Noodlot (eds. H.T.M. van Vliet, Oege Dijkstra en Marijke Stapert-Eggen)


auteur: Louis Couperus


editeur: H.T.M. van Vliet, Oege Dijkstra en M. Stapert-Eggen


bron: Louis Couperus, Noodlot (eds. H.T.M. van Vliet, Oege Dijkstra en Marijke Stapert-Eggen). Uitgeverij L.J. Veen, Utrecht/Antwerpen 1990  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 141]

Verantwoording

[p. 143]

Na de publikatie van Eline Vere vertrok Couperus in juli 1889 met zijn zwager Vlielander Hein en diens vriend J. Bergsma naar Scandinavië. Hij bezocht eerst Zweden en reisde vervolgens door Noorwegen.1 Indrukken die hij daar opdeed, zou hij een jaar later verwerken in de roman Noodlot. Blijkens Couperus' datering in de roman werd hij in mei 1890 voltooid. Het is niet zeker of de datering ‘Mei '90’ impliceert dat Noodlot in één maand werd geschreven. Couperus heeft de roman misschien geschreven op verzoek van de directeur van Het nieuws van den dag, J.L. Beijers, als premie-uitgave voor de krant.2 Het is ook mogelijk dat Couperus zelf na de voltooiing van Noodlot de roman aan Het nieuws van den dag heeft aangeboden. De contacten met de krant zullen ongetwijfeld gelopen zijn via Beijers die Couperus kende van vroeger, toen hij als uitgever te Utrecht diens bundel Een lent van vaerzen uitgaf (1884).

De roman Noodlot bleek uiteindelijk ongeschikt als premie-uitgave van Het nieuws van den dag. Op 22 juli 1890 schreef Couperus aan zijn vriend Frans Netscher: ‘Mijn Noodlot verschijnt niet als premie van het Nieuws; de heeren vonden het te akelig voor hunne abonnés en ze hebben au fond gelijk. Het komt nu in

[p. 144]

October in de Gids en dan, bij wien weet ik nog niet, apart uit. Ik zoû het heel aangenaam vinden als jij er de opdracht van wilde aanvaarden. Wil je dat? [...] Dan zend ik je later de drukproeven van den Gids ter inzage en ter kennismaking.’3 De opdracht aan Netscher is in de boekuitgave van Noodlot gedateerd ‘Sept. '90’. Vermoedelijk heeft Netscher toen, na lezing van de proeven van De gids, Couperus laten weten dat hij de opdracht aanvaardde.

De uitgever van Eline Vere, P.N. van Kampen te Amsterdam, was niet bereid Noodlot uit te geven. Volgens de kleinzoon van de uitgever was Eline Vere alleen na sterke aandrang van zijn vader uitgegeven: ‘Mijn grootvader voelde er niets voor. Hij vond Eline Vere maar een hysterische juffrouw. Het tweede boek van Couperus Noodlot kreeg mijn vader er dan ook niet bij hem door. De inhoud botste met mijn grootvaders religieuse (Doopsgezinde) overtuiging. Zo zijn we Couperus dus kwijtgeraakt.’4 Na de publikatie van Noodlot in de oktober- en novemberaflevering 1890 van De gids deed de jonge, nog tamelijk onbekende, uitgever L.J. Veen te Amsterdam Couperus het aanbod de roman in boekvorm uit te geven. Maar Couperus wees het op 8 december 1890 af: ‘U dank zeggend voor Uw aanbod, meld ik U, dat Noodlot zeer spoedig reeds verschijnen zal bij de Uitgeversmaatschappij Elzevier.’5

Na de weigering van Van Kampen Noodlot uit te geven heeft Couperus waarschijnlijk zelf J.G. Robbers, de directeur van uitgeverij ‘Elsevier’, benaderd. Hij kwam met Robbers overeen het auteursrecht van Noodlot te verkopen voor ƒ450,- bij de eerste druk en ƒ200,- ‘bij eenen eventueelen volgenden druk.’6 De boek-

[p. 145]

uitgave van Noodlot verscheen nog in december 1890 bij Uitgevers-Maatschappij ‘Elsevier’ te Amsterdam. In 1898 werden de rechten overgenomen door L.J. Veen die inmiddels Couperus' vaste uitgever was geworden.

Noodlot werd reeds in 1891 door Clara Bell in het Engels vertaald. Op 25 februari 1891 schreef Couperus aan Frederik van Eeden: ‘Ik zie uit de courant, dat Noodlot vertaald zoû worden onder den titel van Fostering a Viper, een titel, die mij niet voldoet, omdat er critiek in ligt uitgesproken over den hoofdpersoon, die nergens in het boek door mij een adder genoemd werd.’ En twee dagen later schreef hij aan sir Edmund Gosse, redacteur bij de Engelse uitgever W. Heinemann: ‘I think a literal translation of Noodlot - Fatality would be more in the character of the book, in which Bertie is never called a viper.’7

In 1892 bewerkte Couperus' vriend Gerrit Jäger Noodlot voor het toneel. Eind november vond de première plaats in de Schouwburg Tivoli te Rotterdam.8

Bronnen

Voorzover ons bekend, zijn van de roman Noodlot de volgende door de auteur geautoriseerde bronnen overgeleverd:

A. een voorpublikatie in De gids 54 (1890). Dl. iv [oktober-november], p. 1-66; 177-234.

B. een uitgave in boekvorm: Louis Couperus: Noodlot. Amsterdam, Uitgevers-Maatschappij ‘Elsevier’, 1891 [= december 1890].9

Weliswaar is er geen correspondentie tussen Couperus en Robbers over de produktie van Noodlot overgeleverd, maar het staat vast dat de tijdschriftpublikatie van de roman als kopij heeft gediend voor de boekuitgave. Een aantal zetfouten komt zowel in

[p. 146]

De gids als in de boekuitgave voor. Deze fouten moeten uit De gids zijn overgenomen en door Couperus over het hoofd zijn gezien.

Couperus heeft de proeven van de boekuitgave gecorrigeerd, want verschillende wijzigingen in de tekst van de eerste druk ten opzichte van de tijdschriftversie kunnen onmogelijk aan de zetter of de corrector van de drukkerij (of van de uitgeverij) worden toegeschreven. Couperus had trouwens de gewoonte de proeven van de voorpublikatie en van de eerste druk van zijn boeken zelf te corrigeren. Er zijn geen aanwijzingen dat hij voor de eerste druk van Noodlot van deze gewoonte is afgeweken.

 

De oplage van de eerste druk van Noodlot is niet bekend. Het boek werd besproken en zelfs in het openbaar bestreden, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit van invloed is geweest op de verkoop. De eerste druk raakte waarschijnlijk in de loop van 1893 uitverkocht. In dat jaar liet Robbers een herdruk maken door de Zuid-Hollandsche boek- en handelsdrukkerij die ook de eerste druk had verzorgd. De tweede druk kwam eind 1893 of begin 1894 in de handel.10 De herdruk is gezet naar een exemplaar van de eerste druk. Hij is zonder bemoeienis van Couperus tot stand gekomen. Vrijwel alle zetfouten uit de eerste druk zijn ongewijzigd overgenomen en daarnaast is een aantal nieuwe fouten ontstaan. De herdruk is regel-voor-regel nagezet. De uitvoering is nagenoeg gelijk aan de eerste druk: dezelfde zetspiegel, een vergelijkbare letter, hetzelfde aantal bladzijden en dezelfde rode band met zwarte versiering en goudkleurige belettering.

In april 1894 was Couperus nog niet op de hoogte van het verschijnen van de tweede druk van Noodlot. Hij schreef toen aan zijn uitgever L.J. Veen: ‘Ik zoû U gaarne willen vragen: zoû U geen lust hebben Noodlot te willen overnemen van Robbers? Of

[p. 147]

zoû dat niet gaan. Het moment zoû in zooverre gunstig zijn, omdat Robbers mij reeds lang geleden een tweede uitgave aankondigde, die echter voor zoover ik weet, nooit is verschenen. Ik weet niet waarom; ik schrijf Robbers liefst zoo min mogelijk!’11 Het is niet bekend of Veen in 1894 heeft geprobeerd Noodlot van Robbers over te nemen. Robbers zal de overname van een roman die hij onlangs had laten herdrukken, zeker hebben geweigerd. Pas twee jaar later, in 1896, verkocht Robbers het eigendomsrecht van Noodlot en het restant van de oplage van de tweede druk aan Veen.12 Deze heeft de overgenomen exemplaren waarschijnlijk verkocht in een blauwe band met een sterretje.13 Het betreft een aangepaste versie van de oorspronkelijke band van Extaze die Veen ook voor andere boeken van Couperus heeft gebruikt. In 1897 vroeg Couperus aan Veen enkele boeken te sturen, waaronder een exemplaar van ‘Noodlot met sterretje: dat vertelde U mij immers dat een nieuwigheid was?’14

Veen besloot in maart 1898 Noodlot te herdrukken. Hij vroeg Couperus of hij de proeven wilde corrigeren. Couperus antwoordde: ‘Meent U een 3de druk Noodlot? Als de corrector het zorgvuldig doet, laat ik het maar aan hem over. Krijg ik er niets voor...??’15 Veen was van mening dat hij Couperus voor een herdruk van Noodlot geen honorarium verschuldigd was, aangezien hij het eigendomsrecht van Robbers had gekocht. Couperus daarentegen meende op grond van vroegere afspraken met Robbers recht te hebben op ƒ200,- voor iedere herdruk. Op 18 maart 1898 schreef hij aan Veen: ‘Ik woû U nog eens schrijven over

[p. 148]

Noodlot. Tot mijn leedwezen heb ik [...] een doos met papieren etc. verloren: anders zoû ik U eene correspondentie met Robbers (geen contract) kunnen wijzen, waarin over de volgende drukken onderhandeld wordt. Ik begrijp niet, dat Robbers U - toen U Noodlot kocht - niet in kennis bracht met die voorwaarden, die toch altijd van waarde blijven.

‘De conditie was ƒ200., hetgeen ik ook voor den tweeden druk ontving. Een bewijs is wel, dat ik voor iederen druk Eline Vere ƒ300. - ontvang, en dat ik dus een later werk als Noodlot natuurlijk niet pour tout de bon verkocht zoû hebben. Maar natuurlijk, als U mijn eischen niet erkent, kan ik er niets aan doen. Een schriftelijk bewijs kan ik U niet meer tonen. Noodlot is mij nooit finantiëel favorabel geweest. -’16 In zijn antwoord citeerde Veen uit een brief van Robbers. Hij beschikte over een geschreven kopie van een brief van Robbers aan Couperus, gedateerd 6 februari 1891: ‘[...] hebben wij de eer U te berichten dat tusschen ons overeengekomen is dat bij eenen eventueelen volgenden druk van “Noodlot” door u een honorarium van ƒ200.- [...] zal genoten worden, u acht het zeker met ons overbodig over deze eenvoudige voorwaarde een contract op te maken. Dit schrijven is even verbindend als een contract [...]. De nota met inlassching van ‘met afstand van auteursrecht volgens overeenkomst’ kunt u nu gerust quitteeren. Immers is het auteursrecht aan ons afgestaan tegen betaling van ƒ450.- & ƒ200.- bij eenen eventueelen volgenden druk. Ten tweeden male kunt u dus over dat auteursrecht niet beschikken [...].’17 Couperus antwoordde op 25 maart 1898: ‘De correspondentie met Robbers, die U citeert, herinner ik mij zeer zeker, maar ik moet U in gemoede verklaren, dat ik het nooit met Robbers eens ben geweest wat zijne opvatting betreft van eenen eventueelen volgenden druk. Ook al onderstreept men eenen nog zoo dikwijls, in zuiver Hollandsen beteekent de uitdrukking eenvoudig: iederen herdruk. Onze taal is te duidelijk dan dat er enige vergissing mogelijk zoû kunnen zijn. Of noemt U een

[p. 149]

derde, of vierde druk misschien niet: eenen eventueel volgenden druk??

‘[...] Wat zoû de reden zijn, dat ik alleen over een tweeden druk wilde onderhandelen en niet over een daarna-volgenden, terwijl ik met een vroeger verschenen werk (Eline Vere) wel aan alle herdrukken gedacht had? Het is dus klaarduidelijk, dat mijne bedoeling altijd geweest is: iedere herdruk. Maar er is eenvoudig niet over te redetwisten. Nogmaals, onze taal is zóo klaar, dat er geen twijfel mogelijk is, als men dien twijfel niet opzettelijk en ter slechter trouw wil. En dit deed Robbers indertijd.

‘Het doet mij leed, niet dadelijk met U onderhandeld te hebben over deze kwestie, toen U Noodlot kocht: ik herinner mij zeer zeker Uwe uitdrukking: volledig copierecht. Misschien hadden wij het toen eens kunnen worden. Dat is dus een fout geweest van mij. Nu zal U misschien blijven volharden in de opvatting van Robbers, die U tot de Uwe maakte: eene vergissing, die als men de tegenpartij nog niet gehoord heeft, zeer mogelijk is, en die ik U dus volstrekt niet kwalijk neem. Blijft U er echter in volharden, dan zoû mij dit zeer leed doen. Er zoû daardoor een incident tusschen ons gerezen zijn, dat zeer te betreuren zoû zijn, omdat onze jarenlange verhouding altijd eén van zin was. En al zoû de Europeesche Vrede niet dadelijk om dat incident verbroken worden, het zoû mij toch spijten! Ik heb U in onze jaren van samenwerking leeren waardeeren als iemand van onbevangen blik, iemand, die ik te hoog schat voor de Jezuïtische opvattingtjes van Robbers. [...] En ik zoû dus bijna niet anders van U kunnen verwachten, dan dat U U losmaakte van de knoeierige opvatting van Robbers, en mij recht laat wedervaren in mijne, voor mij nooit veranderde, bedoeling in zake herdruk van Noodlot.’18 Op 13 april 1898 schreef Veen aan Robbers: ‘Zooals ik indertijd wel vreesde, gaf de herdruk van “Noodlot” aan den Hr. Couperus aanleiding op het z.g. contract terug te komen.

‘Ik heb ZEd geschreven dat ik er niets aan doen kan daar de

[p. 150]

koop gesloten was en ik ZEd zulks berichtte. ZEd schijnt echter geen lust te gevoelen bij U nader er op terug te komen.

‘Ik heb echter de zaak nu in den minne geschikt.’19 Robbers antwoordde een dag later: ‘Ik nam lectuur van uw mededeeling maar begrijp niet in hoeverre mij die mededeeling kan aangaan. Ik ben mijne verplichtingen tegen over den Heer Couperus getrouw nagekomen.’20 Veen heeft Couperus geen honorarium betaald voor de herdruk van Noodlot, maar hem wel een bepaalde toezegging gedaan. Couperus berichtte hem op 16 april: ‘Over N. schreef ik U natuurlijk niet meer, want er was niets meer over te schrijven! Ik apprecieer intusschen zeer het einde van Uw laatsten brief.’21

Inmiddels had de drukker Thieme in Nijmegen al een offerte voor de herdruk uitgebracht: ‘Een herdruk van het werk van Couperus, “Noodlot” nemen wij aan [...] voor U te zetten en te drukken, formaat, uitvoering en letter als bijgaande proefpagina, welke het werk een omvang zal doen verkrijgen gelijk aan dien van het door U gezonden model-exemplaar, bij eene oplaag van 500 exemplaren [...] tegen den prijs van ƒ9,75 [...] per vel van 16 pagina's. [...] Voor iedere 100 exemplaren meer, noteeren wij [...] ƒ0,20 per vel extra.’22 De nieuwe druk van Noodlot werd door Thieme in mei 1898 gezet. De afgedrukte vellen werden half juni naar binderij A.W. Tenthoff te Amsterdam gestuurd.23

De bandtekening voor de derde druk van Noodlot werd gemaakt door R.W.P. de Vries jr.24 Reeds in februari 1898 had De Vries enkele ontwerpen voor een band aan Veen laten zien. Maar op 12 juli 1898 schreef hij aan de uitgever: ‘Tot mijn spijt is de teekening voor het bandje voor Noodlot nog niet gereed [...]. U

[p. 151]

kunt er echter op rekenen het deze week nog te ontvangen.’25 Eind juli maakte de firma Van Leer & Co te Amsterdam het bandstempel voor Noodlot en op 3 augustus ontving De Vries een afdruk van zijn tekening.26

De derde druk van Noodlot verscheen in november 1898. De oplage was 2000 exemplaren.27 De nieuwe druk is gezet naar een exemplaar van de tweede druk, maar hij is geen regel-voor-regel herdruk met dezelfde zetspiegel en letter. De derde druk is gezet in een kleinere letter en telt twee regels meer per bladzijde; het totaal aantal bladzijden van het boek is daardoor met 19 verminderd. Bovendien zijn er talrijke tekstuele verschillen tussen de derde en de eerste twee drukken van Noodlot. Couperus had - in goed vertrouwen - de uitgave toevertrouwd aan de corrector van Thieme. Deze had blijkbaar een ruime opvatting van zijn taak. Hij is op talrijke plaatsen de tekst van de roman gaan herschrijven.28

In 1905 werd de derde druk van Noodlot als deel 2 opgenomen in de serie Werken van Couperus. De roman was toen verkrijgbaar in de band van De Vries en daarnaast nu ook te koop in de speciaal voor de gehele serie door H.P. Berlage Nzn ontworpen band, en in losse afleveringen van ƒ0,50 per stuk. Een gedeelte van de oplage van de derde druk werd in plano bewaard.29

In 1912 begon Veen met de uitgave van een serie goedkope gebonden boekjes onder de titel Veen's Gele Bibliotheek. Hij was

[p. 152]

van plan hierin ook de volgende druk van Noodlot op te nemen.30 Maar dit is niet doorgegaan. Veen vroeg pas begin juli 1917 aan Thieme prijsopgave voor een herdruk van Noodlot. Hij wilde een herdruk op twee formaten: 1000 exemplaren ‘grote’ editie en 6000 exemplaren ‘kleine’ editie.31 De ‘grote’ editie verscheen als de vierde druk van Noodlot in november 1917; de ‘kleine’ editie volgde in oktober 1918 als de vijfde druk van Noodlot. Zij verscheen als deel 7 in de serie Uren van Ontspanning en was alleen verkrijgbaar in de vorm van een klein gebonden boekje.32 De vierde en vijfde druk van Noodlot zijn dus twee oplagen van één druk. Ze zijn gedrukt van hetzelfde zetsel, maar op een verschillend formaat papier. De nieuwe druk, die evenals de tweede en de derde zonder enige bemoeienis van Couperus tot stand is gekomen, is regel-voor-regel nagezet naar een exemplaar van de derde druk. Hij telt alleen één regel per bladzijde meer.33

Tekstkeuze

Voor deze uitgave van Noodlot is de eerste tijdens Couperus' leven verschenen druk als basistekst gekozen: hij vertegenwoordigt de laatste door de auteur actief geautoriseerde versie. Couperus heeft de kopij ervan geleverd en de proeven ervan zelf gecorrigeerd. Voor de tekstsamenstelling is gebruik gemaakt van het exemplaar van de eerste druk dat zich bevindt in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag.

Correcties

In de tekst van deze uitgave zijn, mede op grond van een woord-

[p. 153]

voor-woord vergelijking van de tijdschrift versie van Noodlot met die van de eerste druk, de hieronder volgende correcties aangebracht. Na het paginacijfer en het regelnummer wordt eerst de verbeterde lezing gegeven; na de ‘Duitse komma’ (/) volgt de oorspronkelijke, foutieve lezing. De laatste is voorzien van een asterisk (*) als zij ook in de tijdschrift versie voorkomt.34

7,17 stuiven/stuiven,
13,28 Bertie:/Bertie-
19,33 Frank/Bertie
19,34 hem/Frank
21,9 frisschen/frischen*
25,16 Nog/Noch
26,14 Moldehöi/Moldehoï
28,22 reëele/reeële
33,25 vindt/vind*
36,27 Delft/Leiden35
38,15 leelijk/eerlijk
40,5 samenstelling,/samenstelling
40,12 hoofd/boofd
40,24 jalouzie/jalozie
40,33 fyzieke/fijzieke
44,8 nogmaals,/nogmaals
46,4 kuste/kustte*
48,2 meêsleepen/mêesleepen
48,9 onmiddellijk/onmiddelijk
52,10 zitten/zittten

[p. 154]

53,18 geïllustreerde/gëillustreerde (geïllustreerde g)
54,27 mathematische/mathemathische
55,20 je.../je...,
56,34/35 gedachte:/gedachte;
58,18 achttiend'-eeuwschen/achttiend'eeuwschen
60,33 reëele/reeële*
80,8 herleving,/herleving
80,30 boudoir.../boudoir..,.
88,21 dat.../dat...,
89,17 diamanten/diamenten
101,19 zwart/zwarte
104,13 onmiddellijke/onmiddelijke
108,29 verdachten/verdachtten*
110,19 dof./dof!
113,24 Bertie's/Berties'
113,32 zijn/zijne
119,26 deemoedigheid/deêmoedigheid
124,13 heb!.../heb!...!
126,14 wende/wendde*
129,9 Glasgow/Glascow
136,31 het wel/wel

Varianten

De eerste druk van Noodlot vertoont ten opzichte van de tijd-schriftpublikatie de volgende woordvarianten. Na het paginacijfer en het regelnummer wordt eerst de lezing van de boek-uitgave gegeven; na het ‘ontstaan-uit-teken’ (<) volgt de vroegere tijdschriftversie.

[5],4 Luik, Sept. '90 l.c. < ontbreekt
8,11/12 maar van nacht < van nacht maar
10,19 allerlei < van allerlei
12,18 zich uit < zich
12,23 met < in
14,9/10 was nu < was
15,14 tot een < in een

[p. 155]

15,24 Bertie < zijn vriend
16,11 met < met eene
17,32 in < vragend in
21,3 kon < kan
22,26 saffier < saffieren
23,33 heer schertsend < heer
24,6 dan een < een
24,18 waarop < dat
24,19 als of < of
24,35 uit < in
26,1 er de < de
26,18 weldra dreigden < dreigden weldra
27,1 na < en
27,8 nu < nu dat
27,23 zoo < als
27,29 moest < moet
27,34 het dan < het
29,3 gemakkelijker < gemakkelijk
29,19 zooveel < zooveel nu
29,24 gemakkelijker < gemakkelijk
30,4 lange fjord < fjord
30,21 twee < de
31,4 om zich < zich
31,7 knikte < knikte even
31,7 af te stijgen < afstijgen
31,9 gevoeld had < had gevoeld  
31,18 Ach < Ach toe
31,21 ook in < in
32,19/20 afkletterden < afkletterde
33,17 hemzelven < zichzelven
33,35/ lectuur, ze is ontwikkeld genoeg... Ze < lectuur.
34,1 Ze
34,7 door < naar
34,26 gewend < zoo zeer gewend
36,11 als geweekt < geweekt

[p. 156]

36,13 serres < serre
36,24-26 catastrofes! Hoe ontzettend, dat het eene steeds voortvloeide uit het andere, de toekomst werd uit het verleden!... Als < catastrofes! Als
36,33 aangeboren < ingeboren
38,10 oog < oogen
39,3 zijn < alle
39,32/33 nu als draden door zijn geest, die draden hechtend < nu draden door zijn geest, ze hechtende
40,8 weêr < ze weêr
41,21 op < in
42,29 van < in
43,27 in < en
48,15 me < me zelf
49,21 moeilijk < zeer moeilijk
49,34 vriendschappelijkheid < uiterlijke vriendschappelijkheid
50,17 schreeuwen < brullen
52,19 in-een < in elkaâr
52,32 zij < hij
54,20 zijner < van zijne
56,4 hem < dien
56,21 toen, toen < toen
56,32 van wie < waarvan
57,4 Frank, ik ben zooveel verschuldigd aan Frank, en < Frank, en
57,27/28 hij vermoedde, wanhopigst om wat hij niet had willen zeggen: < hij niet had willen zeggen:
58,4 starende < starre
59,16 hun ieder < hun
59,19 zoo < dan
60,7 die < de
63,16 weggevaagd < weggeveegd
63,20 al den < den

[p. 157]

64,15/16 in eene naïve lacune zijner slechtheid, in eene naïve juistheid van zelfkennis, < in eene naïve juistheid van zelfkennis,
64,18 aan < voor
68,13/14 Zij bleef zwijgen < Toen zweeg ze
68,28 zelve zag < zag
69,22 zeer < heel
72,4/5 Doe het! Doe het voor < Doe het voor
74,29 schenen < scheen
75,3 is het om haar, is het, omdat < is het, omdat
75,4/5 omdat je haar niet vergeten kan, omdat zij < omdat zij
77,8/9 iets, iets < iets
77,31/32 je liegt, je liegt, je liegt om haar < je liegt, je liegt om haar
78,19 Nijlgroene < roze
80,30 als < zoo als
81,2/3 vriendschap, loyaal en trouw, vriendschap, die vrouwen < vriendschap, die vrouwen
82,3/4 schrijven! O, het jubelde in hem op: een brief! De < schrijven! De
82,20 wat mat < mat
83,35 die < de
85,5 stijf gericht < gericht
85,9 van zijn < zijner
90,2 zoo diep, diep < zoo diep, diep, diep
93,30 grofste < grootste
95,27 het niet < niet
99,5 geheel < geheel en al
99,7 om òm < òm
102,15/16 hij zoû afwachten wat er gebeuren zoû; het moest gebeuren < het zoû, het moest gebeuren
105,25 zich < hem
107,6/7 aandoening < aandoeningen
107,20 hen < hem

[p. 158]

107,29 bezinnen < herinneren
108,21 deur < deur van de kamer
108,26 onèenigheid < hevige oneenigheid
109,31/32 je was zooals je was < je zoo was als je was
110,31 trillingen < rillingen
111,14 maar nu, nu < maar nu
111,33 even < toen
112,19 zag < keek
112,34 aan < over
115,12 voor Frank, vooral voor Frank. < voor Frank.
116,18 ze te < om ze te
117,25 Frank, Frank < O Frank, Frank
118,9 dat < me
121,24 snel < regelmatig snel
122,23/24 overspat < overspoten
129,14 haarzelve < zichzelve
129,17 schakelen, zonder < schakelen, zonder dat ze spraken, zonder
130,1 toch niet... < toch niet, toch niet....
130,6 dien < den
132,7 voor jou, voor jouw geluk < voor jouw geluk
133,29 zeer zwak < zwak
140,16 Den Haag, Mei '90 < Mei '90.

Afbrekingstekens

In deze uitgave van Noodlot moeten de volgende afbrekingstekens als een koppelteken gelezen worden:

7,4 Adelaïde-
13,20 honderd-
14,26 afternoon-
20,12 table-
21,5 White-
25,30 flauw-
30,35 gutta-
34,24 White-

[p. 159]

94,9 meid-
99,8 assurantie-

Op p. 139 valt het einde van de pagina samen met een witregel.

 

* Voor de bibliografische gegevens werd onder meer gebruik gemaakt van het Bibliografisch Repertorium Louis Couperus, een door zwo gesubsidieerd project, onder redactie van G. Borgers, E. Braches, K. Reijnders, uitgevoerd door Marijke Stapert-Eggen.

Zie voor de editieprincipes van de Volledige Werken Louis Couperus: Algemene verantwoording van de Volledige Werken Louis Couperus. Utrecht/Antwerpen, 1987. De editieprincipes zijn vastgesteld door Ernst Braches, Jan Fontijn, Karel Reijnders, Marijke Stapert-Eggen en H.T.M. van Vliet.