De briefwisseling Balthazar Huydecoper-Gerard Meerman en Huydecoper's onvoltooide voorrede tot de Rijmkroniek van Melis Stoke.Medegedeeld door Henri A. Ett.Zij zijn beiden vrijwel in het vergeetboek geraakt. Huydecoper misschien iets minder dan Meerman, omdat zijn driedeelige uitgave van de Rijmkroniek van Melis Stoke 1) nog wel geraadpleegd wordt. De geschriften van Meerman daarentegen rusten onaangeroerd in het stof der bibliotheken, al is er dan een museum, dat zijn naam draagt 2) . Hoe het ook zij, vast staat in ieder geval, dat hun namen slechts in zeer beperkte kringen een bekenden klank hebben. En daarom mag het noteeren van enkele bijzonderheden, omtrent hun leven en werken, hier niet overbodig worden geacht.
Mr Gerard (of Gerrit) Meerman werd den 6en December 1722 te Leiden geboren. Twaalf jaar oud wordt hij als student te Leiden ingeschreven en promoveert zeven jaar later in de rechten. In 1746 vertrekt hij naar Frankrijk, bezoekt natuurlijk Parijs en wanneer hij teruggekeerd is in het vaderland, volgt weldra zijn benoeming tot tweeden pensionaris van Rotterdam. Dat was in 1748. Zoo en passant maakt hij een kleine liefdesgeschiedenis door, welke definitief afgesloten wordt met zijn dagboek-mededeeling: ‘En dit is 't eynde van deese funeste vryagie!’ Zijn leven gaat |
1) Bij de desbetreffende voetnoten wordt door mij gebruik gemaakt van de uitgave in Octavo.
2) Het Museum Meermanno-Westreenianum te 's Gravenhage. Tot de daar aanwezige collectie handschriften, wiegedrukken en kunstvoorwerpen, behoort ook de boekerij van Meerman's zoon Johan. De Staat erfde, in 1848, deze geheele verzameling van Baron van Westreenen.
|
|
nu verder langs de bekende lijnen van geleidelijkheid. Op 25 October 1750 trouwt hij met Maria Catharina Buys. In 1759 wordt hij, tezamen met Mr Jacob Boreel Janszoon en Mr Jan van de Poll, als Minister van Staat, door de Staten-Generaal naar Engeland afgevaardigd. Zijn ambt van pensionaris legt hij in 1766 neer. Een jaar later wordt hij Meesterknaap der houtvesterij van Holland en Westfriesland. Hij was ook nog ambachtsheer van Vuren en Dalem en Baron des H.R. Rijks. Den 15en December 1771 is hij te Aken overleden. Zijn zoon, Mr Johan Meerman (1753-1815), liet in de St Pieterskerk te Leiden een gedenkteeken voor hem oprichten. Hij was een onzer vooraanstaande erudieten uit de achttiende eeuw, maar een geleerde, ‘wiens geleerdheid - zoo zegt Dr Byvanck ergens - hemzelf verveelde.’ 1) Van zijn publicaties is Origines typographicae (1765), ofschoon sterk verouderd, zeker de belangrijkste. 2)
Over Balthazar Huydecoper, die den 10en April 1695 3) , uit een invloedrijk patriciërsgeslacht 4) , te Amsterdam geboren werd, is wel iets meer te vertellen 5) . Hij kwam op achtjarigen leeftijd, dus in 1703 6) , op de Latijnsche school in zijn geboortestad. In 1711 7) beëindigde hij zijn ‘gymnasiale’ studie en bezocht toen tot 1713, vermoedelijk, het Athenaeum illustre te Amsterdam 8) , |
1) Zie: Sentimenteele anecdote uit de 18e eeuw. Liefdesbrieven van Gerard Meerman - door Dr W.G.C. Byvanck in De Gids van 1898. Derde Deel, blzz. 340-357.
2) Zie verder het artikel van Wiersum, in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Eerste Deel.
3) Huydecoper vermeldt zijn geboortedatum in een brief aan een tot dusverre onbekend gebleven persoon. Den 13en April 1695 werd hij in de Zuiderkerk te Amsterdam gedoopt. (‘Doop Boek van de Suyderkerk’ - Gemeente-Archief te Amsterdam).
4) Zie: De Vroedschap van Amsterdam, door Dr. Johan E. Elias, (2 Dln. - Haarlem, 1903, 1905).
5) Zie ook mijn artikel, De Nalatenschap van Balthazar Huydecoper, in het maandschrift Apollo van April 1946.
6) Archief van de Latijnsche School, no. 2. - Gemeente-Archief te Amsterdam.
7) Archief van de Latijnsche School, no. 3. - Gemeente-Archief te Amsterdam.
8) Het is inderdaad niet met zekerheid te zeggen, omdat het archief van het Athenaeum illustre, uit dien tijd, verloren is gegaan; doch het was in ieder geval usance, dat de Amsterdamsche jongelui, die de Latijnsche school achter den rug hadden, alvorens aan een Hoogeschool te worden ingeschreven, gedurende enkele jaren het Athenaeum bezochten.
|
|
om vervolgens, in dat jaar, als student aan de Hoogeschool te Utrecht te worden ingeschreven 1) . Veel is ons niet bekend over zijn studententijd, maar zeker is het, dat hij nimmer promoveerde 2) . Op zijn 27ste jaar had hij reeds drie treurspelen geschreven en Oedipe van Corneille vertaald; zijn tooneelstuk Achilles, een typisch specimen van achttiende-eeuwsche dramatische kunst, bleef tot 1845 op het programma. In 1723 werd hij Regent van het Burgerweeshuis te Amsterdam 3) en als zoodanig ook Regent van den Schouwburg aldaar. Zijn Proeve van Taal- en Dichtkunde; in vrymoedige aanmerkingen op Vondels vertaalde Herscheppingen van Ovidius verscheen in 1730 en werd, na zijn dood, door Van Lelyveld en Hinlópen, opnieuw uitgegeven 4) . Toen hij in 1732/1733 de ambten van Schout en Dijkgraaf van Texel en Baljuw van Eierland en Walenburg 5) aanvaardde, |
1) Album Studiosorum Academiae Rheno-Trajectinae.
2) Wanneer men hem later, in 1766, op de gedrukte ledenlijst van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, met den titel van Mr wil sieren, schrijft hij den 24sten Augustus 1766 aan Frans van Lelyveld o.m.: ‘Ten opzigte van mynen naam verzoek ik de volgende veranderingen. Vooreerst dat achter gelaaten werden, de letter Mr....’ (Origineel in het bezit van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Zie: Catalogus M.d.N.L., Eerste Deel, blz. 62.)
3) Zie: Regenten en Regentessen der Burgerlijke Godshuizen en Stedelijke Gestichten door Mr. W.R. Veder in het Vierde Jaarboek der Vereeniging Amstelodamum.
4) Frans van Lelyveld (1740-1785), lakenkoopman en taalkundige, een der oprichters van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en Nicolaas Hinlópen (1724-1792), Schepen en conrector te Hoorn, verzorgden dezen vierdeeligen herdruk, respectievelijk in 1782, 1784 en 1788, 1791.
5) Stukken betreffende het in functie treden van Balthazar Huydecoper, als Schout en Dijkgraaf van Texel en Baljuw van Eierland en Walenburg. 1732, 1733. (Huydecoper-archief).
|
|
bedankte hij als Regent van het Burgerweeshuis 1) . In 1738 gaf hij Brieven van P.C. Hooft uit, met een inleiding, welke nog altijd de moeite van het lezen ten volle waard is. Een jaar vroeger was zijn vertaling ‘in Nederduitsche vaarzen’ van de Hekeldichten, Brieven en Dichtkunst van Q. Horatius Flaccus verschenen, nadat hij, in 1726, de Hekeldichten en Brieven van Q. Horatius Flaccus ‘in Nederduitsch ondicht (had) overgebragt’. Van 2 Februari 1740 af was hij, gedurende een jaar, Schepen van Amsterdam 2) . Den 3en Februari 1741 werd hij, ‘by Myne Heeren van Den Gerechte geëligeerd, tot Commissaris van de Huwlyksche Zaken’ 3) . Voor de geschiedschrijving van Texel maakte hij zich verdienstelijk door de uitgave van Privilegiën en Handvesten der Stede en des Eilands van Texel (Amsterdam, 1745), waaraan hij, ofschoon anoniem, een ‘Voorbericht’ 4) toevoegde. In 1772 verscheen zijn kritische uitgave van de Rijmkronijk van Melis Stoke, terwijl in de Werken van de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde, van datzelfde jaar, een uitvoerige ‘Brief wegens den Ablativus Absolutus’, van zijn hand, staat afgedrukt. Zijn Gedichten zagen, in 1788, het licht 5) . Hij overleed, ongehuwd, den 23sten September 1778 te Amsterdam 6) en werd zes dagen later, des avonds om acht uur, in de Nieuwe Kerk aldaar begraven 7) . |
1) Zie nogmaals het onder 3) blz. 95 genoemde stuk, waarin 1732 abusievelijk als overlijdensjaar van Huydecoper wordt opgegeven.
2) Naamlijst der Regeering 1647-1750. - Gemeente-Archief te Amsterdam.
3) Register van Commissarissen en andere officianten die by myn Heere van de Gerechten gesamentlyk werden gecosen No. 2. - Gemeente-Archief te Amsterdam.
4) Het manuscript van dit ‘Voorbericht’ bevindt zich in het Huydecoper-archief en werd door Huydecoper geschreven.
5) Gedichten van Balthazar Huydecoper. Te Amsteldam, by Pieter Johannes Uylenbroek, 1788.
Door den uitgever opgedragen aan de leden ‘van de Maatschappy der verdiensten, onder de zinspreuk Felix Meritis, te Amsterdam.’ 6) Register van de Collaterale Successie. - Gemeente-Archief te Amsterdam.
7) Journaal N.K. no. 13. no. 67. - Archief van de N.H. Kerk te Amsterdam.
|
|
Als dichter muntte hij zeker niet uit, wanneer men zijn poëzie vergelijkt met de verzen van Poot of zelfs met die van Willem en Onno Zwier van Haren, maar bij het vlakke gerijmel van de achttiende-eeuwsche genootschapsmannen steken zijn ‘Bruiloftsvaarzen’ en andere gelegenheidsgedichten toch nog altijd gunstig af. Zijn werkelijke beteekenis ligt op taalwetenschappelijk terrein en hij mag dan ook met recht als een der grondleggers van de moderne filologie worden beschouwd.
In 1779 werd zijn kostbare bibliotheek 1) , waartoe middeleeuwsche handschriften en zeldzame boeken behoorden, geveild en raakte nadien verspreid. Op verzoek van de executeuren van Huydecoper's testament werd, door den Amsterdamschen notaris Gerrit Bouman, de ‘Inventaris der nalatenschap van de WelEdeleGestr. Heer Balthazar Huydecoper’ beschreven. Deze nalatenschap bestond o.m. uit: ‘Diverse gedrukte en geschreve Papieren concerneerende voor een groot gedeelte het Bailjuws ampt van Texel’ en ‘met zyn WelEd eige hand geschrevene papieren wegens studie en liefhebbery van Taal en Digtkunde’ 2) . In den zomer van 1945 is het mij gelukt dit archief, dat sinds 1779 nagenoeg spoorloos verdwenen was, terug te vinden; waarna het in het Rijksarchief te Utrecht werd ondergebracht.
Tusschen een groot aantal aan Huydecoper gerichte brieven van achttiende-eeuwsche letterkundigen en geleerden, vond ik ook de epistels van Meerman, welke hier worden afgedrukt. Afschriften en concepten van Huydecoper's brieven aan den Rotterdamschen pensionaris, eveneens in het bedoelde archief aanwezig, maakten het mij mogelijk, om met de origineele brieven van Huydecoper, welke zich in het Museum Meermanno-Westreenianum bevinden, een vrij volledige correspondentie tusschen deze beide mannen, voor uitgave gereed te maken.
Hun briefwisseling handelt in hoofdzaak over de Rijmkroniek van Melis Stoke, welke voordien, ofschoon op min of meer |
1) Zie: Bibliotheca Huydecoperiana.
2) Notarieele Archieven Amsterdam No. 12637. - Gemeente-Archief te Amsterdam.
Zie ook: Amsterdamsche Archiefvondsten, door Mr. W.F.H. Oldewelt, (Amsterdam, 1942), blzz. 27-31. |
|
gebrekkige wijze, respectievelijk door Douza 1) (1591 en 1620) en Cornelis van Alkemade 2) (1699), in het licht werd gezonden. Verder mag deze correspondentie, wat de kennis van onze achttiende-eeuwsche geleerden, omtrent middeleeuwsche handschriften, betreft, bepaald onthullend worden genoemd. Dat daarbij hun al te groote aandacht voor details, de ontwikkeling van een breede historische visie doorgaans in den weg stond, behoeft natuurlijk geen betoog. Maar aan den anderen kant moet men onmiddellijk toegeven, dat hun belangstelling voor kleinigheden, - tenslotte legden zij daarmee, op hun manier, den grondslag voor de ‘historische critiek’, - in een eeuw van ontwakend besef voor een meer wetenschappelijke behandeling van geschiedkundige vraagstukken, dringend noodzakelijk was en, achteraf beschouwd, den lateren historici niet zelden ten goede is gekomen. En het is après tout zeker niet onvermakelijk te lezen, hoe zij elkander met de eerste beginselen van die ‘historische critiek’ te lijf gingen.
Toen eindelijk in 1772, zooals eerder vermeld, Huydecoper's uitgave van de Rijmkroniek van Melis Stoke verscheen, ontbrak daaraan een ‘Voorrede’, welke dan ook grootendeels in de pen is gebleven. Wat ervan op het papier kwam, werd nimmer gedrukt en bleef, als onvoltooid manuscript, gedurende meer dan anderhalve eeuw, aan de publiciteit onttrokken. Er blijkt dan ook, uit vele dingen, dat de uitgave van Stoke's Rijmkroniek, voor Huydecoper een ware lijdensweg is geweest. ‘Langen tijd - zoo zegt de uitgever Johannes le Mair, in zijn ‘Bericht’ (‘Leyden. Slachtmaand. 1772.’) - langen tijd is dit Werk achtergebleven, eensdeels, door de sammelingen van de drukpers, |
1) Janus Douza (Jonker Johan van der Does, heer van Noordwijk, 1545-1604), Latijnsch en Nederlandsch dichter. Sedert 1585 geschiedschrijver van Holland. De oplage van zijn Hollandtsche Riim-Kroniik van 1591 werd grootendeels door brand vernietigd.
2) Cornelis van Alkemade (1654-1737), ‘eerste Kommies ten Komtoire van Convooyen en Licenten’ te Rotterdam, verzamelaar van penningen, oorkonden en boeken. Maakte zich vooral verdienstelijk door het copiëeren van historische documenten. Voor zijn uitgave van Stoke's Rijmkroniek, zie: Hollandse Jaar-Boeken of Rym-Kronyk van Melis Stoke. Behelsende De Geschiedenissen des Lands onder de Princen van het eerste Huis, tot den Jare 1305 enz. enz. door Cornelis van Alkemade, (Leiden, 1699).
|
|
en, vervolgens, door den aannaderenden ouderdom en de toenemende verzwakking van den Schryver, een Man, reeds vijf jaren voor het begin dezer eeuwe geboren, een Man, welke al zynen tijd met de hersenen bezig geweest is. Na dat het gansche Werk, met langzame schreden, ten einde gekomen, en zelfs de Bladwyzer, nog door den Schryver zelven opgemaakt, geheel afgedrukt was, bleef 'er nog over een Voorrede te schryven: Dit nog ten uitvoer te brengen was het voornemen van den afgeleefden Schryver, en, met dit voornemen zyn 'er eenige jaren verlopen, zonder dat zyne gesteldheid toeliet de pen op 't papier te stellen: Midlerwyle de jaren meer en meer klimmende, is dit voornemen hoe langer hoe flaauwer geworden, en, ten laatsten, geheel en al verdwenen, en nu, eindelijk, op aanhoudend verzoek van een zyner Vrienden, gelukkig veranderd in een besluit om dit Werk niet langer achter te houden, maar, zonder Voorrede, te laten in 't licht komen. Jammer is het, voorzeker, dat wy die Voorrede missen moeten; doch, mogelijk, zal 'er, nu of dan, wel eens gelegenheid geboren worden, om, uit de bouwstof, welke de Heer Huydecoper tot die bewuste Voorrede verzameld heeft, de geleerde wereld het noodzakelyke medetedeelen.’ De ‘geleerde wereld’, van dien tijd, heeft daar echter tevergeefs op gewacht, ofschoon er van meer dan een kant op publicatie van belangrijke papieren, uit het Huydecoper-archief, werd aangedrongen 1) . Om nu terug te keeren tot de voor-geschiedenis van Huydecoper's Stoke-editie, moge hier nog het volgende, ter nadere toelichting, worden medegedeeld. In de onvoltooide ‘Voorrede’ |
1) Zoo heeft o.a. Prof. Kluit op het bestaan van deze geschriften gewezen. In zijn ‘Voorrede’ tot de Lijst der Gebruikelijkste Zelfstandige Naamwoorden, beteekend door hunne geslachten. Ten dienst der Taallievenden opgemaakt door D. van Hoogstraten, in 1783, ‘aanmerkelijk vermeerderd en opgehelderd’, verschenen, zegt hij o.m.: ‘Die geleerde man (Huydecoper) was namelijk gewoon zijne taalkundige aanteekeningen en voorbeelden op losse bladen, in deze en gene boeken verspreid, bij een te zamelen. Het zoude te bejammeren zijn, indien al die arbeid veroordeeld wierd, om in eenige donkere kist voor altijd weggesloten te blijven, totdat die schriften eindlijk ter prooie van knagend ongedierte of verdervende hoofdstoffen wierden; gelijk het al veel met zulke al te naau bewaarde of bewaakte papieren gaat.’
|
|
leest men, dat Huydecoper het HS. A., van Pieter Vlaming 1) , in bruikleen ontving, doch dat het, na den dood van Pieter van Loo 2) , aan diens erfgenamen werd teruggegeven, om vervolgens in het bezit van Jacob Marcus te geraken. Op dit HS., dat nu, evenals B. en C., tot de handschriften-verzameling van de Koninklijke Bibliotheek behoort, teekende Huydecoper aan: ‘B. Huydecoper 1750 eerst 1729’. In zijn ‘Voorrede’ vertelt hij ons verder, dat hij dit HS., tegelijk met HS. B., den 12en September 1750, op de auctie van Jacob Marcus 3) heeft gekocht. |
1) Pieter Vlaming, (1686-1733), studeerde rechten te Leiden. Hij was boekhouder bij de Amsterdamsche Kamer der V.O.C. In 1723 verzorgde hij een uitgave van Spieghel's Hertspieghel. Het manuscript van zijn nimmer in druk verschenen Beschrijvingh van de stad Amsterdam, dat vermoedelijk gedurende korten tijd onder Huydecoper's berusting is geweest, ging naar alle waarschijnlijkheid verloren. Zie: Amsterdamsche Archiefvondsten door Mr. W.F.H. Oldewelt. (Amsterdam, 1942), blzz. 27-31.
2) Pieter van Loo leefde in de achttiende eeuw. Beoefende de dichtkunst. In den Catalogus van Van Loo, vindt men het HS. A. als volgt omschreven: Melis Stooke oude Hollandsche Reym Chronyk/handelende van de eerste opkomst der Graven van Holland/met de pen geschreven op Francyn/zeer oud en raar/ zo men zeyd het origineele Handschrift van den Auteur zelve te zyn.
3) Jacob Marcus leefde in de eerste helft der achttiende eeuw. Hij was koopman en oudheden-verzamelaar te Amsterdam. De Stoke-HSS., welke in zijn bezit waren, staan in den Catalogus-Jacob Marcus (Libri Manuscripti in Folio, blz. 6.) als volgt omschreven:
65 Melis Stokes Rym-Kronyk bekend voor het Oudste Handschrift dat van hem gevonden word / en ten opzicht van Taal en Spelling op verscheide plaatsen met den druk van Dousa verschillende; mitsgaders een Afschrift van het zelve Werk met Aantekeningen van den Heer Jacob Marcus, als mede de Privelegie der Ed. Er. Mog. Heeren Staaten van Holland en Westfriesland die zelven verleend om het in 't Licht te geeven [Men vindt in Traiectum Eruditum (Utrecht, 1738), door Caspar Burman (1695-1755), blz. 363, de volgende aanteekening in verband met de verschillende uitgaven van de Rijmkroniek van Melis Stoke: ‘quartam editionem hodie molitur Jacobus Marcus mercator Amstelaedamensis, qui exemplar edito auctius possidere dicitur.’ Van een dergelijke uitgave, door Marcus, is echter nooit iets terecht gekomen.] / alles in een koop. 66 .......... 't zelfde boek/mede op pergament/gekomen uit het Clooster van Egmond en daar na uit de Bibliotheek van Jonker van der Does, Registermeester van Holland. |
|
Kort nadien moet hij andermaal het plan hebben opgevat, de Rijmkroniek van Stoke, voorzien van een zeer groot aantal annotaties van zijn hand, voor den druk gereed te maken. In een brief van 16 October 1753 1) , aan Mr Gerrit Willem van Oosten de Bruyn, advocaat en later Burgemeester van Haarlem, doch tevens een bekend historicus, schreef hij o.m.: ‘Ik ben UWEd. verpligt voor het vertrouwen, waarmede de zelve het hier nevens te ruggaande vaars aan my heeft gelieven mede te deelen; met verzoek van op den kant aan te tekenen het geen ik noodig zoude oordeelen. Ik vertrouw dierhalve dat het weinige dat ik 'er nevens gezet heb, van UwEd. ten goeden genomen zal worden, en verzoek voor 't overige verschooning Melis Stoke houdt my alleen bezig; maar ik ben noch niet genoeg gevorderd, om my met eenig Boekverkooper in te laaten.’ Aan Meerman berichtte hij den 14en April 1764: ‘Wat Melis Stoke belangt, die sukkelt als noch, doch hoope voor of met het einde deezes jaars van hem verlost te worden.’ Zeven maanden later schreef hij den Rotterdamschen pensionaris: ‘Wegens de Uitgaave van M Stoke kan ik noch niets bepaalen. Ik verlang 'er zeer naar; en hoope dat het in den aanstaanden zomer zal konnen lukken. doch dat zal afhangen van den staat myner gezondheid in het overige van deezen winter.’ Maar het bleef voorloopig ‘sukkelen’ en, in een epistel van 23 October 1766, moest hij den Haagschen advocaat, historicus en letterkundige Henrik van Wijn 2) , tenslotte |
1) Origineel in het bezit van de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam.
2) Mr Henrik van Wijn. Geb. te 's Gravenhage 21-6-1740, overl. aldaar 27-9-1831. Na zijn promotie in de beide rechten, vestigde hij zich als advocaat in Den Haag. In 1766 een der oprichters van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Werd in 1771 Pensionaris van Den Briel en in 1779 Pensionaris van Gouda. (Zie: De Patriotten te Gouda door M.A.C.M. van Hattum (Purmerend, 1934.)) Legde den grondslag voor het Algemeen Rijksarchief. Schreef o.a.: Historische en Letterkundige Avondstonden (Amsterdam, 1800.) en Huiszittend Leeven (Amsterdam, 1807.) Zie verder het artikel van Brugmans in het Vierde Deel van het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek.
|
|
bekennen: ‘Wegens de Uitgaave van Melis Stoke heb ik reeds zo dikwils verkeerde rekening gemaakt, dat ik daaromtrent op nieuw niet gaarne iets zou belooven.’ Men kreeg zoodoende den indruk, dat er van de heele uitgave niets meer terecht zou komen. Vandaar, dat Meerman hem den 19en October 1767 schrijft: ‘Met veel leetweesen hebbe ik door verscheyde canalen vernomen, dat UEWEG. van intensie is om UEWG. doorwrogte uytgave van Melis Stoke te supprimeeren,....’ Doch geruststellend klinkt het antwoord van Huydecoper, dd. 28 October 1767, ‘dat de canaalen, langs welken UWEG. vernomen heeft, dat ik dit werk zoude supprimeeren; en wel om reden, dat ik de kronyk van Kl. Kolyn niet meer zou houden voor gesupponeerd, gansch niet zuiver zyn. Hier is men van 't contrarie genoeg verzekerd; en ten blyke daarvan heb ik de eere UWEG. te communiceeren, dat actueel het laatste blad van het werk zelf onder de pars is; zodat 'er nu noch niets aan ontbreekt dan een Register van oudduitsche woorden dat klaar is, en eene Voorrede, die door al die haspelingen gevaar geloopen heeft van heel achter te blyven.’ En wij weten nu, uit het ‘Bericht’ van Le Mair, dat Huydecoper, ‘op aanhoudend verzoek van een zyner Vrienden’ 1) , eindelijk besloot zijn hoogvereerden Stoke, zonder ‘Voorrede’, in het licht te zenden. Het is overigens niet onwaarschijnlijk, dat het steeds weer uitstellen van het verschijnen dezer editie, in hoofdzaak, moet worden toegeschreven aan Huydecoper's neiging, om, evenals zijn vriend Van Wijn, verschillende groote werken tegelijk te entameeren, waardoor er tenslotte betrekkelijk weinig van hun arbeid in druk verscheen. Van deze typisch-achttiende-eeuwsche neiging, samenhangend met een overdreven gevoel voor nauwkeurigheid en weinig begrip voor de juiste begrenzing, bij het behandelen van een bepaald onderwerp, levert de inhoud van het |
1) Vermoedelijk Frans van Lelyveld, met wien Huydecoper, in de laatste jaren van zijn leven, een vrij geregeld contact heeft onderhouden, zulks in verband met den herdruk van zijn Proeve. Op 2 Mei 1772 schreef Van Lelyveld hem:
‘Sedert myne te rugkomst van Amsterdam heb ik niets van Uw Ed noch van UwEd Melis Stoke vernomen - Ik hoop immer niet dat UwEd goede voornemens verflaeuwt of verdwenen zyn. Ik blyf noch myne gedachten dat het best is het zelve hoe eerder hoe beter in t licht te geven; En ik biede my zelve schriftelyk aen, gelyk ik mondeling gedaen heb; tot alles wat UwEd my gelieft toetevertrouwen.’ (Origineel in het Huydecoper-archief.) |
|
Huydecoper-archief overtuigende bewijzen. Maar desondanks zegt men toch niet te veel, wanneer men Huydecoper's kritische uitgave van de Rijmkroniek van Melis Stoke, een monument van scherpzinnigheid en zeldzame eruditie noemt. Dat Huydecoper, die voornamelijk codex A. volgde, niet altijd even gelukkig is geweest in het kiezen van den juisten tekst, daarover zal weinig verschil van meening bestaan. In zijn ijver om vervalschingen op te sporen, heeft hij meerdere malen misgetast. Prof. Kluit 1) en, na hem, Dr Brill 2) hebben dit dan ook overduidelijk in het licht gesteld. Doch voor wie tusschen de regels door weten te lezen, zal het duidelijk zijn, dat Huydecoper, ook in de hier volgende correspondentie, zich doet kennen als een geleerde, die, in tegenstelling met den Rotterdamschen pensionaris, aan een fabelachtige kennis een groote mate van intelligentie paarde.
H.A.E. |
1) Adriaan Kluit (1735-1807). Werd in 1779 hoogleeraar te Leiden, nadat hij rector was geweest van de Latijnsche School te Alkmaar en te Middelburg. In het eerste deel (tweede stuk, blz. 448) van zijn Historia Critica (Middelburg, 1779) maakt hij de opmerking, dat Huydecoper het HS. A. onveranderd had moeten uitgeven.
2) Dr W.G. Brill (1811-1896). Filoloog. 1859 Hoogleeraar te Utrecht. In 1885 verscheen zijn uitgave van de Rijmkroniek van Melis Stoke. Hij volgde het HS. A.
|
I.Wel Edele Geboore Heer
De geneigtheid en de sugt, dewelke ik hebbe tot de bevordering der Wetenschappen in 't gemeen, en onse Vaderlandsche Historien en Oudheeden in 't bysonder hebben my de vryheid doen gebruyken, omme met deese letteren UEWelEdgebe te importuneeren ende voor een moment des tyds van gewigtiger beesigheeden aftehouden. Ik hebbe met veel vermaak gehoord, dat UEWelEde thans beesig zyt met in 't ligt te geeven een nieuwe ende doorwrogte Editie van Melis Stokes Rym-Chronyk. Ik feliciteere waerlyk deesen Autheur, dat hy, na veeler dog vergeefsche pogingen, gevallen zy in handen van een Heer, wier
progressen in onse Oudheeden, Historien, ende tael aen een yder bekend zyn. UEWelEde sult my niet te min vergeeven, dat ik my onderwinde om UEWelEde aen de hand te geeven eenige adminicula, die tot cieraed ofte opheldering van dit werk souden kunnen dienen; schoon ik ten eenemalen onbewust ben, of UEWelEde daer niet van reedts informatie sult hebben bekomen. De Hr Alberti 1) dan, Profr in de Theologie te Leyden, besit 't oudste Manuscript op Perkament in fol. 't welk van Stoke bekend is, zynde wel 't selfde, 't geen eertyds gebruykt is door Jonkhr van der Does in synen eersten uytgave deeses autheurs; dog 't welk volgens syn Eds informatie geensints accuraet gevolgd is, waerdig dienthalven om op nieuws geconfereert te worden, 't geen ik vertrouwe dat syn Eds diesweegens versogt zynde niet soude refuseeren. De Hr Mieris 2) te Leyden, vermaerd zoo door syne Schilderkunst als uytgegeevene Schriften, besit verscheydene Stucken, dewelke aen UEWelEde van merkelyke dienst souden kunnen zyn. Ik twyfele niet, of UEWelEde sult tot desselfs secours neemen 't 1e deel van 't Charterboek, mitsgaders 't 2e tot de dood van Jan de 2e, uyt 't Huys van Henegouwen. Dog sedert de uytgave van 't voorz. eerste deel heeft dien Heer nog verscheyde onuytgegeevene Diplomata bekomen uyt de archiven van de Leenkamer, 't Graeflyk Huys van Henegouwen concerneerende, dewelke UEHGel. van nutte souden kunnen zyn. |
1) Johannes Alberti, geb. te Assen 6 Maart 1698, overl. 13 Augustus 1761 te Leiden. Studeerde theologie aan de Hoogeschool te Franeker. Nadat hij achtereenvolgens te Hoogwoud, Krommenie en Haarlem predikant was geweest, werd hij in 1740 Hoogleeraar in de theologie te Leiden. Zijn geschriften hebben een overwegend filologische strekking. Op de laatste bladzijde van het HS. C., waarvan Alberti de eigenaar was, kan men nu, aangezien het papier te kort werd afgesneden, nauwelijks meer de volgende woorden lezen, welke in Douza's tijd nog duidelijk te onderscheiden waren: per manus Mathei Gerardi Pastoris in Naeldwijk. Anno MCCCXC, Feria sexta post Pentecosten.
2) Frans van Mieris (1689-1763), schilder, historicus en numismaticus. In 1753 verscheen zijn Groot Charterboek der Graven van Holland en Zeeland. De ‘vervolgen en het aanhangsel’, benevens twee registers op het Charterboek, bevinden zich in het Algemeen Rijksarchief te 's Gravenhage. (Zie: Overzigt van het Nederlandsche Rijks-Archief door R.C. Bakhuizen van den Brink. ('s Gravenhage, 1854.), Eerste Stuk, blzz. 153-156.)
|
|
Dien selfden Heer besit ook niet alleen in afschrifte, maer ook in originali de zoo genaemde Heraut-Chronyk van Holland 1) , by Douza in syne Praefatie vermeld, zynde eene Paraphrase ofte traductie van Stoke in onrym, dewelke seer dikwils, voornamel. op die plaetsen, alwaer de sin van Stoke duyster is, veel ligt soude kunnen toebrengen. Nog heeft de meergeme Heer in syne boekerye de vervolging van de Charter-Chronyk van Jr Matthys van der Houven 2) MS. waer inne seer veele particulariteiten de tyden der eerste Graven van Holland concerneerende, nergens elders te vinden. Gelyk meede syne MSS. aentekeningen over Vossii Annales 3) , waer inne door den Hr Mieris is genoteert, al 't geen syn Ede uyt allerhande ende meest uytheemsche Schryvers merkwaerdig tot die historie heeft kunnen byeenbrengen. Ook een seer accurate Genealogie der Graven van Holland. Ik ben versekert, dat syn WelEde sig een merite sal maken, om 't een en ander aen UEWelEdGebe te communiceeren. Ik hebbe ook in myne Bibliotheek een MS. contineerende verscheyde Genealogien, dog op 't slot eenige stucken relatif tot de |
1) Die Hollantsche Chronike van den Heraut (onuitgegeven). In 1409 geschreven door een edelman aan het hof van graaf Willem VI. De auteur van deze kroniek wordt ‘oic Beieren genoemt’, zooals Douza zegt in zijn ‘Voorreden’ van de Hollandtsche Riim-Kroniik Zie verder: Die Hollantsche Cronike van den Heraut. Eene studie over de Hollandsche geschiedbronnen uit het Beijersche tijdperk. Door Mr. S. Muller Fz. (Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, Derde Reeks, Tweede Deel ('s Gravenhage, 1885), blzz. 1-124.)
2) Matthijs van der Houve, geb. te 's Gravenhage 1577, overl. aldaar (?) na 1646. In 1636 verscheen het eerste deel van zijn Handvest of Chartre Chronyck van de landen van Oud-Batavien, Oud-Vriesland, Oud-Francenland. Nu Holland, Zeeland, West-Vriesland en andere Vrieslanden, Gelderland, Utrecht en Over-Ysel. Maeckende het Vrije heerschende Vereenighde Nederland; het tweede in 1646. In de handschriftenverzameling van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden bevindt zich het MS. van de drie volgende (onuitgegeven) deelen, ‘uit veele losse stukken en blaaden te zaamen gevoegt’ door Cornelis van Alkemade.
3) Vossii Annales. Matthaeus Vossius, geb. 1610 te Dordrecht, overl. te Amsterdam in 1646, voltooide 19 boeken van zijn Annalium Hollandiae Zelandiaeque libri. De eerste vijf boeken verschenen in 1635.
|
|
dood van Graef Diderik de 1e, de 2e, de 3e, met haere Epitaphia, van Arnout, de derde Graef, met syn Epitaphium; van Suffridus Praeses, met syn Epitaphium, van Diderik de 5e en Florens de 6e Graef met haere Grafschriften &c. tot de elfde Graef toe, in 't Latyn 1) , zoo veel ik weete onuytgegeeven, ten waere deselven mogten te vinden zyn in 't Chronicon Egmondanum door Ant. Matthaeus 2) in 't ligt gegeeven, 't geen ik thans niet by der hand hebbe. Nog een oud Nederduytsch Liedeken op Graef Floris, different van die twee, dewelken Alkemade gevoegd heeft achter syne Editie, dog meest overeenkomende met 't eerste. Dit myne begind met de woorden: Het geschiede in eenen tyd voorleeden, en eyndigt Met ten swaerde van myn syde 3) . Zoo UEWelEdGebe |
1) Hiermede wordt ongetwijfeld bedoeld Theodorici a Leydis et Leonis Monachi Egmundensis Breviculi, uitgegeven door Antonius Matthaeus achter het Chronicon Egmundanum van Joannes a Leydis (Leiden, 1692.) Zie verder: De Egmondsche Abtenkroniek van Iohannes a Leydis O. Carm. Door Victor Joseph Gerardus Roefs O. Carm. (Sittard, 1942.)
2) Antonius Matthaeus (1635-1710) werd in 1660 Hoogleeraar in de rechtsgeleerdheid te Utrecht. In 1673 te Leiden. Historiograaf. In zijn Veteris aevi analecta (Leiden, 1698-1710, 8o, 10 Dln; 's Gravenhage, 1738, 4o, 5 Dln.) komt o.a. het anonieme Chronicon Egmundanum voor, dat door hem abusievelijk aan Willelmus Procurator werd toegeschreven.
3) In Douza's uitgave van de Hollandtsche Riim-Kroniik vindt men, op een ongefolieerde bladzijde, het History-Lied Van Graaf Floris En Gerard van Velsen, dat, met eenige kleine textueele verschillen, ook voorkomt onder de Bylagen van Van Alkemade's Hollandse Jaar-Boeken. Dat bij Van Alkemade begint met de versregels:
|
|
hier van geliefd gedient te zyn, geliefd daer van maer vry te disponeeren. Ik hebbe de eere van my met de uyterste achting te noemen WelEdele Geboore Heer UEWelEdGebs onderdanige & ootmoedige Dienear
G. MEERMAN, Pensionaris der Stad Rotterdam.
Rotterdam 16 Sept. 1754.
Origineel in het Huydecoper-archief. II.Wel Edele Gestrenge Heer
Toen my, voor weinig dagen, UWelEdGestr. zeer verpligtende Brief van 16 Sept. 1754, van Texel alhier werdt toegezonden, smertte het my, dat ik den zelven omtrent vyf weeken te laat ontvong: maar de inhoud deedt my zulks ras vergeeten, voor den welken ik my, van nu af aan, aan UWelEdGestr. ganschelyk verpligt houde en erkenne, te meer omdat ik dikwijls zeer ongelukkig geweest ben in het ontvangen van gunst- of vriendschapsblyken van deeze soort, zelfs als ik ze zocht ter plaatse daar ik
wist dat ze te vinden waaren. Het welk krachtig medegeholpen heeft om my eenen lastigen arbeid te doen beginnen en uitvoeren, buiten alle correspondentie, met het geene ik zelf bezat. Hieruit is verder voorgesprooten, dat ik volkomen Meester van my zelven gebleeven zynde, eenen gansch anderen weg ben ingeslagen, dan onze nieuwe Historieschryvers gedaan hebben. Om UWelEd Gestr. daarvan eenig denkbeeld te geeven, als mede van myne manier van behandelinge, voeg ik hierby het geen ik noch onder handen had toen ik UWEdGestr. schryven ontvong. Want het gaat met het gansche werk, gelyk 't gegaan is met dit stuk: daat komt dagelyks wat by. Hier evenwel is de gansche twyffeling nieuw, anders zoude ik voor myn laatste vertrek van Texel noch veele boeken naargezien. of zelfs mede genomen hebben. UWEGestr. gelieve dit vertrouwen, dat ik in de zelve stelle, aan te neemen als een uitwerksel myner dankbaarheid. En mag ik het te rug krygen, verrykt met UWEG. consideratien, niets zal my aangenaamer zyn. Om te komen tot den inhoud van UWEG. missive zo moet ik hier weder bekennen dat ik voor de zelve noit geweeten heb dat het oudste MS. van Stoke, 't welk Douza gehad heeft, thans berust onder den Heer Prof. Alberti te Leiden. Ik zeg het oudste dat Douza gehad heeft, omdat het voornaame MS. dat ik op de Auctie van Jacob Markus gekocht heb, my altyd ouder, en, na gedaan onderzoek, wel een halve eeuw ouder, is voorgekomen. En dewyl dat onderzoek ten grondslag heeft den naam van Jan van Polanen 1) met zyne Jonkvrouwe en kinderen, en vervat is in myne laatste aantekening op Stoke, voeg ik dat stukje ook hierby. Dat van Douza was geschreeven in 1390, ik vertrouw getoond te hebben, dat het myne geschreeven is voor 1342. Dat ik het gansche werk van Stoke verdeeld hebbe in X Boeken, zal uit de bygaande Specimina licht te zien zyn. Wat nu het MS. zelf, welks spoor UWEG. my allereerst aanwyst, belangt, daar is niets, daar ik, in myn qualiteit als uitgeever en uitlegger van M. Stoke, meer naar kan verlangen. Zelfs zoude ik my aan dien Hooggeleerden en Letterkundigen Heere aanstonds by missive vervoegd hebben, indien de bescheidenheid my niet leerde dat zulks kwaalyk zoude gevoegd hebben, eer ik UWEG. beantwoord hadde. Maar |
1) Men zie voor Jan van Polanen: de ‘Breeder Aantekeningen’ achter het Tiende Boek, in het Derde Deel (blzz. 451-459) van Huydecoper's Stoke-uitgave.
|
|
nu zal ik ook wachten tot ik UWEG. antwoord zal bekomen hebben. Want onderstellende dat UWEG. met den Heer Professor eenige gemeenschap heeft, en door het communiceeren van myne laatste aantekening, gelegenheid zoude konnen hebben om op dat chapitre te komen, zo zou dat voor my de gereedste weg zyn, zonder daarom na te laaten zyn HoogEerw. schriftelyk en in 't openbaar voor der zelver Mededeelzaamheid te bedanken. Is het anders, zo zal ik my, na UWEG. antwoord voegen, schoon ik my aan den Heer Professor doch niet kan adresseeren, zonder meldinge van den naam van UWEGestr. 1) .
Afschrift in het Huydecoper-archief. |
1) Cetera desunt. Deze brief is, blijkens een aanteekening van Huydecoper, den 31sten October 1754 gedateerd. Het origineel heb ik niet kunnen vinden.
|
III.Wel Edele Gestrenge Heer.
De meenigvuldige besigheeden, dewelken my de zoo lang by een geweest zynde Vergadering van haer E.Gr.Mog. geprocureert heeft, hebbend my niet eerder toegelaten, om UEWelEdGestr. aengename Missive te kunnen beantwoorden. Ik betuyge vervolgens alvorens myne danksegginge voor de goetheid, die UEWelEdGestr. hebd omme my een specimen van desselfs werk te communiceeren ende toetesenden, 't welk ik met veel vermaek hebbe doorgeleesen. UEWelEdGestr. vraegd daer omtrent myne geringe consideratien, en 't is ten uyterste flatteus voor my, dat UEWelEdGestr. zoo veel vertrouwen in myn persoon komt te stellen, en aen my zoo veel kunde toeschryft, omme daer over te kunnen jugeeren. Dit is wat veel gewaegd; echter sal ik van die permissie gebruyk maken, en dan ageeren niet als een complaisant Rechter, maer als een rigidus censor. En dan moet ik seggen, dat ik seer admireere en pryse de vlyt, die UEWelEdGestr. adhibeert in 't naspeuren van onse Vaderlandsche Oudheeden & geschiedenissen, mitsgaders UEWelEdGestrs liefde voor de waerheid. Dog permitteere my teffens dat ik evenswel omtrent UEWelEdGestrs observatien maeke twee remarques. De eerste is, dat sy vry wat wydloopig zyn, 't geen den Leeser afschrikt, en als 't regt uyt mag seggen, komt 't my voor, dat UEWelEdGestr.
deselfde saken met de helfte der woorden en mogelyk nog minder haddet kunnen uytdrucken 1) . Dog de tweede en die vry wat essentieelder is, bestaet daerin, dat UEWelEdGestr. dikwils en selfs met reden den Hr van Loon 2) berispt, en accuseert van quade trouwe, dat hy de plaetsen van eenige Ouden en wel voornamelyk uytheemsche Schryvers in een verkeerde sin draeit, ja dat meer is, anders voortbrengd, als deselven wesentlyk geschreeven zyn. Als men dan nu verwagten soude, dat UEWelEdGestr. tot overtuyging van den leser de echte plaetsen, zoo als die in de oorspronkelyke of rechte uytgaven hunner werken gevonden worden, soudet produceeren, bedriegt men sig. Want alleenlyk meld UEWelEdGestr. dat geen boeken by sig hebbende zodanigen plaets sus of zoo vermeld vind in UEWelEds aentekeningen, ofte wel in een zodanige sin aengehaeld vind in de Vaderlandsche Historie 3) . Dit ben ik verpligt om UEWelEdGestr. te waerschuwen, dat onvergeefelyk is. Als men ymand wil critiseeren over 't aenhalen van een plaets, moet men die plaets selfs produceeren, niet op 't goed geloof van een derde, die zoo wel deselve qualyk konde begrypen als de Hr van Loon, nog ook op fundament van eenige aentekeningen of Adversaria, die dikwils met haest en sonder de vereyschte naeuwkeurigheid gemaekt worden; dog men moet zodanig een plaets produceeren uyt 't Boek selfs, en zoo men dat boek niet en heeft, moet men een goed en vertrouwd vriend vetsoeken, hy 't er accuraet uyt excerpeert, waer toe en de Hr Mieris en ik bereyd zyn, omme ten opsigte der boeken, die wy hebben, UEWelEdGestr. te hulpe te komen. Omtrent de plaets in de Annales Bertiniani 4) ad Annum 839. is 't waer, dat de allegatie van de Hr van Loon vitieus is: Dog 't is ook waer, dat UEWelEdGestr. aentekeningen vitieus zyn, alzoo 't woord Dorestado wel duydelyk in de Annal. Bertin. |
1) Wijdloopigheid en langdradigheid waren inderdaad Huydecoper's zwakke zijden.
2) Huydecoper was den Delftschen geschiedschrijver Gerard van Loon (1683-1760) zeer kwalijk gezind, niet op de allerlaatste plaats om een verschil van meening over de vroegere leenroerigheid van Holland aan het Duitsche Rijk.
3) Bedoeld wordt natuurlijk de Vaderlandsche Historie van Jan Wagenaar.
4) Annales Bertiniani, opgenomen in Historiae Francorum Scriptores (Vijf Deelen, Parijs 1636-1649.) door André Duchesne. Opnieuw uitgegeven door G.H. Pertz in MG SS (Deel I, Hannover 1826.)
|
|
loc. cit. te vinden is. De plaets is deese Tom. III Script. Hist. Franc. du Chesne Pag. 196. ‘Comitatum Condorusto, inde per cursum Mosae usque in mare. Ducatum Ribuariorum, Wormazfelda, Sperohgouwi. Daer na volgd na opnoeming van verscheyde plaetsen tusschen beyde Ducatum Fresiae usque Mosam, Comitatum Hamarlant. Comitatum Batavorum Comitatum Testrabenticum. Dorestado. Alteram partem Burgundiae &c. Wyders achte 't allesints noodsakelyk, dat UEWelEdGestr. alle de essentieele stucken in 't Charterboek van de Hr Mieris voorkomende naspeurt, en daer uyt bybrengt. al 't geen tot opheldering van Stoke soude kunnen dienen, ende 't soude ten uyterste jammer zyn, dat daer de schryver der Vaderl. Hist. sig by geen mogelykheid van die subsidia heeft kunnen bedienen, UEWelEdGestr. die nu hebbende deselven geheel en al uyt 't oog verloor. De Hr Alberti heeft my gesegd, dat 't bewuste MS. van Stoke tot UEWelEd dienste was, sulx UEWelEdGestr. maer sig by missive aen sijn HoogGeb. kunt adresseeren 1) ; doch sijn HGel. vereyscht met veel reden, dat UEHGel. daer van alsdan een quitantie passeert. De Hr Mieris sal ook aen UEWelEdGestr. alle subsidia geeven en onder anderen de Chronyk van Melis Stoke in onrym, zoo ras UEWelEdGestr. daerom versoekt. Hier neevens gaet nu dit geringe MS .waer in UEWelEdGestr. ter plaetse daer een vouwtje gelegd is, sult vinden de leevensbeschryvingen der eerste Graven, mitsg. 't veersje op de dood van Graef Floris 't welk na gebruyk te rugge versoeke. Ietwes anders van UEWelEdGestr. ordres zynde kund vry disponeeren van die geene, die de eere heeft sig met alle hoogachting te noemen, WelEdeleGestrenge Heer, UE WelEdGestr. onderdanige en ootmoedige Dienaer
G. MEERMAN
Met haest. Rotterdam 6 Dec. 1754.
|
1) Aanteekening van Huydecoper in margine: ‘is geschied 16 Dec.’
|
|
P.S. Daer zyn in Amsterdam lieden genoeg, die de beste Historische boeken, tot UEWelEdGestr. oogmerk dienende, als du Chesne, Martene et Durand 1) &c. hebben. Als onder anderen de Hr advocaet Sweerts 2) , die een seer beleefd en officieus Heer is, en aen UEWelEdGestr. 't gebruyk derselver niet sal weygeren.
Origineel in het Huydecoper-archief. |
1) Bedoeld kan zijn: Thesaurus anecdotorum novus door E. Martène en U. Durand (Vijf Deelen, Parijs 1717), of: Veterum scriptorum et monumentorum amplissima collectio door E. Martène en U. Durand (Negen Deelen, Parijs 1724-1733.)
2) Vermoedelijk Philips Zweers (1704-1774), dichter en tooneel-schrijver. Van 1730 tot aan zijn dood was hij notaris te Amsterdam.
|
IV.Aan den Hr. G. Meerman, Pensionaris van Rotterdam
Wel Edele Gestrenge Heer.
Den 14 deezer ontving ik UWelEdGestr. missive van den 6 dienende tot geleide van het MS. waarvan UWEG. my 't gebruik gunstig toestaat; en van myne twee aantekeningen op Stoke te rug. Dank hebbe UWEG. voor het Boek, schoon er buiten de Forma Breviculorum niet veel in is, dat my tot myn werk zal konnen dienen. Den zogenoemden Heraud, die veel verschilt van eenen Melis Stoke in onrym, heb ik hier reeds den 21 Nov. van den Heer Mieris ontvangen. Aan den Heer Professor heb ik den 16 deezer geschreeven, maar wacht noch antwoord 3) . Ondertusschen heb ik niet langer willen uitstellen |
3) Op 19 December 1754 schreef Prof. J. Alberti aan Huydecoper o.m.: ‘Dewyl my niets aangenaamer is dan naer vermoogen dienst te doen ter bevorderinge van nutte weetenschappen, en ik daarom niets weigere aan de zulke die rechtschaape kenners zyn, en 't gemeen door hunne loflyke onderneemingen zoeken te verpligten; was ik wel haast gereedt om UWEdG. begeerte, op 't ontfangen van Haaren heuschen brief, te voldoen: te meer, omdat ik hier door gelegenheit kreeg, om myne bezondere hoogachting aan UWEdG. te betuigen, die thans met recht ('t zy zonder vleizucht gezegt) als de eerste in onze Nederduitsche taalkunde enz. geëerbiedigt wordt. Ik zende UWEdG. dan dit myn MS. van Melis Stoke, om het op UWEdG. gemak te gebruiken, verzoekende alleenlyk (wegens de onzekerheit der menschelyke zaaken) een blyk, dat UWEdG. het zelve ontfangen hebbe.’ (Origineel in het Huydecoper-archief.)
|
|
UWEG. kennis te geeven van den gemelden ontvang, en provisioneel myne dankbaarheid te betuigen. En mogelyk waar 't eer geschied, zo ik my niet wat belemmerd gevonden had door de Remarques die UWEG. geliefd heeft te maaken als een rigidus censor; en dus verschillende van den geenen, van wien Horatius zeide: cum scriptis animum sumet censoris honesti.dat is, die niets bestrafte dan 't geen inderdaad bestraffelyk was en zich niet ophieldt met vitteryen die geen nut doen. UWEG. bestrafte my zonder eenige bepaalinge, alsof ik, om myne beschuldigingen tegen van Loon goed te maaken, den Leezer om de tuin leide door hem vruchteloos te laaten zoeken en wachten naar de eigen woorden der oude Schryveren die hy by my meende te vinden: omdat ik alleenlyk melde, enz. En UWEG. vindt zich verpligt my te waarschouwen dat zulks onvergeeflyk is. Met recht konde ik deeze waarschouwing te rugge kaatsen. Om te toonen, dat onder die .... in de aanhaalingen by van Loon, veeltyds bedrog schuilt, beroep ik my allereerst op zulk een verminkte citatie uit Jo. a Leidis 1) ; en laat 'er onmiddelyk op volgen de eigen woorden van Jo. a Leidis, die van Loon verzweegen hadt. Zie daar, myn Heer, een onstrafbaar bewys van myne onschuld in deezen, waarom dan ook de beschuldiging niet zeer aangenaam heeft konnen zyn. Maar ik doe zulks niet ten opzigte van de Annal. Bertin. 't Is waar, maar eer ik zegge, wat ik van de woorden, by van Loon |
1) Johannes Gerbrandi a Leydis, Karmelieter-monnik te Haarlem, overl. 1504. Hij schreef de volgende werken: Chronicon Comitum Hollandiae et Episcoporum Ultraiectensium (uitgegeven door Fr. Sweertius in Rerum Belgicarum annales (Frankfort, 1620), blzz. 1-349; Opusculum de Gestis Regalium Abbatum Monasterii Sancti Athalberti Ordinis Sancti Benedicti in Egmonda (uitgegeven door Ant. Matthaeus, onder den titel: Chronicon Egmundanum seu Annales Regalium abbatum Egmundensium (Leiden, 1692) en Historie van 't Leven ende Feyten der Edele ende Hoochgeboorne Heeren van Brederode in Hollant (uitgegeven door Ant. Matthaeus in Veteris Aevi Analecta (Leiden, 1698. Deel I, blzz. 587-740 en 's Gravenhage, 1738, Deel II, blzz. 275-427.))
|
|
p. 73. 1) kwaalyk aangehaald, denke, laat ik vooraf gaan dat ik 'er slechts gissender wyze van spreeke alzo verre van myne Boeken ben. Wie, die dit geleezen heeft, kan evenwel by my wachten de woorden uit een boek, dat hy weet, dat ik niet by der hand heb? of klaagen dat hy, die niet vindende, zich bedroogen vindt? Om dit gebrek te vervullen, neem ik myn toevlucht tot de Vaderl. Hist. en vind daar gelukkiglyk myne gissing bevestigd tot eene waarheid. Ik acht mij dan in dit gedeelte myner behandelinge gansch onberispelyk, en zelfs gehandeld te hebben volgends de strengste regelen der ars critica, die niet verbiedt, ons den arbeid van anderen ten nutte te maaken, mids wy de zelven met naame noemen: en dat doe ik altyd. Maar Schryvers, die men noit geleezen heeft, aan te haalen alsof men ze geleezen hadt, met verberging van den geenen by wien men 't gevonden heeft, is onvergeeflyk. maar dat doe ik noit. Daar ik nu, in dit alles alleen de waarheid gezocht, gevonden en ontdekt hebbe, zie ik niet, waarin ik vergeevinge noodig zou hebben. Enz. Verder bekent UWEG. dat het waar is, dat de allegatie van den Hr. van Loon vitieus is. Doch voegt 'er by dat het ook waar is, dat myn aantekeningen vitieus zyn, alzo 't woord Dorestado wel duidelyk in de Ann. Bert. l.c. te vinden is. Maar die allegatie is notoir valsch, zyn dan myne aantekeningen ook valsch? Ik verstaa hier, ten zachtsten, onder 't woord aantekeningen, de Uittreksels uit de Ann. Bert. door my voor veele jaaren gemaakt; want daarin wordt het woord Dorestado niet gevonden. Maar hoe weet UWEG. zulks? omdat ik het zelf gezeid heb. Maar hoe? heb ik daaruit geargumenteerd, dat dat woord door van Loon kwaalyk aangehaald was? Verre van daar. want ik toon zelve uit de Vaderl. Hist. dat Duurstede daar geplaatst is onder het Ryks aandeel van Lotharis 2) . Met een woord, ik vind my verpligt, |
1) Vermoedelijk heeft Huydecoper zich hier in het nummer van de pagina vergist, tenzij hij later, voor zijn werk ter perse ging, de door hem, uit het boek van Van Loon (Beschryving der Aloude Regeeringswyze van Holland (5 Dln. Leiden, 1744-1750), blz. 73), geciteerde woorden heeft laten vervallen. Zie verder: Breeder Aantekeningen achter het Eerste Boek (1e Dl. blzz. 173-204) van Huydecoper's Stoke-uitgave.
2) Een strijdvraag in Huydecoper's dagen. Prof. N.G. van Kampen (1776-1839) kwam er veel later nog op terug en schreef o.m.: ‘Hij (Huydecoper) beweerde, tegen alle reden en waarschijnlijkheid aan, dat Dorestadium bij de oude Kronijkschrijvers gemeld, niet Wijk te Duurstede, maar Dorestad bij Hamburg aan de Elve was.’ (Beknopte Geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden, van de vroegste tijden af, tot op het begin der Negentiende eeuw. Door N.G. van Kampen. ('s-Gravenhage, 1822). Tweede Deel, blz. 197.)
|
|
UWEG. te waarschouwen, dat dit loutere vittery is. Al zulke particuliere aantekeningen, die men, in Re Literaria, alleen voor zich zelven maakt; zyn volstrektelyk buiten 't bereik van alle vreemde critiques; maar niet het kwaade gebruik, dat men 'er somtyds van gemaakt heeft: doch ik niet gemaakt heb. UWEG. heeft de goedheid van my de woorden van de Ann. Bert. toe te zenden; zekerlyk, opdat ik 'er gebruik van zou konnen maaken. Dat Uittreksel is dan gekomen onder 't bereik van myne critique; en dan moet ik zeggen, dat ik 'er geen gebruik van durf maaken, omdat ik 'er, met betrekkinge tot myn beredeneerde, twee gebreken in vinde. Voor eerst verbergt UWEG. ook de woorden Regnum Saxoniae, die ik getoond heb noodig te zyn tot nader verstand van 't naastvolgende Ducatus Fresiae. Ten anderen, vind ik 'er niet wat den eenen of den anderen Broeder toebedeeld was en dit is nochtans de as daar het verschil op draait; en 't geen ik duidelyk in de Vaderl. Hist. gevonden heb. Enz. Laaten, bid ik, UWEG. Remarques en deeze myne verantwoording voorby gaan als een praatje onder vier oogen, want het sop is de kool niet waardig; en niemand zou 'er smaak in vinden. Ik hebbe alleenlyk willen toonen, dat ik in staat zou zyn het geen ik geschreeven heb te verdeedigen; en noch niet ganschelyk vergeeten ben de Regulae artis criticae, waarin my sedert 40 jaaren geoeffend heb. De vriendschap is my meer waardig dan gelyk te hebben in een nutteloos verschil. Ik recommandeer my in die van UWEG. die verzekerd kan zyn, dat ik met alle hoogachtinge ben WelEdele Gestrenge Heer UWEG onderdaanige en ootmoedige dienaar
B. HUYDECOPER
Amst. den 21 Dec. 1754 1) .
Afschrift in het Huydecoper-archief. |
1) Het origineel heb ik niet kunnen vinden.
|
V.WelEdeleGestrenge Heer.
'T neevensgaende conspectus deeser dagen hebbende doen drucken om aen de Liefhebbers en goede vrienden te offereeren, neeme de vryheid UEWEG. dit gering stuckje toetesenden 1) . 'T is de gantsche weereld bekend, hoe UEWEG. al wat de outheeden van ons land specteert, in de uyterste volmaektheid kundig zyt, en selfs met geen geringe moeite gecolligeert hebd de eerstelingen van onse druckkonst. Mogte ik dan van UEWEG. vriendelyke hand verwagten, 't geen UEWEG. tot illustratie of verbetering van myn werk soudet kunnen suppediteeren, ik soude UEWEG. sensibele obligatie hebben, en 't met de uyterste dank-baerheid trachten te erkennen. Ik recommandeere my vervolgens op 't allersinceerste in UEWEG. vriendelyk aendenken, terwyl ik met veel hoogachtinge blyve, WelEdeleGestrenge Heer UEWEG. onderdanige en ootmoedige Dienaer
G. MEERMAN.
Rotterdam 21 Apr. 1761.
Origineel in het Huydecoper-archief. |
1) Conspectus originum typographicarum proxime in lucem edendarum in usum amicorum typis descriptus (1761).
|
VI.WelEdeleGestr. Heer.
Volgens belofte hebbe de eere UEWEG. toetesenden de neevensgaende Dissert. van Lambacher 2) , waerdig niet alleen, dat UEWEG. deselve met attentie doorleest, maer ook dat UEWEG. |
2) Philipp Lambacher, geb. omstr. 1700, overl. te Weenen 10 November 1774. Hij werd in 1733 Stadsbibliothecaris van Weenen. In I758 verscheen zijn Dissertatio histor.-juridica de Imper. Alberti I. expeditione in Hollandiam suscepta anno 1300 ad tuenda jura imperii adversus Joannem de Avennis comitem Hannoviae (40, Regensburg 1758).
|
|
de materie by hem getracteert, mitsg. syn sustenue rypelyk ondersoekt. De quaestie werd selfs door de Duytschers in controversie getrocken, en 't is bekend, dat de Oostenrykers (uti Lambacher) niet neutrael zyn in sulk soort van controversien, dog altoos schryven ten faveure van 't Roomsche Ryk. Onsen autheur heeft ook hier en daer, by ex. § 37 seq. assumtien, die ik hem zoo ligt niet soude toestaen. En ik verbeelde my dat Jan van Avesnes 1) , al was 't dat hy ten onregte 't Graefschap geadieert heeft, sig daer in met behulp van syne vrienden gemaintineert heeft sonder een instrumentum compositionis: alzoo men van zoo een instrument nec vola nec vestigium vind. Wenschelyk was 't dat UEWEG. deese Diss. en den oude Poëet Ottocarus ab Horneck 2) al vroeger geleesen hadde. Dog die stoffe meriteert wel een afsonderlyk aenhangsel. En ik zal gecharmeert zyn, daeromtrent by occatie UEWEG. gedachten te verneemen, terwyl ik intusschen met veel hoogachting blyve, WelEdeleGestr. Heer UEWEG. Onderdanige en Gehoorsame dienaer
G. MEERMAN.
Rotterdam 16 Nov. 1762. De Hr Bailliu Huydekoper.
Origineel in het Huydecoper-archief. |
1) Jan van Avesnes, geb. tusschen 1247 en 1249, overl. 1304 te Valenciennes. Graaf van Henegouwen; in 1299, als Jan II, graaf van Holland en Zeeland.
2) Ottokar, alias Von Horneck, geb. in Oostenrijk omstr. het midden van de dertiende eeuw, overl. na 1309. Schrijver van een rijmkroniek, welke tot 1309 loopt en in 1745 door Hieronymus Pez (1685-1762) werd uitgegeven. De laatste uitgave werd verzorgd door J. Seemüller in M G Dt. Chron. VI,II. (Hannover 1890, 1893.)
|
VII.Wel Edele Gestrenge Heer
Met reden moet UWelEdGestr. verwonderd zyn over myn langduurig stilzwygen, na dat ik de eere genooten had van UWelEdGestr. zo onverwacht, als op eene gansch verpligtende
wyze, ten mynen huize te mogen zien, en vervolgends het Werkje van den Heer Lambacher, door handen van den Heer Professor Burman 1) te ontvangen. Grootelyks erken ik my voor 't een en 't ander verpligt, en wenschte in staat te zyn zulks metterdaad te konnen beantwoorden; veel liever, dan my noch genoodzaakt te vinden om verschooninge myner traagheid te verzoeken. Eenigen tyd met den voet in het kussen gezeten hebbende, dwong my de toeneemende koude my te posteeren voor eenen warmen haard, doch zo duister, dat ik 'er by daag, noch leezen noch schryven kan, zonder myn gezigt te vermoeien. Waarby kwam, in de laatste uuren des ouden jaars, het smertelyk verlies van eene Broeders Dochter 2) , het welk de Familie, en, zo ik vertrouwe, allen die haar gekend hebben, zeer, maar haaren Man en vier kinderen aller gevoeligst, getroffen heeft. God bewaare UWelEdGestr. en allen die den zelven lief zyn, in eene langduurige gezondheid! Belangende de Verhandeling van Lambacher; ik beken dat my leed is, dat ik de zelve niet eerder gezien hebbe; doch daar is minder aan gelegen dan ik my eerst verbeeldde. Want ik vertrouw dat zyne twee positiven, waarvan alles afhangt, naamelyk, dat Holland, ten tyde van Graaf Jan II, een Leen des Ryks, en Zeeland bewester Schelde een Leen van Vlaanderen, zoude geweest zyn, die hy nergens bewyst, op verscheiden plaatsen myner Aantekeningen over Melis Stoke, voorlang gedrukt, genoeg verydeld zyn: het welk ik lichtelyk kon doen zonder hem te kennen, omdat hy zyn meeste bewyzen ontleent, of uit den Vlaamschen Meyerus 3) , dien bitteren vyand van Avennes, of uit onze Nederlandsche Schryvers, welker lichtgeloovigheid my dikwils onbegrypelyk |
1) Pieter Burman of Petrus Burmannus Secundus (1713-1778), Hoogleeraar te Franeker (1735) en te Amsterdam (1742). Historicus, latinist, graecus, dichter en redenaar.
2) Adriana Huydecoper, geb. 7 November 1726, overl. 31 December 1762. Zij was een dochter van Adriaan Huydecoper en Sara Maria van Asch van Wijck en huwde den 15en April 1749 met Mr Johan Ortt, Heer van Nijenrode en Breukelen.
3) Jacob de Meijer (Meijerus), geb. 16 Januari 1491 te Vletteren, overl. 5 Februari 1551 te Brugge. De uitgave van Commentarii Sive Annales rerum Flandricarum libri septendecim, Autore Jacobo Meyero Baliolano. (Antwerpen, 1561) werd door zijn neef, Anthoni Meijerus, verzorgd. Zie verder: Biographie de Jacques de Meyere in Rerum Flandricarum (Brugge, 1842).
|
|
is voorgekomen, 't Is waar, dat ik den Hoogd. Dichter, O. ab Horneck, noit gezien heb. Maar uit de bygebragte stukken van die Kronyk, is my gebleeken, dat Lambacher meer uit hem bewyst dan hy gezeid heeft: en zich niet ontziet de snoodste lasteringen tegen Avennes uit dien Oostenrykschen Schryver over te neemen, als waaren het ten vollen beweezene waarheden. Hy beschuldigt Avennes van drie Moorden, twee gepleegd aan Heer Wolfaard 1) en aan Graaf Jan I 2) ; de derde voorgenomen tegen Keizer Aelbrecht 3) . De twee eersten op 't gezag van Meyerus, dien ik daar over, te zyner plaatse, bestraft heb. De derde uit Horneck, die het beuzelachtig genoeg verhaalt, om 'er mee te spotten, en met eene simpele ontkenning wederleid kan worden. Wie heeft dit oit getuigd buiten dien eenen Rymelaar? wie heeft 'er oit de minste melding van gemaakt? Zou Meyerus zulks verzweegen hebben, zo hy 'er oit iets van gehoord hadt? Dat Lambacher dit nu voor eene zekere waarheid uitvent, riekt een weinig naar dwaasheid, vooral in hem, die blyken geeft dat hy onzen Melis Stoke geleezen heeft, uit wien omstandig blykt, dat Avennes van niets afkeeriger geweest is, dan van bloed te vergieten, zelfs van de zulken die den dood verdiend hadden, en welker sommigen dien ook geleeden hebben, wanneer zy vielen in de handen van Jan zonder Genade 4) , hartelyker dan zyn Vader. Ondertusschen |
1) Wolfert van Borselen, Heer van Veere en Sandenburgh, geb. omstr. 1250. Hij was de zeer onpopulaire raadsman van Jan I, graaf van Holland. Op 1 Augustus 1299 werd hij te Delft vermoord.
2) Jan I, graaf van Holland en Zeeland, Heer van Friesland, geb. waarschijnlijk in 1284, overl. in 1299. Zoon van Floris V. Hij was gehuwd met Elisabeth, dochter van den Engelschen koning Eduard I.
3) Albrecht I, koning van Duitschland (1298-1308), hertog van Oostenrijk, geb. omstr. 1250. Oudste zoon van Rudolf I van Habsburg. In 1299 overwoog hij een aanval op Holland en Zeeland, maar toen, een jaar later, Jan II met een machtige vloot de Waal opvoer, trok hij zich terug. Den 1sten Mei 1308 werd hij door zijn neef, Johann Parricida, vermoord.
4) Jan zonder Genade, bijnaam van Jan van Oostervant, den zoon van Jan II van Holland. Aan de Vaderlandsche Historie van Wagenaar (Derde Deel, blzz. 146-147), ontleen ik de volgende passage: ‘De Graaf, wel voorziende, dat de Zeeuwen den Keizer byspringen zouden, hadt, voor zyn vertrek uit Holland zynen zoon Jan Graave van Oostervant en Witte van Haamstede, die in Zierikzee gebleeven waren, bevolen, dat zy den Zeeuwen niet moesten beletten scheep te gaan; doch zodra dezelven vertrokken waren, hunne Sloten aantasten, en hunne Landen plat branden. Dit bevel was uitgevoerd. Oostervant en Haamstede hadden zig, in 's Graaven afzyn, gantsch Schouwen, Walcheren en Zuidbeveland onderworpen, en 's Graaven vyanden, daarenboven, uit Bergen op Zoom, verdreeven. De gevangen werden, door Oostervant, streng gehandeld: waarom men hem, sedert, hier te Lande, Jan zonder genade noemde.’
__________ Leopold III, overl. 15 November 1136. Geh. met Agnes, dochter van Keizer Hendrik IV. _____|__________ Heinrich II. Iasomirgott, geb. omstr. 1112, overl. 13 Januari 1177. Hertog van Oostenrijk 1156. Geh. met (1) Gertrud, dochter van Keizer Lothar en met (2) Theodora, nicht van Keizer Manuel van Byzantium. _____|__________ (2) Leopold V, geb. omstr. 1157, overl. 31 December 1194. Hertog van Oostenrijk 1177, van Stiermarken 1192. Geh. met Helene, dochter van Koning Geisa II van Hongarije. _____|__________ Friedrich I overl. 16 April 1199. Hertog van Oostenrijk 1195. Leopold VI overl. 28 Juli 1230. Hertog van Stiermarken 1195, van Oostenrijk 1199. Geh. met Theodora, kleindochter van Keizer Isaak II. van Byzantium. Zie: Die Markgrafen der Ostmark und Herzoge von Oesterreich aus babenbergischem Geschlecht. - Stammtafeln zur Geschichte der Deutschen Staaten door Dr W.K. Prinz von Isenburg (Berlijn, 1936), Tafel. 15. |
|
schynt men uit dien Ottocarus te konnen gissen, hoe valschelyk die mislukte togt van Aelbrecht om Holland te winnen, door des zelfs Hovelingen en Vrienden bewimpeld en verdraaid is, toen zy weder t'huis waaren gekomen .&c. Zie hier eenige blyken van de oplettendheid en 't oordeel van Lambacher. § XI schryft hy: Sub Leopoldo Virtuoso ejusque filiis Friderico Catholico et Leopoldo Glorioso constat quidem jus Haereditarium in Austria jam jam obtinuisse vi privilegii Fridericiani, quod Henricus Iasomirgott, Leopoldi Gloriosi pater, primus Dux Austriae, obtinuit an. 1156 1) . Hoe komen daar die woorden, Leopoldi Gloriosi pater, te pas? Was H. Iasomirgott de Vader van L. Gloriosus, die gelyk hy in den zelfden adem gezeid hadt, de Zoon was van L. Virtuosus? 2) §. XVII. p. 48. verzekert hy (constat, zegt hy) dat Florens V in 1276 maar 20 jaar oud was, en geen kinderen hadt. en §. XXVII. p. 73 vertelt hy, dat Florens V getrouwd is in 1270. NB. toen hy 14 jaar oud zou geweest zyn. S. XXIV. p. 66, 67. zegt hy dat Aelbrecht, ten betooge dat Holland, na de dood van Jan I, aan het Ryk vervallen was, non provocavit ad jus quoddam, quod sibi videri possit suggestum [door Renesse enz.] sed ad notorietatem &c 3) . Welke notorieteit hy §. XXVIII. p. 74. daaruit bewyst, dat Holland per obitum Joannis I absque liberis, ex usu illo antiquo Germanico ad Imperium devolutus esset 4) . S. XXV. p. 68. spreekende van Zeeland als een Vlaamsch leen, haalt hy uit Meyerus f. 98 a. deeze woorden aan. Quia Hollandia beneficium erat comitum Flandriae, juxta leges et consuetudines ejus provinciae, quoties absque sobole moriebatur beneficiarius, devolvebatur ditio ad superiorem 5) . Hier verstondt de goede man niets. By Meyerus staat niet Hollandia maar Zelandia: en de woorden ejus provinciae, die daar niet anders betekenen konnen dan Zeeland, past hy toe op Vlaandren. En in zes regels, die hy 'er uit het zyne byvoegt, zegt hy niets dat goed is. Want behalve dat hy Meyerum noemt Batavum, zo bestraft, 'en beschuldigt hy hem, schoon zyn eenigen getuigen in deezen, van onkunde, en zulks zonder reden; neemende alleen over, dat geene waarin Meyerus bestraffing verdiende. Dit nu ter loops. Ik blyve van ganscher harten met alle hoogachtinge Wel Ed. Gestr. Heer UWelEdGestr. onderdanige en gehoorzaame Dienaar
B. HUYDECOPER
Amsterdm 24 Jan. 1763 6) .
Origineel in het Museum Meermanno-Westreenianum (S. 113, Portef. 10) |
1) Zie Lambacheriana. Derde Deel van Huydecoper's Stoke-uitgave, blz. 486.
2) Door de nevenstaande genealogie wordt de quaestie opgelost.
3) Zie: Lambacheriana, blz. 517.
4) Idem, blz. 518.
5) Idem, blz. 505.
6) Afschrift en een onvoltooid concept in het Huydecoper-archief.
|
VIII.WelEdeleGestrenge Heer,
In langen tyd geen nouvelles van UEWEG. gehoord hebbende, neeme de vryheid van UEWEG. selfs te verneemen, wanneer 't publiq 't geluk sal hebben om UEWEG nieuwe en doorwrochte editie van Melis Stoke te sien: waer na yder een rykhalst, en ik kryge telkens vraeg daer na van den Hr Baron van Senckenberg 1) , sonder dat ik weete wat daer op te antwoorden. Myn werk 2) sal hoope ik over een maand of vier 't ligt kunnen sien; dog de registers kosten my veel moeite. Als UEWEG. de Dissertatie van Lambacher sult hebben gebruykt, versoeke die by occasie te rugge, alzoo deselve aen een ander beloofd hebbe ter leen. En blyve wyders met veel achting, WelEdeleGestrenge Heer, UEWEG. onderdanige en Dienstwillige Dienaer
G. MEERMAN
Rotterdam 10. April 1764.
Origineel in het Huydecoper-archief. |
1) Heinrich Christian Senckenberg, geb. 19 October 1704 te Frankfort, overl. 30 Mei 1768 te Weenen. 1729 advocaat te Frankfort. 1751 Reichsfreiherr. Schreef talrijke werken over de Duitsche geschiedenis en het Duitsche recht.
2) Bedoeld zal zijn: Origines typographicae (1765).
|
IX.WelEdele Gestrenge Heer
UWelEdGestr. zeer geeerde van 10 deezer is my op zyn tyd geworden; en verneeme met blydschap, dat wy ons vleien mogen UWelEdGestr. voortreffelyk Werk noch deezen Zomer in het licht te zullen zien. Wat Melis Stoke belangt, die sukkelt als noch, doch hoope voor of met einde deezes jaars van hem verlost te worden. Ondertusschen moet ik UWelEd. Gestr. nederig excuse vraagen, dat ik de Dissertatie van Lambacher zo
lang onder my gehouden heb. Nadat ik de zelve door UWelEdGestr. verpligtende mededeelzaamheid, in het laatst van 1762, ontvangen had, raakte ik buiten staat om 'er het noodige gebruik van te maaken; het welk geduurd heeft tot in het voorjaar. Maar ziende dat my daartoe veele Boeken, zo die ik op Texel gelaaten had, als anderen, en inzonderheid de Rymkronyk van Horneckins, noodzaakelyk waaren, heb ik deeze laatste uit Duitschland ontboden en traaglyk bekomen, en ondertusschen gezocht naar eene bekwaame zolder, om myn Texelsche Bibliotheek te konnen plaatsen, die nu hier wel voor weinig weeken gearriveerd, maar noch niet in orden geschikt is. Ik wenschte dat ik het een jaar of vier vroeger gedaan had, maar de hoop van noch eens een Texelsch reisje te zullen konnen doen, heeft my zulks zo lang doen uitstellen, ziende daarvan nu geheel af. Ik konde andere en gewigtiger redenen allegeeren, die my sedert twee jaaren dikwils genoodzaakt hebben myn Werk aan een zyde te leggen. De zelven zullen waarschynlyk den eenen of anderen tyd mede tot kennisse van UWelEdGestr. komen. Maar alle vruchten hebben tyd noodig om te rypen. Ondertusschen wacht ik de uuren die my overschieten te besteeden, om zo ras mogelyk van M. Stoke af te komen: en verzoeke ten dien einde, Lambacher, noch eenige weinige dagen by my te mogen houden, om voor 't laatst, het geen ik tegen hem ontworpen heb, noch eens tegen zyn eigen woorden te confronteeren. Inmiddels blyve met alle achtinge. WelEdele Gestrenge Heer UWelEdGestr. onderdaanige en Dienstwillige Dienaar
B. HUYDECOPER
Amsterdam, den 14 April 1764.
Origineel in het Museum Meermanno-Westreenianum. (S. 113 Portef. 10). X.Wel Edele Gestrenge Heer
Eindelyk bekomt UWEG weder te rugge het Werkje van den Heer Lambacher, voor welks gebruik ik UWEG myne oprechte dankbaarheid betuige, met nederig verzoek, dat UWEG my gelieve
te verschoonen, dat ik het zelve zolang onder my gehouden heb. Wat dien Schryver belangt, ik heb hem bevonden te zyn niets minder dan exact; zo in 't verzenden zyner Leezeren naar verkeerde plaatsen, als in het noemen van verkeerde naamen: om nu niet te spreeken van verminkingen en verdraayingen van de woorden van anderen. Lang heb ik gezocht naar de Oostenryksche Rymkronyk van Ottocarus ab Horneck, uit wien Lambacher zyn verhaal wegens Koning Aelbrecht en Graaf Jan van Avennes, voor het grootste gedeelte, ontleend heeft; en de zelve hier niet vindende, heb ik ze uit Duitschland ontbooden, en, na verloop van eenige maanden, gekreegen. Dees Ottacker is, met twee woorden, gelyk zyn Uitgeever, Hier. Pez, reeds aangemerkt heeft, een Fabelschryver, en Lasteraar van vreemde Vorsten en Heeren. Ook heeft de een en de ander niets voortgebragt, dat my aanleiding kon geeven; om eenige verandering te maaken in het geene ik, wegens die Historie van 't jaar 1300, voorlang gezeid heb. Integendeel, eene simpele vergelyking van 't eenvoudige verhaal van Melis Stoke tegen dat des Oostenrykers, heeft my ten vollen overtuigd van de oprechtheid des eenen en verkeerdheid des anderen. Dit zal een goed gedeelte myner Voorrede beslaan. Voor weinig dagen bezocht my de Hr. Adr. Kluyt, nu Rector te Alkmaar. Onder anderen viel ons onderhoud op onzen oudsten Kronykschryver, dien ik altyt Meerhout 1) genoemd heb. Ik vond hem juist van de zelfde gedachten te zyn 2) , als UWEG was, toen ik de eere had UWEG ten mynen huize te zien: naamelyk, dat een jonger Meerhout, in Noordholland, bezitter |
1) Pieter Vekeman Meerhout, Rector van de Latijnsche School te Alkmaar, in 1582 te Amsterdam. Hij bezat verschillende MSS. uit de Abdij van Egmond. Men hield hem aanvankelijk voor den auteur van het Chronicon Egmundanum, een onjuistheid, waarop Kluit, in diens Historia Critica (Middelburg, 1777), 1e Stuk, 1e Deel, de aandacht gevestigd heeft.
2) In een brief van 26 November 1765, aan Huydecoper, komt Kluit er nog eens op terug en schrijft dan o.m.: ‘.. op het onderwerp van P. Meerhout myne papieren eens naziende vinde ik enen brief, waar in ik meene, dat alles bevat is, 't welk ik van Meerhout nader zoude kunnen schryven. Ik hebbe de eer ued. denzelven toetezenden, en twyfele niet, of de Schryver deszelfs, des door my verzocht wordende, zal het geen geheim willen laten om bekend te zyn, zoo ued. enigzins gebruik van den zelven wilde maken.’ En in een P.S.: ‘By gelegenheid zoude ik wel wenschen deze inliggende te rug te ontvangen.’ (Origineel in het Huydecoper-archief).
N.B. De ‘inliggende’ brief, waarin het standpunt t.a.v. de Meerhout-quaestie met de opvatting van Meerman daaromtrent overeenkomt, bevindt zich in het Huydecoper-archief. De handteekening is (door Kluit?) opzettelijk onleesbaar gemaakt. |
|
zoude geweest zyn van 't MS van Ant. Matthaeus, waarin die naam gevonden is. Ik heb dan, 't geen Matth. deswegen aangetekend heeft, op nieuws met naauwkeurigheid onderzocht, en ben ten vollen in myne gedachten bevestigd geworden. Zo het volgende UWEG ook konde overtuigen, 't zou my ten uitersten aangenaam zyn. Ten dien einde staat te bezien, en wel te onderscheiden, wat Matthaeus zegt, en wat hy uit zyn MS. gecopieerd heeft. En dit laatste verstondt hy zelf niet, gelyk hem, trouwens, wel eens meer gebeurd is. Nevens de laatste woorden der Kronyk vondt hy deeze kanttekening: Huc usque se extendit Chronicon MS membranaceum Meerhoutani, indidemque major et melior pars istorum de verbo ad verbum imo syllabatim transcripta 1) . Benevens een tweede: Praesens iste codex fuit Nicolai Episc. Harlemensis, et deinde Guillelmi Hedae VII viri 2) . Deeze laatste aantekening is, waarschynlyk, van dien Heda zelf, dien ik houde geweest te zyn den natuurlyken zoon van den Historieschryver W. Heda 3) , die ook geweest is de Oom van Bisschop Niklaas van Nieuwland: 4) &c. Maar de eerste aantekening is allerzekerst van die hand, die dat MS gecopieerd heeft, transcripsit, uit een ouder MS, het welk die laater Uitschryver duidelyk noemt CHRONICON MEERHOUTANI 5) . Gissingen te maaken omtrent de |
1) Zie: Dedicatio - Veteris Aevi Analecta (1738) door Ant. Matthaeus. Tweede Deel, blz. 414. en Ad Lectorem - Historia Critica (1777) door A. Kluit. Eerste Stuk, Eerste Deel, blz. XXVIII - (g).
2) Zie: Veteris Aevi Analecta door Ant. Matthaeus. Tweede Deel, blz. 496 (in margine) en Historia Critica door A. Kluit. Eerste Deel, Eerste Stuk, blz. 215. - 6).
3) Wilhelmus Heda, geb. te Alphen a/d Rijn, overl. in 1525 te Antwerpen. Zette de Kroniek van Beka voort.
4) Nicolaas van Nieuwland (Nicolaus Episcopus Harlemensis), geb. 9 Juni 1510 te Egmond-binnen, overl. te Maartensdijk (U) 15 Juni 1580. Van 1562 tot 1569 Bisschop van Haarlem.
5) Chronicon Meerhoutani is dus het Chronicon Egmundanum, dat van 647 tot 1205 loopt en veel overeenkomst vertoont met de Annales Egmundani (875-1205 met aanteekeningen tot 1282).
|
|
juiste oudheid dier twee MSS, zou in den blinden geschermd zyn. 't Jongste is zekerlyk meer dan twee, en mogelyk drie eeuwen oud. En wie zou my van onwaarheid overtuigen, als ik beweeren wilde, dat niemand die Aantekening, Huc usque &c. eerst heeft konnen schryven dan de Procurator 1) zelf, die dat Chronicon Meerhoutani aan 't hoofd van zyn eigen Werk plaatsende, daarin, zo al niets veranderd, ten minsten uitgelaaten kan hebben, wat hem niet behaagde? Wat jonger Uitschryver zou zo dwaas geweest zyn, zo verkeerd, zo lastig een werk gedaan hebben, van de korte en fraaie Kronyk van Meerhout te verminken, en die lange en monikachtige van den Procurator geheel te copieeren? Want dat de Procurator dacht wyzer te zyn dan zyn Voorganger, blykt aanstonds uit zyn' eersten ophef, waarin hy hem tegenspreekt; doch gansch kinderlyk, gelyk we daar breeder hebben aangetoond. Wy moeten dan redeneeren uit die twee Aantekeningen zelfs, en niet uit het geene Matth. ons vertelt. Want zo zegt hy onder anderen: deprehendi Anonymum, quem Sweertius edidit - esse illum ipsum qui Meerhoutanus Nicolao 2) . Alsof Nikolaas, dien Anonymus allereerst Meerhoutanus genoemdt hadt. Voeg 'er by, dat hy ons als verzekert, dat de Procurator Meerhout aan 't hoofd zyn Werks geplaatst heeft, nec truncatum, nec mutilum, sed integrum: 3) niet tegenstaande in die Aantekening zo duidelyk verklaard wordt, dat de Uitschryver slechts het grootste en beste gedeelte, major et melior pars, letterlyk overgenomen heeft. Dus is alleen hieruit onwedersprakelyk, dat wy Meerhout tegenwoordig niet anders hebben dan mutilus en truncatus. Ook heeft Matthaeus de twee MSS, in die eene Aantekening gemeld, niet konnen onderscheiden; en daarvan nochtans hangt dit verschil alleen af. Ik heb den bedorven text van Meerhout op verscheiden plaatsen verbeterd, een en andermaal uit Melis als des zelfs Vertaaler; |
1) Willelmus Procurator, geb. omstr. 1295, overl. vermoedelijk in 1365. Kapelaan te Brederode in 1322. Later ‘procurator’ te Egmond. Hij zette de Annales Egmundani voort tot 1332. (Zie: Geschiedenis van de Noord-Nederlandsche Geschiedschrijving in de Middeleeuwen door Dr Jan Romein (Haarlem, 1932), blzz. 55-57). Zijn kroniek werd uitgegeven door C. Pynacker Hordijk in de Werken van het Hist. Gen. 3e Ser. nr. 20 (1904).
2) Zie: Dedicatio - Veteris Aevi Analecta door Ant. Matthaeus. Tweede Deel, blz. 414.
3) Idem, blz. 413.
|
|
meermaalen uit de Uitgaave van Sweertius 1) ; allermeest uit de geschreeven Aantekeningen van Scriverius 2) , die gemelde Uitgaave tegen twee MSS vergeleeken heeft, en van gedachten geweest is, om dien ouden Schryver zelf het licht te doen zien; waartoe Vossius de Hist. Lat. 3) reeds zynen Leezeren hoope hadt gegeven. Indien de Heer Kluyt zich daarop wil toeleggen, hy zal by de Liefhebbers onzer Vaderlandsche geschiedenissen, ja ook by vreemden, veel konnen verdienen. Die Aantekeningen van Scriverius zyn my medegedeeld door den Professor Burman, die my tevens berichtte, dat UWEG. der zelver Eigenaar was: zodat ik ook voor het gebruik UWEG hartelyk dank zegge; en my verder in der zelver goede gunste beveelende heb ik de eere my met alle Hoogachtinge te tekenen, Wel Edele Gestrenge Heer UWEGestr. onderdaanigen en gehoorzaamen Dienaar
B. HUYDECOPER.
Amst. 27 Aug. 1764.
Origineel in het Museum Meermanno-Westreenianum. (S. 113 Portef. 10). |
1) Franciscus Sweertius, geb. 1567 te Antwerpen en aldaar overl. in 1629. Koopman en letterkundige. Het Chronicon Egmundanum werd opgenomen in zijn Rerum Belgicarum Annales (1620).
2) Petrus Scriverius (Pieter Schrijver), geb. te Haarlem 12 Januari 1576, overl. te Oudewater 30 April 1660. Studeerde te Leiden in de rechten. Legde zich ook op talen en dichtkunst toe. Van zijn hand verschenen o.m. Oud-Bataviën (1606), Batavia illustrata (1609) en een uitgave van Het Oude Goutsche Chronycxken (1663).
3) Gerardus Vossius (zoon van Johannes), geb. 1577 te Heidelberg, overl. 17 April 1649. In 1624 Hoogleeraar in het Grieksch te Leiden en in 1631 Hoogleeraar in de Geschiedenis te Amsterdam. De Historicis Latinis Libri III verscheen in 1651, nogmaals in 1677, maar nu te zamen met De Historicis Graecis Libri IV (waarvan ook een aparte editie uit 1624 bestaat).
|
XI.Wel Edele Gestrenge Heer.
Van myne ryse naer Aken en Spa herwaerts geretourneert zynde hebbe my vereerd gevonden met UEWEGs Missive van 27. Aug.
laetstleden. Ik sal met aengenaemheid sien, 't geen UEWEG, sult bybrengen tot refutatie van Ottocarus von Horneck, en vindicatie van Melis Stoke, en vervolgens myn oordeel omtrent 't bewuste point zoo lang opschorten. UEWEG. segd den oudsten Chronykschryver van Holland altoos Meerhout te hebben genoemd. En omtrent deese dwaling zyt UEWEG. sekerlyk te excuseeren, om dat Matthaeus hem reedts zoo genoemd hadde. Dog neem my niet qualyk, WelEdGestr. Heer, dat ik verwondert ben, door UEWEG. in myne stelling gecondemneert te worden, welke meedebrengt, dat Meerhout niet de naem des autheurs maer des besitters van 't oudste handschrift deeses Chronyks geweest zy, daer echter UEWEG. de redenen my daer toe moveerende nooit gehoord hebd. Ik hebbe dan deselven in een Memorie hier neevensgaende gecomprehendeert, die ik my versekert houde, dat alle lieden overtuygen sullen, en selfs UEWEG. ten waere deselve oordeelde, dat 't geen men eens gesteld hadde, altoos moest staende gehouden worden, daer ik UEWEG. veels te raisonnabel voor houde. Ik voor my ben volkomen neutrael in deese quaestie, dog ben al te grooten liefhebber van de waerheid, om niet van anderen en selfs van myne eyge gevoelen (waer van in myne Orig. typogr. verscheyde exempelen zyn) aftegaen, daer de gesonde reden sulx vordert. Begeert UEWEG. dit oude en pretieuse handschrift selfs intesien, ik wil uyt singuliere consideratie voor UEWEG. 't aen denselve wel toesenden, mits onder een behoorlyk recepis, en belofte van 't binnen korten my te rugge te doen worden. Voor 't overige blyve ik met veel hoogachting, WelEdeleGestrenge Heer, UEWEG. onderdanige en gehoorsame Dienaer
G. MEERMAN
Rotterdam ulto. Sept. 1764
Origineel in het Huydecoper-archief. Memorie.Van de oude Latynsche Chronyk van Holland zyn tweederley afschriften, 't eerste soort eyndigende met a. 1205, en 't andere gecontinueert door Wilhelmus Procurator tot a. 1332. 'T eerste is uytgegeeven door Fr. Sweertius; dog na een vitieus en gebreckig Manuscript. Een ander en veel beter op perkament
in 4o geschreeven, 't geen de letters aenwysen omtrent 't jaer 1300. te zyn geschreeven, is uyt de Bibliotheeq van wylen den Hr Gerard van Loon in de myne overgegaen. Er werden annotatien in gevonden met de hand van Janus Dousa en P. Scriverius. 'T geen remarquabel is, boven aen op 't eerste blad is te leesen P. Meerhoutani geschreeven met verouderden inkt, en een hand, die klaer te sien is te zyn van 't laetst der sestiende eeuw. En zoo den inkt en de letters aenwysen, zyn er verscheyde annotatien er in voorkomende ook van deselfde hand. Er is door een later hand bovengeschreeven Olim fuit, sulx men nu leest Olim fuit P. Meerhoutani 1) . Deese Meerhout is Rector te Alkmaer geweest voor 1600. en men leest van hem inter Epistolas a Gabbema editas 2) . Zynde hy een groot liefhebber der Vaderlantsche Oudheeden geweest. Janus Douza, die dit MS voor voorne Meerhout tot syn gebruyk gehad heeft, en hem als syn tyd genoot seer wel kende, heeft gantsch wel geweeten, dat de woorden P. Meerhoutani indiceerden de naem des besitters, en niet des autheurs, en dat deese onbekend was: waerom hy deselve ook niet noemd, dog wel syn vervolger Wilhelmus in syne praefatie voor Melis Stoke.
Ik moet ook supponeeren, dat Melis Stoke, die dit Chronicon gebruykt en gevolgd heeft, des autheurs naem niet gekend heeft: want in 't leven van Diderik de 1e segd hy:
|
1) Zie: Ad Lectorem - Historia Critica door A. Kluit. Eerste Stuk, Eerste Deel, blz. XXIII.
2) Janus Douza spreekt over Meerhout in een brief van 13 Novemver 1582, aan Lambertus Burchius (1542-1617), Deken van St Marie te Utrecht, welke voorkomt in: Epistolarum ab illustribus et claris viris scriptarum centuriae tres. Quae passim ex autographis collegit ac edidit S.A. Gabbema, Harl. 1663. 12o. (Herdruk, Harlingen 1669. 12o.)
|
|
Het is by my seer klaer, dat dit op onsen Chronographus siet, welke hy denkelyk soude genoemd hebben, als hy hem gekend hadde; daer hy sig nu bediend van de vage expressio die ghene, die 't Latyn schreef. Gelyk dan Wilh. Procurator selfs in syne Continuatie op 't jaer 1324. den autheur van 't eerste Chronyk niet noemd, eenvoudig seggende praesentem Chronicam a tumultu Comitis de Lone persecutus 1) . Dog Adriaen van Westphalen 2) , die ook besitter van myn MS. geweest is, en een hoope beuselingen hier en daer op de kant heeft bygeschreeven, (als by exempel achter een annotatie van Scriverius stellende: Dit Petri Scriverii hand, scoon reformeert, dit gelooft en geëert) heeft allereerst gedacht dat den autheur hiette Meerhout. Want op 't eynde van a. 1205. heeft hy op de kant geschreeven: Huc usque Meerhout verbotenus, idem cum pergameno in folio habet, et est descriptum a Wilhelmo Procuratore et continuatum, ut habeo in alio libro huic continuato. En achter de Diplomata door Douza uyt dit eyge MS. in syne annales overgebragd heeft voorne Westphalen gesteld: Hier eyndigt P. Meerhout syn eygen Chronyk. Doch by Willem Procurator dit naest vervolcht. Wie siet niet, dat Westphalen de woorden P. Meerhoutani op 't eerste blad staende genomen heeft voor de naem des autheurs in plaetse des possesseurs. 'T tweede soort van Chronyk is 't voorige, dog merkelyk gemutileert, en gecontinueert door Wilhelmus Procurator tot a. 1332. Hier van is een MS. op perkament in folio, defect in den beginne, en daerom eerst beginnende met a. 1168, geweest in handen Nicolaus Episc. Harlemensis Guil. Heda, Janus Douza, daer na van Scriverius en eyndelyk van Ant. Matthaeus, die 't in 't licht gegeeven heeft. By dat Codex staet nu op 't jaer 1205. aengetekend Huc usque se extendit Chronicon MS. Meerhoutani, indidemque major et melior pars istorum de verbo ad verbum, imo syllabatim transscripta 3) . Wil dit nu seggen, dat de autheur van dat eerste Chronicon Meerhout hiete? Was dat des autheurs |
1) Zie: Veteris Aevi Analecta door Ant. Matthaeus. Tweede Deel, blz. 619.
2) Adrianus Westphalen, geb. te Enkhuizen 1626, overl. te Alkmaar 1695. Op 9 Februari 1649 werd hij als juridisch student te Leiden ingeschreven en promoveerde den volgenden dag. Hij was tegenwoordig bij de vredesonderhandelingen te Munster. Bezitter van eenige oude handschriften.
3) Zie mijn toelichting onder 1), blz. 125.
|
|
intentie, had hy beter gesegd Meerhoutani Chronicon. Neen, hy wilde seggen 't Chronicon MS. 't welk Meerhout besitte. Wat vind men meer als Codex MS. Scaligeri of Kalendarium MS. Scaligeri of Chronicon MS. Scaligeri en diergelyke expressien. En niets is waerschynelyker, als dat deese annotatie is van Janus Douza, want die heeft 't MS. van Matthaeus beseeten, en in myn Codex, 't welke hy van Meerhout ter leen had, met syn hand aengetekend de varietates met syn MS. van Procurator. Daerom heeft hy in myn Codex op 't jaer 1168 (fol. 18 b) genoteert. Hinc initium fit Chronici illius menbranacei calamo exarati in folio, quo Miropius Pontifex Harlemensis usus aliquando, cujus bona pars non aliunde quam hinc transscripta apparet 1) . Komt deese manier van sig uyttedrucken niet volkomen overeen met de voorz. andere annotatie, waer op de Hr. Huydekoper sig beroept. Ik voege hier nog by, dat Douza in myn Codex MS. sig geëmancipeert heeft ad a. 1203 fol. 27 b. om boven eenige bastaert-woorden van den Anonymus andere cierlyker te stellen. Waerom met een oude hand, die uyt den inkt en schryftrant my blykt van P. Meerhout te zyn, is bygeschreeven: Haec superposita, barbarum atque asperum stilum emollientia, a Dousa sunt; non vero ex alio Codice desumpta. Waer uyt en uyt verscheyde andere annotatien my blykt, dat deesen Rector Meerhout een seer accuraet en kundig man was.
Origineel in Huydecoper-archief en gelijkluidend afschrift in Museum Meermanno-Westreenianum (S. 113 Portef. 10). |
1) Zie: Historia Critica door A. Kluit. Eerste Stuk, Eerste Deel, blz. 117.-o).
|
XII.Wel Edele Gestrenge Heer
UWelEdGestr. altyd geeerde en zeer aangenaame van ulto Sept. is my den 18 deezer ter hand gekomen. Voor de in leggende Memorie zeg ik UWEG inzonderheid dank. Ik heb'er niet veel op te antwoorden. De redenen, en de zaakelyke omstandigheden waarop die gegrond zyn, hebben my niet in twyffel gebragt, maar volkomen overtuigd, dat Meerhout niet geweest is de Autheur van onze Kronyk, maar van den Bezitter. Daar valt dan
voor my niet anders te doen, dan den misslag openlyk te herroepen 1) terwyl 't noch tyd is, en myne Leezers te verzoeken, dat zy voor Meerhout gelieven te leezen de Egmonder, welke naam hem, dien ik ergens den Fenix der Moniken van Egmond genoemd heb, by uit stek toekomt. De aanbieding in 't slot van UWEG missive vervat is zo verpligtende, dat het niet accepteeren van de zelve onverantwoordelyk zou zyn. Indien dan UWEG. de goedheid gelieft te hebben van my dat oude en pretieuse Handschrift toe te zenden, ik zal UWEG aanstonds na den ontvang een behoorlyk recepis doen toekomen, en verbind my mids deezen om het uiterlyk binnen veertien dagen te rug te zenden. Inmiddels blyve ik met alle hoogachtinge WelEdele Gestrenge Heer UWEG onderdaanige en gehoorzaame Dienaar
B. HUYDECOPER.
Amsterdam den 26 October 1764.
Origineel in het Museum Meermanno-Westreenianum. (S. 113 Portef. 10). |
1) Dit is, aangezien Huydecoper's Voorrede nimmer in druk verscheen, niet gebeurd. Brill schreef dan ook in de ‘Inleiding’ van zijn uitgave van de Rijmkroniek van Melis Stoke o.m.: ‘Eene andere wijze van aanhaling bij Huydecoper behoeft voor den lezer thans mede opheldering. Hij spreekt, namelijk, van het Chronicon Egmondanum als geschreven door Meerhout. Waar hij Meerhout noemt, bedoelt hij dan ook dat Chronicon. Maar zijne meening, dat Meerhout de schrijver van het Chronicon zijn zou, berust op eente dwaling, ......’
In Huydecoper's onvoltooide ‘Voorrede’ wordt deze vergissing recht gezet. |
XIII.WelEdeleGestrenge Heer,
In conformité van 't geen ik laetst de eere had UEWEG. te melden, zoo sende hier neevens 't Latynsche Chronicon Hollandiae MS. in pergameno, waer van de editie aen de Hr Kluyt gecommitteert is. Wyders voege hier nog by twee Chronyken door my seer onlangs gekogt, een in quarto in een fransche band. Deselve is tot nog toe onuytgegeeven, en komt gedeeltelyk met
de Clercq van de lage landen 1) gedeeltelyk met 't oude Goudsche Chronykje 2) , gedeeltelyk met Veldenaer 3) overeen. De andere in twee exemplaren een in fol: en een in 4o 't eerste iets compleeter. Deselve zoo ik meene is ook onuytgegeeven, ten waere 't 't selfde mochte zyn met 't Chronykje der Graven van Hollandt 4) , gedrukt tot Amsterdam 1751. in octavo, welk ik niet hebbe. Van welke vier stucken ik van UEWEG. sal versoeken een recepisse, en kund UEWEG. deselven dan een maand 2. a 3. houden. Ik heb al die stucken aen UEWEG. toegesonden, of deselven nog van eenig nut aan UEWEG. souden kunnen zyn in de praefatie voor Stoke. Ik soude den Heraut hier bygevoegd hebben, ten waere ik my herinnerde, dat UEWEG. voormaels dit MS van de Hr Mieris ter leen hadde gehad. Ik hebbe 't op de auctie van v. Loon gekocht. Ik weet niet, of ik UEde ooit gesegd heb 't geen van de Hr Mieris gehoord hebbe, dat sekere Hr Henrik Graham 5) , die in |
1) De Clerc uten laghen landen, middeleeuwsch auteur van een kroniek, in proza, tot 1316. Deze kroniek werd uitgegeven door Frans van Mieris (Leiden, 1740) en door B.J.L. de Geer van Jutfaas, in de Werken van het Hist. Gen. N.S. Nr. 6 (1867).
2) Het Oude Goutsche Chronycxken (zie mijn toelichting onder 2) blz. 127) loopt tot 1477. De eerste uitgave is van 1478 (bij Gher. Leeu te Gouda).
3) Jan (of Johan) Veldenaer, boekdrukker te Utrecht omstr. 1480, vertaalde Fasciculus temporum van den Westphaalschen Karthuizer Werner Rolevinck. Aangevuld met kronieken van Holland, Utrecht enz. verscheen deze vertaling o.a. te Leuven in 1476 en te Utrecht in 1480.
4) Cort chronykje van de graaven van Hollant (922-1398). Werd uitgegeven door P.B.V.D. te Amsterdam in 1751 ‘by Jan v. Stendel, boek- en papiervercoper op de hoek van de Heeregracht en Oude Spiegelstraat’. (Zie: Lijst van Noord-Nederlandsche Kronijken door Mr S. Muller Fz., Werken van het Hist. Gen. N.S. Nr. 31, 1880, blz. 32 en Geschiedenis van de Noord-Nederlandsche Geschiedschrijving in de Middeleeuwen door Dr Jan Romein (Haarlem, 1932), blzz. 104- 105).
5) Mr Hendrik Graham, advocaat te Den Bosch in het begin der achttiende eeuw, werd er aanvankelijk van verdacht de Kolijn-kroniek te hebben geschreven. Hij werd gedisculpeerd door Prof. Kluit, die, in een brief van 1 October 1801 aan Mr Henrik van Wijn, na ook Cornelis van Alkemade van dezelfde verdenking te hebben ontlast, Reinier (of Regnerus) de Graaf, plaatsnijder te Haarlem omstreeks 1700, als vervalscher van de bedoelde kroniek, aanwees. Het zou mij te ver voeren hier in den breede op de eertijds geruchtmakende Kolijn-quaestie in te gaan. Genoeg zij het te weten, dat Huydecoper de eerste was, die de vervalsching van de Kolijn-kroniek op het spoor kwam, een ontdekking, welke hij, in het Eerste Deel van zijn uitgave van Melis Stoke, openbaar maakte. (Zie verder: Toets van de egtheid der Rymchronyke, die, op den naam van Klaas Kolyn, uitgegeven is. - Werken van de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leyden. - Derde Deel. 1777.; De Aloude Vryheid, Staatsregeering, en wetten der Batavieren; vergeleeken met die van laater tyden, enz. enz. Verdeedigd door Mr. P. van der Schelling. (Rotterdam, 1746.), blzz. 404-566.; Huiszittend Leeven door Mr Henrik van Wijn, Eerste Deel (Amsterdam, 1807); Leven, gedrukte werken en handschriften van Cornelis van Alkemade en Pieter van der Schelling door G.D.J. Schotel (Breda, 1833); Over historische en literaire namaak door Prof. Dr J.W. Muller |