Cirurgia of Hantgewerck int lichame der menschen (ed. Willy L. Braekman)


auteur: Johannes Coninck


editeur: Willy L. Braekman


bron: Johannes Coninck, Cirurgia of Hantgewerck int lichame der menschen (ed. Willy L. Braekman). Omirel UFSAL, Brussel 1985.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 69]

III. Glossarium

Nota

Alleen die woorden werden opgenomen die door hun spelling, hun ongewone technische betekenis of hun eigenheid aan teksten van de artes-literatuur daartoe m.i. in aanmerking kwamen.

 

Volledigheid werd dus - uiteraard - niet betracht, met uitzondering evenwel voor de namen van simplicia.

 

De woorden werden opgenomen in de vorm waarin ze in de tekst voorkomen.

[p. 71]

A

actractijff : pleister die wonden doet ‘samentrekken’, d.i. helen 26
aderen talis splenis : soort aderen 35
alsene : alsem (Artemisia absinthium L.) 69
ana : Gr. van elk 87
anderlichten : andersoortige 40
apostemerene : verzweren, veretteren 22
apostemie(n) : verzwering(en) 9, 81
apostome(n) : zie hierboven 46, 47, 83, 85, 86, 96
arcenicum : arseendisulfide, ook wel realgar genoemd 40
ardich : hard 64
armpistelen : oksels 88
arterien : slagaders, grote aders 4, 10, 11, 56, 57 - gindes (?), 65.

B

behoulic : geschikt, passend 44
berechten : genezen 76
berne : verbrand 31
bernen : branden 10
beweren : afweren, voorkomen 85, 96 bewerent
bolus (armenicus) : Lat. rode aarde, een aardsoort die men in Armenië vindt en die als stypticum gebruikt werd 10, 25, 41, 75, 85
booginge : gebogen 98

C

camillen : echte kamille (Matricaria chamomilla L.) 86, 97
carpije : pluksel van linnen of andere stof 40, 85
cauterien : zengen met gloeiend ijzer 38, 48
[p. 72]
cautriserene : te verzengen; zie hierboven 76
cerone : Lat. waspleister 86
ciringen : Lat. syrinx, spuit 61
colericus : mens in wie, volgens de humoren-leer, de cholè overheerst 51
coleringe : aftreksel dat door een doek of teems gefilterd is 64
comijn : komijn (Cuminum cyminum L.) 52
conduijt : opening, gang in de neus 54
conforteert : versterkt 50
consolidatijf(f) : pulver dat ‘consolideert’, versterkt 9, 26, 53, 59, 64, 71, 77, 85, 90, 91, 92
consolidatiue(n) : zie hierboven 27, 87
consolideerne : te binden, versterken 87
coorden : pezen 58, 79
coperroot : vitriool dats -, zie vitriool 50
corden : zie coorden 4
corendeert : invreet, bijt met caustica, corrodantia 50
corroderende : invretend, zie hierboven 40
corrumperen : bederven 30
craneo : Lat. abl. van craneum (zie hieronder) 26
craneum : Lat. schedel 18
croselen : kraakbeenderen 4
croselige : kraakbeenachtige 94
curtuositeijt : broosheid (?); het woord is mij niet van elders bekend 96
cusseneelen : kussentjes 10, 15, 89, 90, 91

D

defensijff : een afwerende zalf; ook repercussief genoemd, waarvan de bereiding wordt aangegeven 41
defesiue : zie hierboven 25
[p. 73]
deffencijf : zie defensijff 85
deffenderen : beschermen, behandelen 97
destruweert : vernietigt 50
diaf(f)ragma : Lat. middenrif 35, 61, 62, 66
dialtea : Lat. zalf op basis van altea, d.i. papple, malva (Althaea officinalis L.) 96
diffelceerne : moeite 68
diffenciue(n) : zie defensyff 27, 75
diffenderen : zie deffenderen 52, 58, 75
diperheden : diepte 7
discretie(n) : symptomen, syn. van ‘toeuallen’ 5, 45, 46, 47, 48, 49
dolores : Lat. pijnen 76
dragant : Lat. dragantum, syn. van vitriool. Men onderscheidde vier soorten. 64, 87
draken bloet : hars van Daemonorops Draco Willd. 10, 89
drije hoecte : driehoekige 19
dura mater : Lat. het buitenste van de twee vliezen waarin de hersenen liggen 13, 21, 22, 25, 26, 28
dwainge : wassing 77

E

edicke : azijn
emperistonos : Lat. emprosthotonus, een van de drie soorten kramp 34
empristonus : zie hierboven 34
ermpistele : oksel 95
ermschenkel (en) : been van de arm 95
[p. 74]

F

factum : Lat. gemaakt 85
fenegrieck : fenegriek, zevengetijdenklaver (Trigonella foenum - graecum L.) 61
ffrutsuringe : kwetsuur, kneuzing 66
fistileerne : een fistel doen ontstaan 9
flumaticus : persoon in wie, volgens de humoren-leer, het fleuma overheerst 51
focille : Lat. focilia. De beide pijpbeenderen van de onderarm en van het onderbeen 96
foementen : berokingen (cf. Lat. fumus : rook) 95
fomenteren : beroken 98
frutseringe : zie ffrutsuringe 17
frutsuringe(n) : zie hierboven 6, 18, 30, 31, 35

G

gagel zaet : sijn. van mirtelen (zie aldaar) 15
galahonde : wordt in de tekst verklaard als : wat ‘gestrect leet aen beijde sijden vanden rugge beene’ 67
gansen : intacte, niet gebroken 90
gans pijpe : schacht van een ganzeveer 9
gebernden : gebrande 40
gecesseert : opgehouden, gestopt 31, 86
gecoleert : door een doek of teems gezuiverd 27, 31, 32
gecorondeert : ingevreten 50
gedistorbeert : verstoord 68
gedropen : gedruppeld 10
gefrutseret : gekwetst 31
genet : natgemaakt, bevochtigd 6, 9, 10, 15, 25, 27, 41, 54, 59, 86, 89, 92, 95
gesaeften : zacht maken 58
[p. 75]
geschaerde monden : hazelippen 55
geschuijms : schuimend 63
gesocht : bedwongen 31
gewast(en) : met was ingestreken 7, 18, 71
glandule : gezwollen klieren, Lat. scrophulosis 49
grabensen : krabijzer, corrupt voor grabeijsen? 22

H

hantgewerck : vertaling van Gr. cirurgia : chirurgie 1, 73
hendelinge : overeind, niet op zijn plaats (?); het woord is mij niet van elders bekend 21
houkende : met hoeken en kanten, gekarteld 8
huts : schud 61

I

incurabel : ongeneeslijk 38

J

jeiunium : Lat. dikke darm 35
junctueren : gewrichten 49, 58, 79, 83, 96

K

kanebeen : sleutelbeen 91
kleederkine : syn. van wixkene (zie aldaar) 27
krijselinge : onaangenaam, krassend, krijselend geluid 18

L

laden (water - ) : waterzuchtig worden 72
lanken : lendenen 58
lauatorium : Lat. ‘dats een wasschinge’ 61
[p. 76]
liesce : hersenvlies, dura mater of (en) pia mater. Vgl. ook lise 21
liesst : zie hierboven 22
lise : buikvlies. Vgl. ook liesce 69
lombricos terrestres : Lat. aardwormen 56
luferinge : misvorming (?). Het woord is mij niet van elders bekend 55
luijct : sluit 34
luijken(e) : sluiten 19, 34, 59, 62

M

maelgeten : loden of houten hamer 22
malue : synoniem van paple. Zie aldaar 17
maluwen : zie hierboven 43
mastic(k) : hars verkregen uit Pistacia lentiscus L. 18, 87, 89
materie : etter 16
mel : Lat. honing 31, 32, 85
melancolicus : persoon in wie, volgens de humorenleer, de melanchole overheerst 51
menkinge : verminking 58
metter hant : dadelijk 18
micha : Lat. naam van zenuwen die van de hersenen in de ruggegraat komen. cf. Du Cange : Mica : ‘Nervi cujusdam nomen’. Zie ook spondilen 67, 93
mirtelen : gagel, mirtedoorn (Myrica gale L.). Syn. van gagel 15, 30
misdoende : gebroken, schade berokkende 22
mitigeren : verzachten, lenigen 97
mommie : Lat. mummia, delen van genummifieerde lijken. 87
mondificatijff : middel om wonden te reinigen (cf. Lat. mundificare) 16, 26, 32, 42, 61, 85
[p. 77]
mondificatiue : zie hierboven 27, 31
mundificatijff : zie mondificatijff 59
muskelen : spieren 4, 35, 56, 58, 60, 79

N

nader : dichter 83
naerhede : nabijheid 57, 92
nainge : het genaaide 55
nauwe : met moeite, nauwelijks 74
nederstede : onderste plaats, deel 9
netten : nat maken 31
nettent : het nat maken 25

O

olibani : Lat. gen. van olibanum : grote wierookkorrels (oleum libani) 10
olium : Lat. olie 87
omprostonos : zie emperistonos 34
onder roten : van onder rot worden (?) 39
ontset : ontwricht 93
ontweege : scheure 22
opoponac : Lat. opoponax, sap van Opoponax hispidum Griseb. 38
ontsettinge : ontwrichting 96
ordineerine : voor te schrijven 50
organice : een levensbelangrijke ader 57

P

palpebren : Lat. polpebrae, oogleden 7
panneelen : bepaalde delen van het lichaam; preciese betekenis is niet duidelijk 4
[p. 78]
paple : papple, malva, syn. van malue (Althaea officinalis L.) 17
pappelen : zie hierboven 43
peke : pik 92
peluwent : het ondersteunende met een peluw, kussen 94
pia mater : Lat. het binnenste van de twee vliezen waarin de hersenen gevat zijn 29
peniden : suiker, gekookt in gerstwater, geklaard en gekristalliseerd 64
pierwormen : aardwormen 56
pigmente : een drank van honing, wijn en specerijen 66
pincen : tangen 21
pistele : oksel 83
plumaciolen : syn. van cusseneelen. Zie aldaar 15
plumatiolen : zie hierboven 59
porren : poriën? 72
porringe : beweging, beroering 66
prepucio : Lat. abl. van prepucium 76
prepucium : Lat. praeputium, voorhuid; hier wel als syn. van vede bedoeld. 75
prop(e)re : eigen, gepaste 50, 52
pultes : pleisters 16, 17, 30, 31
putrefacie : verzwering met etterafscheiding. Cf. Lat. putrefacio 47

R

restauracie : heling, genezing 94
rosaet : adj. van rozen (bladeren) 25, 26, 27, 31, 32, 41, 42, 86
rosarum : Lat. gen. mv. van rozen 76, 85, 97, 98
rostralen : In de tekst verklaard als ‘dats des achtersten focille’ : achterste been van de voorarm 96
[p. 79]
ruhede : oneffenheid 13
ruptorien : zalf of pleisters die doen openbreken 40

S

sangwineus : persoon, in wie, volgens de humorenleer, het bloed (Lat. sanguis) overheerst 51
schenkel (arm - ) : been van de arm 94, 95
schenkelen : scheenbeen 88
schotemael : met scheuten 11
scrooden : banden, zwachtels 91
sijndael : fijn linnen, neteldoek, ook wel zijde 25
sincopin : bezwijming, flauwte 65
slecht :
1)zacht, gaar 30, 32
2)zachtjes 11
slechte : simpele, eenvoudige 23
slechtelinge : zachtjes 10
spondilen : wervels van hals en rug (Lat. spondiliae) 67, 93; - van micha : halswervels; zie ook micha 56, 57
stede : stijf 34
stoppe(n) : pluksel 15, 31
stuckinge : oneffenheden 14

T

tafelen : de twee beenderlagen boven de hersenen 13
tangen lauatorien : soort tangen; sijn. voor pincen? 21
teken : aardwormen 56
terbentijne : terpentijn 92
termentijn : zie hierboven 31
terra cigillata : Lat. terra sigilata, een roodbruine, ijzerhoudende leemsoort die als koeken, met een zegel als handelsmerk te koop waren 41
[p. 80]
terra sigillata : zie hierboven 25
tethanus : de ergste van de drie soorten spasma 34
tghefrutsurde : het gekwetste 30
thetanos : zie tethanus 34
thus : Lat. wierook 10
tintel : roerstok of -staaf 31
toeluijken : hetzelfde als luijken. Zie aldaar 66
tracea arteria drijder cartillen : Lat. slagaders 35
trepanen : instrument dat voor een trepanatie gebruikt wordt 22
triacle : theriak, oorspronkelijk een tegengif, later tegen alle kwalen gebruikt geneesmiddel 38

U/V

vnguentum : Lat. zalf 18, 97; 40 groenen -, 77 - witten.

V

vac(k)e : stuk, deel dat van het lichaam geslagen is 12, 13, 14
vede : mannelijk lid 75
venegriec : zie fenegrieck 64
vergeer : vergaar, breng samen 56
verhoudene :er ophouden 10
verlempthede : verlamming 57
vitriool : zie dragant 50
vlocx : vlug, snel 59
vorke(n) : borstbeen 88, 91, 94, 95

W

wachede : vochtigheid 13
wack : nat 4
[p. 81]
wacken : vochtige medicijnen, het vochtige 5, 45, 50
warke : zie werc 87, 91, 95
wederstaende : niettegenstaande 50
wege (beijde die - ) : die weg van de adem en van de spijzen, d.i. ademhalings- en spijsverteringsstelsel 9
wegebladeren : grote weegbree (Plantago major L.) of smalle weegbree (P. lanceolata L.) 77
wendele : windsel 95
werc(k) : pluksel van linnen of een andere stof 6, 9, 10
wi(ec)ke(n) : subst. of ww. wiek, (een wonde) van een wiek voorzien 6, 9, 13, 25, 27, 30, 41, 54, 59, 61, 89
wikens : gen. sg. van wi(ec)ke(n) 57
wixkene : zie wi(ec)ke(n) 27

Y

ysophago : Lat. oesophagus, slokdarm 35