'k Wil rijmen wat ik bouw


auteur: Arie-Jan Gelderblom


bron: Arie Jan Gelderblom (samenstelling), 'k Wil rijmen wat ik bouw. Twee eeuwen topografische poëzie. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1994  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 134]

Beredeneerde literatuurlijst

De geschiedenis van de in het Latijn geschreven stedelof in de Europese literatuur is behandeld door F.P.T. Slits: Het Latijnse stededicht. Oorsprong en ontwikkeling tot in de zeventiende eeuw, Amsterdam 1990, dissertatie Nijmegen. Constantijn Huygens' Stede-stemmen en Dorpen is uitgegeven door C.W. de Kruyter als deel 223 in de serie Klassiek Letterkundig Pantheon, Zutphen [1981]. De inleiding bevat veel informatie over de achtergronden en de stilistische aankleding van het genre. Een psychokritische interpretatie van stedemaagden in literaire teksten bij A.J. Gelderblom: ‘De maagd en de mannen’, in: Mannen en maagden in Hollands tuin. Interpretatieve studies van Nederlandse letterkunde 1575-1781, Amsterdam 1991, p. 78-93, dissertatie Utrecht.

Rijk aan materiaal, maar methodisch achterhaald is de studie van T.J. Beening: Het landschap in de Nederlandse letterkunde van de renaissance, Nijmegen 1963, dissertatie Nijmegen. Beening probeert vooral expressieve landschapsliteratuur te vinden die hij wil vergelijken met de gevoelvolle landschappen uit de schilderkunst van de Nederlandse Gouden Eeuw. Voor de formele vereisten van literaire genres, voor het didactisch-moraliserende aspect van een landschap-in-letters en voor de uitbeelding van geformaliseerde natuur (polders, tuinen) heeft hij weinig oog. De voorgeschiedenis en de ontwikkeling van de Nederlandse hofdichten zijn beschreven door P.A.F. van Veen: De soeticheydt des buyten-levens, vergheselschapt met de boucken. Het hofdicht als tak van een georgische literatuur, Den Haag 1960 of tweede druk Utrecht z.j., dissertatie Leiden. Een aanvulling op Van Veen geeft W.B. de Vries: ‘Toetsing van een genre: vier onbekende achttiende-eeuwse hofdichten’, in: De nieuwe taalgids 78 (1985), p. 110-126. Dezelfde auteur signaleert de bijzonderheid van Constantijn Huygens als hofdichtschrijver:

[p. 135]

Hofwijck, lusthof en speelweide: Huygens' spel met het georgische genre’, in: De nieuwe taalgids 71 (1978), p. 307-317. Zie ook W.B. de Vries: ‘12 februari 1642: Huygens wijdt zijn nieuwe buitengoed Hofwyck in’, Essay 42 in Nederlandse literatuur, een geschiedenis, red. M.A. Schenkeveld-van der Dussen e.a., Groningen 1993, p. 237-242. Een politiek-maatschappelijke interpretatie van hofdichten is geformuleerd door A.J. Gelderblom: ‘Observaties op de buitenplaats’ in het hierboven genoemde Mannen en maagden in Hollands tuin, p. 120-136. Voor het literaire landschap als instrument van morele educatie en voor de dichter Snakenburg leze men M.A. Schenkevelds hoofdstuk ‘Moral landscapes’ in haar studie Dutch literature in the age of Rembrandt. Themes and ideas, Amsterdam etc. 1991, p. 93-113. In het Nederlands verschenen als Nederlandse literatuur in de tijd van Rembrandt, Utrecht 1994. Erik de Jong heeft de werkelijkheid van de Nederlandse buitenplaatsen gedocumenteerd en toegelicht in zijn Groningse proefschrift Natuur en kunst. Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur 1650-1740, Amsterdam 1993.

Het gewichtige genre van het stroomdicht kan zich niet verheugen in grote belangstelling bij de literatuurhistorici. Over Antonides van der Goes als stroomdichter is in recente tijd weinig geschreven. Men raadplege W.A.P. Smit: ‘Iets over het derde boek en over de bronnen van Antonides' Y-stroom’, in: Twaalf studies (Zwolle 1968, p. 92-98). De Ysselstroom van J. Norel werd in 1978 in facsimile herdrukt door uitgeverij De Bosbes in Oosterbeek.

Ook over de kleine letterkundige genres met topografische inslag bestaat betrekkelijk weinig secundaire literatuur. De gelegenheidsgedichten zijn besproken door M.A. Schenkeveldvan der Dussen: ‘Poëzie als gebruiksartikel: gelegenheidsgedichten in de zeventiende eeuw’, in: M. Spies (red.): Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening, Groningen 1984, p. 75-92. Over de ‘invallende gedachten’, in het bijzonder bij

[p. 136]

Lodenstein, is voor het eerst gepubliceerd door K. Porteman: ‘Zeventiende-eeuwse dichters in last’, in: Dirk de Geest en Marc van Vaeck (red.): Brekende spiegels. Beeldveranderingen in de Nederlandse literatuur, Leuven 1992, p. 43-57, in het bijzonder p. 53-57.