begin  prepost
[p. 1]

[Een nagelaten bekentenis]

Mijn vrouw is dood en al begraven.

Ik ben alleen in huis, alleen met de twee meiden.

Dus ben ik weer vrij; maar wat baat me nu die vrijheid?

Ten naastenbij kan ik krijgen, wat ik sinds twintig jaar - ik ben vijf en dertig - verlangd heb; maar thans durf ik 't niet nemen en zoo heel veel zou ik er toch niet meer van genieten.

Ik ben te bang voor elke opwinding, te bang voor een glas wijn, te bang voor muziek, te bang voor een vrouw; want alleen in mijn nuchtere morgenstemming ben ik me zelf meester en zeker te zullen zwijgen over mijn daad.

Toch is juist die morgenstemming ondraaglijk.

In geen mensch, geen werk, geen boek zelfs eenig belang te stellen, doel- en willoos om te dwalen door een leeg huis, waarin alleen het onverschillig schuwe gefluister van twee meiden rondwaart als het verre gepraat van bewakers om de cel van een afgezonderde krankzinnige, nog maar aan één ding te kunnen denken met het laatste beetje begeerte van een uitgedoofd zenuwleven en voor dat ééne ding te sidderen als een eekhoorntje voor de fascineerende blik van

[p. 2]

een slang... hoe houd ik zoo'n afschuwelijk leven dag in dag uit, ten einde toe, nog vol?

Zoo dikwijls ik in de spiegel kijk - nog altijd mijn gewoonte - verbaast het me, dat zoo'n bleek, tenger, onbeduidend mannetje met doffe blik, krachteloos geopende mond - velen zullen zeggen: dat mispunt - in staat is geweest zijn vrouw.... de vrouw, die hij op zijn manier toch lief heeft gehad..... te vermoorden.

En toch is 't waar..... even waar, als dat ik met de grootste leukheid het gejammer van mijn schoonouders heb aangehoord, dat ik volmaakt kalm naast de oude man en tegenover mijn zwager, door de volle straten heen, achter Anna's lijk naar het kerkhof ben gereden, dat ik met droge oogen de kist in het graf heb zien neerdalen, de verpletterde vader naar zijn diep bedroefde vrouw terugkeeren en dat ik nu weer t'huis.... in dit huis, waar alles nog van haar spreekt..... zonder smart, zonder wroeging en ook zonder blijdschap, zonder hoop omdool.... alleen maar bang, bang voor elk geluid, bang vooral voor mijn eigen stem.

Soms - bijv. 's nachts, of wanneer ik me verbeeld, dat iemand achter de deur me beluistert - moet ik hardop uitroepen: ik heb haar vermoord!

Trillend van angst en plotseling doorkild open ik dan dadelijk alle deuren, doorzoek ik alle kasten om zeker te zijn, dat mijn geheim nog altijd niet verraden is.

Vind ik dan zelf mijn daad zóó buitengewoon, zóó ongehoord, zóó vreeselijk? Ach neen; daarvoor heeft zich alles veel te geleidelijk aaneengeschakeld.

[p. 3]

Sluit ik mijn oogen en leef ik mijn leven nog eenmaal in gedachten door, dan is 't me volkomen duidelijk, hoe ik allengs zoover ben gekomen. Ik heb zoo'n dwingende lust dit eens te vertellen, dat ik 't voor de veiligheid maar op zal schrijven.

Het moet er uit! Misschien zal ik 't dan beter kunnen zwijgen en.... mogelijk zijn er menschen, of zullen er menschen komen, wie mijn levensproces belang inboezemt. Wie weet hoevelen net als ik zijn, die t' pas beseffen zullen, wanneer zij zich aan mij hebben gespiegeld.

 

Om te doen begrijpen, hoe verschillend ik me zelf voorkom van de overgroote meerderheid der menschen, is 't niet genoeg, dat mijn bekentenis aanvangt met de dag, waarop ik mijn overleden vrouw leerde kennen. Ik moet opklimmen tot de eerste ervaringen, die mij mijn duister binnenste ontsluierden.

Mijn geheugen is nooit bijzonder goed geweest. Ik zie mijn jeugd dan ook niet meer voor me als een doorloopende reeks van gebeurtenissen; maar herinner me alleen de enkele oogenblikken, waarop ik sterke - doorgaans onaangename - indrukken ontving.

Een van mijn eerste en pijnlijkste ondervindingen was mijn intrede op de lagere school. Wat ik me van die omgeving nog kan voorstellen is een groote, grauwe ruimte, waarin een massa giegelende kinderen bijeen zitten, bewaakt door een norsche onderwijzer. Vóór de klasse staat een reusachtig, zwart bord; tegen de grijze wanden hangen flets getinte, blinde kaarten. Duidelijker herinner ik me het gevoel van iets kleins, iets

[p. 4]

zwaks, iets nietigs te zijn, verlaten en verloren in een vijandige bende: het konijntje uit een van mijn prentenboeken, dat levend in een hok vol wilde beesten wordt gegooid. Dat al die oogen mij vijandig aankeken, besefte ik dadelijk en ofschoon er meer dan vijf en twintig jaren over heen zijn gegaan, heeft niets die indruk van vijandigheid weer uit kunnen wisschen. Nog altijd moet ik het hok, met wilde dieren bevolkt, binnen gaan, zoodra ik me onder menschen wil bewegen en nooit vermag een redeneering het wantrouwen te onderdrukken, waarmee ik mijn zoogenaamde broeders nader.

Al gauw volgde mijn eerste vechtpartij, beter gezegd mijn eerste botsing, die op een vechtpartij had moeten uitloopen, maar inderdaad iendigde met mijn vlucht.

Geruime tijd had ik met instinctieve schuwheid alle grootere en forschere jongens weten te vermijden; eindelijk werd ik door één van hen net zoo lang getergd, dat mijn vuist in een overschuiming van drift hem een stomp toebracht.

‘Dat zal ik je betaald zetten!’ riep hij uit en toen bij het uitgaan zijn overmoedig schetterend stemgeluid achter me aanklonk op de trap, begreep ik wat er buiten volgen zou. De gedachte van stand te houden kwan wel in me op; maar ach, zoo flauwtjes!

Beneden gekomen keek ik een oogenblik verwilderd om me heen en toen zijn vierkant bruin gelaat boven eenige kleinere jongens in de deuromlijsting verscheen, had ik ook in de verte een voortwandelende agent opgemerkt. Ik zette 't op een loopen en sloot me zwijgend bij de politiedienaar aan.

De man keek eens op me neer, maar zei niets.

[p. 5]

De joelende jongenstroep volgde ons op een groote afstand.... en het werd me duidelijk, dat ik een lafaard was. -

Maar al te dikwijls heb ik de opmerking hooren maken: een mensch, die zijn fouten kent, is ook in staat ze uit te roeien. Ach, ach, wat moeten zij, die zoo spreken, met weinig zelfkennis bedeeld zijn!

Stel, dat een gierigaard, uit schaamte over zijn ondeugd (dan kent hij 'm toch wel goed) handen vol geld uitdeelt. Hij schijnt vrijgevig te zijn geworden; maar is hier van iets meer sprake dan van een schijn? Zal hij in zijn binnenste niet altijd de tegenzin om weg te geven, waarin het kenmerk van de gierigheid bestaat, blijven gevoelen? Al leert een doofstomme verstaan, wat iemand zegt, hij kan 't daarom nog niet hooren!

Mijn lafheid was volstrekt niet overwonnen, toen ik in mijn later leven, gewapend met de wetenschap, dat niemand mij oplette, soms een volle zaal dorst binnengaan. Voor het nieuwe, het onbekende ben ik altijd teruggedeinsd en toch heb ik er altijd naar gehunkerd.

Aan dergelijke tegenstrijdigheden is mijn ziel rijk. Ik snak bijvoorbeeld naar aandoeningen en ontwijk toch al, wat mijn gemoedsrust kan verstoren.

Dat de bekentenis van laf te zijn alle lezers dadelijk tegen me moet innemen, weet ik; maar begrijpen ze in hun onrechtvaardigheid niet, dat ik veel liever dapper ware geweest? Wat is 't toch onzinnig een mensch te veroordeelen om lichamelijke en geestelijke gebreken, waaraan hij immers volmaakt onschuldig is! Denkt iemand soms, dat hij er van geniet?

[p. 6]

Is 't zoo prettig zich geminacht te weten?

Lafheid is de onvernietigbare worm gebleven, die aan de vervulling van al mijn wenschen heeft geknaagd en het zijn nog altijd mijn bangste nachten, wanneer ik in een droom weer voor 't eerst de school betreed, of het hazepad kies voor een sterker, dapperder individu.

Natuurlijk dacht ik als jongen niet, dat mijn vreesachtigheid onoverwinnelijk zou blijken. Integendeel maakte ik me diets, dat i van zelf verdwijnen moest voor een toenemende kennis van menschen en toestanden. Ik rekende er op, dat de ondervinding 'm zou vernietigen, terwijl i me juist beletten zou ondervinding op te doen. Nu was dit in zooverre toch juist gezien, als ook een opgedrongen ondervinding wel iets aan me had kunnen hervormen. Gesteld eens, dat er geen agent in de buurt was geweest, of wel, dat de omringende jongens mij het vluchten hadden belet. Dan zou ik wel tot tegenweer genoodzaakt zijn geworden en als mijn eerste antagonist eens geweken ware voor een toevallig raak aankomende vuistslag, wie wee hoeveel moed de zelfoverschatting me dan had ingeboezemd?

Met wat verstandige dwang hadden mijn ouders aan mijn ongelukkig bestaan dus wel een betere plooi kunnen geven. Evenwel, wie vraagt zich vóór het huwelijk af, of hij tot de uitoefening van zulk een verstandige dwang in staat is? Niet om onzentwil, maar omdat vader en moeder naar een aardig speelpopje verlangen, wordt een kind de levenstaak opgelegd.

Intusschen fantaseerde ik als jongen mij het ideaal van een man, die altijd zeker is van zijn zaak en

[p. 7]

voorgevoelende, dat ik nooit zulk een man zou worden, deed ik al mijn best hem ten minste uiterlijk na te bootsen.

Dit is - voor zoover ik me herinner - mijn eerste poging geweest om mijn ware natuur te verbergen onder een aangenomen rol. Naderhand ben ik in dit comedie-spelen zóó goed opgegaan, dat het mij - hoe slecht ik ook speelde - onmogelijk is geworden ooit weer eenvoudig mij-zelf te wezen. Beproefde ik 't nog eens, dan kwam ik me voor geen zelf meer te hebben, niets anders te zijn dan een zielloos organisme zonder één neiging, één afkeer, één opinie, één drang. In de regel echter riepen mijn neigingen en afkeeren, mijn opinies en drangen me toe: sluit ons op in je binnenste, want we zijn buiten model, verboden in de samenleving der menschen. En hoe beter ik mijn waar ik leerde verbergen onder een personnage de circonstance, hoe onverschilliger ik werd voor de verkeerdheid van mijn aandriften of daden, zoolang ze maar onopgemerkt bleven. Berouwd heeft me nooit iets anders dan een onhandigheid.

Was liegen een noodzakelijk gevolg van het rollenspelen, ik loog bovendien zonder noodzaak, ja, geheel zonder reden. Dat een jongen, die kattekwaad heeft uitgevoerd, het niet zoo nauw met de waarheid neemt, wie zal zich daarover verwonderen? Waarom echter beweerde ik van Schevenigen te komen, wanneer ik in het Bosch had gewandeld? Waarom zei ik ongevraagd: we hebben platen bekeken, als ik met een kennis soldaatjes had opgezet? Tegenwoordig heeft die aandrang om in de eenvoudigste omstandigheden van het leven iets anders dan de waarheid te zeggen,

[p. 8]

veel van zijn kracht verloren; maar nog altijd ben ik trager in het geven van een juist relaas dan in het opdisschen van een fabeltje. Ik heb wel eens moeite gedaan om te weten te komen, of mijn ouders mischien leugenaars waren geweest; maar die pogingen hebben tot geen resultaat geleid. Wie hen gekend hadden loochenden 't; doch hun verklaringen boezemden me geen vertrouwen in.

Stelen zonder liegen is ondenkbaar; liegen zonder stelen ook?

Voor mij heeft het stelen alleen in mijn zeer jonge jaren veel verleidelijks gehad. Aan een gestolen knikker hechtte ik toen dubbele waarde en eer ik durfde rooken, stal ik al sigaren uit vaders schrijftafel. Bedriegt mijn geheugen me niet, dan nam ik zelden of nooit iets uit hebzucht weg. Wat mij aanlokte was het prikkelende van een plotselinge, onlogische verrijking.

Ook mijn kras egoïsme spruit niet voort uit groote gehechtheid aan mijn eigendom.

Veeleer is dit het product van mijn steeds binnenwaarts gerichte blik, die het leven en het leed van anderen niet opmerkt. Mijn kennissen - vrienden heb ik nooit gehad - kwamen er niet licht toe mij om een dienstbetoon te vragen; maar deden zij 't, dan weigerde ik zelden. Goedhartigheid was dit niet; daarvoor bleven ze mij te onverschillig; vermoedelijk dreef me de ijdelheid, die zich gestreeld voelde door het ongewone verzoek.

Dat deze ijdelheid me nooit eerzuchtig heeft kunnen maken, heb ik altijd toegeschreven aan lichamelijke zwakte. Elke poging om te volharden greep mij zoo-

[p. 9]

danig aan, dat ik slechts uitputting, geen bevrediging kon vinden in de overwinning van hinderpalen. Weinig dingen hebben mij in mijn jongelingsjaren meer verbaasd dan de ambitie van mijn medescholieren om elkander de loef af te steken. Als ik hen van plannen hoorde spreken om op één te komen, als ik de zenuwachtigheid gadesloeg, waarmee zij de cijfers van hun driemaandelijksche rapporten vergeleken, als ik hun buien van plezier-opofferende werklust waarnam, dan was 't me te moede, alsof ik, met mijn kalme onverschilligheid voor officieele onderscheidingen, met mijn volkomen gebrek aan belangstelling in het oordeel van mijn meesters en met mijn onleschbare dorst naar afwisselende pretjes, een wezen van geheel ander - ik gaf toe slechter - gehalte was dan al de overigen. De woorden: vooruitkomen en beroemd worden oefenden niet de minste aantrekkingskracht op mij uit. Wel begreep ik, dat iemand, die arm is, leeren moet, om later met zijn wetenschap geld te kunnen verdienen; maar de jongens hadden me verteld, dat mijn papa vermogend was: de omstandigheid, dat hij niets meer uitvoerde, scheen dit te bevestigen....waarom zou ik me dus moeite geven voor zulke onaangename dingen als algebra, cosmografie, of maten en gewichten? Was papa rijk genoeg, om zonder iets te verdienen zich al de pretjes te verschaffen, die hij begeerde, dan zou dit met mij - zijn eenige zoon - ook het geval zijn. Ik nam me wel voor andere, interessantere, avontuurlijkere plezieren op te zoeken dan papa deed, die alleen afleiding voor zijn zenuwachtigheid en zeldzame spijzen of wijnen voor zijn gebrek aan eetlust scheen te verlangen; maar voor

[p. 10]

de verwezenlijking van mijn nog zeer onduidelijke idealen was 't stellig niet noodzakelijk, dat ik bijzonder goed kon rekenen of 's nachts de namen der sterren opnoemen. Ik leerde uitsluitend wat me een beetje toelachte, als geschiedenis, of wat ik meende later noodig te zullen hebben, als aardrijkskunde, vreemde talen en geen straffen, geen voorspiegelingen van belooningen, geen vriendelijke of deftige vermaningen waren in staat mij tot een krachtsinspanning te verleiden, waarvan het nut mij onduidelijk bleef. Zoo leuk mogelijk beredeneerde ik mijn gansche doen en laten, en de argumenten om iets te doen moesten al heel krachtig zijn, wilden zij over mijn aangeboren traagheid, die tot laten dreef, zegevieren. Dit voorzichtige stil-overwegen, deze afzondering van mijn actieve makkers, dit argwanend nooit-toegeven-aan-een-opwelling-van-het-oogenblik, bezorgden mij natuurlijk de reputatie van achterhoudend, gluiperig, loensch te zijn. Ik vernam 't wel eerst op latere leeftijd, maar had toch reeds als jongen het gevoel, dat niemand me mocht lijden.

Nu stond tegenover zooveel gebreken wel het voordeel, dat ik volstrekt niet afgunstig was; maar van naderbij beschouwd was dit een zuiver negatieve deugd. Ofschoon ik nooit iemands vermogen, iemands positie heb benijd, is naderhand mijn haat tegen de zoogenaamde normale menschen toch voortgekomen uit wangunst. Als knaap benijdde ik hun, dat zij meer pret hadden, als jongeling, dat zij meer emotie's wisten te vinden, als man, dat zij tevreden konden zijn.

Veel minder dan anderen had ik met mijn ken-

[p. 11]

nissen of met ouderen omgang. Op school verveelde ik me, buiten staat mijn aandacht bij de les te bepalen; op straat zocht ik de eenzaamheid, uit vrees voor onzachte botsingen met ruwere makkers; te huis lieten een ziekelijke vader en een brommige moeder me geheel aan me zelf over.

Toch werd ik wel eens uitgevraagd en moesten die beleefdheden wel eens beantwoord worden. Zulke feestdagen waren voor mij marteldagen. Dan hoorde ik de andere jongens spreken over hun wedijveren, dat mij koud liet, over hun grappen, waaraan ik geen deel durfde nemen en nooit voelde ik mij eenzamer, meer verstooten dan in het gezelschap van mijn tijd- en tot op zekere hoogte lotgenooten. Ik stond buiten alles en, terwijl ik me verbeeldde met mijn eerste mislukte vechtpartij de kring te hebben verlaten, zag ik geen kans er ooit weer in door te dringen.

Natuurlijk had dit ten gevolge, dat de anderen mij uitlachten, minachtten en soms allen tegelijk aanvielen. Dan moest ik me wel verdedigen en deed ik het òf met blinde wanhoopsrazernij òf met al de kleine listen en valschheden, die tegenover zulk een overmacht de kansen eenigszins gelijkmaken. Dit belette echter niet, dat ik regelmatig het onderspit dolf en uit dit voortdurend-gevoed minderheidsbesef ontwikkelde zich een machtelooze verbittering.

Van die verbittering, waartegenover geen liefde stond, was ik me reeds op mijn twaalfde jaar helder bewust; maar vele jaren van aanhoudende zelfbeschouwing en zelfontleding zijn noodig geweest om me te doen begrijpen, hoe i was opgegroeid en waarom i onuitroeibaar moest blijken.

[p. 12]

Onderstusschen was de leeftijd voor me genaderd, waarin de vrouw haar invloed begint uit te oefenen op ons denken en handelen. Liever zou ik neerschrijven: ik werd man; maar het komt me voor, dat ik eigenlijk altijd een schuchtere, onhandige jongen ben gebleven. Het levenslustige krachtsgevoel, dat zoo dikwijls in overmoed ontaardt, heb ik nooit gekend. Voor mij bepaalde zich de ommekeer tot een wijziging in mijn eenzame overpeinzingen, die sterk erotisch werden getint en tot een verandering in mijn geheime liefhebberijen, die voorheen uit kleine diefstallen en andere streken hadden bestaan. Ook kreeg mijn comedie-spelen een nieuw karakter, daar ik nu bij voorkeur de eigenaardigheden van groote, geheimzinninge misdadigers of melacholische romanhelden trachtte na te bootsen. Bij dit fantaseeren van idealen bemerkte ik voor 't eerst, dat verschillende invloeden geheele verschillende menschen in mijn binnenste kunnen opwekken.

Ben ik doorgaans koud, onverschillig, belust op zingenot, onvatbaar voor altruïsme, een paar maten van Wagner, een glas Champagne, een mooie schilderij, een galm kerkmuziek zijn... of liever waren in staat me te vervullen met geestdriftige bewondering, spraakzame vriendelijkheid, cerebrale vereering, zelfverloochenende liefde. Dan wordt het me te moede, alsof mijn traag bloed plotseling sneller gaat stroomen, of er spanning komt in mijn slappe zenuwen, of het licht, kleurig, levendig wordt in mijn mat, grijs, slaperig brein. Ik gruw van mijn gewoon nuchter ik met zijn leukheid tegenover alle belangen, alle banden van het leven, zijn vreemdsoortige begeerte om eens

[p. 13]

menschen, vooral vrouwen te pijnigen en terwijl de lust om een grootsch offer te brengen mijn ziel doorgloeit met een somber enthusiasme, verrijst voor mijn vochtige oogen de vlekkeloos schoone gestalte in het kuisch gesloten gewaad van haar, die ik geknield aanbid, maar nimmer zal bezitten.

Ook een weersverandering: een eerste lentezoelheid na een scherpe winter, een zonneschijn na een grijze regendag, een onweer of een storm na een drukkende stilte, ja, zelfs het opkomen en het ondergaan van zon en maan zijn bij machte me op te heffen tot een verhoogd, een intenser leven en daarom haat ik dan ook de effen zomer- of wintertijd niet minder dan de strakke middeluren van dag of nacht. Gelukkig d.i. tevreden, blij, hoopvol, gezond voel ik mij nooit, want als in mijn beste oogenblikken het verlangen naar een onbekend, overweldigend geluk me opbeurt uit mijn doffe dommel, dan ontwaakt tegelijkertijd mijn pijnlijke droefgeestigheid en welt - zonder dat ik weet waarom - een ‘nooit, nooit’ me voortdurend naar de lippen.

In welke phase ik dus verkeerde, de vrouw werd het overheerschende beeld van mijn mijmeren en naarmate ik haar heviger begeerde, ging ik haar schroomvalliger uit de weg. In mijn kalme morgenstemming lag daaraan de vrees ten grondslag, dat ze mijn lust - die ik verboden, gemeen achtte - in mijn oogen zou lezen; in mijn schaarsche oogenblikken van opwinding was 't de angst, dat ik me in haar nabijheid belachelijk zou aanstellen.

O, wat heb ik toen heet begeerd; wat heb ik toen vurig bewonderd!

[p. 14]

Evenals een droppel ontsnapte rozeolie een gansche zaal van heerlijke geur kan doortrekken, zou mijn heele leven met een verkwikkend aroma gedrenkt zijn geweest, als ik in die jaren een enkel oogenblik van bevrediging had mogen genieten! Wat geeft het, of wij rijk worden, als wij geen wenschen meer hebben? Wat baat het, of wij de genietingen maar voor het grijpen krijgen, wanneer onze zenuwen zijn afgestompt?

Mijn schoolmeester had een mooie dochter, die zich natuurlijk aan de weinige kostjongens elke dag vertoonde; maar voor mij slechts tweemaal 's weeks op de teekenles zichtbaar werd. Dan stond zij aan de hooge tafel naast me en achter het latwerk, waartegen onze voorbeelden hingen, kon ik steelsgewijs blikken werpen naar de blanke hals, de melkwitte slapen en de poezele handjes. Tracht ik haar beeld mij weer voor oogen te stellen, dan meen ik nu haar gelaatskleur eer voos te moeten noemen en haar ronde vormen niet te kunnen toeschrijven aan een gezonde ontwikkeling. Wat hiervan zij, in een nauw aansluitende jersey trokken haar gevulde armen, haar zware boezem, en vooral haar mollige handjes mij onweerstaanbaar aan. Die handen waren zoo wit, zoo klein; ik verbeeldde me, dat ze ook zoo fluweelachtig zacht moesten zijn. De linker lag dikwijls de heele les door vlak naast me en dan was ik niet in staat iets uit te voeren, zoo fel streed mijn lust 'm aan te raken met mijn vrees voor een opschudding. 't Was me niet mogelijk de oogen er van af te wenden. Ik hoorde de vragen niet, die tot me gericht werden en stelde me soms aan als iemand, die maar half snik is. Mijn

[p. 15]

schuwheid werd in dit bijzondere geval nog versterkt door het gerucht, dat een Indische kostjongen, die ik om zijn reuzekracht en zijn uitdagende manieren altijd zorgvuldig vermeed, met het meisje op zeer vertrouwelijke voet stond en dat onvoldaan begeeren, dat kampen met een verlammende vrees brachten me elke Woensdag en Zaterdag in zulk een koortsachtige overspanning gevolgd door afmatting, dat ik zelf niet meer wist, of ik naar de teekenles verlangde, dan wel 'm verafschuwde.

Op zekere Dinsdag werd de Indische jongen ziek en de gansche nacht verdiepte ik me in de vraag: zou ik nu durven?

De volgende dag gaf ik in de morgen-uren op alle vragen onzinnige antwoorden; bij de aanvang van de teekenles stond ik met een gloeiend hoofd op mijn voorbeeld te staren, geeuwend en bevend van zenuwachtigheid, buiten staat mijn aandacht te vestigen, zonder stuur over mijn handen en voeten. De twee uren gingen voorbij; maar ik had evenmin een enkele juiste lijn getrokken als een poging gedaan om mijn brandend verlangen te bevredigen.

De Indische jongen werd eer erger dan beter; tegen de volgende Zaterdag was 't dus wederom: zou ik durven?

Tot halfweg de middag kwam er volstrekt geen beterschap. Mijn wangen gloeiden, mijn oogen staken, mijn lippen beefden en schijnbaar onophoudelijk bezig voerde ik in waarheid niemendal uit.

Toen viel er iets voor, dat me de driestheid gaf, waaraan ik behoefte had. De muziek van een doortrekkend regiment hief in de straat een opwekkende

[p. 16]

marsch aan en 't was, of deze schetterende akkoorden mij de slappe zenuwen spanden. Ik voelde een golf van kracht mijn aderen doorloopen en beeldde me in eensklaps alles te kunnen, alles te durven. Ik lei mijn hand op de mooie, witte vingers, waarvan mijn oogen al weer een uur lang zich geen seconde hadden afgewend en nu gebeurde, wat ik wist, dat gebeuren zou en toch voor onmogelijk hield.... zij trok niet terug.

Nog zie ik de bruine tafel achter het opgehangen voorbeeld, dat ons beveiligde voor onbescheiden blikken; nog hoor ik de marsch, die mij doorgloeide als een warme wijn en somtijds, vooral in het schemeruu van heldere voorjaarsdagen, wanneer het gedruisch van de stad verflauwt en in de verte een klok luidt, dan leeft onder andere verbleekte sensatie's ook de heerlijkheid van deze aanraking nog eenmaal in me op: het voorgevoel van een wellust, zooals ik er nooit een mocht genieten.

Weinige dagen later was de meester - wij zeiden natuurlijk: de oude - jarig.

Het geschenk, dat hem vereerd moest worden daargelaten, vierden wij dat feest elk jaar op onze eigen kosten. Meestal genoten we een goochelvertooning; deze keer hadden de rijke ouders van een paar zwakke tweelingen een hunner boerderijen ter beschikking gesteld voor een buitenpartij. Mij lachte dit uitstapje aanvankelijk weinig toe. Bij dat roovertje- of krijgertje spelen, dat haasje-over springen en stuivertjeverwisselen duchtte ik allerlei botsingen met sterkere jongens. Toen ik echter hoorde, dat zij mee zou gaan en de Indische jongen nog t' huis moest

[p. 17]

blijven, kreeg de zaak een gansch ander aanzien.

Door voorzichtig en zwijgend te dringen, te draaien, te sluipen lukte 't me in het rijtuig een plaatsje naast haar machtig te worden. Dit verzekerde me al vast haar buurschap voor ruim anderhalf uur en in de diepte van de barouchet kon ik gemakkelijk onder haar mantel het verrukkelijke handje omklemmen. Ook thans deed zij geen poging zich aan mijn greep te onttrekken en tegelijkertijd wist ze zoo ongedwongen met de andere jongens door te praten, dat ik me ongestoord aan mijn genot kon overgeven. Ik verbeeldde me nu te weten, wat liefde was en terwijl het verlangen om aan haar voeten, als een offer voor haar geluk, te mogen sterven mijn ziel met weemoed en mijn oogen met tranen vulde, groeide mijn vijandigheid jegens de andere jongens tot brutale verachting.

Toen wij op de plaats uitstapten, had zij me nog geen woord toegevoegd. Zelfs deed ze, alsof de langdurige aanraking van onze handen niet tot haar bewustzijn was doorgedrongen! Die zelfbeheersching leek me al te sterk. Ik verlangde niets liever dan een geheime verstandhouding, waarvan geen derde ooit iets zou ervaren; nu echter kwam de vraag in me op, of zij misschien het kind maar had laten begaan. Gepijnigd door de vrees, dat mijn genot al dadelijk weer tot een begoocheling zou verbleeken, weifelde ik in de eerste verwarrende drukte tusschen een kloek en hoopvol mee-springen, dartelen, stoeien, vechten met de luidruchtige bende, die haar omringde en een theatrale afzondering om aan de jongens te toonen, dat ik me verheven achtte boven hun vermaken en om Mina te

[p. 18]

doen gevoelen, dat zij mijn liefde miskende. Zonder recht te weten waarom, sloot ik me eindelijk bij een troepje aan, dat in een hoog gevulde hooibarg klom en reeds begon ik, op het hooi neergevlijd, mij te verdiepen in de plotselinge vernietiging van mijn luchtkasteel, toen ik tot mijn verbazing haar bruin haar, haar zware wenkbrauwen en haar groote, donkere oogen boven de rand zag opduiken. Ze naderde, keek me even aan en ging zwijgend naast me liggen. Ik vond geen woorden om te spreken en geen moed om me te verroeren.

Een poos stoeiden en schreeuwden de jongens nog om ons heen; toen kwam één van de bende op de inval naar een lagere barg te gaan om eieren te zoeken en, terwijl zij langs de steile rand afgleden, werd het stil en eenzaam onder het lage, donkere dak.

Gerustgesteld en aangemoedigd door haar geheel vrijwillige komst wilde ik weer mijn hand uitstrekken; maar nu rees zij, op haar linker elleboog geleund, half overeind, streek met haar rechter vingers, als met een kam, door mijn haren en begon te praten.

‘Waarom heb je zoolang niets tegen me gezegd?’

Op deze vraag had ik me in 't minst niet voorbereid en toch was 't zoo natuurlijk, dat Mina 'm stelde. Alle jongens spraken haar toe, ik alleen durfde 't niet; maar voelde me wel diep gegriefd, dat het eerste woord niet van haar kant kwam. Ik zag de dwaasheid van mijn handelwijze helder in en ben toch in mijn verdere leven telkens weer op dezelfde klip gestrand. Juist in de gevallen, dat ik een vriendschappelijke, vertrouwelijke omgang wensch, belet me een

[p. 19]

geheimzinnige, onoverwinnelijke weerstand met wat vriendschap en wat vertrouwelijkheid van mijn kant tegemoet te komen. Ik maak me dan diets, dat ik mijn gezelschap niet op wil dringen; doch eigenlijk dient deze verklaring om aan een leelijke zaak een mooie glimp te geven.

Mijn antwoord aan Mina was zoo dwaas mogelijk:

Wel....ik had niets te zeggen.

‘Maar je wilde wel naar me kijken, hè.... vooral naar mijn handen. Zeg maar niet neen. Ik heb heel goed gezien, dat je je oogen er niet af kunt houden!’

Dat zij mijn bewondering had opgelet, trof me niet bijzonder; maar ik vond iets stuitends in de openhartigheid, waarmee zij dit bekende. Evenwel, zij had mijn onbescheiden kijken niet kwalijk genomen; dit gaf me de moed wat verder te gaan,

Dat komt, omdat ik nog nooit zulke mooie handen gezien heb.... Je bent heelemaal zoo mooi.... Mina.

Ik voelde mijn hoofd gloeiend rood worden; maar zij deed, alsof ze 't niet opmerkte, zei alleen:

‘Vin je’

en bleef me lang zwijgend aanstaren.

Eindelijk zeeg zij met een zucht weer achterover in het hooi neer en nadat wij, naast elkander uitgestrekt, een poosje gezwegen hadden, vroeg ze eensklaps:

‘Zeg eens, Termeer, hou je van me?’

Ik voelde mijn schuchterheid wijken, misschien doordat zij me niet meer aankeek; roerloos in de donker bruine bargkap turend antwoordde ik bijna flink:

Ik heb al zoo lang van je gehouden; maar ik dacht, dat jij meer op die gele Chinees was gesteld.

[p. 20]

‘Jan Bronte?’

Precies.

‘Je lijkt wel gek! Ik zou zelf ziek worden van dat eeuwige hoesten.’

Weer richtte zij zich half op om met haar vingers door mijn haar te kunnen strijken. Ik greep naar haar hand. Om zich te verdedigen begon zij me te kietelen, wat ik in 't geheel niet velen kan en al stoeiend rolden we een tijd lang door het hooi heen en weder, sprongen op, vielen weer en begonnen al zenuwachtiger en zenuwachtiger te lachen. Toen pufte zij eensklaps van de warmte, riep uit, dat we weer stil moesten gaan liggen en vlijde zich neer.

Aanstonds liet ik me naast haar vallen.

Nu wilde ik me dicht tegen haar aan drukken om fluisterend te herhalen, dat ik zoo dol veel van haar hield en zoo graag voor haar wilde sterven. Doch op dit oogenblik stroopte zij haar mouw tot aan de schouder op en strekte de bloote arm onder mijn hoofd uit.

‘Ga nu maar liggen of.... wil je soms niet?’

Als verblind door een schitterend visioen kon ik nauwelijks vorm en kleur onderscheiden. Ik zag maar iets heerlijk wits. Het duizelde me voor de oogen; mijn hoofd zonk neer en onder mijn hals de fluweelachtige weekheid gewaarwordend van haar zacht vel, voelde ik, dat het uit was met mijn aetherische, opofferende liefde. De hitte van het hooi doorgloeide mijn aderen met begeerte en door al mijn zenuwen liep een wellustige siddering. Ik hoorde het gegons van de jongens heel ver af; het zonlicht scheen me bij vlagen te verduisteren en

[p. 21]

een lust om de kleeren af te rukken van de blankheid, die ik naast me vermoedde, woelde als een koorts door mijn bloed, tintelde in mijn vingertoppen.

Toch dorst ik niet.

Lange tijd lag ik machteloos ten prooi aan de strijd, die mijn hevig verlangen en mijn verlammende lafhartigheid samen streden; maar het einde was, dat mijn lafheid weer zegepraalde en dat de zeldzame tijd ledig voorbij joeg.

Misschien moest ik zeggen: mijn beter ik overwon; maar heeft dit beter ik nog recht op zijn naam, wanneer het ons in plaats van de zelfvoldoening en de tevredenheid, die op zulke overwinningen heeten te volgen, slechts zelfverachting en spijt verschaft?

Heb ik ooit later in mijn ernstige pogingen om goed te zijn, iets genoten, waarbij ik in gedachten met evenveel voldoening verwijl, als ik thans met bittere onvoldaanheid terugdenk aan dat uur van lafheid, waarin ik ‘fatsoenlijk’ ben gebleven?

‘Maar je zoudt je zelven in een zee van onaangenaamheden hebben gestort!’

Zelfzuchtig argument! Ik had dan toch ook een buitengewoon genot gesmaakt, terwijl ik nu maar op armzalige uitspattinkjes terug kan zien, die de zee van onaangenaamheden veranderd hebben in een walgelijk moeras.

De kracht, waarmee ik de zoogenaamd deugdzame, normale, maatschappelijk goede menschen heb benijd, bewijst genoegzaam voor de oprechtheid, waarmee ik gewenscht heb een van de hunne te mogen wezen. Nu deze wensch niet vervuld is geworden, omdat zijn vervulling onmogelijk was; nu ik noch de geoorloofde

[p. 22]

smarten heb geleden, noch de geoorloofde genoegens heb gesmaakt, nu vraag ik, waarom 't mij niet vergund zou geweest zijn naast mijn eigen ellende te kennen mijn eigen genot?

Mij verbaast het niet meer, dat de maatschappelijke samenleving uit zelfbehoud wezens, zooals ik er een ben, brandmerkt en bij de eerste geschikte gelegenheid opsluit of onder curateele plaatst; maar moet een ander er zich dan wel over verbazen, dat ik berouw gevoel over elk beetje ontsnapte bevrediging, beslopen met de vreesachtigheid van een gejaagd roofdier?

‘Het ware uw plicht geweest u zelf te verbeteren, smaak in edelere genietingen te leeren krijgen.’

Heb ik 't dan niet gewild, niet vruchteloos beproefd?

Temmen door dwang, d.i. mishandelen door overmacht laat zich menig dier; maar eerst door een overerving van vele geslachten kunnen oude lusten afsterven en nieuwe er voor in de plaats treden.

Of Mina insgelijks teleurgesteld is geweest?

Ik geloofde destijds nog, dat iedere vrouw gerespecteerd wil worden en zeker is 't, dat zij nooit iets liet blijken, terwijl onze platonische liefde - na het vertrek van den Indischen jongen, die het klimaat niet kon verdragen - een chronisch karakter aannam. Behalve op de teekenlessen ontmoetten wij alleen dikwijls op straat. Waarschijnlijk spraken we dan over liefde; maar ofschoon ik er nog wel eens in slaag haar beeltenis in mijn geheugen terug te roepen en flauw weer de aandoeningen te gevoelen, die zij toen in me opwekte, kan ik me onmogelijk herinneren, wat we samen behandelden. Het geheel innerlijke leven, dat mijn aandacht meer

[p. 23]

en meer van de buitenwereld afleidde, was toen reeds bij me aangevangen. Ik deed geen poging om haar te doorgronden; maar verdiepte me uitsluitend in de emotie's door haar aanblik, haar aanraking, haar woorden, haar kussen in mijn gemoed verwekt. I enjoyed myself: te vertalen door: ik onderging het knagen van mijn zinnelijk begeeren of de druk van mijn zelfverloochenend aanbidden. Nu eens bekoorde Mina mij als een verleidelijk vrouwelichaam, dat ik wilde zoenen en bijten, soms ook knijpen en slaan, dan weer had ik graag haar handen, haar hals, ja, zelfs haar mond met een sluier bedekt, om alleen in haar oogen te staren, lief te hebben en te sterven.

In deze laatste gevoelstoestand was 't me volkomen onbegrijpelijk, dat ik nog kort geleden Mina met zoo'n gansch andere blik had beschouwd en beeldde ik me in nooit tot die leuke dierlijkheid terug te kunnen keeren; maar de opwinding verflauwde spoedig genoeg en dan werd het me even raadselachtig, dat die zaligmakende emotie zoo spoorloos was verdwenen.

Toch was er leven in een afwisseling van stemmingen groot genoeg om me aan een afwisseling van menschen in hetzelfde omhulsel te doen gelooven. Was echter een der vacantie's ingetreden, welke Mina geregeld buiten de stad bij haar familie doorbracht, dan verbleekten al mijn gevoelens tegelijkertijd en bleef in mijn ziel alleen een ondraaglijke dorheid achter. Niets lachte me meer toe; de vrijheid, waarvan - naar ik meende - ieder ander mensch genoot, leverde voor mij slechts grijze verveling op en zag ik Mina

[p. 24]

terug, dan ondervond ik niet alleen weer de verlammende werking van mijn gewone schuwheid; maar dan boezemde zij me in de beginne zelfs een vreemdsoortige afkeer in. Ik vermeed haar even stelselmatig als mijn kameraden en het duurde lang, eer de oude gevoelens terugkeerden en de vroeger vertrouwelijkheid weer opleefde.

Natuurlijk vroeg zij me dan naar een opheldering van mijn zonderling gedrag en moest ik allerlei wonderlijke leugens verzinnen om schijnbaar te verklaren, wat ik zelf niet begreep. Zoo menig auteur heeft beschreven hoe vreeselijk het is, als iemand zich bedrogen ziet in een ander. Hoe komt het, dat nog geen schrijver eens verteld heeft hoeveel erger het is bedrogen te zijn in je zelf? Wat me het meest ontstemde was de grievende overtuiging, dat ik niet de geringste aanleg bezat voor een der heldenrollen, waartoe ik me zelf wel eens in de toekomst bestemde. Voor een Don Juan ontbrak me de driestheid, voor een Ritter von Toggenburg de standvastigheid, voor een Raimondo Lullio de volharding in de Entsagung. Aan alle vluchtige en tegenstrijdige opwellingen was ik ten prooi, doordat geen ernstig streven in mijn ziel wortel kon schieten. Zelfs aan het genot was ik niet in staat trouw te blijven, wijl mijn lusteloosheid alles overweldigde, verkleurde en smoorde. Eer ik wist wat leven was, voelde ik me al langzaam afsterven en nu.... op nog geen veertigjarige leeftijd.... leef ik eigenlijk alleen nog in mijn verbeelding.

 

Intusschen had ik met goed gevolg mijn examen voor de Hoogere Burgerschool afgelegd.

[p. 25]

Gewoon me zelf te onder- of liever andere menschen en elke moeilijkheid te overschatten, was ik over deze uitslag niet weinig verwonderd. Tegelijkertijd stemde i me treurig, omdat ik voelde, dat mijn verandering van school tevens mijn verwijdering van Mina zou zijn. Wel maakten we allerhande afspraken, die ook een tijdlang werden nagekomen; maar allengs kwijnde onze verstandhouding weg, zonder me iets anders na te laten dan het gevoel van onvoldaanheid, dat nog altijd aan haar herinnering verbonden is. Mijn liefde verdween als een regendruppel in heet duinzand; wat achterbleef was een vuil bruine plek.

Mijn Burgerschool-jaren werden gekenmerkt door een steeds klimmende angstvalligheid tegenover het vrouwelijk geslacht, gepaard aan een groeiende afkeer van mannelijk gezelschap. Ik werd al schuwer en schuwer, voelde me alleen in de eenzaamheid op mijn gemak en besefte toch, dat ik mijn dorst naar genietingen van allerhande aard nooit in deze eenzaamheid zou kunnen lesschen.

Mijn levenskracht was groot genoeg om duizenderlei begeerten in me op te wekken; maar scheen te zwak om één dier begeerten te bevredigen. Elke avond nam ik me voor de volgende dag moediger te zijn en elke volgende morgen volhardde ik als verlamd in de saaie sleur. Hoeveel verhalen me ook ter oore kwamen van stoute stukjes door andere jongelui uitgehaald, de vrees voor mislukking en spot was de ketting aan mijn voet, die mijn vrijheid van handelen beperkte.

Toch droomde ik nog altijd van een betere toekomst, die aan zou breken, zoodra ik maar geheel en

[p. 26]

al mijn eigen meester was en, door middel van wijn of likeur, slaagde ik er zelfs in mij hallucinatie's te bezorgen van de ideale vrouw, wier bezit zoowel de nuchtere genieter van 's morgens als de overspannen dweper van 's avonds in me bevredigen zou.

Zoo doorleefde ik oogenblikken van genotvolle opwinding, waarin ik 's winters gedichten las, 's zomers buiten ronddwaalde en alle schakeeringen der liefde in mijn fantasie genoot; maar een drukkend voorgevoel, dat de werkelijkheid nooit aan mijn verwachtingen zou beantwoorden en ik altijd dezelfde onhandige lafaard zou blijven, trok over dit zonnig zieleleven de zwarte wolkschaduwen der zwaarmoedigheid heen.

Dan was 't uit met mijn roes en zag ik alles weer oversausd door het terugstootende grijs van de alledaagschheid. Met een zwaar hoofd sloop ik naar bed en niet zelden sloot ik toen reeds de oogen met het ver langen nooit weer te zullen ontwaken.

In het leeren was ik noch bijzonder vlug, noch bijzonder achterlijk. Meestal nam ik in elk nieuw vak een goede aanloop om dan langzamerhand te vertragen en ten slotte zelfs wat achteruit te gaan. Dat bijna elke studie me gauw verveelde, was misschien eer een gevolg dan de oorzaak van dit verschijnsel. Zelfs in mijn lievelingsvakken als scheikunde, physica en literatuur raakte ik spoedig in de war en dan maakte ik tegenover minder gevorderden zulk een treurig figuur, dat mijn gebrek aan eerzucht mij niet tegen moedeloosheid kon vrijwaren. Voor mij, evenals voor de negers, scheen de hooste grenslijn van intellectueele ontwikkeling erg laag te liggen en beteekende het dus niemendal, of ik 'm langzaam kruipend dan

[p. 27]

wel met één vlugge sprong bereikte. Er over heen kwam ik toch niet.

Het spreekt van zelf, dat, na een goed begin vol ijverige vorderingen, niemand de ware reden van deze vertraging en deze verslapping bevroedde. Alles werd aan onwil toegeschreven en omdat ik me zelf destijds nog niet zoo goed doorgrondde als tegenwoordig; maar wel besefte, dat me onrecht werd gedaan, zweeg ik op die verwijten en verschanste ik me in een ongenaakbare stugheid. Op deze wijze nam mijn vijandigheid tegenover kameraden en leeraren nog immer toe, om zich uit te breiden tot de curatoren, mijn ouders en alle niet-onbeduidende menschen, met wie ik in aanraking kwam Het was me, of ik op ieders gelaat mijn veroordeeling las en ik voelde, dat die rechters me niet kenden. Had ik toen maar ingezien, dat in de regel de onverschilligheid van de menschen hun strengheid erg verzacht.

Buiten staat mijn leven door eigen kracht te verbeteren, vestigde ik telkens mijn hoop op de veranderingen, waartoe ik gedwongen werd. Voor iedere jongen zijn verwisselingen van school, opklimmingen naar hoogere klassen ommekeeren in zijn bestaan; ik hoope vruchteloos, dat ze ook tot revolutie's in mijn binnenste zouden worden. Ik kon me vast voornemen onder nieuwe makkers niet langer schuw, tegenover nieuwe meesters niet langer wantrouwend te zullen zijn, de invloed van de nieuwe omgeving was integendeel, dat ik nog angstvalliger, nog achterdochtiger, nog weifelender, nog bescheidener werd. Om met menschen, lokaliteiten, toestanden op mijn gemak te komen, moest ik een groote zelfoverwinning behalen

[p. 28]

en zag ik ondertusschen, dat anderen licht viel, wat mij zulk een ontzaglijke inspanning kostte, dan overmande me de wanhoop en bond ik zelfs de strijd niet aan. Hoe besluiteloos ook omtrent mijn toekomstige loopbaan, toch stelde ik me voor een - voor me zelf - belangwekkende rol van Mefistofelisch Don Juan in de samenleving te zullen spelen; maar zoo dikwijls 't me in het oog sprong, dat andere jongelui zich al gemakkelijk onder menschen wisten te bewegen, terwijl ik door mijn geboortestad ronddoolde, als een reiziger in een vreemd land, vertwijfelde ik er aan die toekomst ooit te zullen verwerkelijken. Er was maar een eerste stap voor noodig; maar 't was me onmogelijk die te zetten. Ik bleef alleen door de straten dwalen en ontmoette niemand om te groeten; ik liep alleen het schoolgebouw uit en mijn buren, met wie ik zooeven nog had gesproken, sloten zich nu bij een dichte jongensdrom aan, waarin voor mij geen plaats scheen te zijn; ik zat alleen t'huis te werken of te mijmeren en geen vader of moeder keek naar me om, geen vriend zocht me op.

In deze afzondering te midden van honderdduizenden stadgenooten, die ik zag loopen, die ik hoorde gonzen, die me in de volle straten aanraakten, die me in het schoolgebouw toespraken, leidde ik een zuiver gevoelsleven, dat alleen berustte op verbeelding. Meestal waren mijn fantasieën grof sensueel; soms had ik visioenen van aetherische reinheid. Dan voelde ik me een goed mensch worden en om die ras verkillende, lichtend warme weekheid zoo lang mogelijk te laten duren, probeerde ik door drank de opwinding in mijn zenuwen te verlengen.

[p. 29]

Denk ik thans aan die jaren terug, dan is 't me, of ik ze verslapen heb in een onrustige sluimering vol vreemdsoortige droomgezichten.

Dikwijls genoeg kwam de lust in me op eens uit mijn afzondering te voorschijn te treden, deel te nemen aan uitspanningen, die me toelachten, vroolijk en gewoon te worden gelijk anderen. Bood zich evenwel een gunstige gelegenheid aan, dan aarzelde ik juist lang genoeg om 'm voorbij te laten gaan. Natuurlijk was mijn aangeboren bedeesdheid hierbij in het spel; maar bovendien voelde ik - juister: waande ik - dat iedereen me onaangenaam, vervelend, onbeduidend vond en mijn trots kwam in opstand tegen het denkbeeld van slechts geduld te worden.

Zoo gebeurde 't, dat ik werd uitgenoodig toe te treden tot een letterlievende kring met een beperkt aantal leden. Een oogenblik was ik gestreeld en tot aanneming van het voorstel geneigd; maar toen bekroop me de argwaan, dat de vraag pas tot mij werd gericht, nadat alle anderen hadden bedankt. De vrees voor moeilijkheden, waartegen ik misschien niet opgewassen zou zijn, werkte mijn beleedigd zelfgevoel in de hand en ik zeide neen, ondanks mijn overtuiging, dat ik me hoe langer, hoe onmogelijker maakte.

Eenige tijd later spraken een paar kennissen er van paardrijles te gaan nemen en sloot ik in een opwelling van durven me ongevraagd bij hen aan. Mijn ouders hadden er niet tegen, mijn lust was groot genoeg en een beetje zenuwachtigheid fnuikte mijn moed niet, wijl ik me inbeeldde met de anderen op gelijke lijn te staan. Nu bleek het echter, dat wel is waar

[p. 30]

geen onzer ooit les in het vak had genomen; maar ik toch de eenige was, die nog nooit een ezel of een paard had bestegen. Dit was voldoende om me weer ter neer te slaan. Op de eerste lessen meldde ik me ongesteld en later gaf ik onder een ander voorwendsel de zaak geheel op.

Tegenover jonge meisjes stelde ik me nog veel verlegener aan en nadat ik me van een paar uitnoodigingen voor danspartijtjes met zwakke uitvluchten af had gemaakt, nadat mijn beschroomdheid me een onoverkomelijk beletsel was gebleken om ergens aan te schellen voor het afleggen van een bezoek, bleven verdere invitatie's van zelf uit. Ik besefte volkomen goed, dat de wereld me ontglipte en was toch niet in staat mij er aan vast te klampen. Een naar alle zijden afstootende atmosfeer, een soort isoleerende toovercirkel scheen me te omhullen en ik begreep, dat hoogstens een verwonderd: ‘zoo’ mijn Burgerschoolkameraden zou ontsnappen, indien ze eens onverwachts vernamen: Termeer is dood.

Terwijl alles dus meewerkte om me hoe langer hoe afkeeriger te maken van elk handelend optreden en de aanhoudende strijd van deze inertie met de begeerte om toch eindelijk eens een werkelijk genot meester te worden, mij dikwijls 's avonds in koortsachtige opwinding de volle straten doorjoeg, zag ik met klimmende angst de tijd naderen, dat ik in het ernstige leven, het leven van zaken en plichten, van geld verdienen en vooruitkomen, van stipt gehoorzamen en lastige verantwoordelijkheid mijn rol zou moeten vervullen.

Ik was doodsbang voor de maatschappij. Meestal gaf i me de indruk van een soort kale, donkere

[p. 31]

straf kolonie te zijn, waarin geketende misdadigers door meedoogenlooze opzichters met zweepslagen aan het werk worden gehouden. Soms leek i me een reusachtig, geheimzinning raderwerk, dat zijn machinisten de leden verbrijzelt bij de minste achteloosheid of verkeerde beweging. Ik voelde, dat ik er nooit op mijn plaats zou zijn, ja, dat ik nooit de moed zou hebben de drempel van die duistere, benauwende inrichting te overschrijden.

En al zou de Burgerschool me niet onmiddellijk aan het gevreesde tuchthuis afleveren, de Politechnische school scheen me een maatschappij in 't klein: een somber voorspel van het groote drama.

Zoowel tegen de groentijd als tegen het collegeloopen, in 't algemeen tegen alle handelingen, waarbij ik niet een van A tot Z voorgeschreven gedragslijn kon volgen, maar uit eigen beweging, naar de eisch van het oogenblik, te werk moest gaan, zag ik op als tegen een Chimborasso van bezwaren.

Op de Burgerschool bleef ik zes jaren.

 

Eindelijk was de groote dag daar: de dag van het examen voor Delft.

Maar toen klom mijn angst tot zulk een hoogte, dat ik, als een schuw paard voor een schitterende plas, met alle kracht, die in me was, terugdeinsde voor het onbekende gevaar. Ik deed, zonder eenige schaamte, mijn best om te druipen en .... werd dan ook afgewezen.

Het veroordeelend vonnis weergalmde als een zegekreet door mijn hoofd en t'huis had ik moeite mijn blijdschap verborgen te houden.

[p. 32]

De ontvangst, die me van de oude heer te beurt viel, zal ik niet licht vergeten.

Hij liet me bij zich komen in zijn zoogenaamd kantoor, waar al wat het oog kan streelen en de geest bezighouden, nooit meer bij machte was hem langer dan een half uur achtereen te boeien. Hem bracht de kleuren-harmonie van de donker roode gordijnen met het Smyrnasche kleed en de notenhouten meubelen in geenerlei stemming; hem liet de boekenschat van pikante, wijsgeerige en belletristische literatuur volkomen onverschillig; hem leidden de terra-cotta beeldjes, de majolica-vazen, de bronzen reliefs niet af. Steeds gejaagd en toch zich vervelend, liep hij elk half uur met een brommig gezicht het huis zuchtend door, zonder ooit recht te weten, wat hij van deze onderzoekingstochten verwachtte en drie maal per dag toog hij doelloos naar buiten, altijd grommend over wind of regen of hinderlijke zonneschijn. In zijn jeugd had hij zóó vroolijk geleefd, dat men hem en zijn vrienden lange tijd de naam gaf van zwarte bende. Van deze vroolijkheid was echter niets meer overgebleven dan een zeldzame zenuwachtige lach-uitbarsting, veroorzaakt door een schuine mop of door minachtende verbazing over een menschelijke domheid.

Op vijf en dertig jarige leeftijd had hij zijn jeugd gesloten verklaard en was hij getrouwd. Eigenlijk zou hij verstandiger hebben gedaan een huishoudster te nemen, want meer verlangde hij niet; maar ondanks zijn vrije moraal stoorde hij zich aan de maatschappelijke vormen.

Op zekere dag vroeg hij aan een goede vriend

[p. 33]

(van wiens zoon ik later de geschiedenis vernam) of deze soms geen vrouw voor hem wist, die niet piepjong meer was, een beetje geld met wat overblijfselen van schoonheid aanbracht en aan het leven hoegenaamd geen eischen stelde. De vriend wees hem op de wandeling een oude vrijster aan, die een onaangenaam 't huis had gekend bij een jichtige vader, en mijn oude heer vroeg de onbekende nagenoeg op staande voet. Om zich niet al te erg te vervelen, zocht de man toen baantjes te krijgen. Hij begon met secretaris van een paar bonden, penningmeester van eenige stichtingen, president van ettelijke vereenigingen te worden en ontwaakte bij gevolg op een goede dag als lid van de gemeenteraad. In laatstgenoemd college sloeg hij nog al een hooge toon aan; maar het duurde niet lang, of hij moest weer zijn ontslag nemen en voor zijn gezondheid gaan leven. Zijn zenuwen waren van streek en van die tijd af trok hij dan eens naar Zwitserland om een luchtkuur te doen, dan naar een zeebad om zich in het zilte nat te dompelen, dan weer naar een specialiteit in het oplappen van ondermijnde gestellen.

Niets baatte.

Hij werd hoe langer hoe prikkelbaarder en sprak hoe langer hoe minder. Ik geloof niet, dat hij zijn eenige zoon ooit een vriendelijk of zelfs een belangstellend woord heeft toegevoegd. Integendeel liet hij altijd duidelijk genoeg merken, dat mijn tegenwoordigheid hem bijzonder hinderlijk was. Of ik sprak te luid, òf hij kon mijn aanhoudend stilzwijgen niet verdragen, terwijl mijn kleine verkeerde gewoonten, als op mijn nagels bijten of noodeloos kuchen hem

[p. 34]

soms vloekend deden opstuiven. En nooit liet mijn moeder dan na, op minachtende toon, aan het standje een voorspelling toe te voegen van al de onaangenaamheden, die ik mijn ouders op de hals zou halen en al de ellenden, die ik me zelf bereidde.

Kwam het op betalen aan, dan was de oude heer vrijgevig genoeg, zoowel voor mijn lessen als voor mijn plezieren; maar dit was dan ook al, wat hij voor mijn opvoeding deed. Op zijn manier hield hij van zijn zoon; maar wat is dat houden-van waard, wanneer iemand versleten, op is? Kan ik nog van iemand houden?

Van mijn moeder ondervond ik weinig meer hartelijkheid. Zoolang ik nog het aardige popje was, dat mooi werd opgedirkt en waarmee ze pronken kon, had ze druk met me gespeeld; maar toen ik in mijn ontwikkeling stug, eenzelvig, leelijk werd en haar nooit meer een gelegenheid verschafte om een beetje met me te bluffen, nam haar onverschilligheid omtrent mijn doen en laten met den dag toe. IJdelheid was haar eenige sterk-sprekende karaktertrek. Om die reeds half teleurgestelde ijdelheid nog te kunnen bevredigen had zij mijn vader aangenomen; maar zijn ziekelijkheid, die haar weer van de wereld afzonderde, verijdelde deze bevrediging geheel en begroef haar bovendien onder lastige zorgen.

Mijn vader liet me dus op zijn kantoor komen en vroeg, onder het innemen van een lepel Brom-Kalium, naar de afloop van het examen.

Ondanks een groote lust om me voor 't oogenblik met een leugentje van de zaak af te maken, bekende ik gedropen te zijn.

[p. 35]

De oude heer werd niet dadelijk boos - zooals ik had verwacht - en toonde evenmin verwondering.

‘Zoo.... Ja....'t was te voorzien. Ik ten minste heb me niet gevleid. Ik wist wel, dat ik nooit plezier van je zou beleven. Dat verbaast je, hè? Je denkt, dat ik niet op de hoogte ben, omdat ik je niet de heele dag op je vingers kijk! Ik ben toch op de hoogte; dat zie je. Het verwondert me alleen, dat je er niet om liegt! Dat hoorde er zoo bij!’

Ik zweeg, omdat ik niets wist te antwoorden, voelde, dat mijn zwijgen hem kregelig moest maken en kon toch geen woord uitbrengen.

‘Is 't beneden je waardigheid een woordje van spijt uit te spreken?’

Ik bleef zwijgen en begon onwillekeurig op mijn nagels te bijten.

‘Als je die nagels nu eens met rust liet, hè? Je weet, dat zulke dingen me zenuwachtig maken!’

Opgestaan liep de oude heer een paar malen de kamer op en neer; daarna ging hij weer zitten. Ik kreeg trek zonder iets te zeggen heen te gaan; maar hij keek me weer aan en hernam:

‘Weet je wel, dat over jou niemand tevreden is: de curatoren evenmin als de leeraren, de directeur of ik? Je kop is goed genoeg; die heb je van je vader; maar je doet net, of 't er voor jou volstrekt niet op aankomt. Werken schijnt ook al beneden je waardigheid te zijn. Ieder jaar heb je in het begin je best gedaan; maar zoodra je zag, dat je de grootste helft van je klasse vooruit was, dacht je: nu weet ik er meer dan genoeg van en ga ik op mijn lauweren rusten. Anderen waren minder dwaas en bleven

[p. 36]

doorwerken. Die zijn er dan ook zeker doorgekomen en jij bent als een straal gezakt! Krek, wat je verdient!’

Duidelijk herinner ik me op dit oogenblik een zeldzame behoefte gevoeld te hebben om eens de waarheid te spreken en deze man, die zoo goed op de hoogte meende te zijn, het bewijs te leveren, dat hij hoegenaamd niets van me begreep.

Toch bleef ik zwijgen.

Ik zag, dat zijn baardelooze, ingevallen wangen dof rood werden, terwijl hij onrustig op zijn stoel heen en weer begon te schuiven. Zijn half toegeknepen, zwarte oogen wierpen me snelle, nijdige blikken toe, zijn rustelooze vingers schoven al de kleine voorwerpen op zijn schrijftafel van rechts naar links en vice versa. Ik moest mijn opzet bekennen, wilde ik vergen, dat hij mij begrijpen zou en .... toch bleef ik zwijgen.

Eindelijk ging hij voort:

‘Het spreekt van zelf, dat jij je als een slachtoffer van groot onrecht beschouwt! Al die examinatoren zijn partijdig, niewaar? Ze hebben 't in 't bijzonder op jou gemunt! Is 't niet zoo? .... Nu, spreek dan toch; is niet 't zoo?’

‘Als u 't zegt, zal 't wel waar zijn.’

Dit antwoord maakte hem woedend.

‘Weet je, wat je bent? Een pedante gek! Daarvoor sta je bekend onder je kameraden en ze hebben gelijk! Je ziet op iedereen neer, alsof je heel wat bijzonders was! Je praat met niemand, alsof je woorden parelen voor de zwijnen zouden wezen! Je zondert je af, alsof de omgang met anderen je bezoedelen kon! Dat is nu nog alleen belachelijk, belachelijk en dom; maar eens zal

[p. 37]

het je verderf zijn! Je bent bezig onmogelijk te worden en wat je ook aan zult vangen, alles zal je mislukken. Wij, menschen, hebben elkaar noodig en moeten elkaar dus ontzien. Al stamde je ook af van Alexander de Groote en kon ik je het fortuin van een Rothschild nalaten, dan zou je nog verstandig doen met vriendelijk en voorkomend te wezen. Nu je tot een goede, maar eenvoudige, burgerlijke familie hoort en na mijn dood juist genoeg zult bezitten om fatsoenlijk te kunnen leven, nu lijk je wel krankzinnig, wanneer je de menschen afstoot en er niet in tijds voor zorgt goede relatie's te krijgen. Als je wijzer meent te zijn dan je vader, die zooveel ouder is, ga dan je gang; ik zal 't me niet meer aantrekken. Ik heb voor je gedaan, wat ik kon; nu moet je 't maar zelf weten. Wie niet hooren wil, moet voelen! Liefde hebben we van jou toch evenmin genoten als vertrouwelijkheid! Maar ben je nog toegankelijk voor goede raad, denk dan aan 't geen ik je gezegd heb.... Eén ding wil ik je wel bekennen: van een jongen als jij, kan ik geen hoogte krijgen! Als het aankomend geslacht meer zulke exemplaren rijk is, dan zal 't er lief op de wereld gaan uitzien!’

Bij deze woorden kon ik een glimlach, die iets zeer kwetsends moet gehad hebben, niet onderdrukken. Ik zie nog, hoe mijn vader plotseling, in een paroxysme van drift, opvloog, mij eerst ettelijke vloeken naar het hoofd wierp, dan de gebalde vuisten ophief, eenige afgebroken, onsamenhangende, scheldende frasen uitstotterde en eindelijk, toen mijn moeder binnentrad, de kamer uitstormde, schreeuwend:

‘Zoo'n wezen zou je een beroerte op het lijf jagen!

[p. 38]

En dan moet je nog dankbaar zijn, dat je een kind hebt! Die jongen is mijn dood! Je zult zien, dat die jongen mijn dood is!’

En nauwelijks was hij weg, of mijn moeder begon met haar eigenaardige, kalme, verdrietige geringschatting:

‘'t Is wat mooi's je zieke vader zoo te behandelen. Als hij morgen sterft, heb jij 't op je geweten! Maar dat kan jou niet schelen, hè? Jou kan niets schelen! Je zwijgt maar en denkt er het jouwe van!’

Lang, ontzenuwend lang praatte zij door, weidde uit over de liefde van ouders en de ondankbaarheid van kinderen, verviel in herhalingen, slaakte zuchten, stortte tranen, werd insgelijks wrevelig over mijn aanhoudend stilzwijgen en eindigde met uit te roepen:

‘Ik heb nog nooit zoo'n onverschillige druiloor gezien! En achter de mouw heb je 't ook! Wat er van jou moet worden, mag God weten! De meisjes zullen je zien komen met je stuursche gezicht! En was je nu nog maar een mooie jongen; maar die jou neemt, doet 't ook om ons beetje geld, hoor!’

Weer bekroop me de lust eens te openbaren wat er in me omging; weer zweeg ik, omdat de woorden niet over mijn lippen wilden. Na een korte aarzeling liep ik maar weg en sloot me boven in mijn kamer op.

Ik heb zelden tranen vergoten, tenzij bij het hooren van muziek. Na dit onderhoud echter, herinner ik me lang en bitter te hebben gehuild.

O, ik wist wel, dat de menschen mij evenmin begrepen als ik hen; maar gold dit dan ook voor mijn vader en mijn moeder? Ik wist wel, dat een groot deel van de schuld bij mij lag; maar had ik geen

[p. 39]

recht wat toegeeflijkheid, wat medelijden althans te verwachten van hem, die beweerde, dat ik mijn helder hoofd niet aan mezelf dankte?

Moedwillig was ik gedropen en die slechte afloop van het examen had hen niet verbaasd!

Nooit hadden zij een vertrouwelijk woord met me gewisseld en toch meenden ze me te kennen!

Het oordeel van een paar meesters namen ze grif over, zonder zelfs op de inval te komen, dat een vader en een moeder beter dan vreemden in staat moesten wezen hun kind te beoordeelen!

En dat waren nu mijn natuurlijke en beste vrienden!

Dat waren de menschen, bij wie ik raad en troost moest zoeken, voor wie ik eerbied en liefde moest gevoelen!

Zij hadden aan derden gevraagd: hoe is die jongen nu eigenlijk, want wij begrijpen hem niet en toen het antwoord was geweest: hij begint goed, doch vertraagt, dus wil hij niet; hij zondert zich af, dus ziet hij op anderen neer; hij zegt weinig, dus is hij pedant; toen waren zij ook met hun oordeel niet achter gebleven en hadden ze mij gevonnist zonder naar mijn verdediging te vragen.

Ik, die mij zelf zoo klein, zoo onbeduidend, zoo geminacht, zoo verstooten vond.... pendant! -

't Was kil en grauw in mijn kleine kamer achter de gegrendelde deur. Toch bleef ik er, omdat ik me alleen daar veilig voelde.

Liefde had ik nooit voor mijn ouders gekoesterd. Daar hadden zij 't niet naar gemaakt en daar hadden ze mij niet naar gemaakt. Maar nu was zelfs

[p. 40]

de alledaagsche gewoonte-vriendelijkheid in stille vijandigheid omgeslagen.

Zeker had ik beter gedaan te spreken, mij te verdedigen; maar was 't niet aan hen geweest te begrijpen, hoe moeilijk me dit viel?

Ik voelde me diep verongelijkt en kon het verbitterende tooneel niet van me afzetten.

Uit het raam hangend recapituleerde ik tallooze malen vaders harde, domme beschuldigingen en hield ik in mijn binnenste eindelooze pleidooien met de overtuiging, dat mijn lippen er nooit een letter van zouden uiten. Uren lang keek ik in de straat neer op het rusteloos dooreen dwalen der menschen, die slenterden, wandelden, liepen, draafden en allen schenen me gelukkig toe, tevreden met hun lot, bij machte het te verbeteren, niets onbereikbaars verlangend. 't Was, of zij een groote broederschap vormden, waarvan alle leden elkander kenden, vertrouwden, liefhadden, hielpen en of ik alleen daar niet in opgenomen was, daar nooit in opgenomen zou worden. Toen heb ik voor 't eerst de lust in me voelen opkomen om weg te loopen, ver, ver weg, onverschillig waarheen, als 't maar naar een plek was, waar ik geen verleden had en waar niemand me kende. En dacht ik aan zoo'n plek, dan zag ik er me zelf heel anders dan ik was.

Alsof een nieuwe omgeving me had kunnen veranderen! Alsof een mensch in de voortdurende wisseling van al zijn bestanddeelen niet overal de onveranderlijke kern meedraagt, waaruit hij zich gestadig vernieuwt!

Eindelijk schoten me de woorden van mijn moeder

[p. 41]

ook weer te binnen en onwillekeurig ging ik voor de spiegel staan om me zelf te beschouwen.

Zij had gelijk. Mijn mager gelaat met de fletse, gepukkelde huid, de bleek blauwe oogen, de grijs blonde, sluike haren was beslist.... leelijk. Ik vond mijn groote, openstaande mond met de dikke lippen terugstootend, mijn dunne, scheeve neus belachelijk en merkte op, dat mijn rechteroog bij een snelle blikbeweging niet gauw genoeg meedraaide, wat me dan even scheel deed zien. Mijn kleine gestalte was ook al treurig uitgevallen. De druipschouders versterkten de indruk van zwakheid, die het aangezicht reeds maakte; mijn magere vingers en polsen waren erg knokig en ik liep met uitbuigende knieën.

En zulk een armzalig wezen hunkerde naar vrouwen, zag ze dag en nacht voor zich, beschoude arbeid en studie slechts als vulsel voor ledige tijd! Was 't mogelijk slechter toegerust te zijn voor het levensdoel, waar de natuur heendrijft? Mijn beeltenis ergerde me en ik kreeg trek de spiegel kapot te slaan. Een onzinnige razernij en een vernietigende wanhoop doorwoelden mijn ziel, tot i een woelende zee leek met wit beschuimde golfspitsen naast effen zwarte diepten. Als verbijsterd liep ik door mijn kamer heen en weer. Op alle stoelen viel ik neer om dadelijk weer overeind te springen. Ik huilde en vloekte, kermde en tierde, totdat ik haast dronken werd van overspanning. In mijn opgewondenheid voelde ik me nu tot alles in staat. Eensklaps wist ik zeker, dat het uiterlijk voor de man hoegenaamd geen gewicht in de schaal legt. Moed en takt waren alles en ik bezat die moed, als ik maar wilde; ik zou die

[p. 42]

takt krijgen, als ik maar durfde! Alles zou anders worden, wanneer ik eens in vrijheid mijn vleugels uit mocht slaan en die vleugels waren meer voor mij dan een allegorisch beeld. 't Was, of ik ze voelde aan mijn schouders. Wie weet, wat ik gedaan had, indien ik op deze avond geheel mijn eigen meester ware geweest!

Thans kwam ik er alleen toe de straat op te sluipen om met het beetje durf, van mijn kwijnende opwinding achtergebleven, in een publiek huis een genot te gaan koopen, waarvoor ik nog als een doerian-eter eerst mijn walging overwinnen moest. Ik kon mijn lafheid nu eindelijk niet langer dragen en als de menschheid me werkelijk zoo vijandig was, dat geen man me vriendschap, geen vrouw me liefde kon schenken, dan wilde ik me niet langer buigen voor d'r moraal; maar ze trotsen en voor geld althans mijn knagende lust voldoen. -

Ontzenuwd en gedrukt, met een afschuw van al wat is en een schrik voor de dag van morgen, keerde ik laat naar huis terug.

 

Een groot deel van de zomer brachten wij op een Zwitsersche hoogvlakte door.

De volgende winter zou ik op de Burgerschool blijven; maar overtuigd, dat ik me niet behoefde in te spannen, nam ik weinig studieboeken op reis mee. Daar nu bergbeklimmingen het voornaamste genoegen uitmaakten van de plek en ik te zwak werd geacht om hieraan deel te nemen, was verveling het eenige, wat daarboven voor mij overschoot.

Aanvankelijk bekwam de berglucht mijn oude heer

[p. 43]

best; maar plotseling werd hij door zulk een heimwee bevangen, dat de dokter van het oord mijn moeder aanried de zieke zijn zin te geven. Dit onrustig verlangen, gevoegd bij diepe melancholie, deed hem meer kwaad dan de ozonrijke lucht hem goed kon doen. De raad van de dokter verhaastte onze terugreis en hoe gelukkig dit was, bleek gauw genoeg. Weinige weken later hoorde ik op een avond mijn vader geweldig uitvaren; de volgende morgen kwam hij niet beneden en de dag daarna werd mij meegedeeld, dat de dokter hem naar een krankzinnigengesticht had overgebracht.

Het spreekt van zelf, dat ik niet aan de mogelijkheid van zijn genezing twijfelde; maar het onverwachte verdwijnen van de man, met wie ik gewoon was voor al mijn doen en laten rekening te houden, gepaard aan de zekerheid, dat hij als een gevangene, misschien wel in een dwangbuis, achter slot zat, gaf mij toch een pijnlijke indruk. Een dag lang kon ik het akelige visioen niet uit mijn geest verwijderen en een heele nacht bleef ik wakker liggen, sidderend voor mijn droomen. Daarna echter overkwam mij dezelfde gewaarwording, die ik ook in de schoolvacantie's ten opzichte van Mina had gekend: mijn aandoening verflauwde ongelooflijk snel en mijn gedachten dwaalden elders henen. Het hinderde me erg, dat ik zoo spoedig vergat en dus klaarblijkelijk maar zoo oppervlakkig gevoelde; te vergeefs echter deed ik mijn best de eerste afschuwelijke indruk terug te roepen, en de oude heer weer voor me te zien. Ik trachtte me te verdiepen in de mogelijkheid van een nimmerwederzien; maar de herinneringen doemden steeds

[p. 44]

flauwer, steeds trager op en toen, na eenige maanden, de doodstijding aankwam, zocht ik vruchteloos in mijn gemoed naar een greintje ontroering.

Dus - besloot ik - hadden de menschen wel gelijk mij te minachten en te schuwen. Al begrepen zij me niet door een beredeneerde ontleding, instinctief beseften zij toch de kille holheid van mijn ziel.

Zelfs over hen, die wij maar van aanzien kennen, matigen wij ons een oordeel aan en dikwijls is dit oordeel veel juister, dan zijn oorsprong zou doen vermoeden. Uit een trilling om mijn mond, een opslag van mijn oogen, de klank van mijn stem trok de kameraad, die mij vermeed, de leeraar, die mij wantrouwde, de voorbijganger, die een ander om inlichting aansprak, onbewust een nadeelig besluit voor mijn vriendelijkheid, mijn oprechtheid, mijn hulpvaardigheid en al leidden zij daaruit een volmaakt onjuiste karakteristiek van mijn persoon af, hun antipathie was toch gegrond.

Zoo voelen zich ook een kat en een hond op de eerste aanblik elkanders vijanden en wie ooit de gluiperige, zelfsuchtige sensualiteit van de eerste, de moedige, trouwe genegenheid van de laatste heeft gadegeslagen, verwondert zich niet over de onberedeneerde haat, waarmee die twee dieren elkaar naderen.

Zonder te weten hoe, begreep het normale individu, dat mij al de eigenschappen ontbraken, waaraan een samenleving behoefte heeft, zal i staande kunnen blijven in de onvermijdelijke strijd van allen tegen allen. Zonder te weten hoe, besefte ik, dat in hem al de mooie, edele gevoelens leefden, waarvan ik alleen iets kende uit boeken, die voor mij dus maar

[p. 45]

ledige klanken waren. Beiden voelden we, dat hij de regelmaat, de behoudende kracht vormde, ik de uitzondering, de vrucht van een degeneratie was.

Dit begon ik destijds al in te zien en werd me later volkomen klaar, toen ik meer gelezen en me zelf dieper ontleed had.

Na de dood van mijn vader werden mijn gedachten aanvankelijk van di punt afgeleid, want ook mijn moeder stierf al gauw aan een longontsteking en dus stond ik eensklaps alleen op de wereld, met de vrije beschikking over een inkomen van circa negenduizend gulden.

Meerderjarig was ik nog niet; er werd me dus een voogd toegewezen. Ik gaf echter aan deze verre neef en oude vriend van mijn vader, de heer Bloemendaal, gemeente-ontvanger te Utrecht, zoo duidelijk mijn voornemen te kennen om alle studies onmiddelijk te staken, alle plannen van baantjes-zoekerij voor altijd op te geven, dat de man al gauw mijn weinige, zeer verre familieleden bijeenriep en hun voorstelde mij meerderjarig te laten verklaren.

Mijn optreden schijnt toen inderdaad iets doortastends te hebben gehad. Mijn goedaardige voogd, die me niet kende, verdacht me althans van karaktervastheid.

Naderhand heb ik me dit aldus verklaard: Waar het op een negatieve flinkheid aankomt: op iets na te laten, iets niet te willen, kan ik wel zóóveel hardnekkigheid aan de dag leggen, dat ik zelf geloof begin te slaan aan een late ontwikkeling van mijn moed. Wat mezelf betreft, ik ontwaak uit die waan, zoodra ik handelend moet optreden; maar daar het niet-willen

[p. 46]

voor het oogenblik voldoende is, bestaat er voor anderen geen aanleiding om aan mijn onverzettelijkheid te twijfelen.

Dus ruimde mijn voogd het veld met toestemming van de familie en de Hooge Raad. Op mijn verlangen behield hij echter de administratie van mijn vermogen. Wat wist ik van geldzaken af!

Nu was ik dan eindelijk geheel vrij; nu kon ik mijn vleugels ongehinderd uitslaan. Niets belette me meer het land, het klimaat, waarin ik was opgegroeid, te verlaten, met mijn kennissen, mijn verleden te breken en onder een andere hemel, in een andere maatschappij, te midden van menschen, die een andere taal spraken, andere zeden en gewoonten hadden, zelf een ander bestaan te beginnen. Ondanks mijn schuwheid voor het onbekende, aarzelde ik geen oogenblik schoonschip te maken van al, wat mij mijn eerste, slecht gelukte levens-stadium herinnerde.

Het leven was iets goeds, zeiden de menschen en ik zag hen ook zich vermaken, ieder op zijn manier, overeenkomstig zijn individueele smaak. Waarom vond ik dan louter teleurstelling?

Omdat alleen het slechte, ongeoorloofde genot mij aantrok?

Maar waarom - vroeg ik me af - is het genot, dat mij aantrekt, slecht; waarom trekt het geoorloofde me niet aan?

In de zeldzame glasheldere, nuchtere oogenblikken, dat ik mijn verleden, als een reeks van schakels, door de noodzakelijkheid aaneengesmeed, achter me uitgestrekt ontwaarde en die ketening zag voortloopen tot in de horizont van mijn toekomst, begon ik te be-

[p. 47]

grijpen, dat mijn onhandigheid, mijn begrek aan moed en volharding, mijn behoefte aan emotie, mijn hang naar het verbodene slechts de giftige bloesems waren van zaadkorrels in mijn voorouders ontkiemd. De wortels reikten over me heen tot in afgesloten levens en daarom zou ik ze nimmer kunnen uitroeien. Al wat ik misschien vermocht, was het verbergen van eenige karaktertrekken door het spelen van een rol en dit zou me alleen mogelijk zijn op een nieuw terrein, waar niemand onder de gezond roode Schminke de ziekelijke bleekheid van de acteur vermoedde.

Trekt een ander de wereld door, omdat hij belangstelt in alle openbaringen van het leven, mij boezemden de dingen slechts belang in, voor zooverre zij bij machte waren onderscheiden stemmingen op te wekken in mijn dofheid. Sensatie's verlangde ik en die wilde ik zoeken in een afzonderlijke samenleving - het droombeeld van mijn genotzucht - voor wier bestaan ik in tal van Fransche romans de bewijzen meende te vinden.

Evenals er in alle lagen van de maatschappij vertakkingen schijnen te zijn van de kleine sociëteit der vrijmetselaren, geloofde ik ook in de aanwezigheid van een geheime monde, die emotie's kweekt, die het verboden genot savoureert. Waarschijnlijk bestonden ook daar overeengekomen teekens, waaraan men elkander herkent en wie er eenmaal in was opgenomen, vond er zeker gemakkelijk genoeg de lustgenoote, die aan zijn verlange beantwoordt. De onstilbare behoefte om zich te voelen leven, hield die wereld bijeen en de groote maatschappij verfoeide 'm als een pest, omdat i niets blijvends wilde erkennen.

[p. 48]

Een helder beeld van deze eigenaardige vrijmetselarij bezat ik niet; maar ik stelde me voor, dat in een stad als Parijs de hoogste graden grootsche Saturnaliëen vieren. De laagste vertegenwoordigers zag ik 's nachts op eenzame wegen door alle steden rondsluipen en van de middelklassen vermoedde ik, dat zij de beschaafde landen doorkruisen en te vinden zijn in hôtels, in speelhuizen, bij wedrennen, op badplaatsen.

En deze wereld hulde ik in een romantisch waas. Hij scheen me het nooit ledige schouwtooneel van de zoetste minnespelen en de aangrijpendste tragedieën, de altijd borrelende bron van hemelhoog gejubel en verpletterende smart, de vloeibare en gloeiende kern van de afgekoelde en verharde maatschappij.

Daar was het geldverdienen bijzaak, de studie een afleiding en de poëzie van het leven werd er niet beperkt tot de korte inleiding van een lang prozaïsch verhaal. Dag en nacht trilden er de zenuwen van wisselende aandoeningen; naast de uitgebloeide liefde ontkiemde reeds een nieuwe en geen wachten op een ontnuchterende formaliteit vertraagde er de bevrediging, tot het verlange verlept was. Vroolijkheid was er zeldzaam, omdat zoowel het begeeren als het verliezen met diepe melancholie gepaard gingen; maar die melancholie was altijd bedwelmend als een zware wijn en de ziel in zijn voortdurende roes bleef er gevrijwaard voor de looden druk van de sleur. Dacht ik er aan, dan hoorde ik altoos een wals van Strauss of Waldteufel. Voor mij wekt niets beter dergelijke aandoeningen op als ik zocht, dan deze sensueele, melancholische en toch zoo dartele muziek.

[p. 49]

Het kwam er nu maar op aan in deze wereld door te dringen en zijn verschillende teekens en gebruiken, die zonder afspraak allengs een geheime taal en etikette hadden gevormd, te leeren kennen.

Zoolang ik nog t'huis over dit alles nadacht, was er veel in, dat me machtig aantrok en twijfelde ik niet aan de genietingen, die me wachtten.

Zoodra ik over de grenzen was, trad mijn ellendige lafhartigheid, een spottende kwelduivel gelijk, me weer vermanend in de weg. Toen doorleefde ik lange, leege dagen en liep ik rond als door een donker bosch, zoekend naar de ingang van een betooverd kasteel.

Waar moest ik nu heen om de avonturen te vinden, die me emotie's konden verschaffen?

Naar de deftige table-d'hôtes, waar 't zoo stil was, dat ik niet eens fluisterend mijn buurman om het zout durfde vragen?

De vuile, slecht verlichte straten in, om aangeklampt te worden door een dier hongerige, opgedirkte, teringachtige schepsels, waarvan ik gruwde?

Naar de volle comedie's, waar 't me niet mogelijk was de onverzelde vrouwen te onderscheiden en slechts - naar 't me voorkwam - bekenden elkaar toespraken?

Niet zonder een zenuwachtige verwachting toog ik eens heel laat naar een café-chantant; maar toen ik gezien had, dat daar de vrouwen zich bij habitué's aansloten, terwijl ik alleen werd gelaten achter mijn glas grog, was 't me, of ook hier de isoleerende toovercirkel me omgaf en ging ik onverrichterzake weer heen, bijna zeker, achter mijn rug te worden uitgelachen.

[p. 50]

Wat dan toch te doen?

Teruggekeerd in mijn hôtelkamertje, besefte ik duidelijk mijn onmacht om een enkele stap te zetten, die me tot de verwezenlijking van mijn droombeelden kon doen naderen.

Mijn hoop bleef dus gevestigd op het toeval.

De wereld, waarin ik leven wilde, bestond; daar twijfelde ik geen oogenblik aan. Ik had geld genoeg om er me - zij 't dan ook voor een poos - in te bewegen; maar de kunst om er in door te dringen verstond ik niet. Anderen knoopten liaison's aan, doorleefden spannende momenten; mijn bestaan werd alleen door de garçon opgemerkt, die me voor een fooi slecht bediende.

Dagen lang zwierf ik in Brussel, 's morgens door de musea, de kerken, de omstreken, 's avonds door de straten, de café's, de schouwburgen; maar elke nacht viel ik wat moedeloozer op mijn bed neer en was 't me, als verzonk ik dieper in een zwarte, kille put.

Eindelijk vond ik bij toeval op een van mijn omzwervingen een publiek huis en met het genot, dat me daar werd geboden, stelde ik me eenige uren tevreden. Het walgde me al minder dan vroeger; maar toen ik in het medoogenlooze morgenlicht de armzalige nabootsing van Oostersche weelderigheid verliet, had mijn schroomvalligheid een bittere rechtvaardiging gekregen.

Ook op erotisch gebied was ik een zwakkeling.

De flauwe oogen, de bleeke wangen, de magere armen hadden niet gelogen. Na een nacht van schriel afgepast genieten, was ik zoo zwak van blik, zoo licht

[p. 51]

in 't hoofd, zoo gebroken in de lendenen, als had ik deel genomen aan de grofste uitspattingen.

De moed om over zulke onderwerpen te spreken heeft me altijd ontbroken; doch ik had er wel eens wat over gehoord, dikwijls wat over gelezen en het stond nu bij me vast, dat ik een voorwerp van spot moest worden voor iedere vrouw, die in staat zou zijn mij met andere mannen te vergelijken.

Wel stak ik mijn kop in het zand, omdat ik mijn leven tot een afschuwelijke nietigheid voelde verschrompelen; maar was 't mogelijk in dat zelfbedrog te volharden?

Het baatte me weinig, of ik even ellendige wezens in domme zelf-onbewustheid aan hun misselijke hartstochtjes genoegelijk de teugels vieren, hun beetje levenskracht bluffering verspillen zag. Dat voorbeeld kon ik toch niet volgen. Mijn blik naar binnen werd al gauw weer helderder, en in me zelf bezat ik mijn strengste, onmeedoogendste rechter.

Van Brussel trok ik naar Parijs; doch ook daar vermeesterde ik alleen het genot, dat zich voor een aalmoes opdringt.

Toch zag ik nu de vertegenwoordigers van mijn gedroomde wereld in levende lijve voor me.

Ik zag ze in de schouwburg-loge's in zacht gefluister verloren, terwijl het vulgus om hen heen zich boeien liet door zoutelooze grappen, kinderachtige muziek en kleurige décor's.

Ik zag ze in de restaurant's elkander opwinden door vurige wijn en dartel gepraat, totdat ze in een zalige bedwelming het gonzen van de menigte niet meer gewaar werden.

[p. 52]

Ik zag ze rondrijden door het Bois de Boulogne, glimlachend tegen een bekoorlijke herinnering of een betooverende illusie en ongevoelig voor de glurende nijd en de minachtende bewondering van een nieuwsgierig plebs.

Ach, ook ik wilde leven ... leven als zij, glansrijk, hevig, kort!

Nadat ik ook te Parijs geen stap verder was gekomen, maakte ik me diets, dat kleine steden een veel gunstiger terrein opleverden en zwierf ik eenige maanden lang door Zuid-Frankrijk rond, zonder andere avonturen te vinden dan een paar ontmoetingen met schijnbaar wereldwijze handelsreizigers.

Nog onbekend met het talent van opsnijden, waarin deze heeren zich verheugen, begon ik met geloof te slaan aan hun fantastische verhalen van affaires de femmes, waarin zij Don-Juan-rollen hadden vervuld. Ik poogde me zelfs door middel van eenige beleefdheden bij hen in te dringen, zooal niet in de hoop, dat zij de ingang van mijn betooverd kasteel zouden kennen, dan toch wel in de meening, dat ik wat savoir-faire zou kunnen leeren, wat driestheid zou kunnen verkrijgen.

Veel meer dan wat zelf kennis verschaften zij me echter niet, want, terwijl het me duidelijk werd, dat hun verhalen gelogen waren, betrapte ik me zelf op de neiging om daar mijn eigen fantasieën tegenover te stellen. Hetgeen ik me als mogelijk had voorgespiegeld, dischte ik hun op als werkelijk geschied en terwijl ik daarbij tal van bijzonderheden verdichtte, die aan de handeling groote waarschijnlijkheid bijzetten, doorleefde ik inderdaad een flauwe weerschijn van de geschilderde emotie.

[p. 53]

Wel beschouwd was dit slechts een nieuwe openbaring van mijn leugenachtigheid; maar het bracht me op de inval, dat er misschien een kunstenaar in me stak en zoo kregen het zoeken naar avonturen, het begeeren van wisselende aandoeningen tijdelijk een soort van rechtvaardiging, die me behoedde voor het bezwijken na mijn eerste teleurstellingen. -

Indien ik eens naar Zwitserland trok; het land, waar elk jaar duizenden vreemdelingen samenkomen, die niets verlangen dan plezier. Zou 't niet te verwonderen zijn, als ik daar, hetzij in de hôtels, hetzij op bergtochten geen gelegenheid vond om jonge menschen te leeren kennen, die nog andere dingen zoeken dan het ascetisch beschouwen van mooie natuurtafreelen.

Het ideaal van mijn passiviteit was een vrouw te ontmoeten, die, in tegenwoordigheid van anderen, vormelijk beleefd jegens me zou blijven, om 's nachts mijn kamer binnen te sluipen, mij de armen om de hals te slaan en te smeeken: heb me lief, heb me lief!

Ik beeldde me echter in ook tot een actiever optreden in staat te zijn, wanneer ik eerst maar in een blik of in een gebaar een flauwe aanmoediging had gelezen.

 

De dagen gingen voorbij en sloten zich in het verleden aaneen tot weken en maanden; doch mijn bestaan bleef ledig en mijn behoefte aan aandoening onbevredigd. Soms genoot ik van de natuur, soms van een concert, soms van een roman; maar deze impressie's waren in mijn ziel als tooneeldecoratie's, die slechts beteekenis en waarde hebben voor het drama, dat er tegen moet uitkomen en dat ze moeten om-

[p. 54]

lijsten. Ze gaven me fictie, waar ik realiteit verlangde en de tijd was al voorbij, dat die fictie me diep genoeg ontroerde.

In mijn drukkende moedeloosheid overkwam 't me heele dagen lang in bed te blijven, niet wetende, waarvoor ik zou opstaan, me kleeden, me bewegen. -

Toen gebeurde 't, dat ik te Interlaken aan een hôtel-tafel tegenover een zeldzaam mooi meisje zat. Haar photographie aanziende - die ik niet gekregen, maar gekocht heb - kan ik de eerste, wegsleepende indruk van dat teerblanke gezicht met die glanzige oogen en dat bijna zilverblonde haar nog wel eens duidelijk in mijn ziel oproepen. Ik hield van groote, stevige vrouwen; deze was lang, maar uiterst tenger. Dit belette echter niet, had veeleer juist ten gevolge, dat zij een zonderling mengsel van gevoelens in me verwekte. Haar schitterende blankheid van hals en polsen prikkelde in de hoogste mate mijn zinnelijkheid, vervulde me soms met brutale begeerte, terwijl het sierlijke, maar o, zoo broze lichaampje met de groote, blauwe oogen, overschaduwd door lange, zijige wimpers, iets aetherisch had, dat ik op andere oogenblikken zoo graag geknield, in 't verborgen had aangebeden.

Wat me beslist onaangenaam trof, waren de breede, ofschoon blanke handen; zij bedierven mij het geheel en toch kon ik er mijn blik niet van afhouden.

Naast haar zat een oude, vette, uitgezakte vrouw met bol bleek gelaat, half tooneel-stiefmoeder, half baker, die even ijverig doorat, als het mooie kind scheen te vasten.

Nadat ik er achter was gekomen, dat beiden samen Zweedsch spraken, kostte 't me een lange en verbazende

[p. 55]

inspanning, eer ik een woord - niet in het mij onbekende Zweedsch, maar in het Duitsch - over mijn lippen kon brengen. Ik dacht, dat de heele tafel me aan zou kijken en alleen de zekerheid van omringd te zijn door louter onbekende gezichten, gaf me eindelijk de moed met een gelegenheidsfrase te debuteeren. Toen deze vriendelijk was beantwoord en door derden ter nauwernood opgelet, ging ik rustiger voort en ziet: het gesprek vlotte.

Natuurlijk hadden wij 't aan tafel uitsluitend over Interlaken, de omstreken en het weer; maar het lukte me ook, haar, na afloop van het dîner, mijn gezelschap in het salon op te dringen.

De dames schenen nog niemand te kennen en wij namen plaats in een donkere hoek, ver van de overige vreemdelingen, die om de middeldisch een luidruchtig groepje vormden.

Al spoedig kwam het gesprek op muziek, mijn lievelingskunst en daar ik op dit gebied nog al t'huis was - altans veel gehoord had en veel kon nazingen - duurde 't niet lang, of ik voelde me bijzonder op mijn gemak. Ik bood koffie met likeur aan - wat niet werd afgeslagen - en waagde de vraag, of de dames voor hun genoegen reisden.

‘O, neen, menner! Heeft u dan mijn portret nog nergens achter de glazen zien liggen?’

Ik moest een ontkennend antwoord geven en nu viel de moeder in:

‘Mijn dochter is artieste, meneer. Zij speelt piano. In Zweden heeft zij een uitstekende reputatie; maar het ongeluk wil, dat haar gezondheid niet tegen het ruwe klimaat van ons land bestand is. De profes-

[p. 56]

soren hebben haar aangeraden een paar winters in Italië en een paar zomers in Zwitserland te gaan doorbrengen. Dit kost meer geld dan wij bezitten en daarom is zij genoodzaakt nu en dan een concert te geven. Zij heeft bovendien eenige lessen.’

‘Mag ik u een programma geven? Het eerstvolgende concert zal Maandag plaats hebben?

De plaatsen kosten drie francs.’

Ik nam dadelijk vijf en twintig plaatsen: wat me een blik van het meisje bezorgde, waarin ik zoowel verbazing als blijdschap meende te ontdekken.

Mijn moed klom en toen de moeder de kaarten ging halen, waande ik me in staat het mooie schepseltje aan te raken, misschien snel het blanke halsje te kussen. Nu vielen me echter die breede handen weer in 't oog; ik aarzelde, aarzelde, verwarde me in een antwoord op een onverstane vraag, beredeneerde in me zelf de mogelijke gevolgen van mijn daad en had nog geen beweging gemaakt als de oude al weer terug was. Zij keek me aan en ik verbeeldde me argwaan te lezen in de sluwe, diepliggende oogjes.

Nadat we afgerekend hadden, vroeg de dochter tot welke nationaliteit ik behoorde.

Hollander, juffrouw.

Het antwoord scheen haar te bevallen.

‘In Holland zijn immers bijzonder veel millionairs?’

Er zit nog al geld in ons land; maar dat geld is eer in een groot aantal middelmatige fortuinen verdeeld, dan wel opgehoopt in enkele handen.

Een oogenblik keek zij me uitvorschend en nadenkend aan. Toen trilden haar dunne lippen spotachtig en zeide ze leukweg:

[p. 57]

‘Kent u geen millionair, die me zou willen trouwen?’

Het cynische van de vraag prikkelde me tot driestheid. Ik was dadelijk besloten, zelf - wel te verstaan tot aan het huwelijk - de rol van de millionair te vervullen.

Zeker ken ik millionairs, die terstond bereid zouden zijn hun vermogen aan uw voeten te leggen. Met één ben ik zelfs zeer intiem bevriend; maar u wil toch de vrijheid van uw glorierijk kunstenaarsleven niet prijsgeven?

Ik las in haar oogen, dat ze mijn zinspeling vatte; doch nu kwam de moeder weer tusschenbeide.

‘Ach, meneer, die vrijheid en het kunstenaarsleven zijn heel mooie dingen voor een sterke man; maar voor een delikaat meisje - mijn dochter is overigens wel gezond - hebben ze bitter weinig waarde. U is rijk... (hier wachtte ze even) en dus weet u niet, wat het zeggen wil voor je dagelijksch brood te moeten zorgen. Ik verzeker u, dat al de glorie en het applaus en de loftuitingen in de couranten niet opwegen tegen de genoegelijke rust van een goede positie. Kunst is een mooi tijdverdrijf; maar als je er van moet leven....’

Een gebaar voltooide de zin en, als vertoonden ze samen een ingestudeerd tooneel, viel het meisje in:

‘U moet bedenken, dat ik niet voor artieste groot ben gebracht. Mijn vader was ook rijk en mijn moeder is een geboren barones.’

‘En, “hernam de oude vrouw,” als na de dood van mijn man onze notaris niet op de loop was gegaan met ons heele vermogen, dan gaf mijn dochter hier geen concert, dat verzeker ik u.’

[p. 58]

Ik kon geen woord plaatsen.

‘Weet u, wat mijn ideaal is? Een man te hebben, die veel van muziek houdt en dan voor hem alleen te spelen.’

‘Maar wil ik u eens iets zeggen: voor de meeste mannen is een artieste al niet veel beter dan een café-chantant-zangeres. Van hofmaken zijn ze t'huis; maar met trouwen moet je niet aankomen!’

‘Nu, mama, nu, er zijn nog wel uitzonderingen.’

De strekking van een en ander liet aan duidelijkheid weinig te wenschen over. Toch wanhoopte ik niet; maar ging die avond zelfs vol goede moed naar bed. Was dit alleen zelfvoldoening, omdat ik eindelijk eens had vol gehouden in het aanstevenen op een doel?

Of achtte ik een verovering toch mogelijk - zelfs voor een niet-millionair - zonder opoffering van mijn vrijheid?

Terwijl ik de slaap niet kon vatten, lei ik me zelf die vragen voor en kwam tot het besluit, dat mijn zelfvoldoening ongetwijfeld in het spel was, maar ik tevens moeder en dochter meer voor sluwe intriganten dan voor geloofwaardige personen hield. Kennelijk wilden ze me lijmen en terwijl mij dit ergerde van het mooie, jonge meisje met de glanzende oogen en het bekoorlijke mondje, gaf het me zoowel de moed als de onverschilligheid, die voor mijn verleidersrol onontbeerlijk waren. Dat ik in 't geheel niet verliefd was, bewees mijn onloochenbare afkeer van haar grove vingers, die me de afscheidshanddruk tot een onplezierige aanraking maakte. Maar juist daarom verviel ik niet in mijn sentimenteele Entsagungs lust en zou het me wellicht gelukken van

[p. 59]

haar tegemoetkomende houding partij te trekken, zonder mijn hoofd in de strik te steken.

Dus had ik eindelijk mijn avontuur beet; eindelijk zou ik me kunnen ontdoen van het vernederende en intimideerende gevoel van kwajongen te zijn en te blijven. Nu kwam het er maar op aan met takt van de omstandigheden gebruik te maken; dan zouden alle sensatie's: het slagen, het genieten, het triomfeeren, het verliezen, het vertwijfelen, het vaarwel zeggen, elkander van zelf met noodlottige zekerheid opvolgen. Eindelijk zou ik de volheid van het leven eens proeven, van aandoening elke zenuw voelen trillen, elke ader kloppen. In mijn binnenste klaarde het grauwe schijnsel op, werd de doodsche stilte tot muziek; over weinige dagen zou ik vele jaren ouder zijn

De volgende morgen vertoefde ik eerst geruime tijd voor mijn spiegel - dat werd me allengs tot een gewoonte - en vroeg me zelf weer eens angstig af, hoe mijn oogen keken, of de dunne knevel wat aankwam, in één woord: welke indruk het geheel thans bij daglicht moest maken.

Het antwoord was als altijd: treurig; maar vrouwen letten immers niet op het uiterlijk. Komt voor de man niet alles aan op savoir-faire?

Bemoedigd voltooide ik mijn toilet, daalde in de ontbijtzaal af en voelde me zelfs niet vrij van pedanterie in houding en toon.

Die gansche dag bracht ik in het gezelschap van de Zweedsche door, zonder echter meer een poging te wagen haar aan te raken.

Ik vertelde me zelf, dat dit nog niet paste in mijn rol van ernstige pretendent.

[p. 60]

Wij deden een wandeling; ik onthaalde haar op snoeperijen, luisterde naar haar spel en trachtte me iets interessants te geven door wederom een der liefde-drama's, die ik soms voor mijn toekomst fantaseerde, als gebeurd voor te stellen. Ten slotte noodigde ik de dames op een bergtocht uit, waarvoor wij samen de paarden en de gidsen bestelden.

Of ik met al die pogingen om te behagen haar toch heb verveeld?

Ik ben er nooit achter gekomen; maar zeker is 't, dat zij op het uistapje zich onverschillig en stroef aanstelde.

Het was zulk een zeldzaam mooie dag en ik voelde me 's morgens ook zoo zeldzaam gelukkig. De frissche berglucht werkte als tintelende Champagne op mijn zenuwgestel en vuurde mijn hartslag aan. 't Was, of die ochtend overal het leven aan intensiteit gewonnen had en ik voelde me op die al-doordringende stroom van kracht omhoog geheven, voortgedragen in een zalige zwijmeling. Elke blinkende sneeuwspits met blauwe schaduwen vulde mijn oogen met verrukking; elke Alpenhoorn, elke koeklok weerklonk in mijn ooren als een meesleepende muziek. Een bedwelmende harmonie scheen de onmetelijkheid te doortrillen en mijn ziel werd tot een akkoord, dat wegzweefde en zich oploste in het al.

Achter elkander reden wij aan; doch zij keek hoogst zelden om en sprak uiterst weinig. Omdat men zijn kleeren op zoo'n bergpaard verkreukelt en bevlekt, had zij haar eenvoudigste japon aangetrokken. Haar slanke vormen kwamen ook daarin uit; maar gevoegd bij een verfonfaaid hoedje en een al te

[p. 61]

zichtbaar grof schoeisel, gaf de afgedragen plunje haar iets burgerlijks, dat me ontstemde, zoo dikwijls het mijn aandacht trok. Hier kwam bij, dat ik haar tijden lang geheel uit het oog verloor, wanneer de mama, die in het midden reed - om eens van houding te veranderen, of omdat het zadel verschoof, of als zij duizelig werd - stilhield en me dwong af te stijgen. Boven aangekomen, ging de mama dadelijk het herbergje binnen.

Zij echter greep mijn arm om rond te kijken op de smalle bergrug en toen doorleefde ik eenige heerlijke oogenblikken vol zegevierende vreugde.

Zij vroeg me naar de namen der sneeuwtoppen, deed vruchtelooze pogingen ergens Interlaken in 't gezicht te krijgen en klemde zich aan me vast, zoodra zich een steile helling ontrolde.

't Was, of ik van zelf mijn doel naderde.

Eensklaps kreeg zij lust de Alpenrozen te gaan plukken, die wij op korte afstand in een kuil zagen bloeien en lachend en springend daalden we in de diepte neer. Het ongeluk wilde echter, dat een zwak tochtje onophoudelijk de kloof doorstroomde. Ternauwernood had zij 't gevoeld, of haastig keerde ze terug, nam de vlucht in huis en wilde de kamer niet meer verlaten. Tegelijkertijd werd ze ook weer stil, lusteloos, vervelend. Ik bood Champagne aan, maar zij dronk die wijn niet in zulk een miserabele kroeg; ik noodigde haar uit ons wat op de piano voor te spelen, maar zij kon op zoo'n hakkebord niet voort; ik wilde praten, maar zij verdiepte zich geeuwend in de slechte teekeningen en de laffe verzen van het vreemdelingenboek. Ten slotte vielen moeder en

[p. 62]

dochter in slaap en toen zij tegen het oogenblik van vertrekken ontwaakten, was de een al brommiger dan de ander. Voor de natuur hadden zij in 't geheel geen oogen meer; onophoudelijk klaagden ze over de koude, het schokken van de paarden, de ongemakkelijkheid van de zadels en, te Interlaken teruggekeerd, kreeg ik, in plaats van een bedankje, jammerklachten over geblakerde wangen, geradbraakte ledematen en stekende oogen.

Aan tafel spraken beiden nagenoeg geen woord en vroeger dan anders verdwenen ze in hun slaapkamers.

Wrevelig, geërgerd en verdrietig was ik in het salon aan het doorbladeren van eenige Duitsche geëllustreerde tijdschriften, toen plotseling de deur woest open werd geduwd en twee jongelui rumoerig pratende binnenkwamen.

Het waren Amerikanen, sterk van bouw, gezond van tint: flinke, frissche, mooie jongens.

‘Wat leutert die portier toch? Hier is niemand!’

De portier, die hen gevolgd was, merkte op, dat dan de dames al naar boven waren getrokken.

‘Ze zullen toch wel meegaan! Laten we de grap in orde maken zonder er vooraf iets van te zeggen!’

Deze laatste woorden kwamen van de langste der twee, die klaarblijkelijk ook de oudste en de toonaangever was.

Een voorgevoel waarschuwde me, dat ik een mededinger voor me had. Ik keek hem nog eens aan en voelde me zwakker, leelijker, onbeduidender dan ooit.

Op een sofa neergezonken begon hij over een vrouw te spreken, welke de ander nog niet had ontmoet. Aan zijn voorstelling meende ik in het model mijn

[p. 63]

Zweedsche, in de schilder een geroutineerde vrouwenkenner te ontdekken. Wel roemde ook hij haar glanzende oogen, haar blank teint, haar algemeen charme; maar hij deed het met de woorden van iemand, die in zijn leven veel heeft vergeleken en op de toon van iemand, die, na de overschatting der jonge jaren, zich een vaste maatstaf voor zijn waardeering gevormd heeft. Aan spreekwijze, gebaren, houding en duizend onbeschrijfbare kleinigheden vermoedde ik de handige niets ontziende practicus, die geluk heeft bij alle vrouwen, van dat geluk een ruim gebruik maakt en luchthartig de uitgeknepen citroenen ter zijde werpt.

Hoe benijdde ik zoo'n man, die uiterlijk en innerlijk alles bezat, wat mij ontbrak!

Hij had mijn Zweedsche elders leeren kennen, toen het bijzijn van zijn ouders hem belette de kennismaking te voltooien en nu was hij herwaarts gekomen om zijn schade in te halen.

O, zij zouden pret genoeg maken in dat vervelende Interlaken!

Achter mijn Fliegende Blätter hoorde ik nog, dat hij morgen al een groote slag wilde slaan; daarna rezen zij op en gingen heen zonder zich om mij te bekommeren.

Dat zij met een troepje vrienden een toer op touw wilden zetten, had ik ongeveer begrepen. Ik dacht, dat het ook een bergtoer zou wezen en besloot dus hun plan te verijdelen door het te voorkomen.

Zoodra zij weg waren zocht ik mijn gids op en bestelde tegen morgen drie paarden voor een uitstapje. Daarna schreef ik op mijn kamer een uitnoodiging en

[p. 64]

liet die nog dezelfde avond door de meid aan de dames bezorgen.

De volgende ochtend was ik vroeg beneden, ontbeet in zenuwachtige haast en wachtte af, wat er gebeuren zou, half zeker van mijn zaak, half overtuigd, dat die ander me toch - hoe wist ik niet - de baas zou blijken.

De dames verschenen niet op de gewone tijd. Ik liep naar buiten en weer naar binnen, van de eetzaal naar de leeszaal en vice versa; noch dames noch Amerikanen.

De gids met de paarden werd aangediend en ik wist nog niet eens, of mijn uitnoodiging aan was genomen.

De portier wilde de dames gaan waarschuwen; maar ik hield hem terug.

De huisknecht geloofde, dat zij zouden gaan rijden en ik dorst niet vragen met wien.

Ik besefte, dat op dit oogenblik elke daad te verkiezen was boven besluiteloosheid en wist toch niets te zeggen, niets te doen.

Daar hoorde ik bellengerinkel, zweepgeknal, het geknerp van wielen op kiezelsteenen en een flauw rumoer van stemmen.

Weer liep ik naar voren en nu kwamen mij in de gang de twee vrienden tegen.

Luid pratende snelden ze mij haastig voorbij en...de trap op.

Evenmin als gisteren avond werden zij mijn tegenwoordigheid gewaar. Ik begreep volkomen goed, dat het zaak voor me was hen te volgen, wilden omkeeren en... ging toch naar buiten.

[p. 65]

In de verte stonden mijn suffende paarden met de suffende gids: een saaie, kleurlooze groep; vlak voor de stoep van het hôtel prijkten twee feestelijk uitgedoste landauers, elk met vier rinkelende rossen bespannen.

Nog vier jonge Amerikanen drentelden heen en weer. Boven de neergeslagen achterkappen der rijtuigen mengden de Zweedsche en de Amerikaansche vlaggen hun geel en blauw, wit en rood; elk paard droeg op zijn blinkend tuig twee kleine schuin-uit-stekende zilverbestarde vaantjes en verder waren zoowel de hoofdstellen der rossen als de hoeden en de zweepen der koetsiers met kleurige linten versierd.

Een paar hôtel-bedienden brachten twee mandjes elk van vier flesschen Champagne naar buiten. De mandjes werden in de bakken geplaatst en daarna volgden acht glazen, die behoedzaam tusschen de flesschen werden ingepakt.

Wat een prettige rumoerigheid! Uit alle vensters van het hôtel kwamen hoofden te voorschijn.

Het plan was duidelijk en ontegenzeggelijk beter dan het mijne.

Ik twijfelde er niet aan, dat het mooie kind nu wèl haar fraaiste japon kon aantrekken, dat zij nu wèl Champagne zou drinken, dat zij zich nu wèl moest opwinden. Bovendien was de organisator van de grap er zeker van haar alleen bij zich te hebben, want mama werd eenvoudig in het andere rijtuig gestopt.

Maar... zou zij meegaan?

Mijn uitnoodiging was de eerste geweest; daaraan viel niet te twijfelen; maar toch...

[p. 66]

O, ik moest naar haar toe! Een enkel woord kon de schaal tot mijn voordeel doen omslaan! Nu was de gelegenheid daar om te toonen, dat ook ik met takt en durf te werk kon gaan!

Ja, ik moest; maar... mijn voeten stonden als vastgeschroefd en het begon me te duizelen voor de oogen.

Toch had ik mijn aarzeling misschien nog door eigen kracht overwonnen, als een meid me geen slordig toegevouwen, maar geparfumeerd briefje in de hand had geduwd.

Mijn bevende vingers waren haast niet in staat het te openen.

Ik verbeeldde me, dat iedereen me aankeek.

Natuurlijk bevatte het de tijding van mijn nederlaag.

In een paar Duitsche zinnen, die aardig vol fouten zaten, gaf het mooie kind te kennen, dat ze onmogelijk van mijn beleefde uitnoodiging gebruik konden maken. De verontschuldiging luidde: zij hadden er reeds een andere aangenomen.

Toen steeg op eens het bloed mij naar het hoofd. Wat een leugcn!

Ik achtte me in staat alle Amerikanen van de wereld te trotseeren. Een oogenblik draaide alles om mij henen, als door een wervelwind bewogen, in de rondte; daarna snelde ook ik de gang in, de trap op.

Mijn hart bonsde, mijn beenen beefden, ik voelde mijn keel heesch worden.

Nog had ik evenwel de bovenste trede niet bereikt, als, met een schielijke zwaai, een gearmd paar lachend de hoek omboog en ijlings langs me heen naar beneden stormde. Ik had ternauwernood tijd genoeg mij tegen de muur aan te drukken, zoo haastig

[p. 67]

gierden ze voorbij; er was geen sprake van, dat een van beiden mij oplette, zoo druk babbelden ze, de treden afspringend, door.

Dat zij er in een elegant toilet dubbel bekoorlijk uitzag, was me intusschen niet ontgaan en toen alle geluiden: het gonzen der stemmen, het schetteren der lachjes, het galmen der stappen, het ruischen der japonnen, het knallen der zweepen, het rinkelen der bellen in de verte waren weggestorven, stond ik nog op de trap, vernederd, verslagen, ten aanzien van het gansche hôtel als een kwajongen voor de gek gehouden!

Aldus eindigde mijn millionairs-rol. Zoo werden mijn beetje ontkiemende trots en moed terstond weer gefnuikt en verstikt.

In mijn kamer teruggekeerd sloot ik de deur af en viel op mijn bed neer, om de heele dag niet meer te voorschijn te komen.

't Was, of al de kracht van mijn zien, mijn hopen, mijn tasten, mijn denken, mijn voelen in mijn binnenste samekromp tot een logge, loodzware, doode massa.

Tot 's avonds laat bleef ik onbeweeglijk staroogend liggen; toen bekroop me de lust mijn koffer te pakken en onmiddellijk te vertrekken.

Edoch, waarom weggeloopen, nu de hevigste, de snijdenste emotie's nog moesten komen? Blijven zou lijden zijn; dit stond vast; maar elk lijden was toch beter dan het niets.

Gelijk de aangenaamste gewaarwording voor mij altijd een kern van treurigheid heeft gehad, lag in mijn pijnlijkste nog een sensueel genot. Ik bleef dus en sloot die nacht geen oog. Terwijl in de ongeduldige verbeiding van het weerzien het weinigje

[p. 68]

begeerte, dat ik voor het mooie kind had gekoesterd, opvlamde tot een schrijnende hartstochtelijkheid, was 't, of ik mijn zintuigen van uur tot uur in prikkelbaarheid voelde toenemen. Ik sidderde voor de indrukken, die mij wachtten; ware ze echter voor geen prijs ontweken. En de volgende morgen kwamen ze, ving ik ze op in een angstige roerlooze spanning van mijn fijnste zenuwdraden. Ik voelde ze vlijmen door mijn borst, boven door mijn hoofd, doodend zich vastvreten in mijn ziel en zeide me: dat is nu wat je zocht, dat is .... leven! -

Vele dagen lang zag ik haar dartelen met de Amerikaan en 't was me een wellust haar onbemerkt gade te slaan, om telkens de pijn van het onherstelbare verlies weer te kunnen verlevendigen.

Aan tafel zaten we nog altijd tegenover elkander zonder meer een woorde te wisselen; in het salon begluurde ik haar uit de verte en hoe dieper ik me gegriefd, bespot, beleedigd achtte, hoe scherper ik in mijn gewond gemoed het knagen voelde van mijn vertreden, levende liefde. Totdat eindelijk op het concert haar eigen piano-spel al mijn martelende aandoeningen nog eenmaal opzweepte tot de hoogste kracht en toespitste tot de uiterste scherpte.

Toen eerst begeerde ik haar inderdaad met lichaam en ziel en die nacht in mijn droom zag ik haar tot me komen, het blonde kopje nederbuigen, een kus drukken op mijn lippen en dan heengaan.... heengaan voor immer. -

Ongetwijfeld zijn de emotie's, waarvoor ik hier boven woorden poogde te vinden - objectief beschouwd - onbeduidend, opgeschroefd, half ingebeeld

[p. 69]

geweest. Misschien zullen ze krachtige, door en door gezonde persoonlijkheden zelfs ergeren. Wie maakt zich nu warm voor een mislukte amourette met een cynisch pianospeelstertje? De echt normale mensch - begrijp ik hem goed - kent de verstompende levenloosheid niet en behoeft dus geen aandoeningen te kunstelen om zich op te beuren. Van zelf wordt hij getroffen tot in het diepst van zijn steeds ontvankelijke ziel door al wat grootsch en schoon en zijn meegevoel waardig is.

Edoch, wat baat de zieke, wiens gehemelte naar de onbekende streeling van vogelnestjes vraagt, de wetenschap, dat een gezonde maag zich gaarne met hutspot voedt? Wordt hij er door in staat gesteld het goede voorbeeld te volgen en deugdelijker voedsel te begeeren, of zal het toch raadzaam blijven de onnatuurlijke spijzen op te disschen, welke hem althans oogenblikken schenken van bevrediging?

Maar dat zijn hysterische grillen, waarvan zwaar en druk werk je wel genezen had!

Ik ken de les en honderden malen heb ik 'm me zelf voorgehouden!

Maar wat werken?...waar?....hoe?....voor wie?

Kon ik, de zwakke speelbal van duizenden toevalligheidjes in en buiten me, welke een normale individualiteit niet eenmaal oplet, ik, die angstig teruggedeinsd was voor de reusachtige, zwarte machinerie: de maatschappij, ik, aan wie alles sidderde bij de vreedzaamste aanraking met een andere menschelijke natuur, ik, die alleen in staat ben iets na te laten, op te geven, niet te willen .... kon ik me zelf geschikt verklaren voor de een of andere taak, om werk

[p. 70]

bij iemand aankloppen, een verantwoordelijkheid op mijn schouders nemen?

Wie ooit een oogenschijnlijk gezonde man, behept met ruimte-vrees, heeft zien verbleeken, duizelig worden en neerstorten, alleen, omdat hij een plein wilde oversteken en dus volvoeren, wat de meeste menschen, van de zwaksten en de stompzinnigsten tot de sterksten en de hoogstontwikkelden toe, elke dag, gedachteloos, herhaaldelijk ten uitvoer brengen, die kent de kracht van het: je kunt niet, dat omhoog welt uit de geheimzinnige diepten van ons zenuwleven en waar alle redeneering machteloos op afstuit.

Ik kon niet; ik kon niet! Wie me daarom veroordeelt als een treurig exemplaar van het menschdom, herhaalt slechts, wat ik me zelf tallooze malen heb toegevoegd. Onaangetast blijft echter de bittere waarheid overeind staan: ik kon niet, ik kon niet!

En dus had ik ook van mijn vrijheid geen gebruik weten te maken om me wat voldoening te verschaffen. In de kalme alledaagschheid had ik, snakkend naar innerlijk leven, onrust