|
|
|
| | | | | |
Arie-Jan Gelderblom
‘Nieuwe stof in Neerlandsch’ Een
karakteristiek van Coornherts proza
Waar, wanneer en hoe heeft
Coornhert het schrijven geleerd? Wie zijn werk leest
maakt kennis met een geacheveerd stilist, die helder redeneert, puntige
formuleringen neerzet, oog heeft voor fleurige, typerende details en die de
mogelijkheden van het relatief jonge Nederlands volledig weet uit te buiten als
intellectueel expressiemiddel. Als een der eersten, bovendien. Veel voorbeelden
van modern intellectueel proza in de eigen taal had hij niet tot zijn
beschikking. Maar hoe kwam het tot dit resultaat? Hoe heeft hij zich precies
bekwaamd in het voeren van de pen? Wie hebben hem onderwezen in de finesses van
de compositie en de stijlleer? Het exacte antwoord is niet te geven; het moet
blijven bij gerechtvaardigde vermoedens. Die worden hierna geuit. De gedachte
dat het schrijven hem was komen aanwaaien, dus dat hij zonder bijzondere
oefening als vanzelf zo fraai was gaan schrijven, moet hier als een romantische
misvatting van de hand worden gewezen.
De Latijnse school heeft Dirck Volckertszoon niet bezocht.
1 Een verklaring hiervoor is niet bekend. Had het
misschien te maken met de omstandigheid dat vader Coornhert zich uit de zaken
had teruggetrokken, menende dat hij rijk genoeg was, zodat moeder met twee van
de vijf kinderen de lakenhandel moest voortzetten?
2 Was er
daardoor een periode van relatieve schaarste in het gezin en moest Dirck
meeverdienen in plaats van te studeren? Of gaf de jongen zelf de voorkeur aan
een opleiding tot plaatsnijder boven een studie in de letteren? We weten het
niet. Wèl weten we wat Dirck heeft gemist door niet naar de Latijnse
school te gaan: een vroege introductie tot de antieke cultuur; een grondige
humanistische scholing in het passief en actief, zowel mondeling als
schriftelijk, beheersen van het Latijn; onderricht in de grondbeginselen van de
grammatica, de dialectica (logisch redeneren) en de retorica (opzetten en
formuleren van een overtuigend betoog); deskundig begeleide omgang met teksten
van belangrijke Latijnse auteurs, om uiteindelijk een eigen stijl te
ontwikkelen, zowel in het Latijn als in de moedertaal, waarbij de leerlingen
via ‘translatio’ (het vertalen) en ‘imitatio’ (het
nabootsen) van grote voorbeelden dienden te komen tot ‘aemulatio’
(het evenaren van het voorbeeld).
3 De
jeugdige pupillen legden materiaalverzamelingen aan van opvallende inhoudelijke
en stilistische verschijnselen in hun lectuur (mythologische verhalen,
spreekwoorden, metaforen), met de bedoeling die later weer op elegante wijze te
verwerken in de eigen schrijfsels. ‘Copia’ en
‘varietas’ waren voorname onderwijsdoelen: de leerlingen moesten
over een ruime woordenschat beschikken en zich gevarieerd kunnen uitdrukken.
4 Zo was dat in de zestiende eeuw, zo was dat later bij
Hooft, bij
Cats, bij
Hugo de Groot. Zo was het mutatis mutandis ook bij
Huygens. En zo was het bij Coornhert niet.
| | | |
Pas als hij vijfendertig jaar oud is, gaat
Coornhert Latijn leren.
5 Hij wil
de kerkvaders lezen in het origineel om theologische vraagstukken te kunnen
doorgronden, aldus zijn eerste biograaf
Cornelis Boomgaert:
‘De oorsake waerom hy oudt zijnde de Latynsche tale leerde
is gheweest, dat hy in eenighe poincten der religie ongherust zynde, ende syn
ghemoet niet connende vernoeghen, meende dat hy in de boucken van Augustyn of
andere Patres (die in 't Latyn alleen gheschreven hebben) soude connen
onderrechtinghe ende vernoeginghe vinden.’
6
Het is dan 1557. De beschikbare biografische gegevens wijzen
Johannes Basius aan als Coornherts leermeester in het
Latijn. Een lastig feit is de leeftijd van Basius. Geboren in 1548, zou hij in
1557 pas negen jaar oud zijn. Sommige moderne onderzoekers hebben een
negenjarige leraar Latijn voor onwaarschijnlijk gehouden.
7 Bonger veronderstelt evenwel
8 dat de jonge Baes
bij de Coornherts in huis woonde. In dat geval is het probleem vrijwel
opgelost. We kunnen dan aannemen dat Coornhert als Haarlemse hospes intensief
omging met zijn jonge kamerbewoner en zijn lessen meeleerde. Basius, ‘een
notoir knappe en vroegrijpe jongen’
9 zou dan inderdaad, als
aanreiker en uitlegger van zijn eigen schoolopgaven, Coornherts leermeester
kunnen zijn geweest. Zijn invloed was in dat geval onschatbaar groot.
Na een paar jaar blokken gaat Coornhert zijn nieuw verworven
kennis toepassen: hij maakt vertalingen. In 1561 verschijnen de
Officia Ciceronis en via een Latijns intermediair
de eerste twaalf boeken van Homeros'
Odyssee: De dolinge van Ulysse. In 1562
volgt Seneca's
De beneficiis (Vanden weldaden).
10 Dit vertalen zal
beslist een aspect van retorische ‘exercitatio’ (oefening) hebben
gehad: scherping van het eigen taalgevoel en uitdrukkingsvermogen aan het
weerbarstige idioom uit het verleden. Coornhert bevindt zich met deze
vertalingen als het ware nog in het leerstadium van de
‘translatio’. Hij loopt tegen de veertig. Vergeleken met zijn
generatiegenoten die dit stadium al rond hun tiende jaar hadden doorlopen, is
hij uitzonderlijk laat.
Deze observatie is van belang als we met G.S. Overdiep
11 aannemen dat Coornherts stijl juist door
zijn klassieke scholing tot volle ontplooiing is gekomen. Het gaat bij
Coornhert dan niet om iemand die al volleerd schrijver was en ook nog eens
Latijn erbij leerde, maar om een, zeker voor die tijd, buitengewoon laat tot
bloei komen van het schrijverschap. Daarmee is overigens niet gezegd dat hij
eerder al niet talentvol dichtte of formuleerde. Biograaf Boomgaert zegt er het
volgende van:
‘In syne jonckheydt heeft hy hem oock gheoeffent inde
Musycke, ende in 't Rymen.’
‘In maaltyden heeft hy seer vermakelijck van propoosten oock
stichtelijck gheweest, ende hem altijdt sober ende nuchteren ghehouden.’
12
De vroegste produktie bestond dus uit tafelredes (geestig, maar niet
zonder geeste- | | | | lijk profijt) en lyriek, al of niet op muziek. Het
is zeer wel denkbaar dat het hoofs-intellectuele milieu op kasteel
Batestein te Vianen, waar Dirck rond zijn twintigste
hofmeester was, hem als redenaar en als dichter/zanger heeft gestimuleerd. Maar
zoveel is zeker: een groot prozaschrijver was hij toen nog niet. Het
overgebleven materiaal geeft inderdaad aanwijzingen dat Coornherts prozastijl
pas na 1557 tot wasdom komt. Vergelijken we bijvoorbeeld een vroege en een late
prozatekst van zijn hand, dan zien we wat er veranderde. De twee hierna
opgenomen passages komen in zoverre overeen, dat ze allebei tot doel hebben
abstracte begrippen van psychologische aard nader te bepalen. Het verschil in
stijl is evenwel opmerkelijk.
Op 22 maart 1556 voltooide
Coornhert
Een corte beschrijvinghe van pijn ende droefheyt.
Na de definitie van pijn als lichamelijk lijden in paragraaf 1, gaat hij in
paragraaf 2 de droefheid omschrijven. Hier volgt het begin ervan.
13
‘Van Droefheyt, wat die zy, ende waer uyt die
voorkomt.
Droefheyt is een quellinghe des ghemoedts, een derven van
lief, ende hebben van leedt, niet voortkomende wt eenighe natuerlijcke sake
(also pijne doet) maer comt int ghemoet door valsch oordeel, door een verkeerde
wane, ende door een zot vermoeden, 't welck yet wat voor quaedt aenziet, dat in
hem selfs gheen quaedt en is, als armoede, ghevanckenisse, verachtinghe,
ellende, zieckte, ende doodt, &c. Meynende dat dees dinghen noodtlijcke
saken van Droefheden sijn, daer inne zy bedroghen sijn, want indien dees
voornoemde saecken also noodtlijck van haer selfs natuere des menschen ghemoedt
bedroeven moeten, als quetsingen, sweeringen, ende zieckten, natuerlijck ende
noodtlijck des menschen Lichame pijnight (lees: ‘pijnighen’), soo
most oock noodtlijck volghen, dat arme Luyden, verachte menschen, ballinghen,
&c. soo lange zy in armoeden, verachtinghe, ende Eylanden waren, in
ghestadigher droefheydt souden moeten leven. 't Welck niet alleen faelt, maer
zietmen oock gemeenlijc (ter contrarien) alsulcken volcxken veele lichtsinniger
ende ghenoeghlijcker leven, dan die rijcke, wel-geachten, &c. Daer aen
lichtelijcken blijckt, dat droefheydt niet noodtlijck en comt door
d'uyterlijcke saken, ghelijck pijne vanden wonden of zieckte,
&c.’
Pijn treft een mens buiten zijn wil, maar droefheid kan de mens met
een juist oordeel en een goed gerichte wil vermijden, aldus de strekking van
het verdere betoog.
Drieëndertig jaar later, in 1589, schreef Coornhert de
verhandeling
Hert-spiegel godlijcker schrifturen. Het is een
leergang om goed te kunnen leven. De mens kan de lessen voor het wel-leven in
de Bijbel vinden en dit Woord van God is niet duister, zoals sommige theologen
menen, maar glashelder. Commentaar in de vorm van menselijke
‘glossen’ heeft men er niet bij van node. Hoofdstuk 1 behandelt de
psychologische voorwaarden voor het wel-leven.
‘Om wel te leven behoeftmen wil, macht ende verstandt. Al
ons leven bestaat in doen of laten. Men doet ende laat wel of qualijck. Sonder
wil ende macht te samen en wort geen doen of laten. Want derft de wille om wat
te doen macht, daar wort gheen werck af. Soo mede en wert niet gelaten, maar
ge- | | | | daan, t'gheen men wil laten: indien 't in onser macht niet en
staat om dat te laten. So zijn wille ende macht te samen genoech om de
(lees: ‘te’) doen t'geen men wil ende mach doen: insgelijcx om te
laten, t'geen men mach ende wil laten: sulcx dat waar dese beyde zijn versaamt,
ghedaan of gelaten wert, al datmen wil doen of laten. Maar om yet wel te
doen of te laten, behoeft daar by een derde, namentlijc Verstant. Want sonder
dat en is geen ware Kennisse der dingen, diemen wil doen of laten: ende sonder
ware Kennisse en doet of laatmen gheen ding wel. Want sonder Verstant en
kentmen goet noch quaat. Door dese Kennisse vliedt de wille altijt van 't
bekende quaat: ende jaaght altijdt na t'bekende goet. Daar dan macht is by
sulck Verstant ende Wille, wort altijt het quade gelaten ende t'goede ghedaan:
dat is wel leven. Soo zijn Wil, Macht ende Verstant noodigh ende oock
ghenoeghsaam om altijdt wel te leven.’
14
Er zijn duidelijke verschillen te signaleren. Het tweede voorbeeld
bezit een zeer heldere structuur. De paragraaf is verdeeld in alinea's; binnen
de alinea's bouwen korte, duidelijke zinnen het betoog op dat snel naar een
logische conclusie voert: wil, macht en verstand zijn noodzakelijk én
voldoende als voorwaarden om tot wel-leven te komen. Het eerste voorbeeld mist
dat analytische karakter. Er wordt wel gepoogd om een begrip te bepalen, maar
de schrijver verliest de scherpte van zijn definitie door binnen de definitie
reeds allerlei voorbeelden op te nemen (‘armoede’ tot en met
‘zieckte, ende doodt’). De vele etcetera's laten de lezer in het
ongewisse over de hoeveelheid mogelijke voorbeelden en dus ook over het te
omschrijven begrip. Het zinsverband is soms onlogisch. Na de eerste zin, met
‘droefheyt’ als onderwerp, volgt een nieuwe zin die als bijzin
inzet (‘Meynende…’). De bijzin blijkt echter een
hoofdzinfunctie te hebben; bovendien verschijnt er onverwacht een derde persoon
meervoud als zinsonderwerp: ‘zy’. Wie zijn deze ‘zy’?
Het wordt maar langzaam duidelijk: mensen met een verkeerde voorstelling van de
ware aard van de droefheid. Pas via een uitwerking van hun misvatting komt de
schrijver weer bij de droefheid terug. De lange constructie met al z'n
bijzinnen is onoverzichtelijk en schaadt de overtuigingskracht van het
betoog.
De tekst van 1556 heeft nog niet de logische bouw en de levendigheid
die het werk van de latere
Coornhert kenmerken. En er is meer. Vergelijking van
andere passages uit
Een corte beschrijvinghe van pijn ende droefheyt
en de
Hert-spiegel godlijcker schrifturen leert dat
Coornhert in 1556 nog niet toepast wat hij later tot in perfectie beheerst: het
ritmisch afwisselen van korte en lange zinnen en het opvoeren van spreektaal in
een serieuze tekst. Drie korte stukken uit de Hertspiegel ter
illustratie van zijn volleerde stijl.
‘Nochtans schrijft Petrus opentlijck, dat in
Pauli brieven sommige dinghen swaarlijck zijn om te verstaan.
Also. Maar seyt Petrus datse onmoghelijck zijn om te verstaan. (lees
‘?’) Swaarlijck ist een rijck mensche te komen in't Rijck der
Hemelen: seyt de Heere. Maar is dat onmoghelijck? Voorwaar neen, want wat by
den Menschen onmogelijck is, dat is licht by Gode.’
15
| | | |
‘Katten eten kattekruyt, Honden gras, elck Dier t'sijne dat
hem nut is, of tot sieckts verdrijvinge, of tot voedtsel elck na sijnder aart:
ende soude de Mensch met de Godtlijcke redene boven alle Dieren begaaft zijnde,
niet konnen mercken (so hy op sijn aart ende t'geschreven Woort aandachtigh
merckende, Gode daarom uyt noodt wilde bidden) hoedanigh hy is, ende wat
Waarheyts kennisse noodigh is in sijnen teghenwoordighen state?’
16
‘Seneca hadde een jong Meysken in zijn gezinde dat zot was.
Dat wert op een Nacht schielijck blint: t'welck tot zijn voedster, die't wilde
metter handt leyden, sprack: sorght voor dy selve, want het is nacht, de Lucht
is doncker, niet mijn Ooghen. Soo gaat het met de waansiende blinden oock toe.
Sy achten eer elck blindt te zijn dan haar selve. Ende soo sy struyckelen ende
vallen, schrijven sy't der Schriftuyren duysterheyt, niet haar selfs blintheydt
toe. Dat in haar is, seggen sy buyten haar te zijn. De Duysterheyt die in haar
oogen is, wijten sy het klare Licht des Evangeliums. Sodanigh is der
waansienders ende Schijndeughden blintheyt, die d'alder sorglijckste is. Sulcke
verschulden vanden Heere te hooren: Waardy blindt, so en haddet ghy geen zonde:
maar nu ghy segt wy sien, soo blijft u zonde.’
17
Wanneer gaat Coornherts prozastijl veranderen? Alle gegevens wijzen
erop dat de veranderingen zich voordoen vanaf zijn eerste vertalingen uit het
Latijn. Daar is te vinden wat vroeger zeldzaam was: een strikt logische bouw
van de paragrafen (ontleend aan het vertaalde voorbeeld), korte, heldere zinnen
(ook voor een deel te danken aan de Latijnse teksten), met ritme en prozarijm
om de structuur te verstevigen en te verfraaien. Uit de
Officia Ciceronis van 1561 volgt hier het begin
van hoofdstuk 14:
‘Van twee manieren van oorloghe. Maer men moet bouen al
de crijchsrechten inden ghemeen regimente onderhouden. Vvant soo daer
tweederley manieren van oorloge zijn, te weten een met vvoorden voort gherecht,
het ander met crachte: ende het rechten menschelijc, maer tvechten beestelijck
is: so en behoortmen het laetste met te aenuaerden, dan alsmen t'eerste niet en
mach ghebruycken.’
18
De hypothese van Overdiep, dat Coornherts stijl zich ontplooit door
zijn studie van het Latijn, laat zich nog preciseren. Binnen de klassieke
studie is het de voortdurende oefening van de ‘translatio’ geweest
die
Coornhert inzicht heeft verschaft in de
gebruiksmogelijkheden van het Nederlandse proza én in zijn eigen
vermogens de moedertaal naar zijn hand te zetten. P. van der Meulen, die
Coornherts komedies onderzocht, komt na studie van de stijl en de taal van de
toneelstukken tot de slotsom dat de ‘overgang van den ouden vorm naar den
nieuwen’ zich bij Coornhert voltrok tussen 1550 en 1567.
19 Op grond van het bovenstaande mogen we stellen dat de stilistische
overgang zich voltrok in de tijd dat Coornhert werkte aan zijn Latijnse
vertalingen: rond 1561.
| | | |
Niet alleen Coornherts stijl werd door het vertalen
gevormd. De oefening in ‘translatio’ bracht hem ook tot gefundeerde
ideeën over de waarde van de Nederlandse taal. De confrontatie met het
vreemde leidde tot reflectie over het eigene, en
Coornhert zou Coornhert niet zijn geweest als daar geen
stellingname uit voortvloeide.
In een gedegen studie heeft
L. van den Branden laten zien
20 hoezeer het
brede streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de
zestiende eeuw samenhangt met de bestaande waardering voor de klassieke
auteurs, met name de Latijnse. Van oudsher was goed, klassiek Latijn, zoals
bijvoorbeeld Cicero dat schreef, de norm voor elegant en geleerd
taalgebruik. Wanneer men in de Lage Landen, gestimuleerd door de Hervorming en
ontluikende gevoelens van lokale trots, de Italiaanse en Franse
volkstaalbeweging van de Renaissance gaat volgen, is dat niet uit weerzin tegen
de klassieke cultuur, maar juist uit liefde ervoor. Wie Cicero fraai in het
Nederlands weet te vertalen, draagt ten eerste bij tot het verbreiden van het
erfgoed van de Oudheid, en kan ten tweede laten zien dat de eigen taal, evenals
het Latijn, in staat is tot die zo gewenste combinatie van sierlijkheid en
geleerdheid. Voor het Latijn golden hoge normen van zuiverheid, helderheid en
elegantie; welnu, de vertalers wilden aantonen dat het Nederlands aan precies
dezelfde normen kon voldoen.
De weerzin van de zestiende-eeuwse taalhervormers gold dus zeker
niet het gebruik van het Latijn in wetenschap, poëzie of vaktaal. De
wrevel van de puristen werd gewekt door al die pedante gebruikers van het
Nederlands, die meenden dat hun taal (en hun status) het niet kon stellen
zonder gewichtige ontleningen aan het Latijn, het Frans of het Italiaans. De
vaktalen van juristen en medici waren aldus ‘verfraaid’ met woorden
als affirmeren, absenteren en prescriberen; op literair gebied zorgden de
rederijkers voor romanisering van de moedertaal door het invoeren van talloze
pseudo-Franse en pseudo-Latijnse ‘poëtische’ termen:
propoosten, autentijkelijck, couragie, lauderen. In de loop van de zestiende
eeuw groeit bij velen de overtuiging dat aan zulke taalvervuilers een halt moet
worden toegeroepen.
Van den Branden noemt 1550 als het werkelijke begin van de beweging
die het herstel van de Nederlandse taal beoogt.
21 De geschiedenis heeft laten
zien hoe succesrijk deze beweging is geweest. Men moet evenwel niet vergeten
dat het proces van zuivering en opbouw lang heeft geduurd. Tot ver in de
zeventiende eeuw wordt de quasi-gewichtigheid van krompratende artsen,
advocaten, notarissen en rederijkers belachelijk gemaakt: schermutselingen in
de achterhoede van een strijd die rond 1550 in alle hevigheid losbrandt.
Coornhert gaat zich volgens zijn eigen zeggen in het begin van de
jaren 1560 interesseren voor het purisme. In 1584 schrijft hij er namelijk over
in het voorwoord bij de
Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst, de
belangrijkste vroege Nederlandse grammatica.
22 De
Twe-spraack, gedrukt bij
Plantijn in Leiden, verscheen onder
auspiciën van de Amsterdamse rederijkerskamer ‘In Liefde
Bloeyende’. Coornherts vriend
Hendrick Laurenszoon Spiegel, in 1584 vijfendertig jaar
oud, is hoogstwaarschijnlijk een van de auteurs geweest. Door hem kan Coornhert
| | | | het verzoek bereikt hebben een ‘Voorreden’ te
schrijven, bestemd voor ‘Allen kunstlievenden Lezers’.
Coornhert begint als volgt:
‘Het zyn nu vriendlyke Lezer gheleden wel xx. Jaren, dat ick
bemerkende de overvloedighe ryckdommen onzer Nederlandscher talen enighen
onlust, daar inne nam datmen zó ghantschelyck zonder alle
nóód ghewoon was te lenen ende te lortsen (= over te nemen) van
vreemde talen, t'gheen wy zelve meer ende beter t'huys hadden, derhalven ick
voor my nam myn moeders taal weder in haar oude ere te brenghen ende haar
kleed, dat van zelfs ryckelyck was ende cierlyck, vande onnutte lappen ende
vuyle brodderyen te zuyveren, na myn klein vermoghen, welck myn voornemens
beghinne men heeft moghen zien komen int werck in enighe boexkens by my
vertaalt ende in druck ghegheven ende zonderling (= in het bijzonder) inde
Officien van Cicero […]’.
23
Coornherts ongenoegens over het onnodig gebruik van leen- en
bastaardwoorden in het Nederlands waren dus ten tijde van het verschijnen van
de
Twe-spraack al zo'n twintig jaar oud. Hij stelde
zich destijds reeds ten doel de Nederlandse taal te herstellen in haar rijkdom
en sierlijkheid en noemt zijn Cicerovertaling van 1561 als het begin van zijn
zuiverende werkzaamheden. Even verderop in de ‘Voorreden’ bij de
Twe-spraack onthult hij dat hij ooit zelf was begonnen een Nederlandse
grammatica op schrift te stellen, maar dat hij die onderneming weer had moeten
opgeven onder druk van de materiële omstandigheden.
24 Nu kan hij ‘allen
Nederlanders oud ende jong, man ende wyf’
25 het
gebruik van de Twe-spraack aanraden. Het is een leerboek dat de
Nederlandse taal wil verbeteren en de taal is immers het maatschappelijke
bindmiddel bij uitstek:
‘Want ghelyck de mensche zonder reden niet anders en zoude
zyn dan een ander onredelyck dier, alzó en is hy zonder de sprake niet
veel anders dan een wild beest. Ghemerckt (= aangezien) de sprake de menschen
verzelt verenicht ende te zamen koppelt met onderlinghe vrundlyckheyd ende
bediensticheyd: want de tale is een vroedwyf der zinnen, een tólck des
herten ende een schildery der ghedachten, die anders binnen den mensche
verborghen ende onzichtbaar zyn […]’.
Door de taal worden verholen gedachten aanschouwelijk, mits de
woorden van de taal zo duidelijk zijn dat ze ‘niet anders dan de klare
sterren inden duysteren nacht haar zelven openbaren ende verklaren’. Zo'n
begrijpelijke en tevens rijke taal vond men bij onze voorouders, aldus
Coornhert, maar onder ‘vreemde Heren ende vreemdtongighe
Landvooghden’ is die echter geleidelijk aan verbasterd geraakt. Een boek
als de Twe-spraack kan dat proces ten goede keren. Beter taalgebruik zal
twisten en misverstanden kunnen uitbannen en de deur naar de kunsten en vele
andere goede dingen openzetten. De gebruiker kan er goed spellen uit leren en
zal daarna opstijgen tot de hoogste trap van welsprekendheid in artistiek en
beroepsmatig gebruikt Nederlands. Dat geldt met name voor ‘jongskens van
acht jaren zulx dat hare verstanden niet min dan nu jonghers van veerthien
jaren (na de | | | | langhdurighe pynbancken der wetten vande Latynse
tale) bequaam zullen wezen tót alle ghoede kunsten.’ Zo moge,
sluit
Coornhert af, het met de
Twe-spraack begonnen werk gedijen ‘tot
der jonckheyds welvaren ende d'eer vande Nederlandse taal
ghezammentlick.’
Coornherts streven naar zuiver Nederlands, zo is de indruk die deze
‘Voorreden’ van 1584 wekt, richt zich vooral op het bevorderen van
het gebruik van de juiste woorden uit de rijke en geschakeerde
vaderlandse woordenschat. De retorische principes van ‘copia’ en
‘varietas’ laten zich hier gemakkelijk herkennen. Over zinsbouw
spreekt Coornhert niet; evenmin komt de stilistiek aan de orde, waarschijnlijk
omdat men in de zestiende eeuw de mogelijkheid van een specifiek-Nederlandse
stijlleer niet eens in overweging nam. Tot ver in de achttiende eeuw nog zouden
Latijnse auteurs als Cicero, Seneca en Tacitus dé stijlmodellen blijven
voor het proza in de Europese volkstalen.
De vrijwel exclusieve aandacht voor het puristische
woordgebruik is ook - het zal geen verwondering wekken na wat Coornhert
zelf hierover meedeelt - in de Cicerovertaling van 1561 al goed te onderkennen.
De inleidende bladzijden van ‘De vertaelder totten Leser’ vormen
Coornherts eerste systematische betoog over de moedertaal; ze verdienen hier
een uitvoerige parafrase.
26
De ‘hoochduytschen’ (= Duitsers), aldus de prille
vertaler, sparen kosten noch moeiten om hun taal te verbeteren. Ze zien het nut
in ‘van sherten meninge met eygentlijcke woorden te vertolcken’.
Wij in de Lage Landen daarentegen verdienen spot en blaam ‘als
roeckeloose versuymers der begrauen rijcdommen onser nederlantscher
talen’. De geleerden moesten eens flink in hun handen spuwen en aan de
slag gaan ‘om onse sprake te beteren, van vreemde woorden te reynighen,
van verdoruene te ghenesen, ende met haren eyghen natuerlijcken aert te eeren
doort afschuymen, wtmonsteren ende wech bannen vande Latijnsche, walsche (=
Franse) en vreemde woorden’. Maar helaas doen de geleerden dat niet.
Waarom niet? Ze zijn zelf de grootste taalbedervers. Ze leren het Latijn
namelijk eerder dan hun moedertaal (en hier kon Coornhert zijn handicap, de
uitzonderlijk late studie van het Latijn, eens even uitbuiten als een punt in
zijn voordeel!), en dientengevolge kunnen ze bij het vertalen hun Nederlands
niet goed toepassen. Ze behelpen zich dan fluks, ‘om tghemack’, met
Latijn, Frans of een andere vreemde taal die zij kennen. Dat levert
‘nootsakelijck een mengsel van spraken ende een rechte Babilonische
verwerringe’ op. De laatste veertig jaar, zo luidt de mening in 1561,
wordt het Nederlands geradbraakt, weggetrokken van het verwante Hoogduits in de
richting van het Latijn en het Frans. Eenvoudige mensen begrijpen zo de
officiële landstaal niet meer. Bij afkondigingen van overheidswege
bijvoorbeeld roepen de omroepers ‘Zegt het voort, zegt het voort!’.
Dat berust op een juridische overweging, ‘ten eynden dat niemant en
pretendere actie van ignorantie’. Zou het nu zo moeilijk zijn, vraagt
Coornhert zich af, om in plaats van dat laatste gewoon te formuleren ‘op
dat hem (= zich) niemant en ontschuldige met onwetenheyt der saken’? Van
dit argument stapt hij over op de eigen schrijfpraktijk.
Ondanks zijn bezorgdheid voor de kwaliteit van de taal blijkt
Coornhert in de praktijk van het schrijven gematigd als het aankomt op de
vervanging van leen- | | | | woorden. Er zijn leenwoorden, betoogt hij, die
al generaties geleden in het Nederlands zijn ingebracht en die een zeker
burgerrecht hebben verkregen: nature, conscientie en glorie zijn daar
voorbeelden van. Het zijn thans vooral de jongere schrijvers, zeker de
juristen, die er maar op los schrijven en daardoor vreemde lappen ‘opten
mantel onser spraken’ naaien en brodden, ‘recht oft een heerlijcke
ende rijckelijcke sake waer sonder noot vreemt behulp te bedelen’. Het is
zo ver gekomen dat burger en boer een tolk nodig hebben om een rechtszaak te
kunnen volgen.
Coornhert, ‘die mede ons tale eens gaerne
verchiert sage in haer selfs pluymen’, kondigt aan de Antwerpse
taalzuiveraar
Jan van den Werve te zullen volgen en
‘algemeen’ te schrijven in plaats van ‘generael’,
‘verlijckinghe’ voor ‘comparatie’,
‘gesellicheyt’ voor ‘societas’. Van den Werve was een
jurist en Coornhert hoopt natuurlijk dat andere rechtsgeleerden diens voorbeeld
en het zijne zullen volgen. Maar er bestaan ook leenwoorden die voorlopig nog
niet kunnen worden gemist. Hun Nederlandse equivalenten vindt Coornhert te
‘hard’, zeker voor een getrouwe weergave van Cicero's
‘soeticheyt’. Daarom zegt hij nog geen ‘zege’ voor
‘victorie’, ‘byspel’ voor ‘exempel’,
‘grontvest’ voor ‘fundament’ of
‘grootachtbaerheydt’ voor ‘authoriteyt’. Mettertijd wil
hij ze invoeren, naar we mogen aannemen in teksten die zo'n
‘hardheid’ wel kunnen verdragen.
Tot zover het woord van de vertaler tot de lezer van de
Officia Ciceronis. In Coornherts geschriften is
de vervanging van bastaardtermen door zuiver-Nederlandse woorden soms inderdaad
geen radicale ingreep geweest, maar een geleidelijk proces. Dat blijkt
bijvoorbeeld uit de
Boeven-tucht ofte middelen tot mindering der schadelyke
ledighghanghers, een verhandeling over het strafrecht die
voorstellen bevat om de bestraffing van delinquenten efficiënter en
effectiever te maken.
27 Van de Boeven-tucht kennen we twee
versies: een afschrift van het ontwerp dat Coornhert in 1567 in de
Gevangenpoort te Den Haag op schrift stelde, en de
definitieve gedrukte uitvoering, die twintig jaar later van de pers kwam bij
Harmen Muller in Amsterdam. De verschillen
tussen deze twee Boeven-tuchten komen bij vergelijking duidelijk aan het
licht.
28 Coornhert
heeft zijn tekst van 1587 aangepast aan de gewijzigde tijdsomstandigheden,
heeft hem in structuur en stijl helderder, eleganter en officiëler
gemaakt, en heeft puristische wijzigingen aangebracht.
Van den Branden
29 vergeleek de passages die overeenkomen en verrichtte een telling:
‘de helft van de bastaardwoorden uit het ontwerp van 1567 blijven
behouden, sommige worden door een Nederlandse term vervangen, enkele worden nu
eens vervangen en dan weer bewaard, twee worden breed omschreven en drie andere
vallen weg; ten slotte duiken een paar vreemde woorden in de nieuwe passages
op. Vermelden we nog, dat de opdracht aan de ‘Edelen ende gesanten der
steden in Hollandt’, waarin enkele van de opgetekende bastaardwoorden
voorkwamen, haast ongewijzigd worden overgenomen.’
Waarom Coornhert sommige vreemde termen wèl en andere niet
verving blijft vooralsnog een raadsel. Moest de Boeven-tucht als
officieel stuk toch niet te veel afwijkingen vertonen van het gewichtige idioom
van de ambtenaren die erover zouden oordelen? In ieder geval schreef Coornhert
in niet-ambtelijke context in die tijd een prachtig zuiver Nederlands. Zijn
Zedekunst dat is wellevenskunste van | | | | 1586, de eerste ethica in een Europese volkstaal, definieert
psychologische begrippen helder en beeldend, zonder toepassing van potjeslatijn
of pseudo-Frans. Ter illustratie een paar paragrafen uit het hoofdstuk over de
rede.
‘1. Na den eysch van dezen wercke (dat is zo ick kortste
mocht) heb ick ghesproken van 'smenschen wille. Daar van kome ick nu tot de
redene. Deze ist die den mensche (beneven zyne onsterflyckheyd) onderscheyd van
alle 't ander ghedierte. […] 3. […] Daar zynder die de
reden zegghen te wezen een ghezichte des gemoeds 'twelck het ghoede houdt
jeghens 'tquade ende zulx van elckanderen onderscheydet. 4. Hier uyt
verstaatmen nu des Redens werckinge, te weten die redenpleghing of
redenizeringhe te wezen een naarstighe bedencking van 'tghene men voor heeft te
doen of te laten. Want waar de reden int werck is, daar zyn de ghedachten
onledigh om uyt eenighe bekende dinghen andere die onbekent zyn, na te
spueren. 5. Zy springt of huppelt vant een opt ander. Daar anschouwt zy nu
ditte, dan datte, onderzoeckende wat ghoed is ende waarachtigh. De reden
bestiert de ghedachten, recht als een vrouwe vanden huyze hare maarten (=
dienstbodes), die anders int wilde zouden zwerven. Dit bevindt zich (= blijkt)
daghelyx int dromen. Daar en werdt dat stuyr niet ghehouden vande Redene,
derhalven het schip der ghedachten zonder zeker voornemen dryvende, vreemde
monstren ofte verbeeldinghen verthoont.’
30
Eenvoudige, maar treffende metaforen (de rede als huisvrouw met haar
dienstmeisjes of als stuurman op het schip der gedachten), gebruikt als
aanschouwelijke argumenten in een abstract betoog, zijn kenmerkend voor de
stijl van Coornherts proza. Voor een nadere kijk op de verschillende soorten
prozateksten van zijn hand is het nodig hier in te gaan op de klassieke
voorbeelden waarnaar een prozaschrijver in de zestiende eeuw zich kon
richten.
In grote trekken geschetst vertoont de beoefening van het proza in
de Oudheid zich als een gebied waardoorheen twee hoofdstromen vloeien.
31 Via de
‘latinitas’ van de Middeleeuwen en de volkstaalculturen van de
Renaissance bleef dit tweestromenland tot aan de Romantiek intact. De ene
stroming heeft haar grote vertegenwoordiger in Cicero (106-43 voor Chr.), de
tweede oriënteert zich op Seneca (ca. 4 voor Chr. - 65 na Chr.) en Tacitus
(ca. 55 na Chr.- ca. 120 na Chr.). De verschillen zijn opvallend. De
Ciceroniaanse of ‘Asiatische’ stijl is breedvoerig, sierlijk en
beheerst-evenwichtig. De ‘Attische’ stijl van Seneca is beknopt,
puntig en paradoxaal. Propageerde de ene schrijfschool zoetvloeiende harmonie,
de andere streefde veeleer verrassingseffecten na in klank en woordkeus.
Afhankelijk van het genre waarin ze schreven konden auteurs zich nu eens
ciceroniaans uiten, dan weer op de wijze van Seneca.
Coornhert kan zijn stijlkennis rechtstreeks aan de
Oudheid hebben ontleend; zijn ‘translatio's’ van Cicero, Seneca en
anderen kwamen al ter sprake. Daarnaast zal zijn intensieve lectuur van de
kerkvaders niet alleen theologisch, maar ook sti- | | | | listisch

19 Coornhert heeft in 1561 meegewerkt aan de oprichting
van een drukkerij te Haarlem, waar hij zelf ook verschillende werken
publiceerde. Deze prent van I. Saenredam geeft een fictieve drukkerij
weer.
| | | | profijt hebben opgeleverd. In zijn langere
teksten ontpopt hij zich als een echte ciceroniaan, maar zijn brieven verraden
af en toe een ‘Attische’ inslag. Een korte demonstratie van
kenmerken kan dit duidelijk maken. Allereerst enige belangrijke
ciceroniana.
Coornhert zorgt altijd voor een logische ordening en
overzichtelijke indeling van zijn stof. Langere teksten worden verdeeld in
boeken, hoofdstukken en paragrafen, niet zelden voorzien van titels en/of korte
samenvattingen in de marge. Als schrijver met overwegend didactische intenties
kon hij zich op dit punt uiteraard geen grilligheden veroorloven. Vervolgens
laat hij zijn teksten welluidend klinken, waarschijnlijk mede met de bedoeling
zijn publiek door aangename tonen aan zich te binden. Hij past binnenrijm,
alliteraties en assonanties toe, en weeft met eenvoudige woorden ingewikkelde
ritmische patronen.
‘Aldus doet het blindt verkiezen de ghelyckmoedicheyd
verliezen, het zot begheren de zoete rust ontberen ende is een quade
conscientie des ghemoeds pestilentie.’
32
‘Even zo rustighen ende lustighen leven als de maticheyd
veroorzaackt inden matighen menschen, even zo moeyelycken ende verdrietighen
leven maakt d'onmaticheyd voor haren dienaren, ende dit zo wel inden ghenen die
beneden als die boven de mate leven. Want zy doet in allen dinghen te luttel of
te vele. Zo plaaght zy zo wel den ghierighen doort magher hongheren, als den
quistghoed doort ghulzigh smetsen (= brassen). In beyden quetst zy de
nature.’
33
Evenals zijn tijdgenoten ondersteunt Coornhert zijn betogen
veelvuldig met citaten. Hij verwijst naar de Bijbel, naar de kerkvaders, naar
contemporaine theologen en ethici en natuurlijk ook naar de grote schrijvers
uit de klassieke Oudheid; hij gedraagt zich aldus als een zelfbewuste burger
van de Republiek der Letteren. Twee voorbeelden mogen volstaan: Homeros en
Cicero.
‘Deze lyflycke wellusten zyn voor den dierlycken menschen
niet dan zoetzinghende Syrenen om huer af te leyden van huer rechte vaderland,
ende een toversche Circe die den menschen in zwynen verandert door hare
zwynighe ende venynighe, maar zoetschynighe drancken.’
34
‘De pyne (zeyt een vanden Ouden) schynt te wezen d'alder
strengste vyand vande starckheyd. Die dreyght met vuyr ende met zwaard de
sterckheyd te overwinnen. Zal deze dueghde haar wycken? Zal de stercke man hier
onder legghen? Fy, dat waar lelyck.’
35
‘Een van de Ouden’ uit het laatste voorbeeld is Cicero.
De wellusten van het lichaam worden Syrenen en een Circe genoemd; een
verwijzing naar Homeros’ Odyssee en opnieuw een voorbeeld van
Coornherts vermogen om treffende vergelijkingen te formuleren. Eerder in dit
artikel bleek die techniek bij de omschrijving van de rede als een huisvrouw of
een stuurman op een schip. Dikwijls past Coornhert vergelijkingen toe om
geestelijke processen te verduidelijken: | | | |
‘Want ghelyck des menschen lichame werdt ghevoedt ende
ghesterckt doort nuttighen vanden brode, zo werdt des menschen ghemoede
ghesterckt doort ghenieten van waarheyd ende ghoedheyd.’
36
Hij houdt ervan met antithesen te spelen:
‘Want dit myn schryven niet en styght boven inde Hemelen,
maar diep nederdaalt inder menschen helle zelve, zo dat elck, dit naspuerende,
licht zal moghen verstaan of ick waarheyd dan loghen betuyghe.’
37
‘Dat ick boven die dieren met reden ben begaeft, hebbe ick
Gode te dancken; dat myn zinnen grof ende plomp zijn, te rekenen bij de grote
scherpsinnicheyt van
Calvijn ende
Beza, mercke ick lichtelyck ende hebbe doch Godt daeraf
niet (te) wandancken. Maer dat die twee scherpsinnige ende daerby noch so
geleerde mannen zich zo hoochlyck becommert hebben met veele schriften om een
zake zo claer, als gy segt, wezende te verclaren, heb ick my grotelyc te
verwonderen.’
38
Het gebruik van synoniemen is een beproefd middel om een betoog
kracht bij te zetten.
Coornhert volgt deze regel en plaatst zijn synoniemen
niet zelden in een reeks van drie, de klassieke drieslag. Naast de eigenlijke
synoniemen komen ook reeksen voor met een opklimmende intensiteit, de
climaxen.
‘Der ghedachten molen drayt onophoudelyck. Werpt daar inne
ghoede terwe, zy zal ghoed meel malen. Maar werpt ghy daar inne het kaf der
schilderijen vande naackte Venus, wat magh zy anders malen dan vierighe
onkuyschheyd, brandende begheerten ende heete minne?’
39
‘Dander vyanden moghen henluyden maar beschadighen an have of
an lichame, maar deze vyand verderft, dood ende vermoort d'edele ziele
eeuwelyck.’
40
‘Dit doet den kleynmoedighen altyd klaghen, elcken lastigh
zyn ende gheen teghenheyd wil draghen.’
41
‘Zo lezen, zo wroeten ende zo vernuftelizeren meest alle
partydighe lezers, niet tot huer verbetering, maar tot huer verbittering ende
quellinghe.’
42
‘Anders ist met die wreedheyd, die zelf onmenschelyck zynde
den menschen ontmenscht, tot wolven, beyren ende draken, ja tot duvels maackt
door haar verduvelde lust om te verderven.’
43
Een climax pur sang vinden we in de volgende serie van posities die
een mens op aarde kan bekleden:
‘Is iemand een welvarende ambachts man, die truert om dat hy
gheen ryck koopman en is; deze om dat hy gheen Burghermeester en is; die om dat
hy gheen Raadsheer, President, ja Grave, Hertogh, Koning noch Keyzer en is. Zo
is zelden yemand vernoeght (= tevreden) in zynen state.’
44
Kenmerkt een synoniemenreeks zich door herhalingen op woordniveau,
ook op | | | | het niveau van de syntaxis komen repeterende figuren voor.
Parallelle zinsbouw is bij
Coornhert geen zeldzaamheid:
‘Ist niet wel een deerlycke dwaasheyd datmen zynen besten
vrienden vyand is? Datmen pooght te vernielen die arbeyd om hem te
behouden?’
45
Als een van de fraaiste ciceroniaanse stijlmiddelen op zinsniveau
beschouwde men de anafoor: bij opeenvolgende, parallel geconstrueerde zinnen
wordt telkens het begin herhaald. Onder de anaforen gelden de
anaforen-in-drieën dan weer als de allermooiste. Geen wonder dat Coornhert
ze uit zijn pen laat vloeien:
‘Wie waar niet ghaerne ghenezen? Wie verkryght die
ghezondheyd niet, die zich begheeft onder dezen lieven ende waren
medecynmeester? Wie verblyt zich niet noodzakelyck niet alleen int verkryghen,
maar oock inde zekere hope van ghezondheyd?’
46
‘Wat gheboren Edelman doet wat tot zyn Edeldom? Wat starcke
man tot zyn angheboren krachte? Wat schoone vrouwe tot haar schoonheyd?’
47
De verdeling in drieën maakt een uitspraak evenwichtig en
intens. De ciceroniaanse retorica werkt graag met driedelingen, zowel bij de
indeling van een tekst-als-geheel als op het vlak van zinnen en woorden. De
tricolon of drieslag gold, en geldt nog steeds, als uitermate fraai en
indrukwekkend. Als stijlmiddel is hij bijzonder geschikt om het publiek in het
gemoed te treffen en tot stellingname te bewegen.
48
‘Wie wisselt niet ghaarne koper om ghoud, eyckelen om terwe,
loghen om waarheyd?’
49
‘Deze zaken zyn niemand te hooghe, yghelyck van noode ende
licht om te ondervinden in zich zelf, zomer (= zo men er) maar op wil acht
nemen.’
50
‘De temlust matight de hertstochten, bedwingt de lusten ende
mindert de begheerten, die onmatigh, ydel (= onnut, zinloos) of schadelyck
zyn.’
51
‘Wat vruchten ghenieten zy uyt die beestelycke luste doch
anders dan een verminderinghe van 'tghoed, een onghezondheyd int bloed ende een
truerighe wroeghinghe int ghemoedt?’
52
‘[Alzo] maeckt burgerkrijgh van goud schuym van broodwinners
ledighghangers ende van vlijtighe nuchtere godsvruchtighe niet dan luye
dronckene godlose luyden: ende werden daer door de steden ende landen besaeijet
met traghe ezels, verwoedighe beren, ende geltgierige ja bloetgierighe
wolven.’
53
Tot zover de stijlkenmerken die demonstreren dat Coornhert een
begaafd vertegenwoordiger was van de op Cicero stoelende prozatraditie. In zijn
langere teksten lijkt hij zich consequent ciceroniaans te uiten. In kortere
stukken, met name in zijn brieven, tapt hij wel eens uit een ander vaatje. Daar
is de korte, woordspelende en schokkend-abrupte stijl van Seneca herkenbaar. Zo
bijvoorbeeld in een brief aan
Cornelis Boomgaert: ‘Wat brenghtse (nl.deze brief)
met haer? waerlijck wat | | | | waerdighs, wat (niet aerdighs maer)
Hemelsch ten Hemelwaerts leydende.’
54
Het woordspelletje met het ambigu gebruikte ‘aerdigh’(kunstig
én aards, ‘van de aarde’) is aan een goede bekende
welbesteed; het laat zich raden dat een groot publiek niet al te dikwijls met
zulke vernuftigheden kon worden geconfronteerd. De overdracht van de boodschap
zou erdoor belemmerd kunnen worden. In brieven aan goede verstaanders gold dat
bezwaar niet; daar was een half woord voldoende.
Vooral de correspondentie met Coornherts jongere vriend
Hendrick Laurenszoon Spiegel is ‘Attisch’
van aard. Spiegel formuleerde zelf compact op het obscure af. Als
Coornhert hem schrijft lijken de brieven de
‘duistere luister’
55 van de stijl van de geadresseerde te willen
evenaren:
‘Verlanghen seyt men, doet wel lieven: maer het doet oock wel
leven, vriendt (ander ick) meyn ick. Ist niet leet lang lief te ontberen?
Langhe heb ick ontbeert u lieve brieven: maer ick heb die met gheen langh leedt
willen besuren. Nu brenghen my die onbesuyrt met het leedt verlanghen, een
langh lief aenlocksel tot verlanghen na meer. Maer ick laet my van geen
teghenwoordigh, ende seker leedt, om eenigh onseker toekomende lief vanghen,
komen hier meer sulcke brieven, die sullen my lief zijn int ghenieten, maer wil
om 't verlangens leet te korten, my den lieven tijdt, die huyden heet, niet
laten verdrieten. Waer toe dit langhe voorspel? Waerlijck komt uyt langhe
nasmaeck van u schrijven, dat heeft my een vrolijck lief sonder alle leedt
toeghebracht.’
56
Deze brief dateert waarschijnlijk van februari 1586. Coornhert
woonde als balling in Emden en had van Spiegel vernomen dat er
alweer een van diens kinderen was gestorven, het vijfde in vier jaar tijds.
Coornhert prijst en steunt Spiegels stoïcijnse houding: vijf kinderen heb
je moeten afstaan, één is er je gelaten, niet een was er aan je
beloofd. Wees dan dankbaar voor wat je nog hebt en klaag niet over wat je aan
God hebt moeten teruggeven. Waarna hij, met een woordkeus die
twintigste-eeuwers verbaast, doorgaat: ‘Want het moederkipje leeft nog,
en kan meer mooie kuikentjes verwachten.’
57 Een opmerkelijke formulering die aangeeft welke gesprekstoon er
vierhonderd jaar geleden tussen goede vrienden mogelijk was, maar die wellicht
mede is voortgekomen uit de conventies van de senecaanse stijl. Schok- en
verrassingseffecten waren daarin gewenste elementen van verlevendiging, bij
serieuze onderwerpen evenzeer als bij frivole.
Het genre van de tweegesprekken kent zijn eerste hoogtepunt in de
Oudheid met de socratische dialogen van Plato. De zestiende eeuw gebruikt de
dialoog graag en veel om actuele politieke en godsdienstige problemen te
behandelen. Twee (of meer) personen geven hun visie op een vraagstuk. Een van
de gespreksdeelnemers is uiteindelijk de winnaar van de discussie. Zijn of haar
mooiste kans om te winnen doet zich natuurlijk voor wanneer de tegenstanders
met hun eigen argumenten in het nauw kunnen worden gedreven. Dat was de
techniek die Socrates met succes toepaste. De lezer van een dialoog wordt als
vanzelf gedwongen om met de ver- | | | | schillende sprekers mee te denken
en partij te kiezen. Dit maakt de dialoog tot een krachtig didactisch
instrument.
Coornhert heeft dat terdege begrepen.
De talrijke dialogen die hij schreef bekleden qua stijl een
middenpositie tussen de ciceroniaans-welluidende betogen en de speelse
compactheid van zijn brieven. Het spannende spel van meningen en tegenwerpingen
wordt bij hem gespeeld in een heel natuurlijk aandoende spreektaal. Coornhert
verstond kennelijk de kunst te luisteren naar wat zijn tijdgenoten zeiden. Hij
wist hoe ze met elkaar spraken en omgingen in herberg of trekschuit. De taal
van zijn dialogen laat dat zien: die is aanschouwelijk en concreet. De
schrijver, volbloed didacticus, gebruikt die gewone omgangstaal om moeilijke
abstracte problemen in zodanige woorden en beelden te gieten dat ook een
eenvoudig publiek ze kan vatten. De lezer van thans die deze samenspraken ziet
zal meer dan eens menen werkelijke zestiende-eeuwse gesprekken bij te wonen.
Neem bijvoorbeeld het volgende stukje: het is het begin van de
‘Voor-reden’ bij de
Waarachtighe aflaat van zonden uit 1580. Een
gereformeerde (G) klopt, in de verwachting van een goed gesprek, aan de deur
bij Coornhert (C). Het is vier uur in de ochtend…
‘G. Goeden morghen vrundt, segt doch, woont hier Dirck
Volckherts Coornhert? C. Ja vrunt, ick bent, ghelieft u yet? G. Ja
waarlijc, goede man, soo vele, dat ick uyt een ander Landtschappe hier kome
reysen, om met dy te spreken, soo't dy nu ghelegen waere buyten versuym of
hinder, dat waar mijn wensche. C. Waer af suldy spreken? G. Van saken
de H. Schrift beroerende. Die gaen my boven al ter herten, ende die doen my
dese moeyten ende kosten doen. C. Dat hoor ick gaerne, daer af handele ick
oock boven alle dinghen gaerne. Dus sal ick oock gaerne, mijn andere saken te
rugghe stellende, met u daer af spreken vrunt. Comt binnen, sit ghy daer neder.
Ick sal mijn Maarte (= dienstbode) (als die opstaat [DVC]) bevelen dat sy tot
yeghelijck segghe, dat ick onledigh ben, soo moghen wy gants onverstoort
handelen. G. Tot noch toe verblijde ick my, door dien ick waarachtigh
bevinde twee saken, my van eenen, dy nyet ongonstigh zijnde (= iemand die jou
graag mag), geseyt. C. Men vindter soo wel die uyt al te blinde jonst
buyten waerheyt prijsen: alsmer vindt die uyt partijschappe hatelijck
schelden. G. My was geseyt dat du gaerne vroech op, oock dat du
ghespraacksaam biste. Dat bevinde ick noch soo. Anders hadde ick soo vroegh
nyet derren bestaan (= durven wagen) aan te kloppen, ghemerckt (= aangezien)
het noch eerst vier uren zijn. Oock en soude ick, die dy onbekent ben, dy soo
vrymoedigh nyet aenghesproken hebben. C. Spreeckt nu oock vrymoedigh van
t'ghene u sal believen. Zijn't saken die ick versta, ick sal antwoorden, of
anders, sal ick swijghen.’
58
Zwijgen heeft Coornhert overigens zelden gedaan. Wie de drie
foliodelen van zijn
Wercken uit de kast tilt en begint te lezen, komt
onvermijdelijk onder de indruk | | | | van de omvang van zijn produktie.
Die was gigantisch, zeker wanneer men rekening houdt met de late start van
Coornherts schrijverschap. Wie doorleest, realiseert zich vervolgens dat dit
werk, theoretisch als het is, maar zelden saai wordt. Coornherts stijl blijft
boeien. Binnen de verschillende schrijftradities die hij beheerst is zijn
woordkeus rijk en divers. Zijn syntaxis zit vol afwisseling, evenals de opbouw
van de grotere tekstgehelen. Betogende stukken worden verlevendigd met citaten,
spreekwoorden, anekdotes, regels lyriek, rechtstreekse gesprekjes met de lezer;
ironie en ernst houden elkaar voortdurend gezelschap. De retorische
‘copia’ en ‘varietas’ worden volledig verwezenlijkt.
Het jonge Nederlands blijkt zich in dit oeuvre als intellectueel
expressiemiddel te kunnen meten met het Latijn.
Toch lag hier Coornherts voornaamste bedoeling niet. De zoete taal
diende een hoger doel: het verkondigen van de waarheid. Zijn landgenoten, juist
diegenen die het Latijn niet machtig waren, moesten het aantrekkelijk vinden om
over deugd en waarheid te lezen, om vervolgens, zelf nadenkende en oordelende,
een eigen overtuiging te vormen. Dit móést gebeuren, vond
Coornhert. Hun zaligheid hing er immers van af? Niet de
onderwerping aan het gezag van welke geestelijke leidsman dan ook kon aan de
mens de zaligheid verschaffen, maar Gods genade en de eigen wil, mits die wil
werd gevormd op basis van een zuiver oordeel. Het oordeel was op zijn beurt
weer afhankelijk van de juiste kennis, en daar wilde Coornhert met zijn boeken
in voorzien. Hoe mooier en duidelijker hij schreef, des te meer mensen zouden
er tot kennis, waarheid en zaligheid willen geraken. Daarom behandelt hij
‘nieuwe stof in Neerlandsch’
59 en
daarom perfectioneert hij zijn stijl. Zoals hij het zelf uitdrukte, op de vraag
waarom hij eigenlijk schreef: ‘Laet dan o Heere u H. Gheest der waerheydt
alleen door my spreken tot uwer eeren tot alder menschen nut ende tot niemants
schade. Amen.’
60.
|
1H. Bonger,
Leven en werk van D. V. Coornhert
(Amsterdam 1978) 22.
3J.D.P. Warners,
‘Translatio-imitatio-aemulatio’, Nieuwe
Taalgids 49 (1956) 289-295; 50 (1957) 82-88, 193-201.
4Vooral door Erasmus' leerboek
De duplici copia verborum ac rerum van 1511
werden de begrippen ‘copia’ en ‘varietas’ gemeengoed in
de zestiende-eeuwse scholen. Zie S. F. Witstein,
‘Hoofts “Achilles en Polyxena”’,
in: S.F. Witstein, Een wettsteen vande ieught, ed. T. Harmsen - E. Kool,
met een inleiding door E.K. Grootes (Groningen 1980) 127-138, speciaal
136-137.
6D.V. Coornhert,
Wercken (3 dln.; Amsterdam 1630) 1, fol.
1b.
7Bonger, Coornhert, 26, 159 n.
27.
10Ibidem, 28-31, 363-372.
11G.S. Overdiep,
‘D.V. Coornhert’, in: F. Baur e.a. ed.,
Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden 3 (Antwerpen etc. 1944)
351-387, speciaal 354.
12Coornhert, Wercken 1, fol.
1b.
18Marcus Tullius Cicero,
Officia Ciceronis, vert. D. Coornhert,
(Haarlem 1561) fol. 13b.
19P. van der Meulen,
De comedies van Coornhert (Assen 1945)
16.
20L. van den Branden,
Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van
het Nederlands in de 16de eeuw (Gent 1956) 1-15.
22Twe-spraack vande Nederduitsche
letterkunst (1584), ed. G.R.W. Dibbets (Assen etc. 1985).
25De nu volgende parafrase van de
‘Voorreden’ is gebaseerd op Twe-spraack, 64-76.
26Officia Ciceronis, fol.
*6a-*8a.
27D.V. Coornhert,
Boeventucht, ed. A.-J. Gelderblom, M. Meijer
Drees e.a. (Muiderberg 1985).
28Ibidem, 14-21; Van den Branden,
Het streven, 74-75, 87-89.
29Van den Branden, Het streven, 74 n. 14,
88.
30D.V. Coornhert,
Zedekunst dat is wellevenskunste, ed B.
Becker (Leiden 1942; reprint Utrecht 1982).
31G. Highet,
The classical tradition. Greek and Roman influences on
Western literature (London etc. 1967) 322-354.
32Coornhert,
Zedekunst, 361.
35Ibidem, 326. Coornhert citeert Cicero,
Tusculanae disputationes v, 76
e.v.
38B. Becker,
Bronnen tot de kennis van het leven en de werken van D.V.
Coornhert (Den Haag 1928) 227.
39Coornhert, Zedekunst, 31.
48Highet, The classical tradition,
334.
49Coornhert, Zedekunst, 4-5.
53Coornhert, Boeventucht, 64.
54Coornhert, Wercken 3, fol. 90c.
55Aldus de titel van de oratie van M.A.
Schenkeveld-van der Dussen,
Duistere luister. Aspecten van obscuritas
(Utrecht 1988).
56Coornhert, Wercken 3, fol. 96ab. In
vertaling opgenomen in H. Bonger - A.J. Gelderblom ed.,
Weet of rust. Proza van Coornhert (Amsterdam
1985) 107.
57Bonger - Gelderblom ed., Weet of rust,
108.
58Coornhert, Wercken 1, fol.
250a.
59Coornhert, Zedekunst, 5.
60Coornhert, Wercken 1, fol.
461b.
|
|