Aan Bonaparte en de Franschen. [Door den Groningschen Prof. Jan ten Brink.] Amst. 1812. (1
‘IJverig en scherp waren de nasporingen der achterdochtige Fransche politie omtrent den maker dezer zangen (dit en No. 30); tot in de verste streken onzes Vaderlands werden zij voortgezet; zoo werd in Groningen een persoon, welken men als den maker er van verdacht hield, een' geruimen tijd gevankelijk bewaard. Op ernstigen raad zijner vrienden besloot ten Brink zich in het vervolg te onthouden van, gelijk hij nu en dan wel gedaan had, deze gedichten, met het hem eigen vuur, in gezellige vriendenkringen voor te dragen. Helaas! men kon toen schier niemand meer vertrouwen. Als door een wonder viel nogtans de verdenking niet op hem; en dit niettegenstaande hij, bij zekere gelegenheid te Amsterdam zijnde, zich aldaar openlijk tegen een' beambte van de politie wat al te vrij ontboezemd had, ten gevolge waarvan hij met eene opsluiting op de prefectuur gedurende een' dag gestraft werd, en des avonds niet dan met veel moeite zijn ontslag erlangde.’ (Konst- en Letterbode 1841, I. 101.)
Aan den Koning in deze dagen. Door... de Haan, Luth. Koster te Utrecht.] Utr. J.H. Siddré 1853. (16
Gevolgd door: Ontboezeming uit Utrecht, bij 's Konings vertrek uit Amsterdam, door den schrijver van het (genoemde) dichtstukje. Ald. 1853.
Dit is de inleiding voor eene menigte van stukjes van J. le Francq van Berkhey, die later alle zijn opgenomen in zijne Verzameling van Leydsche keur en hekeldichten; het eerste met deze inleiding verschenen stukje is de Oliekoekduivel. Volgens Bilderdijk, die in mijn ex. bij al deze stukjes aanteekende, wie de bedoelde personen zijn, waren de op het prentje staande personen Fr Bernard en Frans de Does, terwijl de in het slotversje bedoelde persoon Wormer heette. (Zie ook het Register achter in de Verzameling op no. 25, waar echter laatstgenoemde persoon onjuist van der Worm heet.)
De Klappermansduivel. Volgens het Register no. 26 was deze persoon vroeger een goed vriend van den autheur.
Monsieur den Ikker, volgens Bild. Jan Luzac. Elders vond ik Fr Adr. van der Kemp genoemd.
De Blokke zaager = Blok.
Op de puntdichten van Petrouius Spurius arbiter. Deze parodie verscheen op de vuilaardige puntdichten van van Santen in het Latijn, en de vertaling er van door Pieter van Schelle. Pollius is J.D.v. der Capellen tot den Pol, Petronius Spurius (volgens Bild.) P. van Schelle en L. van Santen; bij Numellus schreef Bild. Blok en v.d. Marck. Campanulus = van Schelle; Critus (volgens 't Register) wijlen P. Burman Secundus; de Agrippijner = Vondel.
De Hoornekruiper = Mr. C.P. Chastelein. (Bild. en Register.)
De Stomme en de blinde. Bij het prentje door Bild. geschreven: van Beurden. In het 2e vers 2en regel zinspeling op van Schelle en op bl. 2 reg. 3 op Romswinkel.
Joosje met de Rommelpot ziet op Joost Romswinkel, vroedschap te Leiden. (Bild.)
De Roje haan = van Roijen; r. 3. ‘Zijn oude bestevaer’ = Prof. v. Roijen; bl. 6. r. 4. ‘Amsterdams Garnalemarkt’ = societeit der vrijcorpisten; r. 14 ‘Zwarte Midas’ = Cs. van Hogeveen Jr.
De nieuwe politieke weegschaal: parodie op een gedicht van Vondel.
De nieuwe maaneschijn.
Fabel van de snoek en de baars. Zinspeelt op Snoek, schepen te Leiden; bl. 4, r. 1 ‘de Waterslang’ = van Staveren; r. 3 ‘een dikke pad’ = Jan Luzac; r. 4 ‘een Ciepier’ = Blok; bl. II r. 12 ‘de Post’ = de Post v.d. Nederrijn. (Bild.)
Fabel van Abdisse Campersteur; men wil dat deze fabel doelt op zekere trotsche dame te Rijnsburg, die daar de Comotie der Vrijburgers heeft aangeblazen. (Reg. No. 38.)
Het raadhuis.
Joost van Vondels Bede aan de oppervijanden.
Het omgekeerde slot van oud Stavoren. Op den pensionaris van Staveren te Leiden (Bild.)
Aan het volk van Nederland. (Gedagt.) Ostende, den 3 Sept. 1781. (23
Niettegenstaande de hooge belooning (1000 gouden rijders), uitgeloofd aan den ontdekker en aanbrenger van schrijver of drukker, is, voor zoover mij bekend is, de officieele waarheid niet aan het licht gekomen. Waarschijnlijk was Fr. Adr van der Kemp de schrijver, ofschoon ook Wijbo Fijnje en anderen er voor werden gehouden. Volgens het pamflet: De vuile gewinzoekers ten toon gesteld.... Blijspel in 3 bedrijven. z. pl. 1782, bl. 49, was de uitgever Koos Horrel, boekdrukker te Rotterdam, en zoude deze het burgerregt van Ostende gekocht hebben, om zich bij ontdekking derwaarts uit de voeten te kunnen maken. Zekere Lion was de voornaamste verspreider. (Zie ald. bl. 108.) De groote beroering. die het boekje verwekte, laat zich opmaken uit gelijktijdige geschriften, die er vol van zijn, en uit de omstandigheid, dat men tot 5 dukaten besteedde, om een exemplaar magtig te worden. In 1795 verscheen te Amsterdam een herdruk. Bij het doorsnuffelen der nagelaten papieren van J.D. Baron van der Capellen tot den Pol heeft het mijne aandacht getrokken, dat daaronder zich 3 exemplaren
(waarvan 2 onopengesneden) van dit geschrift bevonden. Zijne vriendschap met v.d. Kemp maakt dit minder bevreemdend, maar zoude bok v.d.C. aandeel aan het schrijven er van hebben gehad?
Aan Hunne Edel Mogende, betreffende het fameus liebel Pro Veritate, Pace, Libertate et Justitia. [1782.] (25
Volgens aanteekening op mijn ex. was Nic. Hoefnagel de schrijver. Met de geschriften van dezen pamfletschrijver moet Schuurman te Amsterdam veel geld verdiend hebben, volgens bl. 51 van: De vuile gewinzoekers tentoongesteld.
Aan mijne Zaanlandsche medekiezers. (29
In de Haarlemsche Courant van 26 Mei 1869 las men de volgende advertentie:
Zaanlandsche Medekiezers!
Heden werd mij een ongeteekende brochure toegezonden, getiteld: ‘Aan mijne Zaanlandsche Medekiezers’. Aan de Zaan ken ik niemand, die zulke taal zou schrijven en het niet zou durven ouderteekenen. Deze brochure is geschreven met het kennelijk doel om eene candidatuur van den Heer [Mr. A.S] van Nierop te bevorderen, en zoo niet door hem geschreven, dan toch door hem geïnspireerd, en blijkbaar hebben we hier weder met eene der vele kiesmanoeuvres vau den Heer van Nierop te doen, die we zoo dikwijls in de gelegenheid
waren waar te nemen, doch die alleen geschikt zijn, de tegenpartij de zege te doen behalen. Welke valsche berekeningen er ook op bl. 14 mogen worden gegeven, en wat ook op bl. 15 moge worden beweerd, eene candidatuur van den Heer van Nierop zal een ultra-conservatief lid in de Kamer brengen, nu zoo goed als vroeger. Maar er is meer. Nam de Heer van Nierop eene candidatuur van conservatieve zijde aan, waarop in de brochure (bl. 15) gewezen schijnt te worden, dan kan noch een eerlijk liberaal, noch een eerlijk conservatief hem stemmen, en komt hij toch niet in de Kamer. Gelukt het hem, verdeeldheid onder de liberalen te zaaien, waaraan hij onder de hand bezig is, dan kan hij het toch onmogelijk zoo ver brengen, dat hij gekozen wordt. Met van Nierop is dus geen succes te behalen. Koog a/d. Zaan, 23 Mei 1869.
Jacob Duijvis.’
Aanhangsel op de Kerkelijke Oudheden van Nederland [H.F. van Heussen en H. van Rijn]; behelsende van Ryns Algemeene Voorrede op dat werk, eenige verbeterde en vermeerderde lysten der Proosten en Dekenen, so van de vyf kerken van Utrecht, als van West-Vriesland, gelyk ook een Brief aan den Heer Hoyinck van Papendrecht, Aartspriester van Mechelen. [Door Arn. Drakenborch.] Utrecht, Hermannus Besseling. 1744. (34
Bodel Nijenhuis, no. 2309.
Aanhangsel van de Vrijmoedige bedenkingen over de vrijheid. Strekkende tot een vervolg van de Vrijheid in den burgerstaat. [Van L.F. de Beaufort.] Dienende tot antwoord van het Jagtpraatje ... [van Wybrand van Itsema] alsmede een beantwoording van de Verhandeling van landerijen .. [van denz.] Amst. 1739. (35
Denkelijk van denzelfden schrijver [Mr. C. van Bijnkershoek] als de ‘Vrijmoed. Bedenkingen.’
Aanleiding tot de uiterlijke welsprekendheid, op den kansel, voor de balie, in 't bijzonder leven, doch voornamelijk op het tooneel. [Door J. Ploos van Amstel.] Amsterdam, Isaak Duim. 1766. (37
Herdrukt ald. 1796, met opdragt aan J. Witsen, door den schrijver onderteekend.
Aanleydinge, om klaar te konnen uytvinden wanneer men in de H. Schriftuur van Duyvel, Satan, Boose Geest, etc. in ons Nederduyts leest; hoe het selve te verstaan zy. Waar achter volgt een korte verklaring over Matth. 8:28-32. Daar verhaald word, hoe onsen Saligmaker in 't land der Gergazenen, twee van den Duyvel bezetene, die uyt de Graven quamen, ontmoetteden, en wat deselve wedervaren zyn. [Door H. Bouman.] t'Amsterdam, by Andries van Damme, boekverkoper op 't Rokin, besyden de Beurs 1698. 4o. (38
Een 2e druk verscheen t'Amsterdam, by Robert Blokland 1700. 4o. Zie Leeskabinet 1871, bl. 168; v.d. Linde, B. Bekker no. 81.
Nodige aanmerking over het sterf-bedde van Balthasar Bekker. Vertonende de openbare valsheyt van dat sijn gevoelen, dat hy op syn dood-bedde segt hem voor paart en wagen verstrekt te hebben om hem te voeren na den hemel. [Door Jac. Schuts.] In 's Gravenhage, by Pieter van Tol, boekverkooper in het Achterom, tegen over het Gortstraatje, 1693. 4o. (40
V.d. Linde, B. Bekker, no. 206.
Aanmerkingen op de gedenkschriften wegens het vierde eeuwgetijde van de uitvinding der boekdrukkunst. [Door Mr. Gerrit van Lennep.] 's Gravenhage, 1824. 44
Aan Baron [lees W.H.J.] van Westreenen van Tielandt toegeschreven door v.d. Linde, Bibliogr. v. Haarlem, no. 336.
Geschiedkundige aanmerkingen op de Geschiedkundige gedenkstukken en aanmerkingen over het bestuur van Holland, door Lodewijk Bonaparte, gewezen Koning van Holland, het kerkelijke, godsdienstige, en zedelijke derzelve, in 't byzonder, betreffende. [Door Hendrik Gallois, Pred. te Vriezenveen.] Te Deventer, bij A.J. van den Sigtenhorst, 1820.
Navorscher 1864, bl. 118. (45
Vrijmoedige aanmerkingen op de recensie van het regtsgeleerd advys van den Ridder Chauveau Lagarde in de zaak van den Heer Menu, in de Boekbeoordeeling der Vaderlandsche Letteroefeningen voor Junij 1822 No. VII. [Door Mr. W.J.C. van Hasselt.] Amsterdam, bij J.C. van Kesteren. 1822. (47
Levensber. v. Letterkunde, 1864, bl. 174, 193.
Aanmerkingen op de (zoo genoemde) Wederlegging van het Advys in de zaak van den Heer J.H. van der Wyck, tot Stoevelaar, door Mr. P. Bondam, en Mr. M. Tydeman. [Door Mr. M. Tydeman.] Te Utrecht, by A. van Paddenburg, Akademie-drukker. 1787. 4o. (49
Volgens aanteekening van Prof. H.W. Tydeman.
Yssel. [Door Mr. Martinus van Doorninck, Burgemeester te Deventer.] Te Deventer, bij J. de. Lange. 1828. (52
Vrijmoedige dog zedige aanmerkingen op het Vertoog van den heere J.D. Baron van der Capellen over de onwettigheid der Drostendiensten in Overyssel, met de gevolgen van hetzelve, benevens eene zeer merkwaardige bylage. Zijn te bekomen te Arnhem by Moeleman ... z. jr. [1779?] (56
Mogelijk door Fr. Adr. van der Kemp, daar het voorkomt in de ‘Stukken ov. de Drostendiensten in Overijssel, meest uitgeg. en bijeenverzameld door Fr. Ad. v.d. Kemp Leyd. 1785.’
Cat. H.A. Schultens, bl. 177. Ook vermeld in J. Kantelaar's lofrede op H.A.S. bl. 90.
Aanmerkingen over de zoogenaamde Antidotael-memorie, tot nadere verdediging van de goede zaak der Hollandsche kooplieden. [Door J. Wagenaar.] Gedrukt te Amsterdam by Isaak Tirion, 1758. fol. (61
Op de keerzijde van den titel wordt berigt, dat die Aanmerkingen gesehreven zijn door den schrijver der Memorie betr. de prijzen... enz.
dienst. [Door A. Benthem.] Leeuwarden, 1792-1793. 3 stn. T. (66
Er schijnt eene uitg. Amst. 1775 te bestaan; in dat jaar verscheen er ook een Aanhangsel op de Annmerkingen.
Aanteekeningen op de Gereformeerde Land-rechten ende gewoonten van het ryk van Nymegen, van de Ampten van Tusschen Maas ende Whaal, Over- ende Neder-Betuwen, mitsgaders van de Heerlykheden ende Gerichten daar onder resorterende. [Door Mr. J.J. van Hasselt.] Eerste (tot derde) stuk. Te Nymegen, gedrukt by Isaac van Campen, boekdrukker en boekverkooper naast het Stadhuis, 1777-1781. 3 dln. (78
Cat. J.W. te Water, p. 315.
vervolgt tot daar gemelde stad weder onder de gehoorzaamheid der Staten van Holland en den Prins van Oranje is gekomen. Te Haarlem, bij Joh. Marshoorn, en Petrus van Assendelft, 1739. (81
Omgewerkte herdruk (met vervolg en aanteekeningen) van het Cort en waarachtig verhaal van alle aanslagen, enz. [van N. van Rooswyck]; daar dit werkje eehter slechts tot 26 Maart 1573 loopt, moet het verdere van elders (mogelijk uit Sterlincx's dagverhaal) ontleend zijn. Zie de Wind, bl. 185.
Aanwysing der heilsame politike gronden en maximen van de Republike van Holland en Westvriesland. [Door P. de la Court.] Leyden en Rott. 1669. 4o. - 1671. 8o. (83
Met privilegie der Staten van Holl. en WFr. van 10 Dec. 1668, onderteekend door den Raadp. de Witt. Op 18 mei 1669 werd het privilegie ingetrokken en het boekje verhoden op straffe van f 600. Zie hierover het acad. proefschrift van Prof. O. van Rees. Utr. 1851.
De Aanwysing was een verbeterde herdruk van 't Interest van Holland. (1662.)
Vaderlandsch A.B.boek voor de Nederlandsche jeugd. [Door Prof. J.H. Swildens.] Amst. 1781. (86
Gevolgd door: Verslag wegens den oorsprong en de staatkundige oogmerken van het Vaderl. A.B.boek. (Niet in den handel.) en door: Politiek belangboek voor dit provisioneel tijdperk. Gewigtig thans, gedenkwaardig hierna.
Door den schrijver van 't Vaderl. A.B.boek. Amst. 1795.
illustre bediening. [Door D. Jemans.] Gedr. in 't Vergaarhuis der spreekannen. Z. pl. en jr. [1735?] (95
Cat. v. Letterkunde, I. b. 120.
Acte van verbintenis. Z. pl. en jr. [1787.] (97
Dit is de eenige titel van een 12 blz. groot geschrift, waarin wordt openbaar gemaakt een ‘Plan hetwelk besloten is in de Vergadering van vaderl. regenten, om te dienen tot een rigtsnoer voor allen die geenen, welke de Acte van Verbintenis getekend hebben.’ De uitgave werd bezorgd door Mr. H. Tollius, in wiens ‘Staatkundige geschriften’ ('s Grav. 1816) het opgenomen is.
Adres aan het Staatsbewind bij gelegenheid van de deliberatien over de publicatie van den 26 Febr. 1802. Haarlem, 1803. (110
‘Op grond van sommige uitdrukkingen in de autobiographie van Mr. M.C. van Hall, houd ik het er voor, dat hij de steller hiervan is.’ (Th. Jorissen.)
Adres aan Zijne Maj. den Koning, ingezonden door Jhr. M. Salvador ... betreffende zijne veroordeeling en die van den heer S. Fongers door het provinciaal geregtshof in N. Holland .... [Gesteld door Mr. L.G. Jansma van der Ploeg.] 's Grav. 1856. (112
V.d. Linde, Bibliogr. v. Haarlem, no. 168.
Adres van de Gildens der stad Zwolle, aan de Nationale Vergadering representerende het Volk van Nederland tegen de vernietiging der Gildens. [Geconcipieerd door den Procureur Salomon van Deventer.] Te Zwolle, bij Martinus Tijl en Zoon, boekverkopers. [25 Jan. 1797.] (115
Blijkens aanteekening op zijn eigen exempl.
het vougd ten lest. Bly-eind' spel. [Door W. van Hengelenburgh.] Leyden, 1689. (117
V.d. Marck 1427.
Advertissement aen alle goede inwoonderen en liefhebbers van dese Nederlanden. Omme van een yeder gelesen, en in het binnenste van syn herte ghedruckt te worden. 1618. 4o. (119
In denzelfden geest geschreven, van denzelfden druk en met gelijke titelfileet als de ‘Provision. openinghe’, het ‘Nootw. en levendigh discours’ en andere geschriften van Fr. Aerssens en dus denkelijk ook van zijne hand. Bibl. v. Pamfl. 1470.
Advertissement ofte waerschouwingh, over het oordeel, uytspraeck ende den eedt van 't Synodus Nationael der ghenaemde ghereform. Kercken van Vranckrijck, gheh. tot Alez ... nop. de 5 artyckelen der Remonstr. in Nederlandt. [Gesteld door Joh. Uytenbogaert, doch grootendeels overgenomen uit het Fransch van Tilenus.] Amst. 1621. 4o. (120
Brandt, IV. 391.
De advokaat en boezemvriend van Js. le Francq van Berkhey verdedigende De Zeetriumph der Bat. vryheid.... [Door le Fr. v. Berkhey zelven.] In Holland [Leid. by Fr. de Does.] 1783. (124
Blijkens eene door hem zelven geschreven lijst zijner geschristen, welke in mijn bezit is.
de censure van de Kerkenraed daer op gevolgt. Z. pl. en jr. (1689) 4o. (131
Achter het tot titel dienende opschrift vond ik in een ex. den naam de Bas geschreven, en onder het ‘Versoek aan den Leser’ op bl. 5: ‘wort gesegt door den advoc. Muys van Holy’ (verder afgesneden.) Aan het einde na het ‘Aldus geadviseert’: ‘segge Dr. Anslaer.’
eerw. heer P.S. van Eupen.., Antwerpen met hunne tegenwoordigheid vereerende.... [Door F. van Cannart d'Hamale.] Antw. 1790. (139
Bibl. d'Anvers, III. p. 145.
Aenhanghsel van der kercken dienaren Remonstranten naerder bericht, vervattende klaer bewijs, dat d'artikelen by hun verworpen, niet en zyn ter quader trouwen voorghedragen. [Door Joh. Uytenbogaert.] 1612. 4o. (142
Rogge, Bibl. der klemonstr. bl. 9. Ten onregte door sommigen aan Petrus Cupus toegeschreven. Er is nog eene uitgave: Rott. z. jr. en eene andere: Rott. 1612.
Aenhechtsel aen 't boecxken of tsamenspreekinghe, over het Regirens Plackaet van Groninghen, aldaer ghekondicht den 7 September, ouden stijl. 1601. ..... Vervatet in een tsamensprekinghe van drie persoonen, als boeck-verkooper, partydich gereformeerde, ende een Jesuwyt. [Door Caspar Coolhaes.] Ghedruckt int jaer ons Heeren, 1602. 4o. (143
Blijkens een versje aan het slot, waarin de hoofdletters den naam Casparvs Coolhaes van Collen vormen.
Naerder onzijdige aenmerkingen of vervolg van staetkundige onderrigtingen voor het volk van Brabant. [Door G. Vonck Advokaat.] Ryssel, 1792. (150
Voorafgegaan door ‘Onzydige aenmerkingen’ in 1791, die den naam des schrijvers droegen, en gevolgd door ‘Vervolg van staetkundige onderrigtingen voor het volk v. Brabant’, dic weder naamloos verschenen. Cat. v. Hulthem 27123 e.v.; Mertens Bibl. d'Anvers III. 130.
Aenmerkingen op de Consideratien, en redenen, met dewelcke het recht der steden Deventer, Campen, Swol, geimpugneert wort. [Door Henr. Brumanus.] Gedruckt tot Swolle hy Geraert Tydeman, boekdrukker aen de Grote Markt. 1677. 4o. (151
Dumbar, Analecta II, in Dedic.; Tegenw. Staat v. Overijssel, III. 142.
Byzondere aenmerkingen over het aenleggen van pragtige en gemeene landhuizen, lusthoven,...... het snoeien van boomen, het aanleggen van trekkassen, het kweeken van vreemde gewassen en bloemen, enz. [Door Pieter de la Court van der Voort.] Leyden, 1737. - 2e druk. Amst. 1763. - 3e druk. Ald. 1766. 4o. (153
Aenspraeck aende goede borghers en inwoonders der stadt Leyden, over de bedroefde vernieuwinghe vande onchristelycke verdruckinghe eeniger onnosele vrome Remonstr. gesinde Leeraars.... [Door Paschier de Fijne.] 1640. 4o. (154
Opgenomen in zijne Verzameling van Tractaaten.
kostelooze school .... [Gedicht door François Riens.] 6 Sept. 1840. Gent. fol. (158
Vanderhaeghen V. 434.
Aesopus defensor sig erbarmende over de diepe sugten van den klagenden veenboer. [Door J. Uytenhagen de Mist.] In 's Graven-hage, by Jan Speckhals. Anno 1662. (167
Blijkens de voorrede der Apologie v.d. oudienst der Stadh. Regeringe .... door Aesopum Stomachatum, van denzelfden schrijver.
Baudaert van Deinse.] Amst. 1616. 4o. (172
Komt ook voor onder den titel: De Nassansche oorloghen beschr. door W. Baudartium van Deinse. Zie Rogge, Contraremonstr. geschr. bl. 24.
Afbeeldinghe van d'eerste eeuwe der Societeyt Jesu voor ooghen gestelt door de Duyts-Nederlantsche provincie derselver societeyt. [Proza van J. de Tollenaere, G. Henschenius en J. Bollandus; gedichten van Sidronius Hosschius; uit het latijn vertaald en uitgeg. door Adr. Poirters.] Antwerpen, 1640. 4o. (173
Vertaling der Imago primi saeculi soc. Jesu, in hetzelfde jaar verschenen. - Placcius 1957, Navorscher XVII. 499.
Een affsonderinge of onderscheit tusschen die vroeme ende onvrome, hemmelsche ende eerdische tonderkennen wie de getruwe oprechte Christi oder niet en syn. [Door David Joris.] 1544. (175
Bibliophile Belge 1866, p. 144; v.d. Linde no. 26 en Kist en Royaards XVIII. 411 hebben 1546.
Nederlandsch Afrika, of historisch en staatkundig tafereel van den oorspr. staat der volkplanting van de Kaap de Goede Hoop, vergel. met den tegenw. staat dier volkplanting. Uit het Fransch. [Door B.J. Artoys.] In Holland. [Leiden] 1783. (179
Het oorspronkelijk werk l'Afrique Hollandaise was van François Bernard. Deze noemt het onder zijne geschriften op bl. 88 van De Batavier.
gheoordeelt wort. Gedruckt int Jaer 1624. 4o. (186
In de Gedenkschriften van Jr. Alex. van der Capellen... uitgeg. door Jhr. R.J. v.d. Capellen (Utr. 1777) wordt onder de landdags-recessen aangaande dit boekje het volgende gevonden (bl. 262.) ‘Komen brieven van de Staten Generael aen 't Hof om zich t'informeeren over den Autheur van 't diffamatoire boexken, tegens publicque persoonen uytgegeven, onder titul van “Velusche Alarm”, daer toe te lichter te geraken sal syn, omdat omtrent deselve tyt uytgekomen is een ander boexken van W. Baudartio onder tit. van “Veluwes Vastel avond spel”, gynde met eene letter, als 't voorighe gedruckt, ende tegens den Autheur nae de Placcaten procedeeren enz.’ Voorts (bl. 253): ‘Een pasquil, onder den titul van “Velonsche alarm”, wort gedrukt, ende uytgegeven, tegens de H. van Marquette ende sonderlinghe Henrick van Essen Raetsheer; tot Deventer, nae 't schynt, gedruckt. Myn opinie is, dat het Henrick van Eck gemaekt heeft. Noch is een ander verhael uytgekomen, onder titul van “Velaus Vastelavont Spel”, geschreven by W. Baudartio.’
Christelijk album. Woorden van stichting in onze huiskamer. Haarlem, A.C. Kruseman 1846-1883. (187
Hetgeen R. Bennink Janssonius naamloos in de eerste jaargangen schreef, wordt opgegeven in Letterkunde, Levensber. 1873, bl. 212, namelijk:
Een avond van den predikant in zijne dorpskerk.
Troost bij kindergraven.
Eene kerkelijke huwelijks-inzegening in een dorp.
Een bezoek op het dorpskerkhof.
Het afscheid van den predikant.
Een viertal v.d. oudste gezangen in 't Ev. Gezangboek.
Den grooten St. Truydenschen almanach, dienende voor het jaer 1793, ofte de beschryvinge der 22 steden van het land van Luyck ... Tot St. Truyden, by J.R. Smits. 12o. - Hasselt, N. van Gulpen. 12o. (192
Is de Beschryvinge der steden v.h. land van Luyck (zie beneden), met voorgevoegden almanak.
De Alrik en Aspasia van Mr. Rhynvis Feith.... Nieuwe uitgave, eenigzins duidelijker van zin dan de eerste: kunnende ook dienen ten gebruike van zekere vaderl. winkels te Amsterdam. Tweede druk aanmerkelijk vermeerderd en op muzijk gesteld door den beroemden Bonaventura Melorauschi. Amst. z. jr. [1787]. (203
Parodie van Mr. J. Kinker. Zie Bijdragen tot zijn leven door Mr. M.C. van Hall, bl. 35; Het Leeskabinet 1862, No. 5.
Amsterdam in zijne opkomst, aanwas en geschiedenissen. Door J. Wagenaar. [Vervolgd mogelijk door Simon Stijl.] Amst. 1760-67. 3 dln. fol. of 13 dln. 8o. Vervolg. 1788-94. 1 d. fol. of dl. 14-23. 8o. (210
Volgens anderen echter door een Amsterdammer. Zie ook Navorscher XVII. 272.
Amsterdams dam-praetje van wat outs en wat nieuws. En wat vreemts. Amsterdam, 1649. 4o. - Amsterdams tafel-praetje, van wat goets en wat quaets, en wat noodichs. Gouda, 1649. 4o. - Amsterdams vuurpraetje, van 't een ende 't ander datter nu om gaet. Amsterdam, 1649. 4o. (212
T. Asher, Bibliogr. essay, p. 200 meent, dat men deze 3 geschriften ten onregte aan Cornelis Melijn, Hollandsch koopman in Brazilië, toeschrijft.
Amsterdams eer ende opkomen door de gedenckwaerdige mirakelen aldaer geschiedt aen ende door het H. Sacrament des altaers anno 1345. [Door L. Marius] Loven, 1638. 12o. (213
Foppens II. 817, 818. De uitgave Antv. 1639. 12o. heeft Amstelredams eer .... enz. en achter het jaartal: Door Boetius à Bolswert, die daarom dikwijls voor den schrijver is aangezien. Hij was echter alleen de graveur der fraaije platen. (Zie v. Lennep, Vondel, IV. 439.) Herhaaldelijk herdrukt: nog in 1760. J. Gerbrandsz van Leyden vond ik elders als den schrijver genoemd.
Andria; de eerste Comedie van de sesse, de welcke P. Terentius Afer, die vermaerde ende gheleerde Poëet, int Latine bescreven heeft, nv eerst in onser duytscher talen rethorikelyck ouer ghestelt, seer plaisant om lesen. Thantwerpen, Symon Cock. 1555. (216
Dat C. van Ghistele de naamlooze vertaler hiervan was, bleek eerst uit den Eunuchus, de tweede Comedie .... enz. in hetzelfde jaar verschenen, waarin op bl. xij een 8regelig acrostichon op zijn naam te vinden is.
de in wanhoop en zoo ongelukkig door de schrik van een Advertentie van den 17den December des voorigen jaars .... gesneuvelde .... Ouderwetse Nederlandsche Patriot .... In plano. (221
Dat dit uitvaart-briefje door Nic. Hoefnagel gesteld was, is hoogstwaarschijnlijk. Vgl. Mr. Santijn Kluit in Nijhoff's Bijdr. N.R. IX. 253.
Antidote of teghen-gift teghen de Missive der Leeraren ende Professoren eenigher Kercken ende schoolen in Zwitserlandt .... mitsg. teghen de annotatien op de selve Missive .... 1631. 4o. (222
Het eerste gedeelte is eene vertaling uit het Fransch (van Dan. Tilenus door Joh. Uytenbogaert.) De Aanmerkingen op de annotatien zijn van Uytenbogaert, volgens Cattenburgh, p. 158.
Antidotum ende naerder openinghe van het eyghene ghevoelen des Nation. Synodus gheh. binnen Dordr. [Door Sim. Episcopius.] .... Z. pl. [Amst.] 1619. 4o. (223
Naderhaad door den schrijver zelven in het Latijn vertaald en uitgegeven in zijne Opera theologica. Rott. 1665. 2e dl. 2e st.
Antiquitates Belgicae of Nederlandsche oudheden. Zynde d'eerste opkomst van Holland, Zeeland, 't Sticht Utrecht, Overyssel, Vriesland, Braband, enz. Beneffens dier landaarts oorsprongk, voortgang, eerste christendom en wonderlyke geschichten .... Met konstprinten verciert. Amst. 1700. Brussel, 1701. - Antw. 1715. - 5e druk. Brussel, 1756. (226
Door J. van Royen, met aanteekeningen van M. Harwich, R. van Love e.a., bewerkt naar [R. Verstegen] Nederlandsche antiquiteiten. Antw. 1613. (Cat. der Amst. Bibl. VI. 842.)
Antiquitates Germanicae of Hoogduitsche oudtheden, waarin de gelegentheit en zeeden der Germaanen, beschreven door Tacitus, naaukeurig verklaart, en met printverbeeldingen opgeheldert worden. [Door Gerrit Bos.] Amst. 1756. (227
Mertens, Cat der Antw. Bibl. no. 7705.
Wonderlyke antiquiteyten gevonden im jaare 1647, boyten de stadt Domburgh in Seeland. [Door Cornelis Beuckelaer, Pred. te Veere.] Middelburg, 1647. (229
Placcius no. 1953 zegt, dat dit op het exempl. van den Nymeegschen oudheidkenner de Smeth geschreven was, die het in 1691 uit den mond des schrijvers vernomen had.
Antwoord op de aanmerkingen van den Heer V. [Veltwijk] op eene verhandeling betreffende de kolonie Suriname, voorkomende in het VIIe deel der Bijdragen tot de huishouding van staat.... [Door Adam Cameron.] 's Gravenhage, bij W.K. Mandemaker. 1824. (233
Teenstra, de Negerslaven, bl. 333.
Antwoord op de Proeve van Abrahamus Heydanus tegen de onderwijsinge in de Christelycke religie na de belijdenisse der Remonstranten. Gesteld door S. Episcopius Rotterdam, Gedrukt bij Joh. Naeranus 163? - Ald. 1645. (234
Met eene voorrede van den uitgever [Joh. Naeranus?] die zijn naam verzwijgt. Zie v.d. Aa, Biogr. Wb. i.v. Naeranus (Joh.) en Naeranus (Sam.)
Antwoord op de vraag door het Zeeuwsch genootschap der wetenschappen voorgesteld betreffende de Dea Burorina in een latijnsch opschrift op een ouden steen te Domburg gevonden. Door .... [J.W. te Water.] Z. pl. en jr. [Middelburg, 1807.] (235
In Nieuwe verhand. v.h. Zeeuwsch gen. I. 255. Zie zijne eigen-levensbeschr. bl. 395.
Antwoord van Zyne Helsche Majesteit, Beëlzebub, op de Britsche Memorie; aan hem overgeleverd in het vijf duizend zeven honderd een en dertigste jaar van zyn ryk, zynde het zevende der Britsche verwoesting. 1782. (241
Elis. Wolff geb. Bekker was waarschijnlijk de schrijfster.
Antwoorde der dienaren des woordts .... der kercken van Hollandt .... aen .... de Staten desselven landts, op de Remonstrantie by de overicheyt van Leyden .... [Waarschynlijk door Arn. Cornelisz Crusius, Pred. te Delft.] Tot Delft, by Aelb. Henricxz. 1582. 4o. (242
Antwoorde op dry vraghen, dienende tot advys in de huydendaechsche swaricheden. [Waarschijnlijk door Fabr. de la Bassecourt.] Ghetrouwelyck uyt de Franc. in onse Ned. tale overgezet. [Door Jac. Trigland.] Z. pl. [Amst.] 1615. 4o. (243
Rogge, Contraremonstr. geschr. bl. 38, 220.
Antwoorde op eenige vraghen aeng. verscheyden leerstucken, die nu ter tyt tusschen de Arminianen en die van de Gereform. Kercke in gheschil zyn. Met een overweginghe [denkelijk van C. Langerack] derselver antwoorde. 1632. 4o. (244
Zie Bibl. v. Pamfl. 2479; Rogge, Remonstr. geschr. bl. 165.
toestand van Drenthe .... [Door P.J. Ameshoff.] Amst. 1819. (247
Bodel Nijenhuis 3360.
Kort antwoordt op de Benthomsche ende Steenfortsche getuychnissen de welcke D. Vorstius in zynen Voorlooper tot wederlegginge syner teghengetuygen attestatien heeft uytgegeven .... [Door den Rector Jod. Hoeïngius.] Harderwyck, Thomas Hendriczoon. 1612. 4o. (249
Rogge, Geschr. betr. de geschr. der Remonstr. bl. 9 en 10.
Antwoordt op de malitieuse calumnien der Contra-Remonstranten...Daermede sy, oorsake nemende .... uyt de schandelycke afval Petri Bertii, de Remonstr predicanten valschelyck beschuldighen dat sy Papisten syn .... [Door Ed. Poppius.] 1620. 4o. (251
Brandt IV. 307.
vattende eene clare ende grondighe wederlegginghe van 't selve .... [Door Carolus Niellius en uit het Fransch vertaald door Joh. Uytenbogaert.] 's Grav. 1617-1618, 2 dln. 4o. (254
Cattenburgh p. 145.
Antwoort op die XV waerdige en gewichtige aenmerckingen, voorgestelt door John Higgins, aen Galenus Abrahamsz ende Adam Boreel den 24 Aug. 1660 ... [Door Petrus Serarius.] Z. pl. en jr. [1660.] 4o. (256
Volgens W. Ames in zijn tegenschrift: Het Ligt, dat in de duisternis schijnt. Zie Meulman no. 9235, 9236.
Antwoort-liedt op eens Wederdoopers Lasterliet, in drucke wtgegaen sonder name des autheurs, 't welcke ooc hierachter ghedruct is ... Tot Rotterdam, By Jan van Waesberghe. An. 1589. - Ald. 1591. - Ald. 1593. - Ald. 1595. (258
Verscheidene latere uitgaven verschenen (zie Ledeboer, Het geslacht v. Waesberghe, 2e druk, bl. 60), alle hij denzelfden uitgever. In de 4e uitgave maakte zich Pieter de Bisschop in een Appendix als de schrijver bekend; hij zegt in de voorrede: ‘Als ic dese Antwoort-liedekens voor d'aller eerste reyse hadde doen Drucken, zoo verstond ic dat zeker Tegheusprekers haren spot daer niede dreven, als of ic dezelve niet zonde hebben konnen verkoopen, dan tot maculature om peper-huyskens daer af te maken, derhalven ben ic ghedrongen 'tghetal te stellen datter nu met desen vierden druc tsamen, in drucke sullen wesen, Namelijc ruyme acht duysent’, enz.
Apollo's marsdrager, veylende allerhande scherpzinnige en vermakelijke snel, punt, schimp en mengeldichten. Op Parnas, bij Valerius Maximus en Junius Juvenalis. In Compagnie. Z. jr. (263
Dit eerste deeltje, dat op mijn ex. een 97e druk heet te zijn, heeft een voorrede get. J.; in het tweede, dat een 40e druk heet te zijn, noemt de schrijver zich J.K. Rotterd'r; het verscheen op Parnas, bij Valerius Martialis en D. Junius Juvenalis, in Compagnie 1731. Het 3e deel draagt den naam des schrijvers, G. Tysens, op den titel en verscheen te Amsterdam, by Hendrik Bosch, Boekverkooper, over 't Meisjes Weeshuis, 1728. Of er andere drukken zijn, weet ik niet. Cat. v. Letterkunde I. 311 heeft dezelfde uitgaven.
ken Gasparis Grevinchovii, Geusch Predicant tot Rotterdam. [Door Fr. Costerus.] Antwerpen, 1598. (265
De Backer, I. 222.
Apologia otte verantwoordinghe des Edicts, het welcke van een Eerb. Raet der stadt Groeningen tegen de Wederdooperen... gebubliceert is ... Wt bevel eens Eerb. Raets, nu nieuwlick ghestellet ... ende nae het Sassische exemplaer in Ned. tale ghedruckt. [Opgesteld door Joh. Acronius.] Groeningen, 1602. 4o. (266
Rogge, Bibl. v. Contraremonstr. geschr. bl.97.
Corte apologie ofte ontschuldinghe der Nederlantsche christenen tegen de valsche beschuldinghen haerder vyanden .... [In het fransch opgesteld door Petrus Dathenus en Petrus van Aelst.] Z. pl. en jr. [1570.] (268
Bibliophile Belge 1860, p. 29. Bibl. v. pamfl. no. 80 stelt ze op het jaar 1568.
Apologie ofte verantwoordinghe des doorluchtighen.... vorsts ende heeren, Heeren Wilhelms.... prince van Orangien .... Leyd. 1581. 4o. (269
Oorspronkelijk in het Franseh opgesteld, volgens Grotius door François de Villiers, volgens De la Mare door Hubert Languet. (Zie Cat. Lammens, II. 5171.) Wagenaar e.a. noemen den steller Pieter de Loisseleur Heer van Villers of Pierre Villers. In den Cat. G.v. Hasselt komt bl. 45 een ex. voor van den druk van 1580, die niet in den handel was. De Apologie is meermalen herdrukt, zooals: Leeuw. 1746 - Met aanteekeningen van G. van Hasselt. Arnhem, 1789. - Antwerpen, 1828.
bert.] Amst. z. jr. - Gouda, z. jr. - Middelburg, voor Karel de Vrye.... 1669. 4o. (271
Apologie voor hare Kon. Maj. van Groot-Brittanje, tegens een eer-roovend lasterschrift, genaemt Het ware afbeeldtsel van Willem Hendrik van Nassau, nieuwen Absalon, Herodes, Cromwel en Nero. [Toegeschr. aan Pierre Jurieu; uit het fransch vertaald.] Amsterdam, 1689. 4o. (273
Zie Barbier, no. 1114; nieuwe uitg. I. 254b.
A. Nijhoff.] Arnhem, 1820. - Ald. 1821. - Ald. 1825. (280
Ook later herdrukt.
Batavische Arcadia, waerin onder 't loofwerck van lief kooserytjes, gehandelt werdt van den oorspronck van 't oud Batavien .... [Door J. van Heemskerk.] Amst. 1637. - Ald. 1647. 12o. - Ald. 1657 (3e druk). - Ald. 1662. - Ald. 1678. - Ald. 1707. - Ald. 1729. - Ald. 1751. – 's Hage, 1756. - Ald. 1766. (281
De druk van 1662 was de eerste met naam van den schrijver. De le verscheen zonder de ‘Narede van den uytghever’ die in de 2e en volgende gevonden wordt. De letters C.v.B., waarmede zich de uitgever onderteekent, zullen waarschijnlijk Caspar van Baerle beteekenen. Zie Bodel Nijenhuis 954 en de daar aangehaalde werken.
Twijfel of de uitgave van 1637 wel de le was, ontstaat door de mededeeling in de ‘Nareden vau den tweeden uytgever‘ (1647), dat ‘dese inleydinghe tot het ontwerp van een Bat. Arc, al over meer dan twintig jaaren ontworpen’ was.
De Indische Archipel beschouwd in de zeden, wetenschappen, talen... enz. Uit het Engelsch van J. Crawfurd. [Door P. de Haan Pz.] Haarlem, Wed. A. Loosjes Pz. 1825. 3 dln. (282
‘Bij elk deel is door den vertaler eene voorrede gevoegd, om de eer der Holl. natie tegen den Eng. schrijver te verdedigen, benevens eene beoordeeling van het systeem der Indische regering in de noten ontwikkeld’. Zoo zegt de vertaler in Konst- en Letterbode, 1833, II. 179.
Amsterdamsche Argus, acht gevende op alle voorkomende zaken en gevallen; ten voornaamste gerigt om de wanstaltigheden der menschelijke bedrijven aan te wijzen, en hunne gebreken op enen vermaaklyken en luchtigen trant te hekelen. [Door Hermannus van der Burgt.] Te Amsterdam, by Johannes Ratelband, boek-
verkoper by 't Stadhuis, aan den Dam. 1718-1722. 5 dln. 4o. (284
Ten onregte aan J.C. Weijerman toegeschreven. Zie het art. van Mr. Sautijn Kluit in Nyhoff's Bijdragen, N. Reeks VII. 195. Het 3e en 4e deel verschenen bij Hendrik van Eyl, boekverkoper aan den Dam en het 5e bij Jacobus Wolffers in de St. Luciensteeg in Voetius en Cocseus.
De arke Noachs. Een weekblad gedeelterijk aan de letteren, maar voornamelijk aan de Nation. Schouwburg gewijd. Amst. 1799-1800. 54 nrs. (287
D.J. van Lennep was lid geworden van een Vrijdagsgezelschap, waartoe behoorden Jer. de Vries, A.R. Falck, R.H. Arntzenius en nog een paar minnaars der letterkunde. ‘Het was met die en eenige andere Amsterdamsche vrienden’ - zoo leest men in zijn Leven door J. van Lennep, 1e dl., bl. 161, 164 - ‘dat D.J. van Lennep een weekblad opriehtte, 't welk, op 't voorbeeld van den Spectator van Steele en dien van van Effen, de strekking moest hebben de heerschende gebreken te gispen, en zich nu en dan op letterkundig grondgebied te bewegen. Het kwam, onder den tytel van de Arke Noachs bij H. Gartman uit, en elk der medearbeiders had een pseudoniem, waarmede hij zijn opstellen taekende. D.J. van Lennep o.a. dien van Zwaneveder. Mocht de lezer oordeelen, dat die naam vrij blufferig klonk, en het aannemen daarvan weinig strookte met de zedigheid waardoor D.J.v.L. anders bekend was, ik haast mij hier bij te voegen, dat Falck, onder toejuiching der aanwezigen, zijn vriend aldus gedoopt had, gelijk mij zulks is gebleken uit een brief, door hem in do. 5 Sept. 1799 uit Brunswijck aan zijn vriend geschreven, en waarin hij hem zulks herinnert.
.... ‘De medewerking van Falck aan dit weekblad duurde echter niet dan een tijd lang; in Junij 1799 gepromoveerd en op den 2den Julij als Advokaat beëedigd, begaf hij zich reeds den 20sten dezer maand naar Hamburg, met het doel om eene lange reis te ondernemeu. Ook v. Lennep kreeg eerlang bezigheden, die zijn geheelen tijd vorderden. Bovendien was het genoegen, dat hij in de
eerste samenkomsten der Redaktie gevonden had, merkelijk verflauwd, nadat het personeel door het vertrek van Falck, die er de ziel van was, verminderd, maar daar-en-tegen vermeerderd was door de toevoeging van een paar leden, die, hoe verdienstelijk ook als dichters, noch die aangename vormen in den omgang, waar v. Lennep zoo hoogen prijs op stelde, noch die lieflijke vrucht der klassieke studiën, een echte humaniteit, hadden genoten, en die langzamerhand het blad door personeele aanvallen ontsierden. Hoe dit aan Falk smaakte, blijkt uit een brief door hem op 6 April 1800 uit Göttingen aan v. Lennep geschreven:
‘Uit eenige fragmentarische berigten (want officieel is niets aan mij gecommuniceerd, gelijk toch welgevoegelijk geweest was, en zonder eenige woorden van onzen Robbert (Arntzenius) zoude ik niets weten) merk ik op dat de omnis ratio nostrae navis immutata est.
Quis novus hic nostris successit sedibus hospes? Is het nn niet een ware A.(rke) geworden? Dog mijnentwege, daar ik niet meer tot de lasten contribueerde, konde men mij aanzien als aan mijn eigendom gerenonceerd hebbende, en doen wat meri wilde. Slechts één ding is er, waaromtrent ik wel eenige opheldering verlangd had, in hoe verre namelijk de afgegane Diakenen aan de nieuw aangenomenen zij bekend geworden, te meer, daar de praatzaligheid, die in de bijeenkomsten der. Frères heerscht, mij weinig staat doet maken op hunne delicatesse. Ik hoop dus dat eene formeele promesse, zoo al geen eed, de maatregelen van het vorige jaar en hunne bewerkers zal gedekt hebben tegen de perquisitiën der nieuw aangekomenen en den aanbevolenen een slot voor den mond gelegd. Doch daar ik nog weinig bekend ben met de statuten der Broederschap, zoo bid ik u mij te melden wat gedaan is, of gij voor U gezorgd hebt, en zo ja, ook voor mij? Zo neen, dan ben ik paratus omne periculum tecnm subire.’
‘Toen v. Lennep dezen brief ontfing, had hij reeds den aftocht geblazen; ofschoon de overblijvenden zulks hadden pogen te bewimpelen, door nog steeds den ouden pseudoniem Zwaneveder te plaatsen onder sommige in de Ark voorkomende vaerzen; met welke kunstgreep zij echter alleen onkundigen konden misleiden. Weldra onttrokken zich nu ook Arntzenius en de Vries aan de medewerking; de overgeblevenen poogden vergeefs aan het weekblad, nu onder den tytel van Sem, Cham en Japhet een nieuw leven te verschaffen; het kwijnde weg, en was binnen weinige maanden voor goed begraven.’
Volgens Jac. Scheltbma bestond de redactie uit ‘vijf heeren, die alle later een' grooten naam hebben verworven in de Staat- en Letterkundige wereld.’
‘Zij verlangden,’ - zoo meldt hij in zijn Gesch. en Lett. Meng. V. 3, bl. 50 - ‘een'
correspondent in den Haag te hebben, die met hun plan instemde, en ik zag mij daartoe door den uitgever genoodigd. De geestige en vrolijke stemming, gelijk ook de fatzoenlijke en bescheidene toon, welke in dit weekblad doorstraalde, had mij reeds vroeger belang doen stellen in deze onderneming, en ik voldeed derhalve gaarn aan het vereerend verzoëk.’ Hij deelt vervolgens mede, dat van zijne hand waren: Schuitpraatje tusschen een Hagenaar en een Geldersch Heer, en Apologie van het commercespel op de Besognekamer (in No. 23) onderteekend Neologus.
Met deze opgave strijdt m.i. niet het door Abr. de Vries gezegde (Handel. v. Letterkunde 1863, bl. 169), dat Scheltema nooit lid van het genootschap was. Immers hij was geen redacteur, maar medewerker.
Aangaande. J. Kinker's aandcel in dit Tijdschrift vgl. men bl. 27 zijner levensbeschrijving door Mr. M.C. van Hall, waar echter niets met name wordt opgegeven, doch alleen gemeld, dat zijne stukken in de Arke en Sem, Cham en Japhet gemakkelijk te onderscheiden zijn van die van anderen, en inzonderheid van C. Loots en J.F. Helmers.
Wat de namen betreft, waaronder de schrijvers schreven, zoo heette de Vries: Eerman; Loots: Vrolijkhart; Falck: Welmoed. (Zie bl. 209 der Handel. v. Letterkunde v. 16 Juny 1853.) Daar worden nog opgegeven als van de Vries de volgende stukken in de Arke: Over geboorte- trouw- en sterf-advertentien; Over de opvoeding onzer beschaafde lieden; Over het verzuim der bijwoning van den openbaren godsdienst; Het collecteeren in de kerken zeer hinderlijk en onwellevend; Karakterschets van professor ... (Wyttenbach); Over het pijprooken bij de Committés; Eenige karakterschetsen; Over koopen en verkoopen.
Vollenhoven.] Rott. J. Wijnhoven Hendriksen. [1820.] 7 nrs. - Arlequin voor 1821. 12 nrs. - Arlequin voor 1822. 14 nrs. - Arlequin voor 1823. (290
Hij is vervolgd wegens de hatelijke toespelingen op Rotterdamsche personen. Zie Ned. Spectator v. 1872, bl. 136.
Artikel 66 der Grondwet en de Minister van Justitie. Wat is regt? Eene beschouwing naar aanleiding van de arrestatie van Jonkheer M. Salvador op 28 Maart 1856. [Door H.G. Stahl.] 's Grav. H.G. Stahl. 1856. (295
V.d. Linde, Bibliogr. v. Haarlem, No. 169.
Asmodée. (297
Van dit weekblad versolieen No. 1 op 3 Mei 1854. Eerst was J. de Vries redacteur; daarna A.H. van Gorcum onder den schuilnaam Mulder II; vervolgens Mr. A.A.T. Visscher onder den schuilnaam Mr. A. van Brussel. Deze overleed te Brussel 12 Sept. 1881. Jaren achtereen was L.H. Beerstecher er aan verbonden (tot in 1864 ten minste) volgens Iz. J. Lion, Mijn stautkundig leven bl. 87.
De avondbode. [Dagblad onder redactie van C.G. Withuys.] 15 Nov. 1837 - 31 Maart 1841. (304
P.T. van Hoorn leverde vele stukken er in. (Zie Handel. v. Letterkunde 1863, bl. 291.)
Van P.H. Tydeman was De Schoolopziener (23 Jan. en 9 Febr. 1841). Jhr. A.J.E. van Bevervoorde was van 1839 af vast medewerker voor het mengelwerk. (Zie Spectator 1878, bl. 166.)
Zie ook Handel. v. Letterkunde 1879, bl. 82, 118.