auteur: Lieke van Duin
bron:
Lieke van Duin, ‘Anansi als klassieke held. Zijn de Afro-Caraïbische
Anansi-verhalen klassiek?’ In: Helma van Lierop-Debrauwer, Piet Mooren, Pieter
Quelle en Herman Verschuren (red.), Zo goed als klassiek.
NBLC Uitgeverij, Den Haag 1995, p. 173-182.
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2004 dbnl / Lieke van Duin

|
|
| |
Anansi als klassieke held Zijn de Afro-Caraïbische
Anansi-verhalen klassiek?
door Lieke van Duin
Eerlijk is eerlijk: het begrip ‘multiculturele canon’ is uitgevonden
door de organisatoren van dit symposium over klassieke jeugdliteratuur. Het
roept veel vragen op: Hoezo, een multiculturele canon? Moeten we ons die
tegenover een monoculturele canon van jeugdliteratuur voorstellen? Maar hoort
Imme Dros' jeugdbewerking van de Odyssee dan tot de multiculturele of de
monoculturele canon?
De introductie van het begrip ‘multiculturele canon’ moge aanleiding
geven tot allerlei overpeinzingen over de dynamiek van cultuurelementen in de
literatuur, duidelijk is dat het er hier en nu om gaat een beeld te krijgen van
wat in multicultureel Nederland klassieke kinderliteratuur genoemd zou kunnen
worden.
Zelf zou ik het begrip ‘multiculturele canon’ liever uitbreiden tot
‘mondiale canon’. Want ‘multicultureel’ mag dan een stuk minder etnocentrisch
klinken dan bijvoorbeeld ‘Westeuropees’, het gaat nog altijd om culturen
waarmee wij hier in West-Europa te maken hebben, en dat blijft toch wat
willekeurig.
Bij het begrip ‘multiculturele canon’ heb ik dus primair de canon van de
klassieke wereldliteratuur voor ogen, of die hier in Nederland nu toevallig
bekend geworden is of niet.
In die zin horen daar niet alleen klassiekers bij die de basis hebben
gevormd voor de Westerse cultuur, zoals de Ilias, de Odyssee en andere Griekse
klassieke werken, de joodse bijbel en de IJslandse Edda, maar bijvoorbeeld
evengoed de koran, het Mesopotamische Gilgamesh-epos, de Indiase Mahabharata en
Ramayana, het Chinese mythologische avonturenverhaal ‘De pelgrimstocht naar het
Westen’ met als grote held de Aap die we hier af en toe zijn kunsten zien
vertonen in het Chinese poppentheater, de Turkse schimmenspelfiguren Haçivat en
Karagöz, en de Australische vertelcultuur van de Aboriginals.
Verder versta ik onder die klassieke wereldliteratuur niet alleen
geschreven literatuur, maar ook mondeling overgeleverde literatuur: liederen,
dansen, volkstheater, wajangspel, en volksverhalen als sprookjes, fabels,
dilemmaverhalen, mythen en legenden. Vaak liggen dergelijke verhalen aan de
basis van wat momenteel als de canon van de klassieke literatuur wordt
beschouwd en als zodanig zijn ze misschien als ‘proto-klassiek’ te typeren.
Veel volksverhalen zijn inmiddels opgeschreven, maar misschien nog wel
meer níet. Het nog-niet-op-schrift-staan van zulke verhalen maakt ze echter
niet minder klassiek. Het klassieke zit hem ergens anders in.
| |
Wat is klassiek?
De volgende vraag is dan uiteraard: Wat is klassiek? De Dikke Van Dale
geeft het volgende antwoord:
| 1. | behorende tot de Griekse of Romeinse
oudheid. |
| 2. | voortreffelijk, uitstekend, voorbeeldig in zijn
soort, als model aanvaard of kunnende dienen, waaraan blijvend gezag toegekend
wordt. |
| 3. | zich aansluitend bij de geest van de schrijvers der
oudheid. |
| 4. | getuigende van een zielsrust en zedelijk evenwicht.
|
| 5. | traditioneel. |
Door in de eerste plaats als vanzelfsprekend te refereren aan de Griekse
en Romeinse oudheid geven de schrijvers van de Dikke Van Dale blijk van een
eurocentrische visie. Verder weten ze het niet precies. Uitdrukkingen als
‘voortreffelijk’, ‘als model aanvaard’, ‘blijvend gezag’ en ‘traditioneel’
raken alle een deel van de essentie.
Maar als het klassieke werk inderdaad ‘zielsrust’ en ‘zedelijk
evenwicht’ zou moeten uitdrukken, zouden we gerust de hele volksliteratuur -
tenminste de ongepolijste, de niet verburgerlijkte, wat Eric Hulsens noemt de
‘ongeschminkte’ - als niet-klassiek kunnen afschrijven. Een reus die zijn zeven
kinderen opeet, een Anansi die zich van zijn schuldeisers ontdoet door de een
de ander te laten opschrokken en de laatste zelf af te schieten, een heks die
in een hutje op kippenpoten woont, met een hek eromheen dat van mensenbeenderen
en -schedels gemaakt is: dat straalt weinig zielerust uit.
In het nummer van ‘Leesgoed’ dat op dit symposium preludeert (november
1994) wordt ook nagedacht over het begrip klassieke literatuur, jeugdliteratuur
dan. Karel Maartense vindt, in zijn artikel over Odyssee-bewerkingen voor de
jeugd, het meest in het oog lopende kenmerk van klassieke teksten dat ze:
niet alleen veelvuldig vertaald en opnieuw
uitgegeven (zijn), maar ook op allerlei manieren bewerkt.
Dat is een erg uiterlijk kenmerk. Dat er zo vaak teruggegrepen wordt op
die werken heeft natuurlijk een oorzaak die in de aard en structuur van die
werken zelf besloten ligt. Ed Franck, een der redacteuren van de prestigieuze
reeks bewerkte klassiekers van de uitgeverijen Averbode en Becht, komt mijn
inziens bij de kern met zijn opmerking in een interview in datzelfde nummer van
‘Leesgoed’ als hij zegt:
Die echte klassiekers, die hebben wat Jung noemt
‘archetypische waarden’: het onderbewuste van een volk dat onder andere via
mythen en legende bovenkomt. Die vertellen iets over de diepste lagen van de
menselijke ziel, en over de manier waarop mensen in het leven staan: de
‘condition humaine’.
Met dit antwoord op de vraag ‘Wat is klassiek?’ kan ik uit de voeten,
ook als het om de Anansi-verhalen gaat.
| |
Wie is Anansi?
*)
Een korte samenvatting: De slimme bosspin Anansi is de hoofdpersoon uit
de gelijknamige Afro-Caraïbische verhalen. Het is een schelmfiguur, afkomstig
uit de orale literatuur van het Ashanti-volk in Ghana, die qua karakter
overeenkomst vertoont met de hier meer bekende Reynaert de Vos. Anansi is een
hondsbrutale vlegel, een intrigant die zonder blikken of blozen taboes
doorbreekt om op een gemakkelijke manier zijn buikje vol te krijgen, een lepe
schurk, vermetel, egostisch, wellustig, ondankbaar en immoreel.
Zelfs deinst hij er niet voor terug zijn mededieren te doden als hem dat
een lekker maaltje oplevert. Zonder een greintje gewetenswroeging.
Maar Anansi is ook een levenskunstenaar. Soms komt hij door zijn
onbedwingbare vraatzucht in benarde situaties terecht, maar steeds weet hij het
hoofd koel te houden en zich met stijl uit de penarie te redden. Anansi wordt
vaak geslagen, maar nooit verslagen.
En tenslotte is Anansi een anarchistische underdog, die bij voorkeur de
groten en machtigen van het dierenrijk in hun hemd zet vanuit het principe ‘wie
niet sterk is moet slim zijn’. Zo neemt hij het op voor ‘de kleine man’ onder
de dieren. Onbedoeld, want goed-zijn, dat spéélt Anansi alleen maar, om er zijn
voordeel mee te doen.
De Anansesem (spreek uit: Anansesèm), zoals de verhalen in Ghana heten,
dienen voor de Ashanti zowel ter lering als ter vermaak. Tot op heden toe, al
wordt door de massamedia de invloed van de verhalen over Ananse minder.
Door de vele raadsels, spreekwoorden en gezegden die erin voorkomen zijn
ze een bron van mythisch-religieuze wijsheid en een training in
taalvaardigheid. Tegelijkertijd geven ze de grenzen aan van wat moreel
gesproken kan en niet kan. Je kunt mensen tenslotte een moraal voorhouden door
verhalen over immorele daden te vertellen. Dat gebeurt in het Oude Testament
ook.
Bovendien staat Kwaku Ananse, zoals Anansi in de taal van de Ashanti
voluit heet, in direct contact met God, Nyankopon, ook al is hij meer Gods
rivaal dan zijn helper of boodschapper. Vroeger heetten zijn verhalen zelfs
Nyankonsem: de verhalen van God. Door een slimme truc zorgde Kwaku Ananse
ervoor dat ze naar hém genoemd werden: Anansesem.
| |
Troost en protest
Met de slaventransporten, van de zestiende tot ver in de negentiende
eeuw, gingen de Anansesem mee naar de ‘nieuwe wereld’. Op de plantages heerste
een wreed regime.
Uitingen van eigen cultuur waren verboden. Maar verhalen vertellen over
Kwaku Ananse kun je overal, ook in stilte, zonder dat het in de gaten loopt. Zo
werden de verhalen tot een troost bij onderdrukking. Ze kregen - en dat is
belangrijk - een protestfunctie.
Met het toenemen van de protestfunctie nam de mythisch-religieuze
functie af. De schepper-God Nyankopon seculariseerde tot een aardse koning of
dorsphoofd. Kwaku Ananse kreeg een vaste tegenspeler, die hij in Ghana niet
had: Tijger, groot en sterk, maar dom en opgeblazen. Tijger werd zijn
aartsvijand. En het was niet moeilijk in deze bruut een opzichter of
plantage-eigenaar te herkennen.
De verhalen vervormden, werden aangepast aan flora en fauna, sociale
omstandigheden en de stand van de techniek in het Caraïbisch gebied. Namen
veranderden: Kwaku Ananse werd bij Anansi in Suriname, Nanzi op de Antillen.
Zijn vrouw Aso werd Akoeba in Suriname, Shi Maria - en daarin klinkt de
christelijke invloed door - op de Antillen. En van enkele kinderen in Ghana,
met zoon Ntikuma als meest bekende, groeide het aantal kinderen van Anansi tot
een stuk of twaalf in het Caraïbisch gebied, waarvan de jongste in Suriname Boy
heet en op de Antillen Pegasaya.
Het was alsof de verhalen onder de druk van de omstandigheden een nieuwe
impuls kregen. In elk geval ontwikkelden ze zich tot een rijker gestoffeerd
geheel dan in Ghana zelf.
Twee aspecten veranderden niet. Ten eerste Anansi's karakter: hij bleef
de slimme schurk, het ‘onkruid-vergaat-niet’ type. En ten tweede de motieven en
de structuur van de verhalen.
Zo kwamen de Anansi-verhalen in de twintigste eeuw met Surinamers en
Antillianen mee naar Nederland. Hier - en ook in bijvoorbeeld Engeland -
ontstond een nieuwe bloeiperiode. De Anansi-verhalen sloegen meteen aan, niet
alleen bij Surinaamse kinderen, maar ook bij Nederlandse, Turkse, Marokkaanse,
Chinese, kortom bij kinderen van allerlei nationaliteiten.
Maar ook hier traden allerlei veranderingen op, aanpassingen aan de
moderne samenleving. De belangrijkste is wel dat de Anansi-verhalen nu vooral
op schrift verschenen. Zo verschenen de afgelopen kwart eeuw zo'n twintig
kinderboeken met Anansi-verhalen in het Nederlands.
In de betere daarvan blijft Anansi's complexe karakter intact en blijven
de verhalen hun rauwe, soms scabreuze karakter behouden. Zoals in Anansi, de spin weeft een web om de wereld van Noni Lichtveld uit
1984 en in haar Anansi tussen God en duivel uit 1997, waarin
Anansi bovendien verdacht veel van legerleider Desi Bouterse weg heeft: een
verwijzing naar machthebbers die van oudsher eigen is aan de Anansi-verhalen.
Maar in verschillende andere treedt verburgerlijking, vertrutting op. Daarin
wordt Anansi zijn angel uitgetrokken en blijft er een ééndimensionale
grappenmaker over.
| |
Is Anansi een klassieke figuur?
Behalve verhalenbundels verscheen er in 1983 ook een belangrijk
proefschrift over de Anansi-verhalen, of beter: over de Antilliaanse
Nanzi-verhalen, getiteld: Cuentanan di Nanzi... Een onderzoek naar
de oorsprong, betekenis en functie van de papiamentse spinverhalen, door
W.J.H. Baart. Het is anno 2004 nog altijd de enige grondige recente studie die
over dit onderwerp in het Nederlands verschenen is. Een studie die meer licht
werpt op onze vraag óf, en zo ja waarin, de Anansi-verhalen klassiek te noemen
zijn. Dominee W.J.H. Baart was ooit als zendeling naar de Antillen vertrokken
en daar in de ban geraakt van de Nanzi-verhalen.
Hij leerde Papiamentu, analyseerde de dertig Nanzi-verhalen zoals die in
1952 waren opgeschreven door Nilda Pinto, en vergeleek ze met de authentieke
Anansesem, zoals begin jaren dertig aan de toenmalige ‘Goudkust’ in
vijfenzeventig verhalen opgetekend door de cultureel antropoloog R.S. Rattray.
Hij ontdekte een uitgebreide wetenschappelijke literatuur over de Anansesem en
over soortgelijke verhalen uit andere oude culturen. Niet van letterkundigen,
maar van cultureel-antropologen, psychologen en godsdiensthistorici. Die
verhalen worden trickster-verhalen genoemd.
| |
Onder de cacaoboom
Voordat we ons nader verdiepen in de tricksterfiguur volgt hier een
authentiek Ghanees verhaal over Kwaku Ananse. Het is niet eerder in het
Nederlands verschenen en komt uit de bundel van Rattray, Akan-Ashanti Folk-tales, Oxford, 1930.
Verplaats u naar een dorp met lemen hutten in de Ghanese jungle. Geen
waterleiding, geen electra, geen radio of tv. Het loopt tegen vijven, het werk
zit erop. De schaduwen worden langer, maar het is nog warm en stoffig. We gaan
in de schaduw van een cacaoboom op de roodachtige grond zitten, in een kring.
Kinderen rennen rond. Babies liggen aan de borst.
Door de vertaling heen moet u de verteller proberen te zien: hij vertelt
met verve, zijn stem rijst en daalt, hij zingt, grapt, stelt vragen, bedenkt
raadsels, maakt dubbelzinnige woordspelingen, richt zich tot sommigen van ons.
Wij toehoorders leveren commentaar, klappen, lachen, stoten onze buurman aan,
beginnen spontaan te zingen tussendoor, spelen het verhaal uit of roepen dat we
een nóg sterker verhaal kennen, dat we dan als tussendoortje vertellen.
Hoe de tegenspraak in de wereld
kwam
‘Er was eens een man die “Duldt-Geen-Tegenspraak” heette.
Omdat hij zo'n sjachrijnig type was bouwde hij een hutje helemaal voor zichzelf
alleen. Op een dag kwam het dwerghert hem opzoeken, en samen zaten ze gezellig
onder een palmboom.Er vielen een paar palmnoten naar beneden, en het dwerghert
zei: “Vader Duldt-Geen-Tegenspraak, je palmnoten zijn rijp.”
Duldt-Geen-Tegenspraak zei: “Bij de palmnoot worden altijd drie trossen
tegelijk rijp. Dan hak ik ze eraf, en als ik ze kook om de olie eruit te halen,
krijg ik drie kruiken olie. Ik breng die olie naar Akase om er op de markt een
oude vrouw voor te kopen. Zij baart mijn grootmoeder, die mijn moeder in zich
draagt, die op haar beurt mij in zich draagt. Als mijn moeder mij baart sta ik
er al.” Het dwerghert zei: “Je liegt.” Toen nam
Duldt-Geen-Tegenspraak een stok, sloeg het dwerghert op zijn kop en doodde hem.
Daarna kwam een antilope langs, en ook hij zat met Duldt-Geen-Tegenspraak
onder de palmboom, en precies hetzelfde gebeurde. Zo ging het met alle
dieren. Toen zwaaide Ananse zijn tas over zijn schouders en ging op weg
naar het dorp van Duldt-Geen-Tegenspraak. Ze groetten elkaar en
Duldt-Geen-Tegenspraak maakte een maaltijd klaar voor Ananse. Ze zaten
onder de palmboom en de palmnoten begonnen te vallen. Ananse stopte ze in zijn
tas tot die vol was.Toen hij klaar was met eten en er nog steeds palmnoten
vielen, zei Ananse: “Vader Duldt-Geen-Tegenspraak, je palmnoten zijn rijp.” De
gastheer vertelde Ananse hetzelfde verhaal wat hij de anderen ook verteld had.
Toen hij uitgesproken was, zei Ananse: “Wat je zegt is waar. Nu zal ik
jou ook eens wat vertellen. Ik heb okra's op mijn erf. Als die rijp zijn maak
ik wel zevenenzeventig lange haken aan elkaar. Maar dan kan ik er nóg niet bij.
Hoe los ik dat op? Ik ga op mijn rug liggen en dan kan ik ze wel plukken. Met
mijn piemel.” Duldt-Geen-Tegenspraak zei: “Ik begrijp het. Morgen kom ik
bij je langs, want dat moet ik zien.” Onderweg naar huis kauwde Ananse op
de noten die hij had opgeraapt en spuugde ze uit op het pad. De volgende
ochtend toog Duldt-Geen-Tegenspraak op pad naar het dorp van Ananse. Nu had
Ananse, toen hij de vorige dag was thuisgekomen, zijn kinderen verteld: “Morgen
komt hier iemand langs die niet tegengesproken wenst te worden. Als hij naar me
vraagt, zeg hem dan dat mijn piemel gisteren op zeven plaatsen gebroken is en
dat ik hem naar de smid moest brengen om gerepareerd te worden. En aangezien de
smid de reparatie niet op tijd voor elkaar kreeg ben ik nu dus weg om de klus
af te maken.” Toen Duldt-Geen-Tegenspraak arriveerde vroeg hij: “Waar is
je vader?” De kinderen herhaalden wat Ananse hen gezegd had, en vroegen of hij
het bloed op het pad niet gezien had. Hij zei dat hij dat gezien had en vroeg
naar hun moeder. Ze antwoordden: “Moeder ging gisteren naar de rivier, en
haar waterkruik was vast gevallen en gebroken als ze hem niet nét op tijd
opgevangen had. Maar ja, ze kreeg het vangen niet helemaal klaar, en dus is ze
nu teruggegaan om het af te maken.” Duldt-Geen-Tegenspraak zei niets.
Daar kwam Ananse thuis. Hij beval zijn kinderen om wat eten voor hun gast te
koken, maar ze gebruikten slechts één heel klein visje en een heleboel
pepers.Toen Duldt-Geen-Tegenspraak de stoofpot at, brandden de pepers zó in
zijn mond dat hij Ntikuma, Ananse's zoon, vroeg om wat water te brengen.
De jongen ging naar de waterkruik maar bracht geen water mee. Toen
Duldt-Geen-Tegenspraak opnieuw om water vroeg, zei Ntikuma: “Kijk, ons water is
van drie verschillende soorten. Dat van mijn vader zit bovenin, dat van mijn
moeders co-vrouw zit in het midden en dat van mijn eigen moeder onderop. Ik mag
alleen het water van mijn eigen moeder nemen, maar als ik dat niet heel
voorzichtig doe, krijgt het ruzie.” Duldt-Geen-Tegenspraak zei: “Jij aap
van een jongen, je liegt!” Onmiddellijk zei Ananse: “Sla hem dood!”
Duldt-Geen-Tegenspraak zei: “Waarom zou ik doodgeslagen moeten worden?”
Ananse antwoordde: “Je haat het om tegengesproken te worden, maar je spreekt
wel iemand anders tegen. Dáárom zeg ik dat je doodgeslagen moet worden.”
Toen Duldt-Geen-Tegenspraak dood was, sneedt Ananse zijn vlees in kleine
stukjes en strooide het in het rond. En zo komt het, zeggen de Ashanti, dat er
tegenspraak onder de mensen kwam.”
| |
Wat is een trickster?
Uit dit authentieke verhaal komt Ananse duidelijk als trickster naar
voren. Tegenspraak is één van de meest wezenlijke trekken van de trickster. Een
trickster is, zoals Ananse, een figuur met een zeer complex karakter. Hij is
‘tricky’ in verschillende opzichten.
Als type is hij een listige, handige leugenaar vol streken, zowel clown
als dwaas, subtiel als grof. Maar hij is ook een ongrijpbaar, ambigu personage
dat met een schalks genoegen elke poging tot beschrijving ontduikt. Hij is een
dubbelfiguur die probleemloos minstens twee tegenstrijdige rollen in zich
verenigt. Hij heeft zowel positieve als negatieve trekken, hemelse en aardse.
Hij is weldoener én bedrieger, brengt de mens goed én kwaad. In bovenstaand
verhaal is Ananse met zijn kinderen kampioen-leugenaar, maar hij brengt de mens
tegelijkertijd een belangrijk stuk sociaal leven, namelijk de tegenspraak.
En er zijn meer verhalen waarin Ananse de mensen bepaalde sociale,
culturele en natuurlijke gegevenheden brengt. Positief bijvoorbeeld in verhalen
over waar de wijsheid vandaan komt, hoe de taal ontstond, en hoe de mensen aan
de hak kwamen om het land te bewerken.
En negatief in verhalen over waar ziekten, jaloezie en kiespijn vandaan
komen, en waarom kinderen slaag krijgen. Dat zijn verhalen waarin Ananse
meewerkt aan de totstandkoming van de wereld zoals die nu is. Ook al komt zijn
bijdrage daaraan vaak tegen wil en dank tot stand, het is een goddelijke
functie, die bijvoorbeeld in de Griekse mythologie is voorbehouden aan goden en
halfgoden. De trickster is een voorbeeld door anti-voorbeeld te zijn. Daarbij
heeft hij een komische, opgewekte natuur, gericht op genot en overleven.
| |
Trickster ingebed in sociaal-culturele structuur
Deze typering van de trickster kan echter niet anders dan gebrekkig
zijn, want in elke cultuur heeft de trickster een ander gezicht, of liever
gezegd: verschillende andere gezichten. Alle tricksters zijn grappenmakers en
dwazen, maar steeds liggen de accenten anders. De ene tricksterfiguur is meer
destructief, de andere meer creatief; de ene is satirisch, de ander meer slim
en speels. Zo is de Indonesische fabelfiguur Kantjil, het dwerghertje, wel
slim, maar veel goedaardiger dan Anansi.
Steeds is de trickster geheel ingebed in de sociale, culturele en
religieuze context van zijn eigen cultuur, uiterlijk én innerlijk. Dé trickster
bestaat niet.
Vooral de godsdiensthistoricus Robert D. Pelton, één van Baarts
belangrijkste bronnen, heeft gewezen op het specifiek cultuurbepaalde van elke
afzonderlijke tricksterfiguur. Hij deed dit in zijn boek The
trickster in West-Africa, A Study of Mythic Irony and Sacred Delight uit
1980 (let wel: ‘mythische ironie en heilig genot’).
We moeten ons concentreren op de relatie van de
tricksterfiguren met de samenlevingen die hen zo zorgvuldig hebben uitgedacht
en zo enorm van hem genoten hebben,
aldus Pelton, die zich hier als volbloed-structuralist opstelt. Het
cruciale punt is volgens hem niet hoeveel trickster-eigenschappen Ananse
bijvoorbeeld heeft, maar hoe zijn structuur functioneert ten opzichte van
andere structuren van de Ashanti-maatschappij. Pelton refereert hierbij aan
Rattray. Deze stelde dat de Anansesem een soort katharsiswerking hebben, die de
sociale structuur bevestigt:
wrevel kan gelucht worden en boosdoeners kunnen
gehekeld worden op een manier die niet leidt tot een breuk in de sociale
verbanden. Fouten worden gecorrigeerd door ze als lachwekkend voor te stellen
en zo wordt het sociale weefsel hersteld.
| |
De trickster als initiatie-symbool
Hoewel kritiek op Peltons statische structuralisme voor de hand ligt,
wijst hij ook op een heel interessante, van Mircea Eliade afkomstige gedachte,
die minder star is. Daarbij wordt de trickster gezien als een symbool voor de
mens tijdens zijn initiatie-rite, in de overgangsfase tussen kind en
volwassene. Sterker, de trickster staat voor die overgangsfase zelf.
Het is een niemandsland tussen verleden en toekomst, tussen servet en
tafellaken, zouden wij zeggen. Een situatie die haaks op de normale sociale
orde staat met zijn hele statushiërarchie. Een toestand van ontvankelijkheid
als herscheppende kracht, waarin men transformeert.
Ananse nu is zo'n transformer omdat hij tot verschillende werelden
behoort. Dus kan hij het maken om sociale regels te overtreden door gasten te
mishandelen, om te liegen, om met zijn schoondochter naar bed te gaan, om
biologische wetten te negeren, om Nyankopons verhalen af te troggelen en in het
algemeen geen respect te hebben voor goddelijke krachten.
| |
De trickster een archetype?
Baart stuitte bij zijn onderzoek vooral op studies naar de talloze
tricksterverhalen van Noordamerikaanse Indianen en was verrast dat die
Indiaanse tricksters zoveel overeenkomst vertoonden met Kwaku Ananse.
Maar ook trickster-achtige figuren uit andere culturen hebben
raakvlakken met Ananse, zoals bijvoorbeeld Reynaert de Vos, Pulcinella uit de
Commedia dell'Arte, en in diens verlengde Jan Klaassen en zijn Europese
familieleden, zoals Punch en Judy in Engeland, Polichinelle in Frankrijk, de
Poesjenellen in Antwerpen, Kasperl in Duitsland en Kasparek in Tsjechië. Verder
Loki uit de IJslandse Edda-verhalen, het Indonesische dwerghertje Kantjil, de
Turkse figuur Nasreddin Hodja. En ook Hermes, de handige, vindingrijke,
diefachtige bemiddelaar tussen goden en mensen uit de Griekse mythologie heeft
trickster-eigenschappen.
Dat tricksterfiguren min of meer onafhankelijk van elkaar in vele
vertelculturen optreden, zou erop kunnen duiden dat de trickster een archetype
is, voortspruitend uit het collectief onbewuste van de menselijke ziel.
Of de trickster inderdaad zo'n archetype is, daarover zijn de geleerden
het niet eens. Jung meent in een studie uit 1954 over de trickster bij de
Winnebago-Indianen van wel. Rattray denkt in de inleiding tot zijn collectie
Anansesem uit 1930 meer aan een gemeenschappelijke bron en ontlening, zelfs
over oceanen heen:
Waarschijnlijk is geen enkel cultuurgebied
gevoeliger voor beïnvloeding van buitenaf dan de vertelcultuur.
| |
Trickster Anansi als kameleon
Pelton volgt Rattray in die opvatting. Voor hem is de trickster geen
‘archetypisch Idee, maar een symbolisch patroon’, verankerd in de structuur van
zijn eigen specifieke sociaal-culturele context. Volgens Pelton moet je vooral
niet proberen hem uit die sociale structuur los te weken, want dan hou je geen
levende trickster meer over, maar een abstract, levenloos Idee, archetypisch of
niet. Een waarschuwing die we in ons achterhoofd moeten houden.
Toch vergeet Pelton met zijn structuralistische visie iets belangrijks,
namelijk dat die specifiek sociaal-culturele contexten zelf ook kunnen
veranderen. Pelton heeft het in zijn boek alléén over de Ananse van de oude
Ashanti, alsof dat een statische cultuur met een onveranderlijke structuur zou
zijn.
Hij ziet niet dat Ananse met Afrikaanse context en al op wereldreis is
gegaan, dat die context daardoor enorm veranderd is, dat daar hele nieuwe
culturen - soul, jazz, blues, calypso, reggae, mengculturen - uit voortgekomen
zijn.
Hij ziet niet hoe Ananse zich als een ware kameleon aangepast heeft aan
die nieuwe omstandigheden. Uiterlijk dan, want innerlijk bleef hij grotendeels
zichzelf; hij is alleen geseculariseerd. Pelton ziet dus niet dat Ananse
helemaal niet zo onwrikbaar in zijn eigen culturele structuur vast zat, maar
enorm flexibel blijkt te zijn en zich zowel in grote delen van het Caraïbisch
gebied als in West-Europa thuisvoelt. In al die gebieden leefden en leven
mensen die zich zeer aangesproken voelen door Ananse.
Hoe komt dat? Misschien is de trickster toch archetypischer dan Rattray
en Pelton dachten...
Verschillende motieven uit Anansi-verhalen komen wereldwijd voor, zodat
je toch wel erg gaat twijfelen aan de mogelijkheid van ontlening. Motieven van
‘Tafeltje-dek-je’ en ‘Knuppel-uit-de-zak’ uit het verhaal waarin Anansi een
toverpot opvist die met een toverformule voor eten zorgt, kunnen nog wel
ontleend zijn. West-Europa en Afrika liggen tenslotte niet zo ver van elkaar.
Maar als het motief van Anansi, die over de ruggen van een stel krokodillen
naar de overkant van de rivier loopt, ook bij de Korjaken in Noord-Rusland
blijkt voor te komen, lijkt ontlening onwaarschijnlijk, en gaan de gedachten
toch naar onafhankelijk van elkaar ontstane oermotieven.
Hoe het ook zij, of de tricksterfiguur nu archetypisch is of dat zijn
mondiale verspreiding door ontlening heeft plaatsgevonden, niet te ontkennen
valt dat de tricksterverhalen overal ter wereld zijn aangeslagen en genoeg
vruchtbare bodem hebben gevonden om zich te ontwikkelen.
De tricksterverhalen hebben in elk geval archetypische waarde op de
manier zoals Ed Franck dat in het begin van dit artikel verwoordde, en behoren
daarmee tot de mondiale klassiekers.
De vraag of de Afro-Caraïbische Anansiverhalen klassiek zijn kan dus met
ja beantwoord worden. Het is de clustering van oermenselijke, tegenstrijdige en
ongrijpbare karaktertrekken van de trickster die Anansi tot een onsterfelijke,
klassieke held maakt.
Amsterdam, 14-12-1994 en 5-10-2004,
Lieke van Duin.
Biografische gegevens:
Lieke van Duin was van 1989 tot 1998 recensent jeugdliteratuur van
dagblad Trouw. Ze was redacteur van Literatuur zonder
Leeftijd en zat in jury's van diverse kinderboekenprijzen, zoals de Theo
Thijssenprijs en de Woutertje Pieterse Prijs. Ze coördineerde de
post-HBO-cursussen ‘Oordelen over kinder- en jeugdliteratuur’. Ze werkte als
tekstredacteur bij Wolters-Noordhoff aan de nieuwe leesmethode voor het
basisonderwijs ‘Het Leeshuis’. Momenteel is zij adviseur Allasso Fonds van
Mercis Publishing en vertaalt, bewerkt, redigeert en schrijft kinderboeken.
Omdat zij onderzoek deed naar de Anansi-verhalen werd zij voor deze bijdrage
gevraagd.
|
*)Voor een uitgebreid antwoord op die vraag zie
mijn artikel in Literatuur zonder Leeftijd, winter 1994: ‘Hoe
Kwaku Ananse met zijn tijd meeging en toch zichzelf bleef’.
|
|