|
|
|
| |
| | | |
Het achttiende boek Odysseae Homeri
*
| |
Inhoud:
Ulysses worstelt tegen Irum. Penelope vertoont haar den vrijers, van denwelken zij gaven ontvangt, ende daar valt een gespraak tussen Ulyssem ende Eurimachum.
OP 't hof kwam een bedelaar, arm, onschamel en veracht, 1
Welk door de stad van Ithaca gink bidden zijn brood; 2
Hij was vermaard van zijn gulzige buik, die dag en nacht
Vratelijk at en drank; anders had hij geen kracht, 4
5
Nochtans was zijn gedaante als een reuze groot.
Zijn moeder noemde hem Arneus in barensnood,
Maar Irum noemden hem de jongers, door 't gerijven 7
Dat hij als Irus boodschapte wat men hem gebood.
Dees wilde Ulysses uit zijn eigen huis verdrijven
10
En bestond hem aldus schamperlijk te bekijven: 10
‘Wildi niet haast met den voeten uit zijn getogen, 11
| | | |
Versuften bloed, zo maakt u weg; gij meugt hier niet blijven. 12
Hoordi niet? merkt hoe mij de vrijers winkende pogen 13
U uit te slepen! Ik schaam 's mij door mededogen. 14
15
Fluks op, of ik geve u vuistenbrood behendig.’ 15
Ulysses, hem aanschouwende met grimmigen ogen,
Sprak: ‘Ik miszeg noch misdoe u, o mense ellendig.
Geeft men een ander veel, ik benijd 's hem niet inwendig; 18
Ontvangt vrij genoeg, dees plaats ontvangt wel ons beiden.
20
Gij behoort mij niet te benijden, want dat waar' schendig 20
Voor u die ook als ik 't brood biddet met onschamelheiden;
Gelooft mij, de goden zullen ons genoeg bereiden.
Maar tergt mij niet zeer met der hand, doet mij niet verhetten,
Zo ga ik oude 't bloed op uw mond en borst niet spreiden;
25
Want ik zou te bat rusten, morgen zou 't mij niet letten, 25
Ende gij zoudt Ulysses' huis niet meer besmetten.’
Irus werd des gram ende heeft aldus gesproken:
‘Hoe roemt zich dees bloed, krom om in een oven te zetten, 28
Zegt vrienden, dient zijn vermetelheid ook ongewroken? 29
30
Dienen hem de tanden met vuisten niet gebroken,
Dat ze hem als verkensborstels schieten uit den mond? 31
Schort u fluks op, zo ziet hier elk met ogen ontloken 32
Hoe gij kranke grijsaard bevecht uw jonger gezond!’ 33
Alzo keven deze uit enen bitteren grond 34
35
Bij de hoge deuren, op den vloer chierlijken bereid,
't Welk Antinous, de voornaamsten der vrijers, verstond, 36
| | | |
Dies hij zoetelijk lachende den vrijers heeft gezeid: 37
‘Hoort doch, vrienden, nooit was in dit huis zulk een vrolijkheid
Als de goden ons nu tot blijschappe gehingen. 39
40
Dees gast en Irus kijven, elk let dat ze niemand scheidt, 40
Maar laat ons hunlieden tot het plokharen dringen.’
De vrijers stonden op, lachende onderlingen,
En verzaamden om d'armen daar ze twistig zaten.
‘Luistert, vrijers’ sprak Antinous ‘wat ik voort zal bringen. 44
45
Men braadt geitenbokskens; die willen wij rechten laten 45
Dezen avond, begoten met vet en bloed ter baten. 46
Welken van hun beiden die d'ander verwint in 't strijden,
Wil die, hij mag dan opstaan om zelf de keur t' aanvaten, 48
Ook zal hij voorts met ons hier brassen t'allen tijden, 49
50
Ende wij zullen geen ander bedelaar hier meer lijden.’ 50
Dit voorstel van Antinous heeft den vrijers goed gedocht,
Maar de schalke Ulysses scheen des niet te verblijden, 52
Zeggende: ‘Hoe zoud' 't zijn dat een oud mens' in druk verzocht 53
Enen jongen sterken man in 't vechten verwinnen mocht? 54
55
Doch om slagen te ontvangen, hoewel met vrezen,
Dwingt mij den hongerigen buik, die nooit veel goeds en wrocht.
Maar welaan, zweert mij dan, gij vrijers geprezen, 57
Als dat uwer geen Iro behulpelijk zal wezen.
Want zo iemand, hem helpende met verser hand krachtig,
| | | |
60
Mij sloeg, ik viel onder, en mocht des niet genezen.’ 60
Hij zweeg en zij zwoeren hem, na zijn verzoek, eendrachtig.
‘Hebdi hert en moed, betrouwdi uzelven machtig
Dezen uit te drijven’ sprak Telemachus vredelijk 63
‘Vreest niemand anders, want die u slaat zal waarachtig
65
Van veel anderen geslagen werden wredelijk.
Dit zeg ik als huisheer, welk mijn woord redelijk
Volgen Antinous met Eurimachus.’ - Die prezen zijn wet. 67
Ulysses begordde zijn schamelheid zedelijk, 68
Tonende schoon benen grof en als pijlers, vast van tred, 69
70
Sterke armen, een brede borst, ook schouders wel gezet; 70
Want Pallas stond daar, die had zijn leden grover gemaakt,
Zodat de vrijers verwonderden, elk was dies te bet. 72
D'een zag op d'ander en sprak: ‘Irus is kwalijk geraakt, 73
't Kwaad heeft hij hemzelf berokkend dat hem nu genaakt.
75
Welke heupen toont die oude, bloot uit de kleren!’
Zo spraken zij. Iro ontviel 't blode hert stout bespraakt;
De dienaars voerden hem aan, 't was nood zich te weren. 77
Zijn leden beefden, zo vreesde hij 't gevechts hanteren. 78
Antinous dit ziende, sprak tot hem in toren: 79
80
‘Waardi geen roemer, niet en zoude u nu deren, 80
Gij snode mens, onwaardig dat gij zijt geboren. 81
Zijdi dus vertsaagd, dat gij 't spel alree geeft verloren
Tegen zo oud een man, van droefheid zwak en krank?
Verwint hij u, zo zijt gewis, ik zeg 't u te voren,
| | | |
85
Zo zuldi geworpen worden in een scheepken rank,
't Welk u voeren zal in Konink Echetum's bedwank, 86
De booste van alle mensen die men mag vinnen, 87
Welken u afsnijden zal neus, oren, ook der vrouwkens dank, 88
En geven 't den honden al rauw om te verslinnen.’
90
Dit dreigen maakte Irum nog ankstiger van zinnen. 90
Men bracht hem voort; zij hebben elk heur handen geheven. 91
Doe dacht de veel lijdende Ulysses van binnen
Of hij hem zou slaan, dat hij vallende liet zijn leven,
Oft dat hij hem énen slag maar ten val toe zoude geven:
95
Dit docht hem best, om t' ontgaan der Grieken beklagen. 95
Irus heeft hem op zijn rechterschouder gedreven, 96
Maar hij heeft Irum zo in den nek geslagen
Recht onder 't oor, dat door 't daverend gewagen 98
De beenders inwendig braken, kraakten en bogen;
100
't Rode bloed schoot hem in den mond uit zijner kragen, 100
Hij kreet luide, viel in 't stof, en heeft zijn tanden gespogen
En sloeg d'aard' met den hielen door pijns gedogen. 102
De vrijers sloegen hun handen, elk heeft om zeerst gelacht,
Maar Ulysses sleipten Irum met snel vermogen 104
105
Bij één voet uit der zale ruidelijk en onzacht, 105
Ende heeft hem voorts door de gaalderije gebracht
Buiten de muur van 't hof. Daar stelde hij hem lenende aan, 107
En gaf hem, die vast graide met smertelijker klacht, 108
Een stok in de hand, doende hem dit vermaan:
110
‘Zit nu hier, doet honden en verkens buiten staan;
| | | |
Gij booswicht zult den heer over d'armen niet meer maken, 111
Of men zal u arger doen dan u nu is gedaan.’
Hij zweeg doen, en hing den broodzak van 't onschamele laken 113
Om Irus halze onder zijn bloedige kaken.
115
Voorts trad hij binnen en is weer op den vloer gezeten.
D'ander volgen belachelijk vrolijk deze zaken 116
En spreken tot Ulyssem, wiens naam zij niet en weten:
‘Gaste, Iupiter moet u mildelijk toemeten 118
't Geen gij meest begeert, bemint en hebt in waarden,
120
Dat gij d'onverzadige bedelaar hebt verbeten, 120
't Bidden verleerd, en 't volk ontlast; hem zal men met vaarden 121
Schikken tot Echetum, de snoodste Konink op aarden.’ 122
Zo spraken zij. De godlijke Ulysses was blijde
Om der eren wille, daar de vrijers om hem vergaarden. 124
125
Antinous stelde een grote geitsbuik aan zijner zijde
Vol vets en bloeds, 't beloofde loon van den strijde;
Amphinomus gaf hem uit den broodkorf twee broden,
Verhief een gouden beker en riep ten zelven tijde:
‘Gegroet zijt, vader, geluk wens ik u van den goden;
130
Want nu zijdi ellendig en benauwd in noden.’
Doen sprak den wijzen Ulysses met woorden leerlijk:
‘Gij schijnt, Amphinome, uw vader niet te versnoden 132
In wijsheid; die was ook wijs en van name eerlijk, 133
Nisus Dulichius genaamd, rijk, machtig en heerlijk. 134
135
Van dees wijze man, dien gij gelijkt, zijt gij gewonnen,
Zo men zeit. Hoort dan, en let op mijn woorden begeerlijk: 136
| | | |
‘Niet krankers dan de mens' voedt d'aardrijk onder der zonnen 137
Van alle dieren die zich levendig roeren konnen.
Want de mens gelooft geen toekomende kwade dagen
140
Zolange de goden hem gelukkig voorspoed jonnen; 140
Maar zenden zij onspoed, tot zijn nut, na heur behagen, 141
Dat wil hij niet, en moet het zijns ondanks pijnlijk dragen.
Ziet, zo verandert zich het menselijke gemoed
Na de verandering die de goden te zenden plagen. 144
145
Ik waande mij ook zalig voormaals in rijken voorspoed,
Meer macht dan reden bruikende, met moedwil onvroed
Deed ik onrecht, mij op vader en broeders betrouwende;
Maar om vroom te zijn, moet men de gaven der goden goed 148
In stilheid gebruiken, dankbaar d'armen bedauwende. 149
150
‘O, wat onrecht der vrijers ben ik hier aanschouwende,
Die eens mans goed verdoen, en zijn wijf willen schenden, 151
Wien God niet lang van zijn huis en vrienden blijft houende.
Dus laat u, jonkman, een goede geest thuiswaart zenden,
Zo vindi u niet om uw leven schandlijk te enden,
155
Als hem de goden binnen zijn huis zullen geleiden
In 't gewenste vaderland, uit pijnlijker ellenden;
Want zonder bloedstorting zullen de vrijers niet scheiden.’ 157
Hij zweeg, en drank heuselijk den wijn vol zoetigheiden,
Ende gaf Amphinomo d'ijdel beker geringen; 159
160
Die gink door 't huis, zijn gedachten hem treuren bereidden,
't Hoofd schudde, 't hert tuigde hem van kwade aanstaande dingen.
| | | |
Maar 't en mocht zijn moedwillige leven niet verlingen, 162
Want Pallas voorkwam 't, willende dat de scherpe snede
Van Telemachus' spiets zijn ziel bloedig uit zou doen springen.
165
Alzo gink hij weder zitten in zijn eerste stede. 165
Pallas gaf daarna in Penelope's hert kuis van zede
Dat zij haar den vrijers chierlijk zoude vertonen
Om meer t'ontsteken der vrijers schandlijke bede 168
En haar schoonheid met meer eerwaardigheids te verschonen
170
In d'ogen haars mans en zoons, om den vrijers te lonen.
Des werd zij lachende, tegen haar gewoont vol rouwen.
‘Eurinome’ sprak zij ‘om dees vrijers te honen 172
Lust mij buiten mijn gebruik, nu lank onderhouen, 173
Mijzelve den vrijers, die ik haat, te doen aanschouwen.
175
Ook wil ik mijn zoon in goeden raad niet ontbreken 175
En verbieden hem die snode vrijers te betrouwen,
Die 't meeste arg denken als zij deugdelijkst spreken.’ 177
Eurinome, ooit een trouwe bezorg des huis gebleken, 178
Sprak: ‘Gij zegt wel, dochter! Willet u schoon verklaren, 179
180
Maar baadt u, ook zij 't aanzicht eerst met zalve bestreken;
Gaat niet, zolang de verstijfde tranen daarop blaren, 181
Voorwaar, schadelijk is het stadig drukkig bezwaren. 182
- - - - - - - - - - - - - - -
- - - - - - - - - - - - - - -.’
|
7jongers jongelui; door 't gerijven omdat hij diensten verrichtte
11haast dadelijk; met bij; uit zijn getogen weggesleept worden
14schaam's mij schaam me ervoor (dat te doen)
25te bat des te beter; letten hinderen, deren
28krom ... zetten vertaald naar: ‘vitulae fornacinae similis’
31als verkensborstels ‘porci sicut segetem pascentis’
36voornaamsten voornaamste
37zoetelijk aangenaam, smakelijk
39gehingen toestaan, laten ten deel vallen
46ter baten om ze nog beter (lekkerder) te maken
48de keur t'aanvaten zijn keus (het beste) aan te grijpen, te nemen
53Hoe zoud' 't zijn Hoe zou het kunnen; in druk verzocht door smart beproefd
57geprezen geëerd, vermaard
60des niet genezen het niet te boven komen
67prezen zijn wet keurden zijn uitspraak goed
68schamelheid schaamdelen; zedelijk behoorlijk, op welvoegelijke wijze
70wel gezet stevig gebouwd
72elk ... bet elk had er schik in
73is kwalijk geraakt is er lelijk aan toe
77voerden hem aan brachten hem naar voren; nood noodzakelijk
78't gevechts hanteren het gevechtsbedrijf, het vechten
80roemer snoever; niet en niets
88der vrouwkens dank ‘genitalia’ (dank = genoegen)
91voortbrengen naar voren brengen
95beklagen beschuldigingen
98recht vlak; gewagen slag (zowel beweging als geluid)
100uit ... kragen uit zijn hals
108vast graide nog aldoor huilde
113onschamele schaamteloze, schandelijke
118Gaste vreemdeling; moet moge
120verbeten ten onder gebracht
132uw vader ... versnoden niet de mindere van uw vader te zijn
137niet krankers niets nietigers
149bedauwende de dauw der weldaden schenkend
151Hier beginnen in de 2de druk de ‘verbeteringen’ van I.G.H. Maar daar in de 1e druk stijl en rythme nog tot vers 182 gelijk blijven, heb ik ook die opgenomen; schenden smaad aandoen
159ijdel leeg; geringen dadelijk
165zijn eerste stede zijn oorspronkelijke plaats
168ontsteken. Druk van 1605: ontdekken. Maar in die van 1607 is 't vers ‘verbeterd’ tot: ‘Om zo t'onsteken meer der minnaers boze beden’; schandlijke bede schandelijk huwelijksaanzoek? Of is de bedoeling: begeerte?
173buiten mijn gebruik tegen mijn gewoonte
175ontbreken in gebreke blijven
177deugdelijk deugdzaam, braaf
181blaren misschien: als schilferachtige vlekjes zichtbaar blijven
182schadelijk verkeerd; drukkig bezwaren verdrietig treuren
|
|