terug  begin  verderprepost
[p. 26]

Zacht branden

 
Zacht branden van de teedre lenden:
 
een wiegeling, een wit satijn
 
aan mijne handen, de gewenden,
 
die met haar leest verzameld zijn
 
 
 
tot éénen slag en in het stuwen
 
des bloeds niet laten van hun wit.
 
Die stem, die stameling bij 't huwen:
 
wie zijt gij? - En het diepst bezit
 
 
 
de tweelingster, haar oogen, weergevonden
 
in de golven en het nachtstruweel
 
der haren, stroomende ontbonden
 
op dezen schouder en haar prille keel.
prepostterug  begin  verder