over DBNL
auteursrecht en copyright
bestuur, medewerkers en adviescommissies
adressen
stages
nieuws
nieuwsbrief
Nederlandse literatuur
auteurs
beschikbare titels
Middeleeuwen
Gouden eeuw
Achttiende eeuw
Negentiende eeuw
Twintigste eeuw
Eenentwintigste eeuw
tijdschriften/jaarboeken
onze kinderboeken
buitengaats
Friese literatuur
Limburgse literatuur
Surinaamse literatuur
gescande titels
e-books
Nederlandse taal
woorden
etymologie
zinnen
klanken
betekenis
vormen
normen
taalbeheersing
historische taalkunde
taalverwerving en psycholinguïstiek
sociolinguïstiek
dialectologie
Nederlands als tweede taal
taaldidactiek
atlas voor de Nederlandse taal en literatuur
basisbibliotheek
tijdschriftenladder
literatuurgeschiedenis.nl
de langste dag
auteurs: overzichten
titels: overzichten
organisaties: overzichten
naslagwerken
audio
thema's
zoeken in de hele website
zoeken in teksten
auteur: D.V. Coornhert
bron: D.V. Coornhert, ‘Van des menschen natuerlijcke vleesch wondersproock’, uit: D.V. Coornhert, Wercken. Deel I, Jacob Aertsz. Colom, Amsterdam 1631
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
D.V. Coornhert
Van des Menschen Natuerlijcke vleesch Wondersproock.
Voor-reden.
Van des Menschen Natuerlycke vleesch Wondersproock. Dat 1. Capittel. Men doolt inder kennisse vander zonden oorsake.
Dat 2. Capittel. Alle sichtbare schepselen ghehoorsamen Gode altijdt behalven alleen de Mensche.
Dat 3. Capittel. Dat Godes ghebodt over den Menschen eygentlijcker een raedt dan ghebodt sy.
Dat 4. Capittel. Hoe Godes wille is dat alle Menschen saligh werden.
Dat 5. Capittel. Of de Menschen nu nootsakelijc zondighen: dan soo vrywilligh dat zy't vermoghen te laten.
Dat 6. Cap. Wat de wille is, ende dat zy bestaet in de Ziele ende niet inden Lichame.
Dat 7. Capittel. Kort ende claer onderscheydt tusschen des Menschen Gheneghentheyden ende Begheerten.
Dat 8. Capittel. Dat die Gheneghentheyden in den Menschen by wijlen bedwonghen of begeert werden, maer in den onredelijcken Dieren niet.
Dat 9. Capittel. Dat het Vleesch met syne Genegentheyden vanden Wille beheert ende betemt, ofte zondelijck misbruyckt werden.
Dat 10. Capittel. Dat het Vleesch met zijne aengheboren Ghenegentheyden onschuldigh is aen de Sonde.
Dat 11. Capittel. Wie Oorsake is vande Zonde in den Mensche.
Dat xij. Capittel. Hoe die goede wille uyt Verstandt, maer die quade ytt Onverstandt voortkomt.
Dat 13. Capittel. Vande Luste, ende waer uyt die voort komt.
Dat 14. Capittel. Die verkeerde Lusten der onwijser Menschen zijn onversadelijck.
Dat 15. Capittel. Noch dat quade wille uyt doolinghe komt.
Dat 16. Capittel. Aert ende werckinghe vande dolende Wille.
Dat 17. Capittel. Der quader leven ist onlustighste.
Dat 18. Capittel. Waenlust quelt ende pijnight.
Kort besluyt.
Het tweede Boecxken, Dat eerste Capittel. Van de sichtbare Mensche.
Dat ij. Capittel. Van de onsichtbare Menschen.
Dat iij. Capittel. Van tweereleye innerlijcke Menschen ende eerst van de goede.
Dat iiij. Capittel. Van tweereley Vleesch, waar van het een onsichtbaar, maar 'tander sichtbaar is.
Dat v. Capittel. Noch van de goede Innerlijcke ende na Gode gheschapen Menschen.
Dat vj. Capittel. Van tweereley Innerlijcke Vleesch te weten Christi ende Antichristi?
Dat vij. Capittel. Beschrijvinghe van de Leden des Inwendighen Mensches die Vleeschelijck is.
Dat viij. Capittel. Beschrijvinghe van den leden des Innerlijcken Gheestelijcken Mensches.
Dat ix. Capittel. Kort besluyt vande twee voorschreven Boecxkens, met een ghelijckenisse de meeninghe der selver verklarende.