Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan...


auteur: Louis Couperus


bron: Louis Couperus, Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... (Volledige Werken Louis Couperus, deel 25, ed. Karel Reijnders, Ernst Braches, Jan Fontijn, Marijke Stapert-Eggen, H.T.M. van Vliet en Oege Dijkstra). Veen, Utrecht / Antwerpen 1988.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

IV

Zij sliep er niet van dien nacht. Ja, de nieuwsgierigheid was hare passie, van hare kinderjaren geweest. Nu te weten, te wéten... Haar man zoû haar in niets helpen, bang voor complicatie, die zoû kunnen dreigen, als zij zich staken in dingen, die hun niet aangingen. Zij, ze was nieuwsgierig, tot onvoorzichtigheid toe. Nù te spreken met oom Daan, zij zoû hem zeker ontmoeten, den volgenden dag, ten huize van grootmama...

Zij ging dien middag naar de Nassaulaan; de oude Anna deed

[p. 162]

haar open, blij, dat de oude mevrouw niet vergeten werd.

- Dag mevrouw... Er zijn boven meneer Takma, dokter Roelofsz en mevrouw Floor... Ja, straks kan u zèker naar boven... Dank u, de oude mevrouw is heel wel... Ja, ja, ze overleeft ons nog allemaal... Wil u dan maar een oogenblik wachten, hier in de voorkamer...? We stoken er nou lekkertjes, met dat weêr, want al komt mevrouw nooit naar beneden... ja, u weet dat wel, er wacht àltijd wel eens iemand van de familie...

Oude Anna deed Ina zitten; de meid richtte den voorkamersalon in als gezellige wachtkamer. Zoo was er nooit te veel drukte voor de oude mevrouw. Dàt mocht ook niet. De vulkachel brandde goed. De stoelen stonden in cirkel. En de oude meid, uit beleefdheid, om Ina gezelschap te houden, stond een oogenblik bij haar te praten, tot Ina zeide:

- Ga zitten, Anna...

De oude meid zette zich, eerbiedig, op een punt van een stoel. Dat was zoo de gewoonte, die men met haar had aangenomen, omdat zij al zoo oud was. Zij vroeg beleefd naar de kleintjes van mevrouw Lili.

- Zoo dra het eens goed weêr is, komt mevrouw Van Wely de kindertjes eens brengen, bij over-over-grootmama...

- Ja, dàt zal mevrouw aardig vinden, zeide de oude meid, maar zij wipte tegelijkertijd op, en riep:

- Daar komt waarlijk juffrouw Stefanie ook! Nu, de oude mevrouw wordt niet vergeten.

Zij liet tante Stefanie De Laders bij Ina, trok zich nu naar de keuken terug.

- Meneer Takma, de dokter en tante Floor zijn boven, zei Ina. We zullen even wachten, tante... Tante, weet u, waarom oom Daan eigenlijk naar Holland is gekomen...?

- Om zaken? zei Stefanie vragend.

- Ik geloof het niet. Ik geloof, dat er iets is...

- Dat er iets is? zei Stefanie geïntrigeerd. Wat? Iets, dat niet zoo behoort?

- Wàt het is, weet ik juist niet. U weet, papa laat nooit iets los.

[p. 163]

- Is oom Daan geruïneerd?

- Dat dacht ik ook, maar papa zegt gedecideerd, dat er geen micmac in geldzaken is. Maar wàt er is...

- Maar wat zoû er zijn...?

- Er is ièts.

Zij zagen elkaâr in de oogen, beiden van nieuwsgierigheid brandend.

- Hoe weet je dat, Ina?

- Papa is heel gedrukt, sedert hij met oom Daan heeft gesproken.

- Maar hoè weet je dat...?

De behoefte te vertellen overwon Ina's voorzichtigheid.

- Tante... fluisterde zij. Ik kon het heusch niet helpen... maar gisteren, toen ik oom Daan en papa in ooms kantoor ging zoeken, hòorde ik... in de serre...

Tante Stefanie knikte bibberend met het bewegelijk vogelhoofdje, angstig te weten.

- ... hóorde ik... papa en oom Daan een oogenblik spreken met elkaâr. Ik luisterde natuurlijk niet, en zij zwegen toen ik aankwam. Maar ik hoorde toch, dat oom Daan zei tegen papa: Maar wist je dat àl zoo lang...? En toen antwoordde papa: Ja - al sedert zèstig jaren...

- Sedert zèstig jaren... zei tante Stefanie, in spanning. Dat is zoo lang als Ottilie oud is... Misschien was het over Ottilie... Je weet, Ina, tante Ottilie is...

- Het kind van Takma...?

Tante Stefanie knikte van ja.

- Er is vroeger veel over gesproken... Nu zijn de menschen dat vergeten. Het is alles zoo lang geleden. Mama heeft niet gedaan, zoo als het behoorde. Ja, ze is héel zondig geweest...

- Zoû het dan dàt zijn, waarover ze spraken...?

- Ik denk het niet... Oom Daan wist toch ook wel... En papa zoû niet hebben gezegd: dat wist ik al zestig jaren...

- Neen, zei Ina, in combinatie verloren, en hare anders moede oogen stonden helder, om toch te doorgronden de vaagheid van het Ding, dat zij zag...

[p. 164]

- Neen, zei Stefanie; dat kan het niet zijn.

- Wat dan?

- Iets... van mama.

- Iets van grootmama.

- Ja... zeker iets van grootmama... Zestig jaren geleden...

- Wat een tijd, zei Ina.

- Ik was toen een meisje van... zeventien, zei tante Stefanie. Ja... wat een tijd geleden.

- U was zeventien.

- Ja... Toen stierf papa Dercksz...

- Grootpapa...

- Ja... je weet, hij verdronk...

- Ja... Het dateert uit dien tijd...

- Ja... Wat kàn het zijn...

- Herinnert u zich de baboe van grootmama...?

- Jawel... Die heette... Ma-Boeten...

- Die is nu dood...

- Hoe weet jij dat?

- Dat hoorde ik...

- In de serre?

- Ja. Dat hoorde ik in de serre.

- Wat hoorde je nog meer?

- De zoon van Ma-Boeten is mantri bij het kadaster, te Tegal.

- En...?

- Oom Daan geeft hem geld.

- Geld...?

- Om te spreken... of om zijn mond te houden. Ik denk om zijn mond te houden.

- Zoû er dan iets gebeurd zijn...?

- Zestig jaren geleden? Tante, kàn u zich niets herinneren?

- Maar kind, ik was jong, ik lette niet op. Ik was een meisje van zeventien. Ja, ja, tante is ook jong geweest. Zeventien was ik... Ik was met de andere kinderen gebleven in de stad, een zuster van grootmama was met ons kinderen daar. Papa was voor gezondheid in de bergen. Hij logeerde met mama in een pasangrahan,

[p. 165]

en... dàt herinner ik me nu... ze hadden Harold meêgenomen... Ja, ik herinner me, Harold was niet met ons. Ze hadden Harold meêgenomen; Harold was papa's lieveling... Daàr is het, dat papa is verdronken. 's Nachts, in de kali... Hij kon niet slapen, is het bosch ingewandeld, en misgeloopen in de rivier... Dat alles herinner ik me.

- Was papa daar meê naar de pasangrahan?

- Ja, je vader was meê. Hij was een ventje van dertien jaren toen.

- En hij weèt, sedert dien tijd?

- Dat zegt hij...?

- Dan weet hij iets... van de bergen, van de pasangrahan...

- Ina... wat zoû het zijn...?

- Ik kàn het niet vermoeden, tante, maar het is zeker iets... van grootmama...

- Ja, zei tante Stefanie, plotseling voorzichtig. Maar wàt het ook is, kind... het is al zoo lang geleden. Als het iets is... is het vermoedelijk iets... dat niet zoo heeft behoord te zijn. Laat ons er maar niet naar zoeken. Het is al zoo heel lang geleden, zestig jaren... En grootmama is al zoo oud...

Zij hield op, en hare pittige vogeloogen staarden, knippend. Het was of zij plots iets had zien schemeren, iets, dat nabij kwam, en zij wilde niet meer spreken... Zij wilde zelfs niet weten... Een huiverende angst, gemengd met een mist van vage, vage herinnering, wemelde voor hare knippende oogen... Zij zoû er het zwijgen toe doen. Het was niet goed al te diep door te dringen in de dingen van het verleden... De jaren gingen voorbij, de dingen gingen voorbij, het was het beste ze rustig te laten voorbijgaan, de zonde te laten voorbijgaan... In de zonde loerden de machten der Hel. In de nieuwsgierigheid loerde de Hel. De Hel loerde, razende Sabbath, in de boeken en albums van Anton... Zij loerde in haar moeders verleden... Zij loerde nu uit Ina's brandende, brandende nieuwsgierigheid... Zij, tante Stefanie, was bang voor de Hel. Zij wilde in den Hemel komen. Zij wìlde niet meer, wat er gebeurd kon zijn, weten. En voor den mist der herinnering sloot zij de knippende oogen, hield ze toe.

[p. 166]

- Kind, herhaalde zij. Laat ons er niet naar zoeken...

Zij wilde niets meer zeggen en Ina was zeker, dat tante wist, tante zich minstens wel iets herinnerde. Maar zij kènde tante Stefanie: als papa, zoû zij nu niet spreken. Was zij op haar hoede. O, wàt was het, wàt kon het zijn??