De komedianten (eds. H.T.M. van Vliet, J.B. Robert en Oege Dijkstra)


auteur: Louis Couperus


editeur: H.T.M. van Vliet, Oege Dijkstra en Jan Robert


bron: Louis Couperus, De komedianten (eds. H.T.M. van Vliet, J.B. Robert en Oege Dijkstra). Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen 1992  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 315]

Verantwoording

[p. 317]

Begin februari 1915 keerde Couperus terug in Nederland. Hij vestigde zich in Den Haag. Vandaar schreef hij op 10 oktober aan zijn Italiaanse vriendin Emma Garzes: ‘De grote roman, die ik in mijn hoofd heb... wanneer zou ik die kunnen schrijven! Misschien dat het te pijnlijk zou zijn...’1 Waarschijnlijk doelde Couperus hier op de roman De komedianten. Het luchtige onderwerp van deze roman zou door de tijdgenoten als pijnlijk ervaren kunnen worden in verband met de oorlogssituatie van dat moment. Couperus heeft zich hierdoor uiteindelijk niet laten weerhouden. De voorbereidende studies voor de roman over het Romeinse (toneel)leven in de eerste eeuw zal hij hebben verricht in dezelfde tijd en in samenhang met zijn vertaling van Plautus' komedie Menaechmi.2 Deze vertaling voltooide hij in het voorjaar van 1916. Zij verscheen, onder de titel De tweelingbroeders, als dramatisch bijvoegsel van Groot Nederland.3

Na de voltooiing van De tweelingbroeders begon Couperus in juni 1916 aan De komedianten. Aan het einde van deze maand vroeg hij aan zijn uitgever L.J. Veen ƒ1200,- te leen. De vertaling en de roman zouden als onderpand kunnen dienen. Hij schreef onder andere: ‘Ik ben begonnen een historische Romeinsche roman (Romeinsch tooneelleven, ten tijde keizer Domitianus); dan heb ik mijn vertaling van Plautus’ blijspel (De Tweelingbroeders) die ik alleen wilde uitgeven als luxe-uitgave, bij inteekening:

[p. 318]

voel je daar iets voor?? (Verschijnt Juli in Groot-Nederl.)’4 Veen kon Couperus financieel niet helpen en voor een luxe-uitgave van Plautus' komedie was het volgens hem ‘een benauwde tijd’. Als de vertaling verschenen was, zou hij er nog eens over nadenken. Maar een boekuitgave was in ieder geval voor 1916 uitgesloten.5

Couperus probeerde vervolgens bij Van Holkema en Warendorf, de uitgever van Groot Nederland, een extra honorarium te verkrijgen voor de voorpublikatie in het tijdschrift van zijn nieuwe roman De komedianten. De uitgever antwoordde op 25 augustus 1916: ‘Het was ons aangenaam te lezen dat Groot Nederland in 1917 wederom het voorrecht zal hebben een roman van u op te nemen. U houde ons echter ten goede dat wij ons minder kunnen vereenigen met uw eisch om daarvoor een honorarium van zes gulden per pagina te vragen. Het normale honorarium is ƒ2.50- per pagina en waar u daarvan ƒ4.- ontvangt, is zulks reeds een (zeer gewettigde) bevoorrechting; een honorarium van ƒ6.- per pag. zou werkelijk de draagkracht van het tijdschrift overschrijden, een feit waarmede u als mede-eigenaar toch wel rekening zult willen houden. -’6

In oktober 1916 had Couperus de roman grotendeels of vrijwel geheel voltooid. Hij logeerde toen een aantal dagen bij een kennis in Laren, waar hij onder andere Carry van Bruggen ontmoette. Zij schreef een maand later in de Rotterdamsche Dameskroniek over deze ontmoeting: ‘Wat Couperus ons aan het maal, en later onder de thee van zijn pas-voltooiden roman “De Komedianten”, een Romeinsch verhaal uit de eerste eeuw na Christus, zoo maar terloops en geheel onopzettelijk vertelde [...] mag ons het verschijnen daarvan in den loop van het aanstaande voorjaar met blijde verwachting tegemoet doen zien.’7

[p. 319]

De jaargang-1917 van Groot Nederland opende met de eerste hoofdstukken van De komedianten. In de vier daarop volgende maandelijkse afleveringen werd de roman geheel voorgepubliceerd. In dezelfde tijd publiceerde Couperus in Het vaderland een reeks ‘Romeinsche portretten’ met de ondertitel ‘Uit den tijd van Keizer Domitianus’. Voor deze reeks heeft Couperus ongetwijfeld geput uit het materiaal dat hij voor De komedianten had verzameld. Aan het vijfde portret dat gewijd is aan Juvenalis, is een noot toegevoegd waarin verwezen wordt naar De komedianten.8

Begin maart liet Couperus aan Veen weten dat over de boekuitgave van de roman ‘nog niets’ was beslist.9 Twee maanden later vroeg Veen: ‘Als gij de Komedianten aan mij denkt te geven, welk honorarium zoudt gij dan verlangen en wanneer wilt gij dan dat het uitgegeven wordt.’10 Couperus antwoordde: ‘Wat De komedianten betreft, ik heb al mijn “business” in handen gegeven van mijn neef Mr. F.E. Vlielander Hein en ik geloof, dat hij voor de uitgave klaar zal komen met Nijgh en Van Ditmar, voor een honorarium als ik in onze goede dagen bij jou genoot, tevens met behoud van rechten voor volgende uitgave en met bedinging rekening-courant te ontvangen.’11 Volgens Veen was Nijgh en Van Ditmar een goede firma, ‘die een groote macht heeft door

[p. 320]

gratis adverteeren in de Nieuwe Rotterdammer Courant. Of dit opweegt tegen de oude honoraria, zal de tijd moeten leeren.’12 Op 30 mei 1917 schreef Couperus' neef, Frans Vlielander Hein, aan Nijgh en Van Ditmar: ‘Ik ontving Uw schrijven van 26 Mei jl., met bijgesloten concept-contract, hetgeen naar mijne meening thans in orde is. Ik heb het aan den heer Couperus ter kennisname toegezonden en zoodra deze eveneens accoord is zal ik het op zegel laten overnemen en U ter teekening toezenden.’13 De volgende dag werd het contract door beide partijen ondertekend. Couperus droeg het recht van uitgave over voor een eerste druk van maximaal 5000 exemplaren. Hij ontving ƒ2500,- voor de eerste 3000 exemplaren die Nijgh en Van Ditmar in ieder geval zou uitgeven. In het laatste artikel van het contract werd uitdrukkelijk bepaald dat Couperus het auteursrecht niet overdroeg. Hij kreeg bovendien het recht de boeken van de uitgeverij betreffende de verkoop van De komedianten in te zien.14

De roman De komedianten verscheen in november 1917 bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar te Rotterdam. Couperus zelf was bijzonder gesteld op deze roman. In maart 1917 noemde hij in een brief aan Duparc De komedianten ‘een boek, dat ook mij zéer lief is -’.15 Een jaar later schreef hij aan de classicus Kuiper: ‘Vooral Uwe waardeering voor mijn twee ondeugende bengels deed mij bizonder veel genoegen. Ik zelve voel ze ook als geslaagd en als absoluut “Romeinsche Keizerstijd”: ze konden niet nù bestaan en ook niet in welke andere eeuw.’16 En tegen Borel zei Couperus: ‘[...] je weet, ik moet véél schrijven uit harde noodzakelijkheid [...] maar dit is nu eens een boek dat ik héél alleen voor mijn eigen plezier heb gemaakt en waar ik zelf gecharmeerd van ben.’17

[p. 321]

Bronnen

Voorzover ons bekend, zijn van de roman De komedianten de volgende door de auteur geautoriseerde bronnen overgeleverd:

A. twee manuscripten: een onvolledig kladhandschrift van de hand van Couperus en een onvolledig kopijhandschrift dat gedeeltelijk door Couperus en gedeeltelijk door zijn vrouw is gemaakt. De 22 bladen van het kopijhandschrift die Elisabeth Couperus heeft geschreven, zijn door Couperus gecorrigeerd. De handschriften bevinden zich in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (sig. 76 di).

De twee handschriften interfereren: een groot deel van het kladhandschrift is tegelijk kopijhandschrift geweest. Couperus en zijn vrouw hebben slechts een klein gedeelte van het kladhandschrift voor de druk in het net overgeschreven. Ongetwijfeld door tijdnood gedwongen heeft Couperus grote delen van het kladhandschrift als kopij naar de drukker gestuurd. Om de zetter tegemoet te komen heeft hij het klad vooraf ‘verduidelijkt’ door in een andere kleur inkt letters en woorden forser aan te zetten. Aangezien enkele bladen van het kladhandschrift die tegelijk als kopij hebben gediend, verloren zijn gegaan, is er van De komedianten noch een volledig klad-, noch een volledig kopijhandschrift overgeleverd. Van de woordenlijst achterin de roman is evenmin een handschrift overgeleverd.

Het kladhandschrift bestaat uit 286 gelinieerde en ongelinieerde bladen van verschillend formaat, die eenzijdig zijn beschreven.18 Het is als volgt samengesteld: een ongenummerd blad met het opschrift De Komedianten, en genummerde bladen van 2-2a

[p. 322]

(gedeelte van een blad), 3-19, 19a-26, 26a-27 (hernummerd tot 28a), 28b-49, 49a-56, 58, 59-62/63 (oorspronkelijk genummerd 1-4; 62-63 samen één blad), 64, 64a-73 (gedeelte van een blad), 73a-109/110 (samen één blad), 111, 111a-114, 114b-117, 117a (half blad)-118, 118a (half blad)-121, 121a-140, 140a-143a, 143-144, 144a-147 (strook en blad samen), 147a-149, 160-171, 172a-185, 185-199bis, 199-243, 244a, 244-281.19 Het kladhandschrift bevat veel doorhalingen, verbeteringen, toevoegingen en verscheidene aantekeningen. Couperus heeft de eerste versie van de roman met enkele onderbrekingen op papier gezet. Er zijn verschillen in ductus. De bladen zijn in zwarte inkt beschreven. Een aantal correcties is met zwart potlood, de ‘verduidelijkingen’ voor de zetter zijn in paarse inkt aangebracht.

Het kopijhandschrift bestaat uit 56 gelinieerde bladen van hetzelfde formaat, die eenzijdig zijn beschreven.20 De bladen zijn als volgt genummerd: 2-28, 59-63, 150-172. Het eerste blad is ongenummerd gebleven; het heeft het opschrift De Komedianten. Het kopijhandschrift bevat vrijwel geen doorhalingen, verbeteringen en toevoegingen. Het is gedeeltelijk door Couperus, gedeeltelijk door zijn vrouw in zwarte en paarse inkt geschreven. De door Elisabeth Couperus overgeschreven gedeelten zijn door Couperus in inkt en met zwart potlood gecorrigeerd. De ductus van het kopijhandschrift is zeer gelijkmatig. Het is als kopijhandschrift te herkennen aan de vouwen in het papier en aan de zwarte vegen die op de zetterij zijn ontstaan. De bladen van het kladhandschrift die als kopij hebben gediend, vertonen dezelfde kenmerken. Bovendien bevatten zij verschillende instructies van Couperus aan de zetter, zoals: ‘Voor den zetter. Verzoeke de woorden, die het Programma uit maken met verschillende letters midden in de bladzijde te zetten.’

[p. 323]

De tekst van de handschriften wijkt inhoudelijk niet erg af van de gepubliceerde versie van De komedianten. Meestal gaat het om kleine, vooral stilistische varianten. Couperus heeft slechts enkele passages in de proeven ingrijpend gewijzigd. Maar de opeenvolgende scènes en hoofdstukken uit de (klad)handschriften zijn gehandhaafd.

B. een voorpublikatie in Groot Nederland 15 (1917). Dl. 1 [januari-mei], p. 1-56; 113-181; 225-282; 337-386; 449-495.

Deze tijdschriftpublikatie is gezet naar het handschrift van Couperus.

C. een uitgave in boekvorm: Louis Couperus: De komedianten. Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar's Uitgevers-Maatschappij, [november] 1917.

Weliswaar is er geen correspondentie tussen Couperus en Nijgh en Van Ditmar over de produktie van De komedianten overgeleverd, maar het staat vast dat de tijdschriftpublikatie als kopij heeft gediend voor de boekuitgave. Een aantal zetfouten komt zowel in Groot Nederland als in de boekuitgave voor. Deze fouten moeten uit Groot Nederland zijn overgenomen en door Couperus over het hoofd zijn gezien. Bovendien had Couperus de gewoonte de gedrukte voorpublikatie als kopij naar de uitgever te sturen of de desbetreffende nummers van het tijdschrift door de uitgever te laten aanschaffen.

Couperus heeft zelf de proeven van de boekuitgave gecorrigeerd, want verschillende wijzigingen in de tekst van de eerste druk ten opzichte van de tijdschriftversie kunnen onmogelijk aan de zetter of de corrector van de drukkerij (of van de uitgeverij) worden toegeschreven. Couperus stond er trouwens altijd op de proeven van de voorpublikatie en van de eerste druk van zijn boeken zelf te corrigeren. Er zijn geen aanwijzingen dat hij voor de eerste druk van De komedianten van deze gewoonte is afgeweken.

 

Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar heeft in 1917 waarschijnlijk 3000 exemplaren van De komedianten laten drukken. Naast de ‘gewone’

[p. 324]

ingenaaide en gebonden exemplaren verscheen er een zogenaamde ‘weelde-uitgave’ in 25 genummerde exemplaren, gedrukt op speciaal papier, gebonden in een rode leren band en voorzien van de handtekening van Couperus. Op 9 januari 1918 schreef Couperus aan Veen: ‘De Komedianten zijn zéer goed gegaan; de pracht-editie (van ƒ25.- het ex:) is zoo goed als uitverkocht.’21

Volgens het Nieuwsblad voor den boekhandel verscheen er in december 1918 een tweede druk van De komedianten en in augustus 1923 een derde druk.22 Deze drukken zijn geen reguliere herdrukken, maar nieuwe oplagen van de eerste druk. Ze zijn gedrukt van staand zetsel, dat wil zeggen van hetzelfde zetsel als van de eerste druk. Dit blijkt niet alleen uit een vergelijking van exemplaren van de drie ‘drukken’, maar valt ook af te leiden uit de afrekeningen die mevrouw Couperus na de dood van haar man ontving van uitgeverij Nijgh en Van Ditmar. In 1917 ontving Couperus een honorarium voor de uitgave van 3000 exemplaren van De komedianten. De uitgever had contractueel echter de mogelijkheid maximaal 5000 exemplaren te laten drukken. Indien er meer dan 3000 exemplaren werden verkocht, ontving Couperus een nabetaling van ƒ500,-. Na verkoop van de eerste druk van 5000 exemplaren, zou hij bij iedere volgende druk een royalty van 10% van de particuliere verkoopprijs van de ingenaaide exemplaren ontvangen. Volgens de afrekening van Nijgh en Van Ditmar van 29 mei 1925 waren er tot en met december 1924 van De komedianten 3541 exemplaren verkocht.23 Mevrouw Couperus ontving geen royalties. De afrekening moet dus betrekking hebben op de verkochte exemplaren van de eerste druk van maximaal 5000 exemplaren waarvoor Couperus eerst ƒ2500,- en later nog eens ƒ500,- honorarium had ontvangen. Ook volgens de afrekeningen van 1926, 1927 en 1928 ontving mevrouw Couperus geen

[p. 325]

royalties over de in die jaren verkochte exemplaren van De komedianten.24

Waarschijnlijk heeft uitgeverij Nijgh en Van Ditmar in oktober 1917 eerst 3000 exemplaren van De komedianten laten drukken die zij volgens het contract in ieder geval moest uitgeven. Vervolgens werd het zetsel enige tijd bewaard. Toen de verkoop van de roman succesvol bleek, werd er in 1918 van staand zetsel tweemaal bijgedrukt, misschien tweemaal 1000 exemplaren (of 500 en 1500) om de toegestane 5000 exemplaren vol te maken. De bijgedrukte exemplaren werden niet gebonden, maar in plano bewaard en afhankelijk van de verkoop naar de binder gestuurd en daarna in de handel gebracht. Na een aanvankelijk zeer succesvolle verkoop van De komedianten stagneerde de vraag tot ongeveer 100 exemplaren per jaar.25 Hiervoor was de voorraad nog jarenlang toereikend. Uiteindelijk had alleen Couperus aan het contract verdiend. Veen schreef hem in 1919: ‘Niettegenstaande de Komedianten goed verkocht zijn, is er voor de uitgever niets overgebleven en daarvoor is men geen uitgever.’26

Nijgh en Van Ditmar zal in de eerste plaats uit commerciële overwegingen de aanduiding ‘tweede’ en ‘derde druk’ op de titelpagina van de bijdrukken hebben toegevoegd. Maar zij houdt ongetwijfeld ook verband met de wijzigingen die in het bestaande zetsel werden aangebracht. Afgezien van het ‘Erratum’ achterin de eerste druk, dat na verwerking in de tekst uit het zetsel werd verwijderd, werd de tekst ook op andere plaatsen veranderd. Het gaat hier om perscorrecties die Couperus op instigatie van de classicus Kuiper heeft laten aanbrengen. Op 20 april 1917 vroeg hij aan Kuiper: ‘Mocht U De Komedianten hebben gelezen en mij Uwe opmerkingen niet onthouden, dan zoû ik hier zeer dankbaar voor zijn.’27 Kuiper reageerde pas na lezing van de boekuitgave.

[p. 326]

Hij attendeerde Couperus op verschillende fouten, onder andere in de vertaling van Martialis' epigrammen. Couperus antwoordde in januari 1918: ‘De epigrammen van Martialis... de twee eerste, die U mij verbetert, kunnen er misschien nog meê door, maar die van Atalantè... daar heb ik werkelijk al heel gek meê omgesprongen! Wat mij toen bezield heeft, weet ik niet... Vermoedelijk dacht ik... aan iets anders. Er is geen excuus voor. Het is héél erg. [...] Enfin: peccavi! Ik ben U erg dankbaar voor Uwe opmerkingen en U is veel te zacht voor me geweest bij dit barre passagetje!’ Couperus beloofde deze en andere fouten ‘zeker te veranderen’ als hij er de gelegenheid voor kreeg.28 De gelegenheid deed zich voor toen de uitgever in de loop van 1918 exemplaren liet bijdrukken.

Couperus zal de door hem gewenste verbeteringen schriftelijk hebben opgegeven. Ze werden in het staand zetsel van De komedianten aangebracht. Daarmee is de ‘tweede druk’ in feite de tweede, herziene, oplage van de eerste druk. En de zogenaamde ‘derde druk’ is in feite de derde, opnieuw herziene, oplage van de eerste druk. Toen er in 1918 voor de tweede maal exemplaren werden bijgedrukt, werden in het zetsel op aanwijzing van de corrector (of van Couperus?) enkele kleine zetfouten verbeterd.29 Een groot aantal andere zetfouten bleef onopgemerkt en werd voor de derde maal afgedrukt.

Tekstkeuze

Voor deze uitgave van De komedianten is de tweede, herziene, oplage van de eerste en enige tijdens Couperus' leven verschenen druk (de zogenaamde ‘tweede druk’) als basistekst gekozen: hij vertegenwoordigt de laatste door de auteur actief geautoriseerde versie. Couperus heeft de kopij ervan geleverd en de proeven ervan zelf gecorrigeerd. Voor de tekstsamenstelling is gebruik gemaakt van het exemplaar van de ‘tweede druk’ dat zich bevindt

[p. 327]

in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag.

Correcties

In de tekst van deze uitgave zijn, mede op grond van een woord-voor-woord vergelijking van achtereenvolgens het kladhandschrift (h1) met het kopijhandschrift (h2), voorzover overgeleverd, en met de tijdschriftpublikatie (gn) en de tijdschriftpublikatie met de eerste druk van De komedianten, de hieronder volgende correcties aangebracht. Na het paginacijfer en het regelnummer wordt eerst de verbeterde lezing gegeven; na de ‘Duitse komma’ (/) volgt de oorspronkelijke, foutieve lezing van de eerste druk. De laatste is voorzien van een asterisk (*) als zij voorkomt in alle genoemde versies. Indien dit niet het geval is, worden ook de lezing van de handschriften (h1, h2) en Groot Nederland (gn) vermeld. Hierbij is de volgorde gn, h2, h1 aangehouden, omdat de tijdschriftpublikatie als kopij voor de eerste druk heeft gediend.

6,22 Nomentum-wijntje/Nomentanum-wijntje*30
13,5 tempel!/tempel? (tempel? gn, tempel! h2, h1)
13,8 prijsde/prees (prees gn, h2, prijsde h1)
14,5 ginds,/ginds (ginds, gn, h2, h1)
14,18 knikkerende/knikkende (knikkerende gn, h2, h1)
14,22 mannen:/mannen; (mannen: gn, h2, h1)
17,11 er zijn/en zijn (er zijn gn, h2, h1)31
17,26 slipt.../slipt.. (slipt... gn, h2, h1)
18,1 vrijgelatene/vrijgelaten (vrijgelaten gn, vrijgelatene h2, h1)
18,34 overvuld/vervuld (overvuld gn, h2, h1)
19,32 kooptl/koopt?*

[p. 328]

20,6/7 slaven-die-kunstenaars-waren/slaven-die kunstenaars-waren (slaven-die-kunstenaars-waren gn, h2, h1)
20,24 gesproken/gesprongen (gesprongen gn, h2, gesproken h1)
20,34 vrijgelatene/vrijgelaten (vrijgelaten gn, h2, vrijgelatene h1)
21,17 deze/déze (déze gn, deze h2, h1)
22,28 zèggen/zèggend (zèggend gn, h2 zèggen h1)
24,34 openmonds/opensmonds (openmonds gn, h2, h1)
25,8 drie-en-een-halve/drie-en-een halve*
26,14 geslagen...?/geslagen..? (geslagen...? gn, h2, h1)
30,22 histrio/“histrio” (“histriogn, histrio h2, h1)
30,34 Nu/Toen (Toen gn, Nu h2, h1)
31,15 de ‘jongste’/“de jongste” (“de jongste” gn, de “jongste” h2, h1)
34,19 Cecilius/Cecilius (Cecilius gn, h1)
35,3 vraag.../vraag.. (vraag... gn, h1)
36,4 geven.../geven.. (geven... gn, h1)
38,23/24 - De eerste opvoering?
  - De eerste opvoering...! En/ - De eerste opvoering....! En ( - De eerste opvoering?
  - De eerste opvoering...! En gn, h1)
39,26/27 bedelpriesters/bedelpriester (bedelpriesters gn, h1)
40,11/12 derde.../derde.. (derde... gn, h1)
41,13 schoon.../schoon.. (schoon... gn, schoon.. h1)
43,7 voór/voor (voor gn, voór h1)
44,20 mindere-burgers/minder-burgers (mindere-burgers gn, h1)
44,26 Meta-Sudans/Meta Sudans (Meta Sudans gn, Meta-Sudans h1)
45,6 repetitie.../repetitie.. (repetitie... gn, h1)
46,6 [alinea] Hij/Hij (Hij gn, [alinea] Hij h1)
48,19 rollen.../rollen.. .. (rollen... gn, h1)
50,34 geleken./geleken, (geleken. gn, h1)
52,19 ìk/ik (ìk gn, h1)

[p. 329]

53,17 ‘oude-wijve-rollen’!/oude-wijve-rollen! (oude-wijve-rollen! gn, ‘oude-wijverollen’. h1)
56,27 wiegeling.../wiegeling.. (wiegeling.... gn, h1)
59,29 komt.../komt...., (komt..., gn, komt... h1)32
64,29 gelijkmatig/gelijkmatigen (gelijkmatig gn, h1)
65,35 buksboompjes/busboompjes*
68,4 geleerde/geleerden (geleerden gn, geleerde h2, h1)
79,1 maag/mond (mond gn, maag h1)
84,23/24 half zeggende, half zingende,/half zeggende, (half zeggende, gn, half zeggende, half zingende, h1)
95,12 gezien!/gezien? (gezien? gn, gezien! h1)
96,5/6 verlate/verlaatte*
98,30 dominus, hem/dominus, hem (dominus, hem gn, h1)33
100,1/2 had om móoi/hàd om mooi (had om móoi gn, h1)
100,10 choreografische/choregrafische*
106,28 maar/meer (meer gn, maar h1)
110,34 geklikklak/geklikkak (geklikkak gn, geklikklak h1)
111,3 herkend,/herkend (herkend gn, herkend, h1)
112,8 druk,/druk (druk gn, druk, h1)
113,27 tituli/titulï*
114,32 en,/en (en gn, en, h1)
115,22 hèbt/hebt (hèbt gn, h1)
117,1 tituli/tutulï (tutulï gn, titulïh1)
119,17 titulus/tilulus (titulus gn, h1)
119,32 tituli/titulï*
120,4 dominus-gregis/dominus gregis*
120,14/15 roode-inktlooze/roode inktlooze (roode-inktlooze gn, h1)
122,32 weemoedig.../weemoedig;.... (weemoedig;.... gn, weemoedig... h1)
125,18 Ionische/Jonische (Jonische gn, Ionische h1)

[p. 330]

126,9 scirocco-achtig/sirocco-achtig (scirocco-achtig gn, h1)
127,3 villa's/villà's (villà's gn, villa's h1)
130,16 zei/zie (zei gn, h1)
131,8 Drie/Driè (Drie gn, Drie h1)
134,14 den eerste, den beste/den eersten den beste (den eerste de beste gn, den eerste, den beste h1)
135,3 dominus-gregis/dominus gregis*
135,7 dominus-gregis/dominus gregis*
142,34 Idaea/Idaeae*34
143,11 Idaea/Idaeae*
145,8 Idaea/Idaeae*
145,30 overmorgen/overmogen (overmorgen gn, h1)35
147,30 waar/en waar (en waar gn, waar h1)
148,13 Spelen/spelen (spelen gn, Spelen h1)
149,1 haar,/haar; (haar; gn, haar, h1)
153,29 O-o-o-oh/O-o-o-h (O-o-o-h gn, O-o-o-oh h1)
156,9 fluisterden/fuisterden (fluisterden gn, h1)
156,26 ‘kolossale Eros’,/‘kolossale “Eros”,’ (“kolossale Eros”, gn, h1)
157,28/29 den volgenden dag af/af (af gn, den volgenden dag af h1)
158,4 wordt.../wordt.. .. (wordt... gn, h1)
159,28 barstten/barsten (barsten gn, barstten h1)
162,18 na,/nu (nu gn, na, h1)
162,27 hè?/hé? (hè? gn, h1)
165,3 Zoû/Zou (Zou gn, Zoû h1)
169,19 choragus-eén/choragus (choragus gn, choragus-eén h2)
170,1 O-o-o-oh/O-o-o-h (O-o-o-h gn, O-o-o-oh h2)
171,26 preludeert/preludeeren*
171,35 voornaamheid.../voornaamheid.. (voornaamheid... gn, h2)

[p. 331]

177,6 En zij/.... Zij (.... Zij gn, En zij h2, h1)
177,8 zoû belàchelijk/zou belàchelijk (zou belàchelijk gn, zoû belàchelijk h2, h1)
177,19 scenische/scaenische (scaenische gn, scenische h2, h1)
177,28 adulescens/“adulescens” (“adulescensgn, h2, “adulescens” h1
177,34 adulescens/“adulescens” (“adulescensgn, h2, “adulescens” h1)
178,4 Zoû/Zou (Zoû gn, h2, h1)
178,5 Terwijl/Tèrwijl (Terwijl gn, h2, h1)
178,11 goud-gestuivelde/goed-gestuivelde (goud-gestuivelde gn, goud gestuivelde h2, h1)
178,13 pervers,/pervers (pervers gn, h2, pervers, h1)
180,33 Nicobulus/Nicobolus (Nicobolus gn, Nicobulus h2, h1)
181,22 statariesch/“statariesch” (“statarieschgn, “statariesch” h2, h1)
181,25 dravende,/dravende (dravende gn, dravende, h2, h1)
182,14 weêr/weer (weer gn, h2, weêr h1)
182,28 ‘Plautus’/“Plautus (“Plautus” gn, h2, h1)
184,20 Cecilius/Cecilianus (Cecilianus gn, Cecilius h2, h1)
184,22 hè?/hé? (hè? gn, h2, h1)
197,2 postscaenium/proscaenium (proscaenium gn, postscaenium h1)
203,14 mìjn/mijn (mìjn gn, h1)
205,33 senex-/senex--*
206,5 af’/af”’ (af” (gn, h1)
206,26 Alexandrië/Alexandrie (Alexandrië gn, h1)
208,17 meisjes,/meisjes (meisjes, gn, h1)
208,34 ‘Bacchides’.../“Bacchides”.. (“Bacchides”... gn, h1)
210,19/20 ‘Menaechmi’.../“Menaechmi”.. (“Menaechmi”... gn, h1)
214,21 meê/meè (meè gn, meê h1)
214,27 dominus,/dominus (dominus gn, dominus, h1)
217,10 Jawèl,/Jawèl (Jawèl gn, Jawèl, h1)
219,23 ooit/weêr (weêr gn, ooit h1)
220,5 neêr/niet (niet gn, neêr h1)

[p. 332]

220,31-33 groette eerbiedig.
  - Wel, dominus? vroeg Crispina.
  - Domina/groette Crispina.
  - Domina (groette eerbiedig.
  - Wel, dominus? vroeg Crispina.
  - Domina gn, h1)
223,7 vollersbaas/vollerbaas (vollersbaas gn, h1)
223,28 gebouwd:/gebouwd; (gebouwd; gn, gebouwd: h1)
225,31 toen,/toen (toen gn, toen, h1)
227,7 zullen/zulen (zullen gn, h1)
227,21 invallen/uitvallen (uitvallen gn, invallen h1)
229,34 heel fijn/heef fijn (heel fijn gn, h1)
232,7 voelen/vragen (vragen gn, voelen h1)
238,25 Cecilius/Cecilianus (Cecilianus gn, Cecilius h1)
239,9 tegen kwamen.../tegen kwamen....? (tegen kwamen...? gn, tegen kwamen... h1)
239,30 drinken? Heu/drinken? [alinea] Heu (drinken? [alinea] Heu gn, drinken? Heu h1)
243,26 éen/eèn (eèn gn, éen h1)
246,14 zweeg/zweég (zweég gn, zweeg h1)
246,31 Cecilianus/Cecilius*
247,25 Vóor/Voor (Vóor gn, h1)
250,8 schuchter/schuchtér (schuchtér gn, schuchter h1)
250,16 helmen/helmèn (helmèn gn, helmen h1)
251,4 Caristo/Caristos (Caristo gn, h1)
251,5 zuilen/zuìlen (zuìlen gn, zuilen h1)
254,34 hiér/hier (hier gn, hiér h1)
258,27 Cecilianus/Cecilius (Cecilius gn, Cecilianus h1)
259,10 vaarde/voerde (voerde gn, vaarde h1)
262,28 Hij/Het (Het gn, Hij h1)
262,33 delling/helling (helling gn, delling h1)
263,16 waar om/waarom (waarom gn, waar om h1)
264,16 Cecilianus/Cecilius*
265,20 weêr/weèr (weèr gn, weêr h1)
266,5 gladiator/gladiatoren (gladiator gn, h1)

[p. 333]

266,7 dieren,/dieren (dieren gn, dieren, h1)
270,4 moedigden/moedigen (moedigden gn, h1)
273,21 Neen,/Neen. (Neen, gn, h1)
273,28 toen/weg (weg gn, toen h1)
275,8 vermagerde/vermagerd (vermagerd gn, vermagerde h1)
277,4 mysten/mysten (mysten gn, mysten h1)
277,29 Alexandrië/Alxandrië (Alexandrië gn, h1)
278,24 meê/meè (meè gn, meê h1)
278,24 Zij gaat naar/Wij gaan naar (Wij gaan naar gn, Zij gaat naar h1)
280,12 minuten/miunten (minuten gn, h1)
283,31 Baïae/Baiae (Baiae gn, Baïae h1)
285,12 zomergewaad/zomer gewaad (zomergewaad gn, h1)
287,10 Cecilius/Cecilianus (Cecilianus gn, Cecilius h1)
288,27 boeken.../boeken.. (boeken... gn, h1)
289,13 wier/wìer (wìer gn, wier h1)
289,26/27 dominus-gregis/dominis-gregis (dominus-gregis gn, h1)
292,22 nieuwsgierigheid/nieuwgierigheid (nieuwsgierigheid gn, h1)
294,17 nog/nóg (nog gn, h1)
297,7 daarvan.../daarvan.... (daarvan... gn, h1)
304,13 kazernen/kazerne (kazerne gn, kazernen h1)
306,7 den/dén (dén gn, den h1)
306,12 Caelius/Coelius (Coelius gn, Caelius h1)
311,16 Lectus-pavoninus/Lectus-pavonius
311,28 Miles Gloriosus/Miles Glorisus
313,19 Auctorum/Autorum-

Varianten

De eerste druk van De komedianten vertoont ten opzichte van het kladhandschrift (h1), het kopijhandschrift (h2), voorzover overgeleverd, en ten opzichte van de tijdschriftpublikatie (gn) de hieronder volgende woordvarianten. Na het paginacijfer en het regelnummer wordt eerst de lezing van de eerste druk gegeven;

[p. 334]

na het ‘ontstaan-uit-teken’ (<) volgen de vroegere versies, te beginnen met gn.36

5,13 onbetrouwbare < onbetoombare h2, h1
6,3 naam < met naam h1
6,24 lange, breede < breede, lange h1
6,28 pezige, bezige < bezige, pezige h1
7,7 maar < maar de gn, h2, h1,
7,11/12 troepje < boeltje h2, h1,
7,31 en zoûden < en zij zouden gn, h2, h1
9,8 neêr < haar h2, h1
9,23 opmerkzaam makend < doende opmerken h1
9,35 gescheurde < op zij gescheurde h1
10,3 bijna < jeugdig, bijna h1
10,24 toch < maar toch h1
10,28 Archigal < Archigal verder h1
14,32 dadelijk Fabulla < Fabulla dadelijk h1
14,34 knie < knieën h1
15,2 dof den < dof aan de h1
15,20 Twintig < Achttien h2, h1
16,11 Ge ziet, dat het niet gaat! < Je ziet, waarde heer, dat het niet kan! h1
16,17 Lavinius < Valerius gn, h2, h1
16,19 praetor < eerwaardige praetor h1
16,19 heeren aedilen < aedilen h1
16,27 Lavinius < Valerius gn, h2, h1
17,3 Lavinius < Valerius gn, h2, h1
17,21 Lavinius < Valerius gn, h2, h1
17,23 vijf, zes < vier, vijf h1
17,29 Lavinius < Valerius gn, h2, h1
17,29 komedianten < tooneelslaven h1
17,33 komedianten < spelers h1

[p. 335]

18,10 ‘jongelingen’, ‘parazieten’ en < “jongelingen” en h2, h1
18,11/12 de twee < twee h1
18,16 Lavinius < Valerius gn, h2, h1
18,30 Lavinius < Valerius gn, h2, h1
19,10 Lavinius < Valerius gn, h2, h1
19,24 schaterlachten de gasten < schaterlachte het volk h1
19,29 want hij < want h2, h1
20,22 onderscheiding < onderscheidingen h2, h1
21,3/4 uitoefenden, en < uitoefenden, infames, en h2, h1
21,4 niet zoo < toch niet zoó h1
22,23/24 zoo een exodium-spel < een naspel h1
22,30 buitelen < mimeeren h1
23,3 overluisterde < overhoorde h1
23,30-32 doet...
  - Hi-ha! bevestigde de ezel.
  - ...tot je er tòch als een masker uit ziet! < doet, tot je er toch als een masker uit ziet. h1
24,22 lachte < lonkte h2, h1
24,31 saus < eiersaus h1
25,10 zich langzaam, < in eens h1
25,29 na < voor h1
26,30 tobde < weeklaagde nu h1
26,32 ventjes < slaafjes h1
26,33 zestien < zeventien h1
26,34 ja, ik heb ze gekòcht < gekòcht h1
26,35 nauwelijks < misschien h1
26,35/27,1 zeker al sedert dertien jaar < sedert meer dan dertien jaar, zeker h1
27,22/23 requizieten en maskers en manuscripten < kostumen, maskers, requiz[?]ieten h1
27,35/28,1 als van < als h1
28,14 weken < maanden h1
28,21 ja, dàt moesten ze < ja, dat moesten ze, dàt moesten ze h1
28,29 Vriend < Ach, vriend h1

[p. 336]

29,6 dominus < caupo h1
29,16 tintelden < tinkelden h2, h1
29,20 Taurus < den leno Taurus h1
29,23 obsceen geschilderd < geschilderd met een obsceen reclame-schilderijtje h1
29,25 langs < uit h1
29,35 binnen. Blank < binnen. Blondde, even opgelicht, hun krullerig haar om hun lachend, elkander gelijkende gelaten. Blank h2, h1
30,1 elkaâr < zich h1
30,20/21 slank, toch kinderlijk < slank, h1
30,23 slaaf < slaaf, gemengd met [xxx]kinderlijke [xxx] h1
30,29/30 hun meer veel indruk kunnen maken < meer veel indruk hun maken h2, h1
30,32/33 proeven...
  - Hi-ha < proeven...
  - Dominus, zeide Nilus; die jongens van je hebben Egyptische oogen... Net als ik heb, maar moóiere... net als we ze daár allemaal hebben, maar ondeugender...
  Geen wonder, dacht de dominus, dat ze Egyptische oogen hadden: was Crispina, hun moeder, die ze hem afgestaan had, niet een Egyptische...?
  - Hi-ha h1
30,33 balken < betuigen h1
30,34 hun mantel < den mantel h2, h1
31,2 waren < meer waren h2, h1
31,4 geriemd < omriemd h2, h1
31,16 laadje met < laadje vol h2, h1
31,19 belangstellend < geinteresseerd h1
31,23 den Keizer < onzen Keizer h1
32,2 in het < ten h1
32,11/12 zusterkind < zuster gn, h1
32,13 der < dier h1
32,24 dat < deze gn

[p. 337]

32,25 die < de h1
33,27 belangstelling < belang gn, h1
35,7 koppen < kopjes h1
35,23 diens < zijn h1
37,13 zoo half en half patriciër < patriciër h1
37,14 komediantenvak < komediantenleven h1
38,12 Lavinius < Valerius gn, h1
38,19 Lavinius < Valerius gn, h1
38,25 Lavinius < Valerius gn, h1
38,25 nacht... Neen < nacht... Lieve gasten, ik sluit! Neen h1
38,28 den < dezen h1
39,9 een enkele < den enkele h1
39,11 lange < lage h1
39,16 groote < grootere gn, h1
40,6 steen < steenen h1
40,30 doortinteld < doortinkeld h1
41,14 Toen < Als h1
41,18 hoewel < toch wel h1
42,30 overtogen < overstreken h1
43,10 den muur < de muren gn, h1
43,19 gij zijt < u is gn, h1
45,6 nòch de mimus- < noch mimus- h1
46,15 deur < deuren h1
46,26 kuipen < kuip h1
48,10 hoog gehakten en gezoolden < hoog gehakten, -ge-zoolden h1
49,9 bouw, verhief zich, immense ellips < bouw, immense ellips verhief zich h1
49,12 travertijn en tufsteen < tufsteen h1
49,14/15 door Titus, ‘de zaligheid des menschelijken geslachts’, ingewijd. < door Titus ingewijd, “de zaligheid des menschelijken geslachts” bijgenaamd, gn, h1
50,25 Boven < Over gn, h1
51,14 rond < rank h1

[p. 338]

51,19/20 lang gespletene, donkere oogen < lang gespletene, blauwe oogen gn, oogen h1
53,12 Natuurlijk, stomme ezels! < Natuurlijk, h1
54,34 een epiesch < epiesch h1
55,5 Keizer! zei < keizer? vroeg h1
55,9 éen paard of twee paarden < een en twee paarden h1
55,19 paleistrappen-vlucht < paleistrappen-vluchten h1
56,8 hooger < hóog h1
56,34 komediantjes < komedianten h1
58,8 Laurentum < Ostia h1
58,22 mimen < fluitspelers h1
58,26 te hebben herinnerd < herinnerd te hebben gn, h1
59,5 Cecilius Plinius < Plinius Cecilius h1
60,26 De < Die gn, h1
61,33 uit het Grieksch < uit het Grieksch. Naar Muzaeus gn, h137
63,18 tusschen < tegen h1
63,24 met < als h1
63,31 na < van gn, h1
64,4 schouder < schouders h1
64,7 slavenschouders < zwarte slaveschouders h1
64,10/11 schaduwspelingen < schaduwespelingen gn, schaduwen h1
64,27 weêrschijn der lucht. En < weêrschijn der wolk, dieper de blauw weêrspiegelde weêrschijn der lucht. En gn, h1
66,8 salutatio < keizerlijke morgenbegroeting h1
67,9 donkere < sombere h1
67,18 groote < even zoo groote h1
67,18 met < en alle met h1
67,24 der < dierh1
67,29 hij < hij ze h1
67,30 rotonde < open rotonde h1

[p. 339]

68,5 van mijn meester < van mijn meesters gn, h2, mijner meesters h1
68,7 cellen, voor < kamers en cellen, die volgden voor h1
68,8 cellen < kamers en cellen h1
68,10 Quintilianus < Quintilianus glimlachend h1
68,13 het < de gn, h2, h1
68,16-19 De baden [...] nissen... < De baden volgden daar; zwembaden van zoet water; het water ruischte, immer verfrischt, uit het koudwaterreservoir. De andere, verwarmde, badkamers volgden dan met het hypocaustum, zeer groot, ter verwarming, en er waren kleine kabinetjes, waar de onyxen en albasten zalf- en oliekruikjes stonden in nisjes, h1
68,20 ruim, rijk en sober, van < ruim en rijk, maar sober, van een h1
68,21 Opeenvolging < Het was eene opeenvolging h1
68,21 zuilen, pilasters < zuilen en pilasters h1
68,22 altijd, < altijd en h1
68,25 vervolgden < liepen zij h1
68,27 leêgte < leêge ruimte h1
68,30 zoekende < uitgaande, zoekende h1
68,31 voor, geleidde < voor en leidde h1
69,1 Rufus, die Plinius' voogd geweest was < Rufus h1
69,14 verschijnen moet < genoodigd is h1
69,21 rondom < rondom mij h1
69,28 door Vespazianus, door Titus < door een Vespazianus, door een Titus h1
70,7 wit, zwart, rood marmer < wit en zwart en rood marmer h1
70,8 rood porfier, zwart < van rood porfier en zwart h1
70,10 rust en vrede < rust, vrede h2, h1
70,12 beminnelijkste < beminnelijkste, edelste h1
71,7 niet uit < niet h1

[p. 340]

71,20/21 Consul weldra onder Nerva < Consul hij ook korten tijd geweest38 gn, h1
71,21 worden < meer en meer worden h1
71,22 zoû doen zien < deden zien h1
72,3 keizerlijk purper < purper h1
73,16 aequorei < aequori gn, h139
74,18 doen < altijd doen h1
77,9 want < maarh1
77,18 ietwat < een beetje h1
78,13 zijn: ik heb < zijn, want ik lijd h1
80,29 waarnaar < waarop h1
81,18-20 Bewonder 't genie des Egyptenaars, want hoe vaak brak de kunstenaar, wenschende meerdere kelken te scheppen, zijn bronzen schaal. < Bewonder 't genie des Egyptenaars: meer dan eens wenschte hij Te cizeleeren zoo dun kristal, en brak zelve zijn werk, tot hij slaagde... gn, h140
82,18 men < je h1
82,25 steeds levenslustig... < wees levenslustig en h1
83,11/12 't Borsteldragend dier gelijk, dat Meleagros
  Velt met AEtolischen spies... < 't Borsteldragend dier gelijk, dat Diomedes
  Velt met AEtolischen werpspies.... gn, h141
83,26 wat < dat gn, h1
84,7 klonken < waren h1
84,30/31 Cecilanus, zijne zich < Cecilianus' zich h1
87,22 Martialis < uw Martialis h1
87,26 en die < die h1

[p. 341]

87,27 dat < die h1
88,25 niet hem die < hem niet, die gn, h1
88,31 maskers... Zij zijn < maskers... Zij zijn niet zoo zwaar als de Latijnsche, geloof ik. Ze zijn h1
89,32 den < het gn, h1
90,27 weifelde < twijfelde h1
91,26 den < het gn, h1
93,29/30 - Bij Fabulla?
  - Ja < - Bij Fabulla?
  - ...Fabulla??
  - Ja gn, h1
93,31 nog < ze nog h1
93,35 zoèt < zoo zoèt h1
98,11 bulderde < donderde h1
99,11 uit haat < haat h1
100,10 navoorstelling < tooververtelling h1
102,19 omziende < omziende naar de geesels h1
102,22 tegen geeselen-zien < tegen ze geeselen-zien h1
102,24 achtermuur met < achtergrond van h1
103,33 en de < en vooral de h1
104,5 Tacitus! Verginius Rufus! < Tacitus! h1
104,14 schelen! Er < schelen! Wie zijn goede moderne tooneelschrijvers? Er h1
104,32 zonder jùllie! < zonder jùllie, zonder jullie! h1
105,15 ronde < witte h1
105,33 schertsen en < schertsend h1
105,36 dien < den h1
106,17 dreigend < betuigend h1
107,7 door < die, door h1
108,10 die < de h1
108,22 gewone < jonge h1
108,26 in < met h1
108,29 morgen < overmorgen h1
110,25 werd < was h1
110,27 voor < om h1

[p. 342]

111,17 beminde < bevriende[?] h1
111,19 senex < lammen senex h1
111,28 luider < luid h1
113,14/15 vrouwerol, ‘paraziet’ < vrouwerol, slaverol, “paraziet” gn, h1
113,16 maar < eerst h1
115,9 aedilen < waardige aedilen h1
118,5 die < de h1
118,25 toch < toe h1
119,9 mimiek < muziek h1
121,1 muilezels < muilen h1
123,11 dominus goedig < dominus h1
124,31 met < bij h1
125,18 hoog < met h1
125,35 morgen < overmorgen h1
126,8 twee < drie h1
127,25 zestien < zeventien h1
127,25 gekregen? En < gekregen? Toen zijn broêr, Titus, nog heerschte? En h1
127,27/28 Crispina.
  - De < Crispina.
  Crispinus lachte:
  - De h1
127,33 is < is al h1
128,22 zij; de fontein zweeg stil < zij h1
131,27 Hij heeft < Heeft hij h1
131,30 hèm?? < diè?? h1
135,2 - Wie is dat...? < - Wie is dat?
  - Wie is dat...? gn, h1
135,27/28 lachte Domitia en Domitilla en Fabulla schaterden < lachten Domitia en Domitilla en Fabula schaterde h1
135,29 van < iets van h1
137,16 van < op gn, h1
137,31 het hen < hen het h1
140,15/16 zoû willen < wilde h1

[p. 343]

140,22/23 onduidelijk had < had h1
141,19 werden < waren h1
142,22 lauwer en sparrefestoen < lauwer-, sparrefestoen h1
142,22 in < uit h1
144,7 vele < hunne h1
144,24 mager, hè? < oùd... h1
145,5/6 hem...
  - Komt < hem...
  - De stommeling, dan heeft hij nièt slim gedaan.
  - Komt h1
145,35 toch < dan h1
146,5 van den < van het gn, h1
148,22 werd het < werd h1
149,6 de orchestra < orchestra h1
149,7 biljet < biljetje gn, h1
149,34 dieven en < dieven, de h1
150,11 het < het toch h1
150,35 van < in h1
152,22/23 van morgen < dezen morgen h1
153,12 weigeren < àfleenen h1
153,19 de opene ruimte < het opene Theater h1
155,27 spiraalde met dikke wolken < spiraalde, dikke wolk, h1
155,34 groepeerden < beijverden[?] h1
156,26 de < de jonge h1
158,8 Nilus < Nilus belangstellend gn, h1
161,3 Cosmus < Cosmus de geurwerker h1
161,7 Wat is er, < Wat is er, wat is er...?! h1
161,14 aan < op gn, h1
162,25 zit < is gn, h1
163,15 ezel, die... < ezel! h1
163,30 ketting < kettingen h1
164,8 zei < lachte h1
169,28 verzekerden de choragi < verzekerde de choragus h2
171,24 moderne < de moderne gn, h2
174,22 in het Tribunaal! < in Tribunaal. h2

[p. 344]

174,28 schrale < wat schrale h1
174,29/30 uitspreidden de [...] vogelvlerken < spreidden de [...] vogelvlerken uit h1
175,3 fluisterde < herhaalde h1
175,4 vond, tot < vond, aan h1
175,15 zoo veel < veel te veel h1
175,19 emoties < emotie h2, h1
176,7 De < Pistoclerus, de h1
176,16/17 liefdesbetuig < liefdesbeding h1
176,18 die bij Nilus op < die gisteren op h1
176,25 hadden < hoe hadden h1
176,32 en < dat h1
177,16 De adulescens < Pistoclerus h1
177,21 den adulescens < Pistoclerus h1
177,21 wezen zij < wezen h1
177,21/22 fluisterden zij < fluisterden h1
177,26/27 de fluiten < de gelijke fluiten h1
177,27 rommelender < brommender h2, h1
177,32 was bijzaak < bijzaak h1
178,5/6 jongeling daar?
  - Doe < jongeling.
  - Ja, doe h1
178,26-28 paleis-officieren, schaarden zich, spere- en schilde-kletterend op de trappenvlucht, de Praetorianen. < paleis-officieren; Praetorianen schaarden zich, spereen schilde-kletterend op de trappevlucht... h1
178,33 Consuls < Keizerin h2, h1
179,6 dicht < toen dicht h1
179,20 hurkte de nar < zette de nar zich h1
179,22/23 de Keizer, ook ernstig, antwoordde < de keizer antwoordde ernstig h1
179,31/32 scaena-muur. Herhaalde < scaena-muur. Herhaalde zich de hymne en danste “Attis”... Herhaalde h2, h1
179,34 - Water... Water... < - Aqua! Aqua! Watèr... Watèr... h1

[p. 345]

180,3 snuiven < te snuiven h1
180,4 doen < te doen h1
180,13 vergetende < vergeten h1
180,19/20 in het Theater < ter zij, spiedde in het Theater h2, h1
180,21 belang ging stellen < belang stelde h1
180,22 met de < met die h2,h1
180,25 den adulescens < Pistoclerus h1
181,2 was < had h1
181,5 met < van h1
181,6 verlossen < vrij maken h1
181,7 die < de h1
181,9 tafel < tafelen h1
181,11 ièts < ièts meer h1
181,15 had < kreeg h1
182,3 deze < hare gn, h2, h1
182,18 adplaudere: het < adplaudere aangegeven door de hier en daar verspreide, rythmiesche cadenseerende klappers-in-de-handen: het h1
182,18 klaterend < kletterend, klaterend h1
182,21 kort slotwoord < nog slotwoord h1
182,26 omgang < cuneih1
183,1/2 vrouwen, den kristallen koelbal tusschen de warme palmen bewegend < vrouwen h1
183,26 kluchtige < kluchtiger h2, h1
183,29 om de wangen en het achterhoofd < om wangen en achterhoofd h2, h1
183,33 dingen; < dingen; zoo het niet ware verboden, hadden zij gaarne om succes te hebben, een reusachtige fallus telkens tusschen de plooien van hun kleeden gezwaaid h1
184,5 vraatzuchtig < vraatzuchtig en gulzig h1
184,7 clown < nar h1
184,17 exodium-spelen < exodium-spelen: de [xxx] h1
184,18 stralend, < stralend en h1
184,20 zei < kwam h1

[p. 346]

185,8 roode en < roode, h1
185,13 Of liever < Maar eerst, h1
185,14 eerst flink zoenen < zoenen h1
186,15/16 gezichten, < gezichten en h1
187,4 nicht < zuster h1
187,6 Crispina! Onze moeder?? < Crispina? h1
188,2 tal van < vele h1
188,6 mantel < gladiatormantel h1
188,29 Wàter! Watèr!! < Aquà-à! Aquà-à-à! Watèrr!! h1
189,10 was wel < was zoo h1
189,11 uur < uur aan h1
189,15/16 toch links en rechts < toch door de zaal gn, h1
189,17 was toch < was h1
190,23 Het was < Het was van h1
190,35 O-o-o-oh < O-o-oh h1
191,4 véel lager < héel lage gn, h1
192,7 aan < tot gn, h1
193,4 nu < plots h1
194,13 weêrzin < weêrpijn h1
194,14 starende < toekijkende h1
198,7 dien < den h1
198,23 Nigrina... zei Cosmus. < Nigrina... h1
199,6 was < nat h1
199,20/21 in zijn arm den knaap < den knaap in zijn arm h1
200,8 het < dat h1
200,18 zei Cecilianus < offerde zich Cecilianus op h1
202,9 om < met h1
202,30 ezel! klonk het van alle kant. < ezel! h1
203,22 van den troep < der troep gn, h1
204,20 vrouwen < meiden h1
206,3 Toonde < Toonen liet h1
206,25 leuk < wat leuk h1
209,28/29 overmorgen...
  - In < overmorgen...
  - Ja óvermorgen, zei Cecilius.

[p. 347]

  - In onze plaats...?
  In h1
210,25 Neen < Ach h1
211,8 die < de gn, h1
211,26 en de < en die h1
212,9 de feesten < zij nu h1
212,12 Spelen, en zes < Feesten, zes h1
212,12 Circensische Spelen < Circensische Feesten h1
212,13 den < het gn, h1
212,19 het < den h1
212,31 onder < met h1
213,17 Hij < Het h1
215,23 zeide de senex < zeiden zij h1
216,17 bij hem < met hem gn, h1
216,33 zeide de < zei de h1
219,9 niet... < niet tot... h1
220,21 de stof < stof h1
220,28 glansde < gleed h1
221,3 zang en dans < zang, dans h1
221,10 gewoon < gewend h1
222,12 het < dat h1
222,25 niet dus < dus niet h1
222,32 ze < ze eens h1
224,9 wel < ze gn, h1
224,24 netjes < goed en netjes h1
225,8 van < af h1
225,20 het < me h1
227,4 iederen < èrgens, iederen h1
227,29 op het < op het eenige h1
227,30 donkerde < fronsende h1
228,6 een wacht van < de wacht der h1
228,25 donkere < donkerende gn, h1
228,29 akelig < zoo akelig h1
228,32 uit < in h1
229,4 zacht..., zei Decius < zacht... h1

[p. 348]

229,12 praten < vragen h1
229,30 wisten, na eerst slechts vermoed te hebben < wisten h1
230,15 alles < hier alles h1
230,22 moeder en vonden < moeder, vonden h1
230,24 ze < hen h1
230,27 waar en wanneer zij het laatst hadden gespeeld < waar zij vóor Rome het laatst hadden gespeeld gn, h1
231,16 met < bij h1
231,17 vertrekjes < vertrekken h1
231,19 Die was < Het was gn, h1
231,19 Die zag < Het zag gn, h1
231,31 kleurige < zacht kleurige h1
232,2 Op rood < Op de rood gn, h1
232,16/17 af houden. Zij < af houden. Wat waren zij mooi! Zoo fijn en toch sterk en gezond! Zij h1
232,23 van < om h1
233,9 stil gierde < gierde h1
233,28 en < en met h1
234,35 wringen < wringen en wenden h1
234,35 schuiven < schokken h1
236,2 ontroering < ontroeringen h1
238,21 gras < groen h1
241,4 had < had hen h1
241,27 hen < hen nu h1
241,33 druipende < natte h1
243,30/31 Toon dat contract! raasde Crispinus tot zijn zuster. Ben jij gek geweest?! Heb < Ben je gek geweest?! raasde Cripinus tot zijn zuster. Heb h1
245,11 elke < alle h1
245,14 den knaap < het kind h1
245,29 langs < met h1
247,5/6 tempels, de eerebogen en -zuilen, de bazilieken < tempels, de bazilieken, de eerebogen en -zuilen h1
247,34 Gij zijt < U is h1
248,7 gij zijt < u is h1

[p. 349]

249,22 boven < voor gn, h1
250,19 hadden < vonden h1
251,21 lotus < roos h1
252,7 luid-op < hard op h1
252,31 en sliep door < en sliep. En sliep door h1
253,18 over < aan h1
253,25 Augusta < Domina h1
253,28 Augusta < Domina h1
255,28 doortrilde < doorrilde h1
256,5 ver < ginds h1
256,29 jongen < knaap h1
260,13 lange < lange, lange h1
261,3 hij < hij nog gn, h1
262,14 jongen < zoete kind h1
263,4 zaligheid < zaligheden gn, h1
265,17/18 al wat ge zegt < wat u zegt gn, h1
265,31 mijn zoet < zoet h1
269,29 Dat hoorde ik reeds, zei Plinius < Toch niet? schrikte Plinius h1
270,11 ben < was h1
270,21 pastei, neem van < pastei meê, van h1
271,13 die < deze h1
271,24 Wat een < Aan een gn, h1
272,10/11 Suetonius.
  - Neen < Suetonius.
  - Neén! zeiden zij allen.
  - Neen h1
273,20/21 welnu, welnu < welnu h1
274,1 de < zijn gn, h1
277,4 van < met h1
277,31 tweelingen < twee tweelingen gn, h1
278,34 Christus is een < Christus, een h1
279,6 aan hen < hun h1
279,20 dan tot < tot h1
279,26 strak en bleek < strak bleek h1

[p. 350]

280,5 hoe de gladiator < dat de gladiator h1
280,20 muren < wanden h1
280,26 zij op < op h1
280,29 den doodstraf < doodstraf h1
280,29 geweest zijn < zijn h1
281,23 donkere < bruine h1
281,31 ge < u h1
282,20 meestal < altijd h1
282,22 nissen < nisjes h1
282,35 met < als h1
283,26 nissen < nisjes h1
283,34 mijn < zoete h1
284,22 te geven < gegeven h1
285,11/12 in een < in h1
286,23 nog meer < niet meer h1
286,35/287,1 ondeugende < donkere h1
290,2 lieve, jonge < heeljonge h1
290,32 jongens < twee jongens h1
291,18/19 van verder < verder h1
291,35 Dat < Dáar gn
292,2 radeloos < weêr h1
292,26 gebaar < gehuil h1
292,33 uitgezakte < ingezakte h1
295,20/21 tweelingen en de twee gladiatoren < tweelingen, Afer en Syrus... h1
295,32/296,1 die zoo goede vrienden waren geworden < die ook dien dag waren aangekomen, h1
298,11 De < Die h1
298,35 jammeren! bezwoeren < jammeren, dominus!! bezwoeren h1
300,35 nóoit < nóoit met ze h1
301,22 jongensoogen < kind-oogen h1
302,4 allen < alle de gasten h1
302,11 en Cecilius < met Cecilius h1

[p. 351]

302,19 meiden < vrienden h1
302,30 worstjes < saucysjes h1
303,7 omarmde < handen schudde h1
303,22 de gelegenheid < een gelegenheid gn, gelegenheid h1
303,27 plaagde < vroeg h1
304,1 toren, < toren af h1
306,12 om, om < om, en h1
307,35 vertoon: àls < vertoon: àls ik dan afscheid neem van de stad, waar ik maanden was, àls h1
309,1-313,20 verklaring [...] Davide Ruhnkenio. < ontbreekt gn, h1

Afbrekingstekens

In deze uitgave van De komedianten moeten de volgende afbrekingstekens als een koppelteken gelezen worden:

17,26 en-
18,7 en-
20,6 kunstenaars-
22,12 kolom-
22,23 exodium-
23,4 minnaars-
28,14 emotie-
39,27 taveerne-
44,17 nieuwe-
45,6 mimus-
45,13 ‘eerste-
48,17 mimus-
55,3 Rood-
55,12 morgen-
66,26 rood-
79,12 Pompeïus-
84,8 linker-
85,7 verlangen-
94,12 Palatinus-
100,9 muzikaal-
100,16 dominus-
109,10 schorrie-
120,14 roode-
141,29 ‘Intrat-
141,30 viole-
146,35 Consulaire-
147,10 goud-
147,33 veertig-
150,31 veertig-
157,17 ontslag-
159,19 vaag-
160,15 half-
169,8 wel-
176,8 jonge-
179,6 vijf-
181,4 Plautus-
226,26 tweeling-
245,29 fresco-
250,9 in-
254,21 fengiet-

[p. 352]

261,15 gladiatoren-
275,28 man-
277,25 dominus-
279,4 man-
288,2 ‘eerste-
289,26 dominus-
291,16 gladiatoren-
300,20 komediante-
311,25 vrouwe-

* Voor de bibliografische gegevens werd onder meer gebruik gemaakt van het Bibliografisch Repertorium Louis Couperus, een door zwo gesubsidieerd project, onder redactie van G. Borgers, E. Braches, K. Reijnders, uitgevoerd door Marijke Stapert-Eggen.

Zie voor de editieprincipes van de Volledige Werken Louis Couperus: Algemene verantwoording van de Volledige Werken Louis Couperus. Utrecht/Antwerpen, 1987. De editieprincipes zijn vastgesteld door Ernst Braches, Jan Fontijn, Karel Reijnders, Marijke Stapert-Eggen en H.T.M, van Vliet.