|
|
|
| |
| | | |
536. Hebt gij niet een' vrouw zien passeeren.
‘Hebt gij niet een' vrouw zien passeeren,
ja een vrouwtje met een kleen kind?
Had ik haar onder de handen van mij,
haar zoontje die zoude gedooden zijn.’
| |
Tekst en melodie.
Lootens et Feys, Chants populaires flamands, 1879, nr. 20, bl. 32, aan de uitgevers voorgezongen door iemand die slechs één strophe kende. Een ander persoon, aan wien de melodie onbekend was, deelde aan de uitgevers den volgenden tekst mede:
Maria die zoude gaan reizen
naar Stralenberg over den Rijn.
Denk eens, hoe dat het met Maria was.
| | | |
Maria, die reisde zoo verre,
zij vond er een akkerman staan,
die bezig was met zaaien,
en z' heeft hem gesproken aan:
en wil er uw koorn maaien,
‘Als er iemand naar mij komt vragen,
zeg, dat ik al gepasseeren zijn
toen gij bezig waart met zaaien;
en nu zijt gij tot maaien bereid.’
De akkerman keerded' hem omme
en hij viel op beide zijn' knien:
‘looft God den Heere, zoo moet het geschiên!’
En hij terstond aan het maaien viel.
Maria en was maar verdwenen,
als Herodes daar kwam gezwind:
‘hebt gij niet een vrouw zien passeeren,
een vrouwtje met een kleen kind?
van 't geen dat gij weet,
- ‘Ik heb wel een' vrouw zien passeeren,
een vrouwtje met een kleen kind,
maar toen was ik bezig met zaaien,
en nu met maaien, mijn vriend.
| | | |
Toen sprak die valsche heere
‘nu moeten wij wederom keeren,
Had ik haar onder de handen van mij,
haar kindetje zoude gedooden zijn.’
Zooals L. en F. doen opmerken, wordt de tweede regel van bovenstaanden tekst teruggevonden in een lied: ‘Daar quamen drie landsknechten // van Stralenburg over den Rijn’, door Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., 1856, nr. 73, bl. 166, herdrukt naar de verzameling aangelegd door Mr. Jac. Scheltema. - Vgl. het onmiddellijk voorgaande lied.
|
|
|