den Haag 5 Okt. 1904
Geachte Mevrouw,
Met de heer Warendorf (Firma van Holkema en Warendorf) heb ik over vertaalwerk voor u gesproken. Voor het ogenblik heeft hij niets; maar hij heeft uw naam en adres opgetekend en zal bij gelegenheid aan u denken.
Wat de spellingkwestie aangaat zend ik u een brosjure toe,7 waarbij ook uw schetsen teruggaan.
Ik ben geen beoordelaar van beroep en beoordeel zeer ongaarne. Ziehier echter wat ik van uw schetsen vind. Ik ben
't eigenlik zowel met Couperus als met de overige Gidsredacteurs eens.8 Uw stukjes bevatten tal van merkwaardige fijne en juiste opmerkingen. Van deze opmerkingen ware veel te maken geweest; maar er is weinig van gemaakt. U heeft m.i. uw stof niet plasties genoeg in u zelf verwerkt. Dat is jammer, omdat de stof zo goed is; maar niets belet u alsnog tot die uitwerking over te gaan.
In zake vertaalwerk kan het u niet onbekend zijn, dat Nederland nog niet is toegetreden tot de Berner Conventie.9 U kan er dus gerust op los te [sic] vertalen zonder iets te betalen. U staat evenwel altijd bloot aan de onaangenaamheid, dat iemand anders gauwer dan u werkt en dat u dus voor niets heeft gearbeid. Goed, maar ook weer niet afdoende, is 't dus aan de auteur en zijn uitgever het vertaalrecht aan te vragen.
Mijn dank insluitend voor de vertaling der ‘Briefe’10 teken ik met de meeste achting:
Marc. Emants