|
|
|
| |
| | | |
Dialekt en standaardtaal in Nederlands Limburg Een
spanningsveld autobiografisch getoetst.
en tussen dansende velden
een nieuw loflied aanheffen
Deze regels schreef de Surinaamse dichter Shrinivāsi in een gedicht MOEDERTAAL dat
hij in 1964 publiceerde in zijn gedichtenbundel
Anjāli
1). De dichter spreekt
hierin het verlangen uit dat de Surinaamse smeltkroes van talen zal legeren tot
één taal, die hij MOEDERTAAL noemt. Het was in 1970, toen
ik als leraar aan de Surinaamse Kweekschool te Paramaribo aan den lijve ervoer
wat het is les te geven in een multilinguale omgeving. De spanning tussen
moedertaal en schooltaal/voertaal kwam hier extreem en soms zelfs schrijnend
naar voren. Die spanning kreeg voor mij ook soms groteske en potsierlijke
vormen, wanneer ik in de klas gedichten behandelde uit de bloemlezing
Het kleine heelal
van H. Doedens. Deze bevatte oer-Hollandse
gedichten. Eén hoofdstuk daaruit heette De Muze
en de seizoenen. Zo moesten leerlingen die thuis het
Sranang of ook wel het Surinaams genoemd, het Javaans, Hindi, Chinees, Indianen-
en Boslandcreolentalen spraken zich proberen in te leven in een taal en wereld
die voor hen totaal vreemd waren. In januari was het daar gemiddeld
28° C en dan zat ik daar zwetend voor de klas uit te leggen wat
sneeuw was. Want daar ging het gedicht over dat je met de klas probeerde te
analyseren. Al gauw kwam ik er achter dat teksten uit | | | |
Lévi-Strauss' Het trieste der tropen meer tegemoet
kwamen aan de verschillende identiteiten die in Suriname leefden, maar waar het
tropische in elk geval een meer bindende factor was dan sneeuw! Ondanks
Lévi-Strauss' meer aangepaste teksten bleef het taalprobleem grotesk,
schrijnend, onoplosbaar en voorlopig kolonialistisch aanwezig. Vanuit deze
volkomen gemengde taalsituatie was het dat een dichter als Shrinivāsi
hoopte dat ‘de legering van de Moedertaal allen zou
omvatten.’ Dat die eenheidstaal Nederlands zou moeten zijn, wordt uit
het gedicht niet helemaal duidelijk. Maar Shrinivāsi heeft daar wel
degelijk aan gedacht: een Nederlands als legering van Javaans, Chinees, Hindi,
Sranang, Indianen- en Boslandcreolentalen! Hoe zou die taal er uiteindelijk
hebben uitgezien? De onafhankelijkheid van Suriname in 1975 heeft een dergelijke
ontwikkeling definitief verstoord.
Naar de Limburgse taalsituaties overgeheveld zou Shrinivāsi een
pleitbezorger zijn geweest van een Algemeen Limburgs: een legering uit het
Kerkraads, Maastrichts, Genneps, Venrays, Venlo's, Susterens dialect, kortom uit
alle Limburgse dialecten. Het spanningsveld tussen mijn eigen dialect, het
Meijels, en het Nederlands verbleekte bij dat van Shrinivāsi, die het
Hindi als moedertaal had, als onderwijzer en dichter in het Nederlands onderwees
en dichtte en idealistisch probeerde een groot aantal wereldtalen te laten
samensmelten in één nieuwe moedertaal. Desalniettemin wil
ik in dit kader mijn spanningsveld het uitgangspunt doen zijn, omdat ik vermoed
dat dat spanningsveld voor de meesten hier aanwezig herkenbare trekken heeft:
een Limburgse dialect-spreker die in zijn leven geconfronteerd werd met talloze
andere Limburgse dialecten en het Nederlands. Een autobiografische draad loopt
door deze uiteenzetting heen, zoals ik in de ondertitel reeds verwoordde. Hoe
stond en staat men in Nederlands Limburg tegenover dialect en standaardtaal in
de periode 1939-1987? Wat dachten en denken dialectlexicografen hierover en wat
de sociodialectologen? Wat andere Limburgers die deze identiteitsgevoelige
problematiek raakt en raakte? Mijn uiteenzetting kan slechts een beperkte | | | | weerspiegeling zijn van wat er op dit gebied gezegd is en wordt, te
meer omdat ze ook vaker een weerspiegeling is van mijn eigen gedachten en
gevoelens hierover. Bovendien kan ik als dialectlexicograaf aan de cijfers van
recent sociolinguistisch onderzoek niet veel toevoegen. Alleen mijn eigen
verhaal is een dimensie die niet terug te vinden is in eerder verschenen
publikaties.
| |
De jaren veertig
De eerste taal die ik leerde, was het Meijels. Mijn moeder was geboortig uit
Meijel en mijn vader uit het Midden-Limburgse
Haelen. Thuis werd ook door broers en zussen
alleen Meijels gesproken. De confrontatie met het Nederlands kwam in de
tweede helft van veertig, toen ik naar de Lagere School ging. Pas veel later
zou ik beseffen dat ik toch wel een dialect sprak met een geheel eigen
karakter. Prof. Jan Goossens2) noemt het
Meijels dialect in een artikel zelfs één van de
interessantste dialecten van heel het Nederlandstalige gebied. Meijel is een
knooppunt van isoglossen. De bekende Uerdinger Linie en Panninger Linie
buigen aan de grens van Meijel naar het zuiden toe. In vroeger tijden lag
het dorp midden in de Peelmoerassen, ver weg van plaatsen als Helden,
Roggel, Nederweert, Asten en Deurne. Door de geïsoleerde ligging
kon er een vrij homogeen dialect ontstaan met een aantal specifieke
klankkenmerken: bøtjə in plaats van
bū.tə of bytə, høš in
plaats van hū.s of hys. Ook
lexicaal week en wijkt het nogal eens af van nabuurdorpen. Het woord kivəluət voor
‘hoepel’ ben ik nergens in Limburg tegengekomen3) behalve in
Montfort het verwante kivəl. Tussen het Meijelse kivəluət en het Nederlandse hoepel ligt een verschil van dag en nacht. Het was dan ook geen
wonder dat op een zomerdag leerlingen op de Lagere School aan de meester
vrij vroegen om ‘moortjes’ te plukken. Van het woord
‘wortelen’ had nog geen kind in Meijel gehoord. Het was
deze taalsituatie die Shepherd in 1946 tot de
regels bracht4): ‘Wij
moeten dan vaststellen dat de Limburger inderdaad over de gehele lijn sterk
gehandicapt is door | | | | het feit, dat de taal die hij in gevallen
als bovenbedoeld moet gebruiken (het Nederlands), niet voor hem is: de
vanzelfsprekende, wrijvingsloze vertolking van zijn gedachtenleven, doch een
stroef apparaat, een knarsend proces, dat steeds zijn aandacht opeist en
daardoor verhindert, dat hij zich volledig kan ontplooien en al datgene kan
geven wat in hem is.’ Voor de Limburger betekent het leren van het
Nederlands het leren van een geheel nieuwe, van een
werkelijk-vreemde taal5). Toch concludeert Shepherd dat het voor
de Limburger een allereerste vereiste was het Nederlands te beheersen. De
taalemancipatie in de richting van het Nederlands wordt op gang gezet. Op
school leer ik intussen dat gęli
jullie moet zijn, gry¯n
groen, smetjə
smijten, kęjsjøt
knikker. Inderdaad de klanken en woorden stonden lijnrecht
tegenover elkaar. Het is deze radicale positie die Shepherd6) doet
concluderen dat vanuit deze positie het Nederlands het best bestudeerd kan
worden en anderzijds wordt men door deze radicale plaatsing bewust van het
feit dat het dialect iets eigens is; het wordt een bewust bezit dat de
aandacht volledig verdient. Deze houding dient twee heren: enerzijds leert
men een standaardtaal anderzijds houdt men de Limburgse taal in stand.
Een paar jaar eerder had Roukens7) ook al
gewezen op die spanning tussen dialect en wat hij noemt Algemeen Beschaafd.
Onder invloed van de school en urbanisering wordt er steeds minder dialect
gesproken en steeds meer Nederlands of zoals Roukens constateert voor het
Heerlens dialect een ‘zogenaamd’ Nederlands. Eeuwenoude
woorden verdwijnen: in Kerkrade gaat men spreken
van eəlt i.p.v. kweət, in Maastricht van azīn i.p.v. ɛtšə. Op grond van dit soort
verschijnselen komt Roukens8) in 1947
tot de conclusie: ‘de dialecten kunnen nu eenmaal, evenals de
taal, nergens als een toestand, maar uitsluitend als een beweging worden
gezien: en dat maakt de getrokken grenslijn temporeel altijd
relatief.’ Weg homogeniteit van het dialect! De jaren zestig en
zeventig kondigen zich al aan. Toch is Roukens9) nog niet
bezorgd om een aantasting van de Limburgse identiteit: ‘Afgezien
van de taalkundige feiten, | | | | die met betrekking tot deze vraag nog
niet voldoende onderzocht zijn, is het bindende het bewustzijn bij den
Limburger dat hij geen “Hollandsch” maar Limburgs
spreekt, een taal die de gewestgenooten nagenoeg allen verstaan, terwijl de
verschillen minder worden geteld door het gevoel Limburger te
zijn’. Ook Roukens moet toen echter weet hebben gehad van de
Uerdinger Linie en Panninger Linie, de Benrather Linie en het
Middenlimburgse mouilleringsgebied, het gebied waarin men spreekt van hanjtj (=‘hand’), ət wɛ̅jtj (=‘het
waait’), en hønj
(=‘honden’). Limburg was en is in de jaren veertig
taalkundig helemaal geen eenheid. Het Limburgs waar Roukens het over heeft,
is een fictie. Als geboren en getogen Limburger heb ik mij met mijn Limburgs
dialect, het Meijels, eerder uitgestoten gevoeld dan opgenomen in
één groot Limburgs taalkundig verband. Daar was heel
waarschijnlijk debet aan het feit dat het Meijels overwegend
Oostnoordbrabants klinkt10) en wellicht is het alleen maar een
probleem voor de Meijelse mensen. Ik heb echter sterk de indruk dat
dialectsprekers uit Venray, Gennep en zelfs Venlo dat ook zo
voelen: wij spreken toch wel totaal anders dan de Kerkradenaar,
Roermondenaar, Maastrichtenaar. Het verschil in dialect is vaak eerder
aanleiding geweest tot een zich afzetten tegen elkaar dan een samengroeien.
Zo heeft mijns inziens het dialectverschil tussen Helden en Meijel een
belangrijk aandeel gehad in de beslissing Meijel zelfstandig te laten bij
een eventuele gemeentelijke herindeling. Wanneer men Limburg als een eenheid
wil zien - en dat zag men in de jaren veertig toch nog wel graag -, moet men
die eerder laten stoelen in de religieuze achtergrond en een historische nl.
die van Limburg als wingewest van Holland. Een zich afzetten, ook
taalkundig, tegen de ‘Hollanders’ is veel meer een
bindmiddel geweest dan de fictie van één Limburgse
taal. Op deze houding van de Limburgers zullen de
‘Hollanders’ in de latere jaren wraak nemen door van
naar Holland ‘geëmigreerde’ Limburgers te
eisen dat ze op generlei wijze mochten laten horen dat ze van Limburg
kwamen. Het spanningsveld tussen Limburgs of Limburgse dialecten en het
‘Hollands’ moest verdwijnen, | | | | was onrendabel
en stond een algemene Nederlandse identiteit in de weg. Bij zo'n
gedachtengang spelen kleine identiteiten al gauw geen rol meer. Met Carnaval
of op toeristische hoogtijdagen mag die identiteit zijn kopje nog eventjes
opsteken maar al vlug wordt die afgemaaid door het ritme van alledag waarin
geen plaats meer is voor kleurrijke verscheidenheid. Deze verscheidenheid
van dialecten was in de jaren veertig nog groot in Limburg. De huidige
generatie van 40-, 50-, 60-ers voelt in het algemeen die tijd aan als
één waarin het dialect nog het meest zuiver gesproken
werd. Het kleinschalige, vooroorlogse leven was nog niet veranderd in een
leven met grootschalige verbanden. De communicatie buiten de locale grenzen
was althans voor de kleinere gemeenschappen nog zeer beperkt. Er was nog
geen t.v., amper radio, amper telefoon. Iemand die wellicht het sterkst die
periode idealiseert als de tijd van het zuivere dialect en die dat ook op
papier heeft verkondigd, is George Kooijman, de
maker van het Thematisch woordenboek van het Tungelroys. Bij de inventarisatie van de termen
kiest hij bewust voor het dialect van Tungelroy
vóór 1950, omdat toen, zoals hij zelf zegt, het
dialect nog homogeen, de gemeenschap nog gesloten en kleinschalig was11).
Modernismen neemt hij niet op in zijn woordenboek zoals vərhoal i.p.v. vərtɛlsəlkə. Hij
constateert dat de taal van de Tungelroyse jeugd onder invloed van de
‘toonaangevende’ heren uit het Hilversumse verandert.
Hij spreekt zelf van verwording. Bij deze evolutie legt hij zich
‘tandenknarsend’ neer12). Voor hem geldt
eigenlijk alleen maar het dialect van voor 1950 in Tungelroy als zuivere
taal. Voor een aantal dialectlexicografen en uiteraard ook de
sociodialectologen is die begrenzing veel te beperkt gebleken.
| |
De jaren vijfig
In de beginjaren vijfig al concludeert Kats13) dat ‘elke publicatie over dialecten in
de geografische details altijd achter zal zijn, indien zij niet het
resultaat is van zeer recente onderzoekingen’. De belangrijkste
factoren tot | | | | verandering in dialect waren toen volgens Kats14) het frekwent verkeer, huwelijken tussen mensen van
verschillende dorpen, onderwijs, sociale leven, de technische en economische
vooruitgang. Voor mij persoonlijk waren die jaren vijftig in elk geval een
grote verandering op het gebied van dialectspreken. Het kleine, gesloten,
huiselijke milieu in Meijel maakte plaats voor een
ander gesloten milieu, de kostschool Rolduc te Kerkrade. Door het Lagere Onderwijs in Meijel was ik intussen al wat
voorbereid op tweetaligheid: dialect en Nederlands. Maar op de multilinguale
toestand op Rolduc was ik totaal niet voorbereid. Op Rolduc zaten alleen
maar Limburgse jongens. Alle talen van Limburg van het Reimerstoks, Wolders
en Stramproys tot het Ottersums toe hoorde ik hier. Van hogerhand was echter
niet toegestaan dat men dialect sprak. Dit gebeurde om twee redenen: men
wilde op zo'n manier het individuele dialect zo zuiver mogelijk houden en
men wilde op zo'n manier de leerlingen zo goed mogelijk vertrouwd doen raken
met het Nederlands. De taaltoestand in de mijnen was toentertijd bijna
tegenovergesteld. Uit veel Limburgse, ook Noordlimburgse, plaatsen gingen
jongens en mannen in de mijnen werken. Maar een mijnwerker uit Helden, Horst of Roggel had zich aan te passen aan de sterk
Zuidlimburgse gerichte groeptaal of vaktermen van de mijnwerker. De
seminarist moest zich aanpassen aan de standaardtaal, de mijnwerker aan een
Zuidlimburgs klinkende groeptaal. In het eerste geval zaten er
pedagogisch-didactische argumenten achter en ook religieuze - immers de
seminaristen moesten later als priester in het Nederlands kunnen preken. In
het tweede geval was het een kwestie van aanpassen aan de groeptaal of niet
geaccepteerd worden. Verschillen in milieu, verschillen in de taalhouding!
Door het feit dat vele niet-Limburgers naar de mijnstreek trokken, gebeurde
wat men op Rolduc wilde vermijden nl. taalvermenging. Heerlen was in 1900
een plaats met ruim 6.000 inwoners, in 1950 een plaats met rond de 60.000.
Kats15) heeft de indruk dat in 1952 het Heerlens
nog slechts gesproken wordt door de oudere, in Heerlen geboren en getogen generatie, en een jongere generatie van
de volksklasse in | | | | het stamcafé. Zuid-Limburg wordt
een smeltkroes van talen. Midden- en Noord-Limburg blijven nog gespaard van
de grote volksverhuizing en vermenging, die daar pas in de jaren zestig en
zeventig hun sporen zullen achterlaten. Mijn dialect althans blijkt tijdens
vakanties nog niet veel geleden te hebben. In het dorp Meijel is er nog geen
switching naar de standaardtaal nodig. De eerste dominante allochtonen of,
zoals Cornelis Verhoeven dit verschijnsel verwoordt16), ‘het gewicht van de
buitenstaander’ moeten nog komen. Het agrarische overheerst nog.
Er is nog geen grote verandering in het gebruik van boerengereedschap en
wijze van bebouwen van akkers. Het verdwijnen van bepaalde dingen,
agrarische gereedschappen en werkwijzen en het daardoor niet meer gebruiken
van de namen ervoor is nog niet elementair op gang gekomen. Nog heeft het
dialect zich lexicaal en qua klank redelijk staande gehouden. Maar de jaren
zestig naderen snel. Een anekdote illustreert deze fase typerend. In
één van de vele vragenlijsten van de Nijmeegse
Centrale voor Dialect- en Naamkunde werd gevraagd: ‘Hoe noemt u in
uw dialect de concubine?’ Het antwoord van de boer/informant was
even verrassend als te verwachten. Zijn antwoord was: ‘Wij dorsen
nog met de hand.’ De combine was nog pas sporadisch in gebruik en
het vreemde standaardtaalwoord ‘concubine’ was volslagen
onbekend bij de gewone Limburger in de vijftiger jaren.
| |
| | | |
De jaren zestig
Iedereen is in beweging. Ook Limburg. Het tijdperk van vervreemding,
ontmythologisering, van de anti-autoriteit, van studentenrevoluties,
secularisering en grootschaligheid is aangebroken. Op de identiteit van
Limburgse dorpen en steden wordt een forse inbreuk gedaan. Een dorp als
Meijel groeit van 3 000 naar 5 000 inwoners. Autochtonen gaan weg en
allochtonen komen. Geen plaats blijft gespaard van taalvermenging. Het
spanningsveld dialect-standaardtaal blijft mij ook persoonlijk achtervolgen.
In Nijmegen ga ik Nederlandse Taal- en Letterkunde
studeren met als hoofdrichting Dialectologie bij professor Weijnen. Steeds
minder dialect spreek ik, steeds meer Nederlands, steeds meer ben ik met
dialecten bezig. Verliezen doe ik mijn dialect niet maar het gaat steeds
meer een rudimentair leven leiden. Als leraar Nederlands in de Peel ervaar
ik toch nog dagelijks het probleem dat dialectsprekende leerlingen hebben
bij het aanleren van goed Nederlands. In onderwijskringen staat men in deze
jaren, zo is mij uit ervaring gebleken, niet echt positief tegenover het
dialect. Dialect werkt verengend, staat een carrière in de weg
met name in de Randstad. Veel studenten uit Limburg proberen accentloos
Nederlands te spreken en meten zich een scherpe, harde g
aan. De thuistaal verdwijnt op de achtergrond en men voelt zich
minderwaardig, als Hollanders horen aan het accent dat men Limburger is. Het
is niet alleen deze psychologisch-taalkundige factor die de identiteit van
de Limburger aantast. Het grootschalige, intensieve boeren, het grootschalig
ontgrinden, het grootschalig mergel afgraven, grootschalige industrie vagen
nog meer Limburgse identiteiten weg. In deze zelfde tijd wordt men zich er
ook van bewust dat door de veranderingen veel uit de dialecten verdwijnt.
Binnen het kader van het
Woordenboek van de Limburgse Dialecten
wordt de ene vragenlijst na de andere naar de informanten in de
provincie gestuurd. Heel veel dialectwoorden zijn in deze jaren vastgelegd.
Met name de Limburgse landbouwwoordenschat is grotendeels verzameld in de
jaren zestig. Maar wordt er dan nog bij al dit verzamelen dialect gesproken
door een jongere generatie? In 1967 legt Weijnen
een paar cijfers | | | | vast17). Van Maastrichtse schoolkinderen
spreekt 83,7% nog dialect. In Venlo is dat cijfer
71,5%, in Weert 60% en in Heerlen is dat cijfer 26,8%. Een nogal gedifferentieerde situatie
spreekt uit deze percentages. Over de positie van het dialect in Heerlen heb
ik het al eerder gehad. Die is ongunstig gebleven vergeleken met de jaren
vijftig b.v..
In Maastricht bekleedt het dialect wel een gunstige positie.
Ook dat is zo gebleven. In Venlo en Weert heeft het dialect een positie
tussen het Heerlens en Maastrichts in. Van kleinere plaatsen heb ik voor de
jaren zestig geen cijfers kunnen achterhalen. Het tijdperk van de
sociodialectologie moet nog beginnen. In het algemeen kan men stellen dat de
jaren zestig een achteruitgang laten zien in dialectgebruik en wat er
gesproken wordt, ondergaat sterk de invloed van nieuwe technieken,
communicatiemiddelen, sociale wetenschappen. Men staat niet echt positief
tegenover het gebruik van dialect. De allochtonen willen zich op alle
gebieden in het dorp of stad inzetten, maar men staat huiverig tegenover het
aanleren van het plaatselijke dialect.
| |
De jaren zeventig
Deze jaren zullen gedomineerd worden door twee taalkundige feiten nl. de
opkomst van de sociodialectologie, die zich ook met onderzoek in Limburg zal
gaan bezighouden, en verhoogde dialectlexicografische inspanningen met als
drijfveer voor de auteurs vooral de vrees voor het feit dat het dialect
verdwijnen zal. Mijn talige levensloop loopt wat tegen de maatschappelijke
ontwikkeling van het dialect in: ik keer terug in mijn geboorteplaats en vat
de draad van het spreken in het Meijels dialect die in de zestiger jaren
verslapt was, weer op op zo'n manier dat de goegemeente vindt dat ik nog ‘gu Mę̄ls prǭt
‘goed Meijels spreek’. En men
waardeert dat.
De houding tegenover het dialect begint ook her en der wat anders te worden
dan die in de jaren zestig. ‘Iedere Limburger mag er best van
overtuigd zijn dat zijn dialect niet “minder” is dan het
Nederlands, niet ondergeschikt daaraan maar daarentegen ouder en bouwsteen
ervan’ zegt Notten
| | | | in 197418).
Historisch besef en de waarde van het dialect moeten de dialectspreker
bijgebracht worden. Wel voegt Notten eraan toe: ‘Het feit dat hij
het A.B.N. natuurlijk ook moet beheersen doet hier niets aan
af.’19) De taalkundig bewuste Limburger
spreekt dialect èn Nederlands en weet ook waarom hij dat doet en
in welke situaties. Het zijn al de preludes op de jaren tachtig. Ook Notten
constateert dat door vermenging onderling veel Limburgers hun authentieke,
plaatselijke kenmerken beginnen te verliezen.20). Maar ook hij
ziet niets in een supradialectische Limburgse taal die uit die vermenging
als einddoel zou kunnen ontstaan.
Wanneer er sprake is van een spanning tussen dialect en Nederlands in Limburg
- en die is er ook in de jaren zeventig -, dan komt die spanning het
navrantst tot uiting in Kerkrade. Op Kerkrade richt
zich het eerste grote sociolinguistische project van de Nijmeegse Centrale
voor Dialect- en Naamkunde, dat in 1973 van start gaat. Onderzoeksveld is de
basis- en kleuterschool. Door de meerderheid van de leerkrachten wordt het
percentage dialectsprekers in de klas op 60 of hoger geschat21). En bijna de helft van de leerkrachten ervaart dit percentage
als ongunstig voor de resultaten van hun onderwijs22).
Het spreken van het Algemeen Nederlands door de dialectspreker vertoont een
aantal typische taalkenmerken b.v. het gebruik van Duitse woorden,
germanismen, vernederlandsen van Kerkraadse woorden, een zinsbouw waarin de
hulpwerkwoorden achter in de zin worden geplaatst, een woordgebruik waarin
fouten worden gemaakt tegen de sterke werkwoorden en de voltooide
deelwoorden23). De meeste moeilijkheden
blijken voor de leerlingen die dialect spreken, te liggen in het
woordgebruik24). Als dialectlexicograaf
weet ik wel dat de lexicale taaltoestand in Kerkrade niet makkelijk is.
Steeds weer opnieuw moet bij Kerkraadse woorden bekeken worden of ze
autochtoon (Rijnlands) zijn of ontleningen aan het Hoogduits of
contaminaties of Nederlands zijn. De Kerkraadse mijnwerkersterminologie kent
b.v. woorden als wɛrkstat
‘werkplaats’, sīp
‘zeverij’ (Du. ‘Sieb’), wasərtūr ‘watertoren’,
bɛrxšuəl
‘mijnschool’,
štī-jərtsemər
‘opzichterskamer’, vərsamlungslokal ‘vergaderruimte’.
Men moet als docent in | | | | een dergelijk taaltoestand tactvol te
werk gaan en niet meteen alles wat maar fout lijkt tegen het Nederlands als
fout honoreren. Immers het dialect is een volwaardige taal! Daarover blijft
men het eens ook en juist onder taalgeleerden25). Iemand die zeer
positief stond tegenover het dialectspreken en tweetaligheid was Jaap de
Rooij in 197626). Hij was leraar Nederlands geweest in Venlo-Blerick. Ook daar trof men
tweetaligheid aan, al zal die minder navrant zijn geweest dan in Kerkrade.
Hij constateerde dat de leerlingen onder elkaar dialect spraken, maar in de
les A.B.N. en dat was heel gewoon en ging zonder opvallende moeite. Zelfs
voelde hij zich een beetje opgelaten als leraar, omdat de kinderen in zijn
klas allemaal zomaar twee varianten van de Nederlandse taal kenden, terwijl
hij zelf na jarenlange studie niet verder was gekomen dan de
standaardtaal27). Deze woorden zijn een riem onder
het hart van de dialectspreker, te meer, omdat men Jaap de Rooij als geboren
en getogen Amsterdammer toch niet van een Limburgs chauvinisme in dezen kan
betichten. Met deze positieve houding tegenover het dialect staat hij niet
alleen. In 1973 heeft Veldeke-kring Venray28) 1.500 personen geënqueteerd in die gemeente.
Hieruit bleek dat 71% van de geënqueteerde kinderen in de
kom-Venray later dialect wil blijven spreken,
in de kerkdorpen is dat zelfs 83%. Het merkwaardige is dat 54% van de
kinderen die geen dialect kennen, het willen leren spreken. Op dat moment in
1973 blijkt nog 74% van de kinderen dialect te spreken. In de kerkdorpen
spreekt zelfs 98% van de kinderen dialect. 70% van de ouders betreurt de
achteruitgang van het dialect. Van de geënqueteerde ouders
spreekt in de kom-Venray 70% nog dialect, in de kerkdorpen zelfs 74%. Dat
zijn voor het dialect heel gunstige percentages. Maar de situatie is lang
niet overal zo rooskleurig in Limburg. In 1976 spreekt in Gennep 67% dialect met de partner, maar spreekt slechts 33% van
de ouders dialect met de kinderen29). Dat laatste, het spreken van dialect tussen ouders en
kinderen, kent in Venlo weer een veel gunstiger percentage nl. 63%, terwijl
daar 68% dialect spreekt met de partner. De tendens dat ouders met kinderen
steeds minder dialect spreken zal zich in de jaren tachtig voortzetten, | | | | ondanks de positieve houding tegenover het dialect. Daar komen
zo direct nog andere cijfers voor.
De jaren zeventig kenmerken zich ook door een lexicografische bloei. Het
gevoel dat het dialect verandert of zelfs verloren gaat, manifesteert zich
bij een groter publiek het eerst in het lexicale vlak. Men merkt op dat b.v.
een woord als nǫbərs
‘buren’ verdwenen is of tāftərə
‘namiddag’ of tølə ‘ploegen’. Maar ook dit
gevoel is niet exclusief van de jaren zeventig. Van de
Voort, de maker van het woordenboek van Meerlo-Wanssum, merkt in zijn inleiding
op dat woordenboek op: ‘Al lang voor de Tweede Wereldoorlog
gebruikten wij met de nieuwe werktuigen de nieuwe namen. De oude zijn
vergeten’30). Het gaat hier om het beroep van timmerman, maar in plaats van
dit beroep kun je talloze andere beroepen noemen. Sommige beroepen zijn in
Limburg intussen helemaal uitgestorven: mijnwerker, ertsontginner,
turfsteker, wever.
Ook voor Schelberg, de maker van het Sittards
woordenboek, is de argumentatie om een locaal woordenboek te schrijven
dezelfde als voor Van de Voort: ‘Al te veel is er in de laatste 50
à 60 jaren verloren gegaan aan eigen cultuur op het gebied van
vaktermen, oude beroepen, benamingen van gereedschappen enz.; sterker wordt
het besef dat we steeds armer worden in dit opzicht’31). En ik
citeer verder Jaspars, de maker van het
Gronsvelds woordenboek,: ‘Aanleiding was het feit dat ik bij de
kinderen van mijn geboortedorp een zekere vervlakking van het Gronsvelds
waarnam, die vooral zijn oorzaak vond in de invloed van het Algemeen
Nederlands’32).
Dreigend verlies van dialectwoorden, een oprukken van Algemeen Nederlandse
woorden in een plaats, kortom de spanning tussen dialect en standaardtaal is
hier de motor tot behoorlijk linguistische inspanning die mijns inziens
taalhistorisch en cultuurhistorisch van groot belang is. Woorden als iəkər ‘eker’,
spikǝr ‘spijker’, ēk ‘azijn’, zwēl, ‘eelt’, ēre ‘ploegen’, die eeuwenlang in de
Limburgse dialecten hebben geleefd al vanaf de Romeinse tijd, verdwijnen nu
in een paar decennia uit het vocabulaire van de Limburger. Is dat nu
vooruitgang of verlies? En mag men dan, als men dit verlies noemt, deze | | | | woorden niet vastleggen voor de generatie na ons?
Misschien is dan het Nederlands opgegaan in het Hoogduits. Ook dan zal men
het historisch taalverloop moeten vastleggen en blijven volgen.
| |
De jaren tachtig.
De jaren tachtig zetten de lijn van de jaren zeventig op onderzoeksgebied
versterkt voort: een nog groter aandeel van de sociolinguistiek in het
dialectonderzoek en een verdere groei in Limburg van de dialectlexicografie.
Het gebruik van dialect lijkt te stabiliseren, ofschoon de cijfers voor het
dialect spreken per plaats behoorlijk kunnen verschillen. Heel algemeen
gesproken kan men zeggen dat de houding tegenover dialect spreken in Limburg
niet ongunstiger is geworden. Maar nogmaals dit hoeft niet te betekenen dat
meer mensen dialect zijn gaan spreken. De noodzaak tot het aanleren van het
Algemeen Nederlands blijft de Limburger voelen. Hij zal echter niet zoveel
moeite meer doen om b.v. het accent te verloochenen. Men mag horen dat
iemand van Limburg komt. Sinds men in het Hilversumse t.v.-circuit
omroepsters uit Suriname of de Nederlandse Antillen afkomstig het journaal
laat brengen of een bij uitstek Nederlands programma als Van
gewest tot gewest laat presenteren met duidelijk hoorbaar accent,
is men in die kringen ook wat coulanter geworden tegenover de Limburger.
Chriet Titulaer mag met een duidelijk Limburgs accent zijn ruimteprogramma's
presenteren. Hij is er zelfs populair door geworden.
Hoe liggen nu de cijfers voor het spreken van dialect in de jaren tachtig in
Limburg? Hier volgen een paar cijfers uit een aantal plaatsen in Limburg,
verkregen door sociolinguistisch, kwantitatief onderzoek.
Uit een onderzoek in Maastricht in 1979-1980 naar de
taalsituatie van eerstejaars op de Middelbare School (Havo-VWO)33) blijkt dat
de dialectsituatie in Maastricht sterk is ondanks de sterke invloed van
Luik en Aken. In Maastricht heeft en had
dialect prestige, en dat is zelfs mondiaal vrij uniek te noemen. Dialect
wordt door hogere en lagere maatschap- | | | | pelijke klassen gesproken.
Van de 105 ondervraagden in de hogere klasse spreken er 41 dialect. Van de
47 ondervraagden in de lagere klasse spreken er 18 dialect.
Ongunstiger voor het dialectgebruik is de situatie in Ottersum34). Het dialectgebruik van partners tot elkaar kende
in 1965 een percentage van 95,1%, in 1975 was dat percentage 66,7% en in
1984 61%. Een duidelijke achteruitgang. De percentages van het
dialectgebruik tussen ouders en kinderen zijn voor het dialect nog
dramatischer. Van de kerkdorpen van Gennep heeft
zich de grootste verandering in Ottersum voltrokken: het dialectgebruik is
daar gedaald van 99% in 1965 naar 36,3% in 197535). Een ander onderzoek is recent nog gedaan
bij derdeklassers van het Boschveldcollege te Venray36). Tweederde van de informanten blijkt
dialectsprekend te zijn. Verlies van dialect treedt vooral op in de
diminutiefvorming door het wegblijven van de umlaut37): dial. mɛnnəkə
krijgt als tussenvorm mannəkə naast
standaardtaal mannetje. Dialectisch stø̨kskə heeft als tussenvorm stokskə Het dialect ontwikkelt zich in de
richting van een regiolect38). Hoe lang dit
proces kan doorgaan, voordat het regiolect helemaal standaardtaal is
geworden, is nog niet duidelijk. Zelfs is niet te bepalen, of het dialect
helemaal standaardtaal zal worden.
In de eigen, kleine omgeving van mijn gezin heb ik een proefje gedaan voor
wat betreft het gehalte van het Meijels dialect. Deze proef is uiteraard
door de beperkte omvang van informanten niet symptomatisch te noemen. Ze is
meer een curiostiteit. Ik vroeg aan de huisgenoten de zin ‘ik geef
jou dit boek’ te vertalen in het Meijels dialect. Deze zin luidt
in het Meijels dialect ik gęf ǫw de
būk (gebruikte spelling is die van het WLD). Typische
kenmerken in deze zin zijn: de verkorting van de lange e
in geef, het gebruik van ǫw
voor jou, de rekking van de oe in boek en het uitvallen van de dentaal in de auslaut bij dit. Ofschoon ik zelf het Meijels dialect spreek, spreek
ik het lang niet altijd met mijn vrouw en ook niet altijd met mijn kinderen.
De taalsituatie is ook hier een mengsituatie. Wat maakten zij van het
voorbeeldzinnetje?
| | | |
Mijn zoon van 10 jaar: ik gęf jǫw de
būk.
Mijn dochter van 16 jaar: ik gęf jǫw de
buk.
Mijn dochter van 19 jaar: ik gęf ǫw de
būk.
Mijn zoon van 21 jaar: ik gęf ǫw de
buk.
Tenslotte heb ik het zinnetje ook gevraagd aan een vriendje van mijn
tienjarige zoon waarvan zowel de vader als de moeder uit Meijel geboortig zijn. Hij gaf de goede vertaling zonder een
fout: ik gęf ǫw de būk.
De conclusie uit deze proef althans is dat de personen uit een gemengde
taalsituatie op zijn minst één fout maken in het
zinnetje, terwijl de persoon uit de niet-gemengde dialectsituatie het
zinnetje foutloos doet. Uit de andere vertaalde zinnen blijkt ook dat het
persoonlijk voornaamwoord ǫw in het Meijels
onder druk komt te staan van het Nederlandse jou. Naast
het bovengenoemde verschijnsel dat de umlaut in diminutiva wegblijft, kan
men op grond van deze vertaalde zinnen ook constateren dat men het niet zo
nauw neemt met rekkingen en verkortingen. In een gemengde taalsituatie staat
dus het traditionele dialect onder druk.
Die veranderingen, ook in het lexicale vlak, merk ik ook bij mijn dagelijks
werk als redacteur van het Woordenboek van de Limburgse Dialecten. Een
dialectlexicograaf is continu bezig met het spanningsveld tussen dialect en
standaardtaal. Zijn data openbaren geen percentages van zoveel en zoveel
spreken nog dialect in die en die toestand, maar wel verzamelt hij
woordmateriaal dat ook steeds in beweging is. Bij zijn onderzoek naar
Tungelroyse woorden kreeg Kooijman vaak te horen
‘mɛr dɛt zęgkə
wə alwil net mīə’39). Dat bang zijn
voor het feit dat woorden verloren gaan, dat bezig zijn met het dialect, dat
vergelijken van de woordenschat van het dialect met die van het Algemeen
Nederlands levert in de jaren tachtig een rijke productie op van
inventarisaties of dictionaires van verschillende dialecten. In 1985
verschijnt een Tungelroys woordenboek en een Roermonds woordenboek40).
In 1983 was al een Weertlands woordenboek41) verschenen. In Kerkrade en Gennep staat een locaal woordenboek op stapel.
Dialectonderzoek, en voorlopig is dat vooral nog geweest lexicografisch
onderzoek, is steevast een aandachtsveld binnen | | | | Veldeke- en
Heemkundekringen. De aandacht voor locale geschiedenis, taal, landschap uit
zich in de stormachtige groei van het aantal heemkundekringen in Nederlands
Limburg. Wat dat betreft ziet de toekomst voor locaal dialectonderzoek er
niet slecht uit. Daarmee kan men nog steeds niet stellen dat er ook meer
dialect gesproken gaat worden. Het moment dat de allochtoon het dialect van
zijn woonplaats wil en daadwerkelijk gaat leren, zie ik nog niet
aangebroken. Al ziet men her en der wel cursussen aangeprezen in het leren
van dialect en het schrijven ervan.
In navolging van voorgaande lexicografen blijven die van de jaren tachtig ook
constateren dat de dialecten veranderen. De auteurs van het Weertlands
woordenboek laten in dezen echter nieuwe geluiden horen ten aanzien van de
motivering om een woordenboek te schrijven. Ik citeer:42)
‘In een woordenboek vindt men veel materiaal overzichtelijk en
bruikbaar gerangschikt. De socioloog kan er de relaties tussen de mensen van
de betreffende dialectgroep onderling en de verhoudingen van de mensen tot
hun omgeving in zien. De historicus zoekt naar de achtergronden van bepaalde
ontwikkelingen of vindt argumenten in taalverschijnselen voor historische
veronderstellingen. De taalkundige haalt er de overeenkomsten en verschillen
met de omgeving uit en probeert daar verklaringen voor te geven.’
Zij zijn er ook van overtuigd dat de dialectspreker zijn of haar dialect
niet zo maar wil afstoten. Want dat blijft bruikbaar en zinvol voor de
informele contacten met plaatsgenoten, familie en vrienden43). Hun houding tegenover de veranderingen in het dialect die andere
lexicografen knarsetandend constateren en vaak betreuren, blijkt echter
verrassend laconiek44): ‘Het Weertlands wijzigt
zich voortdurend. Woorden gaan en woorden komen. Een levende taal dus, al
lijkt het benauwend dat talloze woorden uit het Algemeen Nederlands
overgenomen worden. Men bedenke daarbij echter dat het Nederlands op zijn
beurt massaal woorden aan het Engels ontleent’. Hier blijkt
berusting uit. Een heel andere houding dan het tandengeknars van Kooijman.
Hoe het dialect lexicaal verandert in ongeveer tachtig jaren laten ze zien
door wat zij noemen vier-generatie-woorden45). | | | |
Het Nederlandse ‘bijna’ heeft in het Weertlands een
ontwikkeling doorgemaakt van məkans - bəkans - bi-jnǭ
naar binǭ. Het Nederlandse
‘aanrecht’ is Weertlands aanrecht
geworden via potəbank - pompstęjn en ānręk. Een ‘kop’ koffie was
eerst een bak, toen een kom, vervolgens
een tas en nu een kø̨pkə. Het zijn wel heel
duidelijke voorbeelden van verandering en veralgemening, die men in het
Weertlands maar ik denk voor alle dialecten in Limburg met talloze
voorbeelden zou kunnen aanvullen.
Hoe gaat het nu verder met onze dialecten en het Nederlands in Limburg?
Handhaven de dialecten zich, winnen ze zelfs terrein of gaan wij,
Limburgers, alleen maar Nederlands spreken? Uit mijn verhaal heeft u kunnen
concluderen dat de dialecten onder zware druk staan; er is een tendens naar
nivellering en veralgemening. Wij hebben gezien dat de houding tegenover
dialect spreken in de jaren zeventig en tachtig redelijk positief is, zonder
dat deze houding nu aanleiding geeft tot meer dialect spreken. Er zijn
mensen in Limburg die zich idealistisch inzetten voor een bewustwording bij
de dialectspreker. Een bewustwording die de dialectspreker moet ontdoen van
zijn minderwaardigheidsgevoelens ten opzichte van de
niet-dialectspreker46). Spreek dialect ook tegenover mensen
die men niet kent, houdt Pierre Bakkes ons voor. Op zich genomen is dit een
acceptabel standpunt, maar houdt men hiermee het dialect van zijn of haar
plaats zo zuiver mogelijk? Zijn we dan toch niet op weg via regiolecten en
een soort Algemeen Limburgs te belanden bij het Algemeen Nederlands? Voor
mij is het duidelijk dat men het dialect, wil men het behouden en zo zuiver
mogelijk, het moet blijven spreken in de vertrouwde kring van dorps- en
stadgenoten, in kleinschalige verbanden met een eigen identiteit. Op deze
manier denkend kwam ik in 1981 tot een stelling bij mijn proefschrift47): ‘Een
eventuele herwaardering voor dialect spreken zou moeten voortkomen uit
nieuwe, kleinschalige samenlevingsvormen en identiteiten en niet uit de mond
van popzangers, cabaretiers en carnavalsprinsen’. Wat ik hiermee
wilde zeggen is dat het dialect iemand niet zo maar komt aanwaaien. Er zijn
veel meer voorwaarden nodig om dialecten in stand te | | | | houden, te
blijven waarderen of zelfs het gebruik ervan te doen groeien. Daarom ben ik
er ook van overtuigd dat in mijn stelling iets of veel utopisch schuilt in
een tijd waar slaapen groeisteden uit de grond gestampt worden en het
wegennet uit één file bestaat.
Utopia en idealisme zullen het spreken van dialect niet kunnen garanderen,
integendeel. Maar zolang er nog dichters en dichteressen de liefde voor het
dialect in hun moedertaal blijven bezingen, is er hoop op dat het dialect
nog niet spoedig zal uitsterven.
‘Miene limburgse mônk is mie inschtrument, 48)
mieng oëre mie klankbord, ich loester
zoë geer noa de taal va mieng limburgse eët,
die werm is, en woa-aa ich mich koester
zoë kan ich mar dinke, zoë kan ich mar
veúle,
zoë schpreëk ich mit hat en mit ziël
ich bin in mieng schproak alling mar gans zuuver
wen limburgse schnare ich schtriël.’
| | | | |
1)Shrinivāsi, Anjāli, Paramaribo 1964.
2)z. J. Goossens, Die Gliederung des
Südniederfränkischen. In: Reinische
Vierteljahrsblätter, 1965, blz. 84.
3)Hiervoor heb ik geraadpleegd de enquête van Schrijnen-Van Ginneken-Verbeeten(1914)
en Roukens' vragenlijst XIV vr. 1.
4)P.H.M. Shepherd, Van Taol
naar Taal, Maastricht 1946, blz. 5.
7)W. Roukens, Limburg, land, volk en kultuur, deel I. In:
Ons Limburgsch Heem, 1941 blz. 57.
8)W. Roukens,
Dialectbegrenzing in Limburg vooral met betrekking tot lexicologische en
syntactische isoglossen. In: Verslagen en Mededelingen
der Dialecten-Commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen te Amsterdam, IX (1947), blz. 34.
9)z. W.
Roukens, Limburg, land...., blz. 62.
10)z. H. Crompvoets, Het
Meijels, een overwegend Brabants dialect. Een micro-dialectgeografisch
onderzoek. In: Liber Amicorum Weijnen (red. J.
Kruijsen), Assen 1980.
11)z. G.F. Kooijman, Thematisch
woordenboek van het Tungelroys, Amsterdam 1985, blz.
XIV.
12)z. Kooijman blz. XVII.
13)J. Kats, De Dialecten van de Mijnstreek. In: Mijn en Spoor in goud. Jubileumuitgave 1952 (red. M.
Kemp), blz. 318.
14)z. J. Kats, Mijn en Spoor in goud,
blz. 318.
15)z. J. Kats, Mijn en Spoor in
goud, blz. 318.
16)Corn. Verhoeven, Het gewicht van de buitenstaander,
Bilthoven 1972.
17)A. Weijnen,
Sociodialectologische onderzoekingen in Limburg. In: J. Daan en A.
Weijnen ‘Taalsociologie’, Amsterdam, BMDC 32 blz. 16-27.
18)J. Notten, De
Chinezen van Nederland, Valkenburg 1974, blz. 13.
19)z. J. Notten, De
Chinezen..., blz. 12.
20)z. J.
Notten, De Chinezen..., blz. 12.
21)A. Hagen, P. Stijnen, A. Vallen, Dialekt en
onderwijs in Kerkrade, Nijmegen 1975 (uitg. NCDN-Nivor), blz.
40.
22)z. A. Hagen, P. Stijnen, A. Vallen, blz. 40.
23)z. A. Hagen, P.
Stijnen, A. Vallen, blz. 40.
24)z. A. Hagen, P.
Stijnen, A. Vallen, blz. 40.
25)z.
b.v. P.C. Paardekooper, ABN en Dialekt, Den Bosch
1969, 3 de druk, blz. 6.
26)z. J. de Rooij, We zeggen gewoon de
Maas. In: Veldeke jrg. 51 (1976) nr. 1/2 blz.
43-46.
27)z. J. de Rooij, We
zeggen ..., blz. 44.
28)Dialectenonderzoek in Venray (een enquête gehouden door
Veldeke-Venray). In: Veldeke jrg. 48 (1973) nr 4, blz.
4.
29)z. J. Daan.. (et
al.), Onze veranderende taal, Utrecht/Antwerpen 1985,
blz. 91.
30)z. Th. v.d. Voort, Het dialekt van de gemeente Meerlo-Wanssum, Woordenboek met inleiding, Amsterdam 1973, blz.
10.
31)z. P.J.G. Schelberg, Woordenboek van het
Sittards dialect Amsterdam 1979, blz. XLVII.
32)z. G. Jaspars, Groéselder Diksjenèr, Woordenboek van
het Gronsvelds dialekt, Gronsveld 1979, blz. XXIII.
33)Een onderzoek in Maastricht in 1979-1980 naar de
taalsituatie van eerstejaars op de Middelbare School (Havo-VWO). z. B.
Weltens, J. Sonderen, Dialect and Standard Dutch in the first year of
secondary school (te verschijnen in: Cheshire J., V. Edwards, H.
Münstermann en B. Weltens (eds), Dialect and
education: some European perspectives, 1988).
34)H. Giesbers, Bidialectaal code-wisselen. Een taalkunde-colloquium op 30
november 1984.
35)Herman Giesbers en Sjaak Kroon, Dialect en standaardtaal in Ottersum,
de sociodialectologische ontwikkeling van een Nederlandse
dorpsgemeenschap. In: J. Taeldeman en H. Dewulf (eds.), Dialect, standaardtaal en maatschappij, Leuven/Amersfoort 1985
(blz. 89-105), blz. 94.
36)Rob Vousten, Mieke Smits, Henk
Schroen, Dialectverlies en dialectbehoud bij Middelbare Scholieren in
Venray en Deurne (een samenvatting van de doctoraalscriptie, Nijmegen
1985). Te verschijnen in: Taal en Tongval 38 (3-4),
1986, blz. 135-148.
37)z. Rob Vousten e.a., Dialectverlies ...., blz.
4.
38)z. Rob Vousten e.a., Dialectverlies ...., blz. 10.
39)z. G. Kooijman, Thematisch woordenboek van het
Tungelroys, Amsterdam 1985, blz. XIV.
40)J.C.P. Kats, Remunjs Waordebook,
Roermond 1985.
41)Weertlands Woordenboek, uitg. Veldeke-krînk
Wieërt, Weert 1983.
42)z. Weertlands Woordenboek, blz. 11.
43)z. Weertlands Woordenboek, blz.
11.
44)z. Weertlands
Woordenboek, blz. 16.
45)z. Weertlands Woordenboek, blz. 16.
46)Pierre Bakkes, Beleefd
zijn, beschaafd zijn, en dialekt spreken. In: Veldeke
jrg. 60 (1985) blz. 24-28.
47)Zie de stellingen bij: Herman Crompvoets, Veenderijterminologie in Nederland en Nederlandstalig
België, Amsterdam 1981.
48)Uit: Marijke Ozek-Gulpers, Mieng modderschproak,
in: Veldeke jrg. 58 (1983) nr. 1, blz. 22.
|
|