'Nationale beelden in de Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw'


auteur: Piet Couttenier


bron: Piet Couttenier, ‘Nationale beelden in de Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw.’ In: Kas Deprez en Louis Vos (red.), Nationalisme in België. Identiteiten in beweging 1780-2000. Houtekiet, Antwerpen/Baarn 1999, p. 60-69.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 60]

Nationale beelden in de Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw

Piet Couttenier

De Vlaamse literatuur die in België na 1830 ontstond was aanvankelijk cultuurnationaal en Belgisch van karakter, parallel met de Frans-Belgische literatuur. Vanaf 1840 ontwikkelde zich daaruit een specifiek Vlaamse literatuur die een belangrijke rol speelde in de vorming van een Vlaams subnationale identiteit binnen de bredere context van de Belgische natiestaat. Constitutief daarvoor waren de romantische opvattingen over cultuurnatie en volkskracht die binnen een Vlaams-nationale esthetiek verzoend werden met de nieuwe ideeën omtrent het historisch determinisme. In de complexe beeldvorming vormde de religie een cruciale, maar ook controversiële factor: voor Vlaamsgezinde katholieke schrijvers nam hij een centrale plaats in, voor ongelovigen vormde hij een struikelblok. De uitgebreide literaire productie in Vlaanderen tussen 1830 en 1890 had een groot aandeel in de verspreiding van nationale opinies en de opmaak van het zelfbeeld van de Vlaamse middenklasse. Nieuwe ideeën over de artistieke autonomie en estheticisme stelden vanaf 1885 de prioriteit van de nationale doelstellingen in de literatuur in vraag, maar ook daarna bleef het een traditionele norm in het literaire bedrijf.

Inleiding

Na 1830 ontstond er een nationale Belgische literatuur. Doelstelling ervan was de nieuwe onafhankelijke staat op cultureel vlak te affirmeren en cohesie te verlenen aan een nieuw natiebesef. Het ging vooral om een patriottische lite-

[p. 61]

ratuur die nieuwe normen en modellen ontwikkelde met het oog op de ontwikkeling van een nationaal ideaal. Die Belgische literair-culturele modellen droegen bij tot de vorming van een specifiek Belgische culturele homogeniteit die om die reden ook verschillend moesten zijn van modellen in het buitenland.

Het bijzondere van die situatie was daarbij dat dit cultuurnationalisme in de aanvangsfase door literatoren in de beide landstalen parallel werd nagestreefd. Zowel Vlamingen als Franstaligen leverden een bijdrage tot de Belgische literatuur. In de periode 1830-1850 was er nog geen sprake van een strikte barrière tussen de Frans-Belgische en de Vlaamse of ‘Nederduitse’ literatuur. Er ontstond een relatief autonoom nationaal literair veld met nationale auteurs en talrijke ‘Belgische’ literair-culturele tijdschriften (zoals La Revue Belge naast Het Belgisch Museum etc.) en een prominent aanwezige literaire kritiek die de nationaliteitsgedachte invulden. Belangrijke Vlaamse auteurs zoals Hendrik Conscience werden ook als nationale Belgische auteurs gelauwerd en hun werk circuleerde via vertaling in beide landstalen (Lambert, 1980).

In die eerste fase had men bijzondere aandacht voor de opbouw van een eigen morele code. Dit leidde tot een opvallende exclusieve houding ten opzichte van de Franse literatuur - vooral inzake de immorele romantische excessen ervan -, eclecticisme ten opzichte van buitenlandse stromingen, een oriëntering naar de Duitse literatuur en over het algemeen een zeer gematigde, ‘getemperde’ variant van de Europese romantiek (Gobbers, 1991).

In een staatsbestel waarin de maatschappelijke, bestuurlijke en culturele elite het Frans als voertaal hanteerde, was het onvermijdelijk dat een literatuur in de tweede taal - de Vlaamse volkstaal - bestemd was voor een lager gesitueerde middenklasse en kleinburgerij. Zowel de producenten als het leespubliek behoorden tot de lage burgerij. Toch had ook die Vlaamse literatuur, die zich vooral in de stedelijke centra Gent en Antwerpen ontwikkelde, in de beginperiode een Belgisch karakter. De voornaamste bekommernis ervan was cultureel en niet strikt literair van aard. Het betrof letterlijk een ‘art engagé’ (Weisgerber, 1976, p. 18). Idealistische auteurs namen de (als heldhaftig gepercipieerde) taak op zich om in naam van het volk een gemeenschappelijke identiteit te ontwerpen.

Centraal stonden de verdediging van de zelfstandigheid - in combinatie met begrippen als vrijheid, vaderland, natie en volk (Tömmel, 1976) -, reconstructie van een eigen heroïsch verleden en een traditie van collectief voluntarisme. Deze opdrachten kwamen overigens overeen met die van vaderlandse historici en plastische kunstenaars met wie literatoren nauw samenwerkten (zie L. Pil, in dit boek). De symbiose ging over de taalgrens heen. De oproep die H. Conscience in zijn invloedrijke historische romans (vooral De Leeuw van Vlaenderen, Antwerpen, 1838) lanceerde om in naam van de ‘oude roem’ zich te verzetten tegen elke vorm van verdrukking en oneigenheid (ook de verfransing van België) was zowel aan Vlaamse als aan Waalse Belgen gericht. Het Frans werd als een vreemd element beschouwd (in dit stadium nog evenzogoed als

[p. 62]

het Hollands) en voor de verdedigers van de Belgische letterkunde, zoals de gezaghebbende J.B. David, moest haar Belgische nationaliteit bevestigd worden door haar integraal ‘Nederduitsch’ karakter (Vlasselaers, 1985, p. 108).

De nationale functie van de Vlaamse literatuur

Vlaamsgezinde literaire critici kenden aan de literatuur de taak toe om het volk bewust te maken van de Vlaamse identiteit binnen het Belgische staatsbestel. Van literatuur, die de ziel van het volk op de meest open wijze manifesteert, werd verwacht dat zij haar bijdrage leverde als natiescheppende factor ter ontvoogding van het Vlaamse volk (Vlasselaers, 1985, p. 110). Voor de constructie van dit subnatiegevoel deden Vlaamse literatoren vanaf 1840 een beroep op de Herderiaanse notie van cultuurnatie. Die Kulturnation definieert zichzelf op basis van etniciteit. Een gemeenschappelijke cultuur (een collectieve geschiedenis en vooral een gemeenschappelijke taal) werd ervaren als iets dat tot de natuurlijke ordening behoort. De zinspreuk van de Gentse Maatschappy van Vlaemsche Letteroefening, met leidende figuren als Willems, Snellaert en Blommaert, was dan ook niet voor niets ‘de Tael is gansch het Volk’. Dit neemt niet weg dat men het oneens was over de aard van die moedertaal en ook over de keuze van de norm voor de eigen bestuurs- en cultuurtaal (zie Deprez in dit boek).

In tegenstelling tot het progressieve ideeëngoed van de eerste Belgische nationale beweging, met de daarmee samenhangende keuze voor de Franse cultuurtaal als drager van de moderne ideeën en het Verlichtingsideaal, greep de Vlaamse cultuurbeweging vanaf 1840 terug naar traditionalistische elementen, oude taal en oude gebruiken en was daarmee over het algemeen eerder gekenmerkt door een conservatief verzet tegen moderniteit (zie L. Wils, in dit boek).

Omdat ook voorvaderlijke zeden en traditionele godsdienstigheid verheerlijkt werden, kreeg dit etnisch nationalisme in Vlaanderen ook de steun van de katholieke kerk. In de debatten die Vlaamse literatuurcritici en verdedigers van de ‘Vlaemsche Esthetiek’ in de loop van de negentiende eeuw voerden met internationale literaire stromingen, zoals het realisme en naturalisme, geldt dan ook als regel een conservatieve en ethische bekommernis voor de vrijwaring van de eigenheid van volk. Ook die basisoptie vond steun bij de kerk die fors ageerde tegen de invloed van de immorele geschreven fictie (cf. de gezamenlijke herderlijke brief van het Belgische episcopaat tegen de ‘slechte boeken’ van augustus 1843; Gaus, 1975, p. 106).

De Vlaams-nationale esthetica (met gezaghebbende critici als J. Sabbe en M. Rooses) slaagde erin om omstreeks 1870 een eclectische synthese te realiseren tussen de moderne eisen van het realisme en sciëntisme en het romantische erfgoed: enerzijds de deterministische opvattingen over de verhouding tussen kunst en omgeving, anderzijds de visie waarbij de artistieke creatie in essentie wordt gezien als de expressie van het oorspronkelijke individu in zijn

[p. 63]

natuurlijke verbondenheid met de genialiteit van een volk. Progressieve ontwikkelingen konden op die manier verzoend worden met de Vlaams-nationale bekommernis om volksgeest, raseigenaardigheid, traditie en geschiedenis.

Dit verklaart overigens waarom in Vlaanderen het literair modernisme en de beweging voor een autonome literatuur pas laat zijn doorgedrongen, nl. vanaf 1888 en pas definitief in 1893 met het avant-gardetijdschrift Van Nu en Straks (Vervliet, 1982). De doorbraak werd in een aantal gevallen geneutraliseerd door een compromis met de Vlaams-nationale esthetiek. Zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn receptie van de Vlaamse dichter Guido Gezelle, wist de criticus Hugo Verriest in een eclectische poëtica de ideeën van de literaire vernieuwing van de Tachtigers (met hun pleidooien voor estheticisme, originaliteit, artistieke vrijheid en spontane expressiekunst) te verzoenen met een romantisch verzet tegen classicisme (overigens van Franse oorsprong!) en de nationaal-conservatieve code van een met de volksaard verbonden literatuur (De Vos, 1990): Gezelle, het prototype van een originele én Vlaamse dichter, tegelijk modern én volks.

Ideologische spanningen

In de uitbouw van een nationale Vlaamse literatuur hadden zowel auteurs als critici een homogeen cultureel model voor ogen. Vrij vlug echter ontstonden er meningsverschillen over de vraag hoe dit nationale ideaal het best kon worden ingevuld. Katholieke en liberale intellectuelen gaven bijvoorbeeld verschillende interpretaties aan de opstand van de Nederlanden tegen de Spaans-Habsburgse monarchie in de zestiende eeuw. Betekenisvol in dit verband is dat de Vlaamse succesauteur Conscience zijn aanvankelijk liberaal getinte voorstelling van de feiten in zijn historische roman uit 1837, In 't Wonderjaer (1566), onder druk van de dominant geworden katholieke opinie, in 1843 in katholieke zin herschreef om zijn leespubliek te vergroten (Couttenier, 1984). Dit was symptomatisch voor de politiek-culturele ontwikkelingen in de jaren 1840 die een einde maakten aan de Belgisch-Vlaamse cultuurbeweging die nauw verbonden was met het unionisme van de beginjaren.

De Vlaamse kunstkritiek trachtte nieuwe artistieke tendensen te verzoenen met de eis dat kunst moest bijdragen tot de ontwikkeling van een Vlaams zelfbewustzijn. Die synthese overkoepelde het hele domein van de esthetica: naast literatoren en critici speelden musici als P. Benoit en plastische kunstenaars de toon aan. Ze had uiteraard een ideologische functie als eenheidsscheppende factor in de Vlaamse Beweging. Niettemin nam, in het politieke vooral na 1870, de tegenstelling tussen liberalen en katholieken steeds meer toe, als gevolg vooral van een fundamenteel conflict. Beide kampen putten argumenten uit het verleden, de enen om hun Vlaamsgezindheid met vrijzinnigheid te verbinden (zoals de Opstand van de Klauwaerts en Geuzen tegen het katholieke Spanje in de 16de eeuw), de anderen om Vlaams gelijk te stellen met de eeuwenoude traditie van het christendom en de katholieke kerk

[p. 64]

in Vlaanderen, met hoogtepunten in de Middeleeuwen en de Contrareformatie van de 17de eeuw.

Die evolutie van Vlaams-nationale eensgezindheid naar een oppositie tussen liberalen en katholieken, (of in extremer vormen) tussen antipaapse en klerikale flaminganten - met als symbolische protagonisten Julius Vuylsteke en Guido Gezelle - leidde naar een ideologische breuk in het culturele veld (het Willemsfonds, opgericht in 1851 versus het Davidsfonds, opgericht in 1875), het onderwijs, de pers etc. Ook in de literatuur liet ze haar sporen na.

Het Vlaamse bewustzijn

De nationale beelden die in de loop van de negentiende eeuw door het proza, de poëzie en het toneel in Vlaanderen werden gevormd waren veelzijdig van aard. Elk genre heeft bijgedragen tot de vorming van het Vlaams-nationalisme door het propageren van ‘Vlaamse’ houdingen, waardepatronen, begrippen en symbolen. Op een moment waarop politiek alleen maar van Belgen en België kon gesproken worden, liet H. Conscience in zijn historische roman met de allures van een nationaal epos, De Leeuw van Vlaenderen of de Slag der Gulden Sporen (1838), Vlamingen figureren in het kader van een heroïsch tijdperk. In die grandioze evocatie van een roemrijk verleden, gebald in een veldslag tegen de Franse koning in 1302, beklemtoonde de auteur het nationale aspect ten koste van sociale en politieke factoren, die nochtans veel belangrijker geweest waren. Het boek werd gelezen als een zeer optimistische voorafspiegeling van de toekomst van een Vlaamse burgernatie, vooral ook omdat de auteur in zijn helden individuele vrijheid en burgerlijke ondernemingszin idealiseert. Te oordelen naar een rapport van een attaché van de Franse ambassadeur te Brussel, markies de Rumigny, die te Brugge getuige was van een opvoering van de toneelbewerking uit 1842, was het enthousiasme reëel. Bij de levendige, wilde actietaferelen merkte hij vooral dat de verwensingen tegen de Fransen met enthousiast stampvoeten en de allusies op de triomf van Vlaanderen met dol hoerageroep werden begroet. Alleen al het zien van Vlaamse vlag gaf aanleiding tot een storm van applaus. Tussen het tumultueuze publiek merkt de rapporteur op dat heel Brugge het verleden voor de toekomst leek te houden en dat het Vlaanderen herrezen waande (‘elle se croyait ressucitée’) (Van Roosbroeck, 1938).

Naast de historieschilderkunst en de historiografie, was de historische roman het aangewezen genre om een samenhangend beeld te geven van het verleden dat de leden van een gemeenschap duidelijk als verschillend van de eigen tijd ervaren. Ook in Vlaanderen bleek het, dank zij auteurs als H. Conscience, J.A. De Laet, L. Gerrits, A. Snieders etc., een probaat bindmiddel te zijn in de ontwikkeling van een natie. Het genre werd tijdens de ontstaansperiode van de Vlaamse literatuur, paradoxaal genoeg via de Franse literatuur door Conscience ingevoerd, die er dan ook op stond zich in voorwoorden expliciet van de Franse immoraliteit te distantiëren. De historische roman was geschikt

[p. 65]

voor lezers uit de groeiende Vlaamse middenklasse die Franse importcultuur afkeurde en hij kon worden aangewend tot opwekking van de nationale trots en bewustmaking van een vaderlandse traditie.

Ook poëtische genres (zoals leerdichten, oden, lierzangen of politieke refreinen) functioneerden in die zin. Tussen 1818, datum waarop J.F. Willems Aen de Belgen publiceerde en 1846, toen De drie Zustersteden, een ‘Vaderlandsche trilogie’ van K.L. Ledeganck verscheen, moest ook poëzie de nieuwe lezers overtuigen van een Belgisch-Vlaamse of Vlaams ‘volksbestaan’, met een eigen verleden, taal en aard

 
Geen rijker kroon
 
dan eigen schoon

en er hen toe aansporen die identiteit over te nemen

 
Wees vlaemsch van hert en vlaemsch van aert,
 
Wees vlaemsch in uwe spraek en vlaemsch in uwe zeden.

Het roemrijk en trots verleden werd in herinnering gebracht en in schril contrast geplaatst met het heden, met zijn economisch en cultureel verval. Het contrast werd gepersonifieerd in de drie grote Vlaamse steden, Aen Gent (‘Gy zyt niet meer,/ gelyk weleer) Brugge en Antwerpen. Dit resulteerde in een imaginaire projectie van het geïdealiseerde verleden in de beloftevolle toekomst van de natie.

Versterking van dit zelfbeeld werd bereikt door het ontwerpen van een tegenbeeld. In het genoemde gedicht van Ledeganck werd het verval van de Vlaamse stad Brugge na de Middeleeuwen toegeschreven aan een gebrek aan eergevoel en de overname van vreemde schijnwaarden

 
Uw eigen vlaemschen aart, hebt ge onbedacht vergeten;
 
Al wat gy dierbaerst hadt voor vreemden pronk versmeten.

De nationale culturele identiteit werd duidelijk ook ingevuld met etnische kenmerken (‘markers’, zie Smith, 1986). In zeer talrijke teksten uit de Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw werden die uitgewerkt via de hekeling van Vlaamse medeburgers die ten prooi gevallen waren aan verfransing of die in hun gedragspatroon reveleerden dat ze door Fransdolheid waren besmet. Dit gebeurde in de zogenaamde zedenroman of -novelle (waarvoor opnieuw H. Conscience de toon zette met zijn Siska van Roosemael in 1845), dorpsverhalen en hekeldichten. Vooral de toneelletterkunde of het burgerlijke-realistische drama werd ingeschakeld. De toneelstukken ontmaskerden geregeld Fransen of franskiljons als bedriegers of avonturiers met dubieuze bedoelingen. Ze lieten ook zien hoe overname van de Franse levensvormen, vooral de taal en de mode, onvermijdelijk moest leiden tot economische ondergang, vervreemding

[p. 66]

van de eigen etnische aard (ontaarding) en aantasting van het ethische fatsoen. Het blijspel De Gallomanie of de verfranschte Belg van Karel Ondereet uit 1841 was een sprekend voorbeeld.

Als argumenten voor de francofobie werd ook nog aangevoerd dat de mercantiel ingestelde Francofone Belgen of Walen de Vlamingen verdrongen van hun eigen arbeidsmarkt en dat immigranten met dubieuze praktijken de handel in gevaar brachten. Die anti-Franse houding versterkte aldus de eigen sociaal-ethische gedragscode (deugdzaamheid, burgerlijke individualisme, maat, vlijt, zuinigheid, concentratie op het gezin etc.) en nationale elementen droegen bij tot de opbouw van het burgerlijke ethos (Tindemans, 1973). Conscience plaatste de Franse Coquetten tegenover de Vlaemsche arbeidzame huisvrouwen. Het Vlaamse idyllische dorpsverhaal benadrukte ditzelfde levenspatroon door de idealisering van de plattelandsbevolking en het type van de Vlaamse landman die, onbewust van het leven in de stad en onaangetast door de moderniteit, de code in essentie conserveert.

Het katholieke Vlaanderen

Een ander belangrijk etnisch element in de constitutie van het Vlaams cultureel nationalisme was de katholieke religie. Het feit dat die factor zo een belangrijke rol speelde, was vooral het werk van een taal- en letterkundige school die bekend stond als De Westvlaamse School en waarvan de vaandeldrager de priester en dichter Guido Gezelle was. Tussen 1858 en 1865 was Gezelle leraar in secundaire scholen en seminaries te Roeselare en te Brugge en hij slaagde erin een christelijke en Vlaamse literaire beweging op gang te brengen die van bij het begin traditionalistisch van aard was.

Achtergrond hiervan was de actie van de katholieke kerk na 1830 die de constitutionele vrijheid voluit aanwendde om ondanks de gelaïciseerde staat een natie uit te bouwen waarin de godsdienst centraal stond. In cultureel opzicht werd daarom in Vlaanderen een actie gevoerd ter bevordering en ondersteuning van de taal van het overwegend gelovige volk. Vooral in het rurale West-Vlaanderen ontstond er een dynamische traditie van Vlaamsgezinde diocesane priesters die via het onderwijs in bisschoppelijke colleges (waar de studie van Vlaamse taal- en letterkunde werd geprogrammeerd) jonge intellectuelen het beeld bijbrachten dat de Vlaamse natie geïdentificeerd moest worden met katholicisme (zie bijdrage L. Gevers). In de formulering van Gezelle:

 
Wees Vlaming, dien God Vlaming schiep.

De zeer begaafde Gezelle integreerde ook de spirituele renaissance van het Europees katholicisme (cf. Chateaubriand in Frankrijk en de Oxford Movement in Engeland) die een cultureel-geestelijke herbronning propageerde. Dit veronderstelde de studie van het verleden (voor Gezelle waren dat de katholieke Middeleeuwen en de Contrareformatie), de volkstaal, gebruiken en rituelen van

[p. 67]

het volk die de oude voorvaderlijke godsdienst spontaan reveleren, de gotische architectuur, de liturgie etc. Die stroming werd vooral gedragen door priesters en leraars (L. De Bo, H. Verriest, G. Flamen, A. Duclos e.a.) die de Vlaamse letterkunde beoefenden, de Vlaamse volkstaal bestudeerden (met indrukwekkende lexicografische studies van het dialect), of schreven over de kerkelijke geschiedenis, de architectuur, de folklore of volkskunde in tijdschriften zoals Rond den Heerd.

De grootste invloed ging uit van Gezelles religieus geïnspireerde taalopvattingen. Zich scherp bewust zijnde van de versnelde overgang van een traditionele en agrarische naar een industriële maatschappij, pleitte hij voor het behoud van de Vlaamse eigenheid. Basis daarvoor vormde de oude, vaderlandse Nederlandse taal - het Diets - die gesproken werd vòòr de scheiding van Noord en Zuid. Gezelle wees het gebruik van het standaard Nederlands zoals dat zich vanaf de 17de eeuw ontwikkeld had, resoluut af. Hij beschouwde die taal als te conventioneel en te rationeel. Zij was ook te veel gericht én naar de Hollandse literaire taal van het protestantse Noorden én de ‘statische’, ‘dode’ Franse taal. Hij opteerde voor de voorouderlijke koine die door Vlamingen, Brabanders en Limburgers gesproken werd, het Diets of (bij uitbreiding) het oude Vlaams; de zuivere en gesproken volkstaal die nog dicht aansloot bij haar natuurlijke oorsprong, een taal die door God geschonken werd.

Zijn uitgangspunt was de praktijk (usus facit verba). De wetmatigheid en de beregeling van het voorvaderlijke Vlaams zocht hij bijgevolg bij de oude schrijvers, van de Middeleeuwen tot de Contrareformatie. Doorslaggevend argument voor de geldigheid van een woord of een uitdrukking vond hij in het voortleven ervan in zijn moedertaal, i.c. het West-Vlaamse dialect dat hij beschouwde als het zuiverste relict van de oude taal. Gezelle was duidelijk radicaler dan veel Vlaamse filologen die na 1830 het recht verdedigden van de Vlaamse Gewesten om een volwaardige bijdrage te leveren tot de eenheidstaal van Zuid en Noord (zie Deprez, in dit boek).

Het ging voor Gezelle om veel meer dan om taal alleen: de oude taal was nauw verbonden met de etnische aard van de Vlaming, zijn vrijheid en (vooral) zijn katholieke godsdienst. Het effect van Gezelles boodschap was aanzienlijk, ondanks het feit dat de dichter zelf de politieke consequenties van zijn taal-politieke opvattingen niet doorzag. Gezelle was enkel consequent in het gebruik van zijn taal in zijn poëzie die hij zelf omschreef als het werk van een vrij Vlaming en overtuigd katholiek dichter.

Met zijn grote zeggingskracht en superieure techniek slaagde Gezelle erin een overtuigend beeld te schetsen van het oude katholieke Vlaanderen als een ongeschonden deel van Gods schepping. Hij schreef ook een reeks idealistische en nationale teksten, die een grote invloed zouden uitoefenen op de volgende generaties studenten:

 
Mijn Vlaanderen spreekt een eigen taal;
 
God gaf elk land de zijne,
[p. 68]
 
en, laat ze rijk zijn, laat ze kaal:
 
ze is vlaamsch, en ze is de mijne!

Studenten lanceerden de katholieke Vlaamse studentenbeweging (of Blauwvoeterij) en vanaf de jaren 1880 wisten zij de Vlaamse culturele en nationale verwachtingen in politieke termen te vertalen. Gezelles teksten werkten hierbij als inspiratiebron. De studenten vereerden hem als hun charismatische leider (de ‘meester’). Gezelle, die vooral moeite had met het revolterende karakter van hun standpunten, nam in 1885 afstand van hun actie in een geruchtmakende rede te Tielt bij de begrafenis van zijn collega priester en lexicograaf L. De Bo.

Gezelles populaire volksnationale ideeën werden door zijn leerling H. Verriest, later zelf priester en leraar, geïntegreerd in een ruimer existentieel pedagogisch concept. Verriest voegde er ook een sociale dimensie aan toe. In Gezelles visie gingen Vlaamse natie en katholieke godsdienst hand in hand. Verriest werkte dat uit tot een actieprogramma voor een nationalistisch reveil. ‘Dat volk moet herleven’, zoals hij dit uitdrukte in een beroemde rede uit 1872.

Hij plaatste dit programma ook in het perspectief van een humanistische esthetica (Vlasselaers, 1985, p. 51-60). In zijn visie leidde schoonheidsbeleving tot kennis en waarheid en vormde daarom de basis voor de ontplooiing van de hele persoonlijkheid; een persoonlijkheid die zich inzette voor een beter Vlaanderen.

Verriests leerling en dichter A. Rodenbach bouwde op zijn beurt zijn romantisch en ‘strijdend’ dichterschap op die ideeën. Voor Rodenbach moest de kunstenaar volledig in dienst van zijn gemeenschap staan. Een kunstopvatting moest zich in effectieve politieke actie vertalen, en voor Rodenbach kwam dit neer op een passionele inzet voor zijn christelijk ideaal en de hergeboorte van zijn Vlaamse volk. Hij combineerde idealistische voorstellingen van het heroïsche verleden van Vlaanderen met Germaanse en Wagneriaanse elementen. In zijn talrijke strijdliederen en in zijn toneelwerk gaf hij een dramatisch-epische vorm aan de Vlaamse emancipatiestrijd. Aan de krachtige, jonge generatie Vlaamse ‘knapen’ dichtte hij een pioniersrol toe. Dergelijke voorstellingen van Rodenbach, die door zijn vroege dood tot het archetype van de Vlaamse getormenteerde studentenleider uitgroeide, kregen in latere radicale Vlaams-nationalistische kringen mythische en profetische allures toebedeeld.

Conclusie

De Vlaamse literatuur speelde in de 19de eeuw een belangrijke rol in de emancipatiebeweging van het Vlaamse volk, zij het binnen de Belgische context. De Vlaamse literatoren betoonden hun loyaliteit met België en beperkten hun rol tot een actieve bijdrage aan het cultureel reveil van Vlaanderen.

De nationale functie van literatuur werd verbonden met een beschavingsfunctie. De esthetische eisen werden daarbij verzoend met een dienstbare rol: bewustmaking van een collectief nationaal verleden, ontvoogding van het volk

[p. 69]

en verdediging van de traditionele eigenheid. Vaderlandsliefde ging samen met respect voor ethische waarden. Die code werd onder meer via uitgesproken anti-Franse meningen opgebouwd. Voor katholieken was de religie een doorslaggevende factor. Het duurde tot 1890 vooraleer sprake kon zijn van een onafhankelijke Vlaamse literatuur die zich los van nationale doelstellingen ontwikkelde. Toch heeft die langdurige verbondenheid met de evolutie van de Vlaamse Beweging gevolgen gehad voor het literaire en culturele klimaat in Vlaanderen tot in de 20ste eeuw.

Vanaf 1847 hadden Vlaamsgezinde katholieken en liberalen meer en meer moeite om het Vlaamse ideaal eenduidig te definiëren. Politieke standpunten lieten hun sporen na in het literaire debat. Zelfs de literaire vernieuwing van de jaren 1890 heeft die verdeeldheid niet kunnen neutraliseren.