|
|
|
| | | | | |
Isomorfisme als functioneel verklaringsprincipe
S.C. Dik
| |
1. Inleiding
Onder isomorfisme versta ik het principe dat in natuurlijke
taal één vorm steeds één en dezelfde betekenis
heeft, en dat één betekenis steeds wordt uitgedrukt door
één en dezelfde vorm. Korter gezegd: de gedachte dat er in
natuurlijke taal sprake is van een één-op-één
relatie tussen vorm en betekenis. De term isomorfisme ontleen ik aan
Haiman (1980); het principe wordt ook wel aangeduid met de termen
‘Humboldts principe’ (bv. Koefoed 1978, Van Marle 1985),
‘bi-uniciteit’ (Dressler 1983) en ‘transparantie’
(Langacker 1977).
In dit stuk bespreek ik de status van het principe van isomorfisme
in de taaltheorie vanuit een functioneel perspectief op het verschijnsel taal.
Voordat we echter de vraag naar de status van het principe kunnen behandelen,
moeten we eerst nagaan, hoe het principe als zodanig eigenlijk
geïnterpreteerd moet worden. ‘Vorm’ en ‘betekenis’
in natuurlijke taal zijn geen pretheoretische of observationele noties: het
zijn zeer theorie-geladen begrippen, begrippen die pas een theoretische status
krijgen binnen een bepaald theoretisch kader. Afhankelijk van de vraag welke
interpretatie men aan ‘vorm’ en ‘betekenis’ geeft, en
binnen welk theoretisch kader dit gebeurt, zal men zeer verschillende
antwoorden geven op de vraag: speelt de één-op-één
correspondentie tussen vorm en betekenis in natuurlijke taal een rol en zo ja,
welke rol dan wel? We moeten m.a.w. eerst een begripsanalyse uitvoeren op het
principe zelf, voordat we de eventuele rol ervan zinvol kunnen bespreken.
| |
2. Begripsanalyse
Het is duidelijk, dat natuurlijke taal o.a. zó werkt, dat een
spreker door een bepaalde reeks van geluiden voort te brengen een hoorder iets
te weten kan geven. Het spraakgeluid leidt tot een uiteindelijke
interpretatie bij de hoorder. Zouden we nu, als eerste stap, het
waarneembare spraakgeluid aanduiden als de ‘vorm’, en de
uiteindelijke interpretatie als de ‘betekenis’, dan komen we al
direkt in grote problemen. Immers, | | | | het spraakgeluid is in strikte
zin een continu en variabel gegeven waaraan weinig structuur en weinig
constants te ontdekken valt. Op die manier zou elke ‘vorm’
verschillen van elke andere ‘vorm’. Aan de andere kant is ook de
interpretatie continu variabel. Een eenvoudig zinnetje als De man heeft mijn
fiets gestolen kan in de uiteindelijke interpretatie worden betrokken op
een oneindig aantal ‘mannen’, ‘fietsen’,
‘ikken’ en ‘steelhandelingen’; ook kan het geheel
betrokken worden op een oneindig aantal tijdstippen en locaties.
Als ‘vorm’ = spraakgeluid en ‘betekenis’ =
interpretatie, dan is er niet alleen geen sprake van isomorfisme: het hele
functioneren van taal als tekensysteem wordt onbegrijpelijk.
Zoals De Saussure (1916) al heeft laten zien, kunnen we de
tekenfunctie van taal alleen begrijpen in termen van de volgende minimale
onderscheidingen:
(1)
spraakgeluid ↔ VORM ↔ BETEKENIS ↔ interpretatie
Hierin zijn spraakgeluid en interpretatie continu variabele, min of
meer concrete gegevens, ‘vorm’ en ‘betekenis’
daarentegen meer abstracte noties die nodig zijn om te verklaren, hoe
spraakgeluid en interpretatie met elkaar op geordende wijze in verband kunnen
worden gebracht.
Volgens De Saussure bestaat het taalteken uit de verbinding tussen
een abstracte VORM en een abstracte BETEKENIS, die beide als kennisgegeven
dienen te worden beschouwd. De VORM wordt telkens opnieuw uitgedrukt of
gerealiseerd in het spraakgeluid; het spraakgeluid (substantie) wordt
‘begrepen’ door er een VORM op te projecteren. Aan de andere kant
wordt aan de BETEKENIS een interpretatie toegekend, en wordt een bedoeling van
de spreker gereconstrueerd door de BETEKENIS van de vormen die hij gebruikt te
plaatsen in het kader van context en situatie.
Als we deze visie volgen, dan volgt direkt dat noch de vorm, noch de
betekenis van taaleenheden direkt ‘gegeven’ is. Ze zijn niet
waarneembaar, maar worden op waarneembare gegevens geprojecteerd. We moeten
daarmee zelfs de schijnbare paradox aanvaarden, dat we de VORM van een
taalbouwsel niet kunnen horen; wat we horen is slechts het spraakgeluid waarin
deze VORM is gerealiseerd.
Hieruit volgt dan verder, dat we een theorie over ‘vorm’
en ‘betekenis’ en over hun onderlinge relatie moeten hebben,
voordat we weten, waarover we het hebben als we de term
‘isomorfisme’ gebruiken. De geschiedenis van de taalwetenschap laat
zien, dat het ontwikkelen van zo'n theorie veel moeilijker is dan men op het
eerste gezicht zou denken. Er is in feite niet één algemene
aanvaarde theorie over dit probleem: veeleer vinden we een aantal onderling
sterk verschillende theoretische benaderingen, die vaak nogal verschillende
inhoud geven aan de begrippen ‘vorm’ en ‘beteke- | | | | nis’. Al naar gelang deze verschillen zal men het principe van isomorfisme
ook totaal verschillend interpreteren, tussen de extremen van
‘allesoverheersende wetmatigheid van natuurlijke taal’ en
‘van gering belang voor een inzicht in de fundamentele wetmatigheden van
taal’. Enkele van de mogelijke standpunten op dit scala vindt men ook in
deze bundel. We bekijken nu achtereenvolgens de theoretische interpretatie van
de begrippen ‘vorm’ en ‘betekenis’.
| |
2.1. ‘Vorm’
Wat betreft het begrip ‘vorm’ bestaat er consensus
over de algemene strategie volgens welke dit begrip theoretisch kan
worden ingevuld: op elk niveau van analyse probeert men een formele
‘representatie’ te geven waarin juist die elementen zijn opgenomen
die relevant zijn om het gedrag van een taalbouwsel te verklaren. Op het niveau
van de klankvorm doet men dit bv. door aan te nemen, dat de spraakgeluiden
geïnterpreteerd worden in termen van een abstracte fonologische structuur,
die in een fonologische representatie kan worden weergegeven. Daarbij doen zich
echter al direkt een aantal vragen voor, waar verschillende antwoorden op
gegeven worden. Allereerst: wat is relevant? De traditionele structuralistische
fonologie antwoordde: relevant is wat betekenis-onderscheidend werkt. Zo is het
verschil tussen p- en m- aan het begin van pan en
man relevant, omdat er verschillende woorden door onderscheiden worden,
maar de aspiratie aan het begin van Engels pan [phæ n]
is niet relevant, omdat afwezigheid van de aspiratie weliswaar vreemd klinkt,
maar geen ander Engels woord oplevert. Men kan echter ook zeggen: relevant is
wat systematisch van belang is voor een goede uitspraak van het woord. Dan is
de Engelse aspiratie wel van belang: als we de fonologische representatie als
een soort articulatie-recept willen gebruiken, dienen al die elementen erin
opgenomen te worden die ertoe leiden dat we een ‘normale’ uitspraak
krijgen. Vanuit sociolinguïstisch oogpunt kan men zeggen: relevant is
datgene waaraan bewust of onbewust een zekere ‘sociale waarde’ kan
worden toegekend. Maar dan zijn allerlei uitspraakvarianten die als dialectisch
of ‘plat’ of juist ‘deftig’ kunnen worden
geïnterpreteerd, hoewel ze niet betekenis-onderscheidend werken, wel
degelijk van belang voor het begrip ‘vorm’. Samenvattend: wat
relevant is voor het begrip ‘vorm’, en derhalve moet worden
opgenomen in een vormelijke representatie, is mede afhankelijk van de
relevantiecriteria die we aan deze representatie opleggen. Zo gezien is zelfs
een eenvoudige vraag als ‘wat is de vorm van een woord’
beslist niet gemakkelijk eenduidig te beantwoorden.
Een volgend probleem is: wanneer spreken we van één
vorm, en wanneer van verschillende vormen? Neem als voorbeeld een homoniem
woord als beuk. Is dit één vorm met twee totaal
verschillende betekenissen (‘soort | | | | boom’, ‘fikse
dreun’), of zijn het eigenlijk twee vormen, beuk
1 en beuk
2, die qua klank niet van elkaar te
onderscheiden zijn? Onze beslissing in deze bepaalt ons antwoord op de vraag of
we hier nu wel of niet van isomorfisme kunnen spreken.
Nog moeilijker wordt het, wanneer we ons afvragen, wat wordt
bedoeld met begrippen als ‘syntactische vorm’ of ‘logische
vorm’. Ook daar gaat het om abstracte formele representaties waarin juist
díe onderscheidingen worden gemaakt die relevant zijn voor het
vormelijke gedrag van een taalbouwsel. Maar meestal wil men dat doen op een
wijze die tegelijkertijd iets zegt over het semantisch of het logisch gedrag
van een taalbouwsel. Stel, dat we aan een ‘syntactische vorm’ de
eis stellen, dat hij bepaalde vormen van dubbelzinnigheid
‘disambigueert’. Zo kennen we bv. aan de reeks woorden (2) de twee
structuren (3a-b) toe, corresponderend met de twee verschillende semantische
‘lezingen’ van (2):1
(2)
Jan wachtte op de boot.
(3)
a. (Jan) (wachtte) (op de boot)
‘Jan bevond zich op de boot terwijl hij wachtte’
b. (Jan) (wachtte op) (de boot)
‘Datgene waar Jan op wachtte was de boot’
Het zal dan direct duidelijk zijn, dat de vraag naar isomorfisme
leidt tot een vorm van ‘begging the question’: we vragen naar de
correspondentie tussen vorm en betekenis, maar we hebben de syntactische vorm
juist ontworpen om met de betekenis te corresponderen.
Hetzelfde geldt voor het begrip logische vorm. Beschouw een
taalbouwsel als:
(4)
Jan wilde een vis vangen.
Deze zin heeft twee systematische verschillende interpretaties, al
naar gelang een vis als ‘specifiek’ of
‘niet-specifiek’ geïnterpreteerd wordt:2
(5)
a. Spreker heeft een bepaalde vis op het oog en beweert, dat Jan
die vis wilde vangen (specifiek).
b. Spreker beweert, dat Jan iets wilde vangen dat de eigenschap
‘vis’ moest hebben, maar welke vis is van geen belang
(niet-specifiek).
Dit verschil is zowel taalkundig als logisch van niet gering
belang. Het taalkundige belang kunnen we aflezen aan de
voortzettingsmogelijkheden: | | | |
(6)
a. Jan wilde een vis vangen maar hij zag hem niet meer
(specifiek)
b. Jan wilde een vis vangen maar hij zag er geeneen
(niet-specifiek)
Het logische belang blijkt bv. uit het volgende:
(7)
(i) Jan wilde een vis vangen.
(ii) Jan heeft een vis gevangen.
(iii)Dus: Jan heeft gedaan wat hij wilde.
Hier is conclusie (iii) logisch geldig bij een niet-specifieke
lezing van een vis, maar niet bij een specifieke lezing. Want als Jan
vis1 wilde vangen maar vis2 gevangen heeft, dan heeft hij
niet gedaan wat hij wilde.
De logica probeert het begrip ‘logische geldigheid’
zoveel mogelijk te expliciteren door het toekennen van een zodanige
‘logische vorm’ aan beweringen, dat gegeven deze logische vorm de
geldigheid in automatisch toepasbare regels kan worden vastgelegd. Men
postuleert dan ook twee geheel verschillende logische vormen voor een zin als
(4), nl.:
(8)
a. ∃ x (V(x) & W(j, Va (j, x))) (specifiek)
‘er is een x zodanig dat x een vis is en Jan wil dat hij x
vangt’
b. W(j, ∃x(V(x) & Va(j, x))) (niet-specifiek)
‘Jan wil dat er een x is zodanig dat x een vis is en hij x
vangt’
Het is duidelijk, dat hier, ondanks alle verschillen, dezelfde
strategie achter schuilt als achter de syntactische representaties (3a-b): geef
zodanig verschillende ‘vormen’, dat deze de relevante
betekenisverschillen weerspiegelen. Dus ook hier: isomorfisme per
definitie.
Vanuit taalkundig oogpunt zou men tegen dit laatste voorbeeld
kunnen inbrengen, dat (8a-b) weliswaar verschillende representaties zijn, maar
dat het hier om semantische representaties, niet om representaties van de
zinsvorm gaat. Dan rijst echter de vraag: wat is een semantische representatie?
Een taalkundige zal zeggen: een weergave van de betekenis. Maar voor een
logicus zijn (8a-b) vormelijke, syntactische structuren, die pas inhoud krijgen
wanneer ze in een of ander model worden geïnterpreteerd. Ook in dit
opzicht is het begrip ‘vorm’ theorie-bepaald.
| |
2.2. ‘Betekenis’
Net als ‘vorm’ is ook ‘betekenis’ een
theorie-geladen begrip. We zagen al, dat de betekenis van een vorm niet
gelijkgesteld kan worden aan de interpretatie die daaraan door de hoorder
uiteindelijk kan worden toegekend. | | | | Evenmin kan de betekenis van een
vorm gelijkgesteld worden met de communicatieve bedoeling die de spreker heeft
bij het produceren van de vorm. Zo kan bv. spreker Piet Jansen de bedoeling
hebben te verwijzen naar zijn broer Karel Jansen en deze bedoeling verwoorden
door de vorm mijn broer te gebruiken; vervolgens kan de hoorder, wetende
wie de spreker is en wie de broer van de spreker is, deze vorm interpreteren
als verwijzende naar Karel Jansen. Maar het zou in zo'n geval niet juist zijn
te zeggen, dat mijn broer ‘Karel Jansen’ betekent;
want dezelfde vorm, gebruikt door Kees de Vries, kan leiden tot de
interpretatie ‘Gerard de Vries’, etc. Als betekenis gelijk was aan
bedoeling of interpretatie, dan zou elke vorm een in principe oneindig aantal
betekenissen hebben. We moeten derhalve het begrip betekenis plaatsen in een
communicatief model, dat minimaal de volgende onderscheidingen bevat:
(9)

De relatie tussen sprekers bedoeling en hoorders interpretatie
komt tot stand via de BETEKENIS; deze wordt gedragen door een VORM, die zelf
weer gerealiseerd wordt in geluid. Het geluid is datgene wat concreet door
spreker geproduceerd en door hoorder waargenomen wordt. Maar om tot een
interpretatie te komen moet de hoorder (i) het geluid interpreteren als
manifestatie van een VORM; (ii) de VORM interpreteren als drager van een
BETEKENIS; (iii) de BETEKENIS interpreteren als sleutel tot een interpretatie
van de communicatieve bedoeling van de spreker.
We weten ook, hoe het mogelijk is, dat één en
dezelfde BETEKENIS aanleiding kan geven tot telkens andere interpretaties. Dit
komt doordat de hoorder niet alleen de beschikking heeft over de talige
informatie die de spreker hem aanbiedt, maar ook over een grote hoeveelheid
verdere informatie, in termen waarvan hij die talige informatie kan
‘plaatsen’. Deze verdere kennis, die in het algemeen kan worden
aangeduid als de ‘pragmatische informatie’ waarover spreker en
hoorder beschikken, bestaat uit (a) kennis ontleend aan de situatie (bv.
‘degene die nu tegen mij spreekt is Piet Jansen’), (b) kennis
ontleend aan de voorafgaande context (bv. ‘Piet Jansen heeft mij eerder
verteld dat hij een broer heeft die Karel heet’), (c) kennis van zaken in
het algemeen (bv. ‘Ik weet (los van deze context en situatie) dat Piet
Jansen een broer heeft die Karel heet’). Zo is de betekenis van een vorm
als mijn broer te vergelijken met een druppel vloeistof die in de
pragmatische informatie van de hoorder een complexe reactie teweeg brengt.
Verschilt de pragmatische informatie, dan zal ook de reactie telkens anders
zijn. | | | |
Het is aan de andere kant duidelijk, dat de betekenis een zekere
hoeveelheid informatie moet bevatten om überhaupt een reactie teweeg te
kunnen brengen. Gebruikt een spreker een woord met een andere betekenis (bv.
mijn zuster), dan ontstaat een andere verzameling mogelijke
interpretaties; gebruikt hij een woord waarvan de hoorder de betekenis niet
kent (bv. mijn mots = ‘paard of hond met afgesneden staart of
oren’, Van Dale) of een nonsens-woord (bv. mijn mups), dan zal de
hoorder in het geheel niet tot een interpretatie kunnen komen, behalve in het
extreme geval waarin de hoorder op grond van zijn pragmatische informatie toch
al kan reconstrueren, waar de spreker op doelt - maar in dat geval had de
spreker net zo goed niets kunnen zeggen, en is de interpretatie dus niet een
functie van de gebruikte taalvorm.
We kunnen op grond van het bovenstaande de betekenis van een vorm
definiëren als die informatie die noodzakelijk en voldoende is om te
kunnen verklaren, hoe de hoorder op grond van het gebruik van de vorm tot een
juiste interpretatie van de bedoeling van de spreker kan komen.
Vergelijk ter illustratie de volgende omschrijvingen van het woord
broer:
(10)
x is een broer van y =
(a) x is een kind van dezelfde ouders als y;
(b) x is een manlijk kind van dezelfde ouders als y;
(c) x is een bloedverwant van y en een manlijk kind van dezelfde
ouders als y.
Het is duidelijk, dat de omschrijving (a) niet
‘voldoende’ is in de hier bedoelde zin van het woord: deze
omschrijving sluit wel alle correcte interpretaties in, maar sluit andere,
incorrecte interpretaties niet uit: als deze omschrijving de betekenis van
broer weergaf, zou dit woord ook gebruikt moeten kunnen worden om naar
zusters te verwijzen. Omgekeerd lijkt omschrijving (c) informatie te bevatten
die niet noodzakelijk is: als x een manlijk kind is van dezelfde ouders als y,
dan volgt daaruit dat x een bloedverwant is van y; (c) is dus meer
gespecificeerd dan noodzakelijk is om de mogelijke interpretaties van
broer te verklaren. We kunnen dus op grond hiervan (b) beschouwen als de
beste omschrijving van de betekenis van broer.
Dit voorbeeld laat ook zien, dat het omschrijven van een betekenis
het karakter heeft van het formuleren van een hypothese, die vervolgens moet
worden getoetst aan de mogelijke interpretaties van het woord in kwestie. En
net als bij hypotheses in het algemeen geldt ook hier, dat het meestal
makkelijker is te laten zien, dat een betekenis-omschrijving niet juist is, dan
te laten zien, dat deze wel juist is. | | | |
Het beschrijven van een betekenis is dus: het hypothetisch
reconstrueren van die informatie die noodzakelijk en voldoende is om de
interpretatiemogelijkheden van de vorm in kwestie te verklaren.
Vaak zal het moeilijk zijn de verschillende
interpretatiemogelijkheden van een vorm d.m.v. één
betekenis-omschrijving te verklaren. Neem als voorbeeld zuster, dat op
zijn minst als (a) ‘vrouwelijk kind van dezelfde ouders’ en (b)
‘Verpleegster’ kan worden geïnterpreteerd. Het lijkt
onmogelijk één betekenisomschrijving te geven die de
verschillende interpretaties insluit, en alle incorrecte interpretaties
uitsluit: het gemeenschappelijke van beide klassen van interpretaties is
‘vrouwelijk persoon’, maar dit is onvoldoende om te verklaren,
waarom zuster niet als ‘dochter’ of als
‘politie-agente’ zou kunnen worden geïnterpreteerd.
De conclusie is onontkoombaar, dat voor een woord als
zuster tenminste twee onderscheiden betekenis-omschrijvingen moeten
worden opgesteld. De vraag doet zich dan vervolgens voor, of het hier gaat om
twee betekenissen die geheel los van elkaar staan, of om twee betekenissen die
zodanig samenhangen, dat ze onder één overkoepelende
betekenis-eenheid kunnen worden samengevat. In het eerste geval spreken we van
homonymie (er zijn twee afzonderlijke woorden zuster1 en
zuster2 die in vorm met elkaar samenvallen), in het tweede
van polysemie (er is één woord zuster waarvan de betekenis
uiteenvalt in verschillende, maar onderling samenhangende
betekenis-omschrijvingen). De moeilijkheid hierbij is, dat het vaak niet
eenvoudig is om vast te stellen, of we met homonymie, dan wel met polysemie te
maken hebben. Het verschil hangt af van de vraag hoe we de voor polysemie
vereiste samenhang tussen de betekenis-omschrijvingen definiëren. Die
samenhang wordt bepaald door de aard en de omvang van de overeenkomst tussen
verschillende betekenisomschrijvingen. Wat de aard van de overeenkomst betreft
krijgen we verschillende resultaten wanneer we uitgaan van een model waarin een
gemeenschappelijke ‘kern-betekenis’ vereist is, of van een model
waarin een ‘keten-relatie’ voldoende is voor polysemie.
3 In het kern-betekenismodel, dat kan worden gesymboliseerd zoals
in Fig. 1, wordt aangenomen, dat meerdere betekenis-omschrijvingen slechts dan
in een relatie van polysemie kunnen staan, indien zij alle één of
meer semantische componenten met elkaar gemeen hebben.

Fig. 1. Betekenis-omschrijvingen met een gemeenschappelijke kern-betekenis.
| | | |
In het keten-relatie model (door Wittgenstein omschreven als een
relatie van ‘familie-gelijkenis’), weergegeven in Fig. 2, wordt
aangenomen, dat betekenis-omschrijvingen in een relatie van polysemie kunnen
staan, indien zij kunnen worden geordend in een reeks, zodanig dat elke twee
aangrenzende omschrijvingen één of meer semantische componenten
met elkaar gemeen hebben.

Fig. 2. Betekenis-omschrijvingen in een keten-relatie.
Merk op, dat volgens het keten-relatie-model twee
betekenis-omschrijvingen tot één overkoepelend semantische
eenheid gerekend kunnen worden, ook indien zij geen enkele semantische
component gemeenschappelijk hebben (bv. de uitersten in de keten van Fig. 2).
Merk verder op, dat het tweede model ruimer, liberaler is dan het eerste. Het
definiëert dus ook een ruimer begrip polysemie dan het
kern-betekenis-model. M.a.w. twee betekenis-omschrijvingen die volgens het
keten-model in een relatie van polysemie staan, kunnen volgens het
kern-betekenis-model als homoniemen moeten worden beschouwd.
Wat de omvang van de overeenkomst betreft: het is in beide
modellen de vraag, of het gemeenschappelijk hebben van één
semantische component voldoende is om van polysemie te spreken.
Zo zagen we, dat zuster1 en
zuster2 de aspecten ‘rouwelijk persoon’ gemeen
hebben, en toch is het de vraag, of dit voldoende is om van één,
polyseem woord te spreken. Op de één of andere manier is het niet
evident, dat de betekenissen van zuster op natuurlijke wijze met elkaar
samenhangen of uit elkaar voortvloeien. Op soortgelijke wijze zullen we
bank1 (‘zitmeubel’) en bank2
(‘bankgebouw’) niet snel als één semantische eenheid
opvatten, hoewel ze toch op z'n minst het aspect ‘concreet object’
met elkaar gemeen hebben. Om de vraag: homonymie of polysemie? te kunnen
beantwoorden, zou dus een bepaalde minimum-omvang voor overeenkomst in
betekenis moeten worden vastgesteld. Hiertoe is bij mijn weten nooit een
serieuze poging gedaan.
De zaak wordt nog verder gecompliceerd doordat er historische
ontwikkelingen zijn die als volgt kunnen worden weergegeven:
(11)
Fase 1: één vorm met één betekenis
Fase 2: één vorm met één betekenis +
een gangbare metaforische toepassing van die betekenis
Fase 3: één vorm met twee betekenissen
(polysemie)
Fase 4: twee vormen met twee afzonderlijke betekenissen | | | |
Vergelijk voor een dergelijke ontwikkeling een woord als
band. Een deel van de oorspronkelijke betekenis hiervan kan worden
omschreven als:
(12)
(i) ‘strook van enigerlei stof die ergens omheen bevestigd
(gebonden) wordt’
(i.a) vandaar: ‘ijzeren of gummi strook bevestigd rond een
wiel’
Later heeft (i.a) zich verder ontwikkeld tot:
(13)
(ii) ‘met lucht gevulde rubber ring bevestigd rond een
wiel’
en zich zodanig verwijderd van de oorspronkelijke betekenis, dat
het zeer de vraag is of er nog enig direct verband bestaat tussen
band-(i) en band-(ii). Soortgelijke ontwikkelingen hebben zich
voorgedaan t.a.v. band-(iii):
(14)
(iii) ‘omhulsel waardoor een pak papier tot boek wordt
samengebonden’
Het lijkt nauwelijks redelijk te beweren, dat we synchronisch
gesproken in het volgende fragment drie maal hetzelfde woord band
tegenkomen:
(15)
Marie zat met een kleurige band in haar haar een boek met
een leren band te lezen; ze vroeg zich af, waar Jan toch bleef: Zou hij
een lekke band gehad hebben?
Als polysemie zich kan ontwikkelen tot homonymie, dan zal het ook
om die reden vaak moeilijk zijn om aan te geven, of we met het ene of met het
andere verschijnsel te maken hebben.
| |
3. Isomorfisme
Ik heb in het bovenstaande de vraag naar de onderlinge relatie
tussen VORM en BETEKENIS danig ingewikkeld gemaakt. Daarmee is voldoende
aangetoond, dat gemakkelijke, pretheoretische antwoorden op deze vraag ons niet
veel verder zullen helpen. Om nu echter toch wat over isomorfisme te kunnen
zeggen, moeten we enkele vereenvoudigingen aanbrengen. Laten we dit doen door
ons te beperken tot woorden en woorddelen (en dus niet te praten over meer
abstracte niveau's zoals syntactische en logische vorm), en door aan te nemen
dat we een criterium tot onze beschikking hebben dat ons in staat stelt om de
grens tussen polysemie en homonymie te bepalen. Onder isomorfisme verstaan we
nu een één-op-één relatie tussen woorden/woorddelen
enerzijds, en betekenissen anderzijds. | | | | Is een woord/woorddeel
polyseem, dan beschouwen we het geheel van samenhangende
betekenis-mogelijkheden als één complexe betekenis. Polysemie is
dan niet strijdig met isomorfisme, mits hetzelfde woord in al zijn voorkomens
dezelfde polysemie vertoont.
Is isomorfisme, zo beschouwd, een wetmatigheid van natuurlijke taal?
Het antwoord moet ontkennend luiden, want er zijn vier soorten van veel
voorkomende verschijnselen die strijdig zijn met het principe van isomorfisme.
Deze verschijnselen kunnen als volgt in kaart worden gebracht:

Fig. 3. Soorten van verschijnselen die afwijken van isomorfisme.
Verticaal zijn de twee logisch mogelijke afwijkingen van isomorfisme
aangegeven: één vorm met twee betekenissen, of één
betekenis met twee vormen. Horizontaal is aangegeven, dat deze twee situaties
zowel paradigmatisch als syntagmatisch geïnterpreteerd kunnen worden. We
krijgen zo de volgende soorten afwijkingen:
A. Homonymie, ambiguïteit
Eén en dezelfde vorm heeft geheel verschillende, onderling
niet samenhangende betekenissen. Van dit voor natuurlijke talen zeer gewone
verschijnsel hebben we al genoeg voorbeelden gezien. We hebben ook gezien, dat
in zulke gevallen het principe van isomorfisme gesauveerd kan worden, door bij
elke homonieme vorm aan te nemen, dat het eigenlijk twee (of meer) vormen zijn.
Maar dan wordt onze analyse circulair.
B. Portmanteau expressie, synthese
Men spreekt van portmanteau expressie of synthetische vormgeving,
wanneer één vorm twee of meer duidelijk onderscheiden semantische
aspecten heeft. Dit is het duidelijkst in die gevallen waarin deze ene vorm
correspondeert met twee of meer afzonderlijke vormen elders in het taalsysteem.
Vergelijk bv. Frans à la fille met au garçon. De
vorm au (fonologisch /o/) verschijnt daar waar we eigenlijk *à
le zouden verwachten, en heeft dan ook de betekenissen die afzonderlijk
door à en le gedragen worden. Op | | | | grote schaal
vinden we dit soort synthetische vormgeving in flecterende (tegenover
agglutinerende) talen. Zo drukt de uitgang -os van het Latijnse woord
hort-os tegelijkertijd uit (i) ‘mannelijk’ (vs. -as
‘vrouwelijk’), (ii) ‘meervoud’ (tegenover -um
‘enkelvoud’, (iii) ‘accusatief’ (tegenover -i
‘nominatief’, -orum ‘genitief’, etc.).
C. Synonymie, allomorfie
We spreken van synonymie, wanneer twee vormen dezelfde betekenis
hebben. Het is de vraag, of er synonieme woorden (lexicale elementen) bestaan.
4 In de meeste gevallen bestaan er tussen twee schijnbare
synonieme woorden toch wel bepaalde semantische nuance-verschillen. Op het
niveau van de woorddelen zullen we echter wel degelijk moeten
accepteren, dat verschillende morfemen dezelfde betekenis kunnen hebben. Dit
verschijnsel der allomorfie vinden we bv. in gevallen van stam-alternantie
zoals in stad - sted-en, kom-t, kom-en, waarin de verschillende
stamvormen geen verschil in betekenis reflecteren, en in gevallen van
affix-alternantie, voorzover deze automatisch bepaald is: zo zullen we bij
vergelijking tussen tafel-s en stoel-en geen reden kunnen vinden
waarom het meervoud in het ene geval door - s, in het andere door
-en wordt uitgedrukt. Ook hier een duidelijk geval van twee vormen met
één betekenis.
D. Idioom, niet-compositionaliteit
Idioom is het verschijnsel dat een complexe, uit meerdere
onderscheiden delen opgebouwde vorm één betekenis heeft, die niet
uit de betekenissen van de afzonderlijke delen kan worden afgeleid. Men kan ook
zeggen, dat de betekenis in zo'n geval niet compositioneel vanuit de
betekenissen van de delen kan worden opgebouwd. Een bok schieten in de
zin van ‘een domme fout begaan’ is een voorbeeld van een idioom
waarin meerdere vormen samen één niet-herleidbare betekenis
hebben. Omdat idiomen vaak naast hun idiomatische betekenis ook nog een
letterlijke betekenis hebben, vormen zij tegelijkertijd een voorbeeld van
homonymie. Merk op, dat veel samenstellingen in de hier bedoelde zin
idiomatisch zijn.
| |
4. Isomorfisme als richtinggevend principe
Geen mens is volmaakt gelukkig. Toch is ‘menselijk
geluk’ een belangrijk verklaringsprincipe voor menselijk handelen, omdat
veel handelingen geinterpreteerd kunnen worden in termen van een streven naar
een gelukstoestand. ‘Geluk’ is zo gezien een richtinggevend
principe, een drijfveer van menselijk handelen. | | | |
Op vergelijkbare wijze is geen enkele taal isomorf, zoals de
verschijnselen uit de vorige paragraaf aantonen. Niettemin is
‘isomorfisme’ een belangrijk verklarend principe, omdat veel
taalveranderingen geïnterpreteerd kunnen worden in termen van een
‘streven’ naar een toestand van isomorfisme. Zo zou dus isomorfisme
als één van de richtinggevende principes of drijfveren van
taalverandering kunnen gelden.
We merken hierbij voor de goede orde het volgende op:
| a. | Er zijn blijkbaar ook soorten van taalverandering die juist tegen
isomorfisme indruisen. Anders zouden alle talen, in hun millennia-lange
ontwikkeling, allang een toestand van volmaakt isomorfisme bereikt hebben. |
| b. | Er zijn dus blijkbaar ook andere drijfveren voor de ontwikkeling
van een taal. Anders gezegd: isomorfisme is hoogstens één
temidden van meerdere richtinggevende principes. |
In paragraaf 5 bespreken we de manier waarop deze op het eerste
gezicht paradoxale feiten in een ruimer theoretisch kader geplaatst kunnen
worden. Hier geven we eerst een indruk van het soort van verschijnselen van
taalverandering die als ‘isomorfisme-bevorderend’ kunnen worden
geinterpreteerd. We volgen daarbij dezelfde indeling in A-D als in de vorige
paragraaf. In het algemeen kan gesteld worden, dat de veranderingen waar het
hier om gaat, eerder ‘therapeutisch’ dan
‘profylactisch’ werken (cf. Lightfoot 1979): eerst ontstaat op de
een of andere manier een uit het oogpunt van isomorfisme minder gewenste
situatie, die dan vervolgens wordt ‘gerepareerd’. Vanuit
functioneel perspectief mogen we verder aannemen, dat de therapie zich vooral
daar zal voordoen, waar de niet-isomorfe situatie bijzondere communicatieve
problemen kan oproepen.
A. Homonymie, ambiguïteit
Sinds het werk van de Franse dialectoloog Gilliéron wordt
algemeen aanvaard, dat bepaalde taalveranderingen kunnen worden begrepen als
een therapeutisch proces, waardoor een toestand van hinderlijke homonymie (een
‘collision homonymique’ of ‘homonymie clash’) wordt
opgeheven. Gilliéron's bekendste voorbeeld hiervan is het volgende: in
bepaalde delen van Zuid-Frankrijk golden zodanige klankwetten dat de Latijnse
woorden gattus ‘kat’ en gallus ‘haan’
zich beide tot gat ontwikkelden, een situatie die vooral op de boerderij
tot evidente problemen geleid zal hebben. Gilliéron constateerde nu dat
juist in het gebied waar klankwettelijk deze ‘botsing’ moet hebben
plaatsgevonden, voor ‘haan’ niet *gat, maar een ander,
duidelijk secundair woord zoals faisan gebruikt werd; dit terwijl buiten
dit gebied in dezelfde periode het woord gal ‘haan’ in
gebruik was. De verklaring van deze distributie van dialectvormen zou zijn, dat
op | | | | grond van de hinderlijke homonymie één van de twee
vormen gat het veld heeft moeten ruimen.
We zien hier, dat door klankverandering een toestand van homonymie
kan ontstaan die, indien hinderlijk voor de communicatie, door therapeutische
maatregelen kan worden opgeheven.
B. Synthese
Er zijn tal van taalveranderingen die geïnterpreteerd kunnen
worden als een vervanging van meer synthetische vormen door meer analytische.
Zo zijn de synthetische Latijnse werkwoordsvormen vervangen door analytische
vormen met de hulpwerkwoorden habere en esse, terwijl de
synthetische nominale vormen van het Latijn zich in veel talen/dialecten hebben
ontwikkeld tot combinaties van prepositie + nomen. Ook dergelijke veranderingen
kunnen geïnterpreteerd worden als gaande in de richting van een grotere
mate van isomorfisme.
C. Synonymie
We zagen al, dat het de vraag is, of werkelijke synonymie op
woord-niveau bestaat. We kunnen ook stellen, dat zo dergelijke synonymie al
bestaat, deze vrij snel weer zal verdwijnen, doordat de veronderstelde
synonieme woorden vrij snel elk hun eigen betekenis-facetten zullen
ontwikkelen. Denk aan paren zoals dokter/arts, broeder/broer en
rijwiel/fiets.
Ook op het niveau van woorddelen zijn er veranderingen die leiden
tot het opheffen van een situatie waarin meerdere verschillende vormen dezelfde
betekenis hebben. Ik doel hier op het verschijnsel van ‘paradigmatic
levelling’ (paradigmatische vereffening), dat geïllustreerd kan
worden met het volgende voorbeeld:
5
(16)
| I | II | III |
| ámo | aim | aime |
| ámas | aimes | aimes |
| ámat | aime(t) | aime |
| amámus | amons | aimons |
| amátis | amez | aimez |
| ámant | aiment | aiment |
In de ontwikkeling van het Latijn (I) naar het Frans (III) heeft een
klank-verandering gewerkt die a- in geaccentueerde lettergrepen deed
veranderen in ai-; deze regel deed allomorfie (stam-alternantie)
ontstaan in fase II. | | | |
Deze stam-alternantie is vervolgens weer opgeheven door
paradigmatische vereffening tussen fase II en III, waardoor de
‘nieuwe’ stam aim- zich uitbreidde over het hele
paradigma.
We zien aan dit voorbeeld, dat een overigens regelmatig opererende,
maar geconditioneerde klankverandering allomorfie kan doen ontstaan, die
vervolgens via paradigmatische vereffening weer kan worden opgeheven. De
laatste gebeurtenis kan worden geïnterpreteerd als een herstel van
isomorfisme.
D. Idioom
De toestand van niet-isomorfisme die zich voordoet in het geval van
idiomatische uitdrukkingen kan worden opgeheven, doordat de delen van het
idioom samensmelten en aldus hun zelfstandigheid verliezen. Dit verschijnsel
doet zich veelvuldig voor bij samenstellingen. Zo heeft een oorspronkelijke
vorm pot-lepel eerst een gespecialiseerde betekenis gekregen die niet
meer compositioneel uit de delen is af te leiden; vervolgens is de vorm
samengesmolten tot pollepel, waarin niet meer duidelijk twee
afzonderlijke delen zijn te onderscheiden. De eindsituatie is dus:
één vorm met één betekenis, in overeenstemming met
het beginsel van isomorfisme.
| |
5. Een functioneel verklaringsmodel
Wanneer we, zoals in de vorige paragraaf, isomorfisme gebruiken ter
verklaring van een aantal soorten taalverandering, dan geven we daarmee een
functionele verklaring van dit soort verschijnselen. Functionele verklaringen
lopen het gevaar te ontaarden in wat ik noem
‘Roodkapje’-verklaringen (‘Waarom heeft U zo'n grote
neus?’ - ‘Om beter te kunnen ruiken!’). Dergelijke
verklaringen krijgen vaak een banaal, ‘post-hoc’ en circulair
karakter. Ik heb daarom in Dik (1986) betoogd, dat een functioneel
verklaringsmodel alleen dan interessant is, als het recht doet aan de
complexiteit die ontstaat door het naast elkaar en deels tegen elkaar in werken
van een aantal op zichzelf coherente functionele principes. Zo'n meer complex
verklaringsmodel kan als volgt worden samengevat:
(i) De toestand van een taal wordt op elk moment bepaald door een
aantal functionele ‘preferentie-principes’, die elk op hun gebied
een geprefereerde toestand definiëren.
(ii) Aangezien een aantal van deze principes verschillende
voorkeurstoestanden bepalen, kan nooit aan alle princpes tegelijk volledig
worden voldaan. De principes zijn in dit opzicht met elkaar in
competitie. | | | |
(iii) Hieruit volgt dat een taaltoestand in bepaalde mate strijdig
kan zijn met de voorkeuren die door bepaalde preferentie-principes worden
bepaald, zonder dat daardoor het functioneren van de taal in gevaar komt. Ik
noem dit het principe van ‘Beperkte Tolerantie’.
(iv) Een wijziging ten gunste van principe A kan een neven-effect
hebben ten ongunste van principe B. Daardoor wordt de wijziging echter
gewoonlijk niet afgeremd (‘profylactisch’); veeleer ontstaat later
weer een (‘therapeutische’) wijziging ten gunste van principe B
(die dan echter weer ongunstige neven-effecten kan hebben t.a.v. principe C,
enz.).
Binnen dit verklaringsmodel kan isomorfisme gezien worden als een
voorkeurstoestand, zelf weer ondergeschikt aan functionele principes zoals
begrijpelijkheid, communicatieve duidelijkheid, memoriseerbaarheid, en
dergelijke. Door wijzigingen ten gunste van andere principes kan de toestand
van isomorfisme gedeeltelijk doorbroken worden, en dat is ook in alle talen
feitelijk het geval. Binnen bepaalde grenzen wordt deze doorbreking
getolereerd. Wel mogen we wijzigingen verwachten waardoor het isomorfisme weer
wordt hersteld. Zo kunnen taalveranderingen in de richting van isomorfisme
gezien worden als therapeutische maatregelen die ertoe leiden dat een te grote
mate van niet-isomorfisme wordt vermeden.
In Dik (1986) is een aantal functionele verklaringsprincipes die in
competitie met elkaar de toestand van een taal bepalen meer in detail
behandeld. Ik volsta hier met een korte samenvatting:
(17)
Principes die de klankvorm bepalen:
| Fysiologisch: | ARTICULATIEGEMAK |
| | WAARNEEMBAARHEID |
| Psychologisch: | LEERBAARHEID |
| | VERWERKBAARHEID |
| | MEMORISEERBAARHEID |
| Sociologisch: | VERWERVEN
PRESTIGE |
| | VERMIJDEN STIGMATISERING |
| | | |
Principes die de morfo-semantische structuur bepalen:
| Psychologisch: | BEGRIJPELIJKHEID/INTERPRETEERBAARHEID |
| | LEERBAARHEID/VERWERKBAARHEID/ MEMORISEERBAARHEID |
| | -
ISOMORFIE |
| | -
PATROONVORMING |
| | -
arbitrair |
| | -
iconisch |
| | EXPRESSIVITEIT |
| Sociologisch: | UITDRUKKING
VAN SOCIALE RELATIES |
| | (sociale afstand en
hiërarchische relaties) |
Enkele voorbeelden:
1. Veel klankveranderingen kunnen verklaard worden uit het principe
van Articulatiegemak. Het betreft hier allerlei soorten reducties en
assimilaties. Grenzen aan de werking van dit principe worden echter gesteld
door andere principes, zoals Waarneembaarheid, Leerbaarheid en
Begrijpelijkheid. Het komt dan ook veel voor dat een oudere, op grond van
Articulatiegemak ‘afgesleten’ vorm plaats maakt voor een nieuwe
vorm, die dan vervolgens weer aan een proces van ‘erosie’ wordt
onderworpen.
2. Ook sociologische factoren bepalen de klankontwikkeling, zoals
gebleken is uit het werk van Labov: men kan in een bepaalde groep kiezen voor
een bepaalde klankvariant om zich daarmee te vereenzelvigen met een groep in de
taalgemeenschap die prestige geniet, of om zich te onderscheiden van een groep
die gestigmatiseerd wordt. De meer prestigieuse klankvarianten zijn niet per se
die welke het gemakkelijkst te articuleren zijn. Sociale factoren kunnen dus
leiden tot complicatie van de klanksystematiek, waar veel van de andere
principes leiden tot vereenvoudiging.
3. Zoals eerder gesteld, wordt Isomorfisme gezien als
één van de principes die bijdragen tot de Begrijpelijkheid,
Leerbaarheid enz. van taalbouwsels. Daarnaast wordt afzonderlijk genoemd:
Patroonvorming, hetzij arbitrair, hetzij iconisch. Met Patroonvorming wordt
bedoeld: terugkerende patronen in de verbinding van vorm-betekenis elementen,
corresponderend met terugkerende semantische verhoudingen. Zo heeft een taal
globaal gesproken over het algemeen hetzij de volgorde Head-Modifier
(Kern-Bepaling), hetzij Modifier-Head. Dat beide volgordes voorkomen betekent,
dat de keuze voor het ene of het andere patroon arbitrair is. De consistentie
van de ene of de andere volgorde draagt echter bij aan de begrijpelijkheid en
‘doorzichtigheid’ van taalbouwsels. Er is sprake van
iconische patroonvorming wanneer alle talen hetzelfde (geprefereerde)
patroon bezitten voor | | | | een bepaalde semantische relatie. In zo'n
geval mogen we aannemen, dat dit patroon in zekere zin een symbolische
afbeelding (‘icoon’) is voor deze semantische relatie. Een
voorbeeld is de regel, dat in conditionele constructies in alle talen de
geprefereerde volgorde is: Protasis-Apodosis, en de minder geprefereerde
volgorde: Apodosis-Protasis, dus:
(18)
a. Geprefereerd: Als je ziek bent, moet je thuis blijven.
b. Niet-geprefereerd: Je moet thuis blijven, als je ziek bent.
In een taal die als arbitrair patroon heeft: Hoofdzin-Bijzin, levert
dit iconische patroon een conflict op. In Dik (1986) wordt beschreven, wat dit
voor implicaties kan hebben voor de conditionele constructies in zo'n taal.
4. Met Expressiviteit wordt bedoeld, dat ‘expressieve’
uitingen ook een ‘expressieve’ vorm moeten hebben. Dit kan leiden
tot complicatie van de structuur van taalbouwsels, die op zichzelf weer op
gespannen voet kan komen te staan met principes zoals Leerbaarheid en
Interpreteerbaarheid. Zo heeft elke taal bijzondere middelen om Focus (emfase
of contrast) aan bepaalde constituenten toe te kennen. Vergelijk:
(19)
a. Wij hebben de meeste problemen met onze export.
b. Het is de EXPORT waar wij de meeste problemen mee hebben.
De speciale Focus-constructie (19b) is zeer expressief, maar
tegelijkertijd grammaticaal ingewikkelder dan de neutrale constructie (19a). In
veel talen zien we ‘expressieve’ uitdrukkingsmiddelen, zoals de
Focus-constructie, afslijten tot neutrale, waarna vervolgens een nieuwe
‘expressieve’ constructie ontstaat.
5. Met de sociologische factoren die de morfo-semantische structuur
mede bepalen, bedoel ik al die midelen die gebruikt kunnen worden om gradaties
in sociale afstand en hiërarchie uit te drukken, d.w.z.
uitdrukkingsmiddelen voor beleefdheid, familiariteit e.d. Hier geldt een
algemeen principe dat zegt, dat, naarmate een uitdrukking beleefder is, deze
ook langer en ingewikkelder wordt. De factor ‘beleefdheid’ leidt
dus weer tot complicaties in de morfo-semantische structuur (vgl. Levinson
1983). Met de hierboven gegeven voorbeelden heb ik wat meer inhoud proberen te
geven aan de wijze waarop verschillende functionele principes, elk afzonderlijk
duidelijk en gemotiveerd, in onderlinge interactie en competitie de gegeven
toestand van een taal kunnen bepalen. Duidelijk is, dat het model een zekere
ingebouwde ‘spanning’ veronderstelt in elke taaltoestand, omdat er
altijd preferenties zijn waaraan niet volledig recht wordt gedaan. Daarmee zien
we ook elke taaltoestand als principieel onderworpen aan een continu proces van
verandering, waaraan nooit een einde komt. | | | |
Tevens heb ik een indruk proberen te geven van de plaats van het
principe van Isomorfisme in het geheel van dit verklaringsmodel. We kunnen
concluderen dat Isomorfisme een belangrijk functioneel verklaringsprincipe is,
dat echter werkt in competitie met een aantal andere functionele principes,
die, binnen de grenzen van het principe van beperkte tolerantie, tot een
bepaalde mate van overtreding van Isomorfisme kunnen leiden.
Instituut voor Algemene Taalwetenschap
Universiteit van Amsterdam
Spuistraat 210
1012 VT Amsterdam
| |
Literatuur
| Dik, Simon C. (1986). On the notion ‘Functional
explanation’. Belgian Journal of Linguistics 1, 11-52 (= Working
Papers in Functional Grammar 11) |
| Dressler, Wolfgang U. (1983). On word formation in natural
morphology. Proceedings of the XIIIth International Congress of Linguists,
172-182. Tokyo. |
| Haiman, John. 1980. The iconicity of grammar. Language 56,
515-540. |
| Koefoed, Geert. (1978). Taalverandering in het licht van
taalverwerving en taalgebruik. In: G. Koefoed en J. van Marle (eds.),
Aspecten van taalverandering, 11-70. Groningen: Wolters-Noordhoff. |
| Langacker, Ronald W. (1977). Syntactic reanalysis. In: C. Li (ed.),
Mechanisms of syntactic change, 57-139. Austin: University of Texas
Press. |
| Levinson, Stephen C. (1983). Pragmatics. Cambridge: Cambridge
University Press. |
| Lightfoot, David W. (1979). Principles of diachronic syntax.
Cambridge: Cambridge University Press. |
| Marle, Jaap van. (1985). Over enkele aan het Humboldtiaanse principe
tegengestelde krachten. Amsterdam: Instituut voor Neerlandistiek. |
| Saussure, Ferdinand de. (1916). Cours de linguistique
générale. Parijs: Payot. |
| Skousen, Royal. (1975). Substantive evidence in phonology. Den Haag:
Mouton. |
|
1Zie ook de bijdrage van Schermer-Vermeer
in deze bundel.
2Zie ook de bijdrage van Balk-Smit
Duyzentkunst in deze bundel.
3Zie ook de bijdrage van Duinhoven in deze
bundel.
4Zie ook de bijdrage van Klooster in deze
bundel.
5Het voorbeeld is ontleend aan Skousen
(1975).
|
|