Ten huize van... 10


auteur: Joos Florquin


bron: Joos Florquin, Ten huize van... 10. Davidsfonds, Leuven / Orion - Desclée De Brouwer, Brugge 1974  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 295]

Baron Jozef Ryelandt
‘Huize Koning David’, Philips de Goedelaan 12, Brugge

Het is echt een genoegen bij de oudste komponist van ons land op bezoek te mogen komen. U wordt weldra negentig en dat zijn vele jaren. Maar u draagt ze fleurig!

 

Dank u voor het kompliment en ook omdat u gekomen bent. Feitelijk stelt mij dat een beetje op mijn ongemak. Ik heb liever dat men belang stelt in mijn werk dan in mijn persoon.

 

Het antwoord spreekt voor uw bekende bescheidenheid. Maar in dit geval gaat onze belangstelling naar u èn naar uw werk. De twee zijn trouwens moeilijk te scheiden. U bent geboren Bruggeling?

 

Een autentieke Bruggeling, geboren op 7 april 1870. Als ik geen Bruggeling was, zou ik het willen worden.

 

Een mooi kompliment voor Brugge. Hoe bent u eigenlijk tot de muziek gekomen? Was dat een traditie in de familie?

 

Helemaal niet. Toen ik zeven jaar oud was, heb ik piano

[p. 296]

leren spelen en de muziek is mij altijd blijven boeien. Na het kollege hier in Brugge ben ik naar Leuven rechten gaan studeren, maar ik voelde meer voor de muziek. Ik had wel niet de minste teoretische opleiding gekregen maar ik maakte toch al komposities. Ik ben daarmee naar Edgar Tinel gegaan, die toen direkteur was van de interdiocesane school voor religieuze muziek in Mechelen. Tinel liet mij een eigen sonate voorspelen. Toen ik dat gedaan had, bekeek hij mij even en zei: Het is de eerste keer van mijn leven dat ik dit zeg: gij moet u op de muziek toeleggen, tenminste als ge genoeg hebt om te leven.

 

In het mooie nummer dat het tijdschrift ‘West-Vlaanderen’ aan u heeft gewijd vóór enkele jaren, staat een brief afgedrukt die daarover handelt. En ik herinner me deze zin: ‘Il m'a joué une sonate pour piano de sa composition. J'ai été frappé de stupeur.’

 

Dat was een brief aan juffrouw Elisabeth Alberdingk Thijm. Na veel moeite nam Tinel aan mij les te geven, maar dan als privé-leerling. Daarbij eiste hij dat ik pianoles zou nemen bij juffrouw Alberdingk Thijm. Ik heb dan mijn universitaire studie opgegeven en me aan de muziekstudie gezet.

 

Hoe was Tinel als leraar?

 

Veeleisend. Hij heeft me hard doen werken. Hij was een eigenaardig man. Zijn lessen waren zeer levendig maar hij was absoluut in zijn oordelen over mensen en dingen. Maar hij was een braaf man.

 

En wat denkt u nu over de muziek van Tinel?

 

Hij is een groot muzikant. Zijn Franciscus is een groot werk dat trouwens in Duitsland veel sukses heeft gekend. Ik vind dat oratorium te dramatisch om oratorium te zijn en niet scenisch genoeg om teater te zijn. Peter Benoit vind ik

[p. 297]

genialer van aanleg maar Tinel was technisch beter onderlegd. Dat betekent niet dat ik Benoit meer bewonder!

 

Hebt u Peter Benoit ook nog gekend?

 

Ik heb hem een keer ontmoet hier te Brugge en ik heb dan met hem een wandeling door de stad gemaakt. Hij heeft me toen gevraagd de reduktie te doen voor Jonkvrouw Katelijne, dat wil zeggen van de orkestpartituur een muziekpartituur te maken. Ik heb dat gedaan. Het was interessant werk.

 

U hebt ook nog een andere grote figuur gekend: Guido Gezelle.

 

Ja, ik ben hem in Kortrijk gaan opzoeken om hem te vragen een kruisweg te schrijven die ik op muziek zou zetten. Hij heeft dat gedaan. Dat waren De XIV stonden. Ik heb er de muziek dan bij geschreven. Het werk werd een keer uitgevoerd te Eeklo in 1896. Het voldeed me niet en ik heb het vernield. Een gedeelte ervan heb ik gewijzigd overgenomen in mijn Agnus Dei. Het was niet gemakkelijk muziek te schrijven bij deze tekst. Gezelle had helemaal geen begrip van muziek: sommige gedeelten waren zeer muzikaal, andere niet.

 

Het klinkt verrassend wat u daar zegt over het muzikaal aanvoelingsvermogen van Gezelle. U hebt toch heel wat liederen van hem gekomponeerd?

 

Ja. Mijn eerste was Weemoed, in 1894. En mijn laatste, De Leie, in 1948. Alles samen een dertigtal, denk ik. Maar Gezelle kon die moeilijk waarderen, hij was geen muziekkenner.

 

En de meest bekende gedichten zijn daarbij: ‘O mocht ik’, ‘De Mandel’, ‘Gij badt op enen berg’, ‘'k En hore u nog niet’, ‘Ego Flos’, ‘Als de ziele luistert’, ‘'k Hore tuitend hoornen’. Wat is eigenlijk uw eerste werk geweest?

[p. 298]

Kleinere dingen waarvan ik veel vernield heb, o.m. De Rijndwergen, op tekst van Pol de Mont. Mijn eerste grotere werk is het mysteriespel De parabel der maagden van 1894.

 

Stond u daar onder invloed?

 

Wel, het was de tijd van Wagner en er zullen in die tijd wel weinigen aan zijn invloed zijn ontsnapt. Ik denk dat ik het aanwenden van het leidmotief van hem heb en misschien heeft hij ook de algemene strukturele opvatting van mijn groter werk bepaald. U weet dat Tinel anders helemaal niet Wagnergezind was. Van hem is de fameuze uitspraak: ‘Entre Wagner et moi, ça n'a jamais marché.’ Hij was vooral gesteld op de B's: Bach en Brahms. Ikzelf heb zeker de invloed ondergaan van César Franck, waarvan ik nog altijd veel hou. Ook van Gabriël Fauré heb ik iets geleerd en natuurlijk ook van Debussy.

 

Dus meer Latijnse dan Germaanse invloed? Maar Wagner heeft u dus het sterkst beïnvloed.

 

Wel, zijn invloed is zeker merkbaar in mijn opera Cecilia, die van 1902 dateert. Het is een groot stuk in drie bedrijven op Franse tekst van Ch. Martens en op Nederlandse tekst van Goemans. Bij de kreatie te Antwerpen hield juffrouw Wibaut, die nooit een teater had gezien, de hoofdrol: het werd voor haar een groot sukses. Men heeft dit lyrisch drama onlangs nog opnieuw opgevoerd, maar men voelt dat het niet meer van deze tijd is. U weet hoe het gaat: na 20 jaar zijt ge uit de mode, na 100 jaar komt ge er weer in. ‘La gloire est une fleur qui ne croît que sur les tombes!’

 

Al uw vrienden en bewonderaars zullen dat tegenspreken! Laten we die nuchtere uitspraak neutralizeren met een vrolijke anekdote verbonden aan de een of andere uitvoering van uw werk. Die moeten er zeker zijn.

[p. 299]

Die zijn er niet veel maar eentje heb ik toch. In 1917 heb ik een ouverture voor orkest geschreven die na de oorlog in het Kursaal te Oostende werd uitgevoerd. Ik had daarin de tonen van de Brabançonne verwerkt. Op de uitvoering zat Camille Saint-Saëns naast mij en hij zegt me: ‘C'est la Brabançonne?’ Ik zeg ja. ‘Vous en avez fait quelque chose de distingué, alors que cela ne l'est pas!’

 

Oei! En waar zit het verschil?

 

Wel zo. Dit is de gewone toon. En ik heb er dit van gemaakt.

 

Saint-Saëns had smaak! Maar hiermee hebben we uw groter werk nog niet aangeraakt. Men noemt u wel eens de laatste en meest konsekwente verdediger van het groot opgevatte oratorium, en er zijn trouwens weinig kunstenaars die zo standvastig trouw gebleven zijn aan de gekozen richting. Wat trekt u daar speciaal in aan?

 

De religieuze mystieke schoonheid.

 

De sfeer van Brugge. Wat is daarvan de inspiratiebron?

 

Psalmen en gewijde teksten in 't algemeen. Toch zijn deze oratoria geen kerkmuziek maar koncertmuziek. Het zijn grote werken die twee uur duren. Dat is wellicht de reden waarom ze minder worden uitgevoerd.

 

Kunnen we die in handschrift zien?

 

Ze liggen daar op het bureau. - Dit is wellicht het grootste: De komst des Heren. Het werd geschreven in 1906 en opgedragen aan César Franck. Het is op teksten uit de H. Schrift.

 

Het is een kerstoratorium?

 

Ja, het heeft als tema de driedubbele komst des Heren: de

[p. 300]

tijdelijke op aarde, de geestelijke in de ziel en de komst bij het laatste oordeel.

 

Werd dat volledig uitgevoerd?

 

Jawel, in 1909 te Rotterdam met 350 uitvoerders. Later nog te Arnhem (1927), Leeuwarden (1928), Leiden en Den Haag (1938).

 

Dat is allemaal Nederland. En in België?

 

In 1952 hier te Brugge, met het orkest van het N.I.R. onder de leiding van Léonce Gras en met medewerking van de koren Singhet ende weset vro van Kortrijk en de Cantores van Brugge. Het was een mooie uitvoering, mogelijk gemaakt door de provincie West-Vlaanderen.

 

46 jaar na zijn ontstaan! En de andere oratoria?

 

Maria op gedicht van Leo Goemans, van 1909. Het werd in België uitgevoerd, verschillende keren in Frankrijk, in Canada en laatst nog in het N.I.R., in 1951 door de Cantores van Brugge. Dan Agnus Dei van 1913, dat in enkele Belgische steden een uitvoering kreeg en eindelijk, in 1921, Christus Rex, dat hier te lande enkele keren werd uitgevoerd en ook te Québec in Canada voor het Eucharistisch Kongres in 1938.

 

Dat is een mooi palmares. U zei daarnet dat deze oratoria niet voor de kerk bestemd waren. U hebt toch ook heel wat kerkmuziek geschreven?

 

Ja, maar ik ben daar betrekkelijk laat mee begonnen, toen ik 48 jaar oud was.

 

Is daar een reden voor?

 

Jawel. Vóór die tijd bestond er in ons land geen enkel gemengd koor dat in staat was grote religieuze werken uit te voeren. In 1917 werd dan het Sint-Romboutskoor te

[p. 301]

Mechelen gesticht door mijn oud-leerling mgr. Van Nuffel. Achteraf zijn er dan gelijkwaardige grote koren ontstaan te Gent, te Brugge, te Antwerpen met Lodewijk de Vocht.

 

Met echte kerkelijke muziek bedoelt u hier dan wel missen?

 

Jawel. Ik heb er vier gekomponeerd. De allereerste mis voldeed mij niet en die heb ik dan vernietigd. Officieel heet nu mijn eerste: Mis voor 4 gelijke stemmen a capella. Ze werd in 1918 door het Sint-Romboutskoor gecreëerd en later opnieuw uitgevoerd te Brugge en te Gent. De tweede is de Mis voor 4 gemengde stemmen met orgel.

Dan is er nog de 6-stemmige Kristus-Koningmis. Het Sint-Romboutskoor had ze ingestudeerd voor het Paasfeest van 1935. Het was het jaar dat koningin Astrid overleed en ze heeft dan ook de plechtige uitvaart van de koningin opgeluisterd in St.-Goedele. Mijn laatste mis is een Requiemmis voor vier gemengde stemmen en die werd uitgevoerd voor de begrafenis van mgr. Lamiroy te Brugge.

 

Daarbuiten is er natuurlijk nog heel wat dat niet allemaal op te noemen is. De volledige catalogus die in het tijdschrift West-Vlaanderen werd afgedrukt, telt 133 komposities en dat is wel een heel levenswerk. Werd daarvan alles uitgegeven?

 

Heel wat, maar lang toch niet alles. Wij hebben geen uitgevers die dat kunnen doen.

 

Ik zie hier heel wat boeken staan. Wat leest u liefst?

 

Claudel. Ik heb indertijd ook de Kruisweg van Claudel op muziek gezet. De Nederlandse vertaling is van Anton van de Velde en werd in 1951 voorgedragen in het N.I.R.

 

Uitzending: 15 mei 1959.

Jozef Ryelandt overleed te Brugge op 29 juni 1963.