‘...ad regiones perlustrandas’
‘...invisere et urbes’1
Al doende is de tourist de langste weg van zijn educatiereis gegaan. En route heeft hij zijn sporen verdiend, ‘en retraite’ heeft hij op zijn talen gezwoegd, zijn ‘reflectien en remarques’ geschreven en in polijt gezelschap ‘sleep’ hij zijn ‘moeurs’ en ‘maintien’. Ter afsluiting van zijn touractiviteiten gaat hij nu als toerist nog eenmaal op pad.
Als aanloop tot de hoogtepunten der Europese bezienswaardigheden, ‘de Magnificenties’ van Frankrijk en de ‘Mirabilia’ van Italië, is een ‘Tourkien’ door Engeland heel geschikt. Bewaart de toerist zo'n tochtje tot het eind van zijn Groote Tour, dan is kans op teleurstelling niet uitgesloten. Misschien is een dergelijk gevoel van deceptie er wel de oorzaak van dat de redactie van Frederik Coenders' verslag van zijn bezoek aan Engeland in de zomer van 1572 zo weinig pakkend is. De ìnzet was schallend genoeg, met een omschrijving van de hoofdstad als ‘Metropolis et regia Angliae toto orbe celebratissima civitas’. Maar toen hij met zijn reisgezelschap eenmaal in Londen was gearriveerd, toen vermocht hij zijn loftrompet nog slechts wat kleurloze klanken te ontlokken. Heel het relaas van zijn zesweeks verblijf in Engeland is samengevat in een enkele paragraaf met feitelijkheden. (174) Juist in dit oudste journaal zouden persoonlijke indrukken van het Elizabethaanse Engeland zo welkom geweest zijn.
Er moeten vijftig jaar verstrijken voordat een toerist, rechtstreeks afkomstig uit de Lage Landen, voet aan Engelse wal zet. Met een schrijfstift op zak - zo moet de toevoeging luiden, want zonder die bijzin geeft de formulering een vertekend beeld van de frequentie van toeristenbezoek aan Engeland rond de eeuwwisseling. Want stellig zal Jonas van Reigersberch, die omstreeks 1599 op weg is naar St
Andrews in Schotland, Londen verkend hebben. En ongetwijfeld zullen zowel de jonge Burmania die in het voorjaar van 1608 aan het Engelse hof werd voorgesteld, Willem Barnevelt die in 1613 door James I geridderd werd, als enkele jaren later diens neef Gerard (alledrie protégés van de Hollandse gezant Sir Noël de Caron), Londen doorkruist hebben.2 Dat Jacques Zuerius, Jacob de Gheyn en Govert Brasser daar als toeristen verkeerden staat vast, want zij komen ter sprake als vrienden van Constantijn Huygens in diens correspondentie met zijn ouders.3 De toon van Constantijns brieven over de belevenissen tijdens die eerste reis in het buitenland, in de zomer van 1618, is heel wat enthousiaster dan die van zijn Groningse voorganger. Belevenissen die ook Constantijns hooggestemde verwachtingen zelfs overtroffen!4 Behalve de gebruikelijke toeristische bezienswaardigheden in Londen, de Tower, Westminster Abbey en de parlementsgebouwen, zag Constantijn een aantal der talrijke vorstelijke residenties in en om Londen, waaronder Greenwich, Theobalds, Hampton Court, Whitehall, Woodstock en Bagshot. Ook zijn vurige wens, een bezoek aan Cambridge, ging in vervulling, al was het dan pas tegen het einde van zijn verblijf in Engeland en al viel de kennismaking wat tegen. Bovendien bracht hij een feestelijke week door in Oxford. Constantijn ging te gast in de paleizen van rijksgenoten en werd ontvangen in de residenties van diplomaten en prelaten, maar over bouw en interieur van hun huizingen rept hij in zijn brieven vrijwel niet. Zeker, in het immense gloednieuwe buitengoed, Audley End, waar Thomas Howard, earl of Suffolk, de jongeman uit Holland zo gastvrij ontvangt, staat Constantijn verbluft door de kostbare architectuur: ‘Goede Goden, wat een pracht van een gebouw en wat een marmer’, maar wat een povere beschrijving, als men bedenkt dat hij daar twee dagen logeerde.5 Bij een andere gelegenheid schrijft hij aan zijn broer Maurits hoe hij geniet van het verblijf in een land waar hij dagelijks paleizen en landschappen ziet om zó op ‘clavercingel dexels’ te schilderen.6 Over hetgeen er aan moois ìn die paleizen te bewonderen valt is hij echter, op een enkele uitzondering na, spaarzaam met bijzonderheden.7 Maar, dat zij hem toegegeven, het was primair een verlangen ‘externos hominum mores invisere’, dat Constantijn naar het buitenland had gedreven. ‘...et urbes’ kwam als een toevoeging.
Het merendeel van zijn landgenoten echter, draaide de volgorde om en bezocht Engeland juist terwille van de toeristische attracties. Zo'n ‘tourkien’ van Nederlandse toeristen was speciaal geconcentreerd op Londen, Oxford en Cambridge, te zamen hart en hoofd van Brittannia.8
Over de bezienswaardigheden in de metropool zijn Huygens' landgenoten overigens al niet veel uitvoeriger of uitbundiger dan hijzelf. Speciaal de vorstelijke residenties in Londen vermochten niet of nauwelijks te imponeren. Dan kreeg Hampton Court met zijn 1500 kamers, zijn kostbare wandtapijten en de ‘evangelische historien in peerlemoeder gesneden’ meer aandacht, of Woodstock, dat op het toeristenlijstje stond omdat daar indertijd prinses Elisabeth gevangen gehouden was.9 Nee, afgaande op de berichtgeving van de jonge Nederlanders - want dat is immers het enige houvast - krijgt de lezer niet de indruk dat de ‘turres regales’ binnen de hoofdstad de parels in de Engelse kroon waren. Daarvoor moest men in de Tower zijn! Die burcht, met alles wat daar te zien was, stond in waardering hoger genoteerd. Op Johan de Witts lijstje komen de paleizen zelfs helemaal niet voor. Deze zeer kort aangebonden journalist die evenals Frederik Coenders Engeland aan het eind van zijn Tour bezocht, reageerde net als hij en vatte de rondgang door Londen samen in één krappe, neutrale zin, ‘hebben alhier gesien beijde de parlementshuijsen, de tomben in Westminster, den tour met de beesten, en de schoone tapijten etc:’.10 Vermoedelijk ontleende Londen in de ogen der toeristen haar aanzien eer aan haar historische en symbolische betekenis dan aan artistieke schoonheid. Er is voorshands ook geen reden om aan te nemen dat de ‘nummers’ van Johan de Witts programma veel verschilden van hetgeen George de Mey, Van Aerssen van Sommelsdyck en Willem van Nassau-Odijk in Londen bekeken, of wat andere, anonieme Engelandvaarders uit de vijftiger en zestiger jaren daar zagen.11
Maar daarin komt op slag dramatische verandering na die vurige week in september 1666. Van Gerard Hinloopen, die twee jaar na ‘the Great Fire’ in Londen logeert, valt niets anders te verwachten dan tekenen van ontsteltenis over de verwoestingen in het stadsbeeld. Een aantal jaren later ‘inspecteren’ twee Groningers havenis èn herstel in Londen. De eerste, de heer van Dijksterhuis, beperkt zich tot waarderende woorden over de belangrijkste nieuwbouw, de
kathedraal en de Beurs. Wicher Pott die hem een jaar later volgt, geeft in zijn brieven een duidelijk beeld van het aanzien van Londen anno 1684 en voorziet dat bovendien van zeer persoonlijk commentaar.12
Het eerste dat Wicher gaat bekijken is de Beurs; mooier dan de Amsterdamse dunkt hem, maar kleiner. Boven de Beurs (in maar liefst 190 winkels, vult de ‘Amsterdamse Vader’ aan) is een levendige handel in alles wat men maar wenst. En zowaar, er valt nu in Londen ook sculptuur in het openbaar te bewonderen, want onlangs hebben de kooplieden op het binnenplein van de Beurs een standbeeld van de koning laten oprichten: ‘seer magnifijck nae sijn gelijckenisse als een Romein uitgehouwen’. Wicher heeft hoge verwachtingen van de nieuwbouw van de St Paul en voorspelt, onder aantekening van het voor Nederlandse begrippen merkwaardige feit dat deze en andere kerken uit hardsteen zijn opgetrokken, dat de kathedraal na voltooiing ‘een van de schoonste timmeragien’ van Europa zal zijn. Hij maakt de gebruikelijke rondgang door het Towercomplex en hij vaart met een groot gezelschap naar Greenwich, waar hij in het park van Theobalds geniet van de ‘vermaeckelijke plaets’ en het wijdse uitzicht. Bij een volgende gelegenheid beklimt hij de ‘Column’, de pyramide, die is opgericht ter herinnering aan de brand en tevens symbool van de koninklijke belofte tot herbouw van Londen, en getuigt van zijn bewondering voor hetgeen al tot stand is gebracht aan ‘...hemelhoge heerlijcke gebouwen... in jeder straet van soodaenige egale hoogte en timmeragie’, dat men meent één immens lange gevel te zien.13 Jammer dat al die luister onder het stof verbleekt, schrijft Wicher, want niemand denkt erover ramen te zemen, laat staan gevels te reinigen. De ‘slordigheit’ der Engelsen is hem een doorn in het oog. ‘Hollandse nettigheyt’ is ver te zoeken; dat was hem trouwens direct na aankomst in Engeland al opgevallen. Hij is niet de enige die hierover valt. Christiaan Huygens vond Londen onverdraaglijk door de stank en de rook die in de straten hing.14
Wicher laat dan ook op zijn rondgang in Westminster - hij nam een ‘water-taxi’ om er heen te varen - het koninklijk paleis ‘Withael’ links liggen: om een slonzig burgerhuis te zien is hij niet gekomen. In Westminster Abbey ergert hij zich gruwelijk aan het verwaarloosde interieur; de kerk leek eerder een ‘verkenskot’ dan ‘een verblijf van soo veel voor treffelijcke mannen’. De ‘begraefenissen’ zelf vindt hij ‘uitstekende kostelijck’. Natuurlijk verzuimde Wichers gids niet tekst en uitleg te geven van de ‘imagineerde heiligheit’ van de beroemde blauwe steen, die bij kroningsplechtigheden onder de koninklijke zetel ligt. De Houses of Parliament vallen hem tegen. Er is niets merkwaardigs te zien, of het moest zijn de ongemakkelijke houten banken waarmede de Lords zich als zetel moeten
behelpen. Een gang naar de kelder is inbegrepen, om daar de plaats te zien waar perfide burgers het buskruit brachten om vorst en lords op te blazen. Ter verpozing wandelt Wicher in St James's Park, vaart met een schuitje weer terug naar London Bridge en strijkt dan aan het einde van deze welgevulde dag neer in een speelhuis in ‘Moorfijl’, om onder het genot van een pintje bier naar muziek te luisteren, waarop een ‘Moriaen’ heel kunstig danste.
Als Londen voldoende verkend is dan komen daarbuiten allereerst de twee universiteitssteden voor bezoek in aanmerking, in Wichers tijd nog evenzeer als aan het begin der eeuw. Op dus naar Cambridge en Oxford. Wat voor Constantijn Huygens in 1618 op een teleurstelling uitliep, werd voor Wicher een zeer geslaagd uitstapje.15 Samen met zijn Utrechtse vriend, de medicus Van Engelen, had hij de karos naar ‘Cambrits’ genomen en daar terstond enkele introductiebrieven bij Engelse professoren afgegeven, die gelukkig het beoogde effect hadden: zij werden aanstonds te dineren gevraagd en nog diezelfde avond, na die allergezelligste ontvangst bij professor Cudworst, in de bibliotheek rondgeleid. De volgende dag stelde professor zijn Hollandse gasten een van zijn studenten als gids ter beschikking. Deze kweet zich naar behoren van zijn taak, leidde de vrienden rond door alle zestien ‘colleges’ en gaf explicatie over ‘de kledinge, leven en institutie der Studenten’. Wicher was bijzonder geïntrigeerd door de verschillende gowns en caps en niet minder door de colleges zelf, ‘treffelycke gebouwen’, ‘sommige soo schoon dat waerdig sijn om Koningen en Prinsen te ontvangen.’
Het liefst was hij toen meteen naar Oxford doorgereden, maar dat werd hem ten sterkste afgeraden. De weg was ‘periculeus’ en moeilijk te vinden, hij zou dus een ‘wegh-wijser’ moeten meenemen; bovendien waren paarden op dat moment erg duur. Al met al was het beter om eerst terug te gaan naar Londen, om vandaar te paard, via Windsor ‘alwaer de Koninck en Koninginne over maeltijt saegen’, door ‘vermaeckelijcke valleijen en bergen’, in Oxford te belanden. Anderhalve dag heeft hij nodig om alles te zien wat hij zich had voorgenomen, dan stijgt hij opnieuw te paard en rijdt over Hampton Court andermaal terug naar Londen.16 Aangezien hij de bijzonderheden over dit uitstapje verwerkt heeft in zijn ‘Notula’ (die verloren gingen), moeten ‘wij’ ons heil zoeken bij anderen. Constantijn Huygens trof het dat hij, in gezelschap van twee vrienden, De Gheyn en Brasser, tijdens de ‘Comitia’ in de stad kwam, feestelijkheden die de stad een extra levendig aanzien gaven. Bovendien had hij er een voortreffelijke gids in zijn landgenoot Eduard van Meetkerken, die hier theologie gestudeerd had en nu Tutor was in een der colleges. Vele van de bijzonderheden die Huygens naderhand verwerkte in zijn dichterlijke beschrijving van de universiteitsbibliotheek zal hij
uit Van Meetkerkens mond gehoord hebben.17 Als ruim dertig jaar later Constantijns zoon Lodewijk zijn ‘guided tour’ door Oxford maakt, vindt hij er de toegang tot de Bodleian gesloten. Johan de Witt had meer geluk. De bibliotheek is ‘seer schoon’, noteert hij, daarbij in het midden latend of hij doelt op het gebouw of op het boekenbestand, en dan vervolgt hij: ‘...aldaer wert, vertoont, een stuck van den soudtpilaer in den welken Loths vrouwe veranderd is, den Rock van Joseph die sijne broeders Bebloet, aen sijn Vader weder brachten, als sij hem vercocht hadden, ende meer andere rariteyten.’18 Roomse relikwieën als kostbaarheden te pronk gezet in deze vermaarde boekerij van een militant protestants land... Voor Johan de Witt waren dit de laatste ‘vondsten’ in zijn verzameling van voorbeelden van ‘paepse superstitiën’. Natuurlijk had ook hij alle colleges bekeken. Dit bezoek aan Oxford betekende voor hem het laatste programmapunt op zijn ‘tourkien door het landt’, waaraan hij enige weken tevoren begonnen was.
Of zo'n tocht in westelijke richting met eindpunt Bristol, zoals De Witt die maakte en vijf jaar later in iets uitvoeriger vorm Lodewijk Huygens, een gebruikelijke was, lijkt, afgaande op de berichten der andere toeristen, niet waarschijnlijk. De meesten hielden het bij de excursie naar Oxford en Cambridge, waarbij en route een bezoek aan enkele koninklijke paleizen op plezierige manier ingepast konden worden. Maar usance of niet, het is duidelijk, ook uit zijn summiere notities, dat Johan de Witt en zijn reisgezellen op die tocht van drie weken allerlei interessants gezien en beleefd hebben. Terug in Londen pakt hij dan voor de laatste keer zijn koffers voor de terugreis naar Holland.19
We laten hem in Gravesend aan boord gaan, met bestemming Dordrecht, en sluiten ons aan bij Pieter de la Court die in Londen ook op punt van vertrek staat, niet naar Holland maar naar Frankrijk. Deze heeft dan, maart 1642, juist zijn tochtje naar Oxford en Windsor achter de rug. Vanuit Londen rijdt Pieter nu samen met zijn reisgenoot Herman Heiderij in zuidoostelijke richting naar de kust, waar hij vanuit Rye een stormachtige oversteek naar Dieppe maakt.20 Daar is, in afwachting van formatie van een reisgezelschap voor de eerste etappe naar Parijs, ruimschoots tijd om de stad te bekijken en haar ligging op strategische merites te beoordelen. Pieter constateert met voldoening dat de gereformeerde gemeente zo groot is, dat zij zich drie predikanten kan veroorloven. Opvallend is de klederdracht der vrouwen met heur hoge Normandische muts met lange linten en de schoudermantel die zij in schier eindeloze variaties weten te draperen. Als de groep reizigers dertig man sterk is, engageert men een gids à raison van 3 ‘soulx’ per
man en rijdt over ‘bergen en dalen’ op Rouen aan, waar Pieter en vriend Herman overnachten in de ‘Stad Antwerpen’.21
Rouen mag zich met enkele andere steden in Frankrijk laten voorstaan op het feit dat binnen haar muren ‘la grande chambre du parlement’ zetelt. In Rouen is dat het parlement van Normandië, waar iedere toerist, jurist of geen jurist, naar binnen stapt om in de ‘chambre dorée’ het gebeeldhouwde en vergulde plafond te bewonderen. Bekend is de stad door haar parlement, maar beroemd door ‘George d'Amboise’, de grootste en zwaarste kerkklok van geheel Frankrijk. Als zodanig wordt hem door alle toeristen hommage bewezen; met gepast ontzag wordt de klok bekeken en beschreven. Dan loopt men ook de Notre Dame in, waarvan de befaamde klok de beiaard is, voor een korte ommegang door de kathedraal, of een bezichtiging van het trésor.
Rouen krijgt doorgaans niet meer dan één dag toegemeten, en dan wordt de reis weer voortgezet, richting kust, of richting Parijs. In de koets van de bode rijdt Pieter de la Court door schoon, vlak korenland met ‘bosschagie van wilde rosebomen en haselaer’, afgewisseld door bergachtige trajecten, naar Ecouen, waar hij zich met zijn reisvriend te goed doet aan zijn eerste forellen. 's Middags zien zij een tweede noviteit, de ‘wijnbergen, heel anders my voorkomende als wel gemeent hadde want vertoonde van verre (100 treden) sich niet anders als boomstroncken op een acker’. Het volgende en laatste dagtraject tot Parijs is memorabel door het ‘plaisirich lant’ vol korenvelden en wijngaarden.
Ook Gijsbert de With geeft zijn ogen de kost op die tocht van de Franse kust tot Parijs. Zijn route loopt ongeveer parallel aan die van Pieter de la Court en evenals deze is Gijsbert geboeid door het landschap, dat zo totaal anders is dan het vertrouwde vlakke terrein, ginds in de Lage Landen. Men moet weten, zo doceert hij, dat heel Frankrijk bergachtig is, zij het natuurlijk in de ene streek meer dan de andere; zo heeft Picardie ‘seer hooge en schraele bergen, meest met keijen bedeckt’, en De With rijdt dan ook ‘berch op en bergh af’ in dit heuvelland. Even voorbij Abbéville vult hij zijn geografische gegevens aan met een beschrijving van de loop van de Somme en bij Beaumont tikt hij Hondius op de vingers, die in zijn kaart de stad foutief op de rechteroever van de Oïse heeft gesitueerd.
Abbéville zal Gijsbert zich altijd herinneren als de plaats waar hij in ‘Het Wapen van Brabant’ voor het eerst het Franse zout, bruin van kleur, voor lief moest nemen, de plaats ook waar hij voor het eerst veel ‘afgoderije’ zag bedrijven (het was ‘Marien-heijlijgen dach’) - een ‘onsinnigheit’ waarover Pieter de la Court in Pontoise en elders ook telkens zal vallen. Het was tenslotte ook in Abbéville dat Gijsbert zijn eerste Franse kerk bezichtigde, ‘die van voren seer
constelijck gesneden was’. Van welke uitspraak, als zeldzaam voorbeeld van waardering voor een ‘ouderwetse’ kerk, goede nota genomen dient te worden! Immers, produkten van middeleeuwse bouw- en beeldhouwkunst werden door voorzaten, tijdgenoten en nageslacht van Gijsbert de With gebrandmerkt met ‘Gottisch’ en met dat éne denigrerende adjectief weggewuifd als ten enenmale ‘onaensienlyck’.
Overigens is Gijsberts waardering niet onverdeeld, want de westelijke façade mag dan schitterende sculptuur vertonen, de kerk is verder ‘vuijl en onnut gelijck oock al, of meest al de kercken van Vranckrijck, die ick gesien hebbe’; en hij besluit deze passage met ‘t' welck (beneven vele andere) een groot teecken is van der Fransoijsen naelaticheijt in eenich dinck te onderhouden.’ (f 12r) Het recht om te generaliseren ontleent hij aan hetgeen hij vlak daarna in Beauvais ziet: een even zo mooi ‘besneden’ kerk en een even vuile.
Intussen maakt hij lange en vermoeiende dagritten. De bode, die zich aan zijn rijschema moet houden, spaart zijn groep ruiters niet. Maar dat heeft wel het voordeel dat Gijsbert al drie en een halve dag na vertrek uit Calais de ‘bestraete weg’ oprijdt, die Beaumont rechtstreeks met Parijs verbindt. Links van de weg wijst de gids hem het vermaarde hertogdom Montmorency, even verder ter zijde ligt Ecouen, dan volgt al gauw Argenteuil en daar in de verte, ja werkelijk, begint ‘sich te openbaeren die pronck-star aller steden Paris.’ De gevoelens van eerbied en verwachting die Gijsbert op die gedenkwaardige zondagmiddag bij het binnenrijden van Parijs bevangen, tracht hij in een begroetingsode onder woorden te brengen:
Nu was het licht te begrijpen dat in die jaren, omstreeks het midden der eeuw, vreemdelingen bijzonder geïmponeerd werden door deze ‘werelt in een wereld’, met haar honderden kerken en menigte van paleizen en hotels. Zo liepen Christiaan en Lodewijk Huygens de eerste weken in Parijs rond als door een roes bevangen. Wij zijn nu al een week in deze stad, schrijft Christiaan aan zijn broer Constantijn, en van de vroege ochtend tot de avond toe doen we niets anders dan lopen en kijken. We zijn pas één keer aan het hof geweest en ook nog maar één keer in de comédie. Bovendien hebben we aan onze sociale verplichtingen nog vrijwel niets gedaan. We gunnen ons daartoe eenvoudig de tijd niet! Als je eens wist hoe
wij hier onze tijd besteden, dan zou je zeker beamen dat Gargantua bij ons vergeleken, maar een luilak was...22
De toerist, ontvankelijk voor vorstelijke ‘lustre’, voor kwalificaties als ‘beau et magnifique’, begon zijn Parijse tour als regel met een rondgang langs alles dat ‘koninklijk’ was. Allicht wandelde men eerst naar de koninklijke residentie in Parijs, het Louvre. Over het oude Louvre (dat eind zestiende eeuw gesitueerd was in de zuidwest-hoek van wat nu de Cour Carrée is) was de toerist maar matig te spreken: ‘...niet veel bijsonders noch in menichte van cameren nochte oock in costelijckheidt’ vond Hooft. (412) Maar over de nieuwbouw, waartoe Henri IV opdracht had gegeven - daarbij aanknopend aan een oorspronkelijk idee van Cathérine de Medici om haar paleis, de Tuileries, te verbinden met het Louvre - was hij geestdriftig: ‘de schoone gaelderye is seer heerlijck.’ Aan de verlenging van deze galerij, die zou eindigen bij het Pavillon de Flore werd in Hoofts tijd nog gewerkt, maar ook die was ‘bovenmaten costelijck ende heerlijck begonnen.’ De voornaamste attractie - in bezoekersogen - van deze ‘grande galerie’ was haar lengte. Iedere toerist achtte het zijn dure plicht zelf de - in reisgidsen vermelde - lengte uit te passen en in het journaal te noteren. Johan de Witt bestond het zelfs om als enige bijzonderheid van zijn bezoek aan het Louvre juist dit opmeten te vermelden.
Teruglopend van de ‘grande galerie’ naar het oude Louvre, kwam men in de petite galérie (oftewel galérie des peintures, op de plaats van de tegenwoordige Galérie d'Apollon), met het prachtige uitzicht op de Pont Neuf, met de ‘magnifique statue’ van Henri IV. Deze galerie was ‘rijckelijck gelambriseert’ en hing vol met portretten van Franse koningen, ‘levensgroote met de conterfeitzels van haer favoriten rontsom,... aen de oversijde staen de koninginnen.’23 Aan verfraaiing of uitbreiding van het Louvre was sinds de dood van Henri IV weinig gedaan. Na de Fronde echter werd onder Colbert herstel en uitbreiding ter hand genomen met zo'n royaliteit van ontwerp en kostbaarheid in uitvoering, dat Pieter Berkhout in 1664 zich in de koninklijke appartementen waande als in een ‘palais enchanté’. Hij probeerde in gloedvolle bewoordingen een indruk te geven van alle ‘magnificence’: marmer en porfier worden toegepast in de bouw met eenzelfde gemak als baksteen in Holland. Alles schittert er van kostbare stenen, alles blinkt van het verguldsel, kortom de aankleding van de vertrekken is zo
‘kostelijck’ en zo ‘luisant’, ‘que ie n'oserois pas les noircir de eet ancre.’24 Maar als Coenraad Ruysch er twaalf jaar later door Claude Perrault (de architect van de colonnade) persoonlijk wordt rondgeleid, dan ligt het Louvre er weer ‘geweldich woest’ bij en kan hij alleen de ‘magnificentie’ van het gebouw waarderen. Boven het Louvre prefereert hij nu weer de Tuileries, ‘vermits sijn regulariteyt en veel beter ordre’. (f 170v)
Toch gaat Coenraads erepalm, evenals die van toeristen vóór hem, niet naar de Tuileries, maar naar het Luxembourg. Dit oud-hertogelijk paleis dankte zijn transformatie tot vorstelijke residentie eveneens aan een Medici-vrouwe, de weduwe van Henri IV. De serie schilderijen in de Rubens-zaal maakte onveranderlijk zo'n diepe indruk op de beschouwer, dat de namen van Maria de Medici èn van Rubens voorgoed in het geheugen werden gegrift. Aernout Hooft, die pas helemaal aan het einde van zijn grote tour door Italië en Frankrijk in Parijs kwam, noteerde in zijn dagboek: ‘...'t schoonste paleijs dat ik in Vrankrijk gesien heb.’ (f 137r) Maar ook toeristen kersvers uit Holland waren enthousiast: ‘Somma, het was alles roijael’, is de conclusie van Gijsbert de With, die in het Luxembourg rondwandelde toen het interieur van de linkervleugel nog niet aangekleed was. ‘De rechter sijde was volbracht, en Coninclijck verciert; Alle de camers, sael en comptoir waeren aen de solders en aen de sijmueren met gesneden werck bekleet, welck seer costelijck vergult was en geschildert, soo dat men rontom als in gewerckt gout scheen te staen;... De groote sael had haer meeste costelijckheijt in 25 schilderijen in welcke het leven en bedrijf van de Coninginne Moeder seer constelijck was afgebeelt; haer geboorte; haer leersaemheijt;... in elck stuck stont haer persoon afgeteeckent, van gelijcke, of een grooter, grootheijt als sij is; De andere beelden,... waeren meest... poetijscher wijse afgebeelt, als half naeckt, etc.’25 Als Coenraad Ruysch hier rondloopt in 1677 is het naakt versluierd, een ‘bigoterie’ die van geen invloed is op zijn intens genot van deze schilderijen, de mooiste die een ‘curieus liefhebber’ in Parijs kan zien! (II, f 174v)
Ook naar het Palais Royal, het vierde koninklijke paleis dat men als toerist in Parijs gezien moest hebben, ging men ter wille van de rijkdom aan schilderijen. Constantijn Huygens bewonderde daar van de Italiaanse schilderijen speciaal een Veronese: ‘Het was een avontmael van onse Heer, en de meester had daer sijn selven en sijn vrouw en al sijn kinderen ingebracht. De figuren waeren weinich min dan levensgroote. Noch waerender van Raphael d'Urbin, Annibal Caras, en meer andere tot 10 of 12 in getal.’ (111) Zijn broers beamen later enthousiast dat het Palais Cardinal (de koning is inmiddels teruggegaan naar het Louvre) is ‘un trésor inestimable de belles choses’.26
Waarschijnlijk zijn de drie zonen van Constantijn-père de enigen van het groepje

17. De koninklijke residentie in Parijs, le vieux Louvre et la grande galérie. Het eerste in ogen van touristen ‘niet bisonder’, de nieuwe aanbouw ‘seer heerlyck’ en ‘un palais enchanté’.
Hollandse toeristen wier impressies van Parijs hier weergegeven worden, die oog en ‘gevoel’ hebben voor schilderkunst. Constantijn geeft bij herhaling een min of meer omstandige beschrijving van bepaalde stukken. Zijn voorliefde ging blijkbaar uit naar werk van Italiaanse meesters, want ook in particuliere collecties bekijkt hij met welgevallen ‘uytnemende Italiaensche stucken’ en bewondert speciaal het werk van Titiaan. (98) De Rubens-serie in het Luxembourg noemt hij en passant. Christiaan en Lodewijk delen ook hier zijn voorkeur. In Fontainebleau, waar zij in vervoering raken over de aankleding der appartementen, worden zij vooral getroffen door de schilderijen in het kleedkabinet des konings. Het hangt er vol van de prachtigste Italiaanse originelen, een Raphael, een Da Vinci, verschillende Titiaans. In de kantlijn van zijn journaal krabbelt Lodewijk er nog bij: ‘De Titian il y a la Madeleine et un autre visage de femme noir, dont nous avons des copies’.27
Ter afwisseling van ‘royale’ architectuur volgt nu een bezoek aan de aanzienlijkste pronkstukken van sacrale bouwkunst. Qua anciënniteit komt de eer van het eerste bezoek toe aan de Notre Dame. Uit hoofde van haar ‘Gottische’ afkomst maakte deze kerk geen aanspraak op gevoelens van grote bewondering bij de toeristen, maar door haar afmetingen dwong zij wel respect af. ‘Considerabel wegens haere groote’ noteerde Gerard Horenken. Volgens Hooft was deze kathedraal een ‘stuck werx..., dat niet schoon, maar wter maete groot is ende veel gecost moest hebben’ en hij voegt er berispend aan toe: ‘soude aensienlijcker sijn ende meer geacht werden soo men 't wel onderhiel.’ (411) Zijn zoon deed naderhand de kerk af met een nietszeggend ‘is een groote oude kerk’. Maar Aernout Hooft had zijn Groote Tour van drie jaar kunst-kijken er al bijna opzitten. Hij had in Italië kerken gezien genoeg voor een heel leven en het zij hem daarom niet te zwaar aangerekend dat hij in Parijs de St Etienne met een ‘fraeye grote kerk’ en die der jezuïeten met ‘heel net’ genoegzaam beoordeeld vond; kerken waarover ‘nieuwkomers’ in het buitenland wel meer te zeggen hadden.28
Nu van het Ile de la Cité terug naar de linkeroever, om daar de Val de Grâce en het klooster der vrouwelijke benedictijnen te gaan zien. Horenken, die blijkbaar hield van beknopte formulering, dicteerde zijn ‘ephorus’ Neander, als variant op zijn oordeel over de Notre Dame, dit keer een ‘Considerabel wegens haere schoonheyt’; ‘Très magnifique’ bevestigde Pieter Berkhout en beklom er vervolgens de 300 treden in de statige koepel om zich daar boven kostelijk te vermaken met het bespieden van monniken en ‘religieuses’ van verschillende orden tijdens hun diverse bezigheden in de kloostertuinen, een stukje proza zo
realistisch als een hoekje van een geschilderd Vlaams dorpsstuk uit de zestiende eeuw.29
Dicht bij de Val de Grâce hadden de karmelitessen heur kerk en klooster; volgens Berkhout de allerfraaiste van de 400 kerken die er in zijn tijd in en om Parijs te zien waren. De allermooiste, en wel omdat ‘elle est toute dorée et parfaytement bien lambrissée et enrichie de plusieurs excellentes peintures’.30 Natuurlijk kregen er meer van die honderden kerken toeristenbezoek. Maar geen van deze godshuizen vermocht te inspireren, zeker niet wanneer ze niet modern waren, tot meer of andersoortige aantekeningen dan de staaltjes hier gegeven.
Enkele kilometers ten noorden van Parijs staat de basiliek van St Denis. Als vorstelijk mausoleum trok deze gotische kerk druk bezoek. In de kerk dromde men naar de graftombes, die vanaf de dag dat de ‘eerste’ Hollandse toerist hier stil stond, steevast in de journalen vermelding kregen. Frederik Coenders moet er diep onder de indruk geweest zijn, want het is de enige keer dat hij een beschrijving geeft - in het Frans - en daarbij voor zijn doen tamelijk omstandig. (170) Ten aanzien van de vele ‘begrafnissen’ is Hooft vooral getroffen door de ‘sepulture van den groten coninck Franchois d' eerste ende sijn coninginne; die op een manier gemaeckt is als d' ander, wtgesejt sy heerlijcker is... alte samen seer heerlijck ende wt blinckende witte marmor gehouwen.’ (415, 416) Maar het meeste bekijks in de St Denis had, zonder enige twijfel, de schatkamer. Jan Merens doet een manhafte poging om uit ‘het tresor van Vranckryck’ van de rijke verscheidenheid der schatten een representatieve indruk te geven; de relikwieën van St Denis, een nagel uit het kruis van de Here Jezus, kroonjuwelen, kroningsgewaden, een eenhoorn van wel 25 pond... (88) Gijsbert de With begint er wijselijk niet aan. Voor bijzonderheden over de ‘onuytsprekelijcke schatten’ van deze schone kerk verwijst hij zichzelf naar bladzijde 197 e.v. van zijn onvolprezen Gölnitz, die hij overal en altijd bij de hand had. Dat wil zeggen overal in Frankrijk, behalve in Parijs, want een beschrijving van de ‘Prinsesse aller steden’ zal men in deze gids tevergeefs zoeken.31
Hèt trésor van Frankrijk is niet te vinden in de St Denis, maar in het huis van Madame de Beauvais, rue de Jouy. Deze ketterse stelling wordt gelanceerd door Pieter Berkhout, die in een boude, maar weinig geslaagde tirade beweert dat de schatten van St Denis en van de Santa Casa in Loreto in het niet verzinken bij de kostbaarheden die Cathérine de Bellier, eerste kamenierster van Anne d'Autriche in haar dertigjarige loopbaan heeft verzameld. Maar imponerend moet dit rariteitenkabinet, deze kamers volgepropt met de zeldzaamste stukken uit geheel de wereld aan zilver- en goudwerk, aan porselein, meubels en oosterse sieraden,
‘un meslange et un tripotage de cent Curiositez de cent differentes Regions’ natuurlijk wel geweest zijn.32
Tussen alle kunstbezoek door nam de toerist ruimschoots de tijd voor vertreding, voor sport, voor visites en voor wandelen. Wandelen was een vermaak waaraan ook de Parijzenaar zich graag overgaf. De stad bood daartoe gelegenheid te over, met promenades in de tuinen van de Tuilerieën of, vlakbij op de Course de la Reine, in het park van het Luxembourg, bij het Palais Royal (voorheen Palais Cardinal) of in de koninklijke kruidentuin, om slechts de meest favoriete plaatsen te noemen. Daar flaneerde le tout Paris, in koetsen, te paard of te voet - om het even. De Parijse monde komt er om te zien en gezien te worden en de toerist bovendien om de tuinaanleg te bewonderen.33
Van de bezoekers uit de Lage Landen koesteren speciaal de zonen van Constantijn Huygens daarvoor ongemene belangstelling. Vooral Constantijn verzamelt tuinen, zoals een ander tourist inscripties. Veel van wat hij ziet wordt getoetst op bruikbaarheid in de tuin van het familiebuiten in Voorburg, of vergeleken met hetgeen daar, op Hofwyck, al tot stand is gebracht. Van wat hij aan tuinarchitectuur bìnnen de stad ziet, is hij niet bijster onder de indruk. De beroemde fontein en de grote lanen in de hof ‘Lutsenborg’, waar Pieter de la Court luttele jaren tevoren zijn stuiver entreegeld betaalde om de kunstig geschoren palmbomen te zien, die zo'n vermakelijk ‘Ambulacron’ waren, blijven beneden Constantijns verwachtingen. De tuinen van het Hôtel Condé liggen er verwaarloosd bij en over die van het Louvre en van het Palais Royal is hij al evenmin enthousiast.34 Dan vond hij in de directe omgeving van Parijs lusthoven als die van Mr de Bellièvre in Berny, met zijn vele nissen met ‘antiquen’ en magnifieke fonteinen, of die van Mr Benicourt in Bagneux, met schitterende parterres en lanen met geschilderde perspectieven, vrij wat mooier.35 Daar, in de bossen rondom Parijs en op de open vlakte van het Ile-de-France kreeg de toerist en vooral hij die na de veertiger jaren rondreed, een veel betere indruk van Franse tuinarchitectuur dan in de hoofdstad zelve.
Constantijn maakt dan ook een aantal tuin-touren. Op zijn eerste dagtocht rijdt hij met Franse vrienden naar Rueil om daar te wandelen in de tuinen van het landgoed dat in vroeger jaren toebehoorde aan Richelieu. De grote waterval ‘van welcken het water van boven neder komt rollen als glas’ en het kanaal, belijnd door fonteinen, trekken veel bekijks. Evenals het fraaie vergezicht, een kunstig
penseelwerk van een triomfboog die als trompe l'oeil een prachtig doorzicht suggereert.36 Maar het mooiste van Rueil vonden bezoekers toch doorgaans de waterwerken, de fonteinen, grotten en mechanische voorstellingen waarvoor, zo becijferde Lodewijk Huygens, een fortuin aan loden buizen in de grond moest liggen. En het ‘lachlijckst’ in Rueil was het moment dat iemand een nat pak opliep bij de ‘bedriegertjes’, al oordeelde het slachtoffer vaak anders! Het was dan ook regel dat bezoekers bij de tuinpoort hun degen moesten afgeven aan de bewakers, die weinig gediend waren van de vaak driftige reacties van natgespoten messieurs.37
Van Rueil liet Constantijn zich met zijn Franse vrienden naar St Germain en Laye rijden, om daar het oude kasteel te zien dat destijds voor François I gebouwd werd en het nieuwe, dat Henri IV had laten optrekken. Helaas, de fonteinen werken slecht en de terrassen zijn gedeeltelijk verzakt, maar het uitzicht is wondermooi.38 Lang vóór Constantijn was ook Hooft zeer getroffen door de ligging van dit speelhuis, maar hij bestaat het dit te beschrijven in de volgende bewoordingen; ‘Heeft boven een schoon fonteyne,... schoone hoven beneden, ende boven boschadië, van binnen een schoon gaeldery [“die rontsom met steden beschildert is van een slechten kraeuwer”, corrigeert Constantijn], schoone salen, schone camers, al vol van schoone schilderyen.’ Men zou, afgaande op dit staaltje proza, meteen al schoon genoeg hebben van St Germain, oud en nieuw.39 Jan Merens, die er een paar maanden later kwam, vermaakte zich kostelijk met de ingenieus geconstrueerde waterwerken, die toen nog in volle glorie van metalen tableaux spoten. Hij besteedde veel zorg aan de beschrijving van alle wondere machines, waarvan de ene ‘pantomine’ van bewegende loden figuurtjes al fantastischer was dan de andere. Zo zag men er onder veel meer hoe ‘vier cleyne mannekens... hun werk in de smidse doen’, hoe zij er met blaasbalgen bezig zijn, stukken ijzer uit het vuur tillen, op het aambeeld leggen en warempel ook nog het ijzer bewerken met kleine hamertjes. Terwijl de ‘ommestanders met groot verwondering’ dit alles volgen, ‘soo comt er onversiens van alle canten water uytspringen,... dat men terstont heel nat wert’. Elders staan voor vermoeide bezoekers twee banken, maar de argeloze die gaat zitten is meteen doorweekt en bij de uitgang loert een vreselijke draak die geen vuur, maar water spuugt. Er was schier geen einde aan vermaak en verwondering. (86)
Constantijn zag op die zomerse rit die hem in Rueil en St Germain had gebracht, tenslotte nog Maisons, het buitengoed van de president van het parlement, René de Longueil. Van de vele bouwopdrachten die François Mansart in de loop der jaren had uitgevoerd voor principalen uit kringen der hoge
Franse bureaucratie, gold Maisons als het gaafste voorbeeld van classicistische bouwstijl. Het enige bouwelement dat Constantijn als zodanig herkende, was de toepassing van de zuilenorde aan de gevels en verder had hij hier meer belangstelling voor de materiële welstand van de landheer en diens kinderen dan oog voor diens huizinge, die hij met een sober ‘seer net’ waardeert.40
Wanneer zijn broers dit particuliere paleis bekijken, reageren zij heel wat enthousiaster. In de zomer van 1655 maken zij tot twee keer toe een ‘petit voyage’.41 Op hun eerste tocht bekijken zij ook Fontainebleau. Een kasteel dat huns inziens alleen recht gedaan kan worden met een beschrijving in superlatieven, die dit keer niet alleen de tuinen maar ook het interieur gelden. Christiaan en Lodewijk zijn geestdriftig, Gerard Hinloopen reageert, tien jaar later, bijzonder lauw (omdat, zoals hij schreef, het huis ‘gans niet regulier’ was?) en Pieter Berkhout is verrukt. De koninklijke appartementen hebben gouden lambrizeringen, er staan massief zilveren meubels. Hij zal zich, volgens het oude liedje, niet wagen aan een beschrijving van dit ‘palais enchanté’, maar hij vertelt natuurlijk wèl - en omstandig - hoe hij werd voorgesteld aan de dauphin, die hij aantrof in diens studeerkamer tijdens een Nederlandse taalles, en hoe toen van hem, de Hollandse bezoeker, een oordeel verwacht werd over het prinselijke Nederlands.42
Het ‘veoir la cour’ waarvoor zo menig toerist een tochtje naar St Germain of Fontainebleau maakte, voerde in later jaren naar Versailles. Daar had Coenraad Ruysch het in 1677 met ‘royalty’ niet beter kunnen treffen! Hij zag er niet alleen de dauphin uitrijden voor de promenade, maar ook de koning zelve, die eigenhandig zijn zesspan mende. Majesteit werd vergezeld door Madame de Montespan, ‘redelyck fraij van aengesicht maer gansch niet avantagieus van taille, alsoo sy seer dick is en t' hooft tusschen de scodren heeft.’ (II, f 173r) Maar behalve naar koninklijke hoogheden was Ruysch natuurlijk ook nieuwsgierig naar kasteel en tuin. Het wordt wat eentonig te vermelden dat hij de koninklijke appartementen ‘seer heerlijck’ vond en daarmede ook genoegzaam gekwalificeerd achtte, want hij had zowel de ‘seer pertinente’ beschrijving, als alle prenten gekocht. In de tuinen is ‘extraordinaere nettigheyt’, ‘die verre de Amsterdamsche sindelyckheyt te boven gaet’, alle bloemen zijn kaarsrecht opgebonden, alle paden aangeharkt, om achter iedere koninklijke voetstap opnieuw te worden bijgeharkt. Hij verdiept zich verder in de kwestie van de watervoorziening van de tuinen en laat zich precies uitleggen hoe hier, op waterarme hoogte de ‘natuer geforceert is’.
Aan de Seine, in Vaux-le-Vicomte staat het paleis van de intendant van Lodewijk XIV, Nicolas Fouquet, dat als ‘costelyck’ en koninklijk monument van burgerlijk mecenaat in Frankrijk zijn weerga niet heeft. Uitzonderlijk is hier ook de kortstondigheid van de vreugde die de bouwheer beleefde over de realisatie van

18. ‘Le Chasteau de Fontainebleau est le plus grand de toutes les maisons roijales et sans controverse le plus beau’ (L. Huygens, Frankrijk, 480).
zijn vermetel project. Gerard Hinloopen en Pieter Berkhout doen er hun best als vertolkers van de fabelachtige rijkdommen in huis en tuin. Gerard schrijft over de ontvangst des konings op die sprookjesachtige augustusnacht in 1661 en Pieter Berkhout vertaalt alle pracht in cijfers en vraagt zich af hoe hij moet schrijven over ‘allées d'eau’ aan iemand in Holland die ‘allées’ alleen met ‘arbres’ associeert. Een beschrijving van het interieur is al even onmogelijk, al probeert hij dat met ‘miraculeux’, ‘excellent’, ‘magnifique’ en ‘vain’, en dat laatste slaat dan op de ijdele kwistigheid waarmee overal Fouquets hoogmoedig devies ‘Quo non ascendam’ is aangebracht.43
De gewoonte om het Parijse programma voor korte tijd te onderbreken om wat van de omgeving te zien, is aan het einde van de eeuw nog steeds in zwang. Voor het maken van zo'n tour langs enkele der mooiste ‘speelhuysen’ behoeft de toerist dan geen eigen initiatief meer te ontplooien. De zorgen voor vervoer, onderdak en toegang tot de buitenplaatsen kan hij in handen geven van een ‘tour-operator’, met wie hij een bepaald arrangement maakt. Een dergelijke geheel verzorgde tour van drie dagen komt Wicher Pott in 1685 te staan op 8 rijksdaalders.44 Vanuit Parijs ‘doet’ hij in gezelschap van zes Hollanders en drie Duitsers de eerste dag maar liefst acht kastelen. Madrid, nu geheel vervallen, is niet meer de moeite van afstijgen waard. Ook St Germain, vijf bezoeken verder, verdient niet meer dan een zeer vluchtige rondgang. Het natte pak in Rueil opgelopen, kan tijdens de lunch weer opdrogen; in St Cloud zijn de fonteinen geweldig en het interieur van het kasteel is mooi. Meudon is een nieuw, ‘heerlyck’ gebouw, waar Mr Louvois, de huidige eigenaar, kosten noch moeiten spaart om het prinselijk allure te geven.45 Het interessantste van Marly-le-Roy vindt Wicher de beroemde waterleiding, de ‘Machines’, die het water langs een steile helling omhoog stuwen, ter besproeiing van de koninklijke tuinen. In Maisons wordt overnacht en de volgende dag zijn de tuinen van Chantilly aan de beurt. De derde dag wordt besteed aan Liancourt en tenslotte rijdt het gezelschap làngs Verneuil, het eens zo prachtige buiten van Hendrik IV, terug naar Parijs.46
Met wandelingen langs en door koninklijke paleizen, kerken en particuliere hôtels hebben de toeristen nu wel hun voornaamste verplichtingen afgedaan. Toch is het Parijs der vreemdelingen nog maar ten dele verkend. De toeristen, zich hiervan wel bewust, waaieren nu uit door de stad om, ieder naar eigen inzicht of voorkeur, kennis te nemen van weer andere bijzonderheden van deze fascinerende Parijse wereld.
In de crypt van de St Cloud ligt Van Buchell op zijn knieën waar hij, bijgelicht door een even enthousiast epigraficus als hijzelf, het vuil van de stenen krabt om het opschrift op de tombe van de heilige te ontcijferen en nauwgezet te copiëren.47
Hooft rijdt naar Montmartre waar hij, het uitzicht op Parijs nauwlettend bekijkend, zich verdiept in theorieën betreffende het aantal uren ‘ommeganx’ van de stad. (414)
Ginds staat Johan de Witt en kijkt naar de ‘pompeuse incomste’ van de ambassadeur van Polen en herinnert zich hoe hij zelf, nog geen jaar geleden, meeliep in de suite van zijn vader, toen deze als ambassadeur der Heren Staten in Stockholm werd ontvangen door koningin Christina.48
Daar neemt Johannes Thijs een kijkje in de bibliotheek van Mazarin en laat zich, een poosje later, vertellen hoe de waterleiding van Parijs geregeld is.49
Bij de Sorbonne maakt Constantijn Huygens notities over de architectuur van deze nieuwe behuizing van de universiteit. ‘Een geweldich gebouw van Richelieu’. ‘Recht over den inganch staet de capel die boven met een couple is met groote vergulde ribben met een portael met groote colommen Ordinis Corinthiaci dat men met groote trappen opgaet.’ Dan wandelt hij naar binnen om in één der auditoria een filosofisch dispuut te beluisteren. (93)
De heer de Brunel laat het rijtuig voorkomen om zijn pupillen het mooiste plein van Parijs te laten zien. Een kwalificatie die François en Philippe met een volmondig ‘magnifique’ onderstrepen, wanneer ze de vorstelijke hôtels zien die deze Place Royale ommuren. (83, 84)
Ter recreatie kiest Coenraad Ruysch, groot flaneur, die keer de Jardin Médicinal du Roy, waar het zeer plezierig wandelen is, al stelt de kruidentuin helaas niets meer voor. (II, f 168v) Zijn zwager Pieter Berkhout neemt ter
verkoeling een duik in de Seine, waar heel Paris op die snikhete zomerdag van 1664 rondspartelt, de dames, decent gemaskerd, incluis.50
Gerard Hinloopen prijst in het grote gasthuis ‘l'Hostel Dieu’, een der vele Parijse instellingen voor zieken- en armenzorg, de toewijding der nonnetjes.51 Voor de Invalides geeft de heer van Dijksterhuis met zijn commentaar op deze imposante stichting van Lodewijk XIV alvast de gegevens voor het verslag dat zijn secretaris straks in het journaal zal moeten vastleggen. (ff 17, 18)
Met dit alles is nog lang geen recht gedaan aan de ‘merveilles’ van de hoofdstad, maar tenslotte wacht, buiten Parijs, geheel Frankrijk nog ter inspectie. Dus worden er toebereidselen getroffen voor de doorreis, met de gebruikelijke beslommeringen van het regelen van financiën en vervoer. Men maakt afscheidsvisites en men schrijft het journaal bij. Dat was dure plicht van elke tourist, maar ook vaak een benauwende opgave; zeker wanneer het ging om een beschrijving van Parijs. Gijsbert de With was stellig niet de enige die, zijn beste voornemens ten spijt, mismoedig moest erkennen dat hij er niet uit kwam. Maar men deed zijn best, of lichtte er de hand mee, onder verwijzing naar reisgidsen en prenten. Op de ene of op de andere manier werd het hoofdstuk. Parijs afgesloten.
De grand tour van Frankrijk kan nu beginnen, of beter, de aanloop daartoe. Want voorlopig beperken de toeristen hun verkenning van het koninkrijk tot de Val-de-Loire, waar zij zich nu enkele maanden met hun studieboeken Frans terugtrekken. Tussen Orléans en Angers, tussen Loudun en La Flèche in het Noorden en Bourges in het Zuiden wemelt het van de touristenkolonies, waar in de goed beklante, grote pensions jonge Engelsen, Duitsers en Hollanders hun ‘devoir’ doen in de Franse taal, in combinatie met verschillende andere ‘exercices’.52
Na korter of langer tijd van retraite - een afzondering nooit zo absoluut of zij werd beleefd in gezelschap van andere reclusanten - kreeg men doorgaans behoefte om eens wat uit te waaien. Dus maakte men een knus speelreisje langs enkele Loire-kastelen. In tegenstelling tot de buitenplaatsen rond Parijs, waar de belangstelling primair uitging naar de aanleg van huis en tuin, gold de interesse voor de Loire-kastelen niet zozeer hun architectuur als wel hun geschiedenis, in casu die van hun vorstelijke bewoners. Maar die belangstelling was toch vrij oppervlakkig en bleef in de notities der bezoekers beperkt tot de anekdotische bijzonderheden, hun tijdens de rondgang door de ‘conducteurs’ opgedist.
Orléans, knooppunt van wegen naar alle vier windstreken, was een geschikt
uitgangspunt van zo'n tocht door de Loire-vallei. Een bezoek aan deze stad betekent - in de vertaling der dagboeken - steevast een paragraaf over de befaamde universiteit, aangevuld met notities over het bestuur van de Duitse Natie, haar privileges en haar welvoorziene bibliotheek. Onveranderlijk gevolgd of voorafgegaan door een stukje hagiografie over ‘Ioanna Darcia’, ‘maagt van Orleans, sittende uijt metaal gegoten op de brug’.53 Daaromheen wordt het verslag bij deze of gene nog wat aangevuld met opmerkingen over het schone - in dit geval reine - aanzien der straten en de bouwwijze der huizen die aan de Hollandse doet denken. In Orléans was het heel gemakkelijk om scheepsgelegenheid te vinden of om met een eigen reisgezelschap een boot af te huren voor een Loire-tocht van drie tot vijf dagen. Gedurende die tijd vermeiden de toeristen zich in een bezoek aan vorstelijke lusthoven en zij kregen daarbij een indruk van het burgerlijk welvaren in de diverse stadjes.
Allereerst gaat zo'n gezelschap na vertrek uit Orléans aan wal in Chambord om daar van de vorstelijke kastelen die de Loire omzomen, het kasteel van François I te bewonderen. Het ‘schoonste en heerlijckste gebouw’, schrijft Hooft, dat hij in Frankrijk gezien heeft, en laat zijn lezer raden of hij de architectuur dan wel de gigantische afmetingen bedoelt. Zijn zoon doet naderhand het kasteel af met een slordige zin: ‘de schoonste trap van Vrankrijk.’54
Aan de overkant, op de rechteroever, ligt Blois met zijn ‘schoon speelhuis’, het Versailles van Lodewijk XII. Gijsbert de With doet hier trouwhartig en ijverig als steeds zijn best op een historisch exposé, Gölnitz aan zijn elleboog. Constantijn Huygens had in dit kasteel meer oog voor de vrouw van de ‘castelain’ die ‘fraey en jongh’ was, dan voor de explicaties van haar man. En Pieter Berkhout was zeker slecht gehumeurd toen hij Blois afkraakte met ‘fort villaijne ville’, waar niets bijzonders te zien viel.55
In het vaarschema van de schipper is inmiddels de toegemeten tijd in Blois allang verstreken. De toerist rept zich aan boord, maar mag anderhalf uur later in Amboise opnieuw aan wal, want het kasteel zullen de toeristen zich niet graag laten ontgaan. Het kasteel zien, betekent schrijven over de trappen, wonder van architectuur, en over de ‘schricklijk groote hertshoorn’, uniek in Frankrijk. Frederik Coenders laat zich hier het vertrekje wijzen, waar de prins van Condé gevangen gehouden was. (168)
Van Amboise is het nu nog maar een paar uur varen - bij gunstig weer en
voldoende waterstand - om Tours, de stad van St Maarten te bereiken. Hooft die de stad vanuit het zuidwesten naderde, vindt Tours voor een Franse stad welbebouwd met twee ‘cierlijke’ straten waar veel zijdehandel gedreven werd. Hij bleef hier, op doorreis naar Parijs, drie dagen en schreef waarderend: ‘wert om sijne schoone gelegentheit van weijden, lant, ende rivieren, als vruchtbaerheit, den Tuin van Vranckrijck geheten.’ (403) Eretitel die ook bij volgende generaties van toeristen, onder wie Gijsbert de With en Johan Huydecoper, in zwang blijft. Gijsbert weet weer een keurig opstelletje te schrijven, waarin hij vriendelijk kabbelt over de fortificaties, de wandelplaatsen, de ‘palmadiebaan’ en in een historische kanttekening de verdiensten van de inwoners als trouwe aanhangers van het Franse koningshuis aanstipt.56 Buiten de stad zijn de druipsteengrotten merkwaardig en in Marmoustier hebben de kerk en de abdij van St Maarten met de relikwieën eveneens veel protestants bekijks.
Een dagvaart verder de Loire af, ligt Saumur. Hier bracht het onooglijke zwart-houten beeldje in de Notre Dame des Ardilliers, waaraan wondere geneeskracht werd toegeschreven, meer pennen in beweging dan de herinnering aan ‘dien edele en seer geleerden Helt Philippus Mornaeus Plessiacus’ die hier eertijds gouverneur van de stad was en stichter van de protestantse Academie. In Saumur kreeg destijds François van Aerssen van die vermaarde heer van Plessis zijn eerste politieke scholing. Pieter de la Court besteedde er de zomermaanden van 1642 aan observaties van leer en belevenis van het katholieke geloof. Zes jaar nadien maakten Johan Huydecoper en zijn vriendenschaar er een bewogen voorjaar mee toen zij, terwijl stad en land geteisterd werden door zware overstromingen, betrokken raakten bij de politieke troebelen van de Fronde.57 Korte tijd later speelt Constantijn Huygens er een genoeglijk partijtje tennis.
Vóór men het weet is men dan alweer in Angers. Met een inspectie van de leisteengrotten daar in de buurt en van de lange Pont de Cé over de Loire wordt nu het Loire-reisje besloten. Een dergelijk vakantietochtje is één van de vele mogelijke uitstapjes in de nabijheid van het studiekwartier. Sommige toeristen die op hun tour niet van half werk houden, maken vanuit Angers of Nantes een verkenningstocht door Bretagne. Maar noch Aernout Hooft, noch Johan de Witt - beiden hadden toen het meeste van Frankrijk trouwens al gezien - levert dit reisje veel stof tot lering.58
Veel meer en vogue dan de excursie naar Bretagne was de luxe-editie van het vijfdaagse Loire-reisje. Men spendeerde dan wat meer geld en tijd en maakte in wijde omtrek van de rivier de ‘kleene tour’. Het deed er daarbij betrekkelijk weinig
toe of men overal had ‘aangelegd’, maar men moest wèl kunnen zeggen dat men in Thouars was geweest, waar de hertog de la Trémouille met grenzeloze gastvrijheid ook hem totaal onbekende buitenlanders uit Nederland en Engeland op zijn kasteel ontving.59
Tenslotte was een bezoek aan het stadje Richelieu, op de ‘kleene tour’ of op een speciale tocht, een ‘must’. Dit grandioze, meest ambitieuze van al 's kardinalen bouwprojecten zouden toeristen niet graag overslaan. Het stadje was slechts een kortstondig leven beschoren, dat door haar stichter trouwens kunstmatig was aangeblazen. ‘Het stedeke is desert’, constateert Constantijn Huygens dan ook al in 1649, nauw twintig jaren nadat de eerste steen gelegd was. (119) Richelieu bleef verder voortbestaan bij de gratie van toeristenbezoek en het leerlingenbestand van de Academie, door de Kardinaal opgericht speciaal ten gerieve van vreemdelingen.60
Iedere bezoeker van dit weergaloos mooie openluchtmuseum is even enthousiast. Men weet nauwelijks wat groter bewondering verdient, het totale ontwerp, dat getuigde van een haast maniakale bezetenheid van symmetrie, en ‘soo regulier, dat Mr van Campens peert wel blindelingh de eene poort in en de ander weer uijt souw loopen’, of het ‘huys’ van de Kardinaal, waarvan de bezoekers om het hardst aankleding en inrichting prijzen.61 Constantijn Huygens geeft een catalogue raisonné van alle kunstschatten; ‘antique statuen’ sieren het voorplein, werk van de grootste Italiaanse schilders - Correggio, Guido Reni en Veronese - luisteren de appartementen op, Michelangelo is als beeldhouwer vertegenwoordigd met ‘twee Captifs’, in alle kamers zijn de wanden verguld en gelambrizeerd, zelfs de ruiven in de stallen zijn gedraaid van kostbare houtsoorten. Om zijn vader een indruk te geven, vergelijkt Johan Huydecoper dit vorstelijk huis met het Huis te Rijswijk en belooft hem er een ‘afteekening’ van.62 Niemand geestdriftiger dan Gijsbert de With, die de stad in eerste aanbouw ziet. Bladzijden vol schrijft hij over het aanzien van deze nieuwe stad met haar vier kwartieren, twee aan twee elkaars spiegelbeeld, een symmetrie doorgevoerd tot in de kleinste details. Hij brengt hier een half jaar later zelfs een tweede bezoek om te kijken hoe de bouw vordert. Maar dan heeft hij toch wel bedenkingen als hij ziet tot welke absurditeiten de bouwbezetenheid van de Kardinaal kan leiden. ‘...om sijne nieuwe stadt meerder te doen uijtmunten’ zal, op last van Richelieu, alles wat zich in de omtrek bevindt aan steden, buitenplaatsen en sloten worden afgebroken. Zo had de
kardinaal nu ook het stadje Champigny-sur-Veude, toebehorende aan de hertogen van Montpensier, in handen gekregen. Tijdens Gijsberts bezoek is de sloop van dit paleis in volle gang. ‘het was beschreijelijck sulcke een ontijdelijcke ruijne te aenschouwen’, niet alleen voor de ‘inwoonders die sulckx met traenen en onlijsaemheijt aensaegen, maar oock voor vremdelingen’, schrijft hij verontwaardigd en geschokt. ‘O Godt hoe wanckelbaer is menschen handen werck!’ De beroemde grafkapel, een van de mooiste in Frankrijk, was nog ‘ongeschent’.63
Aan kunst hadden de toeristen nu wel het mooiste gezien. Richelieu was het laatste hoogtepunt. Diep in het Zuiden vermag slechts het kasteel in Cadillac, eind zestiende eeuw gebouwd voor Jean Louis de Nogaret, hertog van Epernon, aan bezoekers complimenten te ontlokken.64 Zij die, zoals Pieter Berkhout of de Huygensen, de schoonheid van Parijs en omstreken zeer intens beleefd hadden, waren het kunst zien langzamerhand beu.65 Een gevoel van verzadiging dat de houding van anderen, die vanuit Italië komende door Frankrijk tourden, nog sterker markeerde. Aernout Hoofts aantekeningen in Parijs verlopen in een soort kortschrift en zelfs bij Ruysch, de onvermoeibare, is een zekere matheid te bespeuren in zijn Franse berichtgeving. Hij handhaaft zich wel wat uitvoerigheid, bijwijlen wijdlopigheid betreft, maar het heilige vuur is uit.
Op de grote tour, nu aanstaande, wordt gelukkig ook aan andere interesses geappelleerd, vooral in het Zuiden. Voor degenen die naar de Midi gaan om de west, is Nantes het aangewezen punt van vertrek. Gijsbert de With logeert hier bij Madame Casteleyn, geboortig uit Rotterdam, waar hij in zijn verwachtingen van ‘hollandse nettigheyt en Hollands tractement’ niet wordt teleurgesteld. De stad is ‘seer vermaerd door de koophandel’ waarin de Nederlandse kolonie een aanzienlijk aandeel heeft. Verschillende hunner ontfermen zich later over hun landgenoot Ruysch (hij lag hier maandenlang ziek) en ontvangen hem tijdens zijn herstel zeer gastvrij in hun grote comptoirs in de stad of op hun geriefelijke landhuizen daarbuiten.66
Gijsbert gaat hier zijn vriend Sonneman opzoeken, die even buiten Nantes en pension is bij een ‘edelman’. Deze gezellige ontmoeting is gerede aanleiding voor een feestje met een aantal Hollandse kennissen en dan stijgt Gijsbert te paard om ‘wech te vervorderen’ naar La Rochelle. Twee vrienden ‘convoyeren’ hem een eindweegs, wat natuurlijk aan het einde van deze rit weer een vrolijke avond betekent. Er volgen een paar vermoeiende dagritten. In La Rochelle - dat ligt voor de hand - brengt de toerist uit de Lage Landen een eresaluut aan de nagedachtenis van zijn Franse geloofsgenoten. Veel van hetgeen hij in de stad ziet, is op de een of andere manier verweven met de geschiedenis der hugenoten.

9. ‘Zuijtwaerts van de stat [Richelieu]...lach het Cardinaels huijs, welck in kostelijckheyt en uijtmuntentheijt weijnijghe of geen huijsen in Vranckrijck sijns gelijck sal hebben...’ (G. de With f 34r)
Gijsbert, die er kort na het verschrikkelijke belegeringsjaar 1629 logeert, hoort uit de eerste hand de hartverscheurende verhalen over de hongersnood die sommige inwoners tot kannibalisme dreef. Hij maakt een tochtje naar ‘het eijlant de Raiz’ (Ile de Ré) om een Hollandse koopman op te zoeken en het eiland, ‘uytnemende vruchbaer in koren en wijn’ rond te rijden. En passant bezichtigt hij het nieuwe fort, een kapucijnenklooster, het kasteel en de Engelse begraafplaats, waar enige duizenden Engelsen rusten die bij de belegering van de stad sneuvelden.67
Half mei begint hij aan zijn laatste rit in zuidelijke richting, dit keer in gezelschap van twee Engelsen die hij toevallig op het Ile de Ré ontmoet had. De reizigers moeten vlak langs zee hun weg zoeken door de streek die ‘La petite Flandre’ heet, naar de vele Hollanders die hier wonen. Dwars door de zoutpannen, langs Soubise en Moise, naar Brouage, een zwaar versterkte plaats, om daar te overnachten en er bolwerken en arsenaal te inspecteren. En weer verder, via Soissons, waar het tractement niet veel voorstelt, over een plezierige weg met bloeiende meidoorn naar Blain. Daar huurt Gijsbert met een gezelschap Duitsers een schuit, om de Garonne over te steken. Dan beginnen de reizigers Bordeaux ‘fraij int gesicht te krijgen’. Natuurlijk zoekt Gijsbert naar een Hollandse herberg, wat hem in Bordeaux niet veel moeite gekost zal hebben. In de stad treft hij drie neven, die bereidwillig als gids optreden. Gelukkig hebben Gölnitz en Sincerus met z'n tweeën Bordeaux zo uitvoerig beschreven, dat De With zich van deze taak ontheven acht. Hij spaart zijn kruit dan ook voor een beschrijving van het kasteel, paleis zo men wil, van de duc d'Epernon, gouverneur van Guyenne, een paar uur rijden ten zuiden van Bordeaux.68 De superlatieven vloeien uit zijn pen. Tapijten, schoorsteenmantels, wenteltrap, fonteinen, huisraad, het is alles ‘over kostelyck’. Als Gijsbert, onafscheidelijk van de neven, Bordeaux in alle richtingen doorkruist heeft, neemt hij afscheid en aanvaardt de terugreis naar Loudun. Een reden voor het feit dat hij de grote tour maar voor de helft maakt, wordt niet gegeven, maar het is wel hoogst ongebruikelijk.
Zijn stadgenoten Johan en Cornelis de Witt, die in april 1646 een week in Bordeaux logeren, zijn wel van plan de grote tour waaraan zij eind februari vanuit Angers waren begonnen, naar behoren af te ronden. Hiermee zullen, rondreis en ‘kleene tour’ samen, vanaf dag van vertrek uit Angers tot de terugkeer in Parijs, half oktober, zeven maanden gemoeid zijn.69 In een week rijden zij vanuit Bordeaux over Cadillac, Agen, Moissac en Montauban naar Toulouse, om daar krachten te verzamelen voor het traject Carcassonne-Narbonne, dat zware eisen
stelt aan uithoudingsvermogen en rijvaardigheid. In Carcassonne bekijken zij de citadel en in Perpignan het kasteel, een van de sterkste van Europa. Vlakbij Perpignan zijn ijzermijnen en Béziers is een ‘vermakelijk stedeke’. Op 7 mei arriveren de broers in Montpellier en onderbreken daar ‘dewijle [alhier] seer goede compagnie is’ voor de zomermaanden van 1646 hun reis. De heren van de Gracht, Van Rijn en Verbeecq zullen zeker tot dit clubje gehoord hebben. Voor Johan Huydecoper, die eigenlijk ook van plan was om er wat langer te blijven, had de stad geen enkele attractie. Hij wist niet hoe gauw hij er weg moest komen. Het was er op dat moment, herfst 1648, in verband met troepenbewegingen, nog tamelijk onveilig ook. Wie iets over Montpellier wil weten, moet bij anderen te rade. De stad heeft nauwe straatjes, maar is fraai ‘betimmert’ en het vrouwvolk is er ‘seer fraey’ en van goede sier. De Engelsen komen hier graag, want de uitzonderlijk zuivere lucht heeft een genezende uitwerking op longaandoeningen. Bezienswaardigheden: de academie, het anatomisch theater en ‘de tuin van den koning’ (Henri IV), die als hortus botanicus fungeert en met zijn mooie allees van cypressen voor geen Italiaanse tuin hoeft onder te doen. En met deze faits divers moet Montpellier het dan maar stellen.70
Voor diegenen onder de touristen die niet naar Italië zullen gaan, komt nu, in het Zuiden van Frankrijk, de enige kans om iets te zien van Romeinse architectuur zoals die, minder of beter geconserveerd, de trots was van stadjes als Arles, Nîmes, Orange en Aix. Pronkstuk van deze monumenten, amfitheaters, aquaducten en triomfbogen was het ‘cirque’ in Nîmes. Zelfs Johan de Witt gaf dit graag het epitheton ‘magnifijck’ en ook Ruysch, met zijn gyro nog vers in het geheugen, was opgetogen: na het amfitheater van Verona was dat te Nîmes het mooiste dat hij ooit gezien had aan Romeinse bouwkunst.71 Blijkbaar lieten de toeristen zich niet van de wijs brengen door het benauwde aanzien van de arena die - volgebouwd met huisjes waarin naar schatting wel 2000 mensen onderdak vonden - haar oorspronkelijke ruimtewerking ten enenmale verloren had. Jan Merens was vooral geboeid door de bouwtechnische kant, de kwestie van transport en metselwerk der enorme blokken hardsteen. Zijn bewondering voor de Romeinse civiel-ingenieurs groeide nog toen hij, even buiten Nîmes, de Pont du Gard bekeek en te paard de onderste brug een eindweegs opreed: ‘...is alles yselijck ende met groot verwonderinge aen te sien.’ (107) In kunstig metselwerk verlustigde hij zich ook bij de ‘gebroocken’ tempel van Diana buiten de stad, die met het zogenaamde Maison carrée binnen de stadsmuren, Nîmes' drie voornaamste attracties waren. Over de oorspronkelijke bestemming van dit laatste gebouw werd destijds druk gespeculeerd. Ruysch hield het er- met Gölnitz - terecht op dat het een tempel geweest moest zijn; de façade deed hem trouwens
sterk denken aan die van de Rotunda in Rome. Voor de Hollanders van de religie had Nîmes nog een pluspunt: men kon er ìn de stad ter kerke. De grote gereformeerde gemeente beschikte er over twee kerken, die door liefst zes predikanten bediend werden. Tenslotte was Nîmes (omstreeks het midden der zeventiende eeuw) ook twee miniatuur oudheidkundige musea rijk. Liefhebbers van munten en medailles zoals Johan de Witt, konden hun hart ophalen in de privé-collectie van Mr Fornier terwijl ook Mr Gyran bezoekers graag in zijn kabinet van zeldzaamheden rondleidde.72
Het amfitheater in Arles, vijf lange mijlen van Nîmes, viel wat tegen; het was ook volgebouwd, maar bovendien zeer vervallen. Verder moest men in Arles notitie nemen van het Romeinse aquaduct en het stadhuis (Les Alyscamps), waar Ruysch een Diana-beeld zag dat onlangs bij graafwerk tevoorschijn was gekomen. Veel bekijks trok ook de ‘begraafplaats der ouden’ met ‘oneyndelyke steene kisten’, zoals Ruysch die sarcofagen ook in Rome gezien had. Gölnitz had er daar in Arles wel 600 geteld, voegde hij er aan toe.73
Orange was van de archeologische centra in de Midi het minst belangrijk. Van de triomfboog waren de reliëfs door inwerking van regen en wind zwaar afgesleten en het theater kon men, ingevat als het was in een bastion van het kasteel en ook alweer volgebouwd, nauwelijks als zodanig herkennen. De meeste bezoekers waren dan ook niet bijster enthousiast. Constantijn Huygens besteedde zijn tijd in Orange met visites bij de plaatselijke monde. Het zwaar versterkte en bezette kasteel vond hij wel een bezoek waard, maar vijftien jaar later al schrijft Pieter Berkhout, die vanuit Avignon een dagexcursie maakte, tamelijk heftig over de miserabele ruïnes van wat eens ‘la plus belle citadelle du monde’ geweest moest zijn.74
Dan was Avignon veel interessanter, althans voor Pieter, die hier in 1664 een paar dagen leefde tussen pauselijk purper en Avignonse adel.75 Over de stad zelf is hij vrij kort. Natuurlijk noemt hij de stadsmuren; een opmerking over de schoonste en ‘polijtste’ muren van geheel Frankrijk mankeren in geen journaal; er zijn verschillende mooie kerken en huizen met fraaie tuinen. Er is een belangrijke zijdehandel en de joden, die hier gele hoeden dragen, genieten zoals ook elders in pauselijk gebied een grote mate van vrijheid. Deze losse opmerkingen vindt men ook verspreid over de journalen van de andere Hollandse bezoekers, die er op hun manier door het paleis van de vice-legaat gaan.76
Sommigen maken van hieruit een literaire excursie naar Vaucluse, ‘het
vaderlant van Madona Laura’.77 Dan trekt men zuidwaarts om in Marseille het havenbedrijf te bekijken. Daar worden de citadel, de scheepsmagazijnen, lijnbaan, werven en arsenaal geïnspecteerd.78 Ruysch laat zich aan boord roeien van een der galeien, waar burgerbezoek, Frans of buitenlands, met egards wordt ontvangen en rondgeleid. In Toulon gaat hij aan boord van de ‘Royal Louis’ en hij is verrukt van de kostbare uitmonstering; het schip is letterlijk overladen en topzwaar van prachtige ornamenten en snijwerk. Coenraad zet dan ook meteen een vraagteken bij de kwestie van de effectieve gevechtswaarde van zo'n praalschip. Zijn Franse vrienden corrigeren hem: deze schepen, de ‘Royal Louis’, de ‘Royal Dauphin’ en nog een paar andere dienen uitsluitend om vriend en vijand te imponeren. Maar, repliceert Ruysch nuchter: ‘...sij vergeten dat grootheyt van een Prins meer in vechtende scepen als in pronkende bestaet.’ (II, f 137v) Een opmerking die Johan de Witt zeker onderschreven zou hebben.
Wat men verder aan bijzonderheden over Marseille ook wil toevoegen, iedereen is het er over eens dat de directe omstreken allervermakelijkst zijn. ‘Buiten de stadt is wonderlijcke menichte van hoeven ende wijnen die 'r seer heet vallen, maar de vin muscay is seer goedt, voort orengers, citroniers, granades, olyviers sijnder veel, ende de vijgen vallen der beter dan elders; en somme 't lant abundeert in schone vruchten’.79 Het is in deze omgeving heerlijk wandelen en een bezoek aan een citrusboomgaard is een geliefkoosd uitstapje, ware verademing tevens na een verblijf in Marseille waar een uiterst primitieve waterlozing in de nauwe straatjes van de binnenstad een bron van infectie is.
Hier wachten Jan Merens, Hooft, Huydecoper en Wicher Pott op scheeps-gelegenheid naar Italië. Pieter Berkhout, Johan en Cornelis de Witt, Pieter de la Court en Johannes Thijs keren allemaal resoluut, maar met spijt in het hart, de zee en daarmee Italië de rug toe en zoeken hun weg naar Lyon, waar vroeger of later ook andere toeristen aankomen, die, zoals P.C. Hooft en Huydecoper, via Bourges, Moulins, Nevers en Roanne naar het Zuiden afzakken.
Lyon - een stad die als knooppunt van vele wegen bereisd door toeristen zeker een paragraaf in het Iter Gallicum verdient - Lyon is een heerlijke stad; een openbaring voor wie direct uit het Noorden komt, een plaats vol bezienswaardigheden die zich uitstekend leent voor een wat langer verblijf. Ook in de zomer, want de hitte in de stad kan men ontlopen met boottochtjes op de Saône of een logeerverblijf op de landhuizen van gastvrije Franse vrienden, waar met picknicks en zwempartijtjes, de dames weer keurig gemaskerd, de dagen omvliegen.80
Binnen de stad kent men zijn plichten. Johan Huydecoper legt het gehele epigrafische bestand van Lyon vast, Gruterus onder de arm. Hooft ontdekte enige ‘vestigien’ van antiquiteiten en Constantijn Huygens maakt een wandeling naar de plek waar eens het Forum Veneris was.81 In de Charité en het Hôtel Dieu presenteert Lyon zich als sociaal voelende gemeente, met uitgebreide en uitstekende zorg voor zieken en armen. Instellingen die Hollanders ook elders, in Parijs en Florence, graag bezochten. Kerk en kloosterbibliotheek van de jezuïeten zijn vervolgens aan de beurt, terwijl een klimpartij naar het klooster der kapucijnen uitsluitend het magnifieke uitzicht over de stad geldt. Vanaf de jaren zestig krijgt het nieuwe stadhuis de hoogste lof toegezwaaid die Hollanders kunnen geven: Pieter Berkhout heeft nog nooit zo'n fraai stadhuis gezien; slechts wat de gedrongen façade betreft, blijft het achter bij het Amsterdamse. Constantijn Huygens maakt een schets van deze voorgevel, engageert een tekenleraar en vindt in Lyon zoveel plaatjes-achtigs, dat hij al tekenend door de stad zwerft. Van de ‘wonderlijcke situatie’ van Lyon kan hij niet genoeg krijgen. Men noteert dat vele en ‘treflycke’ kooplieden zich vooral bezighouden met de zijdehandel en men bekijkt een ververij. Pieter Berkhout bezoekt Mr de Serrières om diens mechanica-kabinet te zien, en Coenraad Ruysch presenteert een introductiebrief bij Mr Spon, auteur van het bekende reisboek.82
Tenslotte ontbiedt men een kleermaker, bezoekt zijn bankier en informeert naar mogelijkheden van vervoer en tour-arrangementen voor de uitstapjes naar Grenoble en naar de Chartreuse. Pieter Berkhout rijdt vanuit Lyon onder ellendig weer naar Grenoble. Zo lyrisch als hij over Lyon schrijft, zo negatief laat hij zich uit over Grenoble: ‘Son assiette...est fort vilayne’ in een dal tussen hoge bergen en affreuze rotsen. Het is maar een kleine plaats en zonder het riviertje dat er door loopt zou Grenoble zeker het lelijkste gat van Frankrijk zijn. Toch is het de hoofdstad van de Dauphiné waar het parlement zetelt en waar de gouverneur, de hertog de Lesdiguières woont. Behalve diens paleis valt er in de stad niets te zien.33 Andere toeristen oordeelden wel milder, maar niemand vond het er bijster interessant. Toch kwamen er velen; ter wille van het hertogelijk paleis en omdat Grenoble het uitgangspunt was voor de tocht de ‘wildernisse’ in, naar het beroemde kartuizer klooster. Vrijwel iedere toerist die hier in de buurt komt, maakt deze pelgrimage naar de Chartreuse. Men wil zich persoonlijk overtuigen of de verhalen van de vriendjes over dichte bossen, verschrikkelijk hoge bergen en gruwelijke ‘precipicen’ schromelijk overdreven zijn, dan wel natuurgetrouwe schildering. Juist dit ongenaakbare geeft aan deze tocht een buitenissig tintje, dat waarschijnlijk werd ervaren als een welkome afwisseling op het gebruikelijke
toeristen-menu. Bovendien, een nacht gratis logies in een klooster, zelfs drie zo men wilde - want zo lang waren de goede broeders gehouden vreemdelingen voedsel en onderdak te verschaffen - behoort eveneens tot de categorie van uitzonderlijke evenementen.84
Constantijn Huygens loopt hier zijn vriend Carer, op terugreis uit Italië, tegen het lijf. Samen rijden zij terug naar Lyon, door ‘een groote sneeuw en een stercke koude.’ (143) Het is eind oktober en wel geraden om hier weg te komen uit ‘'t gruwelijk desert’. Voor Constantijn is het te laat in het jaar om nog over de Alpen naar Italië te reizen. Het wordt dus overwinteren in Genève, een plaats die zich daartoe uitstekend leende. De toerist kon er in alle rust op verhaal komen, want aan zijn opname- of bevattingsvermogen werden geen zware eisen gesteld. Hij hoefde er geen kerken te bekijken; er te zitten en te luisteren was voldoende. De overige bezienswaardigheden waren volgens Constantijn niet meer dan ‘redelyck fray’. (146) Studie maken van de geschiedenis der Zwitserse kantons was een loffelijk extra. Evenmin was het noodzakelijk om buiten Genève rond te trekken. Een ‘tourtje op het Lac’ of een uitstapje naar Bern was al mooi; het bezichtigen van Zürich of Bazel - als men daar niet kwam op doorreis - was na de tijd der Coendersen niet meer gebruikelijk. Maar daarvoor kwam de toerist ook niet. Voor hem betekende Genève een rustpunt tussen Frankrijk en Italië, een plaats ook waar hij vrienden en kennissen ontmoette, om de laatste nieuwtjes en reistips uit te wisselen.85
Vanuit dit rustpunt past een terugblik. Allereerst komt dan de herinnering naar boven aan de belevenissen in Parijs, waar de toerist zich had verlustigd in pracht en pronk der ‘Opera publica et privata’. Kunst-kijken was in de hoofdstad en nabije omgeving zijn voornaamste bezigheid geweest. Het is echter beter om opmerkingen over ‘Toerist en Kunst’ op te schorten, totdat de tourist ook zijn gyro heeft gemaakt. Daarna had de grand tour, de rondreis door Frankrijk, de toerist een uitstekende gelegenheid geboden tot kennismaking met allerlei facetten van de Franse samenleving. Op zijn schier eindeloze reeks van mini-tours langs lokale bezienswaardigheden had hij een enorme hoeveelheid feiten en gegevens verzameld over een verscheidenheid van onderwerpen. Nu behoorden deze losse feiten bijeengevoegd te worden tot een samenhangend geheel, want idealiter
betekende de grote tour een illustratie van lectuur, zoals gepropageerd door Van Erpen, ofwel de tour diende als wegwijzer naar de boeken die tot onderling verband en ‘verstant’ van het geziene moesten leiden. ‘De kennis wies gestaag’ tijdens de tour, maar hield het ‘verstant’ gelijke tred, of bleef het ondervoed? Werd de anekdotische bijzonderheid ingetekend in het beeld van een ‘notabele’ persoonlijkheid? Werden momentopnamen - van sociale zorg, van economische bedrijvigheid, van militair vertoon, van godsdienstige gebruiken - verduurzaamd? De vraag is al eerder gesteld, maar ook hier volgt geen onomwonden antwoord. Misschien is het allemaal te zwaarwichtig bekeken. Misschien verschafte het bekijken van de kleurige stukjes van het grote Franse mozaïek de toerist zoveel ‘plaisir’, dat het ‘profit’ er ook mee gebaat was.
Zij die in Marseille op scheepsgelegenheid naar Italië wachtten, zijn inmiddels in zee gestoken en na een voorspoedige of ‘tedieuse vojagie’ veilig in Genua geland. Van de gebruikelijke toegangswegen tot Italië, via Mont Cenis of Brenner of over zee, was die zeeweg zeker niet altijd de vlugste, evenmin steeds de veiligste, maar voerde wèl tot een directe, spectaculaire confrontatie met een Italiaanse stad. De binnenvaart in de haven met het zicht op het amfitheater van huizen tegen de berghellingen werd steeds als ‘seer aengenaem’ ervaren. Hij die, eenmaal aan wal, ging zwerven door La Superba, ‘alderheerlyxt van timmeragie’, werd nog versterkt in zijn eerste indruk. En daarmee begint in de nauwe ‘gangetjies’ van Genuese straten tussen hemelhoge huizen, de Italiaanse ronde van het bekijken van ‘Kunst en Curiosa’.86
Er is hier zoveel te zien, vertelt Marganetti aan Aernout Hooft, dat ge er wel veertien dagen voor uit mag trekken, (f 9r) Dat was voor de meesten op weg naar het Zuiden wat ruim gemeten, maar in vier à vijf dagen kan een ijverig toerist ook heel wat ‘cierlycke Kercken en Koninklijcke palleizen’ aflopen. Bovenaan de lijst van ‘Casa nobillissime’ prijken de huizingen der Balbi's en der Doria's, residenties die de alom geroemde hoofdstraten, de Strada Nuova en de Via Balbi, een vorstelijk stempel opdrukken. In het Palazzo Balbi is de ene bezoeker verrukt van de ‘costelycke’ schilderijen van Titiaan, ‘Alberduer’ en Michelangelo en memoreert de ‘excessive groote silvere kroon’ aan het plafond in de grote zaal, terwijl de ander zijn hart verpandt aan ‘de heerlijcke spiegel sijnde met een groote menigte konstige silvere beeltjes op de kant verciert.’ Maar de Doria's doen voor de Balbi's niet onder.87 ‘Men seyt, dat het [Palazzo Doria-Tursi] wel gecost heeft over de driemael hondertduysent croonen; is soo schoon van buyten, van binnen
altemael van marmer, dat het niet is om te seggen’, schrijft Jan Merens, die toch meestal wel weet hoe hij zijn bewondering van ‘Costelyckheit’ moet verwoorden. (114)
De speelhoven even buiten de stad, in San Pietro d'Arena, waren al evenzeer een lust voor het oog. Daar was een bezoek aan de Villa Imperiale, het Doria-paleis en de bezittingen der Balbi's de tweede toeristische ‘must’, ook al vanwege het prachtige uitzicht op stad en haven. De appreciatie van deze Genuese residenties waar ‘de marmor niet gespaert is’, en veelal beschilderd met architectonische voorstellingen, geldt nu bouwkunst van Italiaanse signatuur, maar de criteria die tot dusverre de waardering bepaalden, blijven dezelfde: het fortuin gespendeerd aan de bouw en de kostbare materialen daarin verwerkt.
In deze waardering delen rijkelijk de Genuese kerken; wel opvallend, omdat verschillende daarvan dateren uit een tijdperk, waaraan in Frankrijk met de afdoener ‘Gottisch’ voorbij werd gegaan. Zo krijgt de San Lorenzo, ofschoon ‘van de heijdenen gebouwt’, toch het predikaat ‘uytgenoomen schoone kerck’. Sterker nog, Wicher Pott beschouwt die San Lorenzo samen met de kerk der jezuïeten en de nieuwe Annunciata als de schoonste kerken die hij ooit gezien heeft, met vergulde gewelven en marmeren pilaren, ‘waar aen konst, kosten noch marber off kostelijcke schilderijen sijn bespaert.’ Hij is zo vervuld van deze Italiaanse ‘cierlyckheit’, dat hij pas in een post-scriptum melding maakt van de gevolgen van het Franse bombardement van Genua, het jaar tevoren.88
Wie zijn reis in zuidelijke richting voortzet, doet dit bij voorkeur per schip. Omdat deze vaartuigen telkens in een haven voor anker gaan, hebben de toeristen gelegenheid in de havenstadjes rond te wandelen en een indruk te krijgen van plaatsjes als Lerici en Portofino. De descripties zijn navenant vluchtig, het ene verslag levert een kasteel meer dan het andere, maar er valt pas weer iets interessants te zien wanneer de toerist in de haven van Livorno de fraaie blauwstenen trappen opgaat naar de kade.
Livorno is de belangrijkste havenstad van Toscane en heeft haar ontstaan en bloei te danken aan de patronage der Medici's. Inzonderheid is de stad het troetelkind van groothertog Ferdinand I. Hij neemt de verbetering van de haven ter hand, verklaart de stad tot vrijhaven om de handel te stimuleren (reden waarom hij ook joden vrije vestiging in de stad toestaat), heeft revolutionaire denkbeelden over hygiëne en geeft zijn architecten opdracht om naast het oude stadje, ‘cleen ende qualijck gebouwt’, een totaal nieuwe stad neer te zetten. Er is dan ook alle aanleiding tot het aanheffen van een loflied op deze verlichte vorst.89
Vanuit Livorno komt men heel gemakkelijk door de ‘fosse’ in Pisa. Hier moet de bezoeker toch wel op een volle week rekenen om de stad en de universiteit ‘Insieme molto Civile, et Curiosa, et de principali della Toscana’, naar verdienste
te verkennen. Overdrijft Marganetti of blijven de toeristen in gebreke? (f 10v) Geen hunner rept over de universiteit en niemand heeft er langer dan één, hooguit twee dagen nodig om er Dom, Campo Santo, Battisterio en Campanile en eventueel de hortus botanicus te zien. ‘Pisa is groot binnen de muiren, doch niet betimmert’, is de indruk van Hooft en Merens, terwijl de Van der Dussens, honderd jaar later, zich afvragen waarom er in zo'n plezierige en gezonde stad toch zo weinig mensen wonen, een stad die nota bene het gezondste drinkwater van heel Italië heeft. Een uitspraak die zij waarschijnlijk doen op gezag van Missons ‘Voyage d'Italie’.90 De twee broers maken een uitvoerige ronde door het Domcomplex. In de controverse die generatie na generatie van toeristen stof tot speculatie bood, kiezen zij de partij van die journalisten die de theorie van een vernuftige berekening der torenstand verwerpen. In Jan Merens' tijd echter was men over het algemeen nog geponeerd voor de uitleg dat de ‘miraculose tooren’ aan ‘behendigheyt ofte const’ zijn overhang dankte. (118) De ‘Gottische’ Dom heeft bronzen deuren die ‘admirabel verciert [zijn] met basse relief’, (118) in de doopkapel heeft deze of gene oog voor Niccolò Pisano's preekstoel, het Campo Santo is rondom beschilderd (en daarmede basta over de fresco's) en dient de voornaamste Pisaanse families tot kerkhof. Daar mogen zij rusten in de gewijde grond, die destijds door Pisaanse schepen is meegebracht uit de Olijfhof in Jeruzalem. Een enkele bezoeker neemt nog de moeite om de bibliotheek, ‘taemelijck fraey’, te bezichtigen en dan houdt men het voor gezien.
Pisa is nauwlijks achter de horizon verdwenen, of de toerist stijgt alweer af in Siena. Men trekt er opnieuw het zakboekje, om een bladzij te vullen met aantekeningen over de ‘syptyle ende purgeerende locht’, het zuivere Italiaans der inwoners, de strategische situatie en de bestrating met rode bakstenen. Het meest ‘remarquabele’ dat Siena te bieden heeft is, buiten kijf, de Dom. Het tweekleurig marmer waarmede de kerk van buiten en binnen gestoffeerd is, wint het van de gotische bouwstijl. Een houten plankier, dat echter voor de ‘Nieuwsgierigen aenscouwer’ opgelicht kan worden, beschermt de kostbare makelij van de vloer. In de bibliotheek van de Dom vindt Ruysch de fresco's zo prachtig, dat hij zich de naam inprent van de schilder, Pietro Perugino, ‘die soo ick onderrecht ben de Meester van Raphael Urbin is geweest.’ (II, f 21v)
Jan Merens doet in Siena vooral zijn best op een beschrijving van de Piazza del Campo, met het ‘natuerelijck fatsoen van een St. Jacopschilp’. Hij besluit zijn verhaaltje als connoisseur: ‘Alhier wert seer goet Italiaens gesproocken. Ende is versien met seer schoon vrouvolck.’ (134) Meer dan een enkele paragraaf is, als neerslag van een vluchtig ééndags bezoek niet te verwachten. Maar als een toerist in deze Toscaanse stad met haar roemrucht verleden een paar maanden doorbrengt, dan mogen hogere eisen gesteld worden. Het verslag echter, waarop
Aernout Hooft de lezer van zijn journaal vergast, is slechts een brokkig samenstel van schamele notities. Wat hij in Siena dan wel uitvoerde, die zomermaanden van 1651? Vermoedelijk wat Italiaans leren of lezen, en wat rondkijken in de stad. Hij maakt er enkele religieuze plechtigheden mee en tussen de bedrijven door gaat hij met zijn grote vriend de heer van Sevenhuysen voor een weekje naar Florence, om daar de typische festiviteiten bij te wonen ter gelegenheid van de naamdag van St Jan.91
Helaas verminkt Aernout de reportage over de feestelijkheden tot een paar onbeholpen krabbels en men moet er de uitgewerkte tekening van Coenraad Ruysch overheen leggen om een duidelijk beeld te krijgen van het opwindend schouwspel der wagenrennen op het plein van Santa Maria Novella. En er, ter completering van het beeld, de schildering naast leggen die Van Aerssen levert van de Grand Duca, Ferdinand II, en diens geduchte heer-broer, kardinaal Gian Carlo, ere-gasten bij de wedrennen en middelpunt van de kleurrijke ruiterstoet der Florentijnse edelen die hieraan voorafgaat.
De dag na dit cavalereske gebeuren neemt de groothertog het huldebetoon in ontvangst van alle hem onderdanige steden, markiezaten en baronieën. Ruysch is wat teleurgesteld, hij had zich veel van deze ‘publike homage geimagineert’, in de veronderstelling dat de grote heren in eigen persoon hun trouw zouden betuigen of tenminste fatsoenlijke lieden als afgezanten sturen. Maar de stoet die hij aan Cosimo III ziet voorbijtrekken, blijkt te bestaan uit boeren en voerlui met ossewagens. Toch is er van allerlei merkwaardigs te zien, zelfs in zo'n ‘burgerlijke’ troep. Daar rijdt bijvoorbeeld op een praalwagen een figuur mee, in tijgervel gehuld, die St Jan voorstelt. Hij slaat voortdurend kruisen en ziet blauw van regen en kou. Het opvallendste in heel deze traditionele betuiging van trouw aan de landsheer was - in de ogen van Aernout Hooft - het sieraad waarmede de groothertog getooid was, ‘de groote diamant van 138 caraet, die machtigh flikkerde.’ (f 115v) De reeks feestelijkheden rond St Jansdag werd dan nog diezelfde middag besloten met de wedren der barbers. Zo een wedloop van ongezadelde, ruiterloze paarden die volgens een speciaal parcours dwars door de binnenstad renden, moet al een zeer spectaculair gezicht geweest zijn.
Paardenrennen en ruiteroptochten waren in Florence even geliefd als elders in Italië; in de zomer ging er geen week voorbij of er waren dergelijke evenementen. Ter gelegenheid van de verjaardag van de groothertog werd er een gemaskerde optocht gehouden, georganiseerd door een pas opgerichte Academie, waar heel Florence weer voor uitliep, en op de Piazza Santa Croce was het dan ‘une furieuse foule de peuple et une poussière pour crever.’ Zo schreven Van Aerssen in 1654 en Ruysch in 1675 hun uitvoerige verslagen van deze volksfeesten, beiden met de kanttekening dat op dit gebied Venetië en ook Rome toch meer en fraaier te
bieden hadden.92 Dat was ongetwijfeld waar, maar alles welbeschouwd kwam de toerist niet in eerste instantie naar Florence ter wille van feestelijk volksvermaak.
Wat lokte de vreemdeling dan naar ‘Fiorenza schoon’? Allereerst natuurlijk de stad zelve, in haar liefelijke ligging en haar tooi van fraaie paleizen en kerken. Daarenboven waren het gezonde klimaat, het welluidend taalgebruik en de toeschietelijkheid harer inwoners allemaal factoren die er het hunne toe bijdroegen dat toeristen er vaak langer bleven (Ruysch en Van Aerssen ieder wel vier maanden) dan noodzakelijk was om in een strak veertiendaags programma de Florentijnse kunstschatten te bezichtigen.93
Wie ‘Florence’ zei, bedoelde daarmee ‘Medici’ zien. En dan gold bewondering voor de familie steeds hun optreden als maecenas en kunstverzamelaars. Ging echter de belangstelling van de toerist iets verder dan het plichtmatig kijken en loven, verdiepte hij zich enigszins in de geschiedenis van deze Florentijnsche bankiersfamilie, dan kreeg naast lof ook kritiek een plaats. Toch komt ook Van Aerssen, net als ieder ander toerist, naar Florence om te bewonderen en met welbehagen te kijken naar ‘ongeloovelijcke costelijckheit’. Daarmee ‘opgepropt’ is het magnifiekste dat Florence binnen haar muren koestert: het Medici- ‘tresoor’. Iedereen kijkt zijn ogen uit in de ‘warande’ van de hertog en doet zijn best op het samenstellen van een privé-catalogus van de kostbaarheden, curiositeiten en zeldzaamheden opgehoopt in de Guardaroba, de Tribuna en de Galleria van Palazzo Vecchio en Uffizi. Alle leden van de Nederlandse bent schrijven over de ‘Statuen’ in de Tribuna, de met juwelen ingelegde, veelkleurige marmeren tafels en roemen om 't hardst de vitrines met gouden en zilveren vaatwerk, de paardetuigen, het hoofd van Tiberius in een turkoois gesneden, de Turkse sabels...
Een schat aan meubels en schilderijen ‘van alle soorten, groote constighe stucken, poëterye, battalien, geestelijcke stucken, als schoone figueren’ is ook in het Pitti-paleis te zien. (121) Jan Merens vindt dit alles prachtig, maar twee generaties later reageert Aernout Hooft bijzonder lauw op het museale bezit van dit Medici-paleis. Toch een schoon gebouw, en een heel schone fontein, dat wel! Zo'n reactie ging echter geheel tegen de destijds gangbare opinie in. Van Aerssen was zelfs bereid om het Pitti-paleis tot het mooiste van geheel Europa te stempelen. Als oordeel van een nuchter Hollander is dat niet gering, temeer daar de Franse mentor over de schouder meeleest.
Een genoegen apart is wandelen in de Boboli-tuinen, waar alle elementen die thuishoren in een tuinaanleg van die tijd, waterwerken, fonteinen, watervallen,
lanen en beelden, de ‘heerlijkheid’ van de eigenaars onderstrepen. Op het werkprogramma van de toeristen komen in de zeventiende eeuw nog twee andere Medici-bouwwerken voor: de San Lorenzo en de Laurentiana. In de kerk trekt de Medici-kapel met imposante funeraire pompe en kostbaarheden het meeste bekijks. En in Michelangelo's nieuwe sacristie ‘van noble architecture’ ontlokken de grafmonumenten voor de twee Medici prinsen Lorenzo, hertog van Urbino, en Giuliano, hertog van Nemours, aan de Van der Dussens een ongebruikelijk: ‘de beelden sijn seer fraaij van Albast, dog wat Lascief’. (f 77r) Hooft prefereert hier boven de beeldhouwer de architect Michelangelo. Diens schone librije, de Laurentiana, waar vanaf het jaar van haar openstelling in 1571 geleerden zogoed als een geletterd publiek en zelfs volslagen leken toegang hadden, was een toeristische bezienswaardigheid. Zo zag Jan Merens er ‘verscheyden boecken geschreeven op schillen van boomen, eenighe geschreeven op bladen van syde, eenighe met sulcken vreemt geschrift, dat het niemant - wie deselve siet - ken leesen.’ (126) Later verdiept Ruysch zich hier in een manuscript van Boccalini.
Na deze excursie in het wereldse centrum van Florence, gecreëerd ten pleziere en gerieve der familie Medici, past nu een verkenning van het religieuze middelpunt der stad, de Santa Maria del Fiore en onmiddellijke omgeving. De Dom met zijn hoge ‘appeltooren’ is ‘seer costelyck’ schrijft Jan Merens; de Dom, beaamt Van Aerssen, is ‘une des belles pieces qui soyent au monde’; de Dom, zo valt Ruysch hem bij, is ‘admirabel’ en daarmede bedoelen zij de kostbare buitenbekleding van drie kleuren marmer. Het interieur acht dit drietal toeristen veel minder aanzienlijk, maar anderen vinden daar nu juist de vele apostelfiguren wèl ‘admirabel fraey’. De Campanile van de Dom met haar marmer en sierlijke pilaartjes deelt in alle ‘verwondering’. In de kleine San Giovanni, de doopkapel tegenover de Dom, acht iedereen de bronzen deuren van ‘Lorenzo Gilberti Florentin’ weergaloos ‘costelijck’ en tekent hierbij vlijtig Michelangelo's commentaar aan: ‘O janua digna Polo.’ Zoals ook elke toerist verderop in de stad in de Santa Croce ‘lanck omtrent hondert ende tsestich treeden’, vol prachtige altaarstukken, Michelangelo's tombe weet te vinden.
In de Santa Maria Novella, niet geheel ‘opgemaeckt’, evenmin als de meeste kerken in de stad, zoals Aernout Hooft had geconstateerd, hadden de Van der Dussens vooral oog voor de schilderijen. Was dat hun manier om de fresco's van Ghirlandaio en vele anderen aan te duiden? In de ‘Nonciado’ (de Santissima Annunziata) verbaast Van Buchell zich over de enorme hoeveelheid votieftafeltjes, ‘teyckens van danckbaerheyt’ aan de Heilige Maagd, die Jan Merens in al hun bizarre aard en verscheidenheid opsomt.
Naar de San Marco gaat men niet om er in het klooster de angelieke fresco's te zien, maar om daar in de apotheek ‘quint essence’ te kopen. De toerist loopt argeloos voorbij aan de beelden in de buitennissen van de Or San Michele, maar op de Piazza della Signoria is hij niet weg te slaan en weet niet wat het eerste te noemen: Michelangelo's David voor de ingang van het Palazzo Vecchio? Het
‘fonteynwerck’ midden op het plein? Of de Sabijnse maagdenroof, van alle beelden in de Loggia dei Lanzi het meest genoemde en ook het hoogst geroemde werk van Giambologna, een kunstenaar wiens werk in zeer hoog aanzien stond. Loffelijker getuigenis dan deze beeldhouwer uitgereikt kreeg voor zijn ruiterstandbeeld van Cosimo I op deze piazza: ‘seer natuerelijck, costelijck ende constich’, is in die tijd waarschijnlijk niet denkbaar.94
In Florence danken de toeristen ook hun amusement goeddeels aan de ‘heerlijckheit’ der Medici. ‘Vermaeckelijck’ is een bezoek aan het ‘Serail van des hertoghs beesten’, de wilde-dierentuin bij het palazzo Pitti; zeer ‘vermaeckelijck’ is een rit in de omstreken, waar tussen de vele fraaie landhuizen van Florentijnse adel en rijke kooplieden ook de groothertogelijke familie verschillende speelhuizen bezat. Het was hier voor de toeristen ook heerlijk wandelen en picknicken en voor de fortuinlijken onder hen, op invitatie van de groothertog, ook goed jagen. Voor hen allen was een wandeling door de tuinen van de Villa Pratolino met ‘'t heerlijckst waterwerk, dat in Europa bekent is’ een belevenis. De beschrijving, tot in minutieus mechanisch detail, van alle tableaux en de bedriegertjes, van de fonteinen, grotten en het waterorgel is bij Jan Merens in goede handen. Hier is zelfs Hooft uitvoerig! In later jaren wanneer ‘Pratolijn’ er onverzorgd bijligt, gaat ‘men’ liever naar Poggio Imperiale, het buitenhuis van de hertogin, terwijl Van Aerssen, groot liefhebber van lusthoven, nog een tournee maakt langs een viertal andere buitenplaatsen der familie Medici.
Daar, in Poggio Imperiale, gelegen ten zuiden van Florence, wordt de aantrekkingskracht van ‘L'Alma Citta di Roma’ onweerstaanbaar. De toerist neemt zijn ‘danckbaerlijck affscheyt’ van het schone Florence en rijdt, hetzij met een ommetje over Siena, ofwel linea recta over Viterbo naar Rome.95
De inkomst in de Eeuwige Stad door de Porta Prima is een lang verbeid ogenblik. Een historisch moment, dat Van Buchell een bewogen ‘O!..., oculi beati’ ontlokt. Gezegend de ogen die nu werkelijk de ‘Mirabilia’ van Rome mogen aanschouwen! - Maar wáár te beginnen? En wié te volgen? Want ‘l'Infinità di Maraviglie di quella Città mi rende mutulo, et timoroso per Incominciarle à narrare’.96
Het is misschien maar het beste om in grote trekken de indeling aan te houden van de destijds zeer populaire reisgids ‘Roma antiqua et moderna’ en dus te beginnen met dié bezienswaardigheden die voor vreemdelingen komende uit het Noorden, nieuw waren: de antieke, waarvan zij tot dusverre op hun reizen nog
maar een enkel monument gezien hadden.97 Ook al trok de toerist, gaande over Romes zeven heuvelen, zich op zijn dagelijkse verkenningstochten niets aan van zo'n afpaling naar tijdperken. Hij bedreef voortdurend chronologische acrobatiek, een historische lenigheid die hem, gezien zijn berichtgeving, blijkbaar geen enkele moeite kostte. Het is niet zo moeilijk om een lijst op te stellen van wat er in de zeventiende eeuw aan overblijfselen van Roma antiqua allemaal te zien was en gezien wèrd, maar het is minder eenvoudig om daarvan een representatieve doorsnee te geven. Ook de toeristen zelf hadden met dat beschrijven problemen.
Jan Merens die in de zomer van 1600 in één week Rome ‘deed’, doorkruiste de stad, enthousiast en energiek als steeds. Over het eigentijdse Rome schrijft hij uitvoerig en van de oude stad heeft hij ook ‘meest alle de antycke dingen’ gezien, ten bewijze waarvan hij een opsomming bijvoegt.98 En dat is dan dat. Het staat immers allemaal te lezen in zijn exemplaar van de ‘Cose meravigliose’. Ook Hooft maakt een staatje. Hij moet in die december en januari-maanden van 1599/1600 ten naaste bij alles gezien hebben dat er in zijn tijd nog aan antieke gebouwen overeind stond en wat er in recente jaren aan kunst was blootgelegd. Maar van commentaar onthoudt hij zich. Pas maanden later geeft hij iets van zijn gevoelens prijs in een brief aan zijn Amsterdamse dispuutgenoten. Diepe teleurstelling spreekt er uit; slechts troosteloze ruïnes, gedeeltelijk onder het zand bedolven of door onkruid overwoekerd, herinneren aan het glorieuze Rome van weleer.99
Ruim tachtig jaar later stelt Wicher Pott zijn familie een lezing over Rome in het vooruitzicht en met die belofte acht hij zich ontslagen van de gebruikelijke verplichting tot schriftelijk verslag. Maar dat is acceptabeler dan het werk van de heer van Dijksterhuis, die het oude Rome in één en het ‘tegenwoordige’ in krap vier bladzijden opsommingen afdoet, (ff 86-93)
Nu blijven er nog zes dapperen over die wèl rapporten schrijven. Van Buchell, wiens belangstelling gelijkelijk uitgaat naar alle tijdperken en facetten van de geschiedenis der stad. Aernout Hooft, die met zijn korte zinnetjes soms voor raadsels zorgt. Van Aerssen, met gepolijst proza, persoonlijk commentaar en een uitgesproken mening. Ruysch, die ook in Rome in uitvoerigheid vertelt over zijn druk bezette dagen, toeristisch zogoed als sociaal. Van Eminga, wiens systematiek en belezenheid meer imponeren dan zijn schrijftalent. En tenslotte de Van der Dussens, wier motto voor alles ‘volledigheid’ is. Die lijkt hun in Rome het beste
gewaarborgd door het aantrekken van een vakspecialist op hun grand tour der Romeinse antiquiteiten. Van de diensten van zo'n antiquario, die steeds ter plaatse explicatie gaf, maakten vele toeristen dankbaar gebruik. Constantijn Huygens jr. zag het oude Rome onder leiding van Hans Hoch, een vreemdelingengids die vooral bij de Duitse adel in trek was.100 Ruysch nam een antiquario in dienst die met kop en schouders uitstak boven zijn collegae, die volgens Coenraad een stelletje ‘ignoranten’ waren. Voor zijn moeite toucheerde zo'n gespecialiseerde cicerone een pistool per cursist, een honorarium gelijk aan hetgeen een taal- of andere ‘kunstmeester’ toekwam.
Van de ‘antiquitez tant fameuses’ moest ieder toerist, ook Van Aerssen die geen liefhebber was van oudheden en speciaal de Romeinse onaanzienlijk vond, toch minstens een viertal locaties gaan zien. Het was dan het gemakkelijkste om te beginnen met Colosseum en Pantheon, omdat deze monumenten nog zo goed geconserveerd waren en daardoor veel minder vergden van een vermogen tot ‘verbeelden’ van het oorspronkelijke aanzien dan elders het geval was bij schamele resten. Het Pantheon ontlokte de beschouwers onveranderlijk kreten van bewondering en ontzag. Zelfs Van Aerssen moest toegeven dat architectonisch het Pantheon een onnavolgbare prestatie was. Daarbij hield men het gebouw voor intact en ervoer men de verhoudingen in de afmetingen als uniek: ‘Het raerste’ van deze Santa Maria Rotunda vond Aernout Hooft dat de kerk ‘soo rondt is, van alle kanten, dat de halve diameter aen alle sijden en om hoogh oock raekt. Wij saegen hier 't graf van dien vermaerden schilder Raphael Urbino’. Na een tweede bezoek vermeldt hij nog historische bijzonderheden van de met lood gedekte koepel. (f 78r)
Bij het Colosseum, in Van Buchells ogen ‘pergratum spectaculum’, zijn Aernout Hooft en vooral Ruysch ontzet over de ruïneuze toestand waarin dit ‘onbegrijpelijke’ gebouw verkeert. De Romeinen zelf zijn zich de oorzaak daarvan nog zeer goed bewust en wijten dat, zoals Ruysch' antiquario hem uitlegt, aan de ‘onversaedelijke gierigheyt van 't Nepotissmo’; er zou in het Colosseum zomin als elders in Rome nog een steen op de andere staan van de klassieke bouwwerken, wanneer het Romeinse volk zelf zich niet had opgeworpen als conservator.101 Een verhaal dat honderd jaar tevoren Van Buchell in nagenoeg dezelfde bewoordingen was verteld.
Frans van Eminga concentreert zich in zijn bijdrage tot de literatuur over het Colosseum geheel op de historie en het gebruik van het Amphitheatrum Flavii Vespasiani: ‘...deese fameuse bou is ghenoemt Collisee ende is ghebout gheweest int jaer Christi 65 door die keijsers, Vespasianus, ende Titus, naer die

20. ‘...agter 't Capitool langs de Via Sacra is het vol Antiquiteijt...’ (van der Dussen f 50r).
destructie van Iherusalem Leest Lipsius, van die Amphiteatrum spreeckende op deese plaetse representeerde men drie soorte van spectakels’, enzovoort, enzovoort. (f 25v)
Op het Forum Romanum ontwart hij, evenals Van Buchell, de historische knopen van oorspronkelijke bestemming en latere usurpatie, hierin voorgelicht door een keurtroep van literaire autoriteiten.
Aernout Hooft en de Van der Dussens trachten het probleem van beschrijving op te lossen met verslagen die meer doen denken aan inventarislijsten van bruikbaar restauratiemateriaal dan aan een beschrijving van dit levendigste van alle Romeinse fora. Weer andere toeristen volstaan met de mededeling dat zij alle antiquiteiten die op het Campo Vaccino staan, gezien hebben. Maar allemaal hebben zij gelopen van de ‘magnificque Triumph Poort van Septimius Severus’ tot die van Titus met ‘Triumphen, Candelaars, en basreliefs, Ook den Arent die sijn Siel na den hemel voert etc.’.102 Steeds weer zullen zij op hun wandeling tussen de wirwar van ruïnes getracht hebben de brokstukken marmer, zuilsegmenten en boogaanzetten hun oorspronkelijke bestemming toe te dichten. Daarin had de antiquario een groot aandeel.
Juist op het Forum en het Capitool, het hart van het oude Rome, dat geheel tabula rasa was, gaven de experts uitvoerige colleges oude geschiedenis. Op de Palatijn was uitleg al even onmisbaar; ook hier moesten toehoorders gezegend zijn met een royaal vermogen tot fantasie. Speciaal bij een wandeling door de tuinen van de Villa Farnese, waar de gidsen uitlegden hoe men hiér het paleis van Augustus lokaliseerde, dáár de beroemde bibliotheek en ginds de woning van Cicero meende te kunnen plaatsen. Dan verzuimde geen antiquario zijn kudde te brengen op de plaats van het ‘domus aereus’ van Nero, want daar ter plaatse zijn ‘considerabele ruinen’ en was er tenminste iets te zién. Hier, op de Palatijn waren archeologische verrassingen nog iedere dag mogelijk. De familie Farnese verpachtte achter haar villa percelen grond, waar liefhebbers naar hartelust archeoloogje konden spelen. De Van der Dussens zagen hier een ‘amateur’ aan het werk: ‘wij sagen daar uyt komen eenige stukken van Colommen, Orientaalse Steen etc. die de gront toekomt accordeert met een liefhebber, tegen soo veel bij de roe, voor 't omvroeten, deze ondergaat dan het hasard of medailles of beelden kan vinden, om de onkosten goet te maken.’ (f 57v)
Vroeg of laat in zijn romeinse tijd liet de toerist zich naar de Via Appia rijden, het derde in de reeks van belangrijke ruïnecomplexen. Dáár diende de bezoeker niet alleen zijn klassieken, maar ook zijn bijbel paraat te hebben, Roma antiqua en Roma sacra zijn hier immers ten nauwste verweven. Opnieuw was hulp van antiquarii en custoden in het verhalend determineren en reconstrueren onont-
beerlijk. Als belangrijkste attracties beschouwden de toeristen hier de catacomben, de St Sebastiaan kerk en het ‘Sepulchrum Metella.’103
Onder leiding van een gids (zonder ‘guide’ verdwaalt men onherroepelijk) wandelt en kruipt Ruysch een uur lang rond in de zogenaamde Catacomben van St Calixtus. De Van der Dussens verkennen op dezelfde manier de catacomben dichtbij de San Lorenzo fuori le mura waar zij attent gemaakt worden op de christelijke symbolen gekerfd in verschillende grafstenen. Als zij een aantal dagen later op de Via Appia zijn, houden zij Roma subterranea voor gezien en bepalen zich daar tot de bovengrondse ruïnes. De gids wijst hun, op de plaats waar vroeger de Priapus-tempel stond, de kerk van St Sebastiaan; men gaat er binnen om tombe en ‘statue’ van de heilige en diens relikwieën te zien. Dan brengt de leidsman zijn gezelschap naar de plek waar de lichamen van Petrus en Paulus gevonden zouden zijn. Even verder op de Via Appia zijn resten te zien van enkele Romeinse tempels. Tot besluit komen dan weer de ‘m