|
|
|
| |
II
Als wij in de heel oude kerk van Santa Maria Novella - een der oudste van Florence, wit en zwart marmer, maar dat blank en dat donker beiden zoo aandoenlijk vervaald door het grauwe stof van eeuwen op eeuwen - zijn gedrongen tot achter in het koor, zien
| | | |
wij de fresco's van Ghirlandajo, die ons misschien het beste en het meeste van alle de schatten opgestapeld in deze stad, een indruk geven van het middeneeuwsch krachtig en gratieus Florence, tegelijk met een indruk van Florentijnsche kunst op haar hoogtepunt. Want hoewel de fresco's heilige tafereelen bedoelen voor te stellen, vooral uit het leven der H. Maagd - hare Geboorte, hare Prezentatie in den Tempel, haar Huwelijk, de aanbidding der Drie Koningen, haar Dood en Hemelvaart - treffen ons in die tafereelen louter Florentijnsche figuren, Florentijnsche architectuur en kamer - omamentiek, in één woord louter Florentijnsch middeneeuwsch leven, en zijn de figuren ons geheel en al edelvrouwen en edelmannen in weelderige middeneeuwsche huizingen: een anachronisme, waarom wij heel blijde zijn, omdat zij ons geeft een prachtig en zeker trouw beeld van Florence in den tijd van Ghirlandajo.
Ter andere zijde zijn het tafereelen uit het leven van Johannes den Dooper: de Vizitatie, zijne Geboorte, zijne Prediking, de Doop van Jezus Christus, de Dans van Salomé, en weêr111 zijn deze tafereelen niet alleen verrukkelijk van compositie en kleur maar ook zoo belangrijk omdat zij ons niet het Heilige Land doen zien, maar wèl het Florence der Middeneeuwen, omdat alle die figuren portretten zijn van Florentijnsche geleerden en humanisten, edelen en rijke kooplui, in de kleederdrachten van dien tijd: geheele familie-groepen van de Medici's en de Tomabuoni's en de Pitti's zoodat ge daar met één blik u inleeft in den droom, die reeds voor ons stof-goud-wemelde langs de paleizen, langs de straten, langs de troebele Arno... De schimmen van vroeger nemen duidelijker omtrek aan; wij zien hunne koppen karakteristiek gebeiteld van trekken, glad geschoren, het lange haar tot de schouders golvende uit de gepluimde baretten, de fluweelen surcoeten boven engsluitende hoozen, de bont-omzoomde sleep-gewaden der vrouwen van damast en sindaal, hare witte huiven en mousseline kappen... En de altijd heilige tafereelen, die telkens
| | | |
herhaalde motieven van de Heilige Familie zullen u niet zoo spoedig vermoeien met hunne eentonigheid, zoo ge er nièt de Heilige Familie maar wel Florence in wilt zien en de Florentijnen, die er voor pozeerden. Dan treffen ons achter de Madonna's voor welke steeds wondermooie Florentijnsche vrouwen pozeerden, zooals bij Botticelli, de fijne Toskaansche achtergronden met het ijle olijvenlandschap; zelfs de Adam en Eva van Massaccio in de Santa Maria del Carmine worden ons dan sublieme portretten van een naakten Florentijn en een naakte Florentijnsche, rustig, als in de Oudheid, in een gouden licht hun beider lichaamspracht van mannelijkheid en van vrouwelijkheid openbarend met, curieus, de Slang tusschen hen in, wier kopje ons treft omdat het geen slangekop is maar een vrouwekopje, loerend en lachend en blond: de demon, die lieflijk en blond is en glimlachend verlokt en verleidt...
Want zij toonden zich zoo, als zij schoon waren, de mannen en vrouwen dier dagen van het einde der Middeneeuwen, van het begin der Wedergeboorte van Schoonheid: zij toonden zich naakt en van schaamte vrij: Bartolommeo dei Ginori pozeerde voor Giovanni da Bologna als naakte Romeinsche Soudenier, die schaakt een Sabijnsche maagd: hij pozeerde zoo, omdat hij mooi was en krachtig, groot en gespierd en prachtig, en nog zien wij hem nog iederen dag zoo staan, zijn schoonheid in marmer vereeuwigd in de Loggia dei Lanzi.
Het is de tijd, dat het heidensche opleeft, en zich vermengt met het zeer katholieke. Maar het heidensche, de antieke schoonheidsidee, de antieke blijheid en levenslust, in eén woord: de antieke goden... zij kunnen niet geheel herleven, in de toch katholieke sfeer van het Italië dier Wedergeboorte: eene wedergeboorte van enkel ideeën en enkel symbolen, zonder de werkelijke zege der goden over de Madonna en haar Zoon, wier beeltenis, wier geheele levens in tafereelen bij tafereelen, in portretten bij portretten, opluiken, opbloeien, en weelderen en overweldigen, door pausen en kardinalen en edelen besteld aan artiesten: beeldhouwers en schilders, die toch slechts werklui waren en werkten naar
| | | |
een opdracht. Tusschen die overweldiging der katholieke motieven en christelijke kunst, schitteren wel hier en daar soms de oude, toch herleefde goden op, maar meer als schoonheid-symbool, dan als onbetwijfelbaar geloofde waarheid, want gelooven kan niemand meer aan hen: wie gelooft, gelooft aan de Madonna. En de Madonna zegeviert, haar Zoon zegeviert: hij zegeviert, Kind, aanbeden door de Koningen-Magiërs, hij zegeviert stervende aan het Kruis, hij zegeviert en zijn Zeven-Smarten lijdende moeder zegeviert: zij zegevieren beide over de arme, één oogenblik herleefde en weer geborene goden, die dadelijk weêr verkwijnen, ook al laten zij aan den Zoon, de Moeder en dier Apostelen en Engelen, hunne schoonheid achter, hunne schoonheid van voller plastiek, gloeiend vleesch en gloeiend bloed, waar, vóór hunne weêrgeboorte112, slechts ziel en geest geheel de extaze der middeneeuwen had vroom gestraald uit naïve vormen, uit kinderlijke gebaren, gedrapeerd met fel rood en fel blauw tegen fel goud: rood en blauw, mantels, gewaden, die geene lichamen omplooiden.
Dit is vooral de bekoring van een zoo aan kunstschatten rijke stad als Florence: er telkens bij iederen tred, het Verleden te gemoet te treden, de stof van het Verleden bijna nog even te doen opstuivelen onder onze eerbiedigen, liefdevollen pelgrimspas. Telkens schemert het vizioen van dat Verleden op en schittert verrassend helder duidelijker. Is het zoo niet in het Palazzo Riccardi, die steenen paleisforteres, waar wij zijn binnengegaan om de fresco's te zien van Benozzo Gozzoli? Wij wisten, dat de fresco's, in een kleine enge huiskapel, den optocht voorstelden van de Drie Koningen naar Bethlehem om het H. Kind te aanbidden. Maar zien onze verrukte oogen de fresco's, dan denken wij dadelijk aan Florence zelve, aan haar Verleden, aan Lorenzo dei Medici. Want de schitterende fresco's stellen een Florentijnsche jachtstoet113 voor, uit die schitterende dagen, stoet, zich begeven- | | | | de uit een Mediceïsche Villa door heuvelig Toskaansch landschap met achtergrond van Appenijnsche bergen. En wilt ge er nu toch den stoet van de Drie Koningen in zien, dan wordt de schildering een sublieme maskerade; de Drie Koningen zijn Lorenzo zelve, heel jong, de keizer van Byzantium: Michele Paleologos; de Patriarch van Konstantinopel, alle drie te paard; portretten zóó nauwgezet in alle details van flonkerende wapenrusting en pronkende kleedij, zoo trouw weêrgevende iedere bizonderheid van het paardrijden en jagen dier dagen - met de valken op vuist en de panthers aan kettingen - dat het Verleden plotseling als tastbaar om ons is, dat wij er zijn, in dat Verleden, tusschen alle die jagers en volgelingen der drie hoofdpersonen: allen portretten en bijna allen met een in de historie bekenden naam te noemen. De jachttocht ontrolt zich, kalm en prachtig, als een talentvol geregeld geheel, misschien zonder hartstocht en wat al te veel Maskerade: wij kunnen nauwelijks gelooven, dat de jacht het doel zoû zijn van deze met schitterenden stoet omgeven drie Vorstelijkheden; noch minder dat zij op weg zijn naar het Kindeke van Bethlehem, al dragen ook pages en schildknapen trezoren en vazen vol goud, myrrhe en cinnamoom. Maar des te waarachtiger gelooven wij aan de werkelijkheid der maskerade: aan het leven van die drie Prinsen tusschen de menigte volgelingen, die hen omgeeft: de gelaatstrekken geheel geschoren in fijnen plooi vaak getrokken: hovelingen en diplomategezichten, keizer en patriarch beiden gebaard - de kerkvorst op een muil - en Lorenzo, jong als een kind, gloeiend van jeugd en van pracht tusschen zijne schildknapen en pages, prachtig en jeugdgloeiend als hij...
Ter zijde van het raam (dat in der tijd een muur was, waarop Kind en Moeder, waarheen zich de stoet zoû begeven, waren geschilderd: schilderij, nu in de Accademia) zijn de tuinen van het Paradijs en weêr schijnen zij ons toe als iets van Florence en haar Verleden: eerder dan aan den hemel, denken wij aan een Mediceïsche villa: over de bloemen weiden sleepen pauwen haar smaragden staarten, en Engelen, wien het ‘Adoramus’ geschreven staat in haar juweelen stralenkrans - meer bevallige weelde-wezens, met
| | | |
pauwveêrwieken de schouders gesnoerd-voltooien ons de maskerade, het weelderige mysterie-spel, dat deze fresco's ons wedergeven. Het is ons weelderige vertooning, en zoo wij niet dachten noch aan het Paradijs, noch aan de Kribbe van Bethlehem, geen oogenblik was Florence zelve ons uit de gedachte, geen oogenblik vergeten wij den magnifieken Lorenzo en het is ons als hadde hij ons genoodigd bij te wonen een feest in zijn villa-tuinen, feest, dat voor ons gevierd werd, met al de flonkere weelde, die hij liefhad en mild verspreidde, opriep en beval rondom zich heen.
Geheel anders voelt men het oude Florence in het klooster van San Marco. Hier geen weelderige vertooning, hier geen pracht-lievende flonkering van optochten, geen maskerade in schitterende gewaden; hier niets dan de stilte der verlatene cellen en kloostergangen en nòg de extaze van de muurschilderingen van den heiligen Angelico: Fra Beato Angelico, Giovanni da Frisole. Wat was deze stille monnik méér: een vrome ziel of een kunstenaar? Misschien was hij beiden evenveel, misschien was zijn ziel vroom en kunstvol in juist dezelfde mate, in een zeldzaam zuiver evenwicht, en treft hij ons daarom zoo diep met zijn eenvoudige voorstellingen, geheel extaze, maar geheel waarheid. Wat is het lief in ònze tijden plotseling zooveel eenvoud, zooveel teedere waarheid,114 zooveel zuiver gevoel nog uit vroeger eeuwen over, aan te treffen op de bleeke wanden van stille cellen: iedere cel verlucht als een blanke bladzijde, met één enkele schilderij, één heilig tafereel uit het Leven van Jezus of van Maria, en het geheele klooster doet als een groot missaal van eenvoud, zuiverheid en extaze...
Want als hij schilderde, deze monnik, schilderde hij in vroomheid, schilderde hij na gebed en in extaze... De Annonciatie, de Kroning der Maagd, de Transfiguratie... vóór hij ze schilderde op de stille, bleeke wanden van cel en kloostergang, zàg hij ze opklaren voor zijn verrukte oogen, in dezelfde zachte kleuren van lucht-blauw en bloed-rood en grijs-wit, en de kleuren in een glans zeker vergoddelijkt. En den glans zijner extaze, naïf, schilderde
| | | |
dan ook, met effen goud, waardoor hij streepen als stralen trok. Het is zoo een aandoenlijk verteederende kunst, omdat het het allerhoogste bereikt met zulke eenvoudige middelen, met een lieflijke, naïve teekening, met een zacht bescheiden koloriet en dan, dikwijls, met een achtergrond van goud, voor kleinere schilderingen, zooals de Madonna della Stella, zooals de Aanbidding der Koningen, zooals een Mariakroning tot Koninginne des Hemels. Tegen de gouden gronden zingen de volle rijke kleuren uit als hymnen, als een Gloria in Excelsis... Tegen de grijs-witte gronden der cellen echter zingen de kleuren niet maar schijnen de kleuren te bidden, samen te smelten in gebed en zachtere extaze... Misschien deden deze intimere oogenblikken van zielegeluk Fra Angelico115 het allermeest aan; misschien was het hier, in deze bleeke cellen, dat zijn medebroeders, de andere monniken, hem vonden, bezwijmd, op den steenen vloer, de oogen groot open, het penseel in de verstijfde hand... Misschien is er nooit een schilder geweest, die zooals hij, kunstenaar was en te gelijker tijd vrome eenvoudige zich aan zijn zielegeluk gevende ziel. Grooter talent, heviger genie is overal in dit land rondom ons te vinden. Flonkerender koloriet, kunstiger compozitie, machtiger teekening treffen wij overal aan. Nergens treffen wij aan, bij geen van deze begenadigde kunstenaarsgeesten, een geest zoo innig, zoo waar, zoo eenvoudig, zoo diep vroom, en zoo stralend extatiesch. Zijn droom doet hij voor ons uitdroomen, zijn vizioen doet hij voor ons òp lichten, zeker, met zwakkere glansen, dan hij ze zèlve zag, maar nog steeds in zulk een roerende teederheid, eerlijkheid, waarheid en zacht geluk, dat het ons stil en dankbaar wordt in onze eigen ziel, omdat hij heeft kunnen bestaan.
Hij bestond; hij bestond naast Lorenzo il Magnifico, naast Savonarola. Zij waren drie dichtergeesten; de prachtig schitterende Heerscher, vorst en dichter, die in zijn verzen het leven bezong als de glanzende onzekerheid, die men haastig, haastig genieten moet en omhelzen met gretige armen; de Boeteprofeet, heerscher hij
| | | |
ook, theocratisch prins hij een wijle over de aan zijne voeten in levens- en stervens-angst neêrkruipende stad; en de eenvoudige monnik, die den hemel zich openen zag in de glorie's en hozanna's der God en Zijne Moeder omzwevende en omzingende engelen; hemel waarin zijn ziel hoopte eenmaal niet meer te zijn dan een wolkje, een weêrschijn, een straal misschien mede...
Wie van hen drieën heeft er het volmaakste geluk gekend-in deze stad, tegen wier middeneeuwsche silhouet, tegen wier oudflonkerend Renaissance-fond hunne groote bizondere figuren voor ons, tourist, op-schimmen met de bekoring, waarmeê het Verleden ze voor onze starende oogen ompoeiert in dien verren mist van het goud wemelende stof dier diep weggewekene eeuwen?
| 160,2/3 |
De [...] provincie-stad ligt < Een dagje, gisteren te Pisa, door gebracht is de aanleiding, dat ik mijn lezers heden het een en ander kan mede deelen van deze [...] provinciestad. Zij ligt |
| 161,3 |
verschuinen < verschuiven |
| 162,6/7 |
te houden < houdende |
| 162,24 |
als ge < als je |
| 162,24 |
uw < je |
| 165,1 |
meer ontmoedigd < ontmoedigder |
| 171,9 |
bij voorbeeld, elektriesch < het elektrische |
| 171,14 |
enkele < gaarne enkele |
| 174,1 |
het < de |
| 174,10 |
dat < die |
| 175,22 |
hóe < dat |
| 175,25 |
op flikkeren < opflakkeren |
| 177,21 |
verzoenende wereldmacht < wereldmacht |
| 177,22 |
land < land en zijn vrouw |
| 180,9 |
openbaringen < evokaties |
| 180,14 |
schoonheid < glimlachend |
| 183,1 |
in < van |
| 184,8 |
waar in < in welken |
| | | |
| 184,17 |
wijde < wijdsche |
| 185,34/35 |
noodig < noodig is |
| 187,11 |
tal van figuren < figuren |
| 187,26 |
mul van < mul, die nu |
| 187,29 |
ongeveer 1450 < uit 1460 |
| 187,31 |
ongeveer 1260 < uit 1260 |
| 188,8 |
zacht < nu grauwig |
| 189,20 |
van een bekoorlijke harmonie < als een bekoorlijk gedicht |
| 190,17 |
zoo < zulk een |
| 190,25 |
De < Deze |
| 191,4 |
wij < wij, van Sodoma, |
| 191,19 |
dier < van dien |
| 192,2 |
de ideale < die ideale |
| 193,20 |
die < de |
| 193,21 |
verrukkelijk < bekoorlijk |
| 193,35 |
sluiers en < sluiers en lang neêr hangende mouwen, en |
| 194,9 |
monniken van Benedetto < monniken en San Benedetto |
| 194,14 |
gebeden en < gebeden, in |
| 194,31 |
groote, zeer < groote nog |
| 195,31 |
dit niet < niet |
| 196,31 |
bekoorde < beminde |
| 198,11/12 |
Orvieto, het was eenmaal Volsiniï, de hoofdplaats der Etrusken; Orvieto < Orvieto |
| 198,18 |
het nog, en < het nog; wie woont, wie leeft hier nog, en |
| 198,25 |
aan hun < aan de |
| 199,5 |
oude < antieke |
| 199,9 |
oud < nog ouder |
| 199,16 |
vergeten < vergeten hebben |
| 199,18/19 |
ruimte < ruimten |
| 199,19 |
Want < Maar |
| 199,27 |
luchtverwarming < heete-lucht-verwarming |
| | | |
| 200,6 |
dit is hìer < dàt is hier |
| 200,9 |
klaar < ijl |
| 200,16 |
sombere < donkere, sombere |
| 200,21 |
dezen < den |
| 201,6 |
slaan < geven |
| 201,8 |
dien < den |
| 201,14 |
In deze eeuw < In der daad |
| 201,16 |
haar < zijn |
| 201,18 |
ook nooit < nooit ook |
| 201,27 |
marmer, < warme |
| 201,28 |
nièt < noô |
| 202,3 |
der < van |
| 202,5 |
strakke < straffe |
| 202,9 |
voor < om |
| 202,23 |
voorstelling < voorstellingen |
| 202,28 |
deze < de |
| 203,10/11 |
Toekomstlegende < toekomstlegenden |
| 203,24 |
verschillende < verscheidene |
| 203,27 |
kapelversiering < kapelverluchting |
| 204,1 |
eene < steeds eene |
| 204,3 |
van < in |
| 204,33 |
dat < die |
| 204,33 |
Zijn < Zóó |
| 204,34 |
treffend < treffen |
| 205,2 |
uitstralenden < uitstaanden |
| 205,7 |
De < Uw |
| 205,11 |
uw < het |
| 205,23 |
hij < hij zich |
| 205,24 |
zich wierp < wierp |
| 206,18 |
voorstelling < voorspelling |
| 206,21 |
taal < nieuwe taal |
| 206,23/24 |
purpergouden < purpervlammende |
| 207,2 |
die < die der |
| 208,13 |
vuurgloed < vlammengloed |
| 208,31 |
sidderen < beven |
| | | |
| 209,26 |
uit < met |
| 210,10 |
emotie < van emotie |
| 210,26 |
samen < te samen |
| 211,20 |
waar voor < waarom |
| 212,9 |
boord < omslag |
| 212,11 |
zult < dan zult |
| 212,15 |
waar voor < waarom |
| 212,29 |
in < hier, in |
| 213,3 |
van < door |
| 213,5 |
dat < als dat |
| 213,5 |
onderga om < even op kijk naar |
| 213,8 |
maar gevoelige < gevoelige |
| 213,12 |
Schoonheid < heidensche Schoonheid |
| 213,18 |
vromen < vrouwen |
| 214,5 |
dolen < dwalen |
| 214,23 |
de kalking < den kalklaag |
| 214,25 |
het < dat |
| 214,29 |
zwaar marmeren apotheoze's < marmeren wolk-apotheoze's |
| 214,30 |
flapperzwierig < flapper-waaierig |
| 215,6 |
gevangen < gesloten |
| 215,7 |
hièr < tóch |
| 215,7 |
nieuwen < nieuweren |
| 215,14 |
koude < kilte |
| 215,23 |
dicht < gesloten |
| 215,28/29 |
water en raamachtige < water. Raamachtige |
| 215,29 |
omgevende < omgaande |
| 216,4 |
de distelbladeren < distelbladeren |
| 222,33/223,1 |
het paleis van Caligula < Caligula's paleis |
| 224,7/8 |
sneeuwblanke amandelboomen... < goudgele amandelboomen... En wat zijn toch die roze-staartige bloeiende heesters...?? |
| 224,12 |
April! < April! |
| | | |
| |
***
Wat is er niet gebromd geworden-door Hare (Walks in Rome), door Ouida, door tientallen anderen-dat de latere administraties de ruïnes niet naar behooren verzorgden, dat zij het schilderachtige onkruid deden uitroeien (om de ruïnes te bewaren, o Hare, o Ouida!!)! Zoo gij beiden, o Ouida en Hare, de ruïnes kondt zien, als ik ze, verrukt, dezen morgen, dezen Aprilmorgen gezien heb... zoudt gij dan nog durven brommen, o gij beminnaars van Italië's Schoonheid, maar àl te conservatieve geesten??
Neen, Hare en Ouida zouden nièt hebben gebromd... Zij zouden beiden hebben gedaan, als wij àllen hebben gedaan, wij droomers, dwalers door deze Armida's toovertuinen: eerst niet hebben willen gelóoven aan het Sprookje, dat de Legende vervangen had...
En toen-stil, dankbaar, verrùkt-zich hebben uit gestrekt tusschen de ruïnes, in het gras, tusschen de irissen, aan het water...
Terwijl de blauwe-regens een voor een hare kleine turkooizen kelkjes neêr lieten vallen over ons hoofd...
In een balsemwolk van geuren... |
| 226,29 |
Hyksos (Onzuiveren) < Hyksos |
| 228,5 |
als < zoo een schoonheid te zien als |
| 228,8 |
om < om ze |
| 229,5 |
Museum < Museum, in zoo korten tijd |
| 229,32 |
door < onder |
| 231,6 |
faktuur, is < faktuur; de achterkant is |
| 231,13 |
Afrodite < Venus |
| 231,14 |
Afrodite < Venus |
| 231,22/23 |
Afrodite-priesters < Venus-priesters |
| 231,25 |
waardeeringen < appreciaties |
| 231,30 |
weêr < steeds |
| 231,34/35 |
Afstammelingen [...] verwekte. < ontbreekt |
| 233,8 |
zorgvuldig < akkuraat |
| | | |
| 237,5 |
niet < met niet |
| 239,25 |
wolken < de wolken |
| 239,30 |
voor < aan |
| 241,9 |
die < de |
| 242,5 |
de groote < het groote |
| 242,26 |
‘blanke oogen’, die < oogen, de |
| 242,31 |
aan < aan den |
| 243,34 |
ook < ook zeer |
| 244,16 |
Piranesi < Piranesi: Piranesi |
| 245,6 |
niet < niet meer |
| 248,6 |
galerij < gaanderij |
| 251,27 |
goddelijkheid < extaze |
| 256,12 |
blokbouw < oeroude blokbouw |
| 259,24/25 |
juweel < juweel bij juweel |
| 264,6 |
die < en die |
| 266,14 |
in de beschrijving van ‘Siena’ < in eene beschrijving van ‘Siena’ in het Mei-nummer van Groot-Nederland |
| 267,28 |
zware < gebeeldhouwde, zware |
| 272,32 |
En < Of |
| 277,26 |
als < en |
| 278,31 |
gebaren < de gebaren, |
| 279,30 |
niet < niet zoo |
| 280,22/23 |
den Parnassos < Parnassus, |
| 284,8 |
en < met |
| 290,14 |
naar < naar het Capitool, naar |
| 290,16 |
ook nog is < is òok nog |
| 296,17 |
kop < hoofd |
| 296,20 |
kop < hoofd |
| 296,30 |
voor dat < nadat |
| 297,3 |
zal treffen < getroffen heeft |
| 298,23 |
diepte < diepten |
| 298,24 |
zóo, kwijnend < zoo week, zoo droomerig, zoo kwijnend |
| 299,17 |
over den < over |
| 299,17 |
den anderen < ànderen |
| | | |
| 303,28 |
Licht < het Licht |
| 307,11 |
brengen < voeren |
| 307,32 |
en < en de |
| 308,15 |
Het < Wij stapten dus in ons oude, beminde Zust-je en betreurden het alleen, dat onze vriend niet zelve zat aan het stuur. Betreurde ik dat bovenal om sentimenteele redenen, mijn vrouw betreurde het, geloof ik, ook zéer, omdat zij met Vico aan het stuur meent den dood te gemoet te gaan... Telkens, ten minste, in de drukte van Rome's straten en buitenwegen ging hare hand onbarmhartig uit naar mijn been en kneep zij er in met alle kracht: een wijze van zichzelve gerust te stellen als Vico al te fantastiesch voort hupte en gleed tusschen, niet alleen oude vrouwen en verschrikte kippen, maar ook andere auto's en langzamer voort schommelende wijnkarren, waarop zalig dommelende karrevoerders. Maar weldra, in een oogwenk, waren wij San Paolo voorbij en den weg naar Ostia op. [alinea] Het |
| 308,26 |
de lucht < die lucht |
| 309,8 |
Daar < Dan |
| 309,15 |
paard... < paard... [alinea] Mijn vrouw knijpt mij met volle hand in het dikke des beens... |
| 309,16 |
nu < en |
| 310,14 |
zeevaarders, < zeevaarders en |
| 310,22 |
van Rome zelve < van Rome, van Rome zelve |
| 311,35 |
de palestra < een palestra |
| 314,11 |
droom, < droom, als een schim |
| 314,14 |
aan < van |
| 317,6 |
lach < lach ik |
| 318,8 |
ge < u |
| 318,24 |
markt: < markt: waar |
| 319,5 |
zie < voel |
| 319,34 vaartuig < schip |
|
| 322,25 |
om ter < ter |
| | | |
| 326,13 |
sierlijke < sierlijke-bijna |
| 328,22 |
onderrug < achterrug |
| 332,19 |
andere < latere |
| 332,23 |
brandende < geschroeide |
| 336,21 |
keizer Hendrik < den keizer |
| 349,1/2 |
was ook < was |
| 350,31 |
vervallende < vervallene |
| 353,21 |
het blanke < de blanke |
| 353,22 |
voor < van |
| 353,28 |
het blanke < den blanken |
| 353,35 |
gebonden < gestald |
| 354,4 |
dan < daar |
| 355,26 |
kinderen < zijn kinderen |
| 355,30 |
van < door |
| 356,1 |
meesterhand < meesterkracht |
| 356,13 |
Filoxenos < voor zich Filoxenos |
| 356,25/26 |
naar de steengroeven < in de steengroeven |
| 356,32 |
somber < somber twijfelachtig |
| 358,15 |
kelken, < kelken en |
| 359,11 |
in het < in de |
| 361,35 |
droom... < droom naschrift. Den belangstellenden lezer, die meenen mocht, dat dit opstel over ‘Trinacria’ niet volledig is, daar het niet spreekt over Taormina en geen indruk geeft van Messina, verwijs ik naar mijn feuilletons in Het Vaderland, ter aanvulling van het bovenstaande.116 |
| 364,17 |
banen < baren |
| 365,24 |
eerder komt < jeugdiger is |
| |
| | | |
Afbrekingstekens
In deze uitgave van Uit blanke steden onder blauwe lucht moeten de volgende afbrekingstekens als een koppelteken gelezen worden:
| 13,32 |
heilige- |
| 14,28 |
email- |
| 15,11 |
Gothiesch- |
| 16,1 |
en- |
| 19,9 |
toover- |
| 24,35 |
mozaïek- |
| 33,12 |
Noord- |
| 36,14 |
Burano- |
| 42,18 |
boete- |
| 53,11 |
Noord- |
| 54,5 |
keizers- |
| 58,24 |
psychologiesch- |
| 59,15 |
ge- |
| 63,14 |
Sant'- |
| 63,15 |
mozaïek- |
| 63,21 |
en- |
| 71,3 |
Bacchus- |
| 76,24 |
koker- |
| 83,5 |
legende- |
| 104,19 |
a- |
| 107,10 |
en- |
| 114,15 |
Renaissance- |
| 122,9 |
ceremonie- |
| 122,19 |
fresco- |
| 123,19 |
heilige- |
| 126,15 |
dooden- |
| 130,10 |
dooden- |
| 135,34 |
Donatello- |
| 141,13 |
Botticelli- |
| 148,10 |
wind- |
| 149,7 |
costuum- |
| 157,33 |
Pitti- |
| 158,12 |
godinne- |
| 158,25 |
portretten- |
| 164,21 |
historiesch- |
| 165,4 |
Bardi- |
| 174,15 |
Christen- |
| 177,1 |
en- |
| 177,3 |
Zes- |
| 179,3 |
duister- |
| 179,21 |
stad- |
| 183,1 |
portret- |
| 184,26 |
en- |
| 193,21 |
fresco- |
| 194,22 |
Monte- |
| 199,28 |
van- |
| 199,31 |
commis- |
| 209,21 |
een- |
| 214,4 |
fotografie- |
| 215,14 |
ruïne- |
| 218,33 |
tweede- |
| 228,4 |
bas- |
| 230,16 |
bas- |
| 233,3 |
bas- |
| 254,32 |
historie- |
| 262,26 |
Renaissance- |
| 263,28 |
Gran- |
| 264,21 |
beneden- |
| 272,14 |
tweede- |
| 275,1 |
Dag- |
| 276,17 |
briefkaart- |
| 280,1 |
genade- |
| 281,32 |
in- |
| 285,8 |
Renaissance- |
| | | |
| 291,2 |
Liefde- |
| 319,15 |
oud- |
| 326,14 |
Pallas- |
| 326,23 |
chiffon- |
| 333,7 |
van- |
| 334,17 |
ibn- |
| 338,32 |
Arabiesch- |
| 341,10 |
moerbezie- |
| 348,32 |
diademe- |
| 349,10 |
in- |
| 356,22 |
tragedie- |
| 361,6 |
Altaar- |
| 400,14 |
Klein- |
| 401,34 |
Oostersch- |
| 407,17 |
heerlijk- |
| 413,17 |
vaten- |
| 413,29 |
ziele- |
| 413,30 |
nieuw- |
| 415,19 |
mede- |
| 426,8 |
maan- |
| 428,30 |
statue- |
| 433,26 |
schoonheids- |
| 438,8 |
oud- |
| 441,18 |
wolk- |
* Voor de bibliografische gegevens werd onder meer gebruik gemaakt van het Bibliografisch Repertorium Louis Couperus, een door zwo gesubsidieerd project, onder redactie van G. Borgers, E. Braches, K. Reijnders, uitgevoerd door Marijke Stapert-Eggen.
Zie voor de editieprincipes van de Volledige Werken Louis Couperus: Algemene verantwoording van de Volledige Werken Louis Couperus. Utrecht/Antwerpen, 1987. De editieprincipes zijn vastgesteld door Ernst Braches, Jan Fontijn, Karel Reijnders, Marijke Stapert-Eggen en H.T.M, van Vliet.
|
111In De locomotief staat de zetfout ‘weer’.
112In De locomotief staat de zetfout ‘weergeboorte’.
113In De locomotief staat de zetfout ‘jachtstoel’.
114In De locomotief ontbreekt de komma achter ‘waarheid’.
115In De locomotief staat de zetfout ‘Angileco’.
116De feuilletons ‘Taormina’ en ‘Messina’ verschenen oorspronkelijk onder de verzameltitel ‘Bladen uit mijn dagboek xxxvii en xxxix’ in Het vaderland van respectievelijk 17 februari en 2 maart 1912. Zij zijn opgenomen in de bundel Van en over alles en iedereen, deel 111: Sicilië, Venetië, München 1 (1915), verschenen als deel 35 in de Volledige Werken Louis Couperus.
|
|