Uit: Iets Gewigtigs voor Leyden
Dit merkwaardige geschrift, dat door dr. Johannes Le Francq van Berkhey werd toegeschreven aan de ‘bedrieglyken Emeritus Mennoniet ds. Van Engelen’ is een periodieke uitgave van 10 nummers.
Nr. I heeft de titel ‘Inleidende aanspraak’, het is waarschijnlijk van mr. F.G. Blok, die de Leidenaren als volgt begint aan te spreken:
‘Burgers van Leyden! vrienden! Broeders! Gy, die met my éene Stad tot een plek hebt onze geboorte, terwyl wy gezamentlyk onder malkanders oogen zyn opgegroeid. Zinneloos verdeelden! Hoe beklaag ik uwen toestand!..’
(Hy verzekert de Prinsgezinden dan dat hij geen hater is van het Oranjehuis en ‘de onbeperkte voorstanders van eene Volksregeering’, dat hij geen ‘lydelyke gehoorzaamheid zal aanpryzen’. Hij wil slechts onbevooroordeeld het beste zoeken in een zeer moeilijke tijd.
In enkele nummers toont Van Engelen dan aan, dat aan Oranje geen opperbestuur moet worden toegekend, dat anderzijds een regentenbestuur - zoals de Nederlanders en Leidenaars dit aan den lijve ervaren - te kort doet aan de rechten van het volk. In nr. 8 ontwikkelt Van Engelen dan zijn visie op het ideale bestuur:)
Het staet vast, zoo als ik vroeger deed zien, dat de waere, de volstrekte Souverainiteit in Nederland is in den boezem van het volk blyven berusten, en nimmer nae de afzweering van Flips daer is uitgegaen. - Eigenlyk gesproken is het een onmogelykheid, dat het Volk ooit dit volstrekte Souverainiteit aflegge, of kan afleggen 'T is onafscheidbaar van zyn natuur, en zoo 'er al gesteld word, dat éen bepaeld geslagt, die Souverainiteit zoude konnen overdragen, dan is het nog onbetwistbaer, dat het voor het volgende geslagt niet zoude verbindelyk zyn. Het eenige derhalven, dat van de oppermagt van het volk is uitgegaen, is de uitoefening derzelve: en het zal 'er nu maar op aenkoomen te bepaelen, hoedanig die representative souverainiteit ten meesten nutte van het geheele Volk in te richten; waarmede wy ons thans bepaeldelyk zullen bezig houden.
Het ligt in den aert der zaeke, en is zoo welvoeglyk als noodzaekelyk, dat de klem der Regeeringe(178) in handen zy van eenige weinigen. Alles gelyk staende behooren daer te boven de oudste de vermogenste Familien