auteur: Louis Couperus
bron:
Louis Couperus, Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... (Volledige Werken Louis Couperus, deel 25, ed. Karel Reijnders, Ernst Braches, Jan Fontijn, Marijke Stapert-Eggen, H.T.M. van Vliet en Oege Dijkstra). Veen, Utrecht / Antwerpen 1988.
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2003 dbnl / Karel Reijnders, Ernst Braches, Jan Fontijn, Marijke Stapert-Eggen, H.T.M. van Vliet en Oege Dijkstra

|
|
| |
| | | |
IX
De oude Takma kwam juist van de hooge brug, over de kazerne, aan, stijfrecht in zijn dicht toegeknoopte overjas, iederen stap overdenkend en zich steunende op ivoorknoppigen stok, toen Ottilie Steyn de Weert, komende van de anderen zijde, hem zag en hem te gemoet ging.
- Dag, meneer Takma...
- Zoo, dag Ottilie... Ga je ook naar mama?
- Ja...
- Van morgen regende het en dacht ik niet te kunnen gaan... Adèle bromde, omdat ik nu toch ging, maar het weêr is mooi, het weêr is mooi...
- Toch denk ik, gaat het straks weêr regenen, meneer Takma, en u heeft niet eens een parapluie.
- Ja, zie je kind, een parapluie, dat vind ik een ellendig ding: daar loop ik nooit meê... Zoo een dak boven je hoofd!
Ottilie glimlachte: zij wist, dat de oude man, houdende zijn parapluie, zich niet op zijn stok kon steunen.
- Nu, zeide zij; àls het regent, mag ik u dan naar huis brengen?... Als u ten minste geen rijtuig hebben wil.
- Neen kind, een rijtuig vind ik nog vreeslijker dan een parapluie.
Zij wist, dat het schokken van een vigilante hem veel deed lijden.
- Het eenige rijtuig, waar ik nog meê rijden zal, dàt zal de zwarte koets zijn. Goed, kind, als het regent, dan mag jij me thuis brengen... en je dakje boven mijn hoofd houden... Geef me je arm, dat wil ik wel...
Zij gaf hem den arm en nu hij steunde op haar, werd zijn stijfrechte stap onregelmatig, liet hij zich gaan, en strompelde hij als een heel oude, oude man...
- Je bent zoo stilletjes, kind...
- Ik, meneer Takma...
- Ja, ja...
- U let toch alles op.
| | | |
- Ik hoorde het dadelijk in je stem, dat je niet in je nopjes bent.
- Nu, ik heb misschien wel verdriet... Hier zijn we er.
Zij belde bij de oude mevrouw Dercksz: binnen haastte de oude Anna zich heel erg om open te doen.
- Even uitblazen, Anna, zei de oude heer. Even uitblazen... De jas maar aanhouden, en... in de voorkamer... een oogenblik uitblazen.
- Het wordt al frischjes, zei oude Anna. We zullen gauw stoken in de voorkamer. Ook al komt mevrouw er nooit, er wacht toch dikwijls iemand, en dokter Roelofsz is heel kouwelijk...
- Niet te gauw stoken, niet te gauw stoken, zei de oude heer ontevreden. Stoken is voor ons, oude menschen, de pest...
Hij zette zich, moê, in de voorkamer, de beiden handen op den ivoren knop van zijn stok. Anna liet hen alleen.
- Kom, kind... Wat is er? Verdriet?
- Een beetje... Ik blijf zoo alleen... Morgen trouwen ze immers.
- Ja, ja... morgen trouwen Lot en Elly... Nu, ze zullen wel gelukkig zijn.
- Ik hoop het... Maar ik...
- Kom, kind, wat met jou...?
- Ik zal òngelukkig zijn.
- Nou, nou...
- Wat heb ik?... Niemand van mijn kinderen om me. Ik denk maar eens naar Engeland te gaan. Daar heb ik John en Hugh... en Mary komt terug uit Indië.
- Ja, kindje, als we ouder worden, blijven we heel alleen... Kijk mij... Nu Elly trouwt, hoû ik alleen Adèle... Gelukkig, dat ik nog uit kan gaan... en dat ik mama dus soms nog zie... en jullie... jullie allen... en dokter Roelofsz... Maar als ik impotent was, wie zoû ik hebben... Jij, je bent nu nog jong.
- Ik? Ben ik jong?
- Ja, kind, ben jij niet jong...?
- Maar, meneer Takma, ik ben al zestig!
- Ben jij al zestig...? Ben jij al zestig...? Kind! Ben jij al zestig?
De oude man zocht, strijdende tegen plotseling opkomende
| | | |
dofheid in zijn geheugen, dat hem vervaagde als een mist.
- Neen, je moet je vergissen... Je kàn nog geen zestig zijn...
- Ja heusch, meneer Takma, heusch hoor: ik ben zestig!
- Ach, Lietje, kind... ben jij... al... zòo oud!
Hij zocht... en sloot de oogen.
- Al zestig! mompelde hij. Meer dan zestig... meer dan zèstig jaar...
- Zestig, zestig precies.
- Ja... ja zestig! Ach, kind, ben jij al zestig... Ik dacht, dat je hoogstens veertig... vijftig... Ik sufde... De oude man sufde... Zestig... Meer dan zestig jaar geleden...
Zijn stem mummelde; zij verstond hem niet.
- Was u een beetje in de war?
- Wanneer? schrikte hij op.
- Zoo even...
- Zoo even?
- Toen u dacht... dat ik veertig was.
- Wat zèg je?
- Toen u dacht, dat ik veértig was.
- O ja, ja... Ik hoor je wel... Ik hoor nog heel scherp... Ik heb altijd scherp gehoord... tè scherp... tè scherp...
- ... Hij radoteert... dacht Ottilie Steyn. Dat heeft hij nog nooit gedaan...
- Ach, kind... ben jij al zestig! zei kalmer de oude man, die zijn stem had teruggevonden. Ja, je moet het wel zijn... Zie je, wij oude menschen, heel oude menschen, denken, dat jullie altijd kinderen blijven... neen, kinderen nu niet, maar jong... altijd jong blijven... Ach, en je wordt òok oud...
- Ja... o ja, héel oud. En dan heb je zoo weinig meer.
Haar stem klonk, ach, zoo verdrietigjes.
- Arme meid, zei oude Takma. Je moest ook niet zoo kibbelen met Pauws... ik meen... ik meen met Trevelley.
- Met Steyn, meent u.
- Ja, ik meen met Steyn... natuurlijk.
- Ik kan hem niet uitstaan.
| | | |
- Maar je kon hem vroeger wel uitstaan...
- Ja... als je verliefd bent... dan...
- Ja, ja, je kon hem vroeger wèl uitstaan, zei de oude man hardnekkig. En mòrgen, niet waar, trouwen ze dus.
- Ja, morgen.
- Ik kan er niet bij zijn: het spijt me wèl, maar...
- Ja, het zoû u te veel vermoeien... Ze komen straks afscheid nemen van grootmama.
- Dat is aardig, dat is aardig van ze...
- Het is ook zoo een saai huwelijk, zei mama Ottilie. Ze zijn zoo saai. Er is niets. Geen feest. Ze willen niet in de kerk trouwen...
- Ja, dat zijn hun ideeën, zeide de oude man onverschillig-weg. Ik begrijp dat niet, ‘niet in de kerk trouwen’, maar ze moeten het weten.
- Elly heeft niet eens een bruidsjapon; ik vind dat zoo raar... Elly is wel héel serieus voor zoo een jong meisje. Ik had er niet van gehouden, zoo te trouwen, als je voor de eerste maal trouwt. Maar aan den anderen kant, voor wie doe je al dien omslag, zegt Lot... Voor wat familie en kennissen, die het eigenlijk toch niet kan schelen. En het kost geld.
- Elly had alles kunnen krijgen, wat ze woû, zei de oude heer; een diner, of een danspartijtje... of wat ook... Maar ze woû niet.
- Neen, ze willen geen van beiden.
- Het zijn zoo hun ideeën... zei de oude man, onverschillig.
- Meneer Takma... aarzelde mama Ottilie.
- Mijn kind.
- Ik woû u wat vragen, maar ik durf niet...
- Wel kind, waarom zoû je niet durven... Heb je wat noodig?
- Neen, ziet u, dàt niet, maar toch...
- Toch wat, kind... Is het geld?
Ottilie had een grooten snik.
- Ik vind het zoo akelig het u te vragen! Ik vind het nièt mooi van me... U moet het ook noòit aan Lot zeggen, dat ik het wel eens doe... Maar ziet u, ik zeg het u ronduit: ik heb geld aan Hugh gezonden en nu... nu heb ik eigenlijk zelf niets... Als u niet altijd
| | | |
zoo allerliefst voor me was geweest, zoû ik het u nooit durven vragen... Maar u heeft me altijd bedorven, dat weet u wel... Ja, dat weet u wel... U heeft altijd een zwak hart voor me gehad... Als u het nu niet akelig van me vindt, dat ik het u vraag, en u zoû me kunnen helpen... met...
- Met hoeveel, kindje.
Mama Ottilie zag naar de deur, of niemand haar hooren kon.
- Met... met driehonderd gulden maar...
- Maar natuurlijk, kind, natuurlijk. Kom morgen maar even aan, morgen-avond... na het huwelijk... En als er iets is, vraag het maar, hoor, vraag het maar gerust... Je kan het altijd vragen...
- U is toch zoo lief voor me...
- Ik heb altijd veel van je gehouden... Omdat ik zoo veel van je moeder hoû... Vraag het maar, hoor kind... Vraag het maar gerust: alleen... wees verstandig... en doe...
- Wat, meneer Takma?
De oude man werd plotseling heel dof.
- Doe... geen onvoorzichtige dingen...
- Wat meent u...
- Zestig jaren... meer dan zèstig jaren...
Hij mummelde, en zij zag hem in slaap vallen, rechtstijf, de handen op den ivoren knop.
Zij werd bang, en geruischloos gaande naar de deur, opende zij en riep:
- Anna... Anna...
- Mevrouw...
- Kom eens hier... kijk eens... Meneer Takma is in slaap gevallen... We zullen even bij hem blijven, tot hij weêr wakker wordt, niet waar...
- Ach, de oude ziel...! beklaagde de meid.
- Hij zoû toch niet...? vroeg mama Ottilie, als een bang kind.
Maar Anna schudde geruststellend het hoofd. De oude man sliep, stijfrecht zittende in zijn stoel, op den stok de handen geleund.
De twee vrouwen zetten zich, en zagen toe.
|
|
|