Bij eenigszins aandachtige beschouwing van den inhoud van het Bruinboek, ziet men dat het gedeelte, dat handelt over de gewelddaden en gruwelen der Nazi's, hun leugens en schoftenstreken, sterk is door het geweldige bewijsmateriaal. Hoe poover steekt daarbij af het gedeelte, dat handelt over van der Lubbe. Er is met jammerlijke trucjes geprobeerd, de afwezigheid van bewijzen voor de smerige leugens en beschuldigingen te maskeeren, maar het helpt niet. En toch, mijne heeren, gij moet bewijzen. Niet de aangeklaagde behoeft zijn onschuld te bewijzen; de aanklager moet met de bewijzen komen. Dat hebt gij niet gedaan, want gij had ze niet! Om uw bedrog en verraad aan het duitsche proletariaat, het bankroet van uw taktiek, de gevolgen van uw gekonkel met de fascisten en uw concurrentie met hen in nationalisme, om dit alles te bedekken, wilt gij de verantwoordelijkheid op van der Lubbe afschuiven. GIJ MOEST daarom liegen: Nazi-provocateur!
Om die leugen vol te kunnen houden, MOEST GIJ bewijzen ‘maken’, verder liegen; gij hebt het in uw pers eerst geprobeerd met de leugen van omkooping. Rm. 50.000 zou hij hebben gekregen, nietwaar, heeren edel-communisten van de Humanité?! Uw waarheidzoeker Dr Otto Katz heeft toch in Leiden zijn best gedaan? ‘Marinus droeg op zijn laatste reis een nog al knappe jas: hoe kwam hij aan het geld daarvoor?’ Dat hij die jas van zijn broer had gekregen, zooals aan Dr Katz werd meegedeeld, was toch zeker voor Dr Katz geen reden om zijn ideetje op te geven? Was er geen ‘Jungarbeiter’ bij de hand, die kon verklaren, dat hij Marinus in een asyl voor dakloozen zijn geld zag natellen? Waarom hebt gij Dr. Katz, toen U in Leiden dui-
delijk gebleken was, dat v.d.L. een arme bliksem was, dit praatje van de 50.000 Mark niet ontzenuwd.
Toen deze leugen dus te stuntelig bleek, omdat elke arbeider, die hem gekend had, den leugenaar uitgelachen zou hebben, werd een betere bedacht. Maar toch ligt nog altijd de leugen over de Rm. 50.000 daar EN DE BESCHULDIGERS MOETEN DIE NOG BEWIJZEN!
De tweede leugen, die deze moreel verrotte reptielen hebben bedacht is: homosexueel. Gij moet dit bewijzen.
De derde leugen is: fascistische neigingen. Wat daarover in het Bruinboek geschreven is als ‘bewijs’ lijkt naar niets. Gij hadt die leugens noodig, gij hebt ze echter niet bewezen.
Nog eens, niet van der Lubbe moet bewijzen dat hij onschuldig is, maar gij moet zijn schuld bewijzen.
Maar er is meer.
Het betreft hier een arbeider die het onvoorwaardelijk vertrouwen van zijn kameraden heeft. Zij kennen hem door en door. En zij zullen alles doen om hem te verdedigen, reken daarop. En dan, wij waren in de gelegenheid om aan te toonen dat uwe ‘bewijzen’ stinkende leugens, verdraaiingen, opzettelijk vervalschte ‘bewijzen’ waren. Wij konden aantoonen, dat gij opzettelijk gelogen hebt, omtrent de omkooping, omtrent de provocatie, omtrent de homosexualiteit.
Maar het kan elke revolutionnaire arbeider overkomen dat gij zijn proletarische eer bezwaddert. En dat hij niet in staat is, aan te toonen, dat gij liegt, dat gij vervalscht. Wij hadden geluk, wij betrapten u; Uw ‘bewijzen’ zullen verder dienen om u voor de arbeiders te ontmaskeren, opdat zij u uit hun midden weg trappen. Maar boven al wat wij aantoonden in deze zaak is er nog één bewijs, dat zoo overtuigend is, dat de ar-
beiders over de geheele wereld het als een vast bewijs, als onweerlegbaar beschouwen.
Marinus is in handen van beulen, die voor niets terug deinzen. Als hij een nazi-provocateur was, zou hij gesproken hebben, zou hij Torgler, Dimitroff en de anderen zeker met eenige woorden aan de galg hebben gebracht.
Maar hij zwijgt. Hij neemt de geheele schuld op zich. Dit zwijgen is sterker, krachtiger, dan uw duizendvoudig herhaalde leugens.
DIT ZWIJGEN BEWIJST!
Toen het Roodboek reeds gezet was, ontvingen wij nog onderstaande verklaring van vrouw van Zijp, die wij zonder commentaar publiceeren:
Ik heb Rienus v.d. Lubbe leeren kennen als een werkeloozen arbeidersjongen. Hij kwam nog al eens bij mij boven, om dat daar een paar kameraden van hem woonden. Die kameraden waren wel eens niet thuis, en zoo kwam het dat Rienus nog wel eens bij mij beneden zat te praten. Ik bemerkte al gauw wat het voor een persoon was, hij had een goed karakter, zijn pensioen was ƒ7,20 in de week dat was voor hem te weinig, dat begreep ik dadelijk want een flinke jonge man met een gezonde maag kan flink eten, nu dan zijn kleeren en alles daar van af, dus ik begreep al gauw dat hij in armoede rond liep, want werk kon hij toch niet krijgen want hij was slecht van gezicht.
Hij was nog eens op een keer bij een zand schipper
terecht gekomen. Nu, dan ging hij om vier uur de deur uit om naar Voorhout te loopen om maar op tijd te zijn, tot twee maal toe kwam hij dan om zes uur terug dan was hij druip nat want wegens zijn slechte oogen liep hij naast de loopplank. Hij had wel eens bij ons geslapen om dat ik toch een stroo bed op zolder had staan, om dat ik dacht of dat nu leeg staat of dat daar een arme jongen in slaapt daar zal ik niet minder van worden. Nu kun je wel begrijpen dat de Uiterstegracht voor Rienus een toevlugt oort geworden was als zijn geld op was. Hij had nog eens keer met manifeste gestaan aan al de fabrieken, en om dat mijn man daar niet van hield zei hij Rienus ik wil nu niet meer hebben dat je in mijn huis komt, want ik sta van alle partijen vrij ik wil er dus geen last mee krijgen. Nou een andere jongen had misschien boos geworden, maar hij niet hoor hij nam het heel gemoedelijk op en zei: nu van Zijp ik zou niet willen dat u door mij last kreeg; maar mag ik dan toch nog wel eens twee maal bellen en dan voor de deur eens met mijn kameraden spreken. Mijn man weigerde dat niet en zoo kwam het dat Rienus nog wel eens voor de deur kwam. Op een ochtend belde hij weer, toen deed ik zelf open, hij vroeg of er boven niemand thuis was? ik zeide van niet hij wilde weer weg gaan, maar dat trok mij zoo aan want hij was blauw verkleumt van de koude ik vroeg hem of hij even binnen wilde komen om een kop warm drinken te gebruiken toen zei hij wel nee juffrouw dat zal ik maar niet doen. ik zei kom maar hoor dan kan je je eigen verwarmen bij de kachel en ik zal zelf wel tegen mijn man zeggen dat ik je weer in huis gehaald heb. Want ik was nu eenmaal zoo'n iemand als ik helpen kon deed ik het.
Toen ik mijn man vertelde hoe ik Rienus weer in huis
gehaald had vond hij het goed, en zoo kwam het dat Rienus al weer meer en meer een gast bij ons was, Als hij met ons zat te praten was het een leuke goeien jongen, maar begon hij over de polotiek dan zei ik Rienus je weet wel daar hou ik niet van dus daar moet je met mij niet over spreken nu dat vond hij best en deed het dan ook niet. Nu kan ik maar niet begrijpen hoe die grooten Mijnheer Otto Katz kan schrijven dat ik tegen hem gezegd heb dat Marinus zoo, kon liegen ik heb hem nimmer nooit gezien dus ook niet persoonlijk met hem gesproken. Even min kan ik mij indenken dat Freek v. Leeuwen kan getuigen dat hij Rienus al van 1927 tot 1933 heeft gekend daar hij vier maanden geleden nog even bij mij thuis is geweest dat deed hij nog wel eens één enkele keer om dat hij zeven jaar geleden zelf zijn intrek had genomen en een jaar in dat zoo genaamde slegte huis heeft gewoond. Als er dan zoo veel homosexueele in waren dan had ik als ik in zijn plaats was er maar niet meer gekomen. Vier maanden geleden kwam Freek van Leeuwen nog even mij en praten over Rienus toen hij weg ging was hij zelf verbaast dat ik niet meer van Lubbe wist daar hij zoo dikwijls bij ons kwam want Freek zij juffrouw het slaat mij tegen en ik dacht hier meer van Rienus te hooren. Ik vroeg hem of hij Rienus dan zelf niet kon? Zijn antwoord was nu ik heb hem nu en dan wel eens gezien maar om te zeggen zoo en zoo is hij dat niet dus nu kan ik mij maar niet begrijpen dat hij maar durf te verklaren dat hij Rienus al zoo lang gekend heeft net zoo min als dat ik gezecht heb over die brieven uit Duischland dat ik die verbrand heb. Ik heb wel veel aanzichtkaarten over al van daan en eene brief van hem gehad maar in een geval een brief uit Duischland en die heb ik uit mijn zelf verbrand daar heb ik heusch
niemand voor noodig gehad om mij daar over in te lichten.
Mej. v. Zijp.
Uiterstegracht 56
Leiden.