuis. Tenslotte zal ik het afzonderlijk nog even hebben over de gelegenheids- en albumversjes.
Ruimtelijk gezien is het huis met vooral de woonkamer, speel- en slaapkamer wellicht de belangrijkste plaats in de wereld van het kindervers. Ook de meeste spelletjes spelen zich binnenskamers af. We kunnen dus met reden spreken over een ‘kleine’ wereld, die trouwens des te kleiner is naarmate het kind dat in het vers optreedt of tot wie het rijm gericht is, kleiner is. De wereld ontvouwt zich van de wieg, naar de kinderbox, naar de kamer enzoverder.
Wiegeliedjes en slaapliedjes trof ik in de moderne kinderverzen erg zelden aan. Waar deze wel voorkwamen, waren het eigenlijk variaties op oude volksrijmen als ‘slaap kindje slaap’, die blijkbaar onverbeterbaar zijn. Ik ontdekte er slechts een achttal, en ook zij volgden oude rijmen na (duidelijk in het slaapliedje van Jan Vercammen (Ik ben ik), of werden op dieren overgeplaatst zoals ‘schaap lammetje slaap’ van Jan van Hoften (De vrolijke dierentuin) of het ‘duivenslaapliedje’ van Diet Huber (De snars, de fluit, de sikkepit). Origineel, zowel qua invalshoek als qua ritme is het vers ‘slaperige moeder’ van Karel Eykman, waarvan de laatste strofe luidt:
Merken we hier nog bij op dat deze rijmpjes eigenlijk gebruikspoëzie voor de moeder (de vader komt er blijkbaar niet aan te pas) zijn, wat duidelijk blijkt uit het vertelstandpunt (moeder tot kind). In alle opzichten zonderling en in een typische droge, ontluisterende Dorrestijn-stijl geschreven is zijn ‘Slaaplied’:
Versjes die het slapengaan begeleiden komen wel meer voor (12x). Een veelgebruikt motief is hier het goedenacht-wensen door het kind aan zijn/ haar directe omgeving: het speelgoed, de dieren, moeder en vader, tot zelfs de figuren op het behang.
Liedjes voor bij het opstaan zijn dan weer veel zeldzamer. Jan Peeters schreef er eentje in traditionele lijn waar men nog wakker werd bij het kraaien van de haan. Een reactie vanuit het kind op het keurige patroon: vroeg uit de veren, netjes wassen enz... levert Karel Eykman in 's Ochtends wassen’, waar het kind zich afvraagt waarom dat hoeft, 's avonds is toch eigenlijk al genoeg... (De liedjes van Ome Willem). Nog krasser is het komische gedicht van Hans Andreus: ‘Geloof je wipt, zich piekfijn klaarmaakt enz. om uiteindelijk toch toe te geven dat er eigenlijk niets van waar is (De rommeltuin). Al even origineel zijn in die zin het ‘Liedje van de luie week’ en ‘De luie mier’ (Waarom, daarom), waarmee de dichter meteen een flinke deuk geeft aan het traditionele vers, waarin de luiheid als uiterst verderfelijk werd beschouwd. Schreef Van Alphen al niet: Des morgens lang te slapen, _ Te geeuwen en te gapen _ Staat lelijk voor een kind. Dat deze boodschap erg lang naklonk mag blijken uit versjes van o.a. Cor Ria Leeman: Slapen is toch niets gedaan, _ willen we wat spelen gaan (Negertje, 1958), Midderigh-Bokhorst, waarin het elfje Krulkuif haar zusje vermaant geen slaapkop te zijn (Met elfje Krulkuif het hele jaar door), Lea Smulders, waar het prinsesje Pampelon de klompjes die ze van het ijverige boerinnetje wegnam, nooit in goud kan veranderen omdat ze te lui is om die 's morgens vroeg met dauw te wassen (De gouden klompjes), Hendrik Diddens in ‘De krekel en de mier’ (Van knikkers en van kluiten), een variatie op het vers van de La Fontaine, en zelfs nog in 1972 in ‘Mevrouw de hagedis is lui’ van Joan van Eepoel, waar de dreiging van het doktersspuitje de luizieke hagedis erg vlug
weer op de been helpt (Dansend langs de regenboog). Hetzelfde motief, maar op verfijnder wijze opgediend, kwam ik tegen in ‘Tweespraak’ van M.W.H. De Weerd (Kris kras door kinderland), waar een meisje dat met haar schijnzieke popje speelt, als dokter de volgende woorden in de mond gelegd worden:
Na dit alles trekt het onderschrift bij ‘Het liedje van Dip-dap-dop’ (E.A. Hagen, Liedverhaaltjes) ‘Niet voor luie kinderen’ natuurlijk onmiddellijk onze aandacht. Dip Dap Dop is een kereltje dat met feestneus en schuiftrompet vrolijk door het leven stapt. De wijze mensen willen hem doen leren, maar het mannetje kwijnt helemaal weg. Tenslotte vlucht hij naar een ver land waar hij weer helemaal zichzelf kan zijn en:
In deze context en in de nonsensikale sfeer die de hele bundel beheerst, zal het onderschrift wel niet zo ernstig genomen dienen te worden.
Niet schijn- maar echt ziek-zijn komt in kinderverzen blijkbaar vrij veelvuldig voor. Ik telde 15 versjes. Mooie gedichten over dit thema vond ik o.a. bij Han G. Hoekstra: ‘Leo is ziek’ (Rijmpjes en versjes uit de nieuw doos, maar al daterend van 1948) en bij Willem Wilmink: ‘Overdag in bed’ (De liedjes voor kinderen)
Tussen opstaan en slapengaan wordt er in het kindervers nogal wat gegeten (25 versjes). Traditioneel werd dit thema verbonden met volksrijmpjes waarin het kind hapje na hapje het eten werd binnengelepeld (‘ééntje voor moeder, ééntje voor vader enz.’) en meteen met het niet willen eten of anderzijds met het te veel eten, de gulzigheid en de snoepzucht. Het zijn nog steeds diezelfde onderwerpen (met een soms licht gewijzigde benadering) die verderleven.
Het niet willen eten vonden we in de jaren '50 o.a. bij Lea Smulders en An-
Jeroen heeft bij Schmidt meer geluk (De graaf van Weet-ik-veel), hij wordt door een gezant van de koning in zijn koppigheid gesteund; alleen jammer - zo besluit Schmidt - dat zoiets alleen bij Jeroen gebeurt. In ‘De drie mannetjes’ zien drie kleine oude mannetjes boven op de kast erop toe dat Basje zijn havermout uitlepelt (Schmidt, Het fluitketeltje en andere versjes). Maar aan het snoepen-afleren, daar doet Schmidt niet aan mee, integendeel. In ‘Luilekkerland expres’ (Veertien uilen) kunnen de kinderen per bus naar Luilekkerland; als iedereen weer naar huis moet, zijn drie kinderen zo dik geworden dat ze niet meer in de bus kunnen, ze schrijven dan maar een brief naar huis:
In ‘Jorisje moet snoepen’ (De toren van Bemmelekom) is de snoepgrage Joris in een grote pot spinazie gevallen. Niemand herkent hem meer en bijna wordt hij als kikker naar de sloot gestuurd. Gelukkig loopt alles goed af en Schmidt besluit:
Het is merkwaardig hoe in twee andere versjes uit die jaren de snoeplust weliswaar bestreden wordt, maar toch ook op een of andere manier gerelativeerd. In ‘Van Jopie Stroop, een dom kaboutertje’ (L. Smulders, Torentje, Torentje Bussekruit) blijft Jopie op een dag door het vele stroop-eten aan de grond kleven. Dat brengt natuurlijk een hoop ellende mee. Jopie zal dan ook nooit meer snoepen, alleen... En bij karnemelkse brei???_Tja, dààr hoort 't eenmaal bij_. In ‘Jan de Lekkerbek’ (M. De Weerd, Kris kras door kinderland) heeft Jan _één heel erg groot gebrek_; wanneer hij
van een sinterklaas-geschenk snoept voor hij dat eigenlijk mag, blijkt het vulsel groene zeep te zijn. Het grappige effect hiervan en het ontbreken van een expliciete moraal staan regelrecht tegenover de oude aanpak.
Met ‘Stout Kareltje’ (Ken je dit... Ken je dat?) van F. Cremer loopt het slechter af:
Ook bij L. Verbeeck heeft het snoepen voor ‘kabouter Bubbel Suikerboon’ (Droomsoes) pijnlijke gevolgen:
Evenzo bij J. Kalmijn-Spierenburg waar ‘Hollebollegijs’ door te veel te eten flink pijn in zijn buik krijgt (Het liedje van verlangen) en bij M.W.H. De Weerd waar ‘jarig Henkie’ nadat hij met zijn vriendjes ongevraagd de taart en bovendien de volledige inhoud van de koekendoos opat voor het feest begon, een feest op zijn broek krijgt (Kris kras door kinderland). Bij T.J. Kerpel moet kleine Jan die de krenten uit het brood in het geniep naar binnen speelde, zonder eten direct naar bed.
Bij Rieme en Maurits Mok komen verschillende versjes rond eten voor, wat wel te maken zal hebben met hun gerichtheid op kleuters. Hun voorkeur voor nonsens en volksrijm en afkeur van het belerende blijkt ook duidelijk uit deze gedichtjes. Door het beschrijven van de eetlust van ‘Kleine Klaas’ (Rom Bom Bom) in een lief tafereeltje krijgt het kind op een veel ongedwongener wijze die eetlust zelf binnengelepeld. In de versjes rond dit thema in Weer een zak pepernoten primeert het nonsensikale.
Uit de zeventiger jaren vermeld ik nog ‘Domme Marian’ (De feesttoeter 1) van Hans Runenbaan, waar het kleine meisje dat nooit lustte wat er op tafel kwam, door een toverfee wordt meegenomen van wie ze niets anders krijgt dan slakken en levertraan, een boeman in dienst van de opvoeding uit 1975! Willem Wilmink tenslotte geeft zichzelf in ‘Eetlust’ (De liedjes voor kinderen) de gelegenheid wat volwassen sentiment op te rakelen wanneer hij zijn kinderen tot eten aanmaant:
‘In de oorlog, jongens, toen zagen wij van honger groen...’.
Een zekere ironie kan hier ook wel onder steken.
Bijzonder boeiend en gevarieerd materiaal levert het onderzoek naar de manier waarop het kind in zijn relaties tot anderen, op de eerste plaats de ouders, maar ook broertjes en zusjes, vriendjes en andere volwassenen wordt benaderd. Ook hier vinden we traditie en aanval op die traditie door mekaar.
In ‘De verre reis’ van F. Cremer (Ken je dit... Ken je dat?) trekken de kinderen met een stoelen-trein naar een land waar alles mag. ‘Maar...’, zo voegt de dichter eraan toe, ‘je vader en je moeder, _ weet dat wel, die zijn er niet’. Nou, dan blijven ze toch maar liever thuis. Let hier even op het scherpe contrast met de ‘Luilekkerland expres’ van Schmidt die ik zojuist aanhaalde. Toch kunnen in ‘Toverstokje’ (Op visite bij de reus) van dezelfde Schmidt de ouders uiteindelijk niet gemist worden. Wanneer alle volwassenen door het toverstokje van Hansje omgetoverd zijn, gaan de kinderen zich al gauw vervelen ‘en zij werden vuil en vies en groen _ en niemand gaf hun ooit een zoen. De grote mensen worden dan ook vlug teruggetoverd.
In het klassieke kindervers worden de ouders met veel respect behandeld (we zullen dit ook voor de vaders en moeders afzonderlijk nu nog kunnen constateren).
Vanaf '60 duikt echter hier en daar een valse noot op in deze harmonie. In ‘slechte kinderen’ (De liedjes voor kinderen) van Willem Wilmink wordt de gezagspositie van de ouders die roddelen over hun slechte kinderen ronduit belachelijk gemaakt in het slot van elk refrein
Dezelfde afbraak, met nog drastischer middelen biedt Hans Dorrestijn in ‘De kinderbarbecue’ (Pieleman, Pieleman), dat begint met:
Waar met die ‘ze’ de ouders bedoeld wordt.
In ‘Meester Pennelik geeft cijfers’ van Vera Witte (Dat kan ik ook) wordt het klassieke rolpatroon op flessen getrokken. Meester Pennelik geeft er cijfers voor alles wat zijn vrouw doet, toch hoeft ze niet bang te zijn, ze krijgt immers nooit een onvoldoende!. Dat dit traditionele patroon in de kinderverzen aanwezig was, blijkt b.v. uit ‘Bij de mantelbavianen’ (De Weerd, Kris kras door kinderland), waar het vrouwtje baviaan ook een manteltje wil; telkens ze er met één aan komt draven, keurt haar man die af, tenslotte bindt ze in, ze zal nooit meer mantels aantrekken, ‘die zijn alleen voor jou,
lieve man’. In bijna alle gevallen wordt de vader trouwens als kostwinner en de moeder als huisvrouw afgeschilderd. Maar dat er ook daar af en toe verandering in komt, bewijst het boekje Dag hobbelpaard van N. Kuiper waar pappa de schone was strijkt terwijl mamma het gras maait.
Centraal bij de vaderfiguur staan zijn werk en de goede verstandhouding met het kind. Versjes over het werkmilieu van de vader vond ik o.m. bij M. Bouhuys (‘Mijn vader’, Hand in hand, ‘De haven’, Kinderversjes) en L. Kalff ‘Mijn vader gaat uit varen’, Het springfonteintje). Nog bij M. Bouhuys mag de kleine bij vader gezellig ‘Achterop de brommer’ (Hand in hand). Karel Eykman laat vader en zoon samen de stad intrekken. Ook hier springt het vreemde perspectief ouder-kind onmiddellijk in het oog:
Dezelfde vriendschappelijke relatie blijkt uit zijn ‘In vader of moeder klimmen’. In ‘De hand van mijn vader’ (De zee is een orkest) van A. Van Assche vindt het kind in de lijnen van die hand altijd weer ‘de weg naar huis’. Bij N. Kuiper bouwen de twee (kind en vader) samen een toren (Dag hobbelpaard) en in ‘Wat een verjaardag’ (Kinderversjes) van H. Laurey schrijft de vader van Sabine met zijn vliegmachine in sierlijke letters in de lucht ‘Lieve Sabine proficiat’.
Uit het versje ‘Bellen blazen’ (Rijm je mee) van T.J. Kerpel tenslotte, blijkt nog maar eens het klassieke rolpatroon: het kind rent er snikkend naar zijn moeder nadat het zijn pijpje brak, de moeder troost het, maar als vader thuiskomt, belooft die een nieuw.
Recent dook bij deze verstandhouding nog een eigentijds aspect op, het gebrek aan tijd van de vader voor het kind, zo bij H. Dorrestijn (‘Ochtendhumeur’, Pieleman, Pieleman), N. Kuiper (‘Mijn vader’. De kraai is door het nest gezakt en andere versjes), waar het jongetje zijn vader pas echt leert kennen op de zondagse wandelingen in het bos, en W. Wilmink (‘Liedje voor Michiel’, De liedjes voor kinderen). Nog bij Hans Dorrestijn (‘Stuivend Zand’, Pieleman, Pieleman) valt, weliswaar binnen de vriendschappelijke relatie, ook het ontluisterend oordeel over de vader als alwetend gezagsfiguur.
De persoon van de moeder is van oudsher veel sentimenteler en in een sfeer van tederheid benaderd in de kinderpoëzie. Slechts Hans Dorrestijn en Annie M.G. Schmidt waagden het hieraan te raken. Ik vernoemde al Dor-
restijns Slaaplied. Al even ontnuchterend werkt ‘De olifant’, wat dan de naam is die de snotterende en niezende moeder van de buurvrouw toebedacht krijgt, een goeie grap vindt het kind. In ‘De regenworm en zijn moeder’ (Dag meneer de kruidenier) ziet een kleine regenworm door het in de wind slaan van zijn moeders raad niet steeds in de lucht te kijken, maar eten te zoeken in de grond, nog net op tijd de roofvogel aankomen; voor zijn moeder was het echter te laat en Schmidt eindigt
In het geheel van Schmidts werk waar meer van die alternatieve en non-sensikale (moraliserende) slotzinnen voorkomen, moet hier niet zo zwaar aan getild worden, maar het staat er toch maar...
In de jaren vijftig ontdekte ik bij E. Vandevelde en A. Vermeire nog enkele voorbeelden van de gewrongen, onkinderlijke sentimentaliteit rond de moederfiguur waar de kinderverzen in vroeger jaren vaak zo door geteisterd werden. Lees er maar even volgende strofen op na, de eerste uit ‘Uw hand’ van E. Vandevelde (Huppeke Tuppeke, 1955) de tweede uit ‘Moeder’ van A. Vermeire (Dropjes, 1953).
Dat we in die jaren nog dergelijke strofen aantreffen (in Vlaanderen) is wellicht niet zo verwonderlijk, wanneer we echter in 1969 nog de volgende woorden voorgeschoteld krijgen, dan is dat toch wel het toppunt van ellende (uit: W. Van Hemelhuis, Van kindergedicht tot spreekkoor):
Ook Jan Peeters gaat in ‘de eerste roos’ (Trek je mee naar Rome) niet helemaal vrijuit. Wanneer het kind die bloem aan zijn moeder schenkt valt het hele gebaar, ondanks de vele verkleinwoorden toch nogal zwaarwichtig uit o.m. door woorden als: ‘balsemgeur’ en ‘pronken’. Eenzelfde sfeer ademen trouwens talrijke, zoniet de meeste gelegenheidsversjes uit, maar daarover later.
Geef mij in elk geval dan maar liever de lieve, knusse moeders van Miep Diekmann (‘Waarom moet je zo huilen’, Stappe, stappe, step!) of K. Eykman (‘Slaperige moeder’, De liedjes van ome Willem).

De verrassing, uit: Cremer F., Ken je dit... Ken je dat? (ill. Ine van Gulik), Wolters-Noordhoff bv, Groningen.
Net als bij de weergave van de relatie ouders-kind klinkt ook bij het proberen te vatten van de verhouding tussen broers en zusjes erg veel onnatuurlijkheid door. Vertederend, maar in onze ogen onbegrijpelijk en geforceerd klinkt ‘De verrassing’ van F. Cremer (Ken je dit... Ken je dat?). We moeten dit vers echter wel plaatsen in zijn tijd, waar discussies over voorlichting nog volop aan de gang waren en voor- en tegenstanders van ooievaar- en kool-theorieën mekaar in sommige milieus nog geregeld in de haren zaten. De moderne pedagogie mocht dan al lang met deze mythes afgerekend hebben, dit versje bewijst dat ze toch nog leefden. Ik nam het als tijdsdocument (1958) volledig op.
Ook in ‘Het raadseltje’ van J. Kalmijn-Spierenburg) Het liedje van verlangen) staat het mysterieuze voorop. Wanneer haar vriendinnetje niet kan raden wat het meisje heeft gekregen, antwoordt ze maar zelf vol trots: ‘een broertje in de wieg’. Dat niet alle kinderen met deze verrassing in hun schik waren, probeerden T.J. Kerpel en P. van Moerlande uit te drukken, maar hoe geforceerd komen ook hun pogingen over! In ‘Hartewens’ (T.J. Kerpel, Rijm je mee?) antwoordt kleine Jan op de vraag wat hij liefst zou krijgen, een broertje of een zusje ‘'t Liefst pa _ had _ ik nog _ een geitje’. Bij van Moerlande getuigt het ‘Ontevreden broertje’ (Kinderparadijs) gewoon van wansmaak; na een beschrijving van de lelijke, gerimpelde baby besluit het kind:
Een kras staaltje van hoe het zich proberen op kinderlijk niveau te verplaatsen kan ontaarden... Merken we terloops op dat beide benaderingen ook bij R. Cramer terug te vinden zijn en dus zeker niet nieuw waren. Een veel actueler geluid horen we bij E.A. Hagen (‘Annerietje ziet voor 't eerst haar tweelingszusje’, Liedverhaaltjes) en bij Miep Diekmann in het laatste versje van Wiele Wiele stap, waar The Tjong Khing een klein kindje op de knieën van een schattig zwangere moeder bij tekende.

Uit: Diekmann, M., Wiele wiele stap (ill. The Tjong Khing) Em. Querido's Uitgeverij BV, A'dam.
In haar tweede boekje, Stappe stappe step, is de baby er en dan weet Diekmann op een fijne manier de gevoelens van het kind bij deze verandering in zijn wereldje te schetsen, een mengsel van jaloezie (de baby neemt zijn kamer in beslag en krijgt veel meer aandacht) en genegenheid, zelfs samenhorigheid tegenover vreemd bezoek.
Overigens wordt de relatie tussen broers en zusjes bijna altijd in positieve bewoordingen beschreven, soms zelfs weer tot in het overdrevene toe. Zo schildert F. Cremer in ‘Bellen blazen’ (Ken je dit... Ken je dat?) een lief tafereeltje tussen grote broer en zijn klein zusje. In ‘Broertje heeft de hik’ (M. Hesper Sint, Een huisje vol) probeert het kind met lieve magische woorden ‘Hik - sprik - sprak - sprouw _ Hik verdwijn een beetje gauw’) de hik van de kleine baby te verdrijven. Een onnatuurlijk sentimentele noot ving ik op bij J. Peeters in ‘Grote Griet en kleine Piet’ (Trek je mee naar Rome). Wanneer Pietje in de winkel een snoepje krijgt, schrijft Peeters:
Niet zozeer vreemd door de situatie als wel door de taal, komt het gedicht ‘Koekenbak’ (E. Vandevelde, Huppeke Tuppeke) over. Wanneer de grote broer kleine Hans (die ‘brave’ broer) de zandbak met zijn pasgebakken koekjes ziet naderen, denkt hij bij zichzelf:
Hoe totaal anders klinkt 20 jaar later de stem van Willem Wilmink:
Een ander motief dat in deze versjes af en toe opduikt, is het uitdrukken van het besef al groot (in vergelijking met) te zijn. Luisteren we naar J. Vercammen in ‘Ben ik niet groot?’ (Ik ben ik), een versje dat in Vlaanderen vrij populair werd.
en vergelijk met E.A. Hagen ‘Annerietje ziet voor 't eerst haar tweelingszusje’ (Liedverhaaltjes):
Eenzelfde gedachte vinden we bij N. Kuiper (‘Helpen’, De tovertrein) en bij P. Jaspers (‘Luister even’, Met rozerood en zonnehoed., maar dan als wens zo groot te zijn als grote broer, zodat z'n klein broertje hem grote broer moet noemen).
Andere familieleden, oma's, opa's, tantes en ooms worden pas heel recent als normale mensen behandeld. Vroeger (na '50 althans) werden ze praktisch uitsluitend in een humoristisch, nonsikaal kader uitgebeeld (zie verder).
In de relatie tot andere volwassenen is het opvallendste motief de tegenstelling tussen het kind en de volwassene. Bij Annie Schmidt b.v. is die meestal onderhuids aanwezig, ook bij M. Hesper Sint duikt die even op in ‘Ventje is je vader thuis?’ (Een huisje vol) waar de postbode polst of moeder of opoe niet thuis is en bij ontkennend antwoord tenslotte vraagt: ‘Ventje is er niemand thuis?’ waarop de kleine antwoordt:
Nog duidelijker blijkt dit contrast in ‘Grote mensen zien graag klein’ (Pieleman, Pieleman) van Hans Dorrestijn, waar de titel voor zich spreekt. Opvallend, zeker in contrast met het opvoedkundig klimaat van vroeger, is de reactie van de kleine in volgend versje bij N. Kuiper (Dag hobbelpaard):
Tenslotte nog enkele verzen uit De liedjes voor kinderen van Wilmink
Het spelende kind is een erg populair onderwerp in de kinderpoëzie na 1950. Nu werden kind en spel van oudsher in kinderverzen bij mekaar gebracht, hoewel ook hier pas na het zich losmaken uit de greep der moraal het kinderspel echt doorbrak en aan een ware triomftocht begon. Het meest voorkomende speelgoed is afgetekend de pop (33 versjes), met als populaire motieven de poppenwas, het in bed stoppen van de pop en het doktertje spelen. Vervolgens wordt er in het kindervers ook veel gedanst, zomaar (16x) of in het springtouw (9x) en muziek gespeeld, meest op blikken trommels en dergelijke (14x). Ook aftelrijmpjes, vaak variaties op volkse versjes, komen frequent voor (14x). Daarop volgen het hobbelpaard (8x), de luchtballonnetjes (6x), het bellen blazen (6x) vliegeren (5x) en winkeltje spelen (4x). Andere vormen als vadertje en moedertje, doktertje of verstoppertje spelen komen slechts 1 à 2 maal voor.
Over de decennia is er wel hier en daar een verschuiving in het spelgedrag te zien, zo komt het vliegeren in de jaren zeventig slechts 1 x en het bellen blazen niet meer voor, ook het spelen met de poppen krijgt er nog amper 4 versjes. In de jaren vijftig wordt er in de kinderverzen duidelijk minder gedanst en afgeteld (beide 1x). Het zou naar mijn mening overdreven zijn te beweren dat deze veranderingen samenvallen met wijzigingen in het spelgedrag in de werkelijkheid. Wellicht wordt er minder gevliegerd en bellen geblazen dan vroeger, maar die dalende populariteit heeft ongetwijfeld ook te maken met een uitgeput geraken van deze thema's. Dat er in kinderverzen minder met poppen gespeeld wordt zou wel - naast de vorige reden - te maken kunnen hebben met de idee van sexistische opvoeding die daaraan vasthangt. Uit het kinderspel komen de gescheiden rollenpatronen (althans tot vóór N. Kuiper en M. Diekmann) overigens overduidelijk naar voor: meisjes spelen met poppen en dansen in het springtouw, jongens vliegeren, rijden op hobbelpaarden en spelen voetbal.
In de wereld buitenshuis is de school in kinderverzen zonder twijfel de belangrijkste gesloten ruimte (24 versjes). In bijna alle gevallen wordt die school negatief getekend, als een onprettige plaats waar het kind vervelende, moeilijke dingen moet leren, waar het zich opgesloten voelt, weg van de vrije natuur, waarvan het dan ook herhaaldelijk droomt op de banken. Alleen in de tekenles (E. van Aalst, Heidebloempjes), op de kleuterschool (N. Kuiper, De tovertrein) en bij het plagen van de juf (M. van Bolhuis, In de bloementuin. Juf Stella krijgt er een plastic kikker in haar nek) valt er nog plezier te beleven. Het kind bij P. Jaspers vraagt zich, met de vakantie pas achter de rug, af waarom het eigenlijk al die geschiedenis, vreemde taal enz. moet leren: ‘Duizend Jannen potverdorie _ zijn er hier in de historie...’ (Met rozerood en zonnehoed). Bij Vera Witte duiken gelijkaardige vragen op:
Maar hier kan de kleine leerling aan de vragen ontsnappen, aan het slot van het vers klapt hij zijn boeken dicht en loopt zingend de lente in... In het versje ‘Dat rekenen ook’ van H. de Weerd (Kris kras door kinderland) vormen de ‘nare, akelige sommen een probleem. Bij H. Runenbaan zullen ze dat wellicht niet minder gedaan hebben, maar zijn aanpak van het thema verschilt grondig, hij plaatst het accent op de noodzaak aandachtig te zijn in de ‘Rekenles’, ‘wil je een tien op je rapport’ (De feesttoeter 1). Voor Wilminks kinderen biedt vooral het schrijven moeilijkheden ‘Dictees’ en ‘Een leesles voor Michiel’ uit De liedjes voor kinderen). Ik citeer uit het eerste gedicht:
Geen wonder dat het kind op zijn bankje vaak niet met zijn gedachten bij de les zit. Bij P. Jaspers (Met rozerood en zonnehoed) droomt Jetje ervan van school af te zijn, bij J. Van Hoften (‘Lente-vlinder’, De vrolijke dierentuin) en J. Kalmijn-Spierenberg (‘Jan Dromer gaat op reis’ Het liedje van verlangen) dwalen de hoofdspelertjes af naar de feestelijke natuur achter de klasramen. Maar de dreiging blijft: in ‘Lente-vlinder’ maakt de kleine zijn sommen verkeerd en als juf Jan Dromer een beurt geeft, dan is hij er ‘gloeiend bij’.
Hoe scherp contrasteert weer met deze gedichtjes het vers van Maurits Pee-
ters ‘Kijk eens allemaal buiten’ (Klein klein kleutertje) met zijn onnatuurlijk, schoolmeesterachtig ontkrachten van de droom (waarbij de in die tijd (1960) in Vlaanderen schier onvermijdelijke portie religiositeit niet ontbreekt):
Merken we tenslotte nog op dat ook bij kabouters en heksen (M. Bosch van Drakestein, ‘De heksenschool’, Het heksenketeltje) en bij dieren (Chr. Scheffer, ‘Op de school voor Pimpelmezen’, De vogel Nebukátnezar..., V. Witte ‘De dieren van Hinnekensweerd, Dat kan ik ook; A.M.G. Schmidt ‘De uilemanschool’, Dit is de spin Sebastiaan) naar school gegaan wordt. Wanneer we over de school spreken, denken we er onmiddellijk de vakantie bij. Vreemd genoeg ontdekte ik slechts 8 versjes als sfeerbeeld van de overgang van school naar vakantie vond ik ‘De laatste schooldag’ (De liedjes voor kinderen) door Wilmink, samen met H. Dorrestijn gemaakt.
Een laatste interessant thema in de kinderwereld na '50 dat ik hier kort wil aanstippen, is het naar de kapper gaan. Versjes hierrond trof ik aan bij M. Bouhuys (Voetje van de vloer), F. Cremer (Ken je dit... Ken je dat?), P. Jaspers (Met rozerood en zonnehoed), A. Schmidt Dit is de spin Sebastiaan), K. Eykman (De liedjes van ome Willem) en N. Kuiper (Dag hobbelpaard). Meestal hebben deze gedichtjes als functie de angst van het kleine kind weg te werken, door de situatie als heel gewoon uit te beelden of door komische effecten. Alleen bij M. Bouhuys ligt de toon anders, daar moet Driesje Dop die in het geniep in zijn haar knipte als straf naar de kapper die hem helemaal kaal scheert. Bij K. Eykman gaat het kind met de oma (die zijn haar veel te lang vindt) naar de kapper, een bijzonder eigentijds motief...
Als laatste groep binnen of wellicht beter zijdelings van de wereld van het kind wil ik het nog even hebben over de gelegenheidspoëzie en de albumversjes.(3)
Het gebruik gedichten voor bepaalde gelegenheden aan ouders, familie en vrienden te schenken is al zeer oud. Volgens L.J.Th. Wirth(4) is het op de scholen ontstaan, waar de meesters de kinderen een vers lieten overschrijven en dat dan met zwierige krullen versierden. Het gedicht was naast een wens ook een proeve van vorderingen in de schrijfkunst en werd ‘dikwijls in klinkende munt omgezet’. In de loop van de 17e eeuw werden de tekeningen op speciale bladen gedrukt, deze vorm leeft nog steeds voort in nieuwjaarsbrieven, vooral dan in Vlaanderen. Naast gedichtjes voor algemene feestdagen ontstonden in de 18e eeuw ook verjaarsverzen en gedichten voor andere speciale gebeurtenissen. Waar de versjes aanvankelijk schriftelijk aan de bestemmeling werden bezorgd, won de gewoonte langzaam veld deze voor te dragen, een gewoonte die vooral via de scholen populair werd. Louter schriftelijke wensjes werden dan neergeschreven in poëzie-albums. Het aantal gelegenheden waarvoor dergelijke versjes werden geschreven, breidde zich trouwens steeds uit. Ook voor volwassenen werden dergelijke bundels gepubliceerd, en met evenveel succes. A. Fokke Simonszn's Drie honderd toasten, tafelzangen, bruiloft- en gelegenheidsverzen voor alle gelegenheden. (Amsterdam, G. Theod. Bom) kende in 1865 een 7e, ‘veel verbeterde druk’.
Het oudste bundeltje gelegenheidsverzen dat Wirth vond, dateert uit 1763 en was getiteld: Verscheyde Gedichten en verjaarswensen om van de jeugd in de schoolen te gebruyken. Het genre maakte een vlugge opgang, het ene bundeltje volgde op het andere en verschillende ervan beleefden meerdere drukken. Ter illustratie enkele voorbeelden:
De gelegenheidspoëzie is (samen met de albumversjes) ongetwijfeld het meest traditie-gebonden genre binnen de op zich al erg klassieke kinderpoëzie. L.J.Th. Wirth geeft in zijn boek een staalkaart van de grote variëteit aan ‘gelegenheden’ waarop men dichtte. We vinden ze nog bijna alle terug zonder dat er echt nieuwe onderwerpen bijkwamen in de bundeltjes na 1950, versjes voor ieders verjaardag, voor verlovingen en huwelijken, voor koperen, zilveren en gouden bruiloften, voor ambtsjubilea, voor kerkelijke en wereldrijke feestdagen enz. Eén belangrijke groep vermeldt Wirth niet: de religieuze gelegenheidsversjes. Zo nam To Hölscher in zijn populaire boekje Wel gefeliciteerd. Katholieke feestversjes voor kinderen (1931, 's-Gravenhage, Van Goor Zonen, 2e dr. 1950, 3e dr. 1959) een speciale afdeling ‘Religieuze feesten’ op, waarin versjes als ‘Voor 'n zilveren kloosterbruid’, ‘Priesterwijding’ en ‘Aan Mijnheer Pastoor bij het 12 1/2-jarig bestaan van de parochie’. Er verschenen in die jaren trouwens verscheidene bundeltjes gelegenheidsgedichten voor katholieke kinderen.
Maar niet alleen in de onderwerpen kwam weinig verandering, ook de vormgeving van de gedichtjes bleef vastgeankerd in vaste formules en onnatuurlijke clichés. Bovendien is de taal in deze versjes veel langer dan elders verouderd gebleven en werden de meest onzinnige combinaties aan mekaar gerijmd, zolang de boodschap maar overkwam. Het is dan ook niet zo vreemd dat haast geen enkel van deze boekjes gedateerd is. De volgende uitspraak van L.J.Th. Wirth blijft voor het overgrote deel van de gelegenheidsversjes in de jaren vijftig en zestig van onze eeuw even actueel:
‘Juist omdat de dichters zelf weinig werk maakten van deze rijmelarij, zijn deze versjes een verzameling van prulwerk geworden, zoals ik nergens vond in deze literatuur’.(5)
Wat te denken van de volgende regeltjes uit Kleuterwensjes van E. Wijnands (1958)?
Het pijnlijkst is nog de zgn. religieuze kitsch. Het bundeltje Eenvoudig kerstfeest (1957) van M.W.H. de Weerd barst ervan. De ‘eenvoud'ge kin-
dertaal’ uit het motto is er ver te zoeken, wel vond ik er een hoop geweeklaag over de haat, het eigenbelang en de boosheid der mensen. En hoe breng je de volgende verzen uit ‘Heer weet u ...’ bij kinderen aan?
Het boekje van Anke van Ewijk, Feest door heel het jaar (1962), is al niet beter. De toon is zwaar, veel versjes barsten van de moraal, het ritme gaat kreupel en de rijmen zijn vaak gewrongen (‘Maria voelde zich zo blij, _ ze ging vlug aan de gang. _ Ze naaide luiers, lakentjes - en kocht een nieuw behang’) Bovendien leidt het aanbrengen van onderwerpen als ‘De zeven gaven van de H. Geest’ en ‘Maria onbevlekte ontvangenis’ tot onbegrijpelijke krachttoeren.
Nog zo'n miskleum is het bundeltje Bid kindje bid (1966) van Bertus Aafjes (dat echter van 1946 zou dateren). Ik geef alleen het eerste en laatste versje, de rest bespaar ik u:
Het is trouwens typisch hoe ook bij de (steeds zeldzamer wordende) religieuze gedichtjes in kinderverzenbundels met algemenere inhoud de toon plots zwaarder wordt, met verouderd taalgebruik en talloze clichés.
Welke zijn nu de ingrediënten die klassiek in gelegenheidsversjes telkens weer voorkomen? Ik ontdekte de volgende elementen voor verjaardagsversjes:

Nog een versje voor vaders verjaardag, uit: Eeden, M. van, Lieve allemaal... (ill. Kitty de Man), Uitgeverij Cantecleer bv, De Bilt.
Bij verjaardagsversjes voor opa en oma is het religieuze element gewoonlijk nog sterker, in de zin van formules als ‘Dat God u nog lang mag sparen!’. In elk geval is hier de wens ‘moge u nog lang leven’ uitdrukkelijker aanwezig. Bij nieuwjaarsversjes komen verschillende van bovenstaande elementen terug, met minder of meer nadruk. Zo staan de beloftes en goede voornemens centraler, naast wensen, vnl. dan vreugde en zonneschijn (de kinderen zijn zonnestraaltjes), gezondheid en geluk. Ook het gezegde dat men op zo'n dag wel vrolijk moet zijn, is erg frequent. Een mooi overzicht van deze thema's en klassieke onderwerpen vond ik in de bloemlezing Gelegenheidsversjes van Jeannette Lugten ('s-Gravenhage, G.B. van Goor Zonen, 1921; 2e dr. 1933, 3e dr. 1951; 4e dr. 1956; 5e dr. 1963). Overigens verschenen in de jaren '50 nog 5 nieuwe bundeltjes, in de jaren '60 nog 6 (van de meeste verscheen ook een 2e druk) en in de jaren zeventig nog eentje: Lieve allemaal... gelegenheidsversjes, poëzieversjes en feestelijke kadootjes van Maria Van Eeden (de Bilt, Cantecleer, 1976). Dit laatste boekje vermeld ik speciaal omdat het, ondanks de traditionele onderwerpen, toch blijk geeft van een veel frissere taal en een vaak meer kindeigen toon, zoals in: ‘Nog een versje voor vaders verjaardag’.
Albumversjes tenslotte zijn al minstens even traditioneel als gelegenheidsversjes. Als afzonderlijke publikaties zijn ze jonger (de eerste verschenen wellicht omstreeks halfweg de 19e eeuw), maar hun mondelinge overlevering gaat vaak nog verder in de tijd terug. De meeste bekende albumversjes zijn dan ook anoniem (geworden) en bevatten talrijke magische elementen. Eindeloos werd gevarieerd op formules als ‘rozen verwelken, schepen vergaan’. Het vaak ontroerend betuigen van vriendschap en (eeuwige) trouw is trouwens hét centrale motief in deze verzen. Dergelijke boekjes staan dan ook vol vleierijtjes waarvan de betekenis veel minder belangrijk is dan de lieve woorden en geijkte formules. Daarnaast worden de volgende ingrediënten ook veelvuldig aangewend: het schrijven over het versjesschrijven, de wensen van geluk, de complimentjes, het vergeet-mij-niet-motief en het bloemen-motief op zich (met de roos en de vergeet-mij-niet als favoriet). Alhoewel bundeltjes albumversjes minder veelvuldig verschenen als gelegenheidsgedichten, kenden de meeste publikaties ook meerdere drukken. Tussen 1950 en 1979 ontdekte ik slechts de derde en vierde druk van D. Tomkins' Albumversjes ('s-Gravenhage, Van Goor Zonen, 1961, 1966) en het boekje Vergeet mij niet. Versjes uit een poëziealbum voor kleine meisjes ('s-Gravenhage, L.J.C. Boucher, 1967), naast enkele afzonderlijke afdelingen in bundeltjes gelegenheidsverzen. De meest indringende karakterisering van de album-poëzie vond ik bij J. Krüss in zijn Naivität und Kunstverstand.(6):
‘De album-poëzie is (...) een enge wereld, bekeken door de brandglasraampjes van een tuinprieel’. (eigen vertaling)
Bij nogal wat mensen zijn verzen voor kinderen wellicht synoniem met verhaaltjes op rijm. Daar zal Annie M.G. Schmidt dan wel voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor zijn. Het hoofdbestanddeel van haar versjes wordt door grappige en nonsensikale verhaaltjes ingenomen. In de jaren vijftig zorgde ze voor zowat 40% (153) van het totale aantal dergelijke versjes (364). Toen haar activiteit verminderde, daalde ook het aandeel van deze gedichtjes (216 in de jaren '60: 157 in de jaren '70). Over de drie decennia samen werden dus zo'n goeie 700 verhaaltjes op rijm geschreven (24,73%) waarin humor en fantasie rond allerlei zonderlinge figuren meespeelden. Bemerk wel dat ik de verhaaltjes waarin dieren als hoofdpersonage(s) optraden onder een andere afdeling behandel. Om de grote verscheidenheid aan personen en wezens binnen deze grote groep ietwat overzichtelijk te maken, voerde ik de volgende ordening in: eerst heb ik het over de sprookjesfiguren, vervolgens onderzoek ik hoe Sinterklaas ‘behandeld’ wordt, daarna komen een rij vreemde heertjes en grappige dametjes aan de beurt en tot slot laat ik nog een hele winkel levende voorwerpen opstappen. Eén goede raad, leg bij het begin van deze reis alle ballast over wat wel en niet mogelijk is van u af en trek uw kinderpakje aan, want anders laten ze u nooit binnen...
Het sprookjesland in de kinderverzenwereld is bevolkt met net zo'n lieve en beangstigende, kleine en grote wezens als bij de alombekende sprookjes: kabouters, heksen, elfen, reuzen enz. en toch is er met verschillende onder hen iets vreemds aan de hand. Het toverstokje van de dichter is vaak krachtiger gebleken dan de macht der traditie.
Nog het meest in de lijn van onze verwachtingen ligt het beeld dat van kabouters (komen 78 keer voor: 36 keer in de jaren '50; 30 keer in de jaren '60; 12 keer in de jaren '70) en elfjes (komen slechts 3 keer voor als hoofdfiguur) wordt geschetst. Elfjes zijn altijd lief en speels, ze begeleiden de lente en zijn beste vriendjes met de kabouters, de dieren en de bloemen (zie voor dit beeld o.a. het bundeltje Met elfje Krulkuif het hele jaar door van B. Midderigh-Bokhorst (1950), een verzameling elfenversjes rond de maanden van het jaar. Het profiel van de kabouter, zoals dat in de kinderverzen uit de laatste dertig jaar geschetst wordt, ziet er in grove trekken als volgt uit (Bij elke trek geef ik slechts 1 of een paar voorbeelden):
| - lief en vriendelijk: | M. Bouhuys: ‘De kabouter van Margriet’ (Grote oren); J. Van Eepoel: ‘Vredige dwergen’ (Dansend langs de regenboog) |
| - naïef en een beetje dwaas: | J. Kalmijn-Spierenburg: ‘Liften’, ‘Jan Poen’ |
| (Het liedje van verlangen), J.W. Teacher: ‘Kabouter Wasnietwijs’ (Het koeienbal en andere kinderversjes) en haast alle kabouterversjes in Het Heksenketeltje van M. Bosch van Drakestein. | |
| - vaak ondeugend, vooral dan plaag- en snoepziek: | J. van der Ster: ‘Een grapje’ (Lampions en zevenklappers), F.J. Wolters-Meyer: ‘Ziek’ (Over kabouters en elfjes), L. Verbeeck: de meeste van zijn kabouters in Droomsoes. |
| - ijverig en behulpzaam: | F.J. Wolters-Meyer: ‘De herfst’ (Over kabouters en elfjes), J. Kalmijn-Spierenburg: ‘De zes kabouters’ (Het liedje van verlangen), H. Laurey: ‘De poetskabouter’ (Kinderversjes). Alleen bij H. Runenbaan (De feesttoeter 1) vinden we ‘7 dwergen’ die van het werken genoeg hebben. |
| - vrolijk, vieren dikwijls feest: | J. Kalmijn-Spierenburg: ‘Naar het kabouterfeest’ (Het liedje van verlangen), F.J. Wolters-Meyer: ‘Het lente-feest’ (Over kabouters en elfjes), H. Runenbaan: ‘De kermis’ (De feesttoeter 1). |
- verder wonen ze natuurlijk in paddestoelen en zijn ze bevriend met elfjes, dieren en kleine kinderen.
Bundeltjes waarin kabouters een belangrijke rol spelen zijn:
| - F.J. Wolters-Meyer: | Over kabouters en elfjes. In dit boekje komen slechts enkele elfjes voor. We vinden er de meeste bovenstaande kenmerken terug, de vorm is vaak stuntelig. Een staaltje uit ‘Het lente-feest’: |
| Straks komen de elfjes op bezoek
zij dansen zo sierlijk en fijn. De kabouters hebben haast geen geduld 't Zal immers een groot feest dan zijn. |
|
| - E. Vandevelde: | Kinderversjes voor spel en voordracht: een afdeling ‘Uit kabouterland’, in verouderde taal geschreven (‘kroes en kanne, vroed en vrome’ enz.) en met sterk religieuze inslag. |
| - L. Verbeeck: | Droomsoes: de meeste kabouters in dit boekje staan in dienst van een of ander lesje. De kleine mannetjes worden gestraft omdat ze nooit in bad willen, niet op tijd gaan slapen, nooit hun les leren, te veel snoepen of hun zusje plagen. |
| - M. Bosch van Drakestein: | Het heksenketeltje (een aardig bundeltje). Over kabouters en heksen denkt ze zelf: ‘Is het niet heerlijk om een heks allerlei slechte eigenschappen te kunnen toedichten en om haar ijselijke avonturen te laten beleven? En kabouters... zijn dat niet de leuke wezentjes, waar kinderen zoveel van houden, omdat ze nog kleiner en dommer zijn dan zezelf?’ (tekst achterflap) |


De heksenschool, uit: Bosch van Drakenstein, M., Het heksenketeltje (ill. door de schrijfster), Uitgeverij Knoop en Niemeijer, Hazen.
Zo zijn we meteen bij de heksen beland. Ik telde er in die 30 jaar 17. Boze toverkollen als die van Hans en Grietje of Sneeuwwitje heb ik in de recente kinderpoëzie slechts toevallig ontmoet (M. Bosch van Drakestein: ‘de boze toverheks’, (Het heksenketeltje), ten hoogste waren ze wat ondeugend of stout. Bovendien waren hun boze streken dan nog meestal opgenomen in een humoristische en zelfs nonsensikale situatie, zoals in de meeste versjes van M. Bosch van Drakestein en in de enkele heksengedichtjes van D. Huber. Zo eet een verstrooide heks per ongeluk van ‘de toverpannekoek’ (Het heksenketeltje) die ze zelf bakte waardoor ze in een pad verandert. Vieze heksenrecepten worden in Het heksenketeltje trouwens overvloedig gebrouwen. Bijzonder geslaagd omwille van de vele herkenbare momenten, dan wel overgeplaatst in een typisch heksenwereldje, vond ik ‘De heksenschool’.
Ook ‘De heks van sier-kon-fleks’. van Annie M.G. Schmidt (De toren van Bemmelekon) verliest door nonsens haar klassieke gezicht. De tovenaars ondergaan trouwens hetzelfde lot (zie o.a. H. Runenbaan: ‘Droevig afscheid’ (De feesttoeter 2) en M. Bosch van Drakestein, ‘De gulzige tovenaar’ (Het heksenketeltje)
Ook de 15 reuzen zijn stuk voor stuk unieke exemplaren. Van de wrede, bloeddorstige monsters zoals bij Klein Duimpje is in de kinderverzen van de laatste dertig jaar geen spoor te vinden. Je krijgt de indruk dat J. van der Ster gelijk heeft wanneer hij schrijft: ‘Want reuzen zijn zo kwaad niet, nee!’ (uit: ‘Een grapje’ (Lampions en zevenklappers) waar kabouters knopen legden in de slapende reuzen hun neuzen, maar die kunnen er gelukkig nog mee lachen). En Diet Huber vraagt aan de lezertjes:
Bij Annie Schmidt beleeft de kleine Jan heel wat plezier ‘op visite bij de reus’. ‘De jarige reus’ (Liedverhaaltjes) van E.A. Hagen tracteert alle bewoners van het bos. Bij R. en M. Mok komt een verloren schoen bij het snuiten van de reus zijn neus weer tevoorschijn (Weer een zak pepernoten). Een versje van L. Verbeeck heet ‘De brave reus’ (Droomsoes) en W. Wilmink voert in ‘Reuzenlied’ (De liedjes voor kinderen) een luidkeels zingende reus ten tonele.
Door de beknopte vorm van het kindervers kan moeilijk een volledig sprookje in de klassieke zin van het woord uitgebouwd worden. De kinderdichters maken dan ook meestal gebruik van één of enkele typische trekken van een sprookjesfiguur om een schetsje uit te werken. Bij de reus is dat
b.v. zijn enorme eetlust. Zo speelt de reus in 't sprookjesbos van P. Jaspers (De gouden bel) tientallen bomen (geen mensen noch dieren) naar binnen. Gelukkig groeien die in dat bos in twee dagen. Ook bij Chr. Scheffer: ‘Wat een reus allemaal eet’ (De vogel Nebukátnezar) en bij H. Runenbaan: ‘De reuzen van Terneuzen’ (De feesttoeter 1) staat hun onverzadigbaarheid centraal.
Ook de vreselijke draken en spoken vallen onder het ongenadige hakmes van humor en nonsens - als ze niet als zachte en vriendelijke wezens worden gezien. Van de twee draken bij Schmidt raakt er één in een muizeval (Dit is de spin Sebastiaan) en heeft de andere het wat comfortabeler in een luxueus flatgebouw (De graaf van Weet-ik-veel). De draak die H. Runenbaan in het leven riep, ligt te janken van de tandpijn (De feesttoeter 2) en de drakenmevrouw kreeg van D. Huber een schat van een baby (De Vetereter). De spoken in het kasteel bij Schmidt (Op visite bij de reus) en hun collega's uit het spookslot van Huber (De snars, de fluit, de sikkepit) vliegen op tijd en stond de wasmand in. Bij K. Eykman leert het kind na een tijdje de spoken onder zijn bed beter kennen en vindt hij het zelfs best gezellig met hen een partijtje te kaarten (De liedjes van ome Willem).
Wanneer de spoken 's morgens of om klokslag twaalf verdwijnen, begint het gewone leven op kastelen en paleizen weer langzaam op dreef te raken, nou ja, zo gewoon is dat leventje nu in de meeste kinderverzen ook weer niet. Baronnen en graven, hertogen en koningen, keizers en markiezen, prinsen, ridders en sultans - en hun ega's natuurlijk - blijken in de kinderpoëzie van de jongste dertig jaar geknipte figuren te zijn om in nonsensikale of hoogst ongewone situaties verwikkeld te raken. De koningen, 44 man sterk, stelen hier duidelijk de show. (Ik ontmoette slechts een 5-tal koninginnen). Bij Schmidt alleen al lopen er zo'n 17 rond en allemaal zijn ze al even eigenzinnig (o.a. ‘De koning en de pompelmoes’, Het fluitketeltje en andere versjes), grappig en extravagant (o.a. ‘De koning was bang voor k....’ Veertien uilen). Ook Diet Huber heeft een boontje weg voor hoogwaardigheidsbekleders (7 versjes over koningen en nog een paar over sultans). De mislukte snoeppartij waarbij de vorst op zijn nachtelijke tocht naar de koelkast door de koningin betrapt wordt, is om nooit te vergeten (De Vetereter) en het stelletje van vier zonderlinge koningen (de ene met een ellenlange tong, de ander met een grote hand...) zie je zo voor je. Bij M.W.H. de Weerd krijgt de koning van Groot-Peperland een lading vogel-eieren op zijn kop. Dit kleverige voorval grijpt plaats na een vredige Natur-Eingang ‘'t was in de mooiste maand van mei...’ (waardoor een aardig stukje parodie ontstaat. Dit vers is trouwens één van de zeldzame humoristische gedichtjes in de bundel (Kris kras door kinderland). Bij P. Jaspers wil de koning niet meer praten, alleen nog kwaken, maar gelukkig leert hij deze
vervelende gewoonte wel vlug af wanneer zijn oog op een beeldig bruidje valt (De gouden bel). Bij Vera Witte vond ik nogmaals de combinatie van lekkerbek en stijfkop, die we ook bij Schmidt en Huber aantroffen, in de koning van Barboene die plotseling nog alleen pompoenen lust (Dat kan ik ook). Bijzonder actueel is haar versje: ‘De koning moet bezuinigen’ (Dat kan ik ook) uit 1961. De vorst en zijn gemalin besluiten het dure servies en de wagen van de hand te doen. Van nu af aan brengt de koning de koningin achterop de brommer overal heen:
Dikwijls ook wordt de aandacht toegespitst op een opvallend lichaamsdeel van de vorst, vooral dan zijn baard (H. Runenbaan, De feesttoeter 2 en Annie Schmidt, Veertien uilen) en tenen blijken aantrekkelijk (H. Runenbaan, De feesttoeter 2, daar krijgt de arme koning zijn teen niet meer uit de afvoer van het bad; V. Witte, Hoor eens zeg, wat klinkt dit leuk, ‘de koning van Gomalieland’; D. Huber, De Veter-eter, ‘een bof’, over een koning met elf tenen).

Bij de rozen, uit: Durnez, G., Sire, verzen voor kleine prinsen (ill. niet vermeld), Uitgeverij Van In, Lier,
Dat het in deze versjes wel degelijk gefantaseerde koningen betreft, daarop duiden ook de namen van hun koninkrijken (zie hierboven: Groot-Peperland, Barboene enz.). Alleen in het bundeltje Sire, verzen voor kleine prinsen ontmoette ik min of meer gewone, zelfs doodgewone koningen en prinsjes, luister maar naar ‘Bij de rozen’.
De koningskinderen hebben blijkbaar een aardje naar hun vaartje, vooral dan wat hun koppigheid betreft. Bovendien zijn ze meestal erg verwend. Zo wil Hoempedoemp (Schmidt, Iedereen heeft een staart) voor zijn verjaardag per se een echte ijsbeer en is prinsesje Annabel (Schmidt, Veertien uilen) alleen op zaterdag genietbaar. Dat ik twee voorbeelden van Schmidt nam is niet toevallig. Van de 8 prinsenversjes en van de 16 over prinsesjes schreef ze er telkens de helft. Merkwaardig om hun contrasterend slot zijn: ‘Het ontevreden prinsesje’ van Peter (Op voetjes en pootjes) en ‘Koekeloertje’ van Schmidt (Iedereen heeft een staart). Het ontevreden prinsesje dat haar rode haar zwart schilderde en daardoor bijna de prins die precies een rood bruidje zoekt aan haar ziet voorbijgaan, kan nog net op tijd een klassiek happy end afdwingen als ze roept:
Schmidt echter relativeert met opzet dit soort eindes. Wanneer Koekeloertje door haar nieuwsgierigheid een draak achter zich aan krijgt, wordt ze gelukkig nog net door een onverwachte prins gered. Maar dan volgt een verrassende anti-climax: de prins weigert haar te trouwen omdat ze veel te nieuwsgierig is. Wellicht om de moraal die door deze situatie vrij sterk wordt weer wat te verzachten, voegt Schmidt er nog aan toe: Ach wat een treurig einde. Laten wij 't verhaal vergeten.
Buiten de prins van Koekeloertje blijven de overige ridders niet zo stoer overeind. De ridder van Vogelenzang (Annie M.G. Schmidt, De lapjeskat) verslaat weliswaar overdag draken aan de lopende band, maar 's nachts in het donker ligt hij te rillen van de schrik. De twee helden Adalbrecht en Rafelbaard (Peter, Op voetjes en pootjes) dagen mekaar uit, maar na het gevecht gaan ze samen gezenig wat praten. Op hun kasteel echter vertelt elk hoe hij de andere versloeg, ze worden dan ook als helden gevierd. Heer Pereleer van Hans Andreus (De rommeltuin) doet wel mee aan toernooien, maar nooit om te winnen, hij belegert wel kastelen, maar nooit om ze te verwoesten en als zijn eigen kasteel in brand staat, vindt hij nog dat er eigenlijk niets aan de hand is.
Bij de feeën is er in de kinderverzen blijkbaar meer verscheidenheid. Je hebt er goede feeën, hoewel hun goede bedoelingen soms wel voor een hoop last zorgen (Peter: ‘De kolenman en de fee’, Op voetjes en pootjes), maar ook boosaardige feeën, die meer op heksen lijken (o.a. bij H. Runenbaan en A.M.G. Schmidt), zelfs een mislukte fee (Schmidt, Op visite bij de reus) en tenslotte nog een stelletje lentefeeën.
Na heel deze parade mag duidelijk gebleken zijn hoe de relativering en het belachelijk maken van een of andere traditionele eigenschap bij de behandeling van deze hoogwaardigheidsbekleders centraal staat.
Een heel andere hoogst populaire figuur in kinderverzen is Sinterklaas (31 versjes). In de traditionele voorstelling zoals die ook in talrijke volksliedjes verderleeft, wordt de Sint vanuit twee hoeken getoond. Enerzijds is hij de brave heilige die via de schoorsteen allerlei snoep en speelgoed, geladen op zijn trouwe ezel, aan de lieve kinderen brengt. Deze schrijven hem vooraf meestal een aardige brief. Anderzijds is hij de gestrenge oude man die samen met zijn Zwarte Pieten met hun zak en roede de stoute kinderen bestraft. Dit klassieke beeld vinden we nog o.a. terug bij D. Huber (De uil met zeven zuurtjes), M.W.H. de Weerd (Kris kras door kinderland), E. van Aalst (Heidebloempjes, Kinderland), J. Kalmijn-Spierenburg (Het liedje van verlangen), M. Peeters (Klein, klein kleutertje), A. Simons (Ik huppel door de seizoenen met bloemen in mijn schoenen), J. Vanhaelen (Drippel druppel), J. Vercammen (Ik ben ik), M. Bouhuys (Kinderversjes), J. van Eepoel (Dansend langs de regenboog) en V. Witte (Hoor eens zeg, wat klinkt dit leuk).
Daarnaast echter wordt ook hier de Sint in allerlei dolkomische situaties gebracht, waarin hij nogal wat van zijn waardigheid verliest. Bij Schmidt wordt de eerbiedwaardige heilige nu eens door een storm tegen een telefoonpaal aangewaaid (Dit is de spin Sebastiaan), raakt hij Weet-ik-veel) en verslaat hij -nog elders met zijn staf een boze ridder die hem uitdaagde (De toren van Bemmelekom). Aan Oliviertje Smit moest hij zelfs een nieuw broertje brengen. Nu slaagt hij daar - afgezien van het plasje op zijn tabbaard - behoorlijk in, maar het was toch de laatste keer (De lapjeskat). Blijkbaar houdt de Sint ook nogal van water. Terwijl hij in de zomer in Spanje aan het pootje baden is, denkt hij wel nog aan de Nederlandse kinderen (Schmidt, Iedereen heeft een staart). En Jac. van Hattum laat hem op een warme zomerdag eens ‘incognito’ naar Amsterdam oversteken om er op een gummiband wat in de pierenbak rond te ploeteren. Bij Mies Bouhuys (Kinderversjes) haalt Zwarte Piet 100 echte kikkers in plaats van chocoladen de school binnen, wat voor de nodige herrie zorgt. ‘De
stoute jongen’ (De liedjes voor kinderen) van Willem Wilmink krijgt van Sinterklaas natuurlijk niets. Voor straf wordt hij zelfs naar Spanje meegenomen, maar:
Een tweede groep binnen de grappige verhaaltjes wordt bevolkt door allerlei zonderlinge heertjes en komische dametjes (203 versjes in totaal). Alleen in de titels komt het woord meneer(tje) / heer 25 x voor, mannetje nog eens 25 x, (me)vrouw(tje) 15 x en juffrouw 4 x.
Onvergetelijk zijn o.a. Meneer van Zoeten die met zijn voeten in het aquarium zit (Schmidt, Het fluitketeltje en andere versjes), of de drie oude heertjes die met de beren gezellig in het bos een glaasje drinken (Schmidt, Dit is de spin Sebastiaan), of nog ‘het mannetje van de hoek’ (J. van der Ster, Lampions en zevenklappers) dat altijd zoek raakt, ook de magere meneer bij H. Andreus (Waarom, daarom), die zo vreselijk dik wordt dat hij door het huis kan rollen, de orgelman uit Sloddervos (J. De Corte, Het draaiorgeltje) die met zijn muziek alle dieren tam maakt, de drie oude meneren die samen Frans willen leren maar ruzie maken omdat ze spieken (D. Huber, De snars, de fluit, de sikkepit) of meneer hazewind die altijd zo'n haast heeft tot hij eens zijn been breekt en weer van het leven leert genieten (M. Bouhuys, Kinderversjes) en zo kunnen we doorgaan.
Van de 51 dametjes, die dus wel sterk in de minderheid zijn, bleven me o.a. de volgende figuren bij: Johanna Krakebeen met haar reuzehond (A.M.G. Schmidt, De graaf van Weet-ik-veel), Juffrouw Spriet met haar kanariepiet (D. de Villeneuve, De poes van de buren), de dame uit Scherpenzeel die zich letterlijk groen en geel ergert (H. Andreus, De fontein in de buitenwijk) en Letje Annabetje Bot die in een theepot woont (D. Huber, De snars, de fluit, de sikkepit). Wel lopen er in de kinderverzen nog zo'n 15-tal gekke tantes rond (en slechts enkele ooms). Denken we maar aan Tante Trui en Tante Toosje die na zware regenval op hun kanapee wegdobberen (Schmidt, Dit is de spin Sebastiaan) of tante Mathilde die aan de baard van de Sint trekt om te zien of die wel echt is (Schmidt, Veertien uilen) of Tante To die een hert op de sofa heeft (Schmidt, Ik ben lekker stout) of Tante Betje die zichzelf een man breit (M. Bosch van Drakestein, Het heksenketeltje) of nog Tante Tootje die bijna in het water duikelt als een kikker in haar bootje wipt (D. Huber, De snars, de fluit, de sikkepit).

Meneer van Zoeten, uit: Schmidt, Annie M.C., Het fluitketeltje, (ill. Wim Bijmoer), Em. Querido's Uitgeverij BV, A'dam.
Van alle verschillende beroepen die aan bod kwamen (o.a. 2 vuilnismannen, 3 scharesliepers,...) was de boer veruit het populairst (12x), ofschoon dan wel (op één enkele uitzondering na) niet zijn arbeid, maar een komische situatie centraal staat. Het grote en naar mijn mening nog steeds onovertroffen voorbeeld is hier het ‘Boerke Naas’ van Guido Gezelle. Latere collega's zijn o.a. te vinden bij P. Jaspers in ‘Was een boertje’ waar duidelijk invloed uit het volksrijm blijkt:
en ook bij Annie Schmidt in ‘de boer van Westwollingwou’ die naar de maan wou (Dit is de spin Sebastiaan); bij D. Huber, waar in ‘Klop klop kluimen’ de boer een voor een zijn pruimen weggeeft (De snars, de fluit, de sikkepit) (een soort aftelvers zoals we er wel meer vinden) en bij J. Peeters waar ‘Boerke Doe ‘tal’ met zijn fluitconcert de koe en het paard aan het dansen brengt (Kattepootjes). De sluwe, schrandere boer met zijn ‘boereverstand’ zoals Boerke Naas heb ik echter niet teruggevonden.
Een laatste in kinderversjes vrij bekend mannetje is dat van de maan (8x) O.a. M. Bouhuys (Voetje van de vloer), Annie Schmidt (Dit is de spin Sebastiaan) en R. en M. Mok (Een zak pepernoten) schreven er een versje over.
Een derde afdeling binnen de zonderlinge verhaaltjes is gevuld met allerhande tot leven gebrachte voorwerpen (63 versjes). Ook hier variëren de versjes van gek tot gekker. In verschillende gevallen gaven de voorwerpen zelf eigenlijk al aanleiding tot het toegekend krijgen van leven door een of andere gelijkenis met een levende tegenhanger. Dit is b.v. het geval bij de torenhaan (niet minder dan 10 versjes, o.a. van D. Huber, De snars, de fluit, de sikkepit, en R.M. Boer, Ongewone versjes voor gewone kinderen), de vogelschrik (8 versjes, o.a. H. Laurey, Kinderversjes en J. van Hattum, Het kauwgumkind en andere kinderverzen), het ventje van zeep (Schmidt, Dag meneer de kruidenier) het paard van de mallemolen (J. van der Ster, Lampions en zevenklappers), het spaarvarken (N. Kuiper, De tovertrein) en de ruitertjes van Alkmaar (V. Witte, Dat kan ik ook), ruitertjes uit een klokkenspel die 's nachts een pilsje gaan drinken, maar ‘De mensen op het plein komen het nooit te weten’. Deze expliciete aanspreking van de lezertjes, waardoor er de nadruk op gelegd wordt dat ze meer weten dan de anderen, is trouwens een procédé dat wel meer voorkomt in de kinderpoëzie.
Ik wil nog even op de vogelschrik terugkomen als illustratie van één van de veelvoorkomende nonsens-technieken in kinderversjes: de omgekeerde wereld. Het is inderdaad merkwaardig hoe de vogelschrik in de meeste geval-
len helemaal niet in zijn opdracht slaagt. De vogels lachen hem uit en pikken zelfs in zijn neus (o.a. bij M.W.H. De Weerd, Kris kras door kinderland, J. van Hattum, Het kauwgumkind en andere kinderverzen, J. Vercammen, Ik ben ik en P. van Moerlande, Kinderparadijs). Bij Harriet Laurey houdt de vogelschrik er helemaal niet van daar zo te staan, hij die precies zo graag vogels ziet (Kinderversjes).
Al iets vreemder kan het lijken wanneer een wandelstokje alleen gaat lopen (Han G. Hoekstra, Versjes uit de grabbelton) of een troep schoenen (D. Huber, De snars, de fluit, de sikkepit en H. Laurey, Kinderversjes). Complete nonsens wordt het wanneer b.v. allerlei keukengerief begint te leven. (‘Feest in de keukenkast’, J. Kalmijn-Spierenburg, Het liedje van verlangen; ‘De mopperpot’, H. Andreus, Waarom, daarom; ‘De ketel en de koffiekan, T.J. Kerpel, Rijm je mee). Niets ontsnapt aan de wandel-besmetting, we ontmoetten nog: een bezem en een boender (D. Huber, De uil met zeven zuurtjes), een stoeltje en een hele trits andere meubels (Schmidt, Op visite bij de reus), drie augurken (Schmidt, De graaf van Weet-ik-veel), een toren, een zwabber en nog enkele stoelen (H. Andreus, vnl. Waarom, daarom), zeven zeven (D. Huber, De snars, de fluit, de sikkepit), een knikker (R. en M. Mok, Een zak pepernoten met duidelijke invloed van het volksrijmpje, zoals in vele van hun versjes: ‘Er was geen man of vrouw in 't land _ die 't knikkertje kon stuiten’) en een fietspomp (J.W. Teacher, Het koeienbal en andere kinderversjes).
Dit op wandel of op reis gaan is trouwens een van de populairste motieven in humoristische kinderverzen. We zullen het ook nog bij de dieren ontmoeten.
Als afsluiting van dit deel: grappige en zonderlinge verhaaltjes dienen nog de uitgebreide rijmende verhalen die een volledig bundeltje beslaan, vermeld. We kunnen hier rustig spreken over een eigen genre, een soort mengvorm tussen verhaal en gedicht, die een ontzettende creativiteit en vaardigheid van de dichter vergt en dan ook in bijzonder weinig boekjes als echt geslaagd bestempeld kan worden. Wat de vorm betreft, zijn 4-regelige strofen het meest frequent. Het rijmschema is meestal gepaard, maar vaak rijmen alleen de zinnen en niet alle regels (schema xaya). Het metrum is bijna altijd jambisch. Het genre kende nog een vrij groot succes in de jaren vijftig (meer dan 20 boekjes), maar verloor daarna snel aan populariteit. In de jaren zestig kon ik slechts 5 dergelijke boekjes meer ontdekken (waaronder 2 vertalingen) en in de jaren zeventig 4. In de jaren '50 slaagden naar mijn smaak alleen M. Bouhuys, Han G. Hoekstra en L. Smulders erin om dit genre tot een goed einde te brengen. Van de eerste verscheen in 1956 De trouwe schimmel (2e dr. 1977), een vlot berijmd verhaal dat ons vertelt hoe het paard van de Sint zijn zieke meester redt. Han G. Hoekstra schreef het grappige Het schoentje van Roosmarijn. Van Lea Smulders verschenen o.a. Knoopje Kapoen, De gouden klompjes, Gerritje ging uit wandelen, Fietje Vatenkwast en Het dierenpostkantoor, stuk voor stuk getuigend van een erg goede vormbeheersing, gekruid met originele dubbel-
rijmen, klinkende namen en humoristische vondsten.
Van de rest neem ik slechts hier en daar een staaltje:
- uit: De kikker, het musje en de leeuw, P.G. Buckinx:
- uit: Het houten paardje, L. van Marcke: