|
|
|
| |
| | | |
Het Dagboek
Met hét Dagboek bedoel ik de 2043 bladzijden die ik van 29 oktober
1918 tot 23 februari 1923 vol schreef. Eigenlijk eindigde het al op 24 december
1922. Dan volgde nog op 19 februari 1923 de aankondiging dat ik er een punt
achter zou zetten - vijf wanhopige bladzijden, en ten slotte op 23 februari 1923
het verslag van het eindexamenfeest. Pas op 24 augustus 1939 ben ik weer aan
zoiets begonnen. Eigenlijk geen dagboek. Of een minder pretentieus dagboek. (Het
spijt me nu dat ik me niet eerder tot deze grotere bescheidenheid heb kunnen
brengen.) De periode van 17 februari tot 31 maart 1942, toen ik op de
Weteringschans zat, is uiteraard achteraf ingevuld. Dit dagboek sluit op 13 mei
1944 met de mededeling dat ik mijn spoorkaartje naar Meppel had afgehaald. Ik
werd tegen elke verwachting in goedgekeurd en zat dus tot Dolle Dinsdag in het
kamp van Havelte toen ik de benen (of eigenlijk de laatste trein) nam. Inmiddels
was ik op 18 september 1942 met een parallel dagboek begonnen, of veeleer met
een verzameling gedachten en gedichten. Ik heb het toen meegenomen naar Havelte.
Een soort document. Je ziet er je gedachten en gedichten echt in groeien - maar
dat hoort onder ‘Letteren’. Ook het dagelijks kampleven is
erin gedocumenteerd. Het eindigt op 5 augustus 1946. Op 11 november 1946 deed ik
een nieuwe poging en nog eens op 13 mei 1947. Waarom lukte het me niet meer?
Straks zal het duidelijker worden.
Maar met hét Dagboek bedoel ik hier wat ik als dertienjarige, even
vóór de wapenstilstand, begon en met mijn eindexamen
afsloot. Het dagelijks gebeuren op school, in de kleine stad en in de grote
wereld is erin gedocumenteerd, mijn reizen zijn er, mijn schaaksuccessen en
-wansuccessen, het weer, mijn astma, mijn literatuur, mijn letter-, film-,
toneel- en muziekkundige kritiek, | | | | mijn filosofie, mijn hoop en
wanhoop, mijn liefde en mijn belijdenissen. Op 1 november 1921 ging ik van het
Gotische tot het Latijnse schrift over. Op de tweede verjaardag van mijn
Dagboek, 29 oktober 1920, begon ik het met ‘du’ toe te
spreken - een vertrouwde vriend als het ware.
Als ik het Dagboek nu, zestig jaar later, herlees, valt het me op hoeveel ik, met
mijn goede geheugen, vergeten ben. Niet alleen met het Dagboek, maar van de
oudste tot de jongste correspondentie is dat het geval. Met
‘hoeveel’ bedoel ik ‘praktisch
alles’. Dan verbaast het me weer dat ik toch het een en ander
onthouden heb - van wat voor me leeft alsof het nu is gebeurd tot wat vaag uit
de diepte van mijn geheugen komt opdagen. Nee, niet het hoeveel of hoe weinig is
het punt, maar het wát. Waarom ik deze of gene onbenulligheid scherp
(of minder scherp) onthouden heb en veel wat me nu belangrijker lijkt, vergeten,
totaal vergeten ben. Hóe ik die keuze heb gemaakt - dat is wat er
vreemd aan is. Waarom dít onthouden en dát vergeten?
Mensen die je nog voor je ziet en namen die je niets zeggen. Is het zoals soms
met kostbare voorwerpen die je zo goed en veilig wegstopt dat je ze niet meer
kunt vinden? Neem bij voorbeeld Paul Östreichs - de
‘entschiedene Schulreformer’ - lezing op 24 januari 1922
in Luckenwalde. Ik herinner me nog precies de plaats waar ik zat, twee rijen
naar links achter Krassowski, de voorzitter van de Volkshochschule die echter
toen midden in het publiek zat. Ik herinner me ook het onderwerp dat ik immers
al uit de literatuur kende. Wat ik me niet herinnerde, wat ik pas uit het
Dagboek opdeed, is de grote indruk die de mens Östreich op me maakte.
Omdat het maar een oppervlakkige indruk was, of omdat ik hem zo diep had
weggestopt? Toen ik eens voor een radioprogramma gevraagd werd om te spreken
over mensen die me beslissend hebben beïnvloed, ben ik er na urenlang
overleg met de radiomedewerkers niet uitgekomen. Ik heb mensen ontmoet met wie
ik heerlijk heb gestoeid, mensen van wie ik heb gehouden, mensen aan wie ik veel
heb te danken, mensen tegen wie ik heb opgekeken, die ik heb hooggeschat om hun
intellectuele of morele kwaliteiten, maar hoe weet je of ze je beslissend hebben
beïnvloed? Dramatische gebeurtenissen vind ik in mijn | | | |
Dagboek én in mijn geheugen aangetekend - ik bedoel belevenissen,
gedachten, gevoelens, die me toen diep hebben aangegrepen en die ik nu, in het
geheel van mijn leven gezien en gerelativeerd, veel minder of geheel geen
betekenis toeken. Als vijftienjarige, lichamelijk nog onder de maat, was ik
geestelijk al wat ik nu ben - er is ontzaglijk veel bijgekomen, maar in wezen is
er niets veranderd. (Misschien was het al op nog jongere leeftijd het geval,
maar dat is uit het Dagboek niet op te maken.)
Wellicht is dit niet zo verrassend ‘So musst du sein, dir kannst du
nicht entfliehen’. Wat me wel verrast heeft, is dat ik me, vijftien
à zestien jaar oud, volkomen doorzie, weet wie en wat ik ben, wat ik
kan, waartoe ik (niet) in staat ben. Ik doorzie mezelf, dat wil zeggen precies
zoals ik me nu doorzie, en ondertussen heeft mijn leven en werk voor mezelf
bevestigd dat ik mezelf toen goed heb doorzien. Let op de slagen die ik om de
arm houd. Het is geen objectief beeld van mezelf dat ik meen te kennen en te
herkennen, het is mijn beeld. Zó heb ik mezelf gezien en
zó zie ik me nog en zó wordt mijn kijk door mijn leven en
werk bevestigd volgens mijn inschatting. Het is dan ook het enige waarvan je
zeker bent, zeker kunt zijn. Hoe anderen je zagen en zien - wie kan, durft, mag
het je vertellen?
Wat me telkens weer verbaast wanneer ik in het Dagboek blader, is hoe je zo tegen
jezelf kon liegen. Nee, het verbaast me niet. Ik tutoyeer het Dagboek. Het is je
vriend, je beste vriend, je vertrouwde, aan wie je alles mag biechten. Maar het
is toch een vreemde. Ik lieg niet tegen mezelf, maar tegen die vriend die
Dagboek heet.
Is dat een belijdenis - dit verhaal over het liegen? Nee, er valt hier niets te
belijden. Het is alleen maar constateren. Het is zo, omdat het niet anders kan.
Zodra je over jezelf reflecteert, reflecteer je over een ander.
‘Liegen’ is een hard woord. Laten we zeggen ‘de
onwaarheid spreken’. Maar dat was het niet. Er staat geen onwaarheid
in mijn Dagboek. Wat erin staat is de halve waarheid. De grotere of kleinere
helft, de zwaardere of de lichtere - ik laat het in het midden. Ook als ik het
niet uit mijn herinnering wist, zou ik het kunnen bedocumenteren. Hoe vaak
gebeurt het niet dat ik aan mijn | | | | vriend, het Dagboek, biecht:
‘Dat heb ik je toen verzwegen.’
Goed, dan wordt berouw getoond. Maar ook het berouw is maar de halve waarheid. Er
is één helft die totaal ontbreekt. Wanneer ik mezelf
doorzie, mij inschat op wat ik ben, op wat ik kan, vergeleken bij wat ik zou
moeten zijn, kunnen zijn, in al die vlagen van - terechte - zelfkritiek,
verzwijg ik hardnekkig één ding: het geloof in mezelf, de
stoute dromen, wensen en verwachtingen. Zou het anders kunnen? Zelfs aan je
beste, je meest vertrouwde vriend, kun je dát niet vertellen. Met je
geloof in jezelf op je lippen ben je een snoever en pocher. Op je lippen, maar
ook op papier. Misschien ziet de wereld me, bij alle voorzichtigheid in dezen,
toch zo. Ik heb nooit uitgeblonken in bescheidenheid, en ook in het Dagboek
verneder ik me niet. Mijn zelfanalyse - ik zei daarstraks
‘zelfkritiek’ - is niet nederig, gelukkig ook niet
hoogmoedig. Ik zeg wat ik over mijzelf denk. Ik verzwijg wat ik in me over
mijzelf voel. Is het een leugen?
Maar dit is nog niet alles. Het Dagboek is literatuur en daarom verdient het niet
te worden gepubliceerd, want als literatuur is het slechte literatuur, pril
jeugdwerk. Ik hoef me er niet voor te schamen, zeker niet voor stijl en
compositie. Maar literatuur is meer dan alleen stijl en compositie.
Natuurlijk, niet het hele Dagboek is literatuur - voor een groot deel is het
beknopt verslag doen van het dagelijks gebeuren. Maar als ik boeken lees, toneel
en schilderijen bekijk, naar muziek luister en filosofeer, is het veelal
literatuur. En de neerslag van dramatische gebeurtenissen, de belijdenissen,
zijn literatuur, reflecties van iemand die zijn woorden goed weet te kiezen.
Belevenissen, diepe, echte, ware belevenissen, maar meteen op een hoger,
literair, niveau getild. Niet hoogdravend. Integendeel. Ook toen al heb ik me
beijverd zo eenvoudig mogelijk te schrijven. ‘Zoals je
spreekt.’ Maar dat is het hem juist. Niemand schrijft zo simpel dat
het lijkt alsof hij spreekt. Echt spreken, dat is kitsch, dooddoeners,
clichés. En waar je dat in mijn Dagboek tegenkomt (bij voorbeeld in
een liefdesscène) kun je er top op zeggen dat het echt is. Echt is
alleen het cliché - de rest is literatuur. Het hoort dus onder
‘Letteren’ thuis, maar dan onder die letteren die je beter
verzwijgt. Ik schrijf immers geen | | | | belijdenissen en ook dit is geen
belijdenis. Mijn jeugdwerk is geen jeugdzonde. Een mooi woordspel: geen jeugdzonde, maar natuurlijk wel een jeugdzonde.
Waarom maak ik er zoveel woorden aan vuil? Mijn relaas daaromtrent is niet
onbenulliger dan wat ik anders hier heb geschreven. Toen ik dat dagboek begon,
stond er niemand achter me te fluisteren ‘Schrijf dat op,
Hans’. Het begon met verslagen en het eindigde met belijdenissen. Met
belijdenissen, die ik toen al doorzag als literatuur of pretenderend dat te
zijn. En toen ik er genoeg van had, stopte ik ermee. Toen ik later opnieuw
begon, waren het verslagen en de literatuur bleef er gescheiden van - als
literatuur en niet als belijdenis.
Er blijft nog één vraag: waarom ruim je het niet op zoals
je deed met je kilo's Duitse poëzie? Om er af en toe in te lezen? Dan
komt er toch een ogenblik om het te vernietigen. Welnu, als ik het vernietig,
zou een nageslacht zich dan niet gaan beklagen: ‘Wat
jammer!’ Of zullen ze zeggen: ‘Hij heeft het vernietigd om
ons te beletten na te gaan dat het inderdaad zo waardeloos was als hij in zijn
valse bescheidenheid beweerde.’ Nee, dat heb ik niet gezegd: dat het
waardeloos was. Het was erger: het was niet wat het pretendeerde te zijn, of
liever, wat men zou kunnen denken dat het pretendeerde te zijn.
Het ergste dat me kan gebeuren als later iemand in het Dagboek snuffelt, is dat
hij zegt: ‘Die is niet dood. Die heeft nooit geleefd.’
|
|
|