Verzameld werk 3. Verhalen (ed. Pierre H. Dubois)


auteur: Cola Debrot


editeur: Pierre H. Dubois


bron: Cola Debrot, Verzameld werk 3. Verhalen (ed. Pierre H. Dubois). Meulenhoff, Amsterdam 1986


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 304]

De vervolgden

Voor mijn dochter Jane Marie

In de vroege middag bereikte de vrij grote kano de zuidelijke keten van de baai. De Indianen, een kleinere aan bakboord, twee grotere aan stuurboord, moesten alle krachten bijzetten om niet door de golven te worden opgenomen en tegen de rotsen te worden gesmeten. Zij bleven pagaaien met het gezicht op de noordelijke keten die zich voor hen uitstrekte met haar terras met rijen cactusstengels. Toen zij de cactusstengels aan het eind van de keten op duidelijk zichtbare afstand waren genaderd, maakten zij een slag om en lieten zich door de stroom naar land drijven. Bij de oever gekomen sprongen zij vrijwel gelijktijdig uit de kano. Zij namen alle drie een pagaai en een mand van gevlochten riet mee. In een van de manden bevonden zich nog levende vissen die bij tijd en wijle spartelden en dan weer stil bleven liggen. De Indianen trokken de kano voor de helft op het strand en bewogen zich met hun manden en pagaaien in de richting van de spelonken die zich aan het eind van het noordelijk terras bevonden. Zij keken op hun weg op het land telkens behoedzaam om zich heen. Voordat zij een bepaald vertrek van de grot voor hun installatie hadden uitgekozen, dwaalden zij eerst de gehele spelonk door, met hun bezittingen vast in de handen. Zij doorliepen eerst drie zalen, waar het duister bleef toenemen; in de volgende vertrekken werd het weer lichter omdat het gewelf hier en daar vrij grote erosie-gaten vertoonde. Een van de aangrenzende vertrekken, dat men wel een zaal mocht noemen, werd door de mannen voor bewoning geschikt bevonden, het beschikte niet over een erosie-opening in het rotsdak maar het licht uit de naastliggende vertrekken zou hen van het verloop van de tijd op de hoogte houden. Zij legden hun pagaaien en manden

[p. 305]

neer, de vissen hadden het begeven, zij spartelden in ieder geval niet langer. Uit een van de manden werd een buidel van apura-katoen te voorschijn gehaald dat ondoorlaatbaar is en daarom bij uitstek geschikt om een zekere voorraad drinkwater mee te sjouwen. Zij namen enkele slokken en begaven zich naar buiten. Zij hurkten aan het strand neer en keken naar de zon die langzaam onder de horizon verdween. Heel langzaam. Zij behoorden tot de stam van de Caiquetíos die de groene straal vereren, en wachtten dus in spanning op het ogenblik dat de groene straal bij het ondergaan van de zon loodrecht omhoogflitst. Zij legden ten teken van broederschap de handen op elkaars schouders, de broeder van het water, die in de eerste plaats voor de aanwezigheid van water zorgde; de broeder van de spierkracht, omdat hij de meeste kracht uitoefende bij het pagaaien; en de kleinste, de broeder van de tekeningen, omdat hij steeds geneigd was tekeningen in de wanden van de grotten te krassen.

Zij sprokkelden hout in de omgeving en verdwenen weer in de spelonk. In de zaal met het geërodeerde gewelf maakte de grote gebruik van zijn vuursteen, een kostbaar voorwerp dat hij altijd voorzichtig in zijn mand meedroeg, mede ook omdat hij meende dat het de vissen een bijzondere smaak verleende. Hij prepareerde de vissen die vervolgens op Indiaanse wijze aan de ene zijde gedurende langere tijd werden gebraden dan aan de andere. Het duurde niet lang of zij zaten er gezellig met z'n drieën te genieten van de vis die de Caiquetíos ‘chacusco’ noemden, met een dikke schijf cactus waarvan zij waarschijnlijk ten onrechte meenden dat die een verdovende invloed uitoefende. Daarna zetten zij zich neer tegen een van de brede druipsteenzuilen en luchtten hun hart. Zij hadden van hun stamgenoten van het vasteland en de andere eilanden wonderlijke dingen gehoord. Sommigen vertelden dat zij op zee hoge bouwsels van wisselende kleuren hadden zien drijven met zeilen van onvoorstelbare afmetingen en kleurige doeken in de top van de masten. Anderen vertelden van mensen die half dier en half mens waren of die uit een buis knallen teweegbrachten die terstond de dood veroorzaakten. Zij wisten

[p. 306]

niet wat zij van deze vreemde verhalen moesten denken, wel bevroedden zij dat er dreiging in de lucht hing. Zij namen nog een schijf cactus en in een toestand van bedwelming verzekerden zij elkaar dat zij niet hoefden te vrezen zolang zij voor de groene straal hurkten aan het strand.

De volgende dag leek alles zijn gewone gang te zullen gaan. De twee grote mannen zorgden voor de vissen, de schijven cactus en het water, de kleine was druk bezig zijn tekeningen op de wand aan te brengen. Het was een gewemel van lijnen die soms tot vissen en vogels uitgroeiden. Het ritme van de hand werd gevolgd door een geneurie dat waarschijnlijk van de tekenaars van de Amazone afkomstig was.

Tegen zes uur hervatten zij hun ritueel, zij begaven zich naar het strand en hurkten neer in afwachting van de groene straal. Zij bleven ditmaal in de houding van het ritueel, nog geruime tijd nadat het licht van smaragd omhooggeflitst was. In de spelonk brachten zij de avond niet veel anders door dan de dag tevoren, alleen maar vermeden zij de gesprekken over de vreemde voorwerpen die hun geest voortdurend in beroering hielden, de hoge bouwsels, de mensdieren en de buizen die onzichtbaar in het luchtruim knallen. Hoewel zij zich minder van de cactusschijven hadden bediend, vielen zij al spoedig in diepe slaap, maar midden in de nacht gebeurde iets uitermate zonderlings. Zij werden gewekt door een kloppen tegen de wanden van de spelonk dat niet minderde maar integendeel tot een heftig bonzen aanzwol. Zij hadden de neiging naar buiten te vluchten, maar vreesden dat zij zich dan juist in een catastrofe zouden storten. Tenslotte trokken zij zich in een van de donkerste vertrekken terug en kropen samen in een hoek, terwijl zij aan alle kanten door het bonzen werden bedreigd, waarvoor zij geen verklaring konden vinden en ook geen verklaring zochten.

De volgende ochtend kon de broeder van de spierkracht nauwelijks wakker worden, hij had een rode kleur alsof hij urenlang in de zon had gelegen of als een chacusco was gebraden. Toen hij zijn ogen tenslotte opendeed, hoorde hij de anderen waarschuwen: ‘Wij moeten weg, wij moeten zo gauw

[p. 307]

mogelijk weg. Wij gaan naar de spelonk van het noorden, daar hebben wij voldoende water, daar hebben wij een overvloed aan leguanen, daar blijven ze vast weg met hun kloppen en bonzen.’ De broeder van de spierkracht bleef wezenloos voor zich uit kijken. De spelonk van het noorden, dat betekende dat zij de noordkaap moesten ronden. Hij zag al de berghoge golven op hen af komen stormen, hij had het gevoel dat zij het ditmaal niet zouden halen, dat zij ditmaal door de golven zouden worden verzwolgen.

De drie mannen namen hun bezittingen, de pagaaien en de manden, en begaven zich naar de kano. Zij duwden hem in het water, de grote nam plaats aan bakboord, de twee anderen aan stuurboord. Zij pagaaiden in een rustig tempo naar het einde van de noordelijke keten, waar zij een sterke stroming verwachtten, maar deze bleef gelukkig uit. Zij pagaaiden zo dicht mogelijk langs de kust, het water was er spiegelglad. Zij voeren eerst langs een bos van kibrahacha die in volle bloei stond met zijn weelde van gele bloemen, en van cactussen waar de papegaaien omheen vlogen met die onrust die de paartijd met zich meebrengt. Het waren niet de groenblauwe papegaaien van het vasteland maar de groengele van iets kleiner formaat van de eilanden.

De mannen zouden graag aan land zijn gegaan, daar moest zonder twijfel een verkwikkende bron zijn, maar zij begrepen wel dat zij zich dan aan gevaar blootstelden, zij wisten trouwens niet of er een grot was voor langere of kortere behuizing. Vervolgens voeren zij langs een pekelmeer met de grote rose vogels die de Indianen ‘chogogo’ noemen naar het geluid dat zij maken bij het afschuimen van het water van pekelkorreltjes. De heuvels rondom het meer waren aan de basis rood en kaal vanwege het zoutgehalte van het water, maar hogerop waren zij welig begroeid met bomen en struiken die men moeilijk van elkaar kon onderscheiden. De chogogos stonden vlak naast elkaar, maar namen verschillende houdingen aan. Sommige keken recht voor zich uit, andere spiedden in het water, weer andere hielden hun lange hals onder een vleugel verborgen of trachtten een deel van hun hals om de eigen hals te

[p. 308]

draaien. Ongeveer op hetzelfde ogenblik als de kano de noordkaap naderde, stegen de vogels op en volgden de kano tot deze het gebied van de hoge golven had bereikt. Zij weken toen naar het zuiden af, waarschijnlijk in de richting van het vasteland. De drie mannen vroegen zich af of de manoeuvres van de vogels als een gelukkig teken moesten worden beschouwd, maar weldra werd hun aandacht geheel in beslag genomen door de strijd met de golven. Zij moesten ervoor zorgdragen de kop van de kano recht tegen de golf te houden totdat zij de top hadden bereikt. In het dal moesten zij zich zo snel mogelijk voorwaarts bewegen. Deze afwisseling van bewegingen moesten zij ruim drie uren lang volhouden. Het was al middag toen zij de kaap hadden gerond en weer in kalm water konden pagaaien.

De noordelijke spelonk lag aan een betrekkelijk kleine baai die zij in het Caiquetío de Tambebamba noemden. Een steile en smalle weg voerde naar een terras van kalkgesteente in een van de meest desolate landschappen van het eiland. Aan de oostkant werd het begrensd door een woelige zee die voortdurend door de brandingsnissen schuurde. Aan de westkant lagen de grotten waarvan het gewelf overging in een gebied van allerlei cactussen, stengel-, meloen- en bladcactussen, temidden van een geharrewar van ondefinieerbare doornstruiken. Het wemelde hier van groene leguanen, ze leefden er waarschijnlijk van voedzame grassoorten en insekten, vooral blauwe mieren die het gezichtsvermogen hadden verloren en nu maar verkwikking zochten op de tongen van de leguanen. De leguanen verkeerden door vadsigheid of door filosofische overwegingen in de mening dat de bewegingen in de buitenwereld grotendeels schijnbewegingen waren waarop zij niet hoefden te reageren. Het resultaat was dat de geoefende jager het dier makkelijk achter in de kraag kon vatten en zonder veel moeite met de krachtige spieren van de handpalm kon kelen. De preparatie van de groene leguaan levert weinig moeilijkheden op omdat het vel vrij los aan het lichaam hangt zodat het villen in een handomdraai is gebeurd, vooral als men de routine van de Caiquetíos bezit.

[p. 309]

De broeder van de spierkracht had reeds een leguaan gevangen voordat de drie mannen een woonplek in de spelonk hadden uitgekozen, waarvan het plafond nergens erosie vertoonde, maar de drie brede openingen aan de ingang lieten genoeg licht toe in de voorste vertrekken. Men moest wennen aan de zware golfslag die dag en nacht tegen het kalkgesteente schuurde en beukte. Bovendien was de groene straal, die zich 's ochtends in het oosten moest vertonen, slechts zelden duidelijk zichtbaar omdat zij meestal door de woelige zee en de wolkenmassa's werd verdoezeld.

De Caiquetíos meenden dat het triestige landschap met zijn kalkgesteente en zijn achterland met veelsoortige cactussen en doornstruiken, met groenbuikleguanen en onooglijke blauwe mieren, het voordeel had dat de vreemdelingen zich waarschijnlijk niet hier zouden wagen.

Zij brachten er de dagen vrij rustig door. De spierkracht ving de leguanen, de broeder van het water wist altijd het kostbare vocht op te sporen uit naden en geulen van het terras en de tekenaar kraste in de wanden zijn ongewone tekeningen terwijl hij zong van de Amazone en de Orinoco die hij naar alle waarschijnlijkheid nooit had gezien. 's Avonds genoten zij van het groene reptiel en de schijven cactus, eveneens groen. Zij hielden daarna gesprekken waarin zij de ene avond hun angst tot uitdrukking brachten en op een andere avond deze juist trachtten te verdringen.

Zij moesten er wel een week in pais en vree hebben doorgebracht toen zij weer onverwacht door een reeks uiterst gevaarlijke ervaringen werden overrompeld. Het was in de vroege ochtend toen zij gewekt werden door een rad praten in een taal die zij nooit eerder hadden gehoord. Het was in ieder geval geen Caiquetío of een andere Arowaakse taal. Zij traden naar buiten en werden door de meest wonderlijke verschijningen verrast. In de verte zagen zij een van die veelkleurige bouwsels waarvan zij door hun stamgenoten hadden horen spreken. Het anker was uitgeworpen, de half gereefde zeilen woeien in de wind. Het leek of het schip stil lag en toch bewoog, zoals men ziet bij het verschijnen van fatamorgana's.

[p. 310]

Op het terras, dicht bij de weg naar de baai, stonden enkele personages die naar kleding en houding te oordelen van verschillende rang en waardigheid moesten zijn. Zoiets ging er tenminste in de hoofden van de eenvoudige Caiquetíos om.

Hun belangstelling ging eerst uit naar de drie personages die opvielen door hun kleurige kleren met pofmouwen en pofbroeken en tevens door de golvende rand van hun vilten hoeden. De ene droeg kleren in de Castiliaanse kleuren rood en geel en de twee anderen, die aanmerkelijk jonger waren, in de kleuren blauw en geel van een meer bescheiden provincie. Iets meer naar voren stond een jongeman, in zwarte soutane met een zilveren kruis op de borst, die in een gesprek met een tolk gewikkeld was. De tolk vroeg de Caiquetíos of zij hier woonden, waarop zij van ja knikten. Van ja of zoiets dergelijks, blijvend wonen deden hier alleen de leguanen van het groene soort. De tolk weerde geïrriteerd af toen zij ook de mieren erbij betrokken, die zich hier alleen op doortocht bevonden, en ging toen over tot het uitspreken van zijn officiële boodschap.

De personages met de kleurige kleding waren de officieren van het schip dat zij in de verte konden zien. Het heette de Infanta Combita, het zou het terras met al zijn grotten met één schot uit elkaar kunnen schieten, maar het zou dat natuurlijk niet doen zolang er geen dringende reden toe was. De figuur die naast hen stond in de lange jas, zoiets heette een soutane, was de aalmoezenier van het schip, hij was een van de priesters van de vreemdelingen. Zijn zwarte platte hoed hing achter op zijn hoofd aan zijn kinband, dat was niet een vereiste voor een aalmoezenier, dat was alleen maar om te voorkomen dat het ding zou wegwaaien. Van de priester had de tolk naar zijn zeggen de opdracht gekregen de Caiquetíos tot het ware geloof te bekeren. Het geloof van het kruis zoals de priester er een droeg op zijn borst. Zij moesten zonder dralen hun sympathieën voor de blauwgroene papegaaien en de kaketoe met de boze kuif opgeven. Die hadden niets te betekenen. De Caiquetíos moesten zich zo spoedig mogelijk bekeren tot het ware geloof van de verlosser die op een vrijdagmiddag voor

[p. 311]

hen aan het kruis was gestorven. De priester mummelde daartussendoor ‘a las tres de la tarde, a las tres de la tarde’, blijkbaar verstond hij enkele woorden van het Caiquetío. Hij begreep ook wel, zo vervolgde de tolk, dat zij het nieuwe geloof niet in enkele minuten in zijn volle diepte zouden kunnen vatten. Hij had gemeend hen te kunnen helpen door hun een wit kruis aan een snoer te schenken zodat zij het om hun hals konden dragen. Het was gesneden van een houtsoort uit zijn geboorteland, een zeer arm land dat Extremadura heette. De priester mummelde ‘Badajoz, Llenares, San Benito, Medellin’, waarschijnlijk de namen van de parochies waar hij zijn loopbaan begonnen was. Andere priesters zouden komen om hun de diepten van het geloof te onderwijzen. De aalmoezenier mummelde ‘mea culpa, mea culpa, mea culpa...’ Zij konden voorlopig volstaan met het kruis te kussen en te bidden dat de verlosser hun de nodige hulp zou bieden. Sanctificado sea tu nombre. De tolk eindigde met de waarschuwing dat zij moesten doen zoals de priester had bevolen, anders zouden zij in de puinhoop eindigen

De commandant keek een poos in stilte om zich heen en trachtte een tranchant woord te vinden. Hij meende dat het ritueel niet was voltooid en dat de priester, deze sufferd of ronduit ‘klootzak’, die hij al naar zijn bloeddruk als pater, aalmoezenier, kapelaan en kerkvader aansprak, zich aan een ernstig verzuim had schuldig gemaakt.

Hij had het eindelijk gevonden: ‘Kerkvader, nu moet een van deze zakken aan de kruispaal worden gehangen.’

‘Wilt u dan een van de jongens kruisigen?’ vroeg de aalmoezenier in uiterste verbazing.

‘Ja, daar zou ik prijs op stellen. Ik laat een paar balken van het schip halen. De meester-timmerman zal geen moeite hebben dat karwei op te knappen. Wij kunnen het kruis oprichten iets links van die cactus daar waar de parkiet juist weggevlogen is. Neen, nog iets meer naar links.’

Hij wees met zijn hand alsof hij de naald van een kompas volgde.

De aalmoezenier of kapelaan of kerkvader was nog altijd

[p. 312]

niet van zijn verbazing bekomen: ‘Maar wilt u dan zomaar een van de jongens kruisigen?’

‘Ja,’ antwoordde de commandant, ‘dat lijkt mij gewenst en nuttig. Wij moeten de mensen hier ontzag inboezemen, net zoals de Puniërs en de Romeinen dat deden.’

‘Maar deze jongens hebben niets gedaan, commandant. De Puniërs en de Romeinen waren in oorlog met elkaar gewikkeld.’

‘Geef ze dan maar onverwijld vijftig geselslagen.’

‘Geselslagen?’

De commandant had eensklaps genoeg van deze discussie over de strategie van de Puniërs en de Romeinen die deze halfnaakte oerwezens nauwelijks een blik waardig zouden hebben gekeurd.

‘Je hebt gelijk, kerkvader, zij zijn niks waard, geen kruisiging, geen geseling, laat ze maar naar hun mallemoer lopen. En laten wij naar onze officieren, onderofficieren en manschappen terugkeren.’

De Caiquetíos begrepen dat er een ernstig gesprek had plaatsgevonden dat bijzonder slecht voor hen had kunnen aflopen, en dat zij hierbij het leven hadden behouden dank zij de bemiddeling van de priester met zijn hoed achter op het hoofd. Zij wilden naar hem toe gaan om hem te bedanken, met een omhelzing bijvoorbeeld, en hem een geschenk aan te bieden, misschien wel een leguaan, maar de tolk kwam tussenbeide en vertelde dat dit niet de gewoonte was bij de vreemdelingen die niet op omhelzingen en nog minder op leguanen waren gesteld. Zij bleven maar staan kijken hoe de sloep van de wal naar het schip werd geroeid, met de ritmische slagen van de riemen, waarvoor zij aanstonds een grote bewondering opvatten. Dat was nog iets anders dan het miserabele pagaaien door goed en slecht weer waarbij je toch eenmaal gewis en zeker aan de haaien bent overgeleverd. Zij hadden graag op hun manier de kerkvader uitgewoven, maar het was inmiddels tot hen doorgedrongen dat de vreemdelingen evenmin op sympathiebetuigingen van deze aard gesteld waren.

De volgende ochtend deelde de tekenaar aan zijn stamge-

[p. 313]

noten mede dat hij in zijn slaap op bezoek was geweest bij de tovenaar van het vasteland en dat deze hem bijzonder gastvrij had ontvangen. De tovenaar had met zijn zevenkleurige steen het vuur der Alwetendheid aangestoken en voorspeld dat de Caiquetíos spoedig de zee zouden oversteken en een gunstige toekomst tegemoet zouden gaan. Wel zouden zij zich voor de monsters moeten hoeden, nog meer onder de mensen dan onder de dieren. Hij had letterlijk gewaarschuwd dat zij zich moesten hoeden voor monsters en viervoudige moordenaars.

De broeder van de spierkracht nam deze dubbelzinnige mededeling nogal ernstig op. Zij zouden een gunstige periode tegemoetgaan maar zich tegelijk voor monsters en moordenaars moeten hoeden.

Twee dagen later vertelde de tekenaar dat hij weer in zijn slaap een bezoek had gebracht aan de tovenaar van het vasteland bij Caracas, en dat deze opnieuw het vuur van de Alwetendheid met zijn zevenkleurige steen had ontstoken. De tovenaar had ditmaal gewaarschuwd dat zij bijzonder op hun hoede moesten zijn voor hun beschermers. Zij hadden aan de Amazone de leguaan, de krokodil en de traagloopaap als beschermers vereerd, maar de veroveraars waren gekomen en hadden deze beschermers zonder aanzien des persoons als voedsel verorberd. De Caiquetíos waren toen naar het noorden getrokken, naar de Orinoco, en daar hadden ze een verering opgevat voor de blauwgroene papegaai. De blauwgroene papegaai was de enige beschermer die hun naam feilloos kon uitspreken. ‘Caiquetío, Caiquetío.’ Mede door deze feilloze klanknabootsing hadden de veroveraars spoedig de aanwezigheid van hun concurrenten ontdekt. De vogels werden voortaan in kooien gevangen gehouden en hielden niet op de naam van hun vorige vereerders na te bootsen, tot groot vermaak van de veroveraars.

De Caiquetíos waren naar het noorden, naar het gebied van de zee getrokken, waar zij door de flits van smaragd tot in het diepste van hun hart werden getroffen, maar ook daar is het niet bij gebleven. Wat moesten zij nu doen met het witte kruis? En later met het ebonieten en gouden kruis? Bestonden die

[p. 314]

wel, het ebonieten en gouden kruis? De tovenaar waarschuwde dat alle beschermers een ochtendrood en een avondrood kennen. Hij had letterlijk gezegd: Alle idolen hebben een ochtendrood en een avondrood. Ergens daartussenin gedragen zij zich als monsters van het ergste soort.

De broeder van de spierkracht vroeg of hij ook voor viervoudige moordenaars onder de idolen had gewaarschuwd. Op viervoudige moordenaars bleek hij, als de meeste mensen, nog het minst gesteld.

Enkele dagen later was de tekenaar nogmaals op bezoek geweest bij de tovenaar van het vasteland, die de laatste tijd voornamelijk resideerde in de Quebrada de la Vieja, de Kloof van het Stokoude Wijf, tussen de stammen van de Toromanía-Indianen, maar de tovenaar had een zonderlinge verandering ondergaan. Dios mío, hoe is het mogelijk? De Alwetende was bezig in een formatie van poreus puimsteen over te gaan. Zijn mond stond half open alsof hij iets bijzonder pijnlijks wilde zeggen, zo pijnlijk dat zijn lichaam het niet had kunnen verdragen en een uitvlucht in een andere materie had gezocht. De tekenaar bleef naar de blauwachtig versteende tovenaar kijken, in de hoop dat hij tot zijn vorige gedaante zou terugkeren, maar het omgekeerde had plaats. Er verscheen een waas waarvan de herkomst niet kon worden vastgesteld, en de tovenaar verdween in het waas en met het waas in het niets. Toen het waas was opgetrokken bevond hij zich in zijn droom op het terras vanwaar hij een schip zag liggen dat veel weg had van de Infanta Combita, maar ook aanmerkelijke verschillen ermee vertoonde, vooral door het boegbeeld met de bizarre borsten, die zich eerder als starre tieten en dolle prammen voordeden, alsook aan de dieprood geverfde wangen en popachtige pruilmond. Het schip had alle zeilen gehesen en loste nu, mogelijk om het terras te vernietigen, een schot, maar tegelijk ontwikkelde zich midscheeps een enorme vlam. Het schip werd in een explosie uiteengereten en vloog in grotere en kleinere brokken in de lucht. Enkele minuten later dreven er nog enkele stukken op het water, dat zich blijkbaar met duizend glinsteringen van de wrakstukken trachtte te ontdoen.

[p. 315]

De zee werd tenslotte in het hemelruim opgenomen zoals het poreuze puimsteen van de tovenaar in het blauwe waas was verdwenen.

In de vroege ochtend werden de Caiquetíos door een bonzen gewekt, bijna even luid als het lawaai dat zij in de spelonk van het westen hadden gehoord, maar het duurde betrekkelijk kort. Daarop volgde een kletteren als van stenen die tegen elkaar geslagen worden. Meteen ontstond een hels lawaai van mensen die in de vreemde taal en gebroken Caiquetío schreeuwden. Het waren vloeken van de ergste soort, waar je zelfs de baarlijke duivel nauwelijks mee te lijf zou durven gaan: hijos de puta del culo ardiente y del coño que abre y cierra (kinderen van de hoer met de hete reet en de schaamte die open en dicht flapt). Zij konden de woorden nauwelijks verstaan. In ieder geval begrepen zij dat het geraden was de spelonk te verlaten. Buiten werden zij niet eens zo erg verrast. Het bleek algauw wat er gaande was, al wisten zij niet direct of dit veel goeds of veel kwaads beloofde. Aan de rand van het terras zagen zij drie ruiters in zwarte broek met blauwe buis en vilten hoed van dezelfde kleur. Naar de verhalen te oordelen die zij eerder hadden gehoord konden de grote dieren niets anders dan paarden zijn. Het waren vlammend rode dieren die duidelijk van betere kwaliteit moesten zijn dan hun berijders. Om een of andere reden vertelden de ruiters met trots dat zij tot de wachtmeesters van de Spaanse cavalerie behoorden. Naast hen stond een onderofficier van de Indiaanse bewakingsdienst, de servicio de vigilancia, met linnen broek en jas van een amandelgele kleur en een slap hoedje eveneens van dezelfde kleur. Hij had de typische uitdrukking, half ernstig half pijnlijk, die men vaak bij Indianen en mestiezen aantreft. Aan de enigszins brede gordel om zijn middel droeg hij behalve een pistool, een mes, een dolk uit Toledo en de drievoudige dolk die uit Tenochtitlan afkomstig was. De drievoudige dolk behoorde tot de meest gevreesde wapens omdat zij de ribben met een enkele steek volledig uiteenrijten. Het asgrauwe paard dat naast hem stond, beladen met zakken en buidels voorraad, was mogelijk van nog betere kwaliteit dan de vlammend rode

[p. 316]

van de blauwbuizen. Het is nu eenmaal zo dat ook bij paarden schijn bedriegen kan, maar je moest toch een kenner zijn om je hierover een oordeel te kunnen aanmatigen. Later zouden zij begrijpen dat de bewakers ‘amarillentos’ werden genoemd vanwege de kleur van hun kleren en ‘armados’ vanwege de steekwapens en vuurwapens aan hun gordel.

Hij nam eerst de wachtmeesters met een vastberaden blik op en liep toen naar de gevangenen die bij de ingangen van de grotten stonden. Zij hadden er een dertigtal gevangen genomen op het schiereiland van de leguanen, waarvan de meesten naast elkaar hadden geleefd maar elkaar nooit hadden ontmoet. Het waren de spoken en schimmen die zij tegenkwamen als zij weleens 's nachts hun behoefte moesten doen tussen de cactussen en de doornstruiken.

‘Hoor eens jongens, ik ben niet beter dan jullie, ik ben ook maar een inboorling met het idool van de Toromanías. Misschien ben ik wel een mesties. Trek je hier niet zoveel van aan, de eerste week zijn jullie gevangenen en daarom worden jullie geboeid, anders kruip je weer bij de leguanen, daarna zijn jullie onderdanen en kun je vrij rondlopen.’

Hij boeide de gevangenen drie bij drie. De broeders kwamen bijna geheel achteraan. Toen dit karwei geklaard was gaf hij het bevel: ‘Kom wij gaan.’ De bewaker ging voorop met het asgrauwe paard aan de teugels, dan volgden de geboeide gevangenen. De rij werd afgesloten door de sargentos de la caballería, die tevens de titel droegen van bestuurders van het eiland maar met zo weinig egards door de amarillento werden behandeld dat de Indianen zich afvroegen of zij ook aan de omgang met de leguanen onttrokken waren en eveneens als gevangenen, maar dan als gevangenen te paard, moesten worden beschouwd.

Om zich een air te geven riepen de Spanjaarden op goed geluk ‘a la derecha’, ‘a la izquierda’, ofschoon er geen zijwegen waren en het dus weinig zin had om naar rechts en links te verwijzen. Het begin van de tocht leverde weinig plezier, de gevangenen moesten met z'n drieën langs een vrij smal pad lopen, met links en rechts een welige bloei van bladcactussen,

[p. 317]

brandnetels en pegasayas. Daarbij kropen de blauwe mieren die hun tocht op het eiland voortzetten tot in de liezen van de gevangenen, terwijl zij door hun boeien verhinderd werden zich behoorlijk te krabben. Ook de paarden hadden last van de insekten en konden niet anders doen dan in het zand stampen.

‘Hou je teugels slap, don Pedro de la Mancha. Je paard mag niet stampen,’ merkte de Indiaanse bewaker op zonder om te kijken.

‘Tegen wie heb je het, sargento?’

‘Tegen jullie alle drie. Voor mij heten alle Spanjaarden don Pedro de la Mancha.’

De Spanjaarden keken elkaar aan maar beslisten verdere discussie te vermijden.

Na enkele uren veranderde het landschap, de weg werd breder en de cactusvegetatie maakte plaats voor de kibrahachas met de gele bloesems en de iets lagere kwihi-bomen die hun peulvruchten loslieten telkens als een windvlaag door de takken woei. De bewaker raapte telkens een handvol peultjes op, waarvan hij er enkele in zijn eigen mond stak, enkele tussen de lippen van zijn paard stopte en de rest onder de gevangenen uitdeelde.

Op zeker ogenblik gelastte de bewaker dat zij halt moesten maken. De Spaanse wachtmeester, een van de don Pedro's, merkte op dat het leek of zij op een pleziertocht waren. ‘Dat zijn wij ook,’ antwoordde de bewaker. De boeien werden losgemaakt en de mensen kregen enkele slokken water en een arepa. Hij zorgde ervoor ditmaal de Spanjaarden niet over te slaan, die zich zo langzamerhand afvroegen of de amarillento het op vijandigheden wilde laten aankomen of alleen maar een soort plaaggeest was. Als Spanjaarden hielden zij weinig van gewapende plaaggeesten.

Na enkele ogenblikken stapten zij weer op, het landschap bleef vrijwel onveranderd totdat het dorp Conchera in zicht kwam. Hij had met opzet de gevangenen niet de boeien omgedaan; hij vond dat men niet met geboeide mensen in het dorp kon komen. Boeien suggereerden altijd iets van schurkachtig-

[p. 318]

heid en daar kon men deze eenvoudige jongens met hun lendendoek niet van betichten.

Het dorp bestond uit zes of zeven grotere en kleinere ranchos op een heuvelhelling met aanplantingen van palqui-aloë, sorghum-maïs en vruchtentuinen van mispels, mangos, meloenen en daartussendoor ook enkele kokospalmen.

Zij werden opgewacht door een onderofficier, Conchera, naar wie het dorp was genoemd. Hij leidde de gasten naar binnen in een ruim vertrek van mahoniehout. Hij sloeg met zijn oude knokige handen tegen het hout. ‘Dat is het geluid van puur mahoniehout. Geen ander hout kan dat geluid afgeven, caoba. Als je dat onthoudt kunnen ze je nooit in de maling nemen.’

Het werd al donker, de kaarsen werden door een oude vrouw aangestoken. Zij kregen allen een plaats op een bank aan twee lange tafels. De oude vrouw bracht blikken bekers en begon meteen de pulque uit de kan te schenken.

‘Je mag wel bedenken dat het sterke drank is. Als je maar weet dat ik het je graag gun.’

De maaltijd bestond uit gekruide arepa, die zij niet kenden, en de chacusco, die zij maar al te vaak hadden gegeten. Daarna werden vruchten in manden opgediend, de meesten hadden de voorkeur voor mispels en avocado's.

Het gesprek werd vrijwel uitsluitend door de oude Conchera gevoerd en bepaalde zich tot zijn ervaringen op de laatste dagen van Tenochtitlan. ‘Het is niet om aan te denken en toch moet je er telkens aan terugdenken. Dag en nacht. Wij werden op 24 juni 1520 ingezet. Het was de bedoeling dat wij niet tot gevechtshandelingen zouden overgaan maar zo veel als mogelijk de rust zouden verzekeren. De eerste week was het rumoerig, maar toch niet wat je onrustbarend zou noemen. De tweede week veranderde de toestand, er braken overal branden uit zonder dat wij de brandstichters konden opsporen. In de nacht van woensdag op donderdag hoorden wij overal de hoeven van de paarden en het bevel van de cavaleristen dat wij de stad moesten prijsgeven: “Retírense. Abandonen la ciudad.” Wij zagen eerst hoe het paleis in vlammen opging en vervol-

[p. 319]

gens alle wijken daaromheen. De cavaleristen reden met z'n tweeën, de ene riep de bevelen door de spreekbuis, de tweede schoot met zijn karabijn op de Mexicatls die in een toestand van waanzin verkeerden.

Ik liep op zeker ogenblik achter onze kapitein, Bernal Diaz, aan. “Kijk eens,” zei hij opeens, “daar ligt Moctezuma.” Aan zijn veren en juwelen kon je zien dat het het lijk was van een edelman, maar je kon moeilijk zeggen of het precies Moctezuma was of niet, ik was verblind door de veren en edelstenen. Ik trok hem aan zijn arm mee, maar toen liet het lichaam los en had ik alleen de arm in mijn handen. Ik was zo geschrokken dat ik de arm meteen wegwierp en Bernal weer op de hielen volgde. Wij konden nog net over een van de dammen van het westen komen, want deze begonnen ook te brokkelen. Op het vasteland gingen wij op een heuvel zitten en keken de hele nacht door naar de stad die in vlammen opging. Tegen de ochtend hoorden wij een aanhoudend gesis waarvan de oorzaak ons pas veel later duidelijk werd: de stad werd bij stukjes en beetjes en vervolgens in haar geheel door de riolen in het meer en de onderaardse kanalen opgezogen. Daarop volgde een stekende brandlucht die betrekkelijk gauw weer optrok. Bernal keek mij aan en zei: “Dit is het lot van alle conquistadores, zij eindigen allen met lege handen.”

Dat is waar en toch weer niet helemaal waar. Bernal heeft een grote plantage, hij wordt steeds maar rijker van de bananen. Ik was maar een gewoon sergeant en ik werd met dit mooie stuk grond begiftigd waar ik op rechtschapen wijze mijn laatste adem zal kunnen uitblazen. Het is waar dat wij niet meer naar de wapens kunnen grijpen om de vrede en rechtvaardigheid in nomine patris filii spiritus sancti te verdedigen. Maar wij kunnen ons toch tot Santiago de Compostella in Spanje en Santiago de los Caballeros op Hispaniola richten en hun verzoeken datgene te doen waartoe wij niet meer in staat zijn. Santiago de Compostella kan mogelijk door zijn heup zijn gezakt, Santiago de los Caballeros staat nog stevig op zijn benen.’

De Indiaanse onderofficier luisterde allang niet meer naar

[p. 320]

het trieste verhaal van Tenochtitlan. Dat had even machtig geheerst als het onzalig tot zijn einde was gekomen. Het was niet makkelijk je enige zekerheid te verschaffen sedert de Europeanen hier op hun grote bouwsels waren neergestreken. Hij wist in elk geval niet tot welk idool hij zich zou moeten wenden.

Hij had zich gericht tot de groene straal, tot de onzichtbare bloem, tot het ivoren kruis en het koperen kruis, maar niets hoor, hij had nergens gehoor gevonden. Wel had hij begrepen dat men geen vrede op aarde mocht verwachten, in ieder geval niet op korte termijn. Hij wist alles van de oorlog die nu reeds meer dan een jaar in de cordilleras van Venezuela woedde en waarin deze eilanden waarschijnlijk ook spoedig zouden worden betrokken. Het was een zonderlinge oorlog waarvan men op het eerste gezicht niet veel kon begrijpen. Het was een strijd van de Spanjaarden en de Indianen, maar ook van de Spanjaarden en Indianen onderling. Als je een mesties was, wist je helemaal niet waar je stond! De Caracas-Indianen bestonden uit een groot aantal stammen, de Toromanías, de Meregotos, de Teques, de Tarmas en vele andere. Het enige dat zij gemeen hadden was dat zij de Caracas-vallei op leven en dood zouden verdedigen tegen de Spanjaarden die zich in drie groepen hadden verenigd. Het belangrijkste leger had zijn hoofdkwartier in het westen, tussen de gehuchten Coro en Cumarebo, en werd nog door fortificaties met kanonnen verdedigd. Het was het leger van capitán don Diego de Losada. Hij beschikte over drie regimenten infanterie en twee regimenten cavalerie. Zijn gezag berustte op zijn regimenten, maar misschien nog meer op zijn merkwaardige familiewapen, een zwart veld waarop zeven groene hagedissen een zerkplaat van witte kleur in diagonale richting naar een denkbeeldig graf droegen. De Indianen wisten wel van horen zeggen dat de zerkplaat iets te maken had met de naam van de Spaanse kapitein, dat ‘losa’ in de taal van de Europeanen zoiets als zerk of grafsteen betekende, maar zij meenden toch dat er een geheim van bijzondere diepte achter moest steken als men zijn grafsteen in verbinding bracht met hagedissen en bovendien deze hagedissen de op-

[p. 321]

dracht gaf zich met het vervoer ervan te belasten. Losada was uit Castilië afkomstig.

Een geheel andere figuur was de kapitein Fajardó, een mesties die van het eiland Margarita naar Venezuela was overgestoken. Zijn leger bestond uit losse detachementen die bestemd waren om hem persoonlijk te verdedigen. Fajardó ontleende zijn betekenis in de eerste plaats aan het gemak waarmee hij allianties en vriendschapsbanden met de Indianen wist aan te gaan.

De derde legermacht van de Spanjaarden stond onder de leiding van Lope Aguirre, die de Guyanas voor zijn hoofdkwartier had uitgekozen. Aguirre was niet zozeer een reglementaire militair alswel een dolgedraaide roverhoofdman. Zijn manschappen betrok hij grotendeels uit criminelen en desperado's, die via het schiereiland Goajira en de Apurrerivier hun toevlucht bij hem zochten. Zijn strategie bestond hoofdzakelijk uit moord, plundering en brandstichting. Losada was van oordeel dat hij de definitieve strijd met de Indianen pas kon aanbinden nadat hij voorgoed met Aguirre had afgerekend, die zich altijd bijtijds in het hem vertrouwde deltagebied terugtrok en dusdoende een beslissende slag wist te vermijden.

Deze strijd om de vallei van Caracas berustte op een merkwaardig misverstand. De Indianen meenden dat de vallei het heilig oord was waar de onzichtbare bloem van haar aanwezigheid deed blijken. Men kon niet verwachten dat de mysterieuze bloem te eniger tijd zichtbaar zou worden in dit dal, zij was nu eenmaal een onzichtbare bloem, wel hoopte men soms de straling van het idool te kunnen gewaarworden. De Spanjaarden hadden een geheel andere opvatting over de vallei. Zij wilden aannemen dat volgens bepaalde Indiaanse stammen een onzichtbare bloem bestond die naar het mysterie van het Leven verwees, maar zij waren er tevens van overtuigd dat de bloem ook de schuilnaam was voor grote voorraden goud, vooral in de spelonken in de Kloof van het Stokoude Wijf.

De Indiaanse wachtmeester begreep dat het laat was geworden. Hij stond op en sprak een kort en stellig dankwoord tot

[p. 322]

Conchera: ‘Conchera, het is laat geworden, het wordt een zware dag morgen. De jongens moeten zich te ruste begeven. Wij danken je voor je grote gastvrijheid, wij danken je voor je edele woorden over Tenochtitlan, wij danken je ook voor de vruchten die je ons geschonken hebt en die wij op je gezondheid zullen opeten. Wij danken je voor je pulque die wij op je gezondheid zullen opdrinken. Wij danken je voor je vriendschap. Ik zal je omhelzen in vriendschap en uit dankbaarheid, maar je moet blijven zitten.’

‘Dank je, Delfino,’ antwoordde Conchera.

Zij omhelsden elkaar en daarna trokken de Spaanse sergeanten en de Caiquetíos naar hun ranchos terug.

Delfino bleef een poos in de buurt van de paarden en verzekerde zich ervan of de zadeldekens vastzaten en straks de ruggen van de dieren tegen de ochtenddauw zouden beschermen. Hij kon bovendien uit de verte nagaan of de mensen zich werkelijk naar hun slaapplaatsen begaven. Tenslotte betrok hij ook zelf zijn rancho. Hij vatte vrijwel dadelijk de slaap. Na een poos werd hij in een droom verwikkeld waarin de hagedissen van kapitein Losada een hoofdrol speelden. Hij zag hoe een lange rij zerken, elk door een zevental hagedissen, naar een onzichtbaar kerkhof werden vervoerd. In de zerken waren namen gebeiteld die hij niet duidelijk kon lezen, hij meende ook de letters Delfino te hebben ontcijferd, waarvan de gleuven - hoewel het in lang niet had geregend - met water gevuld waren. Een enkele keer scheen een hagedis er genoeg van te hebben, hij haakte af en ging ertoe over een eindje op z'n eentje te wandelen. Maar dan klonk een luide holle stem als vanuit een andere wereld: ‘Zeven is het getal,’ en de avontuurlijke hagedis keerde gedwee naar de toegewezen plaats aan de toegewezen zerk. Het werd steeds donkerder en de hagedissen verdwenen met hun vracht in de holte van de nacht. Toen Delfino de volgende ochtend wakker werd, begreep hij dat de droom verschillende raadselen bevatte die alleen een tovenaar zou kunnen verklaren. Maar hij begreep ook dat het niet moeilijk was in te zien dat de droom de voorspelling inhield dat de amarillentos vaak een vroegtijdig einde vinden en tegelijk ook

[p. 323]

de waarschuwing dat hij de komende dagen op zijn hoede zou moeten zijn voor de vele gevaren waardoor hij omringd werd.

Nadat zij zich hadden bediend van het kokoswater en de avocado's die een vrouw op gevorderde leeftijd had aangeboden, en nadat zij afscheid hadden genomen van Conchera die hen tot aan de ingang van zijn rancho uitgeleide had gedaan, waarbij hij Delfino nogmaals in een warme omhelzing aan zijn hart drukte, zette het peloton de tocht voort.

Zij volgden eerst de weg naar het westen, een brede weg, aanvankelijk ter weerszijden begroeid met kwihis, kibrahachas en wayacas. Delfino had zich niet aan het hoofd van de troep gesteld, maar volgde van terzijde zodat hij alle personen van het peloton onder schot zou kunnen hebben. Naarmate zij verder vorderden nam de plantengroei af, eerst de bossen van de kibrahachas en kwihis en tenslotte ook de wayacas, die trouwens voor een belangrijk deel waren neergehakt om voor de bouw van ranchos en kano's te worden gebruikt. Het behoorde tot het hardste hout van de eilanden. Tenslotte belandden zij op een brede grindweg die min of meer evenwijdig met het strand van noord naar zuid liep en aan de kant van het strand door een haag van euphorbia was afgescheiden.

De mannen hoedden zich ervoor zich al te dicht bij de haag te bewegen. Men kon zich lelijk vergissen, de haag zag eruit als een aanplanting van onschuldige anona-struiken, maar als je ongelukkigerwijs tussen de takken terechtkwam, was het vrijwel onmogelijk je van de talloze doorns van de blaren te bevrijden. Bovendien scheidden de doorns een sperma-achtige vloeistof af die hoge, zij het voorbijgaande koorts verwekte. De moeilijkheid was dat het dagen, soms weken duurde voordat je je van de splinters van de doorns kon ontdoen.

Tenslotte kwamen zij aan een grote baai waar zich de ranchos bevonden van de bewakers van een vloot kano's, waarvan een tiental of meer op het strand getrokken waren. De bewakers kregen een buidel pulque, volgens Delfino een geschenk van Conchera. De gevangen Caiquetíos mochten hun kokoswater en hun avocado gebruiken. Zij gingen vervolgens op de platte stenen aan de baai zitten en bleven rustig kijken

[p. 324]

naar de zee, totdat het nogal duidelijk was dat de Spaanse wachtmeesters ongeduldig warden. Om hen op de proef te stellen deed Delfino of zijn neus bloedde en zette zijn gesprek met de Indianen van de ranchos voort. Hij vertelde dat de Caiquetíos voor de veiligheid in de rancho van de oostbaai zouden moeten blijven, in afwachting van de Coraza, de driemaster die over een week uit Cumarebo zou terugkeren, waar zij de paarden uit Curaçam naar toe vervoerd had. Hij had overwogen de gevangen Caiquetíos tijdelijk onder te brengen op Conchera, maar, daar hoefde men niet aan te twijfelen, zij zouden zeker weer naar hun spelonken zijn teruggekeerd. Hij wist niet waarom, maar de meeste Indianen verlangden naar de spelonken.

Tussen de baai in het westen en de oostbaai bevond zich het grote pekelmeer, het grootste pekelmeer van de eilanden. Zij konden de weg langs het noorden of het zuiden van het meer kiezen.

De noordelijke weg was aanzienlijk korter, maar moeilijker voor de paarden die door de gladde, platte stenen telkens dreigden uit te glijden. De zuidelijke weg was veiliger, de hoeven hadden meer houvast in de halfvaste modder. Na een half uur hadden zij al de oever van het meer bereikt en bogen zij op bevel van de Spanjaarden of van Delfino of van beiden, naar het zuiden af. De fragiele, nerveuze steltvogels aan de oever trokken zich niets aan van het gedoe van mensen en paarden. Zij bleven, bijziend en hardhorend als zij zijn, maar in de modder pikken. De chogogos waren minder op hun gemak. De honderden rose vogels stelden zich aanstonds op in vluchtformatie, de leider voorop en de andere vogels daarachter in do vorm van twee zijden van een denkbeeldige driehoek, die van plaats veranderde al naar de richting van het geluid dat de leidende chogogo bereikte. Op de weg naar het zuiden had onverwachts een zekere daling van de temperatuur plaats en verscheen er tegelijk een beeld, eerst vaag, vervolgens steeds duidelijker, van Indianen die in een kano roeiden.

De Caiquetíos brachten het vreemde geluid voort dat zij maken als zij met een fata morgana worden geconfronteerd.

[p. 325]

Het houdt zowel de gevoelens van schrik als ontzag in, waardoor de vereerders van de groene straal worden bevangen. Het beeld werd weer vager en de temperatuur steeg weer tot de oorspronkelijke hoogte.

De tocht kwam blijkbaar tot een einde, de mannen zetten er haast achter, zij bereikten de bocht van het pekelmeer en na een half uur de baai van het oosten. De ranchos waren daar deels gebouwd op het vasteland en deels op een schiereiland, dat oorspronkelijk een eiland was geweest maar met een vrij brede dam met het vasteland was verbonden. Aan stalen ringen op de dam was een viertal kano's gebonden waarmee men geregeld op de baai of in de zee zich een maal van kreeften of chacuscos kon verschaffen. In de verte zag men de ingang van de baai waarvan het zuidelijk gedeelte steeds sterker vrijwel aan de branding was blootgesteld en daardoor een zilverige, witte kleur vertoonde.

De Spanjaarden trokken zich terug in de rancho op het vasteland en lieten het voeren en de verzorging van de paarden aan hun Indiaanse bedienden over.

Op het schiereiland waren ondermeer de rancho van de dienstdoende Indiaanse wachtmeester en de rancho voor de bevoorrading, die tevens als wapenkamer werd gebruikt. In de grootste rancho op het schiereiland, die niet afgesloten was, maakten de Caiquetíos gebruik van hun arepa, dronken twee bekers pulque en legden zich neer om te slapen.

Toen de anderen vrijwel allen sliepen, hoorde Delfino het geloei van een kinkhoorn dat door een vogelachtig geluid werd gevolgd. Hij bleef wachten totdat het geluid zich zou herhalen, zodat hij de betekenis zou kunnen ontcijferen, maar het herhaalde zich niet en tenslotte viel hij eveneens in slaap. Het moest al tegen de ochtend zijn toen hij onverwachts wakker werd en tegelijk het gevoel kreeg dat iets niet geheel in orde was. Het was doodstil. Hij kon nog net zien hoe het Gesternte, zoals de Indianen het Zuiderkruis noemden, aan de horizon verdween. Hij stond op, liep langs de slapenden: er ontbraken drie gevangenen. In de rancho van de bevoorrading waren verschillende manden met voedsel en buidels water ver-

[p. 326]

dwenen, al was het slot merkwaardig genoeg niet geforceerd. Hij liep langzaamaan naar het vasteland, klaar om het pistool te trekken. De Spaanse wachtmeesters bleken vertrokken te zijn. Hun paarden liepen onbekommerd in de nacht te grazen. Het was niet moeilijk een conclusie te trekken. Hij ging op de rand van de dam zitten en keek uit naar de uitgang van de baai met het witte sproeisel van zijn branding aan het zuidelijke strand.

De conclusie was makkelijk genoeg, maar wat moest er in de naaste toekomst of zelfs binnen enkele uren gebeuren? Het was om te beginnen niet mogelijk de Caiquetíos met een enkel paard te bevoorraden. Bovendien, het stond vast dat zij naar de spelonken zouden terugkeren en dat zij daar zouden worden opgewacht door de Infanta Combita en andere Spaanse linieschepen, waarvan de commandanten zich niet zouden laten vermurwen door de aalmoezeniers, kerkvaders en kapelaans. Het was voor de de derde keer dat de Spaanse wachtmeesters de vlucht namen. Het stond voor hem vast dat zij tot de desperado's behoorden die de weg namen naar de Guyanas in het kwartier van Aguirre. Hij zou zo spoedig mogelijk een bespreking met de gouverneur in Curaçam moeten hebben. Maar deze overwegingen vielen in het niet bij de vraag hoe hij de Caiquetíos ertoe zou kunnen dwingen hem zonder aarzelen te volgen. Hij wist het, er was maar één mogelijkheid, zij moesten zo spoedig mogelijk met de kano's van de grote baai naar Curaçam pagaaien. Het was niet zo'n gemakkelijk karwei, maar het waren allen geoefende roeiers, zij zouden het als het weer enigszins draaglijk bleef in anderhalve dag kunnen klaren.

Hij ging naar de rancho van de bevoorrading en laadde het asgrauwe paard dat hij op de schonken klopte: ‘Wij moeten ons best doen, Pueblo, d'r valt niets anders aan te doen.’ Daarna liep hij tussen de slapende Caiquetíos door: ‘Opstaan jongens, onmiddellijk opstaan. Wij moeten als de heimieter met de kano's naar Curaçam.’

De Caiquetíos hadden niet veel woorden nodig om te begrijpen dat zij in een gevaarlijke toestand verkeerden. Een

[p. 327]

hoogst gevaarlijke toestand. Zij begrepen dat zij zich alleen zouden kunnen redden door stipt de bevelen en richtlijnen van de amarillento op te volgen.

Nadat zij een beker water en een avocado hadden gebruikt ging Delfino op weg met het asgrauwe paard, dat hij Pueblo noemde vanwege zijn populaire kleur, en de gevangenen die nu als onderdanen werden beschouwd en dus niet meer geboeid werden. Hij moest er haast achter zetten. Zij volgden de noordelijke weg, die veel korter was, hetgeen mogelijk gemaakt werd doordat Pueblo zich makkelijker kon behelpen tussen de gladde stenen. Hij was misschien niet zo mooi, hij was wel gewiekst. In een half uur waren zij al bij de rancho van de grote baai. De bewakers legden eerst grote bezwaren aan den dag, zij wisten niet hoe zij zouden kunnen verantwoorden dat zij zomaar acht kano's hadden afgestaan zonder daartoe een opdracht te hebben gekregen.

‘Ik geef de opdracht,’ antwoordde Delfino.

De bewakers keken hem in de ogen, zij begrepen dat hij onder geen beding zou wijken, en zij voelden er niet veel voor hun leven te wagen voor enkele kano's, al waren die nog in zo'n goede conditie.

Zij toomden in. Zij konden niet nalaten een reserve aan den dag te leggen. ‘Maar wanneer krijgen wij de kano's terug, Delfino? Je weet, wij kunnen het niet zonder kano's doen.’

‘Je krijgt ze met de Coraza terug, over een week.’

De voorraad die zij in de kano's hadden bestond voornamelijk uit water, veel eten zouden zij gedurende die anderhalve dag niet doen. Zij stapten in de kano's en enkele ogenblikken later voeren zij naar het zuidelijke schiereiland, vanwaar de oversteek naar het hoofdeiland zou beginnen. Van de rancho op het schiereiland waarschuwde de bewaker, die niet op de hoogte was gesteld, met een herhaald geloei van de kinkhoorn dat verschillende kano's het eiland verlieten. Toen de zon scherper ging branden wierp men telkens water over het lichaam, om de twee uren nam men een paar slokken water, eetlust had niemand meer. In de avond werd de zee iets woeliger, de noordoostpassaat zoefde over het water en deed

[p. 328]

het water als vliegende vissen opstuiven, maar de kano's konden toch makkelijk vooruit komen.

Toen het duister eenmaal inviel riepen zij allen bij tijden; ‘Woe, woe, woe’, zij meenden daarmee de windkracht te matigen en de scholen haaien voor aanvaring te waarschuwen.

Delfino had geen kinkhoorn meegenomen, hij vreesde daarmee de aandacht van de monsterachtige linieschepen te trekken van de Engelsen met hun Doomsday en Black Moon en van de Fransen met hun Coupe Gorge en Morne Bleu. Het boegbeeld met de rijpe prammen en de rode pruillippen was al voldoende om je in de nacht de doodsschrik op het lijf te jagen.

Toen het dag werd merkten de Indianen dat zij veel verder westwaarts waren afgedreven dan zij verwachtten, zij moesten met alle macht naar het oosten pagaaien aangezien zij anders kans liepen op de grote rotsen van Chinchó geworpen te worden. De zon stond al in het zenit toen zij de geul tussen Chinchó en het kleine eiland Ceiba hadden bereikt. Zij moesten er nu voor waken niet in de witte baai van Oost-Curaçam te worden gezogen waar zij op de rifbodem zouden worden stukgeschuurd. Het was in de vroege middag dat zij de baai van Ceiba bereikten en de kano's op het sneeuwwitte zand konden trekken. Zij namen opnieuw enkele slokken water en legden zich onder de ceiba-bomen te slapen, de armen wijd uitgespreid om vrijer te kunnen ademen.

De volgende morgen werden Delfino en zijn peloton gewekt door drie bewakers van Curaçam, die vertelden dat een koerier van het oostelijk fort had gewaarschuwd dat een officier en een groot aantal Indianen op het strand van Ceiba lagen te slapen en in ieder geval geen teken van leven gaven. Zij hadden zich toen met de twee barkassen naar Ceiba begeven om eventueel hulp te kunnen bieden. De schepen, die eerder op grote watertobben dan op vaartuigen leken, lagen er vredig te schommelen met half gehesen zeilen.

De mannen van Curaçam stelden voor dat zij aanstonds zouden inschepen en naar de hoofdbaai zouden varen, om nadere gegevens te kunnen verschaffen en ondermeer ook

[p. 329]

omdat zij ook zelf niet over mondvoorraad beschikten. De mannen pagaaiden de kano's naar de barkassen, waaraan zij met scheepssnoeren werden vastgebonden. Zij trokken de ankers op en hesen de zeilen tot de nok. Weldra voeren zij in een zachte bries naar het westen langs de kust van Curaçam met haar vele instulpingen en reden.

Het oostelijk fort zag er meer uit als een kalkoven dan een fort, al woei er ook de vlag van Castilië en Aragon.

Zij hoorden opeens de knal van een kanon, een waarschuwing dat zij verzuimd hadden de nationale vlag boven in de masten van de barkassen te hijsen. Een uur later voeren zij langs de baai van Sta Anna, die eveneens met een lange geul begon en in een weidse baai overging. Het fort aan de ingang zag eruit als een rond bastion met kantelen waaruit enkele vuurmonden in de richting van de zee wezen. De vlaggestok was midden op het bastion aangebracht met de rood-geelrode vlag, sangre y oro. De wacht werd juist afgelost, waarbij twee infanteristen door twee andere werden vervangen.

Verschillende baaien van dezelfde structuur volgden, alleen werden de bastions veel kleiner en werden zij niet door meer of minder zwaar geschut verdedigd.

De avond begon al te vallen toen zij de rede van de hoofdbaai bereikten. Deze baai vormde een uitzondering, zij bestond niet uit een geul en een wijde instulping, maar uitsluitend uit een wijde rede. Het zwart geverfde schip Coraza lag er doodstil gemeerd met een anker aan de voor- en de achtersteven. Enkele sloepen voeren af en aan tussen schip en wal. De barkassen ankerden een heel eind van het grotere schip. Het strand werd links ingenomen door ranchos en rechts door de magazijnen voor goederen en vuurwapens. De mensen haastten zich aan wal te gaan waar zij ook hier door stokoude wijven, las viejas van de quebrada, werden opgewacht, die hun mededeelden dat zij niet langer een lendendoek zouden dragen, die zouden alleen door de vrouwen onder hun jurk mogen worden weggemoffeld. Zij zouden voortaan een groene jas en broek dragen met een leren buikband. Over de bewapening zouden de officieren moeten beslissen.

[p. 330]

Terwijl de jongelui zich van hun lendendoek ontdeden, wisselden de oude vrouwen met de duizend rimpels hun gedachten en gevoelens uit over de kwaliteiten van hun nieuwe klanten. Een enkele ging zover dat zij de kloten in de hand woog en niet kon nalaten haar verrukking onder woorden te brengen: poderosos cojones, machtige kloten, zorg dat je mooie kinderen verwekt.

Nadat zij zich verkleed hadden werden zij ruimschoots op arepas en pulque getrakteerd. De bejaarden meenden dat het nog vroeg was en dat de jongens het zich konden laten smaken.

De zon was al opgegaan toen zij door het loeien van de kinkhoorn werden gewekt en op weg gingen naar het hoofddorp van Curaçam. Zij hadden de arepas nauwelijks aangeraakt, de meesten hadden zich met een beker cacao tevredengesteld.

Nadat zij de haven met de ranchos en magazijnen achter zich gelaten hadden, zetten zij hun tocht voort in de schaduw van de hoge kenepas, die herhaaldelijk hun vruchten voor hun voeten lieten vallen. Deze kleine vruchten met hun vochtige vlees waren juist geschikt om hun dorst te lessen, die door de hitte van de dag aanzienlijk toenam.

Na een uur lopen werden de kenepas aan beide zijden door dubbele rijen cactussen vervangen, die volgens de Indiaanse officier ter verdediging van de rede waren aangebracht. Zij hadden inmiddels de Hoge Heuvel, de Colina Alta, bereikt, vanwaar zij zich een duidelijk beeld konden vormen van de belangrijkste nederzetting van Curaçam. Zij werd in de eerste plaats gevormd door een uitgebreid dal dat zo intens groen was dat men zou menen dat bet altijd regende op deze ene plek van het half aride eiland, maar in feite werd het slechts voor een gering deel door de regen bevloeid en voor een veel groter gedeelte uit een rijkdom van bronnen geïrrigeerd.

Het dal werd door een brede en vrij hoge dam in twee helften verdeeld: de oostelijke helft werd ingenomen door een aanplanting van maïs en agave en een boomgaard, voornamelijk van kokosbomen, mispels en mangos, de westelijke

[p. 331]

helft deed vrijwel uitsluitend dienst voor de fokkerij van paarden die door de Coraza tweewekelijks naar Cumarebo aan het adres van kapitein Diego de Losada werden vervoerd. Het waren de warmbloedige Andalusische dieren die hem de verovering van de Caracas-vallei zouden moeten bezorgen. Men zag er de stallen van de hengsten en de merries, men zag er de stallen voor de dekking, verveulening en verlossing. Het inrijden van de dieren geschiedde buiten het dorp op een gebied van wegen, paden en heuvels dat meer dan vijftig kilometer besloeg.

Het dal werd aan de noordzijde afgesloten door twee heuvelketens, gescheiden door een kloof waardoor de blauwe zee zichtbaar werd. Men zag er in de verte ook een strand waar jonge vrouwen de vuile was met een breed pollepelachtig instrument schoon sloegen.

De westelijke heuvel was vrijwel geheel met flamboyants beplant, zodat zij in bepaalde seizoenen eruitzag als een uitslaande vlam. Op de oostelijke heuvel groeiden alleen maar kwihi-bomen die het hout leverden voor de vervaardiging van de meubels en beelden van de nederzetting. Het zuiden van het dal werd afgesloten door lagere heuvels, men zou ook kunnen zeggen ‘verhogingen’, waarop de kerk, het hospitaal en de woonruimten zich aaneenrijden.

De meeste ranchos en gebouwen waren aan de westelijke zijde opgetrokken, de oostelijke zijde was vrijwel geheel vrijgehouden voor de Fortaleza, het fort, en behuizing van de bewakers. De Fortaleza behoorde tot de meest ingenieuze van de eilanden. Zij leek nog het meest op een brede toren van drie verdiepingen. De gelijkvloerse ruimte werd door de administratie van de nederzetting in beslag genomen, de eerste verdieping was bestemd als magazijn voor de vuurwapens, el cuarto de Santa Barbara, de tweede verdieping als ruimte voor het meer dan drie kilometer dragend geschut en tenslotte de derde verdieping als mirador, de uitkijktoren. De twee hoogste verdiepingen waren niet van steen maar van mahonie en pokhout opgetrokken, waardoor dit gedeelte van het fort reeds vroeg in de avond onzichtbaar en daardoor onkwets-

[p. 332]

baar werd. Het fort verkeerde altijd op een of andere manier in een toestand van verduistering. Tussen de Fortaleza en de oostelijke heuvelketen begon een haag van euphorbia die zich over een lengte van ruim vijf kilometer uitstrekte tot bijna aan de oostelijk gelegen baai, die naar San Juan werd genoemd.

Bij een verwaarloosde stenen paal, die waarschijnlijk gediend had als onderdeel van een symbolische toegang tot de nederzetting - of eenvoudig als een schuurpaal? - werd de zorg over de Caiquetíos door Delfino aan een andere bewaker overgedragen.

‘Bedenk,’ zei Delfino, ‘blijf trouw aan onze gouverneur, dan zal alles goed aflopen. Daar kun je van op aan.’

Zij wilden hem bedanken, maar het was wel tot hen doorgedrongen dat het niet een man was van veel woorden en dat hij ook zonder woorden wel begreep dat zij hem dankbaar waren, ook al wisten zij niet precies waarvoor.

De amarillento van Curaçam was van dezelfde rang als Delfino, hij droeg dezelfde wapens.

‘Je mag me best Alonso noemen, want zo heet ik nu eenmaal, Alonso. Jullie zijn hier bij ons gekomen, en de gouverneur vindt dat jullie eerst op de hoogte moeten zijn van de nederzetting voordat je in de samenleving wordt opgenomen. Daarom moeten jullie de eerste dagen iets van de nederzetting zien. Volg mij maar.’

De Caiquetíos slenterden achter Alonso aan. Aan de ingang van de rancho van de Bijeenkomst stond een assistent-bewaker die ieder een mand met twee arepas en een tinnen fles met pulque aanreikte. Daarna zette Alonso er haast achter, alsof hij nu pas begrepen had dat zij nog een hele tocht voor de boeg hadden.

De eerste kilometers van de weg naar de buitendistricten strekten zich in een woestijngebied uit. Zand, zand, zand... Men zag alleen hier en daar een stengelcactus die het maar op z'n eentje moest doen. Geen gele of oranje troepiaal, geen gevlekte of ongevlekte mini-poema. Donkere cumuluswolken dreven telkens voor de zon, die vrijwel geheel verduisterd werd zodat men welhaast geloof zou hechten aan de opvatting

[p. 333]

van de Mexicatls dat de eerste zon zou worden uitgeblust om plaats te maken voor een hele reeks levende en dode zonnen, maar de zon kwam weer spoedig van achter de wolken vandaan. Tussen de momenten van duister en licht kon men bijna de korrels van het zand tellen, dat een schimmelig groene kleur aannam. Na een half uur ontmoetten zij twee mensen te paard. De een was een vrouw in een lang wit kleed en een witte kap op waarvan de sluier in de wind woei; op haar borst droeg zij een zilveren kruis. De man, in het lichtblauw gekleed, een azuleado, was een Toromanía. Hij herinnerde aan Delfino door de pijnlijke uitdrukking van het gezicht, maar hij was tegelijk iets forser en iets minder agressief. Alonso vertelde dat zuster Elvira en Silvio de zieken in de buitendistricten verzorgden. Als de ziekte verergerde, werd de patiënt met een wagen naar het hospitaal in de nederzetting overgebracht. Zuster Elvira was een religieuze en zou nooit mogen trouwen; zij zou ook nooit geslachtelijk verkeer mogen hebben. De wandelaars keken om, als zouden zij met een enkele achterwaartse blik het raadsel van de onthouding kunnen oplossen, maar zij zagen niet meer dan de twee mensen die in het wisselend licht van de woestijn verdwenen.

Een half uur later bereikten zij het exercitieterrein van het eskadron dat eerstdaags in de gevechtshandelingen in Venezuela zou worden ingezet. De cavaleristen herhaalden steeds weer dezelfde oefening. Zij gingen van de draf in galop over, vervolgens verspreidden zij zich en kwamen dan weer in een wig bijeen. Hoewel ruim dertig paarden aan de exercitie deelnamen was het doodstil; de hoefslagen werden door het woestijnzand gedempt. Bovendien maakte de oefenmeester, een Indiaanse officier, niet de brullende geluiden waarin de wachtmeesters uit Europa, los sargentos de la caballería, zich zo graag verlustigen. Hij bewoog zich welhaast geruisloos tussen de dravende en galopperende dieren en gaf de betrokken cavalerist de nodige aanwijzingen.

Nadat zij een poos met bewondering naar deze stille oefeningen hadden staan kijken, zei Alonso dat zij door moesten stappen. Bij een bos wayaca, die sommige Indianen ook algri

[p. 334]

dzjiri noemen, boog het peloton naar het noorden. Het pad werd hoe langer hoe smaller, de rotsen namen steeds meer toe. Toen de meesten al meenden dat zij vastgelopen waren, wist Alonso een nieuwe kloof te vinden en bevonden zij zich onverwachts aan een vrij wijde, bleek-blauwe baai. Zij gingen op de platte bazaltstenen zitten om uit te rusten.

Er deed zich een merkwaardig verschijnsel voor: telkens vlogen zwermen vliegende vissen de baai binnen om aanstonds weer met een bocht naar de zee terug te keren. Het waren meestal geoefende vissers, deze jongens, maar zoiets hadden zij nooit eerder gezien. Het was een heen en weer zweven van de blauw-gele vissen die het gedragspatroon van vogels schenen te hebben aangenomen. Alonso vertelde dat hij tot de Caracas-stam van de Teques behoorde en dat deze Indianen een verering voor de vliegende vis hadden. De vliegende vis was hun idool, daarom moest zijn feestdag in alle stilte worden gevierd, want met zingen en fluiten houden vissen zich niet op. De Teques waren de mening toegedaan dat je helderder van verstand werd en op een betere eetlust kon rekenen als je tussen de heen en weer flitsende vissen had gezwommen. Hij trok zijn kleren uit en dook in het water. De anderen volgden hem na, al behoorden zij niet tot de stam van de Teques. Het waren ervaren zwemmers, het kostte hun niet de minste moeite de baai in alle richtingen en alle diepten te doorkruisen, zodat de schaduwen van hun lichamen op de zandbodem voortdurend van grootte wisselden. Na een poos gingen zij weer aan de oever zitten en lieten het water van hun lichaam op de bazaltstenen druppelen.

Zij hadden in ieder geval eetlust genoeg; de manden met arepas werden aanstonds tot de laatste kruimel uitgepulkt. Nadat zij hun kleren hadden aangetrokken keerden zij langs een korte zijweg naar de nederzetting terug, waar hun voorlopig de rancho voor de gasten als verblijfplaats werd aangewezen.

De tweede dag van de kennismaking werd gewijd aan een bezoek aan de spelonken van Curaçam. Alonso deelde mee dat zij een dag vol raadsels zouden meemaken die de Teques

[p. 335]

tenminste niet zouden kunnen oplossen. Zij volgden eerst een pad tussen de weiden en de boomgaarden waarbij Alonso vele diepzinnigheden over paarden en planten ten beste gaf die de Caiquetíos maar half konden verstaan. De paarden, vooral de warmbloedige Andalusiërs, wisten evengoed als de mensen dat hun leven niet van eeuwige duur kon zijn, zij zouden sneuvelen in een charge in de Caracas-vallei of bezwijken voor een karabinier in de koude passen van de cordilleras. Maar merkwaardig genoeg vervulde dit besef hen niet met onoverkomelijke droefenis; zij hadden immers ten volle van het leven genoten, van het water uit de lucht of uit de bronnen, van het water dat eerder zoet is of eerder wrang, van het water dat bruist of eerder pril en steil is; zij hadden van tientallen graansoorten genoten, uit Venezuela, Hispaniola en Curaçam, zodat zij iedere dag een nieuw feestmaal tegemoet konden zien. Zij hadden tenslotte de excitatie van de omgang met het andere geslacht ervaren. De merries hadden de vreugde en de geboorte van het veulen beleefd, het wezen dat enkele uren later reeds op zijn spillebenen wiebelt.

Dan liet hij de paarden voor wat zij waren en ging tot de raadsels van de planten over. ‘Dertig jaar geleden bestond op Curaçam een menigte van weldadige en schadelijke planten, die welig dooreen groeiden met hun wortels, takken en bloesems. Het is onder onze gouverneur dat de schadelijke planten werden uitgeroeid. Je hoeft niet meer te vrezen als je aan een sprietje zuigt, bij wijze van tijdverdrijf, dat je aanstonds het loodje moet leggen. Wij leven nu alleen tussen weldadige planten en vruchten. Wij hebben de maïs en sorghum voor de voeding, de agave voor de pulque, wij hebben de mispels en mangos ter vergenoeging van het verhemelte, wij hebben de bloemen voor de versiering van onze ranchos. Wie zou de cayenas en trinitarias willen missen? Het is waar dat de gouverneur in grote mate daarbij is geholpen door de oude dr. Jorge, onze medicijnman. Je kunt nu eenmaal niet alles alleen doen, bloemen plukken en paarden drillen. Dr. Jorge heeft uit de witte en rose oleander een sap samengesteld dat de koningin in Tordesillas van de hoofdpijn heeft genezen, dat is geen klei-

[p. 336]

nigheid. Maar ik kan je zeggen, dr. Jorge geneest met evenveel liefde zijn eenvoudige medemensen op Curaçam, en niet alleen van de hoofdpijn maar ook van de kwalen van het strottehoofd, het hart en de maag. Ik raad jullie aan naar hem te gaan zodra je iets voelt dat niet klopt, de apotheek van dr. Jorge staat voor je open.’

Achter de boomgaarden stond het huis van de gouverneur dat tegelijk bijzonder eenvoudig en bijzonder ongewoon was. Het had de cilindervorm en was van hard hout opgetrokken, waarschijnlijk mahonie en pokhout. Het gelijkvloers werd bewoond door de gouverneur en door de huismeester, een oude sergeant uit Badajoz die ook met de zorg voor de keuken was belast. De vertrekken van de bovenverdieping waren bestemd voor doña Isabela, de dochter van de gouverneur, en eventuele gasten die het eiland bezochten, meestal uit Hispaniola en Andalusië. Uit een van de bovenvensters hing vrijwel altijd een ladder die in- en uitgetrokken kon worden. Er wapperde geen vlag boven het huis, maar wel waren boven de ingang de rood-geel-rode banen van de nationale vlag geschilderd. Een rechte weg, die naar het noorden voerde, verbond het huis met de Fortaleza. Men kon evenwel de gouverneur vrijwel nooit ontmoeten. Hij liep altijd in versnelde pas en droeg trouwens het uniform van de amarillentos met het hoedje, evenals de anderen, meestal tussen de gordel.

Een minder effen weg voerde tussen de kwihi-struiken door naar de verschillende ingangen van de spelonk die tot de merkwaardigste van de eilanden behoorde, niet vanwege de tekeningen -die er zowat geheel ontbraken - maar vanwege de formatie van het kalkgesteente. De vele erosie-gaten van het plafond leverden de mogelijkheid zich een duidelijk beeld te vormen van de vele vertrekken, die als het ware door de druipsteenzuilen werden gedragen, en het gesteente dat zo'n gele glans vertoonde dat het was of de bezoekers zich in een enorme edelsteen bewogen. In sommige vertrekken zag men op de achtergrond van het geel het groen van het diabaas of het rose van graniet, maar dat was hoge uitzondering.

De tekenaar streek met de hand over de wanden, alsof hij ze

[p. 337]

om een of andere reden testte. Alonso zette zich neer op de grond en nam een slok pulque. Hij nodigde de anderen uit hetzelfde te doen en vroeg aan de Caiquetíos of op deze wanden tekeningen zouden kunnen worden aangebracht. Iedereen vond het doodjammer dat men een zo prachtige nederzetting had, maar dat er geen tekeningen waren. De Caiquetío antwoordde dat sommige wanden zo hard waren dat zij niet geschikt waren voor de stift, maar gelukkig waren er ook genoeg wanden die zich voor de moeilijkste tekeningen leenden. Hij maakte allerlei vlugge bewegingen in de lucht. De harde wanden zou men kunnen beschilderen met bepaalde plantesappen, maar hij wist niet waar men die zou moeten halen. Alonso stond op: ‘Ik zal dat aan de administratie vertellen.’ Hij keek om zich been: ‘Zij bewogen zich in een edelsteen, een geelachtige edelsteen...’ De geleerden hadden er ook een naam aan gegeven, maar hij was die jammer genoeg vergeten.

Hij zette er ook ditmaal onverwachts haast achter. Zij liepen over de weg langs de Fortaleza en kwamen op de weg van de westelijke ranchos. Hij mompelde daartussendoor zijn beschouwingen en waarschuwingen: ‘Morgen gaan we naar de administratie. Je moet dan het beroep van je voorkeur noemen. Je zult dan ook een Spaanse naam krijgen. Je moet je daar niets van aantrekken. Caiquetío, Toromanía, Meregoto, Teque en Hispaniola, 't is alles eender, als je maar weet wat je wilt. Je moet er niet met elkaar over praten, anders breng je elkaar van de wijs. Probeer maar zelf na te gaan wat je zou willen.’

De laatste dag van de kennismaking begon met een bezoek aan de enige kerk van de nederzetting, de kerk van de Annunciatie die vlak bij de rancho van de gasten lag. Het was een langwerpig gebouw, vrijwel uitsluitend van mahonie. In een van de voorste banken zat padre Rojas, vicaris van Curaçam, diep voorovergebogen alsof hij de tegels wilde lichten.

De gasten werden ontvangen door doña Isabela, de dochter van de gouverneur. Het was een kleine, enigszins ronde, jonge vrouw, niet ouder dan tweeëntwintig jaar. Zij droeg een witte blouse en een eveneens witte rok die met patronen van groene

[p. 338]

en bruine bladeren was geborduurd. Zij had een ongewoon intelligent gezicht en was voortdurend tot vrolijkheid geneigd, al trachtte zij een uitleg van bijzonder diepzinnige voorstellingen te geven. Achter het altaar was eengeslaagde kopie van een Europees schilderwerk aangebracht. Rechts zat de Maagd geknield, in een blauwe mantel, op een bidstoel met een half opengeslagen boek op een smalle lessenaar. Op de wit-blauwe tegels lag een rode linnen tas waarin zij waarschijnlijk haar boek - haar enige boek? - meezeulde. Links zag men een engel in een groen-blauw hemd met roodblond haar. De wapperende mantel en de vleugels met bijzonder lange pennen beduidden dat hij nog kort geleden uit hogere sferen moest zijn gedaald. Volgens de half-lachende doña Isabela had er een bijzonder gesprek plaats. De engel begroette Haar met de woorden: ‘Wees gegroet, Gij Begenadigde, de Here is met U. Deze groet verbaasde de Maagd, maar nog meer verbaasden Haar de woorden die daarop volgden: Gij zult zwanger worden en Gij zult Uw Zoon Jezus noemen. De Maagd kon daarom niet nalaten op te merken dat Zij niet begreep hoe dat zou moeten geschieden omdat Zij geen omgang met een man had. De engel antwoordde dat de Heilige Geest Haar zou overschaduwen.’

De Indianen luisterden aandachtig, maar konden toch niet uitmaken wie of wat het idool was, de Maagd, het boek, de engel die de toekomst voorspelde of de Geest die in een vreemde aureool boven de kruin van het meisje zweefde. Vervolgens voerde doña Isabela haar gasten naar de communiebank aan weerszijden waarvan een indrukwekkende porseleinen engel stond met een sluier, eveneens van porselein, die haar moest behoeden voor geheimen, diepzinnig maar ook verschrikkelijk, die van ieder heilig oord uitgaan. De porseleinen engelen had zij aangeschaft toen zij met haar vader een reis naar Mexico had gemaakt en in Oaxaca de engelen had ontdekt. Tenslotte bracht zij haar gasten naar een tekening aan de linkerwand die een ecce homo voorstelde. Men zag er een jonge man, niet veel ouder dan twintig jaar. Hij zat op een rieten stoel, in een schamel hemd dat half opengescheurd was en niet verder reikte dan zijn knie. De doornenkroon zat maar losjes

[p. 339]

op het hoofd en miste daardoor haar doel om eens flink pijn te doen. In zijn rechterhand hield hij twee versgeplukte lelies, die een merkwaardige tegenstelling vormden met de mishandelingen die hij ongetwijfeld moest hebben ondergaan. De tekenaar bleef er langdurig naar kijken zodat doña Isabela vroeg of hij daar iets bijzonders aan vond. Hij antwoordde dat hij het een treffende tekening vond en vroeg of zij ook uit Oaxaca was meegebracht. Isabela keek hem lachend aan: ‘Neen, dat is een voorstelling van de geseling die ik hier in Curaçam heb geprobeerd te tekenen. Neen, niet in Oaxaca maar op Curaçam.’

Het hospitaal moest door dezelfde bouwmeester zijn ontworpen, het had dezelfde afmetingen en dezelfde langwerpige vorm als de kerk. Zij werden ontvangen door de medicijnman, dokter Jorge, een oudere Guajira-Indiaan die voortdurend grijnsde, waarschijnlijk met de beste bedoelingen, en aan weerszijden van hem de mooie zuster Elvira, die met haar geest tussen spiritualiteit en sensualiteit zweefde, en Silvio met de vastberaden en pijnlijke uitdrukking van de Toromanía. Dr. Jorge vertelde dat het hospitaal uit drie delen bestond, de westelijke afdeling was bestemd voor de verpleegsters en de vrouwelijke patiënten, de oostelijke afdeling voor de verplegers en de mannelijke patiënten. Zij konden begrijpen dat het niet de bedoeling was deze afdelingen voor het publiek open te stellen, Zij moesten zich voorlopig met de apotheek tevredenstellen die tussen beide afdelingen lag.

De apotheek bevatte bezienswaardigheden genoeg. In het midden bevond zich een toonbank en een weegschaal waarvan dr. Jorge de betekenis en de werking trachtte uit te leggen zonder daar geheel in te slagen. Achter de toonbank bevond zich een drietal enorme kasten die tot het plafond reikten. Daar zagen zij de honderden wayaca-potten met kruiden die dr. Jorge uit de wouden, van de Guyana tot Tachira, had verzameld. Boven de middelste kast, die iets lager was dan de andere, hing het wapen van Tordesillas dat de koningin uit dankbaarheid aan de kundige dokter had doen toekomen. Het bestond uit een wit schild met een zwart kruis, met aan de ene zijde een pientere maar magere leeuw op zijn achterste en aan

[p. 340]

de andere zijde een eenhoorn die zich gereedmaakte een onzichtbaar wezen met zijn getordeerde hoorn te doorboren.

Het werd steeds drukker in de apotheek. De bezoekers stelden hun vragen, niet alleen persoonlijk aan de oude dokter, zuster Elvira en Silvio, maar ook aan jongere zusters en broeders die te hulp geroepen waren. Het gerucht ging dat dr. Jorge alle kwalen kon genezen en sommigen meenden zelfs dat hij het doria-kruid had gevonden waarmee de vruchtbaarheid kon worden voorkomen, maar dat hij wel zijn opperste best deed daar niet royaal mee om te gaan.

Bij het afscheid grijnsde hij nog extra vriendelijk: ‘Bedenk, jongens, het beste medicijn vind je niet in de kruiden maar in het gebed.’

Van het hospitaal werden zij door Alonso naar de administratie van de Fortaleza geleid. Hij waarschuwde hen nogmaals: ‘Het gaat er niet om dat je lange verhalen doet, maar dat je eerlijk voor je mening uitkomt.’

Zij kwamen in een vertrek met vrijwel lege wanden, alleen waren hier en daar enkele beschreven papieren met korte spijkers vastgeprikt. Zij werden door vier officieren ontvangen die aan een tafel zaten met papieren voor zich waarop zij al aantekeningen hadden gemaakt. De Caiquetíos werd verzocht op een drietal banken plaats te nemen. Een van de officieren, die blijkbaar het woord zou voeren, vroeg Alonso naast hem te komen zitten en stelde hem enige vragen naar aanleiding van de aantekeningen die de administratie van hem had ontvangen.

‘Alonso heeft jullie al gezegd dat je geen lange verhalen hoeft te doen maar eerlijk voor je mening moet uitkomen. Het gaat erom wat jullie kunnen en niet wat wij zouden willen dat jullie kunnen. Dat leidt alleen maar tot misverstand. De meeste beroepen moet je leren. Je kunt niet aannemen dat je een geoefend cavalerist wordt als je niet tevoren het leven van de paarden hebt leren kennen, hoe zij eten, hoe zij drinken, hoe zij baren. Wel zal je een geoefend wachtmeester worden als je vriendschap voor dieren voelt. Je wordt ook niet een goede tuinman als je denkt dat het alleen om plukken en oogsten

[p. 341]

gaat, je moet ook aan de bloemen denken, aan het uur van bloeien en verwelken van de cayenas, de franchipanis, en trinitarias. Je moet niet alleen de planten maar ook de vriendschap voor de planten kweken. Je wordt ook niet een goede timmerman of metselaar als je alleen maar een bewondering tentoonspreidt voor kerken, hospitaals en fortalezas. Je moet ook bereid zijn kisten en tobben te timmeren. Je moet vriendschap voor de dieren en materialen hebben.’ Vervolgens keek de officier het papier van Alonso door. ‘Jullie mogen nu rustig zeggen of je een keuze hebt gedaan.’

De helft had voor de fokkerij gekozen en een iets kleiner aantal voor de landbouw. Het waren uitzonderingen die bleven aarzelen. Hun werd aangeraden het voorlopig bij de paarden en planten te proberen, tenzij zij een uitgesproken angst voor de dieren en planten hadden.

Het resultaat was dat de Caiquetío van de spierkracht bij de verzorgers van de paarden, de broeder van het water bij de verzorgers van de planten werd ingedeeld. De eerste kreeg de naam Pablo Llano, de tweede zou voortaan Servio Matas heten. De officier stond op en nam de tekenaar terzijde. ‘Hoor eens, uit de aantekeningen van Alonso hebben wij begrepen dat je een ervaren tekenaar bent maar dat wij niet de benodigde materialen hebben. Kijk, wij hebben wel enkele scherpe stiften. Dat meen ik tenminste, want ik ben geen tekenaar. Voor de verven kun je misschien met een van de officieren een keer naar Hispaniola.’ Hij overhandigde hem een bosje stiften die in elk geval niet stomp waren. ‘Wij hebben in lange tijd geen tekenaar gehad. Als je het goed vindt noemen wij je Diego Cuebas. Als je iets nodig hebt kun je op ons terugvallen, al weten wij van tekenen natuurlijk heel weinig.’

Alonso vergezelde hen naar hun rancho en ried hun aan wat uit te rusten want die avond zou het welkomstfeest worden aangeboden. De ingewijden werden kort na zonsondergang door een assistent-amarillento afgehaald en naar de rancho van de Samenkomst geleid. Zij namen plaats aan tafels waar hun een overvloedige maaltijd werd voortgezet. Zij hadden de keuze tussen chacusco en kreeft, arepa en maïskolven, verder

[p. 342]

een groot aantal vruchten, avocado, mispel, mango, gele en rode meloenen, en wat de dranken betreft tussen kokoswater en pulque. De meesten vermengden de pulque en het kokoswater, wat een plezierige doezeligheid veroorzaakte. Na ongeveer een uur, nadat de meesten een belangrijk deel van hun maaltijd hadden gebruikt, verschenen de eerste dansers. Het waren jongemannen tussen achttien en twintig jaar. Zij dansten de ketendans van de Caracas-Indianen. Zij liepen in het rond terwijl zij met beide handen elkaar op de schouders vasthielden. Nadat de dans een kwartier had geduurd deden de danseressen haar intree. Zij namen een plaats in tussen de jongemannen en de dans werd op dezelfde wijze voortgezet. Nadat de enigszins monotone rondedans enige tijd had geduurd, onttrok zich een jonge vrouw aan de keten en maakte een reeks wervelingen zodat haar benen, die aan binnen- en buitenzijde met blauwe banen waren beschilderd, tot aan het lendenbroekje zichtbaar werden. Langzaam maakten ook andere danseressen zich uit de keten los voor steeds snellere wervelingen, waarbij bleek dat de benen van de jonge vrouwen meestal met blauwe maar soms ook met paarse en groene banen waren beschilderd. Na een korte poos werden ook de gasten uitgenodigd zich in de keten te voegen of zich temidden van de wervelende danseressen te bewegen, Gasten, dansers en danseressen werden zo overvloedig op pulque getrakteerd dat zij niet meer wisten hoe laat het was. Het einde van het feest werd door een schaduw teweeggebracht die zich reeds enige malen heen en weer bad bewogen voor de rancho. Het was de schaduw van padre Rojas die waarschuwde voor de gevolgen van de pulque en de wervelingen van de ketendans.

De Caiquetíos hadden het geluk in een periode van stijgende welvaart te zijn opgenomen. Men vreesde eerst dat de oorlog in de Caracas-vallei op korte termijn zou zijn afgelopen en dat de aanvoer van paarden binnen afzienbare tijd niet meer vereist zou zijn. Dit bleek onjuist, men schatte dat de oorlog nog vele jaren zou duren, vooral door het conflict tussen Losada en Aguirre dat maar niet tot een ontknoping wilde komen. Maar veel belangrijker was nog dat de capitanía gene-

[p. 343]

ral van Venezuela ter kennis van de gouverneur had gebracht dat zij spoedig de exploratie van het gebied van ruim één miljoen hectaar ter hand zouden nemen en dat daarvoor gedurende de komende decennia een groot aantal Andalusische paarden en zware trekpaarden nodig zou zijn. Men was hiermee voor lange tijd van belangrijke inkomsten verzekerd. Het optimisme werd nog bevorderd doordat de Spaanse wachtmeesters voortaan onder leiding van Delfino, die inmiddels tot officier was benoemd, werden getest alvorens naar de eilanden te vertrekken.

Pablo Llano, Diego Cuebas en Servio Matas raakten steeds meer vertrouwd met het beroep dat zij hadden uitgekozen. Pablo hoefde niet alleen de stallen schoon te houden, hij was al zover dat hij de hengsten bij de copulatie bijzondere bijstand verleende, vooral als de dieren te zenuwachtig waren om op eigen kracht de weg van de anatomie te vinden.

Diego had belangrijke vorderingen gemaakt met de bantering van de scherpere en minder scherpe stiften. Doña Isabela had de ontdekking gedaan dat de tekeningen deels werkelijke tekeningen waren maar deels ook behoorden tot de geschriften van de Caiquetíos waarin zij een relaas gaven van hun tocht van de Orinoco naar de eilanden. Zij had altijd een vouwstoeltje bij zich, zodat zij in alle rust de bewegingen van de Caiquetío kon volgen, en een schrift waarin zij de waarschijnlijke betekenis van het verhaal optekende.

Wanneer een tekening bijzonder geslaagd was stonden zij beiden op, Diego en Isabela, en dansten zij door de vertrekken waarbij zij hem bij de schouders hield. Wanneer zij in een zaal waren beland waar het prachtig topaasgeel overheerste, liet zij hem los en maakte enige wervelende wentelingen waarbij haar benen tot aan het korte lendenbroekje zichtbaar werden. Dan zetten zij hun dans door de vertrekken voort.

Matas had eindelijk een keuze gedaan tussen de meisjes met de blauwe, paarse en groene banen ter weerszijden van de benen en was reeds in de stand der gehuwden opgenomen.

Het spreekt vanzelf dat de klachten, ondanks het optimis-

[p. 344]

me, evenmin uitbleven. Zij kwamen vooral tot uiting in de beschuldigingen van padre Rojas en gaven aanleiding tot ernstige meningsverschillen tussen de gouverneur en de priester, waarbij tenslotte de noodlottige gevolgen niet konden uitblijven.

De gouverneur en de priester behoorden tot de mensen die geboren waren om elkaar te ergeren en tenslotte met elkaar de strijd aan te binden, al hoefde dit niet altijd tot een uiterste te komen. De gouverneur was zonder twijfel een militair, het grootste deel van zijn leven had hij in de kazernes van de Guadarama en Hispaniola doorgebracht, maar hij was tegelijk ook een overtuigd humanist zonder dat hij op enige wijze blijk gaf het geloof te hebben afgezworen, wat mogelijk ook niet was gebeurd. Hij was middelmatig van lengte maar enigszins vierkant en gespierd of mogelijk vierkant doordat hij gespierd was. Hij had een langwerpig maar toch enigszins breed gezicht met aan beide zijden een gleuf, niet langs de neus zoals gewoonlijk, maar midden over de wang waardoor men eerder met littekens dan met rimpels dacht te maken te hebben. Hij had de gewoonte met zijn handpalm over zijn kortgeknipte haren te wrijven, vooral als de oplossing van een vraagstuk hem niet aanstonds te binnen viel terwijl hij ervan overtuigd was dat deze oplossing op korte termijn zou moeten worden gevonden.

Padre Rojas was allerminst een humanist. Als hij zijn parochiaal werk had verricht, dat hoofdzakelijk bestond uit waarschuwingen en vermaningen - vooral het doria-kruid en de korte met trinitaria-motieven versierde lendenbroekjes moesten het ontgelden - bracht hij zijn tijd meestal op zijn knieën in de kerk der Annunciatie door. Hij forceerde zichzelf tot mystieke ervaringen. Hij was niet een fanaticus maar eerder een geforceerde mysticus, die natuurlijk de nodige verwantschap met elkaar vertonen. Hij had een spitse neus en spitse kin, kenmerken van de speurder die zich ook verried in de onverwachte oogopslag die hij op de ander richtte.

De beslissende discussie tussen deze twee antagonisten had in de eerste maanden van het jaar 1547 plaats. De priester had

[p. 345]

om een onderhoud gevraagd op de 21ste januari, dat hem op de 23ste werd verleend. Het zou in het cilindervormige huis van de gouverneur plaatshebben. De gouverneur ontving de priester vriendelijk maar zwijgend en liet hem vrijwel uitsluitend alleen aan het woord. Padre Rojas was van mening dat de gevallen van overspel onrustbarend toenamen. Hij meende dat dit in de eerste plaats moest worden geweten aan de feesten die tot het krieken van de morgen plaatshadden; aan de invloed van de pulque; aan de blauwe, paarse en groene banen aan de benen en vooral ook aan de lendenbroekjes die zo kort zijn dat bij de wervelingen de aanwezigheid van de partes vergonzosas, het intieme orgaan, zo niet zichtbaar dan toch duidelijk merkbaar wordt, wat nog veel en veel erger is. Hij meende dat de gevallen van overspel aanstonds zouden verminderen indien de gouverneur bepalingen in het leven zou roepen ten aanzien van de frequentie en de duur van de dansen.

De gouverneur gaf te kennen dat hij zijn bezorgdheid om het zedelijk peil van de samenleving kon delen, maar dat hij niet de bevoegdheid had om verbodsbepalingen die betrekking hadden op de dans van de Indianen uit te vaardigen. Hij was de gouverneur van een bescheiden provincie en kon zich niet met ingrijpende maatregelen inlaten. Wei wilde hij hem toezeggen dat hij zich hierover met de president van het hoogste gerechtshof, monseñor Albaje, in verbinding zou stellen en diens raad zou inwinnen. Hij beloofde tenslotte de priester op de hoogte te stellen van de opvatting van de hoge magistraat in Hispaniola. Voordat de priester verwittigd was van enig antwoord van of namens monseñor Albaje meende hij nogmaals een onderhoud met de gouverneur te moeten aanvragen. Hij meende een bijzondere oorzaak te hebben gevonden voor de verlaging van het peil van de zedelijkheid in Curaçam. Hij meende dat de huidige tenue van de religieuzen ronduit exciterend werkte op de Indianen. Vroeger droegen de zusters wijde habijten waarbij de vormen van het lichaam verscholen bleven. In Ezechiël leest men dan ook: Verschuilt uw lichaam. De profeet bedoelde natuurlijk bepaalde li-

[p. 346]

chaamsvormen. Nu dragen de religieuzen betrekkelijk nauwsluitende kleren. Padre Rojas stelde voor dat een verbod voor nauwe kleding zou worden uitgevaardigd. De gouverneur nam de vrijheid hem erop te wijzen dat de wijde habijten in het bijzonder in aanmerking kwamen voor de contemplatieve orden, maar moeilijk voor actieve zusters konden worden aanbevolen. Vooral niet als zij werkzaam zijn in een ziekenhuis waar iedere persoon zo weinig mogelijk plaats moet innemen, daar men anders in een geharrewar van patiënten, verpleegsters en instrumenten terechtkomt. Hij kon de zorg van de priester billijken en zou dan ook de moeder-overste van de hospitalen van St-Hieronymus in Mexico vragen of maatregelen zouden kunnen worden getroffen om dit probleem op te lossen. Het duurde nog geen week of de priester drong nogmaals met spoed aan op een onderhoud. De gouverneur was ervan overtuigd dat het ditmaal tot pijnlijke woordenwisselingen zou kunnen komen. De priester deelde mee dat hij dit onderhoud pas had aangevraagd nadat hij twee dagen en nachten in gebed had doorgebracht. Het was hem duidelijk geworden dat ook de zonden tegen de zuiverheid van het ras, la limpieza de la raza, op onrustbarende wijze toenamen. Zij werden in de meest uiteenlopende plaatsen gepleegd. Om te beginnen in het hospitaal van het buitendistrict als er geen hulp werd verleend en deuren en ramen gesloten konden blijven. Zij had plaats in het hospitaal waar zich een vrij ruime gang achter de kasten bevond, die voor de ventilatie van de kruiden bestemd was maar die, naar hem gebleken was, ook gebruikt werd voor de benadering van de mannelijke en vrouwelijke leden van het personeel, die meestal aanzienlijk van ras verschilden. De losbandigheid werd in maanloze nachten vooral ook bedreven tussen de rotsen van de blauwe baai en het labyrint van de gele spelonk.

‘Padre, heeft u bewijzen voor deze beschuldigingen?’

‘Ik heb geen bewijzen nodig, ik hoef de verdachten maar in de ogen te kijken om te weten wie de schuldigen zijn of waar de schuldigen moeten worden gezocht.’

‘Padre, weet u wat de gevolgen zijn van uw aanklachten bij het Heilig Officie?’

[p. 347]

‘Ja, daarom aarzel ik, maar ik zal tenslotte niet anders kunnen doen dan volgens de inspraak van mijn geweten handelen.’

‘U zou beter doen eerst de bewijzen op te sporen en dan de aanklachten kenbaar te maken.’

‘Niet door uiterlijke bewijzen maar door mijn innerlijke overtuiging word ik geleid.’

Bij het afscheid waarschuwde hij nogmaals de priester: ‘Padre, ik zou wachten totdat u de bewijzen kunt overleggen.’

‘Ik kan geen toezegging doen.’

‘Wij kunnen dus alleen maar afwachten en het beste ervan hopen.’

‘Ja,’ besloot de priester, ‘het kan nu eenmaal niet anders.’

Hij sloeg een kruis, en verdween in de nacht waar licht en duister elkaar afwisselden met de snelheid van de voorbijtrekkende cumuluswolken. De gouverneur bleef bij de deur staan, hij zag hoe de priester de weg naar de agaven volgde en vervolgens naar het maïsveld afsloeg. Toen de padre bijna het maïspad had bereikt liep de gouverneur met snelle pas langs de kokostuin en bleef daar even staan totdat de wolken weer een bijna volledig duister hadden teweeggebracht.

Tenslotte had hij de padre ingehaald: ‘Ik wilde u nogmaals wijzen op de ernst van uw beslissing. U weet wat er gebeurt als u de aanklacht indient.’

‘Ja.’

‘U weet dat de verdachten worden gearresteerd.’

De priester knikte.

‘U weet dat zij in het ruim van de Infanta Combita naar Hispaniola worden vervoerd, u weet dat zij daar maandenlang in kerkers worden opgesloten, u weet dat zij worden verhoord en veroordeeld en dat zij tenslotte ontkleed en afgeranseld worden op het Plein van Colóu.’

De priester knikte nogmaals.

‘En toch wilt u niet wachten tot u de bewijzen kunt overleggen.’

‘Ik vind dit alles gruwelijk, meer dan gruwelijk, maar ik

[p. 348]

mag niet wachten op bewijzen, ik moet luisteren naar de stem van mijn geweten.’

‘Het is dus zo dat u niet wachten wilt op de bewijzen.’

De priester keek de ander aan en zei: ‘Neen, ik kan niet, ik mag dat niet.’

Ineens zag de priester hoe de ander zijn soutane bij de borst vastgreep. Hij werd even opgetild en toen tegen de grond gesmakt.

‘Que se pasa? que se pasa?’ vroeg nog de padre. ‘Wat is er aan de hand?’

De gouverneur gaf geen antwoord, voor discussie was de tijd allang voorbij. Hij knielde op de grond en trok bliksemsnel de triple uit de holster. Hij gaf driemaal een steek in de hartstreek. Bij de eerste steek had hij nog een zucht gehoord, daarna was het doodstil. De gouverneur voelde zich weer kalm worden. Hij veegde de triple aan een slip van de soutane af. Het ergerde hem even dat de triple wel een afdoend wapen was, maar zich niet makkelijk schoon het maken. Er bleef altijd hoe onmerkbaar ook, een beetje bloed aan een van de dolken kleven. Hij stond op en ging de weg terug die hij gekomen was. Ook ditmaal moest hij nu en dan op de voorbijtrekkende wolken wachten. Bij de ingang van het huis bleef hij even stilstaan onder de kleuren van de nationale vlag. Hij zag de boomgaarden, de maïsvelden en de agaven die afwisselend verlicht en in het duister werden gehuld. Hij zag hoe een zachte bries over de maïsstengels streek.

Ineens viel het hem in dat de strijd nog niet gestreden was en dat hij terstond het werk moest hervatten. Hij haalde een kaars, die nog brandende gebleven was in zijn zitkamer, en stak daarmee enkele kaarsen in zijn werkkamer aan. Hij schreef vijf brieven van meer of minder gelijke inhoud die aan dezelfde persoon, de president van de Audiencia, de monseñor Alejandro Adolfo Albaje, in Hispaniola geadresseerd waren. Hij deelde daarin mede dat padre Rojas, vicaris van de provincie van Curaçam, van de orde der predikheren, een gewelddadige dood was gestorven. Hij richtte zich daarom tot Zijne Eminentie met het verzoek een ervaren vervolgings-

[p. 349]

ambtenaar voor zolang als nodig ter beschikking van de provincie van Curaçam te stellen. Hij deelde mede dat de reverendo padre Rojas (een van de brieven sprak uitsluitend van het stoffelijk overschot) voorlopig in een dubbele kist was bijgezet in de kerk van de Annunciatie in de hoop dat Zijne Eminentie zou willen beslissen of de overledene (het stoffelijk overschot, reverendo padre Rojas, padre Rojas qepd) naar Spanje zou worden overgebracht, waar men beter op de hoogte was van zijn antecedenten en beter in staat was te oordelen op welk kerkhof hij ter aarde zou moeten worden besteld: het kerkhof voor de martelaars, verdeeld in drie klassen van heiligheid, of het publieke kerkhof waar de verdeling in klassen sedert het decretale ‘de defunctis funerandis’ verboden was. Hij sprak tenslotte de hoop uit dat Zijne Eminentie zich door een persoonlijk bezoek aan Curaçam op de hoogte zou willen stellen van de ontwikkeling die zich de laatste jaren op het eiland had voorgedaan. De finalen van de brieven vertoonden weinig verschil. Zij eindigden met ‘verschuldigde eerbied su seguro servidor que besa sus manos’ of met ‘su seguro servidor’, met weglating van de laatste formule. De gouverneur had gehoopt reeds dadelijk vannacht een keuze te kunnen doen, het ging tenslotte om de meest evenwichtige epistola die met spoed met de Coraza naar Hispaniola zou moeten worden verzonden. Maar de teksten en finalen begonnen zozeer in zijn geest te dwarrelen dat hij meende de beslissing tot de volgende ochtend te moeten uitstellen. Hij sloot ze in de grijze geheime kluis en trok zich in zijn slaapvertrek terug.

Hij was eerst van zins de gordel met de wapens af te doen, maar zag daarvan af. Wel deed hij zijn jas en zijn schoenen uit. Vooral het uittrekken van de zware schoenen bezorgde hem een plezierige verlichting. Hij sliep vrijwel aanstonds in zonder zich ervan te hebben vergewist hoe laat het ongeveer kon zijn.

Het was reeds zeven uur 's ochtends toen hij door Delfino gewekt werd, gevolgd door de huismeester met de traditionele koffie en avocado. Delfino deelde mee dat het stoffelijk over-

[p. 350]

schot of, als men wil, het lijk van padre Rojas op het maïspad was gevonden. De oude dokter had meegedeeld dat het niet mogelijk was met zekerheid vast te stellen wanneer de dood precies was ingetreden, wel meende hij dat de teraardebestelling of een daarmee gelijk te stellen handeling op diezelfde dag zou moeten plaatshebben.

De gouverneur trok zijn schoenen en jas aan en begaf zich naar de plaats van het misdrijf. Hij gaf Delfino de opdracht zich naar Sta Anna te begeven en de daar dienstdoende priester te verzoeken de nodige ceremonies te willen verrichten, want hij meende dat het advies van de oude medicijnman zou moeten worden opgevolgd. Vier uur later meldde zich Delfino met padre Remos uit Sta Anna bij de gouverneur die weer aanstonds naar zijn huis was teruggekeerd.

Gedurende deze vier uren had de gouverneur een keuze gedaan uit zijn vijf brieven (de sssqbsm) en de kapitein van de Coraza opdracht gegeven alles gereed te maken om het anker te lichten en naar Hispaniola af te zwaaien, waar hij de brief zo mogelijk persoonlijk zou moeten overhandigen aan monseñor Albaje, de president van de Audiencia daar ter plaatse. Vervolgens had hij de officieren van de administratie verzocht van de drie nog beschikbare dubbele kisten, de ene van zink in de ander van mahoniehout, de sterkste uit te kiezen, het stoffelijk overschot daarin te leggen en haar vervolgens in de kerk bij te zetten totdat zij naar het dodenhuis bij het kerkhof, la Casa Mortuaria, volgens de riten ‘de defunctis funerandis’ zou kunnen worden uitgedragen. Hij verzocht padre Remos zich verder met de administratie te verstaan over de wachtmeesters benodigd om het gekiste lijk naar de Casa Mortuaria te dragen, waar het zou moeten worden bijgezet totdat hij van monseñor Albaje vernomen had waar de defunctus zou worden ter aarde besteld. Ongeveer een uur later meldde zich Delfino die de gouverneur naar de kerk vergezelde waar de uitvaartdienst door padre Remos zou worden gehouden. Midden voor de communiebank met de twee engelen, die nog altijd een sluier voor hun ogen hielden, werd de zware kist neergezet op een tafel van algri dzjiri die er ook

[p. 351]

mocht wezen. Zij kraakte even maar gaf verder geen krimp.

Padre Remos vertoonde al spoedig enkele eigenaardigheden die men deels als komiek deels als sympathiek moest aanmerken. Hij behoorde tot een charismatische orde met een beperkte begroting, waardoor de soutanes van de priesters niet op maat konden worden gemaakt en derhalve bij de langere posturen iets te kort en bij de kortere posturen iets te lang of zelfs veel te lang uitvielen. De lengte van padre Remos was aanzienlijk beneden de middelmaat, zodat hij zich in een veel te ruime soutane bewoog en het ook tot hem doordrong dat de parochianen voortdurend vreesden dat hij tegen hen aan zou tuimelen. Hij was eraan gewend, hij had daardoor iets van een koorddanser, of beter een plooiendanser, zonder dat hij zijn strapatsen onnodig ver doordreef. Hij begon met de boze te verjagen, die moest geacht worden in alle hoeken van de kerkruimte aanwezig te zijn. Hij deed dat door een ruime besprenkeling van mensen en meubels, aspergote, aspergote, en het uitspreken van een groot aantal namen die waarschijnlijk synoniemen waren, vade retro irae plenus, vade retro ira incensus, vade retro maleficus nefarius, scelerate, male, prave. De wisseling van de naamvallen deed hij niet alleen ter wille van het ritme, maar ook omdat zij voorgeschreven waren door een concilie waarvan hem de naam was ontgaan. Nadat hij de boze had verdreven keerde hij terug naar het gekiste lijk op de tafel die geen krimp gaf. Daar zei hij het onzevader in de nationale taal dat door de anderen werd herhaald, evenals vijfmaal het weesgegroet. Santa Maria, Madre de Dios, ruega por nosotros, pecadores, ahora y en la hora de nuestra muerte Amén. Daarna werd de kist op de schouders van zeven amarillentos naar het kerkhof gedragen dat even ten noorden van de weg naar het buitendistrict lag.

Tijdens de tocht werd de psalm ‘De profundis’ gepreveld, wat het voordeel had dat de tocht niet met versnelde pas, zoals bij de zeesoldaten, maar verlangzaamd plaatshad. In de Casa Mortuaria werd het gekiste lijk eveneens op een forse tafel gezet. De priester sprak in het Latijn de ontroerende lectio uit de ‘commemorationes fidelium defunctorum’, dat het zaad

[p. 352]

noodwendig in de aarde sterft maar niet als zaad maar als graan wordt herboren. Hij was ervan overtuigd, padre Rojas zou als graan herboren worden. Padre Remos wendde zich tot de gelovigen: Bid voor padre Rojas.

De gouverneur liep met de priester op. Hij vertelde dat Delfino hem naar het huis van de Samenkomst zou vergezellen. Daar zou hij nog andere amarillentos zien. Daar zou hij ook nog kokoswater en pulque en sorsaka kunnen gebruiken, Delfino zou hem naar Sta Anna vergezellen, want hij zag niet graag dat de priester zou verdwalen en nog minder dat hem een ongeval zou overkomen. Hij dankte hem en vertelde dat Delfino hem over enkele dagen zou komen halen om monseñor Albaje te assisteren bij diens rouwmis, omdat de bemanning en aalmoezeniers geen toestemming hadden om aan wal te komen. Hij verzocht de priester om de benedictie en verdween tussen de paarden en hun verzorgers.

Hij werd de volgende ochtend gewekt met het gevoel dat hem een ramp zou overkomen die hij waarschijnlijk niet zou overleven. Het was hem of hij afscheid zou moeten nemen van verschillende personen die hij had gekend en voor wie hij een zekere genegenheid had gekoesterd. Hij zou afscheid van ze nemen maar dit niet nadrukkelijk zeggen, hij was trouwens met de apostel die brieven schreef uit Patmos aan de zeven kerken in Azië of een nauwkeurige uiteenzetting gaf van de zeven zegels.

Hij liep de apotheek binnen. De dokter kwam hem tegemoet en leidde hem door de geheime gang achter de hoge kasten naar zijn persoonlijk studievertrek waar hij aanstonds twee bekers cacao liet brengen.

‘Ik ben blij dat u langsgekomen bent, men hoort de vreemdste geruchten.’

‘Dr. Jorge, van die geruchten moet u zich niets aantrekken, er zijn wel enkele feiten die ik u vertellen kan. Het is waarschijnlijk dat monseñor Albaje morgen of overmorgen hier arriveert. Deo atque vento volente. Hij zal moeten beslissen waar padre Rojas qepd voorgoed ter aarde besteld zal worden. Ik vertel u dit niet om een gerucht aan de vele andere

[p. 353]

geruchten toe te voegen. Ik wou u alleen toevertrouwen dat de monseñor zich de laatste tijd soms allerellendigst voelt, ik weet niet waarover het gaat, maar hij zal waarschijnlijk uw hulp inroepen. Ik hoop dat u hem zult kunnen helpen.’

‘U weet, ik zal mijn best doen en ik heb een groot aantal kruiden.’

Hij gaf de oude dokter een omhelzing en begaf zich naar de kerk van de Annunciatie, waar hij de oude koster tussen de stoffige paramenten van de sacristie begroette. De oude koster was in feite nog alleen maar een assistent-koster.

‘Hoe gaat het, don Pedro?’

‘Niet zo kwaad, niet zo goed. Padre Rojas, zaliger nagedachtenis, weigerde mij voor te dragen als koster omdat ik volgens hem niet de zuivere leer verkondigde. Het zit zo in elkaar, als ik het heel eenvoudig zeggen mag. Als koster of, als u liever wilt als assistent-koster, krijg je allerlei blaadjes in handen, het zijn vaak vergeelde blaadjes maar het zijn toch blaadjes, uit Toledo, Sevilla en zelfs uit Tordesillas waar de koningin met haar dochter woont. Het schijnt een mooie dochter te zijn, hebt u haar weleens gezien?’

‘Don Pedro, laten wij niet over de koningin en haar dochter praten.’

‘Welnu, de dochter van de koningin buiten beschouwing gelaten, sommigen menen, om ons bij de bovenaardse wezens te houden, dat men de idolen niet met de sterke hand moet willen afschaffen, want ze winnen dan aan leven. Jongens jongens, wat winnen ze dan aan leven! Het is niet te geloven! Het zijn vaak idolen die niet eens hoeven te verdwijnen. Waarom zouden we de onzichtbare bloem niet met beide handen kunnen aanvaarden? Wat wij moeten doen is de betekenis van Christus en Zijn moeder in een duidelijk licht stellen, dan bewaren de idolen vanzelf hun eigen zij het ondergeschikte plaats. Het blaadje vertelde van een merkwaardige rangorde. Eerst de idolen, dan Santa Maria, Madre de Dios ruega por nosotros, vervolgens Christus die ter helle gedaald is en de derde dag uit de doden is herrezen.’

‘Hebt u dit allemaal aan anderen verteld? Ik bedoel dus ook

[p. 354]

van ter helle gedaald en de derde dag van de doden herrezen? Zomaar botweg?’

‘Jazeker, ik zag er heel geen kwaad in, maar als ik verkeerd heb gedaan, dan zou men, de omstandigheden in aanmerking genomen, met een berisping kunnen volstaan en niet mijn promotie per omnia saecula saeculorum moeten uitstellen. Het salaris van een assistent-koster is aanzienlijk lager dan dat van een koster met volledige rang. Misschien zou u uw bemiddeling kunnen verlenen bij de president van de Audiencia.’

‘Don Pedro, ik zal de monseñor vragen of men niet tot koster kan worden gepromoveerd als men de gematigde verkondiging voorstaat. Eerlijk gezegd, deze zaak begint mij de keel uit te hangen. Christus aan het kruis, Christus van het kruis. Maria maagd, Maria door de geest overschaduwd. De bloem zichtbaar, de bloem onzichtbaar.’

‘Gouverneur, vergeef mij als ik nieuwsgierig ben, ik zal u niet lastigvallen met de mysteries tussen hemel en aarde, maar de parochianen waarschuwen mij herhaaldelijk voor gevaren, ja, zelfs catastrofen die ons boven het hoofd hangen. Het gaat mis, zeggen ze, het gaat mis.’

‘Don Pedro, het wordt de komende dagen druk onder de levenden en de doden. Inter viventes et mortuos, zoals reverendo Rojas placht te zeggen, maar ik zou je aanraden, trek je daar niets van aan. De meeste catastrofen lopen met een sisser af en als het anders gaat is het niet de moeite waard daarover te redetwisten.’

De gouverneur liep de weide op en vroeg aan Pablo Llano, die hij zo half en half had leren kennen, of de merrie Sandra beschikbaar was. Toen hij al in het zadel zat keek hij Pablo aan en vroeg of hij een van de Caiquetíos was die met de tekenaar van het oostelijk eiland met de kano's naar Ceiba waren gekomen. Hij wachtte niet op antwoord maar voegde er aanstonds aan toe; ‘Het ga je goed Pablo.’

Hij ging de zijweg in naar de blauwe baai, Sandra weifelde geen ogenblik, zij kende alle kronkelwegen tussen de rotsen. ‘Je moet weten,’ zei de gouverneur tegen de merrie, ‘wij soldaten leven allemaal in de zwaarmoedigheid tussen de rotsen.

[p. 355]

Wij Spanjaarden zeggen “en la peñascosa pesadumbre”.’ De gouverneur schrok even, hij meende dat het paard hem had verstaan. De blauwe baai en de vliegende vissen zouden hen waarschijnlijk allen overleven, infanteristen, artilleristen en cavaleristen, met of zonder ‘pesadumbre’. Het moet je maar overkomen! Hij trok zijn kleren uit en dook in het water. Nadat hij een poos het heldere of tenminste bijna heldere water in verschillende richtingen en diepten had doorkruist, ging hij aan de oever zitten om te drogen. Toen dit gebeurd was en hij weer in het zadel zat, vroeg hij zich in gemoede af of het gevoel van mismoedigheid wel ooit geheel verdwijnen zou. Je kunt nog zo gehard zijn, je kunt geen mensen elimineren zonder daar een zeker verdriet van over te houden. ‘Mais à la guerre comme à la guerre’, zeggen de Fransen die er zich aanzienlijk makkelijker vanaf maken.

Op 4 mei 1547 had de gouverneur in de uitkijktoren van de Fortaleza een bijeenkomst met zijn voornaamste officieren. Hij sprak hen toe in ongeveer de volgende bewoordingen: ‘U weet even goed als ik dat momenteel een zeker aantal verhalen de ronde doet die in de richting van dreigende gevaren, ja zelfs van een catastrofe wijzen. Ik heb daarom gemeend u in alle oprechtheid mijn mening te moeten meedelen.

Sommige van deze verhalen berusten op werkelijkheid of op mogelijke werkelijkheid of zelfs op waarschijnlijkheid, andere moeten naar mijn oordeel aan fantasieën of begoochelingen worden toegeschreven. U weet dat verschillende personen rekening houden met de inval van een linieschip of een zeeschuimer. Kapitein Prades van de Coraza heeft herhaaldelijk verschillende van deze schepen gesignaleerd. Volgens Prades wordt in Cumarebo van Engelse en Franse, Deense en Zeeuwse zeeschuimers gesproken, maar de kapitein heeft de Deense nooit gezien, die dus ofwel in het geheel niet bestaan ofwel als gecamoufleerde schepen moeten worden beschouwd. De meest bekende zijn de Engelse Doomsday en Black Moon en de Franse Coupe Gorge en Morne Bleu. Om deze schepen van elkaar te onderscheiden moeten wij hierbij ook de nationale schepen in de beschouwing betrekken, de Infanta Com-

[p. 356]

bita en de Niña del Mar. De inquisitie verkeert over de Infanta Combita met de admiraliteit in een discussie die meer met taalkunde dan met de marine te maken heeft. Het is bekend dat in bepaalde streken van Galicië de mensen de n met een tilde, dus de ñ (enye), niet of nauwelijks kunnen uitspreken. Zij maken daar een combinatie van m en b, dus een mb, van. De inquisitie betoogt dat de geschiedenis in de Iberische provincies of Indias nooit en nergens een Infanta Combita heeft gekend en dat het schip dus een obscene naam draagt, een camouflage van de Infanta Coñita of de Kutprinses. De marine heeft tot nu toe geweigerd de naam te veranderen omdat een dergelijke verandering nodeloze rompslomp met zich mee zou brengen, en dat bovendien in deze gedachtengang mogelijk nog tal van obscene schepen rondvaren. Combita volgens de admiraliteit en Coñita volgens de inquisitie zijn dus een en hetzelfde schip. Als u de schepen wilt herkennen moet u rekening houden met hun bouw en niet met hun namen, die trouwens niet te lezen zijn op een afstand van twee of drie kilometer. De Doomsday, Black Moon, de Coupe Gorge en de Combita zijn alle vijfdekkers met vier masten. De Doomsday, Coupe Gorge en Combita zijn ongeveer geel geverfd. De Black Moon draagt de kleur die aan zijn naam beantwoordt, dus la Luna Negra. Het is niet makkelijk vast te stellen hoeveel kanonnen deze schepen tot hun beschikking hebben omdat de kanonnen binnen de luiken kunnen worden getrokken en daardoor tot camouflage en pijnlijke verrassingen aanleiding kunnen geven. Maar volgens een algemene schatting kan men aannemen dat de Doomsday en de Combita het grootste aantal hebben, zo ongeveer tachtig van ijzer en twintig van brons. Het is niet waarschijnlijk dat men het schip aan het aantal kanonnen zou kunnen herkennen, want de Black Moon en de Coupe Gorge hebben er nauwelijks minder. Deze vier schepen hebben bovendien alle hetzelfde boegbeeld, een forse meid met half afgezakt hemd en aldus ontblote imposante borsten. Van dichtbij ziet men bovendien een gezicht met blauwe ogen en ronde rode lippen, maar wie op zo korte afstand komt is waarschijnlijk allang verloren. Makkelijk te onderscheiden

[p. 357]

van deze vijfdekkers zijn de Franse Morne Bleu en Niña del Mar die beide driedekkers zijn. Het Franse schip is van een diepblauwe, het Spaanse van een lichtblauwe kleur. Zij hebben geen van beide een voorkasteel en bezitten een snelheidsvermogen dat enkele malen dat van de vijfdekkers te boven gaat. Men kan reeds uit de verte het boegbeeld herkennen dat in alle opzichten van de meid met de imposante borsten verschilt. Het Franse schip heeft een engel die op een bazuin blaast, het Spaanse een dame met de modieuze kleding van Quito. Deze kleding bestaat vrijwel uitsluitend uit een doorzichtig hemd met valse edelstenen die uit de verte als een mengeling van echte smaragden en robijnen schitteren. Ik laat hier voor u de tekeningen achter die doña Isabela heeft gemaakt, zij hebben mij geholpen uit deze wirwar van schepen te komen.

Wij komen aan het tweede verhaal, dat mogelijk eveneens op een zekere mate van werkelijkheid berust. Sommigen menen dat de schepen van de Audiencia, dus de vierdekker Audiencia i en de driedekker Audiencia ii, niet met goede bedoelingen komen en een poging zullen doen een aantal van ons als gijzelaars of verdachten mee te nemen. Daarom zal bij aankomst van deze schepen van het terras van de Fortaleza geseind worden waar de schepen het anker moeten uitwerpen en voorts hoeveel en welke personen aan wal zullen worden toegelaten. Het mogen er niet meer zijn dan negen, de president, drie officieren en de scheepskapel bestaande uit vijf personen voor het geval de overbrenging van het stoffelijk overschot met muziek moet worden begeleid. Als aan deze voorwaarden niet wordt voldaan, zal de sloep desnoods met geweld worden geweerd. Tenslotte moet ik er u op wijzen dat op de tekeningen grotere of kleinere rode cirkels zijn aangebracht. Aangenomen mag worden dat binnen deze cirkels zich de kruitmagazijnen, los cuartos de la Santa Barbara, bevinden. In geval van vijandelijkheid moet binnen deze cirkels worden gericht. Het schip zal noodwendig vlam vatten en uiteengescheurd worden.

Ik mag in dit verband niet nalaten u enkele inlichtingen te verstrekken over de veel omstreden brieven van Hispaniola -

[p. 358]

las cartas Hispaniolas. Het is u mogelijk bekend dat deze brieven door sommige personen aan Agatha Vargas worden toegeschreven, mijn jonggestorven vrouw aan wie ik steeds met de grootste genegenheid zal blijven denken. Zij had veel gemeen met haar dochter doña Isabela, zij had dezelfde asblonde haren, dezelfde combinatie van ernst en vrolijkheid en hetzelfde observatievermogen, zij was alleen maar iets groter van postuur. Isabela heeft haar observatievermogen gebruikt voor haar tekeningen, Agatha voor haar schrijfsterstalent. Zij was in haar vrije tijd altijd bezig beschrijvingen op te tekenen van Hispaniola, van het landschap, de landbouw, de veeteelt en de handel, maar ook van de bestuurlijke, kerkelijke en rechterlijke instellingen. Haar beschrijvingen munten vooral uit door de levendigheid en levensechtheid van de mensen die zich tussen instellingen en landschappen door bewegen. Wij kunnen haar cartas dan ook alleen nog maar vergelijken met de geschriften van frère Bernardino Sahagun, die op het ogenblik door de inquisitie vervolgd wordt. Wees op uw hoede, mijne heren, het is niet onmogelijk dat de officieren van de Audiencia dit onderwerp met u aanroeren. Ik raad u aan u van den domme te houden, u zegt maar dat u niet weet aan wie het auteurschap van de cartas moet worden toegeschreven, u kunt er ook aan toevoegen dat u ze niet gelezen heeft, u hebt er eenvoudig de tijd niet voor. Wees op uw hoede, dit is een delicaat punt dat ons veel moeilijkheden kan bezorgen.

Tenslotte moet ik drie kwesties behandelen die, naar ik hoop, op begoocheling of fantasie berusten. De bevolking meent dat dr. Jorge een oude vete heeft met monseñor Albaje en dat hij alle moeite zal doen om deze magistraat te vergiftigen. Ik hoop dat een dergelijk plan niet bestaat, dat het een nachtmerrie is, maar als het bestaat moeten we trachten hem ervanaf te houden. Wij zijn soldaten en geen gifmengers. Hij is een medicijnman en daarom evenmin een gifmenger. Misschien kunt u het zonodig terloops naar voren brengen. Als u het nodig oordeelt, mijne heren, als u het nodig oordeelt.

Voorts wordt verteld van het plan van de koster om de kist in brand te steken, ook alweer vanwege een vete die tussen

[p. 359]

hem en de priester zou hebben bestaan. Hij kan erop gewezen worden dat de priester reeds voldoende is gestraft door de wijze waarop hij de dood heeft gevonden op het maïspad. Het is bovendien niet zo makkelijk de kisten in brand te steken. Inderdaad heeft hij als koster de bevoegdheid de sleutels van de Casa Mortuaria op een al dan niet geheime plaats te bewaren. Niettemin zal het niet makkelijk zijn twee kisten, een van mahonie en een van zink, in vlammen te doen opgaan.

Het laatste verhaal kan niet anders dan op fantasie berusten. Sommigen zijn van oordeel dat de man die vermoord en vervolgens gekist werd, niet padre Rojas is, maar een persoon die veel gelijkenis met hem vertoont. Het is verstandig ook deze lugubere fantasie au sérieux te nemen. Het kan te maken hebben met een gestoorde die zich als padre Rojas heeft verkleed en zich tussen de rotsen van het westen verbergt. Het is geen makkelijk karwei na te gaan wat hier aan de hand is, als hier tenminste iets aan de hand is. Als u het met mij eens kunt zijn, zou ik de wachtmeester Alonso, die bijzonder vertrouwd is met onze rotsformatie, kunnen vragen deze contreien te onderzoeken. In geval van gevaar is hij natuurlijk bevoegd zich veilig te stellen op de wijze die hem het meest geschikt voorkomt. De dagen die ons resten voor de komst van de Audiencia gebruiken wij om de bastions van het oosten en de baaien van het oosten en de baaien van het westen te controleren. Wij moeten erop letten hoe de toestand van de fortificaties en de bezetting is. Het spreekt vanzelf dat nooit meer dan vijf officieren afwezig mogen zijn. Alonso, die eerstdaags bevorderd zal worden, moet reeds thans als officier worden beschouwd.

Ik heb u gezegd wat mij op het hart ligt, u kunt altijd een beroep op mij doen, ik zal vrijwel altijd thuis zijn. U zult bovendien ook navraag kunnen doen bij de huismeester die gerechtigd is u alle gewenste inlichtingen te verschaffen.’

Terwijl zij reeds in de mening verkeerden dat de schepen van de Audiencia in de grond geboord waren, men had de Morne Bleu gesignaleerd die in volle vaart uit de Franse schuil-

[p. 360]

hoeken in de Saintes naar het westen joeg, verschenen toch nog de schepen op 9 mei tegen negen uur 's morgens aan de horizon. Door de windstilte en de korte golfslag maakten de schepen in grijze kleur een trillerige, kwikzilverachtige indruk. Toen zij de rede op twee kilometer afstand waren genaderd, hesen zij de twee vlaggen, van Castilië met de drie banen en van de Audiencia, grijs met een geel kruis, en losten zij de twee traditionele schoten ter begroeting, die door de Fortaleza werden beantwoord. Toen de schepen op een halve kilometer genaderd waren, verschenen twee seiners op het terras van de Fortaleza en gaven te kennen waar de schepen zouden ankeren en welke personen aan wal welkom waren. De schepen lagen tenslotte bewegingloos op het stille water met de vlaggen nauwelijks wapperend aan de toppen van de masten. Na enige tijd werd de loopbrug neergelaten en vervolgens een vrij grote sloep die naar de brug werd geroeid. Van de Fortaleza kon worden vastgesteld dat de aanwijzingen van de seiner werden opgevolgd. Eerst klommen vijf leden van de scheepskapel in de sloep, waar zij voorin plaatsnamen met hun blaasinstrumenten, fluiten en trompetten. Dan volgden de officieren en tenslotte de president van de Audiencia, die door een baldakijn tegen de hitte van de zon werden beschermd. De roeiers zetten er onmiddellijk de vaart in. Iemand in de omgeving van de gouverneur gekscheerde dat de sloep blijkbaar sneller voer dan de schepen, maar niemand die erom lachte. Een kwartier later werd de monseñor door de gouverneur aan de steiger opgewacht. De twee mannen begroetten elkaar met een omhelzing, ondanks het verschil in rang tussen de monseñor - president van de Audiencia - en de gouverneur, die niet veel meer was dan een kolonel van de cavalerie. Zij klommen op de zwarte paarden en reden samen, gevolgd door enkele officieren, naar het huis achter de boomgaarden.

Monseñor Albaje was een typische vertegenwoordiger van la Mancha, eerder aan de lange kant en met het onberispelijk stroperig Castiliaans van Ciudad Real. Hij gebruikte buiten de celebratie van de mis geen hoofddeksel waardoor zijn kleren en juwelen des te meer opvielen. Hij droeg een lange grijze

[p. 361]

jas van dezelfde kleur als de broek die in lage zachtleren laarzen stak. Om zijn hals hing een gouden kruis met een grote amethist in het midden van het kruis en aan de middelvinger van zijn rechterhand eveneens eenzelfde steen in gouden omlijsting.

‘Ziet u, mijnheer de gouverneur,’ begon monseñor Albaje nadat hij in de zitkamer enkele pulques had gebruikt, ‘ziet u, ik geloof dat niemand beter dan de koningin een oordeel zou kunnen geven over de gewelddadige dood van de priester. Zij heeft een grote mensenkennis. De raad van de Indias vraagt geregeld haar advies over hoge functionarissen, onderkoningen, voorzitters van het hooggerechtshof en de Audiencia, admiraals en gouverneurs. Zij hoeft dan niet in de eerste plaats met de personen kennis te maken. Zij wil hun antecedenten kennen, hun relaties met hun ouders, op het seminarie, in de samenleving en vooral met hun echtgenoten en, voor zover het priesters betreft, ook hun compagnes. Zij gaat uit van de gedachte dat de priesters vrijwel allen een buitenechtelijke relatie erop nahouden, wat trouwens ook door de statistieken van het Vaticaan en de Spaanse primaat wordt bevestigd. Daar komt nog bij dat zij veel geleden heeft, niet alleen door de vroege dood van haar man, maar ook door de intriges van haar vader Ferdinand en haar zoon Karel, die men bij ons Karel i noemt, hoewel hij nooit koning is geweest. Vindt u dat niet merkwaardig?’ De monseñor wachtte totdat de ander geknikt had voordat hij doorging. ‘Hoogst merkwaardig. Men heeft haar tot abdicatie willen nopen, ja zelfs dwingen, eenvoudig omdat zij hun plannen tot vernietiging van de vrijheid der provincies niet wilde onderschrijven. Men zegt dat het leed de mensenkennis schept. Dat is bij haar zeker het geval. Zij zal zonder twijfel de juiste conclusies kunnen trekken uit de relaties van padre Rojas, qepd. Bij zijn ouders, op de seminaries en in de missies in Hispaniola en Curaçam. Het is mogelijk dat zij zich ook tot u richt. Het gaat hier niet om de feiten, maar om de relaties. Zij zegt: De feiten hangen van het toeval af, de relaties zijn essentieel.’

De gouverneur meende dat monseñor Albaje zijn inleiding

[p. 362]

had voltooid en vroeg of hij hem nog een pulque mocht inschenken.

Hij bedankte en veranderde eensklaps van toon: ‘Ik moet u een bekentenis doen, als u het mij toelaat, de laatste dagen op het schip heb ik ondraaglijke pijnen geleden, aan mijn linkerzij, mijn wervels en mijn rechterknie. Het trillerige schip en de angst voor de Morne Bleu, die voortdurend uit zijn schuilhoek kroop, hebben mogelijk in niet geringe mate hiertoe bijgedragen. De dokter op het schip vertelde mij dat u hier een ervaren kruidenkenner had. Zoudt u het oordeel van deze medicijnman kunnen inwinnen?’

Een van de bewakers, die voor de gelegenheid voor het huis was geposteerd, kreeg opdracht de hulp van dr. Jorge in te roepen, die merkwaardig genoeg aanstonds met een grote linnen tas met medicamenten, een paar heupgordels en enkele kniebanden verscheen alsof hij de monseñor al grondig had onderzocht.

Dr. Jorge vertelde dat hij zich onder de toeschouwers had bevonden en dat het hem toen al opgevallen was dat de monseñor in een dwanghouding in het zadel zat die aan bepaalde aanvallen van pijn moest worden geweten, en dat het hem toen niet veel moeite had gekost de aard van de aandoening vast te stellen. Om te beginnen mocht de monseñor voorlopig in het geheel geen pulque gebruiken, hij moest zich uitsluitend tot kokoswater beperken. Hij moest een gordel om zijn heup dragen die van voren gedeeltelijk openbleef vanwege de pudenda, en een band om zijn knie zou de schijf en pezen op hun plaats houden. Dr. Jorge zou hem tenslotte een kalmerend middel toedienen dat tegelijk pijnstillend zou werken. De gouverneur stond de monseñor zijn slaapkamer af zodat deze niet de wenteltrap hoefde op te lopen.

Toen de gouverneur, die de hoge gast naar de slaapkamer had begeleid, naar de zitkamer terugkeerde, vond hij daar dr. Jorge en Delfino die voor enkele nadere bijzonderheden op hem wachtten. Dr. Jorge verzekerde dat de magistraat van de Audiencia de volgende dag volledig hersteld zou zijn, wel zou hij gedurende zes weken tweemaal daags een lepel van een

[p. 363]

bepaald extract moeten gebruiken. ‘Ik zal alleen morgenochtend moeten zien of de gordel en de band niet verschoven zijn.’

De volgende dag had de requiem-mis in de buitenlucht plaats even buiten het kerkhof. Zij verschilde nauwelijks van andere missen ‘ad commemorationem defunctorum’ overeenkomstig het breviarium romanum. Alleen had geen predikatie plaats, zij werd vervangen door een precatio, het gebed voor de levenden en de doden dat niet aan de riten van het breviarium gebonden was. Bid voor de koningin in Tordesillas wees gegroet Maria. Bid voor keizer Karel v in Milaan wees gegroet Maria. Bid voor de onderkoningen, de presidenten van de Audiencia en de gouverneur in de Indias wees gegroet. Bid voor allen die de priesterlijke geloften hebben afgelegd wees gegroet. Bid voor de religieuzen van Curaçam wees gegroet. Bid voor allen die hun bloed voor het geloof hebben vergoten. Bid voor onze broeder padre Rojas die vandaag met een linieschip van de Audiencia het eiland verlaat.

Een tweede bijzonderheid verwekte meer verwondering. Terstond na de consecratie zette de scheepskapel, tenminste drie fluitisten en een trompettist, het Castiliaanse volkslied in, zodat sommigen in hun verbazing zich gereedmaakten de wijk te nemen.

Tenslotte zorgde de assistent-priester uit Sta Anna ook voor een bijzonderheid door de virtuositeit waarmee hij de rituele voorwerpen hanteerde. De gele bonnet van de monseñor, die toch al voldoende opviel, werd telkens aangereikt maar even spoedig weer teruggenomen, het evangelieboek werd enkele malen te vaak van de linker- naar de rechterzijde en omgekeerd verplaatst, en tenslotte werd het wierookvat dermate royaal geslingerd dat de gehele omgeving van het kerkhof met wierooklucht bezwangerd werd. Toch hadden de bezoekers een zekere sympathie voor hem, het was nu eenmaal een regel van de charismatische orden dat zij onder alle omstandigheden hun best moesten doen.

De rouwstoet moest een weg van bijna twee uur wandelen afleggen. Zij begon met de scheepskapel die om het kwartier

[p. 364]

enkele minuten op de omfloerste trommels roffelde. Dan volgden de amarillentos, zeven in aantal, die de dubbele kist met het stoffelijk overschot op hun schouders droegen. Het zevental werd om het kwartier afgewisseld. Vlak na de dragers volgden de monseñor en de gouverneur en nog een vijftal officieren te paard. Dan volgden te voet twintig amarillentos, vier vertegenwoordigers van het hospitaal en een betrekkelijk groot aantal in groene kleding van de weiden en de landbouw.

Gedurende deze tocht had de monseñor een merkwaardig gesprek met de gouverneur: ‘Hoort u eens, u heeft een zeer kundig medicijnman, ik ben, als ik mij niet vergis, volledig hersteld, hij heeft mij alle bijzonderheden van mijn aandoening uitgelegd, hij heeft alles betreffende de medicijnen op papier gezet. Ik zou hem willen belonen, maar hoe zou dit moeten gebeuren? Zou hij gouden dubloenen aannemen? Neen, aan wie zou hij die dubloenen moeten slijten? Wat zou hij denken van een onderscheiding in de orde van Isabela la Católica? Met enige moeite zou ik hem zelfs het grootkruis kunnen aanbieden en in ieder geval de commandeur eerste klas. Hij zal zonder twijfel vereerd zijn, maar als ik mij veroorloven mag openhartig te zijn, meen ik dat hij het liefst zou hebben dat u hem in de gelegenheid stelde kruiden op te sporen in Hispaniola, in het bijzonder tussen de honderden eucalyptusgewassen in de valleien rondom Santiago de los Caballeros. Hij meent dat de medicinale waarde van de eucalyptus en de kruiden daaromheen nog nooit door een medicijnman werden onderzocht. Dat zou het minste zijn wat wij voor hem kunnen doen. Kunt u hem voor langere tijd missen? Misschien kan hij door de hoofdverpleger worden vervangen, maar dat zal hij zelf moeten beslissen.’

Aan de steiger werd eerst de kist in een lichter geschoven die met pagaaiers de sloep zou volgen.

‘Ik ben u zeer dankbaar,’ herhaalde de monseñor nogmaals terwijl hij de gouverneur ten afscheid omhelsde. ‘U weet maar half wat een dienst u mij bewezen heeft.’ Voordat de monseñor in de sloep stapte stonden de trompetters op en schet-

[p. 365]

terden het lied van Extremadura waar padre Rojas was geboren.

De gouverneur bleef in het zadel kijken naar de bijzonderheden, de lichter die de kist naar het ruimdek vervoerde, de officieren die van de sloep op de brug stapten, de brug en sloep die omhoog gesjord werden en tenslotte de zeilen die werden gehesen en de ankers die werden gelicht. Nu en dan klopte de gouverneur Sandra op de hals, gedeeltelijk ter betuiging van vriendschap, gedeeltelijk ter geruststelling te midden van al dit gedoe tussen de levenden en de doden, de viventes en mortuos zoals padre Rojas, thans woonachtig in het ruim, tussen koeiehuiden en geitevellen, het placht uit te drukken.

Zijn mijmering werd onderbroken door de twee knallen van de Fortaleza die door de schepen met eveneens twee schoten werden beantwoord. De gouverneur ging met zijn paard vlak naast Delfino staan en vertelde hem dat hij een controlerit naar het westen van het eiland zou maken en dat Delfino naar eigen beste weten moest handelen als zich iets ongewoons zou voordoen.

Die middag voelde hij zich alsof hij tussen hemel en aarde zweefde, alsof alle zekerheid hem mogelijk zou ontvallen. Het was onwaarschijnlijk dat een aanval op het eiland anders dan uit het oosten zou worden ondernomen, maar bij de militaire strategie paste juist het onverwachte. Hij liet Sandra maar gaan, die had een ongewoon zuiver gevoel voor de combinatie van diabaas en kalkgesteente. Het noordwesten bestond uit een rotsachtige kust, die men alleen op een bijzonder rustige dag zou kunnen benaderen, maar het was toevallig een bijzonder rustige dag. De zuidkust bood meer mogelijkheden, maar niet vele en daar zouden de zeesoldaten makkelijk door de eskadrons paarden onder de voet kunnen worden gelopen. Het zou trouwens niet makkelijk zijn het met de geweren van de infanterie op te nemen tegen de karabijnen van de cavaleristen.

Het was al acht uur toen hij terugkeerde. Hij zei dat Sandra voor hem beschikbaar moest blijven als dat mogelijk was. Hij dronk enige bekers pulque en at twee avocado's, het traditio-

[p. 366]

nele maal, bleef even zitten denken en liep toen met de zekerheid van een slaapwandelaar naar de kluis in zijn werkkamer. Daar haalde hij zijn vuursteen en een reeds aangebroken pak kaarsen uit, verliet het huis en volgde de steile weg naar de grotten van Topaas. Aan de ingang bleef hij even stilstaan en stak een kaars aan, waarmee hij enkele codebewegingen maakte. In de diepte van de grot werden zij beantwoord door een licht dat enkele malen naar links en rechts seinde. Hij volgde het sein. Het was Diego Cuebas die alleen maar zei dat zij juist bezig waren de tekeningen van Isabela te ordenen.

‘Ja,’ antwoordde hij half verstrooid, ‘het zijn mooie tekennigen, maar wij moeten vandaag over iets anders spreken.’

Doña Isabela ontving hem met de uitdrukking van ernst en vrolijkheid, die zij duidelijk van haar moeder had geërfd, in het kleine vertrek waar zij verschillende stalagmieten en stalactieten tot stoelachtige banken of bankachtige stoelen hadden omgehakt. Hij wist tenslotte niet of hij op een stoel, een bank of een tafel zat, maar dat deed er onder deze omstandigheden ook weinig toe.

Hij zette het gesprek voort dat hij met Diego begonnen was. ‘Kijk eens, wij kunnen iedere dag verwachten dat een aanval op het eiland wordt gedaan. Wij weten niet door wie. Sommigen spreken van Engelse en Franse, anderen van Deense en Zeeuwse schepen. Wij weten niet wanneer en hoe dat zal gebeuren. Naar alle waarschijnlijkheid zullen zij uit het oosten komen. Waarschijnlijk zal in deze omgeving met kanonnen geschoten worden. Jullie moeten rustig in de grotten blijven. Wij kennen nog geen kanon dat door een berg graniet kan schieten. Hij kan hier en daar het gesteente versplinteren maar erdoorheen boren, dat is niet mogelijk. Jullie moeten in de grotten blijven, hoe dieper, hoe beter. Hebben jullie het nodige water en het nodige eten?’

‘Meer dan voldoende voor een week.’

‘Jullie moeten elke dag het water en het eten verversen. Het is mogelijk dat deze gebeurtenissen pas over enkele dagen plaatshebben en misschien in het geheel niet.’

Hij drukte zijn dochter met het asblonde haar en de Indiaan

[p. 367]

aan zijn hart en keerde terug terwijl hij de hand aan het pistool hield. Hij zocht meteen de slaapkamer op en legde zich languit in zijn bed, maar hij kon de slaap niet vatten, hij raakte in een sluimertoestand. Hij leefde weer met Agatha in de tijd toen Isabela nog maar twee of drie jaar was. Zij reden vroeg in de ochtend met z'n drieën naar een baai in het zuiden, met Isabela in een dubbele mantel op zijn rug. Zij konden dan met Isabela in het water spelen en daartussendoor voor kortere of langere tijd zwemmen. Na enkele uren aten zij tortillas en legden zich te rusten in de schaduw van de ceibas.

Hij zou juist in slaap vallen, als destijds onder de ceibas, toen hij door voetstappen in de boomgaard werd gewekt. Hij haastte zich naar buiten en vond daar Delfino. Zij liepen met versnelde pas naar de Fortaleza en stonden dan ook weldra in de uitkijktoren. Alonso meende een schip te hebben waargenomen, en men moest daar rekening mee houden omdat Alonso een bijzonder scherp gezichtsvermogen had. De anderen aarzelden eerst, zij meenden dat het ging om een wolkenachtige massa, maar naarmate het lichter werd konden ook de anderen zich vergewissen van de nadering van het schip. Vijf dekken, vier masten. De gouverneur loste het probleem op, het was de Doomsday die met halfgereefde zeilen een ankerplaats zocht bij de baai van San Juan. Tenslotte lag het schip stil. Er werden scheepsladders en sloepen neergelaten.

De zeesoldaten landden in groepen van twintig en verscholen zich aanstonds achter de haag van euphorbia. Toen deze manoeuvre voltooid was en ongeveer driehonderd soldaten zich achter de haag bevonden, knalden de schoten uit de kanonnen van de Fortaleza. Zij waren gericht op het westen, het oosten en het midden van de haag. Sommige soldaten trachtten de vlucht over de heuvel te nemen. Zij werden door de kogels van het kleiner geschut gedwongen naar de haag terug te keren. Er volgde een stilte van anderhalf uur, toen traden de soldaten, voor zover zij niet dodelijk getroffen waren, uit de haag te voorschijn. Zij zagen er deerniswekkend uit. Van bo-

[p. 368]

ven tot beneden hadden zich de doornige bladen aan hen vastgehecht. Van hun gezichten droop de sperma-achtige vloeistof over hun uniform, voor zover het nog als uniform kon worden aangemerkt. Zij probeerden de bladen koste wat het koste van hun dijen los te trekken om zo de mogelijkheid te scheppen in deze wereld van brandende doorns een plaats te vinden waarop zij zouden kunnen rusten.

De Doomsday hees de witte vlag en verzocht om een intermediair voor een onderhandeling. Delfino vertrok met vijf collega's naar San Juan. Zij gaven hun wens te kennen dat de commandant met drie officieren aan wal zou verschijnen om hun eisen aan te horen.

De commandant schrok nauwelijks, hij had misschien veel zwaardere eisen verwacht. Hij zou van de tachtig kanonnen zestig moeten afstaan, voorts het mars- en bramzeil van de grote mast. Tenslotte zou hij alle dubloenen moeten inleveren. In verband daarmee zou het schip doorzocht moeten worden.

Reeds diezelfde ochtend werden de kanonnen en de zeilen met de barkassen naar de baai vervoerd. De kanonnen werden voorlopig in de wapenkamer, el cuarto de Santa Barbara, opgeborgen, de zeilen moesten verknipt worden en voor de lazaretten worden gebruikt waar de soldaten onder de hoede van dr. Jorge zouden worden behandeld.

De lazaretten, een reeks van tenten en ramadas van takken, vormden een lange rij tussen de Fortaleza en de rede. Er deden zich enkele problemen voor die dr. Jorge en zijn medewerkers niet makkelijk konden te boven komen. Ten eerste de hoge koortsen, die zich vooral in het begin ook met de kruiden van dr. Jorge nauwelijks lieten bedwingen. Men moest voorts geduld beoefenen en niet de doorns trachten los te trekken zolang de oliën van dr. Jorge niet diep genoeg hadden ingewerkt. De ernstigste gevaren leverden de doorns in de omgeving van de oogleden, die bij onkundige behandeling ook het netvlies dreigden te beschadigen en blindheid zouden veroorzaken. De oogleden, het gezicht en de borst werden door de verpleegsters onder leiding van zuster Elvira behandeld, de rest van het lichaam door de verplegers onder leiding van

[p. 369]

Silvio. De minder zware patiënten konden vaak al na twee weken naar het schip terugkeren, de ernstige gevallen, die vrijwel allen een beschadiging ergens aan het oog hadden opgelopen, konden pas na zes weken naar het schip vervoerd worden. De laatste tien patiënten werden door zuster Elvira en Silvio naar de Doomsday vergezeld, waar zij de commandant nog enkele aanwijzingen namens dr. Jorge moesten geven. Zij gingen met een sloep naar het schip en stegen via een touwladder op het vierde dek, waar de commandant hen opwachtte. Het was een Schot, met rossig haar, die, ogenschijnlijk tenminste, ook de ergste rampen niet al te serieus opnam. Hij was erg dankbaar voor de kist pulque die zij namens de gouverneur voor hem hadden meegenomen. Hij was ook dankbaar voor de aanwijzingen van dr. Jorge, die hij niet zou nalaten aan de scheepsdokter door te geven.

Zij vroegen hem of zij hem onder vier, of beter gezegd zes ogen, zouden mogen spreken in zijn kajuit. Hij glimlachte en ging hen voor, omdat zijn kajuit zich op de achtersteven bevond. Toen hij de deur van de kajuit had gesloten en allen gezeten waren, bood hij een beker kokoswater aan omdat hij wist dat zij geen andere drank mochten aannemen.

Elvira nam het woord: ‘Commandant, u weet hoe de toestand is in dit land. U kent de bepalingen van de “limpieza de la raza”. Overtredingen worden door de inquisitie gestraft.’

‘Ja,’ antwoordde hij, ‘u vraagt mij dus of ik u zou willen meenemen.’

‘Ja, dat is wat wij u vragen.’

‘Ik wil dat graag doen, maar u moet met enkele moeilijkheden rekening houden. Het is de vraag of de Doomsday de Kaiman-eilanden haalt, waar wij onze schuilhoek hebben. Met het geschut en de zeilen waarover wij beschikken zal het nauwelijks mogelijk zijn als de Black Moon ons niet te hulp komt. En waar is de Black Moon. En neem aan, lieve zuster, goede broeder, neem aan dat we op de Kaiman-eilanden komen, waar alle mensen rode haren hebben en het Engels op z'n Spaans spreken en opvallen door hun rollende r, denkt u dat ze u met vreugde zullen inhalen? Zij hebben geen inquisitie, zij

[p. 370]

hebben wel een algemene opinie. Wat is erger, uw inquisitie of onze algemene opinie?’

‘Denkt u dan dat het een hopeloze zaak is?’

‘Neen, dat zeg ik niet, maar bedenk dat in vele Spaanse landen op korte of langere termijn de bepalingen van het zuivere ras worden afgeschaft. Denk maar aan Mexico, Peru, Colombia en waar al niet meer.’

‘Zou het ook hier op korte termijn gebeuren?’

‘ Ja, nou stelt u een vraag die alleen door uw gouverneur zal kunnen worden beantwoord.’

‘U raadt ons hier te blijven.’

‘Ik raad u aan een afwachtende houding aan te nemen en desnoods de vlucht te nemen.’

‘Maar waarheen?’

‘Dat is meestal niet zo moeilijk als u denkt. Zeg de gouverneur nogmaals dank voor de vriendelijke behandeling van de soldaten en zijn kist met pulque.’

De commandant leidde Elvira en Silvio naar de ladder en nam afscheid van hen met een kus voor Elvira, en een omarming van Silvio, ‘God bless you’. Toen zij weer in het zadel zaten reden zij in volle galop naar het westen omdat zij blijkbaar ooggetuigen wilden zijn van het vertrek van het schip. Op de heuvel bleven zij even stilstaan.

Zij zagen hoe de ankers werden gelicht en de zeilen, voor zover aanwezig, werden gehesen. Op de rede vonden zij een grote menigte die niet kon nalaten van zijn belangstelling te doen blijken. Langzaam dreef het schip westwaarts, het maakte enigszins slagzij bij gebrek aan ballast. De soldaten stonden in de houding op het vierde en derde dek. Toen de Engelse vlag halfstok gehesen werd, brachten zij allen het saluut. De Fortaleza loste een schot ten afscheid. De Indianen juichten niet en lachten niet. Om een of andere reden hadden zij een zekere sympathie voor de rossige jongelui opgevat.

[p. 371]

Nawoord

Cola schreef De vervolgden in de laatste twee jaren van zijn leven. Enkele maanden voor zijn dood legde hij er de laatste hand aan, en hij was van plan om het te publiceren, maar door ziekte overvallen werd hij daarvan afgehouden.

Ik had het grote voorrecht te kunnen luisteren hoe het verhaal zich van dag tot dag ontvouwde als hij mij voorlas wat hij had geschreven. Het was als luisteren naar een sprookje.

Terwijl ik zit in de kamer - aan dezelfde tafel - waar hij werkte, en opnieuw De vervolgden lees, word ik nog vollediger het hoofdthema gewaar dat als een fuga door al zijn werk telkens opklinkt, van Mijn zuster de negerin tot deze laatste novelle: de confrontatie van de verschillende rassen, individueel of in groepen. Het is te beluisteren in zijn verscheidene variaties, soms dramatisch, soms ironisch, dan weer met een diepe kleur van melancholie of met humor...

Zijn werk houdt een pleidooi in dat deze confrontatie niet alleen tolerantie teweeg zal brengen maar ook een diepere, wederzijdse, menselijke sympathie, zoals in de slotzin van Mijn zuster de negerin en in de slotzin van De vervolgden.

 

Estelle Debrot