auteur: Arie-Jan Gelderblom
bron:
Arie Jan Gelderblom, ‘De maagd en de mannen. Psychokritiek
van de stadsuitbeelding in de zeventiende en achttiende eeuw.’ In: Arie
Jan Gelderblom, Mannen en maagden in Hollands tuin. Interpretatieve studies
van Nederlandse letterkunde 1575-1781. Amsterdam, 1991, p. 78-93.
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2001 dbnl / Arie Jan Gelderblom

|
|
| | | | | |

Amsterdamse stedemaagd op waterkoets. Gravure van A.
Blotelingh bij de stadsbeschrijving door T. van Domselaar. Gemeentearchief,
Amsterdam.
| | | | | |
De maagd en de mannen
Psychokritiek van de stadsuitbeelding in de zeventiende en
achttiende eeuw
In Joan Blaeus grote atlas
Toonneel der steden van de Vereenighde Nederlanden, met
hare beschrijvingen van 1652 staat in het hoofdstuk over
Dordrecht een gedicht van
Jacob Lescaille afgedrukt:
O herelijke MAAGD! Vorstin der ed'le steden
Van 't machtig Holland, bron van wijsheid, die de rede
Uw plaats geeft, als gij 't woord 't eerst van uw' zust'ren
doet.
O moeder van de deugd, van kunst en hoge moed!
Beschutster van het land, verwinster in het strijen,
Vreemaakster in geschil, en pronk der oude tijen,
Sieraad der graven, en vertoonster van haar pracht,
Bewaarster van het recht, schat van des oorlogs kracht.
Hoe blaakt mijn ziel, om u, naar uw waardij, te prijzen!
Maar wie kan u de eer, die gij verdient, bewijzen?
(Blaeu 1966 I: fol. ij A2 d)
1
De gebruikers van de atlas in 1652 zullen weinig moeite hebben
gehad, evenmin als poëzielezers van dit moment, de aangesproken maagd te
identificeren als een stad. Inderdaad, Lescaille bezingt Dordrecht, de oudste
stad van Holland, wier afgevaardigden in de Staten het eerste recht van spreken
bezaten (regel 3). Een dergelijke identificatie (vrouw = stad) kan kennelijk
zonder moeite tot stand komen, hoewel de twee afzonderlijke termen strikt
genomen qua betekenis nogal van elkaar verschillen: een vrouw is een levend
menselijk individu, een stad een levenloos conglomeraat van, onder meer,
gebouwen en instellingen. Maar de stad, weten we, kan tot vrouw worden door een
metaforisch procédé van personificatie. Behalve in de literatuur
opereert dit ook in de beeldende kunst. Het aantal gebeeldhouwde en
geschilderde stedemaagden is legio.
De vanzelfsprekendheid waarmee we een vrouw als deze interpreteren
als een stad is echter niet probleemloos. Waarom mag de ene maagd wel een stad
personifiëren en de andere niet? Literatuur en beeldende kunst kennen
talloze maagden die nimmer een stad voorstellen. Vondels drama
Maagden alleen al heeft er elfduizend en een.
Waarom is het niet aannemelijk dat Ursula en de haren een uitbeelding zouden
vormen van Keulen en elfduizend andere steden, maar denken we bij
Lescailles maagd onmiddellijk aan een Hollandse stad?
| | | |
In de eerste plaats speelt uiteraard de context waarin
het gedicht zich bevindt een zekere rol. De plaats in een beschrijvend
hoofdstuk van een atlas maakt een geografische interpretatie al zeer
waarschijnlijk. Vervolgens biedt de dichter als personalia tal van
topografische en historische gegevens aan die op deze bepaalde stad slaan en zo
de identificatie ondersteunen. Maar tenslotte durven we onze uitleg ook te
geven doordat we weten dat er teksten bestaan waarin een vrouw en een stad
identiek mogen zijn. In een drama is zoiets not done zonder
nadere uitleg, maar de conventies van bijvoorbeeld een stededicht bevorderen
juist de personificatie stad = vrouw. De bijbehorende retorische figuren van
aanspreking en ondervraging door de dichter of van het persoonlijk spreken door
de stad verhevigen de levendmaking. Het gemak waarmee we dit allemaal herkennen
en beamen is voornamelijk te danken aan onze kennis van de literaire traditie.
Als het ware automatisch maken we een keuze uit de eeuwenoude modellen van de
genreleer: in het stededicht mogen we de maagd een stad laten zijn. Een oude
maar levenskrachtige code en een lange traditie van intertextualiteit, waarin
steeds weer nieuwe teksten over steden elementen en conventies van oudere
teksten wisten te assimileren, hebben onze uitleg gestuurd. Voor de picturale
kunst is, mutatis mutandis, eenzelfde betoog te formuleren.
Toegegeven, deze interpretatie maagd = stad is buitengewoon
waarschijnlijk, te meer omdat ermee recht wordt gedaan aan het
referentiële aspect van literatuur. De tekst geeft nu namelijk een
uitbeelding van iets dat in de werkelijkheid bestaat.
Lescaille dicht over de reële stad
Dordrecht. Maar heeft zo'n uitleg daarmee het alleenrecht
verdiend?
Vanuit de semiotiek van de literatuur is er in de laatste decennia
met klem op gewezen dat literatuurwetenschappers niet zouden moeten zoeken naar
de ‘ware’ betekenis of naar telkens weer nieuwe betekenissen van
teksten, maar dat zij zouden moeten streven naar een beter inzicht in de
procédés waarmee gebruikers betekenissen aan teksten toekennen
(Culler 1981: passim). Een vrij gangbaar procédé is hierboven
gedemonstreerd: we interpreteren een vrouw in stededichten als een
personificatie en beschouwen haar als een representatie van een mogelijke
werkelijkheid, namelijk een stad. Een dergelijke rechtstreekse referentie
noemen we een denotatie. De denotatie geeft haar in het hier gebruikte
voorbeeld de meest waarschijnlijke betekenis: Lescailles maagd is de stad
Dordrecht.
De semiotiek onderscheidt echter naast de denotatie ook de
connotaties: veel implicietere tweede (en volgende) betekenissen, die
overigens niet vaag of willekeurig zijn en in een tekst systematisch in
onderlinge samenhang kunnen worden opgespoord (Van Luxemburg e.a. 1983: 59). De
connotaties stemmen evenwel op het eerste gezicht niet altijd overeen met de
denotaties. De wederzijdse betekenissen kunnen botsen. De heersende premisse
dat een literair kunstwerk een eenheid is, waarbinnen alles met alles
samenhangt en inwendige tegenspraak is uitgesloten, maakt dat we bij een
dergelijk conflict automa- | | | | tisch kiezen voor de denotatieve
betekenis, om tegelijkertijd de daarmee eventueel strijdige betekenis van de
connotaties te veronachtzamen. Pas door de eenheidsconceptie los te laten en te
durven accepteren dat teksten verschillende, zelfs strijdige, betekenisvelden
tegelijkertijd kunnen bevatten, zijn we in staat de veelheid van connotaties
fundamenteel te analyseren. Toegelicht aan Lescailles lof van
Dordrecht in de atlas van
Blaeu kan dat als volgt verlopen. Er is een maagd, die
de stad Dordrecht denoteert. Tevens heeft zij, als maagd, de connotaties
‘vrouwelijk’, ‘ongehuwd’, ‘kuis’ en
‘rein’. Het gehele gedicht door wordt haar vrouwelijkheid
benadrukt. Zij heeft ook nog zusters (regel 3) en zelf is zij moeder (regel 4).
Deugd, kunst en hoge moed zijn haar kinderen. Het genoemde moederschap roept de
vraag op hoe zij van maagd moeder heeft kunnen worden. Welke mannelijke
partners heeft ze gehad? Het antwoord wordt niet exact gegeven, maar wel zijn
er in de tekst bepaalde mannen expliciet aangeduid. Het gedicht spreekt
namelijk van de graven van Holland (regel 7), wier sieraad zij is en wier
pracht zij vertoont, en van de dichter, wiens ziel blaakt om haar naar
verdienste te prijzen. In de formuleringen is in ieder geval de connotatie
aanwezig van een zekere verliefde genegenheid van mannen jegens deze vrouw.
Ziehier een in de tekst gevonden betekenisveld ‘vrouw met amoureus
gestemde mannen’. Bij eerste lezing zijn we geneigd het over het hoofd te
zien, omdat het ogenschijnlijk botst met die overduidelijke denotatieve
betekenis ‘de roem van Dordrecht’. Maar toch is het er,
aantoonbaar, en het verdient een nader onderzoek.
Op dit punt kan de kritiek klinken dat de dichter
Lescaille deze extra betekenis er beslist niet bewust
heeft ingestopt, of dat de poëzie (zeker die van de zeventiende eeuw) zich
dusdanig automatisch van zulke personificaties bedient dat deze niet
méér zijn dan clichématige betekenisloze technieken, of
dat onze analyse oudere teksten uit hun historische context haalt door er zulke
‘moderne’ categorieën als man- vrouwrelaties op toe te passen.
Als antwoord hierop is te formuleren dat een bewuste bedoeling van de dichter
(zo we die al kennen) tamelijk irrelevant is voor de uitleg van zijn
poëzie: ‘The meaning of a work of art is not exhausted by, or even
equivalent to, its intention. As a system of values, it leads an independent
life’ (Wellek en Warren 1963: 42). Voorts kunnen we vaststellen dat
veelgebruikte poëtische onderdelen die tot clichés worden, daarmee
allerminst aan betekenis inboeten. Het tegendeel is zeker zo goed te
verdedigen: ze blijven als clichés juist zo bruikbaar doordat ze nog
altijd zo geladen zijn met betekenis. Een hedendaags auteur als
Gerard Reve heeft dit altijd verdedigd en toegepast
(Reve 1986: 69–71). Wat de historische context betreft, tenslotte: het is
beslist mogelijk en legitiem om gedichten van meer dan driehonderd jaar geleden
te onderzoeken op aanwezige betekenisvelden, zelfs als we mogen aannemen dat de
dichter en zijn tijdgenoten zich niet bewust waren van dat wat wij nu
aantreffen. Waarom zouden we woord- en betekenisvelden die we vinden
niet mogen afbakenen? Waarom zouden we geen ketens van associaties mogen
volgen door de tekst? Dat | | | | kan geldige interpretaties opleveren,
zelfs als die lijken te botsen met de eerste, meest waarschijnlijke, uitleg.
Het gaat er hier namelijk niet om, na te gaan hoe een bepaalde van tevoren
gegeven historische realiteit in teksten weerspiegeld wordt, of hoe een
dichterlijk bewustzijn zich weet uit te drukken in poëzie. Het gaat er
hier om welke betekenissen door de teksten zelf mogelijk worden gemaakt. Om uit
te leggen hoe dat in z'n werk gaat, is eerst een schets nodig van de
structuralistische betekenisleer.
De twintigste-eeuwse theorievorming over taal en betekenis heeft
buitengewoon veel te danken aan het werk van
Ferdinand de Saussure (1857–1913), wiens
Cours de linguistique générale in
1916 postuum door leerlingen werd uitgegeven. Binnen het bestek van dit artikel
zijn vooral De Saussures opmerkingen over het taalteken van belang. Hij toonde
de onjuistheid aan van de wijdverbreide opvatting dat de taal een verzameling
‘namen’ zou zijn voor buitentalige ‘dingen’, of een
verzameling woorden die buitentalige preëxistente betekenissen zouden
weergeven (Mooij 1983: 39–59). De Saussure omschreef het taalteken als
een eenheid van twee psychische grootheden, namelijk een akoestisch beeld en
een mentaal begrip, ‘une image acoustique’ en ‘un
concept’, oftewel een signifiant (betekenaar) en een
signifié (betekenis). De relatie tussen de twee is arbitrair,
berust op conventie en niet op een intrinsieke overeenkomst. Het taalteken
heeft als zodanig geen waarde, het krijgt zijn waarde pas binnen het
taalsysteem in oppositie tot andere taaltekens. Betekenis, dat wil zeggen de
betekenisinhoud van een klank, wordt bepaald door de verschillen en
overeenkomsten in de relaties van deze klank met andere klanken. Deze relaties
van taaltekens vormen samen de zeer verfijnde structuur van de taal (Van
Luxemburg e.a. 1983: 50–53 en Mooij 1983: 45–48). Het taalsysteem
is eigenlijk een systeem van onderlinge verschillen: ‘Un système
linguistique est une série de différences de sons combinée
avec une série de différences d'idées’ (geciteerd
door Mooij 1983: 46). Op grond van deze overwegingen kwam De Saussure tot de
originele gedachte dat noch de klank, noch de betekenis afzonderlijk kunnen
bestaan. Sterker: betekenissen zijn voor hun bestaan afhankelijk van de
betekenaars. Er is dus niet zoiets als een platonische ideeënwereld, een
reservoir van preëxistente betekenissen die ooit in woorden
‘gevangen’ zouden kunnen worden, maar alle betekenissen ontstaan
pas in en met de taalklank. Niet de betekenis is primair, maar de betekenaar;
niet de signifié, maar de signifiant.
Het structuralistische model dat De Saussure had ontwikkeld voor
een analyse van taal en betekenis, is vooral in Frankrijk toegepast op
niet-talige verschijnselen, zoals de mode (door
Barthes) of maatschappelijke conventies in primitieve
culturen en de structuur van mythen (door
Lévi- Strauss). Een structuralistische
benadering van literatuur, in de jaren dertig krachtig gepropageerd door de
Tsjechische structuralisten, vindt op dit ogenblik haar aanhangers vooral in
Frankrijk en de Verenigde Staten. In recente studies van Culler
(Structuralist poetics, 1975;
The pursuit of signs, 1981) wordt de
structuralistische | | | | literatuurwetenschap kritisch besproken en met
tal van voorbeelden toegelicht. Van Luxemburg, Bal en Weststeijn karakteriseren
in hun
Inleiding in de literatuurwetenschap (1983:
50–53) de structuralistische analyse van literatuur met een aantal
hoofdkenmerken. Ten eerste is er een voorkeur voor een beschrijving van het
literaire werk in termen van relaties tussen de verschillende lagen die
in dat werk te vinden zijn: de fonologische, de metrisch- ritmische, de
syntactische en de semantische laag. Men denke hier bijvoorbeeld aan de relatie
tussen rijm en betekenis. Ten tweede maakt men graag beschrijvingen in termen
van binaire opposities: relaties tussen onderdelen of thema's die een
overeenkomst paren aan een tegenstelling. Voorbeelden van thematische binaire
opposities zijn: goed en kwaad; licht en donker; mannelijk en vrouwelijk;
cultuur en natuur. Ten derde valt er een sterke nadruk op
intertextualiteit, dat wil zeggen op de relaties van literaire werken
met andere teksten, met de literaire traditie of met de cultuur in het
algemeen. De structuralistische literatuurwetenschap kan tenslotte ook de
structuren van de literaire communicatie bestuderen om een antwoord te
vinden op de vraag via welke denkprocessen we aan literaire teksten betekenis
toekennen.
Naast de literatuurwetenschap is er nog een tak van wetenschap die
zich uitdrukkelijk richt op het onderzoek van betekenisgeving in teksten: de
psychoanalyse. De klassieke richting hiervan hanteert een omvangrijk
begrippenapparaat dat geconcipieerd is door Sigmund Freud. Tijdens een
behandeling analyseert de psychoanalyticus de gesproken associatieve teksten
van de analysant, teneinde op het spoor te komen van onbewuste psychische
conflicten. Een der uitgangspunten daarbij is de opvatting dat er geen
‘natuurlijke’, ‘vanzelfsprekende’ of
‘uniek-ware’ woordbetekenissen bestaan, maar dat betekenisvorming
steeds afhankelijk is van de plaats van een taalteken in de zin, of ruimer: van
de context zoals die blijkt uit het verhaal van de analysant. Er kunnen zich
bovendien in dromen en associaties de verschijnselen van verdichting en
verschuiving voordoen: een term kan meer dan een betekenis dragen en een futiel
detail kan de plaats innemen van een belangrijke betekenis. Het onderscheid
tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik wordt in de psychoanalyse niet
gerespecteerd; integendeel: tijdens een analyse blijken juist in figuurlijke
formuleringen dikwijls zéér letterlijke betekenissen te zijn
vervat.
Reeds vanaf de tijd van Freud zijn psychoanalytische
uitgangspunten en technieken gebruikt bij het interpreteren van literaire
werken. De gebruikelijke methode is dat men een bepaald door Freud beschreven
onbewust conflict probeert terug te vinden in een literair kunstwerk. Vaak
worden daarbij tevens conclusies getrokken die de persoonlijkheid van de auteur
betreffen; biografisch materiaal kan dan dienen om de uit het oeuvre afgeleide
hypotheses te ondersteunen. Ook de omgekeerde redeneertrant komt voor: uit wat
men weet van het leven van een schrijver construeert men een Freudiaans
complex, dat vervolgens wordt teruggezocht in het literaire werk. Op deze wijze
zijn er talloze interpretaties geleverd | | | | van (het oeuvre van)
Shakespeare. In het algemeen is dit soort onderzoek
niet vrij van een zekere dosis inlegkunde en vrijblijvendheid. Voor de oudere
Nederlandse letterkunde valt hier de aanzet te signaleren die Rens in 1979
heeft gegeven tot een psychoanalytische uitleg van de drama's van
Vondel. Rens meent bij Vondel een Oedipuscomplex aan
te treffen. Op zijn werkwijze is methodologische kritiek geleverd door Van
Alphen (Rens 1979; Van Alphen 1983).
Met name in Frankrijk is de psychoanalytische benadering van
literatuur zich gaan bedienen van structuralistisch- taalkundige
uitgangspunten. Er zijn twee richtingen te onderscheiden in deze
‘psychokritiek’, die zich baseren op de theorieën en methoden
van respectievelijk
Charles Mauron (1899–1966) en
Jacques Lacan (1901–1981). Beide stromingen
onthouden zich van het gebruik van biografica als bewijsmateriaal. De literaire
teksten zelf vormen het enige object van onderzoek. De literatuurtheoreticus
Mauron ontwikkelde een methode om de ‘obsederende metaforen’ in het
werk van een auteur op te sporen en uiteindelijk te geraken tot de structuren
van de ‘persoonlijke mythe’ van de schrijver (Hutcheon 1984).
Hijzelf bestudeerde onder meer de toneelstukken van
Racine. Corneilles comedies en tragedies zijn in
Mauroniaanse zin geanalyseerd door de Nederlander Verhoeff (Verhoeff 1978 en
1982).
De andere richting binnen de psychokritiek is ontstaan uit de
herformulering van een aantal Freudiaanse principes door Jacques Lacan. Deze
psychoanalyticus heeft buitengewoon sterk de nadruk gelegd op het talige
karakter van psychische processen en structuren. Zo toont hij bijvoorbeeld aan
dat het menselijk subject pas werkelijk ontstaat bij het binnenkomen van de
individuele mens in de vooraf bestaande symbolische orde van de taal. Het
ontstaat dóór de taal, op het ogenblik dat de taal het besef
teweegbrengt dat individu en buitenwereld niet samenvallen, zoals in de
voorafgaande symbiotische fase van het kind met de moeder nog het geval was.
Het subject, zegt Lacan, brengt de taal niet voort, maar deze veroorzaakt het
subject (Mooij 1983: passim, i.h.b. 128). In ditzelfde proces laat Lacan het
onbewuste ontstaan, dat eveneens talig is. Het is een tekst in taal en zal zich
(in dromen, versprekingen, omissies) ook weer als taal manifesteren.
Lacans theorie van het taalteken bouwt voort op
De Saussure, maar legt veel meer dan deze de nadruk op
de rol van de gearticuleerde context van termen voor het ontstaan van
betekenisssen.
Lacaniaanse literatuuronderzoekers zullen er steeds van uitgaan
dat zij symptomen van onbewuste processen kunnen aantreffen in grotere
structuren van taaltekens. Hun uitgangspunt is intertextueel: betekenis van
teksten ontstaat pas in de relatie met andere teksten. Hierbij zijn de
betekenaars van eminent belang. Niet de signifiés zijn primair,
maar de signifiants. Het gaat erom ketens van betekenaars op te sporen,
de ‘chaînes signifiantes’, die de betekenisvelden afbakenen
en daar vorm aan geven. Een uiterst krachtig betekenisvormend element is de
metafoor, die door Lacan gelijkgesteld wordt met het Freudiaanse begrip | | | | verdichting. Metaforen zijn geen loze of afgesleten stijlfiguren, maar
juist sterke samenballingen van betekenis. Een van de technieken om die
betekenis te leren kennen is het lezen van de metafoor in dubbele zin: als
metaforische uitdrukking van een letterlijke wereld (in ons voorbeeld: de maagd
is de reële stad Dordrecht) en als een letterlijke weergave
van een metaforische wereld (de maagd is een heuse vrouw). In het laatste geval
treden de signifiants in al hun letterlijkheid op de voorgrond. Wat er
daarbij gaat gebeuren met de betekenis van de tekst valt nog niet te
voorspellen. Betekenissen bestaan immers niet van tevoren, ze ontstaan pas door
het onderlinge ‘spel’ van de taaltekens, in de articulatie binnen
de structuur van de taal. Daarbij spelen ook allerlei series van connotaties
een rol. Lacaniaanse psychokritiek streeft ernaar dit proces te analyseren, om
de metaforische werkelijkheid van literaire teksten te onthullen en er de
‘onbewuste retorica’ van te beschrijven (Mooij 1983: 94).
Welke mogelijkheden bergen deze uitgangspunten in zich voor het
onderzoek van historische literaire teksten? Dit hoofdstuk wil proberen die
vraag met een uitgewerkt voorbeeld te beantwoorden. Maar voor het zover is,
dient eerst te worden besproken welk materiaal zich het best voor onderzoek
leent. Het is niet wenselijk één willekeurige tekst zonder meer
als object te kiezen. De structuralistische betekenistheorie wijst namelijk op
het belang van een afgebakend corpus van verscheidene samenhangende teksten als
onderzoeksobject (Culler 1975: 20–31). Betekenis wordt gegenereerd in het
onderlinge samenspel van de taaltekens; hoe meer verband er bestaat tussen de
te onderzoeken teksten, des te meer betekenisproduktie mogen we verwachten.
Welke samenhang is dan bepalend voor het onderzoekscorpus? De
Mauroniaanse psychokritiek kiest de schrijver als norm: wat door
één persoon is geschreven, vertoont eo ipso voldoende
coherentie. Zonder dit te willen bestrijden kunnen we voor de literatuur van
renaissance en classicisme nog een andere mogelijkheid postuleren, namelijk de
samenhang op grond van thematische overeenkomst. Deze literatuur kent immers
duidelijke conventies die bepalen in welke genres en op welke wijze de te
behandelen onderwerpen aan de orde mogen komen. Bepaalde onderwerpen impliceren
bepaalde inhoudelijk én formeel samenhangende soorten teksten, die zich
bedienen van een vaste voorraad stilistische figuren. Bovendien garanderen de
traditionele en alom toegepaste technieken van translatio en imitatio dat er
binnen de tekstsoorten bij de produktie van nieuwe specimina een voortdurende
assimilatie van bestaand literair materiaal plaatsvindt. Wanneer we onze
teksten kiezen op basis van thematische overeenkomst, dan is aldus de
intertextualiteit binnen het corpus van onderzoek gewaarborgd. Tevens zal dit
thema ook de begrenzing van het materiaal aangeven: wat niet onder het op
traditionele wijze uit te beelden thema valt, wordt niet in het onderzoek
betrokken.
| | | |
Vanuit psychoanalytisch gezichtspunt zijn de talrijke
herhalingen van stijlfiguren en motieven in de teksttradities van de
zeventiende en achttiende eeuw bijzonder interessant. Sinds Freud weten we
namelijk dat symptomen van onbewuste conflicten zich voor kunnen doen als
eindeloze herhalingen van handelingen en uitspraken. Het is wellicht lonend te
onderzoeken of herhalingspatronen in literaire teksten zich als dergelijke
symptomen laten lezen.
Het materiaal dat thans ter demonstratie aan de orde komt, is dus
bijeengeplaatst op grond van een thematische overeenkomst. Het is een kleine
greep uit teksten over stedemaagden en steden, vergaard uit
stadsgeschiedenissen en -beschrijvingen, atlassen en verzamelbundels van
afzonderlijke auteurs. Ook uit teksten over het leven op het land, bijvoorbeeld
hofdichten, konden treffende passages met lofprijzingen van steden worden
gelicht. Wat hier volgt is slechts een fractie van wat er bij intensief zoeken
te vinden zou zijn. Toch zal ook nu al het portret van de maagd, door
Lescaille reeds in hoofdlijnen voor ons geschetst,
worden ingetekend met overduidelijke details. Nader onderzoek zal meer
bijzonderheden kunnen opleveren, maar een essentiële verandering van het
beeld is daarbij niet te verwachten. Waar gaat het om? Hiervoor bleek al dat
zich in het stededicht betekenisverdichting voordoet: de stedemaagd is stad en
vrouw; deze vrouw vindt mannen tegenover zich en activeert allerlei sexuele
connotaties. Het nu te beschrijven onderzoek heeft zich met name gericht op dit
complex van sexuele termen. De betekenaars in de metaforische uitdrukkingen
worden zo letterlijk mogelijk gelezen. De gevonden ‘chaîne
signifiante’ wordt gecombineerd met de aangetroffen connotaties. Welke
betekenissen komen er naar de oppervlakte?
In
Pontanus'
Historische beschrijvinghe der seer wijt beroemde
coop-stadt Amsterdam is een gedicht van
H. Junius afgedrukt, waarin de stad zelf haar vrouwzijn
met nadruk poneert en tegelijkertijd verwijst naar de mannen op wie zij indruk
maakt:
[Ik ben] vrouw boven alle steden,
Tot een prikkel van lof voor mijn prijzers idoon (geschikt,
uitnemend, AJG). (Pontanus 1614: 15)
Waarschijnlijk is het voor hen dat deze vrouw, door
Vondel een keizerin genoemd, zichzelf opendoet. Laten
we proberen Vondels woorden op hun letterlijkst te lezen:
Aan d' Amstel en het IJ, daar doet
zich heerlijk open
Zij, die als keizerin de kroon draagt van Europe. (Vondel z.j.:
44)
| | | |
Letterlijk: zich opendoen? Voor wie het nog
duidelijker wil zien volgt hier opnieuw een citaat uit
Pontanus'
Historische beschrijvinghe. Het zijn zijn
eigen woorden in de opdracht van het boek aan de Amsterdamse bestuurders:
‘Alwaar nu UE's stad van Amsterdam met een wijde schoot haar
(zich, AJG) tot de koophandel der ganser wereld opent’ (Pontanus 1614: *2
verso). Plastischer kan het nauwelijks. Deze vrouw opent haar schoot omdat ze
verlangt naar sexuele omgang. De ‘koophandel’ moet haar bevruchten.
Ook
Vondel refereert aan sex wanneer hij schrijft over de
Amsterdamse handel. In een gedicht op de Beurs verbindt hij het maken van winst
met de coïtus van Jupiter en Danae. De oppergod had zich voor die
gelegenheid gemetamorfoseerd tot een regen van goudstukken:
Jupijn daalt met een gouden regen
In uwen schoot van boven neer;
En ieder zegen smaakt naar meer.
Wat gij omhelst gedijt tot zegen.
(Vondel 1630: 551; Vondel z.j.: 78)
Letterlijk: elke omhelzing, elke sexuele zegen, smaakt naar meer.
De Beurs, pars pro toto voor Vrouwe Amsterdam, is sexueel niet te verzadigen.
Jan Krul specificeert in
't Palleys der Amstel- goden van 1636 wat ze
allemaal in zich opneemt bij de paring. Haar minnaars zijn de vreemde
handelaars en zeelui:
Haa! wat stort er menig vloot
Grote rijkdom in uw schoot,
Rep je, hier is geld te winnen,
Sipkje Sieuwers die is binnen,
Diep van kiel en hoog van mast.
Los de waren, breng ze elders,
Draag op zolders, rol in kelders,
't Ooster zaad, het Franse nat
Noordse stokvis, ruige masten,
Ingebracht van Noordse gasten.
Pruis'se rogge, teer en vlas,
| | | |
Schots en Engels brengen waren
Waar ons landen wel mee varen,
Lakens, baaien, lood en tin
Slepen deez' de IJstroom in.
't Rijke Oosten, 't volle Westen
Zijn voor Amsterdam ten besten.
Bruine peper, nagel, kruid,
Zoete vijgen, zoete wijnen,
Grote winkel vol van waren,
's Burgers rijkdom, 's lands welvaren
Vol van nering, rijk van schat. (Krul 1636:
8–10)
Vreemde zeelui in een havenstad dragen overigens in
zeventiende-eeuwse teksten ook zelf al tal van sexuele associaties met zich
mee. De theoreticus
Scaliger waarschuwt de auteurs van lofdichten op
handelssteden al in 1561. In zijn bespreking van het genre emporicum
(lof van handelsstad en stapelplaats) in
Poetica III: 120 vermeldt hij de van pas
komende topen: ‘Dichtbij zee, dat betekent rijkdom door een gunstige
ligging. Ver van zee, dat is ver van gevaren en ondeugden. Want het geschiedt
maar zelden dat wegens het samenkomen van allerlei reizend volk de goede zeden
niet worden aangetast’ (Scaliger 1964: 166). Ook de mannen zijn dus uit
op sexuele avonturen; na gedwongen onthouding tijdens de lange zeereis gaan ze
de wal op om ‘in kroeg, in kuf, in kot, of somtijds in de stoepen’
de ‘hoerenliefde zot’ te zoeken (Bredero 1975: 172).
De dichter
Hendrik Laurenszoon Spiegel heeft dat volkje zien
rondlopen. De lading was gelost; nu stonden vertier en plezier op het
programma:
Hier komen dikwijls tseffens zoveel blanke zeilen
Als dagen zijn in 't jaar, 't weekgrondig IJ
bepeilen.
Deez' lost en laadt men snel, die van de luwe ree
Weer voor de derde week gaan naar de rijke zee.
Dit veel vertieren doet woelig en welig leven
Al 't volk, tot koopmanschap en zeevaart heel begeven.
| | | |
Geruster leeft de herder bij zijn vee op 't veld
En derft de buik-kwel-lekker spijs en 't kwellijk geld.
Ontellijk is de waar. Wie kan 't volk overhalen (precies
vermelden, AJG)
Die hier 's lands nooddruft al, beurtswijs brengen en halen?
Roô boter brengt de Fries, de Noorder boer meest kaas,
De Keulnaar lekker wijn, en haalt verscheiden aas,
d'Onduitse Rus talk, traan, huiden, bont voor eêlen.
De woeste Noorman stokvis, kanthout, masten, delen.
De Pruiser kerel rogg', was, vlas, as, teer en hout.
De Schotse koopman wol, lood, vellen en kersaaien,
d'Engelsman loos schaft bier, fijn laken, tin en baaien.
De Nieuwe Wereld zout, hout, parelen, huid-profijt,
Oost-Indië peper, noot en bloemen, nagelen, zijd',
De Fransman luchtig deelt ons zeildoek, zout en wijnen,
De geile Spanjaard levert olie, zout, rozijnen,
Wijn, vijgen, suiker, kurk, gesteent' en specerij.
Wij geven noppig laken en veel kramerij,
Ook zuivel, vette haring, zoute vis, fijn linnen
Van buitenlands gewas: 't verwisselen doet winnen. (In
Pontanus 1614: 275–276)
Geilaards, luchtigaards, woestelingen en vele anderen: de
stedemaagd heeft een ruime keus aan partners. Ja, ze wordt zelfs ‘dartel,
door zoveel keurs’ (Vondel 1929: 425) en weet van geen
ophouden. Wat dat betreft is ze overigens een èchte vrouw. Want als we
Scaligers
Poetica (III: 14) raadplegen over het wezen van
de vrouw lezen we: ‘Immers, dit vrouwelijk geslacht is volstrekt niet te
verzadigen. In zijn begeerten kan het niet tevreden worden gesteld; nooit kan
het volledig vervuld worden’ (Scaliger 1964: 97). Sommige
geleerden in de renaissance brengen dan ook de naam van het vrouwelijk
schaamdeel vulva etymologisch in verband met het werkwoord volo
(= willen) (Maclean 1980: 40, naar
Bonacciuoli).
Zonder gevolgen blijven deze bedrijvigheden natuurlijk niet, voor
de vrouw zelf niet en voor de mannen evenmin. De vrouw raakt door de
vreemdelingen bevrucht en groeit uit, zwelt op in weelde en overdaad. Zij, die
is ‘de wellust van Europe’, ‘zwelt door welvaart uit haar
wallen, om als een bruid der koningen te brallen’ (Fokkens
1662: 12–13). Haar dikke buik doet het opgenomen voedsel door haar
lichaam circuleren: | | | |
De korenschuur ben ik van 't Nederland verheven;
En als ik schatten veel opbreng tot 's lands profijt,
Recht zo geef ik ook uit voedsel tot 's mensen leven,
Louter als een buik vet, die 't zog verspreidt met vlijt,
Aan d'ander leden al. (Junius in
Pontanus 1614: 15)
Maar behalve van een voorraad vet is er in die buik ook sprake van
een jonge vrucht; de dikte is natuurlijk ook de dikte van een zwangerschap:
Werd overvloed geboren (cursivering AJG)
In enig werelddeel, 't is waar uw handel bloeit,
En vreemde vruchtbaarheid met d'uwe samenvloeit.
(Van Raesfelt-van Sytzama 1783: 75)
Van de bevruchting moest noodzakelijkerwijs een geboorte komen. De
achttiende-eeuwer
Claas Bruin, die de Amsterdamse kooplui in hun
buitenhuizen aan de Vecht ziet zitten, zegt het als volgt:
De wereldstad aan d'Amstelvloed,
Hoe wonderlijk 't u klinkt in de oren,
Teelt koningen op schrijfkantoren. (cursivering AJG)
Daar hebben we dus de kinderen die door de Amsterdamse maagd in
haar moederschap op de wereld worden gezet: overvloed en koninklijke kooplui.
Maar waar zijn ondertussen de natuurlijke vaders gebleven?
Een toop van vertrekkende zeelui is in teksten over
stedemaagden niet of nauwelijks te vinden. Zelden of nooit horen we hoe ze
veilig naar hun thuishaven terugkeren, of hoe ze met hun handel een flink
winstje in de wacht wisten te slepen. We weten dat ze hebben gecoïteerd
met de stedemaagd, maar daarna verdwijnen ze spoorloos uit de teksten.
2 Wat er is gebeurd laat zich alleen
maar vermoeden, namelijk dat ze na de bijslaap compleet verzwakt zijn
achtergebleven. Immers, de bijslaap gold in de zeventiende eeuw als een voor
mannen uitputtende activiteit. De veel geraadpleegde medicus
Van Beverwyck beveelt de coïtus niet aan oude
mensen aan, want die zijn er eigenlijk te zwak voor. Goede bijslapers moeten
jonge mannen zijn, met veel bloed en zaad, in de kracht van hun leven (Van
Beverwyck 1637 I: 160–161).
| | | |
Dat bloed en zaad, ‘vreemde
vruchtbaarheid’, zijn nu evenwel afgegeven. De stedemaagd heeft ze
geabsorbeerd. Het lijkt alsof de mannen van wie we niets meer horen zijn
gebruikt en opgebruikt.
Hendrik Schim noemt de wakkere stad
Brielle een ‘Amazoon’ (Schim 1737: 5). Waren de
Amazones niet een vrouwenvolk dat mannen alleen nodig had voor de voortplanting
en dat zijn partners post coitum de dood injoeg? Wanneer we nog vreemde
mannen willen achterhalen die hun plicht hebben vervuld, dan zullen we ze
in de stad moeten zoeken; daarin zijn ze opgenomen, ingesloten in de
wallen, en verzwolgen. ‘Al de machten van al wat machtig is’ liggen
‘besloten in uw grachten’, moet de tot Amsterdam
naderende vreemdeling erkennen, om vervolgens van schrik in zwijm te vallen bij
het besef dat hij ook zelf binnenkort geabsorbeerd zal zijn
(Huygens z.j. C: 40).
Deze selectie uit teksten over steden en stedemaagden is klein,
maar redelijk representatief. Welke teksten men ook kiest, telkens opnieuw zijn
het sexuele metaforen waarmee de drukte van het handelsverkeer en de daaruit
voortvloeiende welvaart worden uitgebeeld. Ter afsluiting van de voorbeelden
volgen nu twee passages uit de
Ystroom van
Joan Antonides van der Goes, een werk waarin de sexuele
connotaties van het stedelijk bedrijf buitengewoon krachtig klinken; de dichter
nadert het Zeemagazijn:
Het sta mij vrij, Vorstin, zo rijzig op de leden,
Uw bruiloftskamers en saletten in te treden,
Uw bruidsschat te bezien en trouwring, die alom
Vermaard, de Zee verbond tot uwen bruidegom.
Maar op die voet (met veel wapentuig, AJG) beschermt de
zeevaardij haar eer.
Zeeschendenaars ontzien in 't blinkende geweer
Te vliegen, en de roof vermeten aan te randen,
Waaraan ze vrezen klauw en vingeren te branden.
Aldus volgt Amsterdam de stappen van August,
En rust zich moediger ten oorloge uit in rust.
(Antonides van der Goes 1748: 19 en 21)
De verhouding van het zeemagazijn met de zee (als pars pro toto
gelezen: van Amsterdam met de zee) is er een van bruid en bruidegom. Wie die
relatie zou willen aantasten wordt beschouwd als een schender, een aanrander.
Hij kan verzekerd zijn van een geduchte straf. Hoe wellustig ze ook is, hoeveel
minnaars ze naast haar bruidegom er nog op nahoudt, van | | | | ongevraagde
sexuele toenadering is deze stedemaagd niet gediend. Er is maar een persoon die
in sexualibus het initiatief mag nemen: dat is zijzelf.
We hebben nu gezien hoe in dit intertextuele complex van stedelof
een sociaal-economisch proces, namelijk de stedelijke handel, wordt uitgebeeld
door middel van een metaforische code van sexuele omgang. Wanneer we die code
analyseren door met een Lacaniaanse techniek de beelden letterlijk te lezen, en
door te zoeken naar series van connotaties, ontdekken we waar het precies om
gaat: er is een vrouw, een moedermaagd, die veelvuldig geslachtelijke omgang
heeft met vreemde mannen. Ze absorbeert hun kracht en daarmee de mannen zelf,
om haar kinderen in overdaad te kunnen voeden. De moedermaagd is degene die
sexueel het initiatief neemt. De mannen moeten willoos in haar opgaan. Doen ze
dat niet, dan beschouwt zij ze als verkrachters die een hardhandige straf
verdienen.
De frequentie waarmee deze beelden worden geproduceerd geeft te
denken. Telkens opnieuw klinken ze als obsederende herhalingen; het is niet te
ver gezocht hier symptomen in te herkennen van een fundamenteel conflict tussen
mannen en vrouwen. De gangbare, openlijke opvatting in de renaissance mocht dan
wel zijn dat de vrouw aan de man onderdanig was en hem diende te steunen en
stimuleren met wegcijfering van zichzelf, uit de teksten over de stedemaagden
valt iets geheel anders te lezen. Het is een obsessie, uit te drukken met een
serie binaire opposities: vrouw-man, dat is respectievelijk krachtig-willoos,
absorberend-presenterend, bedreigster-bedreigde.
In welke zin kan er, uitgaande van deze uiterst voorlopige
bevindingen, verder onderzoek worden verricht? Een drietal mogelijkheden laat
zich denken. In de eerste plaats zou nader psychoanalytisch onderzoek van een
verantwoord corpus oudere teksten dit gesignaleerde man-vrouwconflict
duidelijker in kaart kunnen brengen. De teksten zijn vrijwel allemaal door
mannen geschreven en verraden een onbewuste conflictueuze kijk op de vrouw. Een
nauwkeurige beschrijving van die visie is niet alleen van belang voor de
psychoanalyse, maar ook voor de (kunst)geschiedenis en de literatuurhistorie.
Ten tweede is er te denken aan literair tekstonderzoek, toegespitst op
betekenisvorming. Hoe komt betekenis precies tot stand? Wat is daarbij de rol
van metaforen en connotaties? Betekenisconflicten die aan het licht komen,
kunnen als basis dienen voor tekstkritiek in de geest van het
deconstructivisme. De tekstcommentaar kan dan laten zien hoe de ogenschijnlijk
door een tekst aangeprezen waarden door de tekst zelf ook weer worden
ondermijnd.
Een derde toepassingsgebied is de ideologiekritiek.
Roland Barthes heeft er in zijn bundel
Mythologies op gewezen dat de formulering van
een begrip uit de cultuur (de ‘geschiedenis’, zoals hij het zegt)
in termen van de natuur een universeel procédé is om een
‘mythe’ te creëren: een voorstelling van zaken waarbij
tijdelijke (veelal sociaal-economische) belangen worden gepresenteerd als door
God gegeven, in de schepping veran- | | | | kerde, vanzelfsprekende feiten
(Barthes 1957 en 1975). In de hierboven gebruikte voorbeelden: het
handelsbedrijf in de steden dat wordt aangeprezen, is in de realiteit een
sociaal-economisch proces beheerst door mannen, een vorm van cultuur,
maar de literaire uitbeelding stelt het voor als vorm van natuur, een
serie sexuele uitingen waarbij de vrouwen het initiatief nemen. Meestal zijn er
groepen mensen aan te wijzen die belang hebben bij een dergelijke mythe.
Het hierboven behandelde materiaal is heel goed te gebruiken om
een aspect van de commerciële ideologie van Amsterdam en de
jonge Republiek te verduidelijken. De teksten dragen bij tot de creatie van een
nationale mythe. In een periode van kapitalistische ontplooiing en koloniale
expansie is de metafoor van een absorberende moedermaagd kennelijk zeer
opportuun. Waarom? Omdat de expansie, in al zijn agressiviteit, er een morele
dekking door krijgt. Men denke aan deze connotaties van moeders en maagden: ze
zijn rein, verzorgend en alles wat ze doen staat moreel op hoog niveau. Wat de
stedemaagd doet, is dus per definitie goed. Ook al slokt ze alles op,
tóch heeft ze het morele gelijk aan haar zijde. Dat spreekt toch
vanzelf?
|
1In dit hoofdstuk is de spelling van de
historische citaten gemoderniseerd.
2Slits (1990: 285) treft een enkele
vertrekkende zeeman of handelaar aan in stededichten van
Barlaeus.
|
|