Papa Dercksz had weinig geld nagelaten, maar Stefanie De Laders was rijk, zij, het eenige kind uit het eerste huwelijk, en dat oude mama niet veel meer had van het fortuin van haar eersten man, was omdat ze nooit zuinig was geweest. Stefanie echter had gespaard en gepot, nooit wetende waarom, - uit een hereditairen aandrang om geld bij geld te voegen. Zij leefde in een klein huisje, in de Javastraat en was bekend in de filantropie, waaraan zij meê arbeidde met zuinig overleg. Lot en Elly vonden tante thuis; zij stond op, te midden van een getwetter van vogeltjes in kooitjes en zijzelve had iets van een groot, oud vogeltje; klein, mager, verschrompeld, trippende als met vogelpasjes, bewegelijk, trots haar jaren, met haar smalle schoudertjes en beenige handen, was zij een heel leelijk oud vrouwtje, een heksje, en, nooit getrouwd geweest, zonder passie's, zonder levensbehoeften, was zij in hare kleine egoïsmetjes schadeloos oud geworden, met alleen een grooten angst, die haar haar leven was bijgebleven: de angst, na haar dood, die toch naderde, in de verschrikking van de Hel te komen. Zij was dus heel godsdienstig, overtuigd, dat Calvijn het geweten had, voor iedereen en alle volgende eeuwen; en blindelings vertrouwende op haar geloof, las zij in die richting, wat zij
maar in de hand kon krijgen, van tractaatjes tot theologische werken toe, hoewel zij de laatste niet begreep, en de eerste haar vol huiver lieten.
- Een heele verrassing, kinderen! schreeuwde tante Stefanie De Laders wat hard, als waren Lot en Elly doof. En wanneer trouwen jullie?
- Over drie maanden, tante.
- In de kerk?
- Ik denk het niet, tante, zei Lot.
- Dat dacht ik wel!
- Dan heeft u dat mooi geraden.
- Het is toch niet, zoo als het behoort. Wil jij ook niet in de kerk trouwen, Elly?
- Neen, tante, ik ben het met Lot eens... Ik zeg maar ‘tante’?
- Zeker, goed, kind... zeg maar tante. Neen, het is niet zoo als het behoort. Maar jullie hebben dat van de Derckszen: die hebben nooit gedacht aan wat hun hiernamaals kon wachten...
De vogeltjes twetterden, en tante's hooge stem klonk agressief.
- Als grootpapa er nog bij kon zijn, zoû ik het misschien voor hèm doen, zei Elly. Maar hij is te oud. Mama Steyn hecht er ook niet aan.
- Neen, natuùrlijk niet! schreeuwde tante Stefanie.
- Ziet u, tante, u is de eenige van de familie, die er aan hecht, zei Lot; hij zag tante Stefanie niet dikwijls, maar als hij haar zag, amuzeerde het hem haar aan te hitsen.
- En om mij hoef je het niet te doen, zei tante zoetsappig, en ze dacht: ze erven geen cent, als ze niet in de kerk trouwen en niet doen zoo als het behoort... Ik had eerst nog gedacht ze wat na te laten: nu laat ik àlles na aan de kleinkinderen van Harold. Die doen ten minste zoo als het behoort...
Maar toen Elly wilde opstaan, zei tante, gesteld op visite:
- Nu, blijf nog een beetje, kom Elly! Zoo dikwijls zie ik Lot niet, en hij is toch een eigen neef van zijn tante... Het is niet zoo als het behoort, jongen... Je weet, ik zeg maar de waarheid. Dat heb ik van jongs aan gedaan. Ik ben de oudste: met een familie als de
onze, die niet altijd was als ze behoorde te zijn, heb ik de waarheid altijd moeten zeggen... Maar ik heb heel veel tact gehad... Zonder mij, was oom Anton heelemaal verloren geweest, al doet hij nù nog niet altijd, zoo als het behoort... Maar hem aan zijn lot overlaten, zal ik niet doen. Oom Daniël, en vooral oom Harold, met hun kinderen, hoe dikwijls hebben ze mij niet noodig gehad...
- Tante, u is> altijd onmisbaar geweest, zei Lot. Maar aan tante Therèse heeft u niet veel kunnen doen. Die is Roomsch geworden, en dàt was toch niet door uw invloed.
- Therèse is verloren! riep tante Stefanie heftig. Van Therèse heb ik me al lang teruggetrokken... Maar voor wie ik wat doen kan, offer ik me op. Voor oom Harold doe ik wàt ik kan, en ook voor zijn kinderen; voor Ina ben ik een tweede moeder, en ook voor d'Herbourg: dat is een man, zoo als het behoort, en Pol en Gus, dàt zijn pas jongens, zoo als ze behooren...
- Om niet te vergeten, zei Lot; Lili, die haar zoon en erfgenaam zonder aarzelen naar u genoemd heeft, hoewel ik Stefanus een ràre naam vind!
- Neen, jij zal je kinderen niet noemen naar mij! schreeuwde tante tusschen de vogeltjes door; al kreeg je een half dozijn meisjes. Wat zal ik je zeggen, jongen! De familie van oom Harold is altijd meer aan tante gehecht geweest, dan de familie van je moeder; de kinderen Trevelley nog het meest! En toch, God alleen weet, wat je moeder aan mij te danken heeft; zonder mij, Lot, was ze verloren! Dat zeg ik niet om je iets onaangenaams te zeggen, hoor jongen: maar zonder mij, Lot, was ze verloren! Neen, dankbaar mag je me wezen! Je begrijpt toch, je lieve mama, tweemaal gescheiden, van haar twee eerste mannen: neen Lot, dát was nu heelemaal niet als het behoorde.
- Tante, in onze brave familie is mama het zwarte schaapje.
- Neen, neen, neen, schudde tante Stefanie het bewegelijke vogelhoofdje, en de vogeltjes om haar waren het eens met haar, en stemden haar twetterend bij. Zoo braaf is de familie niet. Over het algemeen is ze nooit geweest als ze behoorde! Ik zeg niets van mijn moeder, maar dàt is zeker: vader is haar te vroeg ontvallen. Je kon
papa Dercksz niet bij hèm vergelijken.
- Trouwens, je kan geen een Dercksz bij een De Laders vergelijken, zei Lot.
- Jij spot! zei tante, en de vogeltjes twetterden verontwaardigd meê. Maar je zegt, zonder het te willen, de waarheid. Ik zeg het niet voor je moeder, die een lief kind is, van wie ik hoû - maar al de andere Derckszen zijn, oom Harold uitgezonderd...
- Zijn wat, tante Stefanie?
- Zijn een hysterische, zondige troep! riep tante Stefanie, agressief. Oom Anton, oom Daan, tante Therèse, en dan, jongen -, al is ze geen Dercksz, het zit haar toch in het bloed - je zùster, Ottilie!! Die zijn een hysterische, zondige troep!!
En zij dacht: je moeder, mijn jongen, hoort daar óok bij, al zeg ik het anders...
- Ik ben dan al weêr blij, zei Lot; dat mijn Dercksz-sche hysterie in evenwicht wordt gehouden door meer Pauwsche kalmte en bezadigdheid; en hij dacht: tante heeft gelijk, maar het komt alles van haar eigen moeder... Tante Stefanie is het alleen misgeloopen.
Maar tante ging voort, bijgestaan door de vogeltjes:
- Ik zeg het niet om iets onaangenaams van de familie te zeggen, hoor jongen. Ik ben misschien hard, maar ik zeg de waarheid, zoo als het behoort. Wie, in onze familie, zegt de waarheid, zoo als ze behoort?
- U, tante, u!
- Ja, ik, ik, ik! riep tante, en in alle de kooitjes stemden haar alle vogeltjes luid twetterend bij. Ga toch nog niet weg, blijf toch nog zitten, Elly. Ik vind het zoo aardig, dat jullie gekomen zijn. Elly, bel eens; dan brengt Klaartje een vruchtje-op-brandewijn: ik maak ze volgens het eigen recept van Anna van grootmama, en die maakt ze zoo als het behoort.
- Tante, heusch, wij moeten nog verder.
- Kom, een enkel pruimpje! drong tante aan, en de vogeltjes inviteerden meê. Anders denkt tante, dat je boos bent omdat tante de waarheid gezegd heeft...
De pruimpjes werden geproefd, en daarom was tante in goed
humeur, en zelfs toen Lot over de vogeltjes heen riep:
- Tante... is u nooit hysteriesch geweest? antwoordde tante Stefanie:
- Ik, hysteriesch? Neen, zondig wel, zondig ben ik nog als wij allen! Maar hysteriesch ben ik, Goddank, nooit geweest. Hysteriesch, als oom Anton, tante Therèse en... je zuster, Ottilie... ben ik nooit, ben ik nooit geweest...
Dit moesten de vogeltjes wèl beämen...
- Maar u is toch verliefd geweest, tante. Ik hoop, dat u me toch eens uw roman vertelt, dan maak ik er een heel mooi boek van.
- Jij hebt al te veel over de familie in je zondige boeken losgelaten, dan dat tante je ook dìt zoû vertellen, al was ze tiènmaal verliefd geweest. Foei, je moest je schamen! Schrijf een deugdelijk werk, dat een troost is om te lezen, maar duikel de zonde niet op, om ze te beschrijven, hoe mooie woorden je ook er voor kiest.
- U vindt dus mijn woorden toch mooi.
- Ik vind niets mooi van wat jij schrijft: het zijn vervloèkte boeken, die je schrijft! Ga je nu wèrkelijk weg, Elly? Toch niet, omdat ik Lots boeken niet mooi vind? Niet? Dan nog een enkel pruimpje... Je moet het recept maar aan Anna vragen, van grootmama. - Nu, goeien dag dan kinderen, en bedenk eens wat voor een cadeautje je van tante wil hebben. Je mag kiezen, kind, je mag kiezen: tante geeft een cadeau, zoo als het behoort!
Hiermeê waren de vogeltjes het eens, en terwijl Lot en Elly afscheid namen, twetterden zij hen lustig de deur uit.