Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken


auteur: J. Deschamps


bron: J. Deschamps, Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken. E.J. Brill, Leiden 1972 (tweede druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

68. De grote en de kleine ‘Der sielen troest’

De grote en de kleine ‘Der sielen troest’ en andere teksten, streek tussen Geldern en Jülich, 1436 en 1437.

Papier en perkament; 176 bll.; blad en bladspiegel resp. 286 × 206 mm en 210 à 228 × 150 à 155 mm; 2 kol., 37 à 47 rr. per kol. Moderne potloodfoliëring van 1 tot 176; oude foliëring met zwarte Romeinse cijfers van j tot [Cl]xx (= 158); fol. 169-176 zijn in de oude foliëring ongefolieerd gebleven; de twee foliëringen lopen gelijk tot [Cl]viij (= 158); in plaats van [Cl]ix schreef de oude folieerder [Cl]xj, zodat de oude foliëring van hier af twee nummers op de nieuwe vooruit is. Twee handen (littera cursiva): de eerste kopiist schreef fol. 1roa-110vob en 148voa, 17de regel-174voa; de tweede fol. 111roa-148voa, 16de regel; in geheel het handschrift heeft de eerste kopiist correcties aangebracht; een latere kopiist schreef bovendien 13 regels op fol. 176vob. Afwisselend rode en blauwe initialen en lombarden (in de kleine Der sielen troest echter slechts rood), rode titels (in de kleine Der sielen troest evenwel geen titels). Op fol. 107voa: Explicit iste liber Anno domini Millesimo Quadringentesimo [tricesimo] sexto jn profesto katherine virginis; op fol. 148voa: Anno domini Milesimo cccco xxxvjo nec non in profesto beate marie magdalene Scriptor scripsisset bene melius si potuisset; op fol. 176voa: Scriptum et completum anno domini mo cccco xxxvij jn festo domini Marci ewangeliste. Oorspronkelijke bruin kalfsleren band op beuken borden; sporen van twee sloten; op het voor- en het achterplat sporen van vijf knoppen; voor- en achterplat met drie- en vijfdubbele filets en losse stempels versierd.

 

Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Ms. germ. fol. 1027.

 

Dit handschrift bevat de grote Der sielen troest (fol. 1roa-107voa), de kleine Der sielen troest (fol. 111roa-148voa) en 20 kleinere teksten. De grote Der sielen troest is een catechetisch werk over de tien geboden, dat bijna geheel uit verhalen en exempelen bestaat. Het is omstreeks 1350 geschreven, waarschijnlijk in het Oostnederlands-Nederrijns-Westfaals gebied. De anonieme schrijver, vermoedelijk een dominikaan, omdat de dominikanen in een gunstig licht worden gesteld, betreurt in de proloog dat sommige

[p. 194]

lieden ridderromans over Parzifal, Tristan en Diederik van Bern lezen in plaats van zich in de H. Schrift te verdiepen, waarin toch ‘der sielen troest’ is gelegen. Met de grote Der sielen troest bedoelde hij een stichtelijk boek in de volkstaal te schrijven, zo vol spannende verhalen dat het de wereldse ridderromans zou verdringen. Hij schreef het werk in de vorm van een dialoog tussen een geestelijke vader en zijn geestelijk kind. Als bronnen gebruikte hij o.a. de H. Schrift, de Legenda aurea van Jacobus de Voragine, de Historia Scholastica van Petrus Comestor, het Speculum historiale van Vincentius van Beauvais, de Collationes patrum van Johannes Cassianus en de Vitae patrum. De grote Der sielen troest verbreidde zich spoedig over het Noord- en Middelduitse gebied en over de Nederlanden. Bewaard gebleven zijn een 25-tal Duitse en 8 Middelnederlandse handschriften, waarin het werk volledig of gedeeltelijk is overgeleverd. De Middelnederlandse handschriften zijn, behalve het hier besproken Berlijnse handschrift: Deventer, Athenaeumbibliotheek, 101 D 1 (Cat. I, 58); Düsseldorf, Hauptstaatsarchiv, G V 1 (A 234); 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 70 H 48; 's-Gravenhage, Museum Meermanno-Westreenianum, 10 E 15 (Cat. 142); Londen, British Museum, Add. 18.162; Nijmegen, Rooms-Katholiek Weeshuis, 953 (61) en Utrecht, Stedelijk Museum, Cat. 1569. Tussen 1474 en 1759 zijn er 27 drukken van de grote Der sielen troest verschenen, waarvan 19 in het Nederlands. De eerste Nederlandse druk verscheen in 1478 bij Pieter Werrecoren te Sint-Maartensdijk (Campbell, 1543); daarna volgden tussen 1479 en 1500 zeven inkunabelen (Campbell, 1544-1550), tussen 1502 en 1530 negen postincunabelen (Nijhoff-Kronenberg, 2081-2086, 3985, 3986 en 4407) en daarna nog twee latere drukken. De grote Der sielen troest is van groot belang voor de kennis van de verhalende literatuur in de late middeleeuwen: hij bevat o.a. het verhaal van Amicus en Amelius, de legende van Barlaam en Josaphat en de geschiedenis van Alexander de Grote. Het lag in de bedoeling van de schrijver van de grote Der sielen troest nog veel meer dan de tien geboden te behandelen. Op het einde van de proloog zegt hij immers dat hij wil schrijven over de tien geboden, de zeven sacramenten, de acht zaligheden, de zeven werken van barmhartigheid, de zeven vreugden van de H. Maagd, de zeven getijden, de zeven gaven van de H. Geest, de zeven hoofdzonden en de zeven hoofddeugden. Hiervan behandelde hij alleen de tien geboden en in het derde gebod de zeven getijden en

[p. 195]

de zeven vreugden van de H. Maagd. Misschien heeft de dood hem belet zijn werk voort te zetten. Ofschoon niet van dezelfde schrijver is de kleine Der sielen troest kennelijk een vervolg op de grote. Hij handelt over de zeven sacramenten, is eveneens geschreven in de vorm van een dialoog tussen een geestelijke vader en zijn geestelijk kind en bestaat ook grotendeels uit exempelen. In de kleine Der sielen troest heeft de schrijver twee reeds bestaande werken ingelast, die eveneens in de vorm van een dialoog tussen een geestelijke vader en zijn geestelijk kind zijn geschreven en ook tal van exempelen bevatten: in het vierde sacrament de Biechtspiegel, beginnende met de woorden: Laetare filia Sion, quia ego venio et habitabo in medio tui (Zach., 2, 10) en in het zesde sacrament de Kloosterspiegel, die echter niet over het priesterschap, maar over de hoedanigheden van goede kloosterlingen handelt. Samen met de ingelaste Biechtspiegel en de Kloosterspiegel is de kleine Der sielen troest lijviger dan de grote. De kleine Der sielen troest is slechts gedeeltelijk in het Middelnederlands overgeleverd: in het hier besproken Berlijnse handschrift en in hs. Nijmegen, Rooms-Katholiek Weeshuis, 953 (61). Die handschriften bevatten echter slechts de eerste vijf sacramenten (met de Biechtspiegel ingelast in het vijfde sacrament) en het zesde sacrament tot waar de Kloosterspiegel in de Duitse handschriften is ingevoegd. Afzonderlijk komt de Biechtspiegel nog voor in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 21.940 en IV 331 (fragment); Deventer, Athenaeumbibliotheek, 101 D 4; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 73 E 25; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, Bruikleen Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, XXV; Parijs, Bibliothèque Nationale, néerl. 32; Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 5 G 33 en Zwolle, Provinciaal Overijssels Museum, Emmanuelshuizen 5. De Biechtspiegel werd onder de titel Boec vander biechten, samen met de Spieghel des ewighen levens, in 1480 te Delft door Jacob Jacobsz. van der Meer gedrukt (Campbell, 1581).

Buiten de grote en de kleine Der sielen troest bevat het hier besproken Berlijnse handschrift o.a. nog Eyn gedicht van geistliker mynnen (fol. 109rob-110roa), ook bewaard in de hss. Nijmegen, Rooms-Katholiek Weeshuis, 953 (61) en Würzburg, Universiteitsbibliotheek, ch. q. 144; De schepping van Augustijnken van Dordt (fol. 153roa-154vob), ook voorkomend in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.642-61 en Nijmegen, Rooms-Katholiek Wees-

[p. 196]

huis, 953 (61); de passie naar de zeven getijden (fol. 156rob-165vob), eveneens overgeleverd in de hss. Nijmegen, Rooms-Katholiek Weeshuis, 953 (61) en Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 2 D 23, alsook twee heiligenlegenden Van marien van Egypten (fol. 171voa-174vob) en Van den tien dusent martelaren (fol. 174vob-176voa), beide ook bewaard in hs. Nijmegen, Rooms-Katholiek Weeshuis, 953 (61).

Het hier besproken Berlijnse handschrift bevat geen eigendomsmerk, maar zo goed als zeker heeft het aan het augustinessen-klooster Nazareth in de stad Geldern toebehoord. Het werd omstreeks 1846, samen met een aantal andere handschriften uit het voornoemde klooster, door August Freiherr von Arnswaldt (1798-1855) uit Hannover aangekocht. Na zijn overlijden bleef zijn verzameling handschriften tot in 1887 in het bezit van de familie, in welk jaar zij door bemiddeling van Prof. A. Reifferscheid door de Preussische Staatsbibliothek te Berlijn werd aangekocht. Van ca. 1945 tot 1968 berustte het hier besproken handschrift in de Universiteitsbibliotheek te Tübingen.

 

A. von Arnswaldt, Vier Schriften van Johann Rusbroek in niederdeutscher Sprache, Hannover, 1848, p. XXXVII-XL; A. Reifferscheid, Beschreibung der Handschriftensammlung des Freiherrn August von Arnswaldt in Hannover, Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung, 9 (1885), p. 101-105, nr. 3112; C.G.N. de Vooys, Middelnederlandsche legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de prozaliteratuur en het volksgeloof der middeleeuwen, 's-Gravenhage, 1900, p. 58; id., Groningen-Den Haag, 19262, p. 52; C.G.N. de Vooys, Verspreide Mnl. geestelike gedichten, liederen en rijmspreuken, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 23 (1904), p. 71-73; F.X. Thalhofer, Ein Beichtbüchlein aus dem Ende des 15. Jahrhunderts, Festgabe Alois Knöpfler, München, 1907, p. 311; L. Sormani, Inventaris van de archieven van het Borger-Kinderen-Weeshuis, het Arme-Kinder-Huis en de beide Weeshuizen te Nijmegen, Nijmegen, 1915, p. 287 en 291; G. Reidemeister, Die Überlieferung des Seelentrostes, Teil I, Halle a. S., 1915, p. 11-12; H. Degering, Kurzes Verzeichnis der germanischen Handschriften der Preussischen Staatsbibliothek, I. Die Handschriften im Folioformat, Leipzig, 1925, p. 143, nr. 1027; D.A. Stracke, Middelnederlandsche bijdrage uit het Würzburger Hsch. ch. 9 (lees: q) 144, Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1926, 1, p. 373-378; M. Schmitt, Der grosse Seelentrost. Ein niederdeutsches Erbauungsbuch des vierzehnten Jahrhunderts, Keulen, 1959, blz. 11*-12* en passim; E. Lüders, Zur Überlieferung der St. Georgener Predigten. Eine Folge von Einzelbeiträgen, III: 1, Studia Neophilologica, 32 (1960), p. 134, voetnoot 3; L. Decorte, De Middelnederlandse Biechtspiegel ‘Letare filia syon quia ego venio et habitabo in medio tui’, Leuven, 1963 [Onuitgegeven verhandeling ter verkrijging van de graad van licenciaat in de Wijsbegeerte en Letteren (Germaanse Filologie) aan de Katholieke Universiteit te

[p. 197]

Leuven]; J. Deschamps, De Middelnederlandse handschriften van de grote en de kleine ‘Der sielen troest’, Handelingen der Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 17 (1963), p. 118-125; L. Zatočil, Germanistische Studien und Texte I. Beiträge zur deutschen und niederländischen Philologie des Spätmittelalters, Brno, 1968, p. 198-199, 205-208 (Opera universitatis purkynianae Brunensis. Facultas philosophica, 131); K. Kunze, Studien zur Legende der heiligen Maria Aegyptiaca im deutschen Sprachgebiet, Berlijn, [1969], p. 103-107 (Philologische Studien und Quellen, 49).