Vondels zoon en Vondels taal. Joannes Vollenhove en het Nederlands


auteur: G.R.W. Dibbets


bron: G.R.W. Dibbets, Vondels zoon en Vondels taal. Joannes Vollenhove en het Nederlands. Tweede, herziene uitgave in de dbnl (eerder verschenen bij Stichting Neerlandistiek VU, Amsterdam in 1991), 2003  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Literatuurverwijzingen

1. Literatuur vóór 1800

Ampzing 1628 - Samuel Ampzing. Nederlandsch tael-bericht. In: Samuel Ampzing, Beschryvinge ende lof der stad Haerlem in Holland. Haarlem [Adriaen Rooman], 1628 (zie Zwaan 1939: 133-191).
Antonides 1714 - J. Antonides van der Goes. Alle de gedichten. Amsterdam [Nicolaas ten Hoorn], 1714.
Brandt 1688 - Geeraerdt Brandt. Poëzy. Amsterdam [Aart Dircksz. Ooszaan], 1688.
De Decker 1726 - Jeremias de Decker. Alle de rym-oeffeningen. Amsterdam [Wed. A. van Aeltwyk, e.a.], 1726.
Francius 1699 - Petrus Francius. Gregorius Nazianzenus, Van de mededeelzaamheidt, uit het Grieks in 't Nêerlands overgebragt. Amsterdam [Henr. Wetsteen], 1699.
De Haes 1740 - Joan de Haes. Het leven van Geeraert Brandt. 's-Gravenhage [Kornelis Boucquet], 1740.
De Heuiter 1581 - Pontus de Heuiter. Nederduitse orthographie. Antwerpen [Christoffel Plantijn], 1581 (zie Dibbets 1972).
Van Heule 1625 - Christiaen van Heule. De Nederduytsche grammatica ofte spraec-konst. Leiden [Daniel Roels], 1625 (zie Caron 1953a).
Van Heule 1633 - Christiaen van Heule. De Nederduytsche spraec-konst ofte tael-beschrijvinghe. Leiden [Jacob Roels], 1633 (zie Caron 1953b).
Hilarides 1705 - Johannes Hilarides. Niewe taalgronden der Neededujtsche taal; weegens het gebrujk der voorleedekens, de, den: die; deeze, dit, dat, het; en de Neederlantsche woordrekkinge. Franeker [J. Horreus], 1705.
Van Hoogstraten 1700 - David van Hoogstraten. Aenmerkingen over de geslachten der zelfstandige naemwoorden. Amsterdam [François Halma], 1700.
Van Hoogstraten 1710 - David van Hoogstraten. Aenmerkingen over de geslachten der zelfstandige naamwoorden. Amsterdam [François Halma], 1710.
Van Hoogstraten 1733 - David van Hoogstraten. Lyst der gebruikelykste zelfstandige naamwoorden, betekent door hunne geslachten. Amsteldam [Adriaen Wor en Erve G. onder de Linden], 1733.
De Hubert 1624 - Antonis de Hubert. Noodige waarschouwinge aan alle liefhebbers der Nederduijtze tale. In: Antonis de Hubert. De Psalmen des Propheeten Davids. Leiden [Pieter Muller], 1624 (zie Zwaan 1939: 121-131).
Huydecoper 1730 - Balthazar Huydecoper. Proeve van taal- en dichtkunde; in vrijmoedige aanmerkingen op Vondels vertaalde Herscheppingen van Ovidius. Amsterdam [E. Visscher en J. Tirion], 1730.
Ten Kate 1723 - Lambert ten Kate. Aanleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Amsterdam [Rudolph en Gerard Wetstein], 1723.
Kluit 1763 - Adriaan Kluit. ‘Vertoog over de spelling der Nederduitsche taal’. In: Nieuwe bydragen tot opbouw der vaderlandsche letterkunde I (1763), 3: 283-352.
Kók 1649 - Allard L. Kók. Ont-werp der Neder-duitsche letter-konst. Amsterdam [Johannes Troóst], 1649 (zie Dibbets 1981).
Leupenius 1653 - Petrus Leupenius. Aanmerkingen op de Neederduitsche taale. Amsterdam [Hendryk Donker], 1653 (zie Caron 1958).
Montanus 1635 - Petrus Montanus. Bericht van een niewe konst, genaemt De spreeckonst. Delft [Jan Pietersz Waalpot], 1635.
Moonen 1700 - Arnold Moonen. Poëzy. Amsterdam - Utrecht [François Halma en Willem van de Water], 1700.
Moonen 1706. Arnold Moonen. Nederduitsche spraekkunst, ten dienste van in- en uitheemschen uit verscheidene schryveren en aentekeningen opgemaekt en uitgegeeven. Amsteldam [François Halma], 1706.
Moonen 1720 - Arnold Moonen. Vervolg der Poëzye. Delft [Reinier Boitet], 1720.
Nylöe 1703 - [Anon.] Aanleiding tot de Nederduitsche taal. Amsterdam [Gerardus Borstius], 1703.
Rotgans 1715 - Lukas Rotgans. Poëzy, van verscheide mengelstoffen. Leeuwarden [François Halma], 1715.
Sewel 1708 - Willem Sewel. Nederduytsche spraakkonst. Amsterdam [Erv. J. Lescailje], 1708.
Spex 1740 - Jacob Spex. ‘Aen den lezer’. In: De Haes 1740: *3r-**1v.
Spex 1750 - Jacob Spex. ‘Aen den lezer’. In: Vollenhove 1750: *3r-***2r.
Verhandelingen 1728 - Verhandelingen van der letteren affinitas of verwantschap: van het gebruik der accentus of toonen in de Nederduitsche vaerzen: en van de metaplasmus of woordvervorming, door het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum. Amsterdam [Wed. Gerard onder de Linden], 1728.
Vollenhove 1686 - Joannes Vollenhove. Poëzy. Amsterdam [Henrik Boom en wed. Dirk Boom], 1686.
Vollenhove 1706 - Joannes Vollenhove. De heerlykheit der rechtvaardigen. 's-Gravenhage [Abraham de Hondt], 1706 (hierin met afzonderlijke paginering Ewige bestendigheit van Godts woort).
Vollenhove 1750 - J. Vollenhoves Kruistriomf en gezangen. 's-Gravenhage [Mattheus Gaillard], 1750.

2. Literatuur vanaf 1800

Alb. Stud. 1886 - Album studiosorum Academiae Rheno-Trajectinae MDCXXX - MDCCCLXXXVI. Utrecht, 1886.
Alb. Stud. 1915 - Album studiosorum Academiae Groninganae. Groningen, 1915.
Van den Berg 1974 - B. van den Berg. ‘Het suffix -baar’. In: Taalkunde - 'n lewe. Studies opgedra aan prof. dr. W. Kempen. Kaapstad/Johannesburg, 1974: 128-134.
Beversluis z.j. - M. Beversluis. Johannes Vollenhove; bloemlezing uit zijn gedichten. Baarn, z.j.
Blokland 1965 - C. Blokland. Willen Sluiter 1627-1673. Assen, 1965.
Butler 1969 - H.E. Butler. The institutio oratoria of Quintilian (4 dln). Londen/Cambridge (Mass.), 1969.
Caron 1953a - W.J.H. Caron. Christiaen van Heule. De Nederduytsche grammatica ofte spraec-konst. Groningen/Djakarta, 1953 (herdr. Groningen, 1971).
Caron 1953b - W.J.H. Caron. Christiaen van Heule. De Nederduytsche spraec-konst ofte tael-beschrijvinghe. Groningen/Djakarta, 1953 (herdr. Groningen, 1971).
Caron 1958 - W.J.H. Caron. Petrus Leupenius. Aanmerkingen op de Neederduitsche taale en Naaberecht. Groningen, 1958.
Van Dedem 1913 - A. baron van Dedem. Register van charters en bescheiden te Zwolle. Kampen, 1913.
Dibbets 1972 - G.R.W. Dibbets. Pontus de Heuiter. Nederduitse orthographie. Groningen, 1972.
Dibbets 1974 - G.R.W. Dibbets. ‘De benamingen van de woordsoorten in oude Nederlandse grammatica's tot 1805’. In: Leuvense bijdragen 63 (1974): 113-136.
Dibbets 1980 - G.R.W. Dibbets. ‘Ende en en in de Twe-spraack en elders’. In: Gramma 4 (1980): 116-125.
Dibbets 1981 - G.R.W. Dibbets. A.L. Kók. Ont-werp der Neder-duitsche letter-konst (1649). Assen, 1981.
Dibbets 1985 - G.R.W. Dibbets. Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst. Ingeleid, geïnterpreteerd, van kommentaar voorzien en uitgegeven. Assen/Maastricht, 1985.
Dibbets 1889 - G.R.W. Dibbets. ‘Gebruyc en reden in De Nederduytsche spraec-konst (1633) van Christiaen van Heule’. In: Gramma 13 (1989): 33-56.
Dibbets 1989a - G.R.W. Dibbets. ‘De drieledige vormen in taal en taalbeschouwing. Nog enkele getuigen van een taalstrijd rond 1700’. In: De nieuwe taalgids 82 (1989): 239-241.
Dibbets 1991 - G.R.W. Dibbets. ‘Kóks Burgersdijkvertalingen en de Nederlandse woordenschat’. In: Tijdschrift voor de geschiedenis van de wijsbegeerte 2 (1991): 13-35.
Dibbets 1991a - G.R.W. Dibbets. ‘Jeremias de Decker als taalkundige’. In: Voortgang 12 (1991): 231-240.
Dibbets 1992 - G.R.W. Dibbets. ‘Moonens ‘Nederduitsche Spraekkunst’ (1706) in brieven aan Vollenhove’. In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 108 (1992): 256-275.
Dibbets 1993 - G.R.W. Dibbets. ‘Joachim Oudaan en de taalvoorschriften’. In: B. van Bakel, P.-A. Coppen en P. Rolf (eds), Zin dat het heeft. Een liber amicorum voor Jan van Bakel. Nijmegen, 1993: 145-157.
Dibbets 1994 - G.R.W. Dibbets. ‘Een nieuw spoor van de Port-Royalgrammatica in Nederland’. In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde 1994: 250-278.
Dibbets 1995 - G.R.W. Dibbets. De woordsoorten in de Nederlandse triviumgrammatica. Amsterdam/Münster, 1995.
Dibbets 1995a - G.R.W. Dibbets. ‘Petrus Francius’ Voorrede (1699): een pleidooi voor kerkelijke welsprekendheid’. In: Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek 15 (1995): 149-187.
Dibbets 1996 - G.R.W. Dibbets. ‘De strijd om het genus in de achttiende-eeuwse grammatica van het Nederlands’. In: R. de Bonth & J. Noordegraaf (red.). Linguistics in the Low Countries. The Eighteenth Century. Amsterdam-Münster, 1996: 57-90.
Dibbets 1997 - G.R.W. Dibbets. ‘Vollenhoves ‘Aan de Nederduitsche schryvers’ uitgebreid’. In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 113 (1997): 243-256.
Dibbets 1997-1998 - ‘Het redelijk Gezelschap van Joannes Vollenhove’. In: Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek 17 (1997-1998): 37-64.
Dibbets 1999 - G.R.W. Dibbets. ‘Zeventiende-eeuwse taal’. In: J. Berns e.a. (red.). Weijnen tnegentig. Een vriendenboek voor professor dr. A.A. Weijnen bij gelegenheid van zijn negentigste verjaardag. Schiedam, 1999: 19-26.
Dibbets 2001 - G.R.W. Dibbets. Predikant en toerist. Het dagboek van Joannes Vollenhove. Engeland, 17 mei-30 oktober 1674. Hilversum, 2001.
Dongelmans 1982 - B.P.M. Dongelmans. Nil Volentibus Arduum: documenten en bronnen. Utrecht, 1982.
Eijken 1967 - E.D. Eijken. Inventaris van de verzameling handschriften toebehorend aan de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch regt en geschiedenis. Zwolle, 1967.
Van Es 1952 - G.A. van Es en G.S. Overdiep. De letterkunde van Renaissance en Barok in de zeventiende eeuw. Brussel, z.j. [1952] (= F. Baur. Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden. IV).
Exalto 1974 - K. Exalto. Beleefd geloof. Acht schetsen van gereformeerde theologen uit de 17de eeuw. Amsterdam, 1974.
Gledhill 1974 - J. Gledhill. Aspects of the development of Dutch consonantal spelling on the evidence of grammarians, lexicographers and the principal variants of printed books from the Middle Dutch to the present day. Londen, 1974.
Van Hardeveld 2000 - I. van Hardeveld. Lodewijk Meijer (1629-1681) als lexicograaf. [Uitg. in eigen beheer] 2000.
Harmsen 1988 - T. Harmsen. ‘Gebruik en misbruik van de rhetorica door Nil Volentibus Arduum’. In: De zeventiende eeuw 4 (1988): 55-68.
Heeroma 1950 - K. Heeroma. Protestantse poëzie der 16de en 17de eeuw. II. Amsterdam, 1950.
Janse 1981 - L. Janse. ‘Ds Joannes Vollenhove: de ‘Haagse Guldenmond’ 1631-1708’. In: De hoeksteen 10 (1981) (2): 64-75.
Jansen 1992 - J. Jansen. ‘De taal van het hof’. In: De zeventiende eeuw 8 (1992): 91-97.
Jansen 1995 - J. Jansen. Brevitas. Beschouwingen over de beknoptheid van vorm en stijl in de renaissance. Hilversum, 1995.
Jonckbloet 1890 - W.J.A. Jonckbloet. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. IV. Groningen, 1890.
Kalff 1909 - G. Kalff. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. IV. Groningen, 1909.
Karsemeijer 1934 - J. Karsemeijer. De dichter Jeremias de Decker. Amsterdam, 1934.
King 1973 - P.J. King. Complete word-indexes to J. van den Vondel's Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst en Lucifer. Cambridge, 1973.
Kumaniecki 1969 - K.F. Kumaniecki. M. Tullii Ciceronis scripta quae mansuerunt omnia. Fasc. 3: De oratore. Leipzig, 1969.
Leendertz 1932 - P. Leendertz. Het leven van Joost van den Vondel door Geeraardt Brandt. 's-Gravenhage, 1932.
Van Lennep 1869 - J. van Lennep. De werken van Vondel, in verband gebracht met zijn leven. XII. Amsterdam, 1869.
Lesturgeon 1866 - A.L. Lesturgeon. Bloemlezing uit de gedichten van Joannes Vollenhove, voorafgegaan van een levensschets van den dichter. Schiedam, 1866.
Moll 1924 - W. Moll. ‘Vollenhove, Joannes’. In: Nieuw Nederlandsch Biographisch woordenboek. VI. Leiden, 1924: 1306-1308.
Moller 1908 - H.W.E. Moller. ‘Vondel's spelling’. In: Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde 27 (1908): 106-144.
Nixon 1959 - P. Nixon. Plautus (dl 2). Londen/Cambridge (Mass.), 1959.
Peeters 1988 - L. Peeters. ‘Historiografische problemen van het Vroegnieuwnederlands’. In: Gramma 12 (1988): 187-204 (herdrukt in: L. Peeters, Taalopbouw als renaissance-ideaal. Studies over taalopvattingen en taalpraktijk in de zestiende en zeventiende eeuw. Amsterdam, 1990: 141-159).
Penon 1873 - G. Penon. Historische en bibliographische beschouwing van Vondels hekeldichten. Groningen, 1873.
Posthumus Meyjes 1921 - E.J.W. Posthumus Meyjes. ‘Joannes Vollenhove. Een Haagsch dichter-predikant uit onze Gouden Eeuw’. In: Die Haghe. Jaarboek 1921-1922: 6-117.
Rackham 1979 - H. Rackham. Cicero. De oratore. Cambridge (Mass.)/Londen, 1979.
Rentier 1995 - J. Rentier. ‘Handexemplaar van Vollenhoves Poëzy teruggevonden’. In: Documentaal 24 (1995): 129.
Ruijsendaal 1989 - E. Ruijsendaal. Terminografische index op de oudste Nederlandse grammaticale werken. Amsterdam, 1989.
Ruijsendaal 1993 - E. Ruijsendaal. Laconis Flandri Presbyteri. Lingua Teutonica exexlex. Amsterdam, 1993.
Schaars 1988 - F.A.M. Schaars. De Nederduitsche spraekkunst (1706) van Arnold Moonen (1644-1711). Wijhe, 1988.
Schaars en Te Wilt 1989 - F.A.M. Schaars en M. te Wilt. ‘Jacobus Nylöe (1670-1714) en zijn Aanleiding tot de Nederduitsche taal’. In: G.R.W. Dibbets en P.W.M. Wackers (eds), Wat duikers vent is dit! Opstellen voor W.M.H. Hummelen. Wijhe, 1989: 267-294.
Schenkeveld-van der Dussen 1973 - M.A. Schenkeveld-van der Dussen. A. Pels. Q. Horatius Flaccus Dichtkunst op onze tijden en zeden gepast. Assen, 1973.
Schipper 1985 - J. Schipper. ‘Joannes Vollenhove: de Haagse Chrysostomus’. In: Uit louter genade. Opstellen aangeboden aan Ds. K. de Gier bij zijn 25-jarig jubileum als docent aan de Theologische School der Gereformeerde Gemeenten te Rotterdam. Houten/Utrecht, 1985: 139-150.
Van Selm 1984 - B. van Selm. ‘Goet Nederduytsch van den here J. v. Vondel. Over een nieuw ms.’. In: Documentaal 13 (1984): 104-105.
Sterck 1932 - J.F.M. Sterck. ‘Vondels brief aan Vollenhove’. In: Vondelkroniek 3 (1932): 19-21.
Sterck 1932a - J.F.M. Sterck. Oud en nieuw over Joost van den Vondel. Amsterdam/Mechelen, 1932.
Sterck 1935 - J.F.M. Sterck. Vondelbrieven uit de xviie eeuw aan en over den dichter. Amsterdam/Sloterdijk, 1935.
Stoops 1988 - Y. Stoops. ‘Het negatiepartikel en’. In: J.A. van Leuvesteijn (ed.), Uitgangspunten en toepassingen. Taalkundige studies over Middelnederlands en zestiende- en zeventiende-eeuws Nederlands. Amsterdam, 1988: 141-156.
Strengholt 1959 - L. Strengholt. ‘Een drietal zeventiende-eeuwse ‘interpretaties’ van Vondels ‘Zoo diep in 't grondelooze licht’’. In: Levende talen 1959: 285-289.
Strengholt 1976 - L. Strengholt. Huygens-studies. Bijdragen tot het onderzoek van de poëzie van Constantijn Huygens. Amsterdam, 1976.
Strengholt 1987 - L. Strengholt. ‘Vollenhoven bij Rotgans’, in Documentatieblad 18e eeuw 19 (1987): 193-200.
Strengholt 1889 - L. Strengholt. ‘Rotgansiana’. In: Voortgang 10 (1989): 67-89.
Stronks 1996 - E. Stronks. Stichten of schitteren. De poëzie van de zeventiende-eeuwse gereformeerde predikanten. Houten, 1996.
Stronks 1996a - E. Stronks, ‘‘Een nektardoos en avontslaatje’. Liefdesgedichten van de predikant Joannes Vollenhove’. In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 112 (1996): 44-56.
Stroom 1997 - G.P. van der Stroom. ‘De geschiedenis van de Hooft-handschriften ontraadseld’. In: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 113 (1997): 2-27.
Taeldeman 1985-1986 - J. Taeldeman. ‘‘De soep is wel eetbaar maar niet etelijk’. Over deverbatieven op -(e)lijk in de Vlaamse dialekten en het A.N.’. In: Spectator 15 (1985-1986): 94-103.
Toebes 1978 - C. Toebes. Haagse hervormde historiën. Zaltbommel, 1978.
Unger 1888 - J.H.W. Unger. Bibliographie van Vondels werken. Amsterdam, 1888.
Vollenhoven 1917 - W.M.R. Vollenhoven. Het geslacht Van Vollenhoven. Brussel, 1917.
Van der Wal 1995 - M.J. van der Wal. De moedertaal centraal. Standaardisatie-aspecten in de Nederlanden omstreeks 1650. Den Haag, 1995
Te Winkel 1924 - J. te Winkel. De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde. IV. Haarlem, 1924.
Worp - J.A. Worp. De gedichten van Constantijn Huygens. (9 dln). Groningen, 1892-1899.
Zwaan 1939 - F.L. Zwaan. Uit de geschiedenis der Nederlandsche spraakkunst; grammaticale stukken van De Hubert, Ampzing, Statenvertalers en Reviseurs, en Hooft. Groningen/Batavia, 1939 (herdr. Groningen, 1974).
Zwaan 1973 - F.L. Zwaan. Dagh-werck van Constantijn Huygens. Assen, 1973.