|
|
|
| |
| | | |
| | De Haagsche Broeder-Moord: Oranje ontmaskerd
Lia van Gemert
*

De moord op de gebroeders De Witt. Ets van Jan Luiken.
Gemeente archief 's-Gravenhage (Historie 1672, augustus 20. Kl. form., nr.
35)
Op 26 april 1692 sterft in Rotterdam de strijdbare
dichter-industrieel
Joachim Oudaan. De laatste jaren waren zwaar geweest:
herhaalde beroertes hadden zijn lichaam afgebroken, half verlamd kwijnde hij
weg.
Zijn geest bleef echter tot het laatste toe helder en actief.
Vóór zijn dood regelde hij nog allerlei zaken met betrekking tot
de erfenis en verkocht zelfs zijn eigen huis. Over zijn literaire nalatenschap
maakte de dichter Oudaan zich ernstig bezorgd. Het verhaal gaat dat hij op zijn
sterfbed zijn dochter opdracht gaf het handschrift van zijn treurspel de
Haagsche Broeder-Moord in het vuur te werpen.
Heeft zijn dochter dat inderdaad gedaan? Kon ze zich ertoe brengen
het werk dat ze haar vader twintig jaar eerder, in het beruchte rampjaar 1672,
verbitterd en verbeten had zien schrijven, nu volgens zijn laatste wens te
vernietigen? Wist ze dat een paar goede vrienden van de dichter een afschrift
van het manuscript hadden?
De geschiedenis lijkt vaak gevuld met gaten. We weten niet eens
zeker wanneer, hoe vaak en door wie Oudaans tragedie gedrukt is. De eerste
uitgave ervan verscheen waarschijnlijk pas in 1712, anoniem en op een
gefingeerd drukkersadres (‘Tot Frederik-Stad, Bij
Johan Ernst Smith’). Twintig jaar na Oudaans dood
dus.
Wie was die dichter Joachim Oudaan en waarom was hij zo bang dat
zijn treurspel hem zou overleven? Wat was er precies gebeurd in 1672 en wat had
Oudaan daarmee te maken?
De Republiek der Verenigde Nederlanden, zoals Nederland in de 17de
eeuw heette, kende Joachim Oudaan (1628-1692) als succesvolle bedrijfsleider
van zijn eigen tegelbakkerij. Hij was niet alleen in zijn negotie
geïnteresseerd, maar stond ook midden in het intellectuele, politieke en
godsdienstige leven van zijn stad en zijn land.
Kennis van de oudheid behoorde tot de culturele bagage van elke
ontwikkelde 17de-eeuwer, ook bij Oudaan was dat het geval. Bovendien greep hij
als secretaris van de vermaarde Leidse geleerde
Pieter Schryver (Petrus Scriverius) zes
jaar lang de kans die kennis te verdiepen. Op basis van zijn grote verzameling
munten en penningen schreef hij een boek over de godsdienstige en zedelijke
geschiedenis van de Romeinen dat in oudheidkundige en numismatische kringen nu
nog als standaardwerk geldt (Roomsche Mogentheit,
1664).
Graag had hij eens een grote reis naar Rome gemaakt, om daar de
cultuur- | | | | schatten van de oudheid met eigen ogen te zien, maar de
kans op zo'n trip was hem door zijn godvruchtig- protestantse familie ontnomen.
Bang dat hij in het in haar ogen verdorven roomse Italië een verloren zoon
zou worden, koppelde ze hem listig aan de dochter van de tegelbakker
Stout. Nadat hij in 1656 met
Ewoutje Stout getrouwd is gaat
Oudaan in Rotterdam wonen, waar hij van
zijn schoonvader het tegelbakkersvak leert. Al spoedig neemt hij een
noodlijdende tegelbakkerij over, die hij in de loop der jaren tot een
florerende firma maakt.
Literaire ontwikkelingen volgde hij nauwgezet. Hij kende het werk
van belangrijke schrijvers als
Hooft en
Huygens goed en adoreerde
Vondel. Hij schreef veel gelegenheidspoëzie, onder
andere het gedicht dat op het standbeeld van
Erasmus in Rotterdam te lezen staat. Net
als
Vondel schreef hij tragedies over politieke en
godsdienstige onderwerpen. Vooral in zijn politieke werk kan hij fel tekeer
gaan, persoonlijk betrokken als hij zich voelt bij de politieke situatie in de
Republiek.
Oudaan heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij een
enthousiaste republikein was en dat hij van de Oranjes, met hun monarchistische
neigingen, weinig moest hebben. Zijn
Haagsche Broeder-Moord is één van
de vele bewijzen van zijn sterke voorkeur voor de staatsgezinde politieke
lijn.

Titelpagina van de uitgave van de Haagsche Broeder-Moord
uit 1712. Prae…fratrVm: vol blijdschap besmeuren zij zich met het bloed
der roemruchte broeders (Vergilius, Georgica II, 510). Deze versregel bevat een
chronogram (jaartalvers): de afwijkend gedrukte hoofdletters vormen als
Romeinse cijfertekens het jaartal 1672. Tot…Smith: dit drukkersadres is
waarschijnlijk verzonnen, mogelijk houdt de naam Frederik-stad verband met de
stad van die naam in Holstein, die in 1621 door remonstrantse uitgewekenen werd
gesticht
| |
De politieke situatie in 17de-eeuws Nederland
1672 is de Nederlandse geschiedenis ingegaan als ‘het
rampjaar’. Het is een jaar vol calamiteiten: Nederland dreigt de oorlog
met Frankrijk, Engeland en een paar Westduitse staten te verliezen, de handel
stagneert volkomen en op het totale dieptepunt vermoordt de Haagse bevolking
twee belangrijke regeringsfunctionarissen: de broers
Johan en
Cornelis de Witt.
Deze moord is eigenlijk het gevolg van de innerlijke verdeeldheid
die de Republiek der Verenigde Nederlanden in de hele 17de eeuw kenmerkt. Ze
lijdt aan ‘de Hollandse ziekte’: de voortdurende strijd om de macht
tussen de staatsgezinde (republikeinse) en de prinsgezinde (Oranje-)partij, een
ingekankerde kwaal die de patiënte telkens weer in een zware crisis
stort.
De twee partijen hebben verschillende idealen. De kern van de
staatsgezinde partij bestaat uit de regenten-kooplieden van het gewest Holland.
Zij zorgen vooral goed voor hun eigen handelsbelangen. Ze willen graag hun
eigen gang gaan, zonder van bovenaf steeds op de vingers gekeken te worden.
Binnen de steden zelf vormen ze de eliteburgerij, die met zoveel mogelijk macht
de lagere burgerij, georganiseerd in de gilden, en het grauw naar haar hand wil
zetten.
Niet alleen de gilden en het grauw kunnen het machtsstreven van
het kleine groepje regenten-kooplieden bedreigen, ook de calvinistische kerk
kan zijn gezag aantasten. De regenten vinden echter dat de kerk zich niet met
staatszaken heeft te bemoeien.
In de 80-jarige oorlog (1568-1648) had de Republiek onder leiding
van de Oranje-stadhouders gestreden tegen de absolutistische Spaanse koning,
die in zijn eentje alle regeringsmacht had. De republikeinse regenten zijn
doodsbenauwd dat het stadhouderschap tot monarchie uit zou kunnen groeien,
waardoor zij hun invloedrijke positie zeker aan de Oranjes kwijt zouden raken.
Dan zou de opstand tegen Spanje voor niets geweest zijn: de katholieke Spaanse
koning
Filips II zou vervangen zijn door een protestantse
Nederlandse Oranje met evenveel macht.
De republikeinse vrees voor een Oranje-koning is niet ongegrond.
De regenten weten maar al te goed dat de Oranjes populair zijn juist bij die
samenlevingsgroepen die zij zelf het meest vrezen: het volk en de
calvinistische kerk. Na
Willem de Zwijger, ‘Vader des Vaderlands’,
kan het Oranje-geslacht voorgoed op de steun van het volk rekenen, zeker als de
staat in een crisis verkeert, zoals in 1672.
De Oranjes hebben ook de steun van vooral de rechtzinnige
calvinisten. Met een Oranje aan de macht hebben de predikanten veel meer kans
op een invloedrijke positie dan onder een staatsgezind bewind. Daarom hebben ze
de neiging zich op een lijn met het Oranjehuis op te stellen: zeker in
crisistijd zijn ze ware voormannen van de democratische beweging en preken ze
nogal eens de stenen uit de straat. Stenen die vervolgens door de ruiten van de
staatsgezinden vliegen!
Als de Oranjes het in hun hoofd halen een monsterverbond met de
kerk en het volk te sluiten, kunnen de regenten hun ambities wel vergeten. Een
staatsgreep van de groepen boven en beneden hen zou het einde van hun macht
betekenen. Gelukkig heeft de staatsgezinde partij op haar beurt een expo- | | | | nent die de prins-stadhouder van de Oranjepartij aan moet kunnen: de
raadpensionaris van het gewest Holland.
Zo'n raadpensionaris was een belangrijk man in de politiek: in
zijn eentje handelde hij alle lopende zaken af. Naar 20ste-eeuwse begrippen
combineerde hij de functies van minister-president, minister van Binnenlandse
Zaken en minister van Buitenlandse Zaken. Als een raadpensionaris het slim
aanpakte kon hij dus een zeer machtig man worden.
In de 17de eeuw steekt ‘de Hollandse ziekte’ vooral de
kop op als stadhouder en raadpensionaris beiden sterke figuren zijn. Dan botsen
de prinsgezinden en de staatsgezinden vaak ongenadig hard op elkaar en kraakt
de Nederlandse Republiek in haar voegen.
De eerste grote confrontatie wordt door de orangisten gewonnen. De
overwinnaar heet
Maurits, zoon van
Willem van Oranje en stadhouder. De verliezer heet
Johan van Oldenbarnevelt, raadpensionaris van Holland.
De raadpensionaris heeft zijn macht fors overschat en dat komt hem duur te
staan. Op 13 mei 1619 wordt de oude Oldenbarnevelt op het schavot onthoofd. Het
volk juicht voor Oranje, de staatsgezinde regenten knarsetanden machteloos.
Een beroemde, staatsgezinde dichter durft het aan keer op keer
zijn politieke mening op papier te zetten:
Joost van den Vondel schrijft onder meer een
ontroerend gedicht over het stokje dat Oldenbarnevelts verslagen gang naar de
beul ondersteunde. In 1625, na de dood van Maurits, publiceert hij bovendien
zijn tragedie
Palamedes of Vermoorde Onnoselheit [onschuld],
waarin hij voor elke goede verstaander Oldenbarnevelt vurig verdedigt.
Net als Vondel ziet
Oudaan de staatsgezinden als de hoeders van Nederlands
ideologisch en economisch belang en moet hij niets van de Oranjepotentaten
hebben. 13 mei 1619 heeft achteraf diepe indruk op de Rotterdammer gemaakt.
Oudaan bezat het stokje van Oldenbarnevelt en het handschrift van Vondels
beroemde gedicht over dat stokje zelf. Gloeiend van verontwaardiging las hij de
Palamedes, die in 1672 het voorbeeld voor de
Haagsche Broeder-Moord zal worden. In 1650
ontstaat een nieuwe crisis tussen de prins- en staatsgezinden.
Willem II zet een aantal regenten gevangen op slot
Loevestein - vanaf die dag heet de staatsgezinde partij
‘Loevesteinse factie’ - en weer lijkt een Oranje te gaan winnen.
Willem II sterft echter plotseling aan de pokken en de weg is vrij voor een
nieuwe raadpensionaris om de staatsgezinde politiek door te voeren:
Johan de Witt.
In 1653 raadpensionaris van Holland geworden, grijpt Johan de Witt
zijn kans. In bijna 20 jaar bouwt hij een sterke machtspositie op.
Oudaan, die vanuit zijn Rotterdamse nering de politieke
gebeurtenissen op de voet volgde, zal tevreden zijn geweest met De Witts
glansvolle carrière. Maar… hoe hoger geklommen, hoe dieper de
val. Johan maakt in die 20 jaar één, fatale fout: hij onderschat
de kracht van de Oranjepartij en de populariteit van de Oranjes bij het volk.
Dat doet hem in het rampjaar 1672 de das om. In mei nog een van de machtigste
mogendheden in Europa, was de Republiek een paar maanden later vrijwel van de
kaart geveegd. De Witts positie blijkt niet sterk genoeg om de wanhopige
situatie waarin Nederland verzeild was geraakt op te vangen.
In crisissituaties roept het Nederlandse volk om Oranje en fungeren
de staatsgezinden als zondebok.
Oldenbarnevelt was als zondebok geslacht, de twee De
Witten stond hetzelfde lot te wachten. Maar waarom worden de broers zo
gruwelijk afgeslacht door een woedende volksmassa, waar Oldenbarnevelt nog
betrekkelijk rustig op het schavot aan zijn einde kwam?
Johan en Cornelis hadden de orangisten flink tegen zich in het
harnas gejaagd. Vooral Cornelis was zeer impopulair: hij stond bekend als
hebzuchtig en hooghartig. Nu de macht van de Republiek in Europa met de dag
daalt, grijpen de orangisten de kans de publieke opinie zodanig te
beïnvloeden, dat die zich tegen alles wat wittiaans is keert. Bovendien
staat er een nieuwe Oranje te trappelen om stadhouder te worden:
Willem III.
De Witt heeft geen enkel vertrouwen in hem, maar het
volk, opgehitst door de orangisten, wél. Steeds luider galmt de roep om
de nieuwe Oranje door de Nederlandse straten.
Na een aanslag op zijn leven, die hij overleeft, moet Johan wel
toegeven dat zijn machtspositie volledig is ingestort. Op 4 augustus neemt hij
ontslag als raadpensionaris en stelt prins Willem III zich als stadhouder aan
het hoofd van de regering. Johan zal het niet meer beleven dat de prins
Nederland van de ondergang redt. Zijn ontslag als raadpensionaris kon niet meer
voorkomen dat hij als hoofdschuldige aan de Nederlandse tragedie werd gezien.
En schuldigen moeten boeten voor hun zonden, als het volk dat zelf niet zag,
prenten invloedrijke predikanten en orangistische pamfletschrijvers het dat
graag in. Zo gaat De Witt op een tragische held uit een treurspel lijken: vlak
voor de catastrofe ziet hij in hoe de zaken ervoor staan, maar dan is het al te
laat om de ondergang nog af te wenden.
De hetze tegen de broers De Witt gaat ondanks Johans aftreden
onverminderd voort. In talloze pamfletten wordt Johan belasterd en beschuldigd
van landverraad: de oude Loevesteinse leus ‘Liever Frans als Prins’
heeft hij in praktijk gebracht door de Republiek aan Frankrijk te verkopen;
zo'n vuile landverrader verdient alleen nog de dood, en die broer van hem is
geen haar beter, die smeedt komplotten om de prins te doden!
Machteloos moet wittiaans Nederland aanzien hoe op 24 juli Cornelis
gearresteerd wordt. Ene
Tichelaar, chirurgijn uit Piershil,
beschuldigt hem ervan een komplot te hebben uitgedacht om de prins te
vermoorden.
In Rotterdam verbijt de dichter-industrieel
Oudaan zich. Dat verhaal van die Tichelaar is natuurlijk
lariekoek. Oudaans verontwaardiging | | | | groeit als het proces tegen
Cornelis op z'n zachtst gezegd verdacht verloopt. Cornelis blijkt onschuldig,
maar het opgehitste volk eist zijn schuld en zeker drie van de zes rechters
willen hem het liefst executeren. Het wordt nog net geen gerechtelijke moord:
Cornelis wordt eerloos verbannen. Dit vonnis was een juridisch onding en kon de
Haagse burgerij het gevoel geven dat ze nu wel het recht in eigen hand moest
nemen. De Haagse bevolking aarzelt niet lang: op de dag van Cornelis' vonnis,
20 augustus 1672, rekent ze in blinde woede af met Johan en Cornelis. De broers
worden op gruwelijke wijze gelyncht.
| |
Oudaans ooggetuigenverslag
Alsof hij heeft voelen aankomen dat het mis zal lopen, gaat
Oudaan op zaterdag 20 augustus naar Den
Haag. Alles wat hij die dag en de erop volgende zondag hoort en ziet,
schrijft hij in krachtige bewoordingen op in zijn
Memorie. Zijn gedetailleerd relaas maakt ons
ooggetuige van de rampzalige gebeurtenissen.

Kopie van Oudaans aantekeningen over 20 augustus 1672.
Uit: Stukken en Aantekeningen wegens […] het verschrikkelijk ombrengen
van de H(e)ren Jan, en Kornelis de Wit, verzameld […] door K.van
Alkemade (en) P.van der Schelling
's Morgens om halfacht al schrijft hij een opruiend gedicht over,
dat aan de Nieuwe Kerk is aangeplakt:
‘Belsebub schrijft uit de Hel
Dat Kees de Wit haast komen zel
Hij wacht hem in korte dagen
Maar zijn kop moet eerst zijn afgeslagen
En zijn broer is ook een schelm […]’
Het is nog rustig in Den Haag, maar dat verandert snel als het
vonnis van Cornelis, vergezeld van opruiend commentaar door Cornelis' aanklager
Tichelaar, als een lopend vuurtje door Den Haag gaat.
Van alle kanten stromen burgerij en gepeupel naar de
Gevangenpoort, waar het proces had plaatsgevonden. Om halftien
arriveert daar ook Johan om zijn broer op te halen. Oudaan heeft zo zijn
twijfels bij het bericht dat Johan gekregen heeft dat zijn broer uit de
Gevangenpoort vrijgelaten zal worden. Hij schrijft: ‘Doch sommigen menen,
dat dat van enigen zo was besteken [op die manier was georganiseerd] omdat men
ze dan | | | | beiden bijeen had.’ Als de broers om halfelf naar
huis willen gaan, versperren de burgers hun niet bepaald zachtzinnig de
weg.
Het wordt steeds onrustiger in Den Haag. Om drie uur
gaat
Oudaan opnieuw bij de Poort kijken. Hij ziet twee
compagnieën ruiters uit het Haagse garnizoen vertrekken op last van de
schutterij, gewapende burgers die zich bij de Poort hebben verzameld en het
grauw wat op een afstand houden. Vooral zilversmid
Verhoeff, aanvoerder van het blauwe vendel van de
schutterij, staat te popelen om de De Witten te executeren. Hij pocht dat hij
binnen een half uurtje het stadsbestuur de harten van de twee broers kan
bezorgen. Om halfvijf dringen Verhoeff en kornuiten, gewapend met geweren en
zware voorhamers de Gevangenpoort binnen. Johan en Cornelis worden
naar buiten gesleurd en vrijwel onmiddellijk doodgeschoten.

Afbeelding bij het anti-wittiaans pamflet Spiegel van
Staet. Vertoont in Mr. Kornelis en Ian de Wit. (Knuttelverzameling nr. 10203.)
Terwijl de slachters hun werk doen, vliegen twee ooievaars boven de plek des
onheils. Eén van de gedichten die Oudaan na de moord schreef heet
‘Aan de twee OOJEVAARS Vliegende over 't Groene Zootjen, onder het
moorden der Heeren Gebroederen DE WITTEN’ (Poëzy II, p.
200-203). Volgens het Waerlyck Verhael (Knuttelverzameling nr. 10463-4) vlogen
vóór de moord dagenlang twee ooievaars tussen het huis van Johan
de Witt, de Voorpoort en de wip van het schavot heen en weer
Oudaan beschrijft met een brok in zijn keel tot in het kleinste
detail tot welke gruwelijke slachtpartij de schutters en vervolgens het grauw
in staat bleken. In de
Haagsche Broeder-Moord keert deze uitgebreide
beschrijving van ‘de Duivelse Justitie’ terug. Als om een uur of
acht 's avonds de grootste oproerkraaiers de lijken open willen snijden om de
harten en andere organen eruit te halen, kan Oudaan het niet meer aanzien en
vertrekt. Omstreeks middernacht waagt de familie het om de overblijfselen, nog
slechts lege rompen met wat uitsteeksels eraan, over te laten brengen naar
Johans huis. Terwijl door Den Haag liedjes klinken als ‘Waarom zijn de
Witten gesneuveld door het musket? Omdat ze de Prins van zijn ambten hebben
ontzet’, koopt Oudaan de volgende dag - luguber detail - de voorste
vinger van Johan ‘voor twee schellingen en een kannetje oud bier, en drie
stuivers voor de brandewijn, waar ze die nacht in had gelegen’. Diezelfde
zondag preekt
ds. Simonides in een stampvolle Haagse kerk over de wraak
van God die terecht de De Witten heeft getroffen. Oranje boven, De Witten
onder!
| |
Oudaans afrekening
Onze geschiedenisboekjes geven een vrij nuchtere verklaring
achteraf voor deze uitzinnige moordpartij: het land leek reddeloos, de regenten
waren radeloos, was het gek dat het volk redeloos reageerde? Maar daarmee is de
zaak niet afgedaan!
Oudaan gelooft niet in een spontane reactie van het
redeloze volk dat een zondebok zocht. De officiële geschiedschrijving
houdt
Willem III voor onschuldig, Oudaan niet. De laatste
zin van zijn
Memorie luidt: ‘Dus is het einde geweest
van die twee Heren, God weet wie de oorzaak is.’ Hij twijfelt er niet aan
dat de broers onschuldig slachtoffer zijn geworden van een orangistisch
komplot, waarvan de prins de spil geweest is.
De zaak laat hem niet los: de aanblik van Johans vinger, op sterk
water gezet en zorgvuldig opgeborgen bij het stokje van Oldenbarnevelt, maakt
hem steeds weer verdrietig en woedend. Hij schrijft een paar gedichten over de
moord die hij wijselijk onder het pseudoniem
R(aadt) D(aar) N(aar) publiceert;
zijn politieke visie zou hem, met Oranje aan de macht, zelf wel eens de kop
kunnen kosten.
Een paar gedichten alleen zijn echter bij lange na niet genoeg om de
De Witten te eren en vrij te pleiten, voor echt belangrijke zaken kende de
17de-eeuwse literatuur maar één adequate vorm: de tragedie. In
het treurspel, toen het belangrijkste literaire genre, voerden gruwelijke
gebeurtenissen hooggeplaatste personen naar een rampzalig einde, precies zoals
de De Witten door de afschuwelijke gang van zaken aan hun tragisch einde
kwamen. Volgens het verhaal besluit Oudaan na een bezoek aan de weduwe van
Cornelis zijn visie op de gebeurtenissen in een tragedie vast te leggen. Van
het treurtoneel in de werkelijkheid maakt hij een treurtoneel op papier: de
werkelijkheid ís voor Oudaan een tragedie.
Oudaan schrijft een politiek drama: het politieke doel staat
voorop, de kunst is secundair. Het belangrijkste doel van de schrijver is
invloed uitoefenen op de politieke meningsvorming door zijn eigen partij te
verdedigen en de andere aan te vallen. Vondels
Palamedes was voor
Oudaan een zeer geschikt voorbeeld van een politieke
tragedie. De twee schrijvers hadden dezelfde mening: die vermaledijde
Oranje-potentaten (Maurits en
Willem III) nemen het recht in eigen hand en vermoorden,
met de steun van kerk en volk, hun tegenstrevers (Oldenbarnevelt
en
Johan de Witt). Het eigenbelang van de Oranjes prevaleert
boven dat van het land en hun domme machtspolitiek brengt Nederland in groot
gevaar. Johan de Witt was een tweede Oldenbarnevelt, de
Broeder-Moord moest een tweede
Palamedes worden.
Vondel was nog enigszins voorzichtig geweest in de Palamedes:
hij had zijn visie op de moord verpakt in een gedramatiseerde episode uit de
Trojaanse oorlog. Oudaan weigert een blad voor de mond te nemen: in de
Haagsche Broeder-Moord worden alle personen bij
hun echte naam genoemd en de schuldigen nog duidelijker dan in de
Palamedes aangewezen.
Oudaan probeert zijn reconstructie van een orangistisch komplot
aannemelijk te maken. Hoe bouwt hij zijn pleidooi voor de juistheid van de
wittiaanse politiek en zijn heftige aanval op de orangistische partij op?
In de vijf bedrijven van het toneelstuk spitst de discussie zich
steeds toe op een punt: zijn de De Witten schuldig aan landverraad of niet?
Oudaan laat in de discussie verschillende groepen uit de samenleving aan het
woord.
In het eerste bedrijf zijn dat twee bastaarden uit het
Oranje-geslacht:
Zuylestein en
Odyk. Odyk, de felste van de twee, twijfelt er niet aan
dat het komplot, dat morgen zal worden uitgevoerd, zal slagen. De prins stemt
er immers mee in en ook het volk is al flink opgehitst. Het wordt hoog tijd dat
die vuile landverraders eraan gaan. Zuylestein heeft minder vertrouwen in de
zaak. Hij stelt voor de predikanten
Simonides en
Landman, notoire vijanden van
De Witt, te vragen de volks- | | | | woede extra aan
te wakkeren en voor een morele rechtvaardiging van de moord te zorgen. De
dominees verwachten van de kant van de prins grote voordelen voor hun kerk en
zeggen daarom maar al te graag hun medewerking toe. Ze verheugen zich al op de
komende zondag, dan zal het na gedane arbeid goed rusten zijn.
In het tweede bedrijf wil Johan Cornelis gaan afhalen van de
Gevangenpoort. De familie
De Witt vertrouwt het zaakje niet en wil dat Johan thuis
blijft. Johan gelooft niet dat het volk zich aan hem en Cornelis zal
vergrijpen. Hij heeft een zuiver geweten en kan daarom vol vertrouwen zijn
leven in Gods handen leggen. Rustig gaat hij naar de
Gevangenpoort.
Na de Oranje-top, de kerk en het gezin De Witt is het in het derde
bedrijf de beurt aan de Haagse burgerij haar mening te geven. Een aantal
burgers, op wacht voor Cornelis' gevangenis, discussieert opgewonden over de
schuld van de twee broers. De meesten zijn hevig verontwaardigd dat Cornelis
slechts verbannen wordt. Daar komt Johan aanwandelen en de deur van de
Gevangenpoort valt achter hem dicht. Nu gaat de zaak de goede kant op! Nog even
en dan…
In het gewoel verschijnt de koets van Johan om de broers op te
halen. Maar dat gaat zomaar niet! De burgers hangen hen liever op dan ze een
vrije aftocht te geven. Ook het bloed van de oude
Jacob de Witt kunnen ze wel drinken. Ze zijn zo
opgewonden dat ze niet eens goed naar de koetsier kunnen luisteren:
| Beernaart: | Waar is de oude schelm, de
Loevesteinse hond ? |
| Koetsier: | Hij zit hier in de koets. |
| Arent: |
Zit hij er in ! |
| Goossen: |
Daar binnen ! |
| Dierryk: | De Vaêr zit in de
Koets. |
| Koetsier: |
'k Zeg dat niet, al met zinnen [wees redelijk]; |
| | Gij vraagt mij naar de hond. |
| Goossen: |
Wij hebben hem, de Vaêr ! |
| Warrenar: | De Witt zit in de koets, de ouwe
! |
| Koetsier: |
't Is niet waar. |
| Warrenar: | Je zegt het. |
| Koetsier: |
'k Zeg het niet: hoe roep je zo voorbarig ? |
| | (r. 1632 - 1637) |
Wat een teleurstelling! Niet vader De Witt maar de hond van de
familie zit in de koets. Op dat moment verschijnt
dominee Simonides. Hij steekt de ontevredenen een hart
onder de riem. De koetsier kan nog net wegkomen; Johan en Cornelis worden
resoluut terug naar binnen gestuurd.
Het vierde bedrijf speelt in de Gevangenpoort. Johan en
Cornelis worden door een groepje burgers scherp verhoord. Johan beseft dat ze
verloren zijn, maar hij blijft zich rustig tegen alle beschuldigingen
verdedigen. Plotseling wordt er op de deur geschoten, waarop de grootste
onverlaten van de burgers binnenvallen en de broers met ruw geweld naar buiten
drijven, waar het bloeddorstig gepeupel staat te wachten.
In het vijfde bedrijf hoort de familie verslagen het relaas van de
moordpartij aan.
Oudaan gebruikte hiervoor zijn
Memorie en geeft ons daarmee een staaltje van
werkelijkheid die literatuur wordt. Hij beschrijft bijv. de werkzaamheden van
het grauw:
‘Waarop men valt aan 't werk met snijen, en met
villen,
En drijft een Koopmanschap
1van
wat d'omstanders willen,
Met oren, lippen, neus en d'uitgesneden tong
Van Jan, en ving'ren, die men afwreekte
2, en
draaide, en wrong,
Of dat het knarste op 't been afzaagde
3, en 't vlees aan
stroken
Gesneden
4, spreekt men
alhier van braden, en van koken.
Predikant Simonides vergelijkt het afsnijden van de
ledematen met het afsnijden (verkwanselen) door Johan van de delen van
Nederland. Zelfs Simonides wordt het even te veel, maar na een paar borrels
komt hij weer naar ‘het bloedig moordbedrijf’ kijken.
‘ Nu had men van de buik het deksel weggesmeten
1,
Dies werd wat manlijk was hen van het lijf gereten,
Met een ontuchtigheid van woorden, en gelaat
2,
Als op die handel past; de buik geopend, gaat
De hand in 't ingewand, om 't hart daar uit te halen:
Doch wat behoef ik u dit woeden af te malen?
Die dolle blijdschap
3 nam geen einde:
lever, long,
En reuzel, diende voor de proef van tand, en tong,
Of werd de honden voorgesmeten; en de darmen,
Haar vattende in de mond, gevademd
4 over
d'armen:
Men plensde met het bloed op veelderlije wijs;
Waar elk zich schrik'lijk mee bezoedelt, als om prijs;
Deze slorpten 't uit de hand; die, met er in te
plassen,
Verzwoer zich dat hij nooit zijn handen af zou wassen,
Waaraan het bloed gedroogd mocht afgaan mettertijd;
Als willende dat het dus van langerhand
5
verslijt.’
| | | |
Zilversmid Verhoeff gaat trots de harten laten zien aan
de prins, die in de buurt van de Vijverberg gespannen op de afloop
wacht.
In
Johan de Witts huis worden intussen de lijken
binnengebracht. Jacob begint te malen als hij de resten van zijn eens zo
beroemde zonen ziet. Eerst beseft hij niet eens dat het zijn dode kinderen
zijn:
‘Wat doen hier deze onnutte krengen ?
Deze afgevilde stukken vlees ?
Men mag ze wel naar buiten brengen:
'k Wou dat men mij mijn Zonen wees.’
Vervolgens meent hij ze in levenden lijve te zien:
‘Nu triumfeer ik in het midden
Van bei mijn Zonen: welk een vreugd
Gevoel ik om hun Heldendeugd!’
Langzaam dringt de verschrikkelijke werkelijkheid tot hem door:
‘Och, och, och, och, och, och, och, och!
Ik voel dat mijn zinnen dwalen,
En dat mijn zwakheid raakt aan 't malen
Op ijdelheid, en vals bedrog
1:
Mijn Zonen van 't geweld verslonden,
Zijn dus vermoord; nu wijs me, is dit
Kornelis ? en dit
Jan de Witt ?
Vaarwel mijn waardste, ik kus uw' wonden;
Opdat ik mij te rugge keer:
2
Och, och, och, och! ik ken niet meer
3.’
De familie De Witt moet het onveilige Den Haag
verlaten.
| |
De ‘Haagsche Broeder-Moord’ als politiek
drama
De
Haagsche Broeder-Moord of Dolle Blydschap draait
om het conflict tussen prins- en staatsgezinden in 1672.
Oudaan buit de polemiek tussen de groepen goed uit: in elk
bedrijf komt een heel scala van tegen de De Witten gerichte beschuldigingen van
landverraad aan de orde, die door wittianen weerlegd worden. Zo wordt het
toneelstuk een netwerk van aantijging en weerlegging.
Verschillende belanghebbende groeperingen uit de samenleving voeren
in onderlinge samenwerking de aanval op de twee broers uit.
Zuylestein en
Odyk, orangistische kopstukken, hebben met de prins het
plan bedacht. Ze kunnen rekenen op de steun van de kerk, in de personen van
Simonides en
Landman en van enkele beruchte volksopruiers:
Tichelaar, die Cornelis vals aanklaagt en
zilversmid Verhoeff, die op de beslissende dag de
stemming van de menigte tot het kookpunt brengt en zich aan het hoofd van de
executeurs stelt.
De 20ste augustus verloopt in Oudaans ogen volgens orangistisch
plan: Johan wordt door een briefje van Cornelis naar de
Gevangenpoort gelokt;
Tichelaar kraait oproer over Cornelis' veel te zachte
vonnis en
Verhoeff bewerkt de menigte, voor zover nog nodig. De
burgers zijn onderling verdeeld, maar de hardste schreeuwers winnen, op een
belangrijk moment bemoedigd door
ds. Simonides. De grootste schuldige van allemaal blijft
op het toneel en in de werkelijkheid achter de schermen:
Willem III. Maar voor God kan niemand zich verbergen en
zijn wraak zal de prins nog treffen.
Over de onschuldigen laat Oudaan evenmin twijfel bestaan: de twee
broers De Witt, die zich beiden met hart en ziel hebben ingezet voor het belang
van het land. Hun valt geen landverraad te verwijten, integendeel, alle
beschuldigingen tegen hen zijn onterecht. Johan is de tragische hoofdpersoon in
het drama: hij kan zijn dood ontlopen door niet naar Cornelis te gaan, maar
gaat, volledig op God vertrouwend, toch naar de Gevangenpoort. Daar wordt de
ware aard van de situatie hem al te duidelijk, maar dan is het al te laat. Toch
blijft Johan zich rustig verdedigen, hij weet dat hij het recht aan zijn kant
heeft. Als een ware Christus neemt hij doelbewust zijn dood op zich en hij
sterft als een martelaar. Voor
Oudaan is Johan, net als Christus, een onschuldig lam
dat voor een goede zaak geofferd wordt.
Om deze visie meer kracht bij te zetten maakt Oudaan slim gebruik
van de rei van Natuur- en Staat-Beschouwers, een groep die ethisch en
politiek commentaar levert. In veel 17de-eeuwse tragedies gebruikt de auteur
‘reien’ om op momenten dat de handeling stilligt, zijn mening over
de gebeurtenissen te geven. Meestal vergelijkt hij deze met algemene situaties
buiten het stuk om, vaak ook met specifieke historische situaties die het
publiek goed kende. Vooral de rei moet het toneelstuk met het dagelijks leven
verbinden en datgene wat de auteur met zijn drama bedoelt extra duidelijk
maken. De auteur kan dus via de rei heel goed zijn mening over de
gebeurtenissen kwijt, niet zelden verbindt hij er ook een waarschuwing naar de
toekomst aan.
Bij Oudaan bestaat de rei, hoe kan het anders, uit aanhangers van de
wittiaanse partij, maar hij geeft ze een neutrale naam - ‘Natuur- en
Staat-Beschouwers’ - en geeft daarmee aan dat iedereen die objectief de
staatszaken beschouwt, per definitie het wittiaanse standpunt inneemt. Aan het
slot van het spel waarschuwt de rei
Willem III zelfs duidelijk voor de wraak van God! Voor
het publiek moet de zaak nu wel overduidelijk zijn. God staat aan de kant van
Johan, die hetzelfde lot als Christus ondergaat. De orangisten, met name de
prins Willem III, zullen zich tegenover God voor deze vervloekte daad moeten
verantwoorden. Geen wonder dat Oudaan zijn politieke tragedie niet kon
publiceren tijdens het bewind van Willem III. Publikatie zou zelfmoord geweest
zijn, wat dat betreft waren de verwikkelingen rond
Palamedes een waarschuwing geweest.
Vondel publiceert zijn tragedie pas in november 1625, als
zíjn zwarte schaap,
Maurits, net dood is. Ondanks de alle- | | | | gorievorm wordt het boek bijna meteen verboden. De auteur moet een tijdje
onderduiken om zijn leven te redden en komt er ten slotte van af met een
geldboete.
Palamedes werd hierdoor overigens een bestseller:
in enkele maanden verschijnen zeven drukken en zelfs in 1707 werd het nog
herdrukt. Pas in 1663 - midden in het stadhouderloze tijdperk waarin
De Witt het bewind voerde - werd het voor het eerst
opgevoerd, in Rotterdam.

‘De lijken van de gebroeders De Witt, opgehangen op
het Groene Zoodje aan de Vijverberg te Den Haag, 1672.’ Toegeschreven aan
Jan de Baen. Op de voorgrond de dode kat die ook in Oudaans tragedie voorkomt
(r. 2597, 2627). Rijksmuseum, Amsterdam.
Oudaan zal heel goed beseft hebben dat zijn
rechtstreekse, niet-allegorische beschuldigingen aan het adres van bestaande
personen als
Zuylestein, Odyk, Simonides, Landman en de prins zelf
elke opvoering of zelfs maar publikatie bij voorbaat uitsloten zolang Oranje
aan de macht was. Stadhouder
Willem III had op 16 september 1672 al in niet mis te
verstane bewoordingen enkele fel anti-orangistische pamfletten laten verbieden.
Auteurs, drukkers en verkopers ervan zullen zonder pardon een proces aan hun
broek krijgen en allen die drukkers of auteurs aanbrengen, krijgen een premie
van f 500,-, in 20ste-eeuws geld zeker f 25.000,-.
In Nederland is de
Broeder-Moord nooit opgevoerd; het is overigens
de vraag of de dichter het voor opvoering geschreven heeft. Het is bepaald niet
het meest pakkende toneelstuk uit die tijd! Voor een groot deel ligt dat aan
Oudaans moeilijke en stroeve taalgebruik. De tekst is weerbarstig en bekt niet,
zeker niet voor ons.
Oudaan heeft bovendien zijn visie niet in een spannend
geheel vol actie weten te verwerken. Hij heeft gekozen voor de opzet van
redenering en tegenredenering die leidt tot lange, ingewikkelde dialogen. In
zijn ijver om de zaak zo waarschijnlijk mogelijk voor te stellen vervalt de
dichter in herhaling van een enorme massa historische details, die voor de
20ste-eeuwer lang niet allemaal bekend meer zijn. Het statische karakter en de
uitzonderlijke lengte van de
Broeder-Moord (meer dan 3000 regels, een
17de-eeuwse tragedie telt zelden meer dan 2000 regels), zouden zelfs voor het
uithoudingsvermogen van het taaie 17de-eeuwse publiek teveel geweest zijn.
Oudaan had zijn tragedie veel speelbaarder kunnen maken als hij meer
nadruk op de beleving van de gebeurtenissen door de personages had
gelegd. Vooral de mogelijkheden die de tragische val van Johan bood laat hij
onbenut. Het onafwendbaar naderende onheil draait ten slotte uit op een
regelrechte ramp. Het tragische, meelijwekkende van die ramp gaat nu te veel
verloren in Oudaans reconstructie van het hele gebeuren op 20 augustus. Het
treurspel telt daardoor maar weinig pakkende scènes, als toneelstuk
sleept het zich naar het eind.
Alleen het derde bedrijf, waarin de burgers hun standpunten innemen,
lijkt redelijk speelbaar. Daar probeert Oudaan ook een volksere taal te
schrijven, waardoor de brede, zware gang van de eerste twee bedrijven
doorbroken wordt. In de scène met de koetsier toont hij wel degelijk
gevoel voor toneel te bezitten. Ook in het laatste bedrijf, met het
huiveringwekkende relaas van de lynchpartij, levert de verstandsverbijstering
van Jacob bij het zien van de lijken treffende taferelen op. Maar verder valt
er toneelmatig weinig meer te verhapstukken. Heeft Oudaan, in de ban van de
noodzaak tot uitgebreide verdediging en ophemeling van zijn helden, de
speelbaarheidsfactor uit het oog verloren? Of | | | | heeft hij bewust
voor de breedvoerige vorm gekozen, omdat hij wel zag dat zijn tragedie in een
Nederland waar een Oranje koning kraaide, toch de planken niet zou halen?
| |
Besluit
Als we de datering mogen geloven heeft
Oudaan het toneelstuk in april 1673 voltooid. Zijn
visie op de gebeurtenissen was duidelijk: een laaghartig komplot leidt tot de
moord op boven alle twijfel verheven onschuldige slachtoffers, waardoor de
Republiek de nekslag krijgt toegediend. Niet
De Witt maar Oranje bracht Nederland aan de rand van
de afgrond. Oudaans persoonlijke monument voor de twee De Witten was
tegelijkertijd zijn persoonlijke afrekening met de ware schuldigen achter hun
tragisch einde: de orangisten.
In de volgende jaren blijkt de politiek van
Willem III mee te vallen en Oudaan gaat gunstiger over
hem denken. Mogelijk heeft dat ertoe bijgedragen dat hij zijn verwoestend
oordeel uit 1673 nog pal voor zijn dood wilde vernietigen. Of wilde hij zijn
vroegere werk niet verloochenen, maar vreesde hij voor de gevolgen van een
ontijdige publikatie ervan voor zijn familie? Zo'n vrees was uiteindelijk niet
ongegrond: waarschijnlijk pas in 1712, tijdens het tweede stadhouderloze
tijdperk, verschijnt de fel anti-orangistische
Haagsche Broeder-Moord in druk, en dan nog
anoniem op een verzonnen adres.
| |
Literatuuropgave
De Haagsche Broeder-Moord of Dolle Blydschap
is het enige onderdeel van Oudaans oeuvre dat in een moderne uitgave ter
beschikking staat. Het treurspel werd in 1982, voorzien van een inleiding en
uitvoerige annotatie, uitgegeven door een werkgroep van Utrechtse neerlandici.
De tweede druk van deze uitgave (1984) is te bestellen bij het Instituut de
Vooys voor Nederlandse taal- en letterkunde, Padualaan 14, 3508 TB Utrecht. In
deze editie vindt men een uitgebreide literatuur-opgave evenals in H.H. Rowen,
Johan de Witt, Grand Pensionary of Holland, 1625-1672. Princeton, 1978.
Verder noem ik hier: L. Brummel, ‘Rondom Joachim Oudaan's Haagsche
Broeder- Moord.’ In: Opstellen aangeboden aan F.K.H. Kossmann.
Den Haag, 1958; R. Fruin, De oorlog van 1672. Groningen, 1972; J.E.
Haijer, ‘De moord op de gebroeders De Witt.’ In: Spiegel
Historiael 1967, nr. 7/8, p. 417-424; N. Japikse, Johan de Witt.
Amsterdam, 1915; J. Melles, Joachim Oudaan. Heraut der verdraagzaamheid,
1628-1692. Utrecht, 1958; D.J. Roorda, Het rampjaar 1672. Bussum,
1971; T. Timman, ‘Een Nederlandse lynchmassa’. In:
Intermediair 1979, nr. 35, p. 1-13.
|
*Lia van Gemert (1958) is wetenschappelijk assistent bij
de vakgroep voor Nederlandse taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht. Zij werkte mee aan de publikatie van Coornherts Boeventucht (1980) en
Oudaans Haagsche Broeder-Moord (1982). Op dit moment werkt zij aan een
proefschrift over de rei in de Nederlandse 17de-eeuwse tragedie.
3Of…afzaagde: of die men
afzaagde zodat het knarste op het bot
4en…Gesneden: en wat betreft
het vlees dat men aan repen gesneden had
1het deksel: Johans edele delen
waren tot nu toe ‘bedekt’ door een dode kat
2gelaat: gedrag,
optreden
3dolle blijdschap: verwijzing naar
het tweede deel van de titel van het toneelstuk
5van langerhand: geleidelijk.
1malen…bedrog: doorslaan over
ijdele en bedriegelijke zaken
3ik ken niet meer: ik kan niet
meer.
|
|