Handboek der Nederlandsche taal. Deel II. De sociologische structuur onzer taal II


auteur: Jac. van Ginneken


bron: Jac. van Ginneken s.j., Handboek der Nederlandsche taal, Deel II. De sociologische structuur onzer taal II. L.C.G. Malmberg, Nijmegen 1914  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 291]

Zevende hoofdstuk. De lagere vaktalen.

De lagere vaktalen zijn thans veel talrijker dan de vroegere ambachtsen gildetalen, maar zij zijn er dan ook veel armer op geworden. Vroeger omvatte een ambacht veel meer dan nu. Alle moeilijke onderdeelen komen tegenwoordig van de fabriek, vele bewerkingen geschieden heel en al kunstmatig, en bovendien wordt in vele werkplaatsen elke ploeg werklieden: slechts tot het vervaardigen van één bepaalde soort dingen, of dikwijls zelfs tot ééne enkele verrichting gebruikt. Bij den nadeeligen invloed hiervan op het arbeidersgeluk zullen wij naderhand nog moeten stilstaan, maar hier hebben wij vooral te letten op de verarming van het bewustzijn, die het gevolg is van de tot het uiterste gedreven vakken-splitsing en de gebrekkige opleiding in het vak 1). Vroeger gold bij wet of keur de regel: dat de aanstaande gezel van drie tot zeven jaar bij een meester het ambacht leerde. De leerling was bij den meester in huis en werkte met hem mee. Al doende leerde hij van lieverlede de geheimen van het ambacht. Aan het einde van z'n leertijd gekomen moest de jonge man niet alleen het getuigschrift overleggen: van zooveel jaren trouwen en eerlijken dienst, maar bovendien een proefstuk leveren, waaruit bleek dat hij het zóóver in z'n vak gebracht had, dat hij als loontrekkend gezel nu bij andere meesters in dienst kon gaan. Na jaren kon hij dan, zoo hij wilde, de meesterproef afleggen, en pas daarna mocht hij zich vestigen als baas. Men zie daarover b.v. A. van de Velde: De ambachten der Timmerlieden en der Schrijnwerkers te Brugge, hunne wetten, hun geschillen en hun gewrochten van de 14de tot de 19de eeuw, Gent 1909.

De groot-industrie, in het Engeland der 18de eeuw opgekomen, vond in dit systeem een hinderpaal voor hare ontwikkeling, en kreeg aan den optimistischen Adam Smith een machtigen bondgenoot: in haar strijd tegen de ‘tyrannieke en slaafsche’ voorschriften in zake het leerlingenwezen. ‘Het erfdeel van den arme, zoo orakelde deze oppervlakkige gezaghebber, ligt in de kracht en de vaardigheid zijner handen; en hem te beletten deze kracht en vaardigheid te gebruiken, op de wijze die hem goeddunkt, zonder schade voor zijnen naaste, is kortweg schending van dit heilig bezit. Het is eenvoudig een aanslag op de rechtmatige vrijheid van werkman en patroon. Het oordeel of de eerste geschikt is voor zijn werk, mag veilig aan het beleid van den laatste worden overgelaten.’ Jawel, vrijheid! En meteen zegt Ganguin, hebben de leerlingen allen steun bij hunne vakopleiding verloren. De industrieele patroons voelen geen belangstelling voor den leerjongen, die niet meer, zooals vroeger, lid der

[p. 292]

familie is, maar een vreemde, die op de werkplaats overdag een onderkomen vindt, en er alvast niets dan wat karig geld verdient; want dàt waant elke jonge mensch thans het éénig noodige om zijn weg door het leven te vinden. De groot-industrie vormt geen in hun beroep geschoolde vakarbeiders meer, maar slorpt de voorhanden krachten reeds op kinderlijken leeftijd op. Het leeren raakt op den achter-, de exploitatie der jeugdige arbeidskracht komt op den voorgrond. Die kinderen worden afgericht in de uniformiteit van een allereenvoudigste handeling, en even werktuigelijk als de hen omringende machines, zoo wordt ook hun gezichtskring, vormt zich hun levenslot. Aan die verarming van het zieleleven beantwoordt nu ook de verarming der arbeiderstaal. Terwijl vroeger elke werkman in zijn eigen ambacht zóóveel ziels-inhoud rijk werd: aan kunnen, weten en willen; en dus zóóveel verschillende kleurige gemoedsbewegingen beleefde, dat hij in het dagelijksch leven voor diezelfde ervaringen en gevoelens, bijna altijd uitdrukkingen en woorden gebruikte aan zijn ambacht ontleend - wij zullen hier in het volgende deel tallooze voorbeelden van bijbrengen - is dat tegenwoordig een uitzondering geworden. De meeste moderne vaktalen, inzoover ze tot nu toe bestudeerd zijn, bepalen zich tot een betrekkelijk kleine reeks specifieke werkwoorden en dingnamen. Typische uitdrukkingen en kleurige zegwijzen zoeken wij er tevergeefs. Wij moeten hierin echter weer niet overdrijven. Want een gedeelte dezer leemte is zeker aan onze gebrekkige kennis te wijten. In de oudere vaktalen liggen nog thans, vooral in kleinere steden en dorpen de taalschatten in rijke verscheidenheid te grabbel. En daarom zou iemand heel en al bedrogen uitkomen, indien hij meende, dat de ambachtstalen voor den taalbeoefenaar, buiten wat woordjeskennis, niets belangrijks meer hadden. Ten eerste toch gaan die vaktermen gewoonlijk veel verder, dan men aanvankelijk zou meenen, d.w.z. de verschillende ambachten hebben reeksen van woorden die ook óns in onze leeketaal zeer goed te pas zouden komen, als wij ze maar kenden; en ze hebben ten tweede onder hun vaktermen vele schilderachtige uitdrukkingen en teekenende samenstellingen of afleidingen, die elken kunstgevoelige een huivering van geluk om aangevoelde levenswijsheid of frisschen humor door de slapen jagen; en ten derde spiegelt zich in die overdrachten, in die nieuwe woordvormingen, dikwijls zoo mooi de typische ambachtspsyche weer.

Jammer genoeg is er tot nog toe voor de psychologie der ambachten nog zoo goed als niets gedaan. En met de ambachtstalen is het al weinig beter gesteld. Toch meenden wij ons niet met de verontschuldiging van ‘geen Vorarbeiten’ aan dit gedeelte onzer taak te mogen onttrekken. Wat er aan voorwerk was, hebben wij zorgvuldig geëxcerpeerd en bewerkt, hier en daar ook zelfstandig verrijkt; en zoo hopen wij althans voor eenige ambachten, in groote lijnen niet slechts een beeld van hun taal te kunnen ontwerpen, maar

[p. 293]

ook zelfs het een of ander verschijnsel uit hun sociologische of psychologische eigenaardigheden te kunnen verklaren. Wie tegenwoordig een vaktaal gaat onderzoeken, denkt dus ten onrechte aanstonds aan het maken van een woordenboek. En de Koninklijke Vlaamsche Academie heeft met hare prijsvragen er geducht toe meegewerkt, om deze eenzijdigheid te bevorderen. Vooral in Vlaanderen toch: bloeien op het platteland nog verschillende ambachten in vollen rijkdom van allerlei gebeurlijkheden en gevoelens. En in plaats nu van levende uitdrukkingen en zegwijzen te verzamelen, zoekt men slechts doode termen. Zoo is het dan ook mogelijk, dat één en dezelfde persoon soms drie of vier woordenboeken maakt, van de meest uiteenloopende vakken, die hij onmogelijk alle zelf in den grond kennen kan. Neen, wie een vaktaal wil bestudeeren, moet op de eerste plaats in het milieu van dat vak zijn opgegroeid. Bijna zijn heelen schat van gevoelens en gedachten moet hij in dien kring of door dat vak hebben opgedaan. Zóó iemand moet dan zijn eigen kringtaal vergelijken met de algemeene of dialectische taal zijner omgeving, en dan alle verschilpunten noteeren. Daarbij zal dan blijken, dat hij allerlei bijzonderheden in de vormleer en den zinbouw heeft op te teekenen, maar vooral van de constructies, de zegwijzen, versteende uitdrukkingen en spreekwoorden, moppen en raadsels, liederen en sagen: een merkwaardige verzameling bijeenkrijgt, die, al staat ze bij den rijkdom van vroeger eeuwen ten achter, toch nog iets anders verdient, dan uit achteloosheid te worden doodgezwegen.

1o. De diamantslijperstaal 103/30

A. Het Jonge Leven (leerlingen diamantvak). Fransche laan 9, Amsterdam 5/30.

C. De Katholieke Diamantbewerker. Albert Cuypstraat 58, Amsterdam 12/30. - De Belgische Diamantbewerker. Kerkstraat 34, Boom 3/14.

D. Weekblad v.d. Alg. Nederl. Diamantbewerkersbond. Fransche laan 9, Amsterdam 20/7. - Dr. F. Leviticus: Geïllustreerde Encyclopaedie der Diamantnijverheid, met medewerking van Henri Polak, Haarlem 1908. L. Vervoort: De Diamantbewerking, Antwerpen 1912, waarop bijna heel ons betoog berust.

 

Het is bekend, dat de diamantbewerking in West-Vlaanderen tijdens de Middeleeuwen opkwam; en men knoopt de uitvinding zelfs vast aan een zekeren Lodewijk van Berken uit Brugge. In de 16de eeuw had Antwerpen een bloeiende diamantnijverheid. Na de inneming van 1585 werden Joden en Protestanten uit de stad verdreven. En nu verplaatste zich deze industrie naar Amsterdam. Later echter kwam in Antwerpen opnieuw een levendige diamantnijverheid tot bloei. Van Antwerpen uit heeft zich, vooral in de laatste jaren tengevolge van den loonstrijd, de diamantindustrie over allerlei dorpen van Zuid-Nederland uitgespreid, en zoo gaan dan, in de periodiek-terugkeerende slappe tijden nogaleens Amsterdamsche werklieden naar Antwerpen slijpen, en komen, hoewel minder, toch ook Antwerpenaars naar Amsterdam. Zoodoende zijn er thans eigenlijk twee dialecten in de diamant-

[p. 294]

bewerkerstaal: een Zuid-Nederlandsch en een Noord-Nederlandsch. Voor al onze volgende lijsten namen wij het Noord-Nederlandsch dialect tot grondslag. Het vooropstaande vette woord behoort altijd daartoe. Wanneer de Zuid-Nederlanders hetzelfde woord gebruiken, drukken wij een kruisje ervoor. Hebben zij een ander woord, dan volgt dit, eveneens vet gedrukt, tusschen haakjes, na het Hollandsche. Behalve op het boekje van Vervoort, steunen mijne Zuid-Nederlandsche opgaven vooral op mededeelingen, mij allerwelwillendst verstrekt door Edmond Wouters, Voorzitter der Afdeeling van den Diamant-werkersbond te Niel bij Boom. Merkwaardig is het nu, dat wij in de Amsterdamsche diamantslijperstaal een heel reeksje echte oude Vlaamsche woorden vinden, die voor een deel althans juist bij de Vlamingen zelf zijn verloren gegaan.

 
VLAAMSCHE WOORDEN BIJ DE AMSTERDAMMERS IN GEBRUIK.

Aanvijzen (inslagen): aanschroeven.
Afdracht (bijdrage): contributie.
†Afzoeten: polijsten; het wegwerken van krassen en oneffenheden.
Bizeel, Bazeel (bəzeel): de hoofdruiten aan de tafelzijde van een brillant.
Bruut (brut): ruw, onbewerkt. Ook zelfstandig gebruikt: onbewerkt goed.
†Daghuur: vast geld.
†Doorslag: drevel.
Draad (was): was, nl. de richting, waarin de diamant gegroeid, gewassen is.
†Drijpikkeltje: drievoet.
†Gang: kring, een gedeelte der schijf, waarop de steenen gezet worden en waarin zij blijven loopen, totdat dit gedeelte niet meer bruikbaar is en men een volgenden kring moet nemen.
†Gast: knecht.
†Glets: gles, een barst in een steentje.
†Green: grein, witte of zwarte stippen in den steen.
†Klieven: klooven.
†Kliever: kloover.
Kompas (malleke of mal): maatje, een passer dien men gebruikt om te zien of de steen in alle opzichten aan de eischen voldoet, zoodat ieder ruitje zijn maat heeft.
Looien, looier: luieren, luie werkman (Westvlaamsch van St. Eloy vieren).
Ordinaal: glazen flesch met water gevuld, waardoor het licht beter op de hand valt.
†Pin: staart, achterdeel van de slijperstang.
†Pin: steunpen, stalen stift, die zich op de kloovers- en snijders-bank bevindt en waartegen de stokken gesteund worden.
Polissen: (polijsten).
†Pree: arbeidsloon, ontstaan uit fr. prix, lat. pretium of premie?
Pronksteen (fantasiesteen): fancy-model, ieder model, dat afwijkt van 't gewone brillant-, kap- of roosmodel.
†Rat: onderkruiper. Uit 't Engelsch overgenomen.
Rondeeren: (rondisten).
Scherpe stek (het scherp): meesnijder, stok van kloover en snijder, die den steen bevat, waarmede gewerkt wordt.
Soldeersel, solduur, (səduur).
†Stek: stok.
†Stiel: vak.
Tetten, (stekken): snijdersstokken van vla. fra. tette, speen van een uier, borsttepel. De stokken worden namelijk dikwijls in den mond genomen.
Uittrekkend: uitstekend.
†Vijs: schroef.
Zeemvel: (zeemlap).
†Zift: zeef om diamant uit het vuil te ziften.

Gelijk wij boven zagen, werden de arme Joden in de 17de eeuw bijna in geen enkel bedrijf geduld: behalve die met hun geloof in innig verband stonden als de slagerij en de bakkerij. De andere ambachten die een gilde vormden, stonden niet voor hen open. Er bleef dus alleen over: de Hebreeuwsche

[p. 295]

boekdrukkerij, de tabaksspinnerij, -snijderij en -kerverij, en de diamantindustrie, in welke beide vakken nog thans de meerderheid der arbeiders Joden zijn. Bovendien waren de uit Antwerpen verjaagde firmanten, ook voor een gedeelte althans, Marranen en Portugeesche Joden geweest, en nu nog zijn de grootste diamantslijperijen in Joodsche handen. Geen wonder dus, dat wij in deze vaktaal een reeks Hebreeuwsche en Jodenduitsche woorden aantreffen; ja, dat er zelfs tot op den huidigen dag, nu er ook Protestantsche en Katholieke diamantslijpers zijn, een klein reeksje Amsterdamsche termenparen bestaan, waarvan de eene vast door de Israëlieten, de andere door de Christenen gebruikt worden.

 
JOODSCHE WOORDEN.

Abaus (jdd.): af uit, afloopend uit de tang d.w.z. wanneer het rondist (grens tusschen boven- en onderzijde van een brillant) links naar buiten is gericht. Abaus wordt door de Christen-werklieden verbasterd tot abuis.
Abin (jdd.): af in, afloopend in de tang d.w.z. wanneer het rondist links naar binnen is gericht.
Broochewerk (goed werk): werk, waaraan zij goed geld verdienen. hebr. berachá, hgd. beroocho, jdd. brooche. Uitgesproken als een gewoon Nederlandsch woord.
Kapore (over zijnen was of over de hand): stuk, of niet volgens de was gespleten. hebr. kaporá, jdd. kaporo: zoenoffer. Het zoenoffer werd gedood. Deze omstandigheid en overeenkomst van het woord met kapot, heeft aan kapore in 't Jodenduitsch de beteekenis van stuk (kapoeres) gegeven.
Kwar (voorschot), kwar nemen: op voorschot nemen. hebr. kebar, jdd. kewar: van tevoren.
Mesjiach (proef, probasie, op proef nemen), op den mesjiach werken: eerst het goed onder handen nemen, dat het gemakkelijkst te bewerken is. hebr. masjiach. jdd. mosjiach: gezalfde, later verlosser (messias). Wie nu de mooiste steentjes het eerst in bewerking neemt, werkt op den den messias, d.w.z. rekent erop dat de messias elk oogenblik komen kan, dan moet hij immers onmiddellijk mee naar het Beloofde Land, en heeft hij dus niet tevergeefs gezwoegd aan de moeilijker steentjes.
Pegieme(tje) (kliefmes): schaard in 't klooversmes. Pegieme (hebr. pegimo) beteekent schaard. Het wordt gebruikt door den beestensnijder, die het vee volgens de Joodsch-ritueele voorschriften slacht en wiens mes vlijmend scherp, zonder schaarden moet zijn.
Pots (boord, vuil goed): slecht goed, van weinig waarde, jdd. Putz, voor vuil uit den neus. Vgl. die Nase putzen.
Raspel (vijl): 't hgd. bekende woord door de Duitsche Joden overgebracht: vijl (zie aldaar).
Rekwelje (verouderd) (schoon modelleke): diamant die reeds van nature een goeden vorm heeft, waarschijnlijk van 't fra. recueille; vergl. den Joodschen familienaam Boutelje uit bouteille.
Rijver (poeierpot, vrijver): Een metalen bakje met dikke wanden, waarin het poeder met olie aangemengd wordt door middel van een nauwsluitenden ijzeren kegel. jdd. Reiber.
Sappelen (knoeien, knoeiwerk): moeilijk werk verrichten. hgd. zappeln: spartelen.
Sjangenaaien (uilevangen): stelen, oneerlijk doen. Het woord is waarschijnlijk gevormd uit de namen van 2 Hebreeuwsche letters (s: sammech en ng: ngaïn). Elk dezer letters is dan het begin van een woord, waardoor het begrip oneerlijke handelwijze wordt uitgedrukt. Vgl. 100 op blz. 140.
†Sjiffertje: jdd. voor schilfertje.
Sjofel (rabru): slecht (werk). hebr. sjafél, Jodend. sjofeil, wat beteekent: laag, gemeen.
[p. 296]

Christen. Joodsch.
Abuis. Abaus.
Eg. Hoek (?)
In den boer gaan, boeren. Kwar nemen.
Een moeilijk steentje. Kanoentje.
†Korte Zaterdag.  
Neutjeskolen. Zeer slechte chipssoorten.
†Stek. Stok.
Een blinde. Een meemaker.
Een plakje afsnijden. Een dag looien.

De ruwe-diamantmarkt is Londen. De Zuid-Afrikaansche mijnen zijn in Engelsche handen. Vandaar dat de benamingen voor den ruwhandel en de klooverstermen meestal Engelsche leenwoorden zijn. Ziehier een lijstje.

 

ENGELSCHE LEENWOORDEN IN DE DIAMANTSLIJPERSTAAL.

†Block: opslijpgoed of kloofsel, waaraan meest een of twee gegroeide hoeken.
†Cape: ruw uit De Beers-mijnen.
†Cape ruby: soort granaat, die bij 't diamant in de blauwe aarde gevonden wordt.
†Cape white: witte kleur, minder goed dan wit en het zoogenaamde blauwwit.
†Carrier: hartvormig voorwerp der draaibank, dat dient tot bevestiging der plaatjes phosphorbrons, welke tot zaagschijf gedraaid worden.
†Chips: slechte, moeilijk te bewerken diamantsoort.
Claim: recht op een zeker gedeelte grond, waar diamant gevonden wordt.
†Cloosed goods: zuivere regelmatige steenen. De ‘cloosed goods’ zijn:
†a) De eigenlijke ‘cloosed goods’: zuivere regelmatige steenen.
†b) Fine piqué: bijna zuivere regelmatige steenen.
†c) Spotted stones: steenen met meer of minder zwarte vlekken.
d) Crystals: doorgaans zuivere witte steenen van regelmatigen vorm.
De andere goederen worden verdeeld in:
Coated stones: steenen met een dof en ondoorschijnend omhulsel.
Irregulars (Riggelaars): zuivere en onzuivere onregelmatige steenen.
†Blocks: steenen waaraan meest één of twee gegroeide hoeken.
†Fine cleavage: gebroken steenen van goede kwaliteit.
†Brown cleavage: gebroken steenen van bruine kleur.
†Flats: platte steenen.
†Maccles: dikke naadsteenen.
Maccles-naats: steenen met een bijzonderen vorm voortkomende uit de vereeniging van twee of meer steenen die zich na vorming van hun afzonderlijke kern aaneengevoegd hebben. Op het punt waar zij aaneengesmolten zijn vormen zij een kruispunt: naat of naad.
†Naats: dunnere naadsteenen.
†Rejections: ordinaire kwaliteit.
†Rubbish: slecht goed.
†Boart (boort): boort ter bewerking van diamant. Nu gaat men opnieuw elke soort behalve rubbish en boart opnieuw onderverdeelen volgens de kleurschakeering in: † Fine blue white, †blue white, †fine white, †white, †silver cape, †fine cape, †(second) cape, †fine bywater, †second bywater, † off colour, † light yellow, †yellow, uitsluitend ronde goederen.
†Fine lightbrown, †light brown, †brown, † dark brown, † darkest brown, † grey, ronde en brokkantige goederen.
†Dark: in the dark koopen, ruw diamant koopen zonder de goederen gezien te hebben.
Digger's lot: zie blz. 299.
Fancy (kleur) (fantasie kleur): iedere kleur, die afwijkt van de gewone, behalve lichtgeel.
†Fine bywater: lichtste bijwaterkleur.
†Fretment: zie splint.
Glassy (kristaal): naam voor regelmatige steenen.
†Lot: een onbepaalde hoeveelheid diamant in één partijbrief bijeengevoegd.
†Macle: naadsteen. Wordt ook maacle,
[p. 297]
maccle geschreven, fr. macle, lat. macula.
†Rat: †onderkruiper.
†River: soort Zuid-Afrikaansch diamant, dat uit de rivieren door wassching wordt verkregen.
†Shipment: een hoeveelheid aangevoerde ruwe diamant, die door de ruwhouders in series wordt verdeeld.
†Splint: uitschot van carbon of afgewerkt stukje carbon. Ook wel fretment van to fret: verbruiken. Zie aldaar.

De te Amsterdam geslepen-diamant echter vindt op het oogenblik den meesten aftrek bij de Amerikaansche millionnairs en milliardairs. Vroeger echter was Parijs de groote wereldmarkt. Vandaar dat de technische resultaten van slijper en zetter veelal aan 't Fransch ontleend zijn. Dat ook eenige Fransche termen voor den ruwen diamant in gebruik zijn, is aan de ruwe Braziliaansche diamanten te wijten, die tegenwoordig meest te Parijs aan de markt komen.

 

FRANSCHE LEENWOORDEN IN DE DIAMANTSLIJPERSTAAL.

Abselveeren (observeeren): observeeren, fra. observer.
†Ajusteeren: pas snijden, fra. ajuster.
Bokaal: fra. bocal.
†Brillant: steen, die den vorm heeft van twee met de grondvlakken tegen elkander komende afgeknotte pyramiden, waarvan de bovenste meer afgeknot is dan de onderste. Op deze wijze komen de optische eigenschappen van de diamant 't best tot haar recht.
Brillanteeren, (brillandeeren): naakt brillanteeren: het aanbrengen van de halven en de starren, nadat de steen in achtkant is gebracht; vol brillanteeren: al het slijpwerk, nadat de steen in kruis gebracht is.
†Briolet: peervormige dikke steen.
†Brokkantig: fra. broccant.
†Bruut: ruw, fra. brute.
Châton: (achtkantje) fra. châton.
Chevreus (chevrees): verbastering voor givreus; zie aldaar.
Chevri(e)n: ontstaan uit 't Fransche chanfrein: de band, dien de snijder om een was of om den tafelkant van een door het rondist gezaagde vierpunt legt.
Duivekater (Engelsche citroentjes): zie in de lijst der merkwaardige Nederlandsche woorden.
Doublet: fr. doublet, twee steenen van verschillende waarde, zoo geplaatst, dat de kostbaarste steen gezien wordt.
†Facet: ruitje, facet.
Fijnig (een flake of een weinig): zie veinig.
Filet: stuk metaal, waarin gezet wordt, wat niet afgesneden is.
†Forceeren: het tot enden verwerken van brokjes, waaruit geen kapjes meer geslagen kunnen worden en die ook nog geen enden zijn.
†Galerij: sierwerk aan 't metalen omhulsel, waarin de steen gezet wordt.
†Givreus: glessig, fr. givreux.
†Grein: fr. grain.
†Kanjer: groote steen, fr. cagnard: luilak, leeglooper. Hieruit zou zich de beteekenis van: een heer, een Piet, een groote Hans ontwikkeld hebben.
†Kantien: fr. cantine.
†Karaat: fr. carat.
†Kollet: fr. collet.
†Laks: fr. lakse, lat. laxus.
†Markies: fr. marquise.
Mélange: partij kapjes of geslepen, bestaande uit steenen van verschillende grootte.
Mêlé (sorteering): groep sorteeringen, liggend tusschen grof en klein.
Mille grains: eigenaardige wijze van zetten, waarbij de tusschentanden wegvallen en het getal greintjes zoo groot is, dat men ze niet meer tellen kan.
Navet: fr. navet(te).
†Nijf: fr. naïf.
†Obselveeren: abselveeren, observeeren, fr. observer.
[p. 298]
Pavé: fr. pavé.
†Paviljoen: fr. pavillon.
†Pendeloque: fr. pendeloque.
Rekwelje, Requelje: van het Fransche recueille (verouderd).
(Rondelle): plat schijfje diamant met een gaatje erin.
†Rondist: fr. rondiste.
†Troqueeren: het ruilen van goederen tegen goederen.
Veinig: nadig. Afgeleid van fr. veine: ader.

Ten slotte geef ik een groote lijst vakwoorden, waarin eenige der bovengenoemde opnieuw, en nu met de noodige verklaring zijn opgenomen.

MERKWAARDIGE NEDERLANDSCHE WOORDEN BIJ DE DIAMANTSLIJPERS IN GEBRUIK.

Aandrukker (koperen aandrukker): instrument om den steen in 't werk vast te drukken en recht te zetten.
Aansteker, scherpe aansteker: steker om het metaal tegen den steen te werken.
†Achterstuk: gedeelte van den klooversbak, dat de laadjes bevat en dat na het werk in de brandkast gezet wordt.
†Achtkant, in achtkant: vorm van steen, waarbij hij in 't geheel 8 vlakken heeft op tafel- en kolletzijde.
†Achtkantje(8/8): ongebrillanteerde brillant.
Admittent (knoeier): iemand die vroeger in 't vak was, maar het tengevolge van malaise heeft verlaten, en in betere tijden weer terugkomt.
†Af, de schijf is af: kan niet meer gebruikt worden.
†Afgedekt: wanneer het metaal, waarin gezet is, zooveel mogelijk verwijderd is, opdat de steen voordeelig uitkome.
Afgejast (afgebot): wordt gezegd van een botje, dat zeer veel gebruikt of verbruikt is.
Afgejast (afgeknoeid): werk, dat niet met de noodige zorg en haastig gemaakt is.
†Afgesneden: zie afgedekt.
†Afgestooten: zie afgedekt.
Afgooien, de riemen afgooien: ophouden met werken.
†Afhouden: Houd het me Vrijdag af: (Vrijdag was de oude betaaldag) thans gebruikelijk als antwoord op een verwijt dat de werkman tamelijk luchtig opneemt.
(Afkooken): der steenen in verdund zwavelzuur of salpeterzuur.
Afloopend: in (uit) de tang, zie abaus(abin), lijst der Joden-woorden.
Af zijn: klaar zijn met het werk.
Baaltje: steen in kubusvorm, waaroverheen ribben loopen zoodat de steen eruit ziet als een gepakt baaltje.
†Bak, in den bak: gedeelte van den cementdop, dat naar den bak toegekeerd is. Uit den bak: gedeelte dat van den bak af gekeerd is.
†Balanceeren, in balans maken: de schijf in evenwicht brengen, zoo deze wegens ongelijke dikte niet regelmatig loopt.
†Bek: 't voorste gedeelte der slijperstang, waarin de dop wordtvastgezeten dat tevens tot handvat dient.
†Bezaaid: de schijf is bezaaid, heeft veel zgn. poriën om het poeder op te nemen.
†Bijwater: schakeering van lichtgele kleur in den steen.
†Blaas: ledige holte in een steen.
Blijandeeren: verbastering voor brillanteeren.
Blompot (uilevanger) blompotten: oneerlijke handelwijze van een werkman, oneerlijk doen.
Bluspot (koelpot): dienende om de doppen af te koelen wanneer ze warm geloopen zijn op de schijf, om het inzakken van den steen te vermijden.
Boer, in den boer gaan: op voorschot nemen (van 't loon), gebruikt door Christelijke werklieden.
Boeren: zie boer.
Boerenkoolslijper (knoeier): benaming voor iemand, die oorspronkelijk niet voor het vak bestemd, het op gevorderden leeftijd heeft aangeleerd. Zoo werden eerst genoemd de zonen van A'damsche groenteboeren, die diamantslijper werden.
†Bokaal: ordinaal. Zoo genoemd door de zetters.
†Bolletje: een heel klein rond steentje, dat tot endje wordt geslagen.
[p. 299]
†Bolsteker: werktuig om 't metaal in de hoogte te werken.
†Boord: zeer onzuiver diamant, stukjes die fijngestampt worden en dienen tot bewerking van diamant.
†Boort: zeer onzuiver diamant, stukjes die fijngestampt worden en dienen tot bewerking van diamant.
Boortsjofel: zeer slechte kwaliteit ruw.
†Botergaaf: zeer gaaf, zeer gemakkelijk te slijpen.
†Botje: stuk diamant in den meesnijder om de kerf te maken.
Bot loopen: 't afstompen van een halfje, dat slecht geslepen geen zuiver langwerpigen driehoek vormt.
†Brokkantig: onregelmatig gevormd goed.
†Buik1: 't dikste deel van de kloovers- en snijdersstokken.
Buik2: 't dikke gedeelte van brioletten en pendeloques.
Buks (snijstek): palmhout, waaruit de blanke kloovers- en snijdersstokken zijn gemaakt.
†Chips: slechte, onregelmatig gekristalliseerde en moeilijk te bewerken diamantsoort.
Collet: zie kollet.
Dicht (gesloten): 't tegengestelde van à jour.
†Dicht hebben: wanneer een koopman op een partij een bod gedaan heeft, dan verzegelt hij die partij, en de makelaar brengt het bod over aan den verkooper. De makelaar ‘heeft dan dicht’.
Digger's lot: een partijtje ruw, zooals het in het begin van den Kaaptijd door de delvers zelf in den handel gebracht werd.
†Dik: hetgeen van onder of van boven of aan beide kanten niet in de juiste verhouding ligt, te weinig geslepen is om de noodige straalbreking te verkrijgen.
Doekje, doekruitje, half doekje: snijdersterm tot aanduiding van een smal driehoekig ruitje tusschen twee breede hoeken aan een heel steentje.
Doen: handel drijven. ‘Hij doet veel in roosjes.’
Donker (op riskasie): in het donker, ruw diamant koopen tegen syndicaats-prijzen zonder het gezien te hebben.
†Dood: wordt gezegd, wanneer een steentje door de vele glessen en greinen volstrekt geen schittering heeft.
†Door de vlam: de eigenschap dat de hoeken van onderen gelijk moeten loopen met de tafel. De hoeken van onderen en van boven moeten juist onder elkander liggen, terwijl men door de tafel het kollet in 't midden moet zien: hierdoor krijgt de steen de grootste schittering.
Doormarsch, den - nemen: een geheele week niet werken, als er gewerkt wordt.
†Doorslag: minst-waardige soort afval bij het klooven.
Door zijn breedst, dikst, langst: wijzen, hoe de steen genomen moet worden.
†Dop: een koperen bakje, gevuld met soldeer, waarin de steen vóór 't slijpen wordt vastgemaakt: brillanteer-, hoeken-, kruis-, hooge, platte of vlakke, mechanische dop.
†Draad: richting waarin de steen gegroeid is.
†Draaien: in werking zijn der slijperij. De fabriek draait Zondag niet.
†Dropzuiver: zeer zuiver, zoo zuiver als een droppel water.
Drukkertje: een zeer gering krabbetje, dat de snijder maakt op een klein uitstekend puntje.
Duim: aan den duim, in de richting van den duim.
†Duivekater: eigenaardige vorm van kristallisatie, die aan de eene zijde het voorkomen van een tweepunt, aan de andere dat van een vierpunt heeft. Afgeleid van 't fr. deux et quatre (deze kristalvorm kwam toch vooral bij te Parijs aangevoerden Braziliaanschen diamant voor), maar onder contamineerenden invloed van 't reeds in 1450 voorkomende duivekater (feestbroodje) vervormd.
†Een blinde: ruitje aan de kruin van een roosje, dat sjofel is en daarom met 't verstelletje wordt meegemaakt.
Erop hebben zitten (op scheut gaan): b.v. Hij heeft er 6 maanden op zitten: hij heeft 6 maanden niet gewerkt.
(Eind): aan den ruwen steen elk der twee
[p. 300]
tegenover elkander liggende uitspringende plaatsen.
†End(je) (torenendje, bolendje): een driehoekig stukje, dat van den ruwen steen wordt gekloofd.
†Facet: - van één kant, wanneer de ruit te veel op een kant loopt, dan moet de dop verbogen worden, opdat alles gelijk loopt. Dit heet: een facetje (of verzetje) geven.
Fijnig (flauwke): veinig. Zie aldaar.
†Gang: aan den gang brengen, een ruitje loopend maken.
†Gat, open gat: dat in den steen komt, wanneer een gles eruit valt.
Gauge: wordt gebruikt voor verschillende instrumenten, die dienen om te meten en het gewicht te bepalen. Zie maatje, passer.
†Geslepen markt: markt waar geslepen goed verkocht wordt.
†Gesloten: ruw diamant, die den kristalvorm geheel of ten naastenbij bezit en niet behoeft gekloofd te worden.
†Gezicht: 't inzien der ruwgoederen, die uit de mijnen zijn aangevoerd; gezicht krijgen, gezicht nemen. Gezicht hebben: aan de beurt zijn om eene serie ruwe goederen te kunnen koopen.
†Gles: barst in een steentje.
†Grauw: dit zijn de plekken op den steen, die gesneden zijn.
†Greintje: steentje van ¼ karaat.
†Grof: groote steenen. Ik heb grof op.
†Grondje: een vakje, dat geslepen wordt, als men een onzuiver opzoekt, om te zien, welke kant van den steen 't meest geschikt is voor tafel- of kolletkant.
†Haakje: waarmede de à jour gezette steentjes worden vastgehouden.
Halfje (halfken): driehoekje, dat langs den rondist ligt; bezeel-, paviljoen-, hoekhalfje.
†Halfkrater: steentje van een halve karaat.
†Halve schijf: wanneer de schijf half gebruikt is.
†Hangend: troebel-geel van kleur.
†Harde hoek: de zes punten van het achtvlak (kloven), de vier hoeken aan een tweepunt, die in ruwen toestand den puntvorm hadden (slijpen en snijden).
†Hard staan: wanneer het lang duurt eer een ruitje geslepen kan worden. Het werk staat hard: het schijnt wel Bahia (zeer harde diamant).
Heel: gesloten. Zie aldaar.
Hobbelwerk: het minste der drie fabrikaten. De andere soorten zijn: burger- en fijn fabrikaat.
(Hoek): elk van de vier vlakken, die rondom tafel of collet liggen.
Holle kies: ruwe steen met een onregelmatig oppervlak.
†Inleggen: een kerf inleggen, het beginnen van een kerfje, een beginnetje maken.
†Kaartje: een kaartje geven, wordt gezegd, wanneer de slijper slechts een zeer kleine beweging behoeft te geven, die te groot zou zijn door een ombuiging van den dop. Hij legt dan onder een kant van de tang een speelkaart.
†Kalet(je): zie kolletje.
Kalsedoor (blootlegger, openmaker): toestand van een steen, die door en door onzuiver is.
Kamer (balanskamer): ruimte der schijf, waarin stukjes lood gebonden worden.
Kanjer: groote steen.
Kanoentje: een zeer moeilijk te bewerken steentje. Wordt gebruikt door Christen werklieden.
(Kant): aan elken regelmatig gevormden en onbewerkten steen heeft de slijper twee kanten, boven- en onderkant.
Kapje (Kappeke): stuk diamant, dat den kristalvorm heeft.
Kenoentje: kanoentje.
†Keteltjesdag: dag waarop vroeger niet gewerkt werd, wanneer de ketel der machine moest schoongemaakt worden.
†Klateeren: wanneer de rondist tegen het poeder van den zoetkring komend een stukje afschilfert.
(Klateersel): het afgeschilferde stukje.
†Klet(je): kollet(je).
Klokkegaaf: zeer gaaf. Ook botergaaf.
Klooven: van misvormde steenen de overtollige stukken afnemen door middel van een zaagmachine of om van groote don-
[p. 301]
kerkleurige steenen, kleinere van lichtere kleur te verkrijgen.
†Knikker: groote steen.
†Kollet(je): bij den brillant het beneden uiteinde, hetwelk een regelmatige achthoek moet zijn. Bij de roos is het kollet het breede ondervlak.
(Kolletkant): de kant waar het kollet ligt.
†Kollet op kollet: een steentje dat van onder en van boven plat is.
†Kopje: 't bovenste deel van den cementkop, dat een weinig wordt geknepen en waarin de steen vaster staat dan wanneer deze gewoon in 't cement wordt gezet. Men noemt dit maken van een kopje ‘een kopje draaien’.
†Korte Zaterdag: het gebruik om des Zaterdags slechts een halven dag te werken.
†Kruin: het bovendeel der roos.
†Kruineeren: het dik opwerken van roosjes.
(Kruiswerk): het gereed maken van den steen voor het brillanteeren.
Kuieren (op scheut gaan): niet werken; zonder werk zijn.
Kussentje: de grauwe plek, door de snijdster op 't steentje gelaten.
†Kwart: een geslepen steentje van ¼ karaat.
Kwart(je): gekloofd stuk met 2 harde hoeken en 2 gekloofde zijden.
Laatste (leste) van boven: de 4 ronde verstelletjes, waarmede het brillantwerk aan de tafelzijde is afgeloopen.
Laatste van onderen (leste van onder): de achtste ronde verstelletjes, waardoor het brillanteerwerk is afgeloopen.
Laatste vóór de helft: de derde ronde verstelletjes, zijnde dus de vóórlaatste ronde van boven.
Laboraat: oude slijpvorm.
†Laks: wanneer de steen te plat is, waardoor het lichteffect kleiner is.
†Lappen: den steen voor verdere bewerking klaarmaken, bijslijpen.
Latjes slijpen: aanslijpen van smalle strooken op de zijden van een steen.
(Lepeltang): om de doppen uit het vuur te nemen.
Licht-op(gewicht werken, zwaar laten): minder soort fabrikaat, waarbij vooral op 't behoud van gewicht gelet wordt.
Lijntrekken(het rekken): het werk rekken.
Loketjuwelier: die geen eigen personeel heeft.
Maatje (mateke, makke): 1) passer, dien de slijper gebruikt om te zien of de steen aan de eischen voldoet: zie gauge; 2) een plaatje met openingen, om paren te maken; 3) werktuig, om 't gewicht van gezette steenen te bepalen.
†Markies: ovaal geslepen steen, die in ringen gezet wordt. Ook (halve markies).
†Meesnijder: klooverstok, die den steen bevat, waarmede gewerkt wordt. Ook heet aldus de steen zelf.
†Molen: werktafel, gewoonlijk 1 M2.groot, waarin de schijf zit. Ook wordt molen gebruikt voor den slijper: b.v. zieke molen, die molen looit, langzame molen, vlugge molen.
†Molen, vóór den molen: de plaats van den slijper in tegenstelling tot die van den niet volleerden slijper achter den molen.
†Molenmelker: iemand, die de kleinst mogelijke ruimte nog wil gebruiken om er een molen te plaatsen.
†Naakt brillanteeren: van steenen, waarop paviljoen en bezeelen reeds zijn aangebracht.
Naïef: zie nijf.
Navet: steen met bijzonderen geslepen vorm van een hart.
Nemen: den weg kiezen, waarlangs de steen bewerkt moet worden.
†Nest: onzuiverheid in de schijf.
Neutjeskolen: door Christen-arbeiders gebruikte benaming voor zeer slechte chipssoorten.
†Nijf (naïef): wat aan den steen onbewerkt is. Om te bewijzen, dat de steen zoo voordeelig mogelijk gesneden is, laat de snijder aan den steen een nijf plekje. fra. naïf.
†Omgaan: verouderde uitdrukking voor het in werking zijn der fabriek.
Onderkootig (doorlatengaan): 't voorkomen van een steen, wanneer het rondist scheef ligt. Dit woord komt van koot, een der beenderen van den voetwortel der
[p. 302]
paarden, dat grooten invloed uitoefent op hun regelmatigen gang.
†Onzuiver: het onzuiver grein, gles.
†Opdikken: bewerking, die de steen ondergaat, wanneer het blijkt, dat hij anders te vlak zou worden.
Op hebben: onder handen hebben b.v. ‘Ik heb grof op.’
Op papier (in partie): ten verkoop gereed.
†Opsnijder: stok, die den te bewerken steen bevat.
†Op stok: de twee laatste steentjes van een partijtje onder handen hebben, zoodat alles wat er is, op de stokken staat.
Ordenaal, ordinaal: de glazen bol, die gebruikt wordt om er bij lamplicht vóór te werken.
†Overhouden: b.v. deze steen houdt 2 karaat over, nadat de steen alle bewerkingen heeft ondergaan.
Paarde(n)vleesch: hout, waaruit de bruine kloovers- en snijdersstokken zijn vervaardigd.
Pakmatje: steen in kubusvorm, waaroverheen ribben loopen, zoodat de steen er uitziet als een stevig gepakt baaltje.
†Paviljoen: hoofdruit aan de kolletzijde.
†Pendeloque: een steen, die veel overeenkomt met briolet, doch voorzien is van tafel en kollet.
Pes(t)goed (rabru): zeer slecht ruw goed.
†Pinkelen: 't maken van bezeelen en paviljoenen aan achtkantjes.
Plakje (op scheut gaan vgl. blz. 308): een plakje afnemen, een dag looien: van de volle week iets afnemen. Het beeld herinnert aan het aansnijden van een brood.
Poffertjesbakken: uitdrukking voor 't maken van slijpvorm, kruin en kollet.
†Poot: haakjes waarmede de gezette steen wordt vastgehouden.
Portretsteen: bijzonder soort van geslepen steen om miniaturen te bedekken.
†Probeeren: een ruitje probeeren: een ruitje, dat een slijper zelf niet aan den gang kan krijgen, door zijn buurman aan de werkbank laten beproeven.
Proefstoomen (probeeren): de werkgever laat hen, die zich aanmelden, soms een poos op een stuk werken, om te zien hoeveel hij betalen kan aan garantieloon of vast geld.
†Prutsen: slecht werken. Afleiding van prutten, verscherping van brodden, broddelen.
Puin: zeer slechte grondstof.
(Raapje): navet.
Rauwblijver: een steen die wegens de vele kruisnaden, niet geslepen kan worden.
Rond: kloofsel van regelmatige kristallisatie.
Rondist: de grens tusschen tafel- en kolletzijde van een brillant.
†Rondist, uit de rondist nemen: flink zeggen, waar het op staat.
†Roode lap: rood vlekje in een steen.
†Roos(je): steen met plat grondvlak (kollet), die den vorm eener kleine pyramide heeft. Hollandsche-, half Hollandsche-, Antwerpsche roos, moderoos.
†Ruitje: algemeene benaming voor de geslepen vlakjes.
†Scherp: ruw werk, ruw partijtje diamant.
†Scherp af: wordt gezegd, wanneer de snijder een steen zoover bewerkt heeft, dat deze nog slechts gerondist en nageplozen hoeft te worden.
†Schild(je) 1): een zeer dun endje; 2) een roosje met slechts 6 geslepen vlakjes.
Schuit(je): een stuk, dat door verdeeling wordt verkregen. Hiervan worden vervolgens twee eindjes afgenomen, waardoor de schuit een kapje wordt. De afgeslagen eindjes heeten torenenden.
Sernaaltje (schelpje): zeer dun stukje, te dun om er een schildje van te maken.
†Sjiffertje: roosje met slechts drie geslepen vlakjes. jdd. voor schilfertje.
†Slaan: wordt gezegd van de schijf, wanneer zij niet in balans is.
†Slee: toestel, waarin de tang rust. Het maakt, dat de tang niet bewegen kan.
Slothout (pokhout): 't stuk pokhout, waarmede de schijf wordt opgesloten.
†Snijden: de steenen, die van den kloover of van den zager komen, en die welke door de
[p. 303]
natuur reeds goed gevormd zijn, ontdoen van de uitstekende punten en ze zooveel mogelijk den noodigen ronden vorm geven.
Soeverein: volksetymologie van chevrien. Zie aldaar blz. 297.
†Spiegel: wordt gezegd, wanneer door den slag de gekloofde zijde geheel glad is.
†Spiegelnijf: glad nijf.
†Spiegeltje: een nijf of gekloofd kruintje aan een roosje.
Spits(je): stukjes, die bij 't sorteeren in de enden worden gevonden.
Spouwen(rottering): het uit elkander vallen van een steen, nadat de kloover met den hamer op het in 't kerfje gezette mes heeft geslagen.
Stamper (mortier): pot waarin de boord fijn gestampt wordt om die met olie te vermengen en dan op de schijf te smeren.
†Steel(tje): stukje gegloeid rood koperdraad, dat op den slijpersdop geschroefd wordt en dient om den dop in de tang te bevestigen.
†Steken: wanneer in een in bewerking zijnde ruit een onzuivere plaats is, dan maakt deze op de schijf een zilverkleurige groef, terwijl men een krassend geluid hoort: het ruitje steekt.
(Sterreken): het driekantig vlakje dat men bekomt, als men elke punt of hoek gevormd door de bijeenkomst van tafel, hoek en bezeel, wegslijpt.
†Stoel: 't breede stuk, dat op de schijf geschroefd en in de spil bevestigd is door middel van spieën.
†Stomper (knoeier): slijper, die zonder toewijding zijn vak uitoefent maar alleen om veel geld te verdienen.
†Strop: transactie waarbij men verlies lijdt. Hij heeft een strop. Hij heeft hem een strop gegeven, ook in de jongenstaal ‘strop!’ met een gebaar naar den hals in de algemeene beteekenis: dat valt je leelijk tegen.
†Stukkenmaker: iemand, die de afgeslagen stukken maakt.
†Tafel: bovenvlak van den brillant. Bolle-, holle tafel; traptafel.
(Tafelkant): de kant waar de tafel van den brillant ligt.
†Tapje: stalen spil, waarmede een draad in den dop wordt getrokken.
Tegenin: een richting volgens welke de steenen in de tang kunnen gezet worden; tusschen in de tang en tegen.
Tegenuit: richting tusschen uit de tang en tegen.
Theeschijf: soort slijpersschijf met merk Eureka. Dit woord is ook het merk van een soort thee. Vandaar de naam.
†Tikje: zeer klein puntje op het rondist, als de steen geheel af is.
†Tikken: 't even op de schijf zetten van een steentje, om een zeer klein facetje te maken. het kolletje tikken: het op de juiste maat maken, als het te klein is geworden.
†Topje: een door de machine afgezaagde tafel, die tot brillant of roosjes verwerkt wordt.
(Tweepunten): soort van steenen, welke men herkent aan een naïeve tafel en meestal naïef kollet, twee tegenover elkander liggende harde punten of einden.
†Uitgeven: werk aan den werkman geven.
†Uithalen: den ruwen grond uithalen, de eerste bewerking, die de schijf ondergaat, wanneer zij geschuurd wordt.
†Uitschieten (sorteeren): bij 't onderzoeken eener partij, die men koopen wil, steentjes terzijde leggen, die men niet in den koop wenscht in te sluiten.
†Veinig(openleggen): nadig, fr. veine: ader.
Vensteren (blootmaken): 't hier en daar slijpen van plaatsen, om den steen te doorzien en onzuivers te ontdekken. Heet ook open maken.
†Verdraaid: een steen, die niet op zijn was loopt.
†Verloopen: het te groot worden van een ruitje.
Versch ijzer (schijf inwerken): 't beginnen van een nieuwen kring op de schijf.
†Verstel: het aanbrengen van vier halfjes en twee sterretjes op het verstelde bezeel.
Verstelblok: blok waarin de gloeiende dop gezet wordt.
†Verstellen: 't plaatsen van den te slijpen steen in den dop. Deze wordt uit 't vuur
[p. 304]
gehaald, in het blok geplaatst, waarna de versteller aan het soldeer al knedende den kegelvorm geeft. Hierna wordt de steen bovenin gezet. Dan wordt met de versteltang en de vingers het soldeer rondom bijgewerkt zg. ‘aangestreken’ en de dop in den bluschbak afgekoeld.
Verstelpin (gasvier, verstelvier): de vlam die bij het verstellen gebruikt wordt.
(Versteltang): om de steenen in de seduur te plaatsen.
†Verzetje: kleine beweging om den dop te verbuigen. Volksetymologie van facetje.
(Vierpunten): steenen, die zich onderscheiden door een afgezaagde of wel afgesneden tafel en twee of vier onaangeraakte bezeelen.
†Vinger: stift, welke dient om 't steentje, dat gezaagd wordt, vast aan te drukken.
†Vóórloop: spiritus. Beteekent het product, dat bij distilleeren van ruwen spiritus, 't eerst wordt opgevangen.
†Was: 1) richting, waarin de diamant gegroeid (gewassen) is, 2) de helft van een gekloofden steen, 3) geheime was, eigenaardige gewoonte van slijpers, wanneer een steen, op allerlei wijzen opgezet, niet heeft willen loopen. Dan wordt de dop uit de tang genomen, in de hoogte geworpen, opgevangen en blindelings opgezet.
Wasbeentje: een beentje met was aan de punt, om de steentjes op te nemen,
(Waskens): steenen, die bovenop drie wassen hebben.
Waspootje: Zie wasbeentje.
Waterdun: zeer dun.
Zandchips: zeer kleine chips.
Zandklein: buitengewoon klein.
(Zijde): aan den regelmatig gevormden doch onbewerkten ruwen steen zijn twee zijden, twee tegenover elkander liggende intrekkende plaatsen.
Zitten: zijn werkplaats hebben, b.v. hij zit bij A.
Zoetertje: uiterst kleine beweging van den dop.
Zouten: bedriegelijke handelwijze: het leggen van ruwe diamanten in een stuk grond en het doen voorkomen alsof men diamant-houdende aarde heeft.

Zoo ligt in de woorden van dezen kring dus bijna z'n heele geschiedenis gekristalliseerd.

2. De taal van goud- en zilversmeden. (Vgl. het dialect van Schoonhoven). 8/30

A. Vakblad voor goud- en zilversmeden. M. Olivier, Amsterdam. 4/30.

C. De Hazepoot. (R.-K. goud- en zilverbewerkersbond) Groote Oost 116, Hoorn 4/30. Volledige beschrijving van alle konsten, ambachten, handwerken, fabrieken, trafieken, derzelver werkhuizen, gereedschappen enz. in 24 deeltjes, Dordrecht 1788-1820, nr. 13. De Graveur. - J.M. Lion: Heraldieke modellen ten dienste van ... graveurs, zegelsnijders enz. den Haag 1894. - P. Hollman: Het galvaniseeren der metalen4. D. Bolle, Rotterdam.

 

Daar de meeste juweliers ook goud- en zilversmid zijn, komen in deze rijke ambachtstaal een heele reeks diamant-woorden voor naast allerlei fijne metaalbewerkingstermen, en zoo vormt deze groep een overgang tot

3. De horlogemakerstaal. 80/30

A. Christiaan Huygens, B. Cuperus Azn., Bolsward 20/7. - De Uurwerkmakerskunst. F. van Spanje, Velp, pas opgehouden te verschijnen. -

H. Sievert: Leerboek voor den horlogemaker, strekkende tot zelfonderricht voor den leerling, en tot handleiding bij het onderwijs van den patroon2. Bolsward, 1905.

 

Als ik mij niet vergis, zal deze tamelijk kleine vaktaal zeer loonend zijn voor het idiomatisch en psychologisch onderzoek. Al de horlogemakers toch, die ik persoonlijk als goede vakmannen ken, zijn voorbeelden van een stipt karakter. Het is, of hun fijn en nauwlettend arbeidsmateriaal een levenstoonbeeld

[p. 305]

wordt, dat zij onbewust in acribie willen nastreven, en ze eischen datzelfde ook van anderen, wat wel eens onaangenaamheden tengevolge heeft. Al die menschen spreken ook een overdreven, bijna mathematisch nauwkeurige taal, men kijke er den titel van het juist geciteerde vakboek maar eens op aan. En in den mond met die saamgeknepen lippen worden de klinkers glashard en vele zachte medeklinkers verscherpt. Echte horloge- of klokkenmakers zijn er evenwel in ons land niet meer te vinden. Zij zijn moeten wijken voor de concurrentie der buitenlandsche groot-industrie die, wat vroeger de meester met een paar leerlingen deed, thans in 2000 deelbewerkingen heeft gesplitst, waarvan elke arbeider er gemiddeld nog slechts twee mag of kan verrichten, zoodat bij de fabricatie van één slaguurwerk, thans gemiddeld een 1000 arbeiders betrokken zijn. Tegenover zulke arbeiders, die natuurlijk geen vaktaal meer hebben, staan nu onze horloges- en klokkenréparateurs nog heden in een zeer goede, niet geestdoodende maar tuchtkweekende ambachtspositie.

4. De taal der loodgieters, zinkbewerkers en gasfitters. 137/30

A. Het Loodgieters- en Fittersbedrijf (Patroonsorgaan). Eshuis & Co., Dalfsen. 11/7 - De IJzerwinkel (IJzerwaren en Verlichtingsartikelen). H. Germs, Doesburg x/7. - Het Gas. C. Teulings, den Bosch 20/30. - Gas en Water (Verwarming en verlichting) van Breestraat 185, Amsterdam 13/7. - Het gasgloeilicht. H. Beudeker, Arnhem x/x. Bij de optelling reken ik hier altijd een x in den teller voor 3 en een x in den noemer voor 30.

D. De Loodgieter en Gasfitter. (soc. gezellen), Zaagmolenstraat 121 B. Rotterdam x/15. - A. van Houcke: Vak- en kunstwoorden, Ambacht van den loodgieter en zinkbewerker. 2 deelen, Kon. Vla. Acad. Gent 1901, waarin ook verdere bibliographie.

 

Voor deze taal geef ik een uittreksel uit van Houcke's woordenboek. Men lette er wel op, dat dit vooral Vlaamsche vakwoorden zijn, waarnaast het zeer interessant zou zijn: de Hollandsche parallellen te vergelijken. Bij deze confronteering moet men evenwel voorzichtig zijn, daar de bewerker ook vele termen uit Noord-Nederlandsche boeken schijnt te hebben overgeschreven. De Vlaamsche Academie gaat er blijkbaar in hare prijsvragen steeds van uit, dat een vaktaal over het geheele land ongeveer dezelfde is. Hierin ligt zeker een grond van waarheid. Het rondreizen der jonge gezellen, het aannemen van werk soms ver buiten de woonplaats, het betrekkelijk klein getal vaklui, dat meestal op ééne plaats samenwoonde, gaven aan de ambachtstalen reeds in de Middeleeuwen een zekere algemeenheid over het heele land, binnen den beroepskring wel te verstaan. Men moet dit echter niet overdrijven; en het is een onloochenbaar feit dat zeer vele termen, juist van de oudere ambachtstalen, strikt dialectisch begrensd, ja soms zelfs scherp locaal beperkt zijn. En nu wil het mij lijken dat de bewerkers en de beoordeelaars dezer Vak- en Kunstwoordenboeken hier niet half genoeg rekening mee gehouden hebben. Bijna in alle vindt men Hollandsch en Vlaamsch, Algemeen-Nederlandsch en strikt-plaatselijke uitdrukkingen, meestal zonder éénig kenteeken kriskras door-

[p. 306]

een, óók bij van Houcke; wat te uitdrukkelijker dient geconstateerd te worden, omdat de ondeskundige lezer uit zijn verspreide bijvoegingen: West-Vla., Vla., Brab. enz. zou kunnen besluiten, dat al de overige tot de Algemeen-Nederlandsche vaktaal behooren, wat in de verste verte niet het geval is. Deze fout is in al deze prijsvraagboeken des te noodlottiger, wijl de Vlaamsche dialectwoorden nooit, zelfs niet bij benadering, opgegeven zijn met de klanken, waarin ze alleen voorkomen, maar altijd met onvermijdelijke willekeur worden overgezet in een fictieve algemeen-Nederlandsche verklanking, die ze vaak tot onherkenbaar wordens toe opdirkt of verminkt. Ten slotte is hier altijd de alphabetische volgorde gekozen, die het bijeenhoorende noodeloos vaneenrukt; immers een alphabetische index achter in een zakelijk geordend vakwoordenboek, zou in alle behoeften veel beter voorzien. Na deze waarschuwing neem ik echter onder beneficie van inventaris verschillende bloemlezingen uit deze boeken over. Alleen liet ik bijna alle samenstellingen achterwege, omdat hieronder bij deze uitgaven, dikwijls de onmogelijkste eigengesmede termen voorkomen die naar het oordeel der puristische bewerkers, de feitelijk gebruikte Fransche zouden moeten vervangen.

Aandak: bovendeel van den gevel, dat voorbij de dakschilden (d.w.z. de bedekte hellingen) schiet; ook de randen die buiten de dakschilden uitsteken.
Aanhang (Brab.): afdak. (in W.-Vl. aanklad, aangetrek; Brab. ook afhang, afhangsel).
Aanval: regenbord: stuk hout onder aan de kepers genageld, om de helling aan den dakvoet te verminderen.
Achteraf: bestekamer.
Afbreken: een staaf afbreken, inkorten.
Afeten (afbijten, schoonbijten, afvreten, klaarvreten): oppoetsen.
Afsmetten: 'n rechte lijn afteekenen door middel van een besmeerd koord.
Afsnikkeren, afsnekkeren (W.-Vl.): bij stukjes afsnijden, b.v. de randen van bloklood.
Apenvel (Hageland): gomelastiek (Vl. duivelsvel, Br., Antw. ezelsoor).
Asselke (Arab.): klein bosje hout, als vuurmaker gebruikt.
Baan: voorvlak van 'n hamer; ondervlak (zool) van 'n schaaf.
Bedraglood: schietlood.
Begijnepomp: gewone huispomp met pompbak.
Biljoen: afgeschuinde kant.
Blutsen: bolronde verheffing in 't metaal (aan den anderen kant 'n buts).
Boeibord: plank aan den voet van het dak, waartegen de goot wordt aangebracht.
Bogelen: verheven rond beeldwerk maken.
Bok: tas met schuinstaand hoofd.
Buskool: houtskool.
Daal: buis eener pomp.
Daggeren: (Antwerpen enz.) 't rondloopen van 'n boor die niet dadelijk in 't metaal bijt.
Dagvlak: 't zichtbare deel van 'n zinken ruit (dakbedekking).
Dansmeester: passer met sterk gebogen beenen.
Distel: zinken prikkeldraad.
Doodman: over den doodman werken (W.-Vl.): zonder loon werken (‘volontair’).
Dopper: werktuig tot het maken der koppen aan klinknagels.
Drogen, koper drogen: 't afzonderen van tin en lood.
Druif: leunknop aan een omslagboor.
Duivel: kleine kachel (i.p.v. komfoor) om lood of soldeer te smelten.
Eenponder: spijker van 1000 in één pond, zoo halfponder: (1000 in ½ pond) kwartponder en driekwartponder.
[p. 307]
Egge: 1) rand op blik door afdroppelen van het tin; 2) snede van een mes.
Eksteroogen: schitterende plekjes in soldeer (wanneer er niet genoeg tin is in evenredigheid met het lood).
Ezel: ijzeren stang waarop lood of zink bewerkt wordt.
Ezelin: dubbele ezel.
Figgelen: verkeerd snijden van metalen platen.
Foelie: zeer dun geslagen metaal.
Gaar, gaar lood: van goede kwaliteit, zonder vreemde bestanddeelen.
Gebet: gebet zand, door verwarming gedroogd.
Gek: 1) uitstekend stuk boven op 'n pomp, waarop de hefboom van den zuiger steunt; 2) schoorsteenkap (ook Jezuïet genoemd).
Gekrikkel: geluid dat men hoort als tin snel wordt gebogen, (geknetter, gekraak, geschrei; hieraan wordt tin dadelijk herkend).
Gemoet: verdikking aan een stang, pin in 'n buis.
Gespot, gespot blik: blik met vlekjes.
Gestreken: gestreken lood heeft door de schaven de vereischte dikte gekregen (niet getrokken of geplet).
Glid, glit: loodoxyde.
Gording: zwaar stuk hout of ijzer, rustend op de gebintstijlen van opeenvolgende dakspanten.
Grief of griffel: zinksnijmes.
Gruis: kleine nagels.
Haal: stang van komfoor, waaraan de ketel hangt.
Handhaaf (pakaan, pakvast, beide Vl.): hecht, handvat. In 't bijzonder: handhaaf van 'n zaag, pakaan van gereedschapsbak.
Harpluis: geteerd werk.
Harpuis: spiegelhars (verkregen door distillatie van gom van vurenhout, waaruit al de terpentijngeest getrokken is).
Heiligen (gewestl.): ouderwetsche of geschonden voorwerpen, uitschot.
Heugel: haal, ijzeren haak met ketting, waaraan de ketel boven 't vuur hangt.
Hoos: bekleeding van torentop, onder 't kruis of topsieraad.
Inluiken: buis sluiten door rechter- en linkerweerboord (omgeslagen kant) over elkander te slaan.
Inpinnen: randen ómzoomen, boorden maken die 'n metaaldraad bevatten.
Jodenhars, -pek, -lijm: aardpek, ‘bitumen’.
Kapittelstok: wringstok van 'n bankschroef.
Keper: dakspar; houten ribben waarop de beschieting wordt genageld.
Kiel: plaats van samenkomst van twee daken of deelen van daken.
Knevel: streng, kort bindkoord.
Knier: scharnier.
Koeverdak: leien dak, waarvan de ‘dagvlakken’ ruiten zijn (cf. rensdak).
Koevoet: hooge tas, banktas. Zie tas.
Koning: zuiverst bestanddeel van gemengd metaal; metaalmengsel waarin tin voorkomt, en dat groote wrijving moet kunnen doorstaan.
Korteres, korteres van werk: schaarschheid, gebrek aan werk.
Koudbeitel: korte sterke beitel om metaal koud te kappen.
Krangkant: verkeerde kant, rugzijde van 'n blad zink.
Krauwsel: gietfout, doordat 't zand bij 't gieten van den vorm valt.
Kreushamer: geulhamer, dient om holle keellijsten te slaan.
Kuiken (Antw. pop): blokje ijzer aan 'n omslagboor, waarin de dril wordt gestoken.
Laf, de pomp heeft geen laf: de pomp is afgeloopen, ‘la pompe n'est pas chargée’.
Libel: luchtbelwaterpas.
Lijns: spie (op de as) die 'n wiel belet af te draaien.
Loodboom: de vorm (vertakkingen) waarin lood kristalliseert tegen zink dat in azijnzuurloodoxied (‘loodsuiker’) gestoken wordt.
Lutsen: wiggelen, losstaan, het staat luts; overg.: ergens aan wiggelen b.v. bij 't uittrekken van krammen.
Lutteren: het verschilt van lutsen hierin dat de wiggeling ‘veel lichter en dapperder geschiedt en meest met gereutel vergezeld is.’ (De Bo).
Maagdenlood: onbewerkt lood, dat zoo uit den vlamoven komt.
[p. 308]
Maas: opening tusschen draden van 'n stof, bij vlechtwerk malie genoemd.
Mal: teekenmodel dat afgetrokken wordt.
Mamiering: geleibuis (eigl. niets dan 'n hevel).
Mik, op een pomp: gek.
Mof: van binnen beschroefde rol om twee buizen te verbinden.
Neep: plooitang.
Niet: oxied verkregen door 't verkalken van zink.
Nieten: ‘nietnagels’ vastzetten, d.i. metalen platen aaneenklinken.
Noesch: scheef.
Oorzaag: zeer smalle schrobzaag.
Opdiepen: drijven, metaal hol-, bolmaken,
Overtaster: kromme diktepasser om buizen te meten.
Pezerik: stierepees om gereedschap in te vetten.
Pieters afsteken (W.-Vl.): slechte waar zien te slijten (vgl. heiligen).
Pingel: dun koord.
Pompegrui: kleine platkop-nageltjes, waarmee 't leer aan 't pompslot (Z.-Vl.; N.-Vl. pomphart) genageld wordt. Ook kloefnageltjes genoemd. Zie gruis.
Puimen: glad slijpen met puimsteen.
Raasmaandag, verloren maandag: koppermaandag.
Rabauw, -lood: vensterlood (geschilderde ramen).
Rensdak: leien dak met gebogen ‘dagvlakken’.
Roef: schuif, stuk lood met 2 omgeslagen boorden, om looden platen van dakbedekking (wier randen óók omgeslagen) te verbinden.
Roerlood: dàt ‘maagdenlood’, dat 't eerst afvloeit; de tweede bewerking geeft perslood.
Roffel(schaaf): schaaf om lood op de vereischte dikte te brengen.
Rooier: ‘parallelliniaal’, werktuig om evenwijdige krassen te maken.
Salieblad: blad van een metaalkrabber.
Sas: houten beitel om hoeken (b.v. in een looden bak) scherp te maken.
Schampiljoen: afstand tusschen evenwijdige leien (van schampelen: afwijken?).
Schepelkraan: kraan die oogenblikkelijk kan gesloten worden.
Scheutgeven (Gent-Brussel): katoen geven, snel voortwerken. Op scheut staan: op den loer staan. Als er geluierd wordt en de baas komt, dan roept de uitkijk: ‘scheute, de baas!’ d.i. ‘maakt voort.....’ (misschien ook: ‘schuwt u...!’ De baas komt dan op scheut.
Scheute (O.-Vl.): helling (W.-Vl. scho(o)t). N.B. In Noord-Nederland zegt men: ‘daar zit schot achter’ voor: ‘dat vordert flink’.
Schild: vlak van een schild- of tentdak (‘toit en pyramide’).
Schrobzaag: korte smalle handzaag.
Schroefgang: de inspringende ruimte langs den schroefdraad.
Schroo: afgesneden langwerpig stuk metalen plaat.
Schroot: dakdeel (voor de beschieting).
Slab(be): plaat lood of zink die het doorzijpelen verhindert, waar de dakbedekking tegen metselwerk aankomt.
Slabbetje: strookje lood of zink op eene bedekking, onder de kroonlijst.
Slagel, slegel, slei: stuk hout met korten steel om lood of zink effen te slaan.
Slaglijn: de lijn bij 't afsmetten gebruikt.
Slakken: gestold metaalschuim.
Slape, slapergoot: kiel. Zie aldaar.
Sleg: hetzelfde als slagel, doch dient om palen in te slaan.
Slot geven: dicht aansluiten, b.v. den gietvorm.
Smetlijn: slaglijn.
Smouter: pezerik.
Snaakshoofd: grijnzende kop van lood of zink als versiersel.
Snuit(er): uiteinde van 'n buis, verwijd om 'n andere buis in te schuiven.
Spel: verzameling van verschillende typen van een gereedschap, b.v. tangenspel (stel).
Spiesglans: antimonium.
Spitskopje: topsieraad op gevel- of torenspits.
Sprok, sprooi (Vl.), sproos (Vl.): broos.
Spuier: dolfijn, onderstuk van 'n afvoerbuis in den vorm van een dolfijnekop.
Stamp: holle vorm om 'n plaat bol te stampen.
Stapel: poot van stoel, loodpot, stander enz.
Sterfput: zinkput met stankafsluiter.
[p. 309]
Stuiken: doodloopen van een goot op 'n torentje b.v..
Tap: uiteinden van de as van een slijpsteen, die in de kussens vatten.
Tas: stalen staak met breeden kop, waarop metaal wordt bewerkt. Deze wordt met den staart in 't tasgat, in de werkbank of in 'n blok gestoken.
Toot (tuit, teute W.-Vl.): bek, spuwer van 'n pomp.
Tremel: soort trechter tot 't laden van een oven.
Uitslaan: een werk uitslaan: in volle grootte afteekenen.
Verglaasd, vergleierd, vergleisd: geëmailleerd.
Vergunning: dikte en gewicht van bladzink worden slechts benaderend opgegeven; 'n kleine vergunning is toegestaan; 't mag wel wat verschillen.
Verkitsel: stopverf.
Verlaat: kraan waarmee 'n heele vertakking der waterleiding kan worden afgesloten.
Versmeren: zachte metalen (o.a. lood en zink) versmeren de vijlen: deze bijten niet meer (groeven vol vijlsel).
Versterven: 't vervliegen van scherpe vochten, wat verschalen is voor dranken.
Verval: helling, verschil in hoogte.
Verzinken: nagels dieper inslaan, zoodat de kop niet meer uitsteekt.
Viertijd: schofttijd.
Vijlstaak: bankschroef.
Vlotter: drijfkraan, toestel om waterstand in vergaar- of stortbak te behouden.
Voeting: plaats waar 't staande deel van 'n dakvenster de dakbedekking snijdt.
Watergarf: garfvormig buizenstelsel.
Waterspruit: zie waterspuier.
Waterspuier, waterspuwer: looden of zinken bak om het dakwater naar beneden te voeren.
Wekker: kleine spuwer boven 'n bak ofgoot, als veiligheidsklep voor buisverstopping.
Wemelen: boren met een wemel (W.-Vl.), omslagboor.
Wolf (vooral Vl.): 1) nok, 2) gek.
Wrange (W.-Vl.): zwengel.
Zaling: bekleeding aan een schoorsteenmonding.
Ziel: 1) ijzeren of houten beslag van 'n topsieraad; 2) blaasbalgklep.
Zoetsteen: aanzetsteen.
Zoetvijl: platte fijne vijl.
Zot draaien: dit doet 'n schroef met versleten draad of in 'n verwijd gat: hij pakt niet meer. In 't Hollandsch: die schroef is dol.
Zwei: haak met beweegbare beenen om hoeken te teekenen.
Zwijn: dakruiter, versierde ∧ -vormige dakvorst.

Dat de opkoming van het gaslicht in deze vaktaal een groote verandering en verrijking heeft gebracht, spreekt van zelf. Maar van Houcke schijnt de gasfitterstaal niet in zijn bestek te hebben opgenomen. Tusschen deze groeptaal en de volgende (der koperslagers) rangschikken wij nu het best de groot-industrie van blanke schroeven, moeren, façondraaiwerk, gas-, étalage- en electrische fittings. De fabriek der ‘Automatic Screw Works’ te Nijmegen bekleedt hier een voorname plaats. Het eerste wat den binnentredende opvalt, is dat hier de metaalarbeid als bestaande uit eenige zeer lichte handgrepen aan de banken, vooral door vrouwen en meisjes wordt verricht. Door de specialiseering in onderdeelen, is voor haar de routine in één richting van meer waarde, dan de kennis van het heele bedrijf. Geen wonder dan ook dat van de 207 arbeiders en arbeidsters er slechts 74 geschoold, 8 getraind zijn en de overige 125 heel en al ongeschoold kunnen blijven (1 Jan. 1910). Van de groote massa wordt dus veel minder vakkennis geëischt dan voor den burger-ambachtsman, maar bij de kleine minderheid der chefs, werkmeesters en op-

[p. 310]

zichters natuurlijk belangrijk meer. Wie de vaktaal der Nijmeegsche zinkbewerkers en gasfitters, met die der werklieden uit deze fabriek eens systematisch wilde vergelijken, zou een werk kunnen tot stand brengen: even leerrijk voor de taalwetenschap als voor de sociologie. Ook de blikken-, trommel- en bussenfabricatie is reeds bijna heel en al aan het gewone ambacht onttrokken. Groote fabrieken te Krommenie, Dordrecht en Vlaardingen leveren gemakkelijk 200,000 blikken bussen per dag. Bijna al de deelbewerkingen worden door machines verricht. De deksels b.v. worden uit een strook blik gestampt. ‘één man kan zoo in één minuut 100 deksels laten stampen. Het instellen van die gestampte deksels om er den ongelijken rand af te fraisen, maakt den indruk van razende vingervlugheid en intensiteit. Bijna alle machines worden door ongeschoolden bediend. De meer ingewikkelde felsmachines door jongens beneden de 16 jaar. Zoo van de straat worden ze eraan gezet; nu eens staan ze aan een persje, dan aan een felsmachine, dan aan een kantmachine, een kleine buigbank of walsje. Na een week hebben ze de gewenschte snelheid in hun werk. Het handwerk is, op wat soldeeren na, geheel en al verdrongen: 78,5% ongeschoolde arbeiders,’ natuurlijk bijna zonder vaktaal. In de gasfabrieken, wier arbeiders ook nog bij deze groep moeten gerekend worden, is het weliswaar iets beter. Op de gasfabriek van Amsterdam zijn 20,7% geschoolden, 34,3% getrainden en 45% ongeschoolden.

Het gaat hiermee dus langzamerhand overal denzelfden weg op, dien Adam Smith in zijn Wealth of Nations van 1776 reeds voor de speldenfabricatie beschreef: één man alleen zou op één dag hoogstens 20 spelden kunnen maken. Nu is het werk in 18 deelbewerkingen gesplitst, en maken ze (in 1776!) met 10 arbeiders 48000 spelden per dag’. En dan houdt Smith een lofrede op die gulden arbeidsverdeeling, waardoor niet slechts iedere werkman een grootere bedrevenheid krijgt voor zijn onderdeel, maar bovendien de tijd bespaard wordt, die anders bij 't overgaan van het een naar het andere werk verloren gaat, en waardoor ten derde zoo vele machines worden uitgevonden door gewone arbeiders, die er hun aandacht op richten, hun eenvoudig werk nòg vlugger en zekerder te maken. Van het nadeel zoo den menschelijken geest berokkend, had Smith nog geen flauw vermoeden. Weldra echter verhieven Ricardo in zijn Principles of political economy and taxation3 1821 en Sismondi de Sismondi: Nouveaux principes d'économie politique 1819, hunne waarschuwende stem. Zeker, zegt de laatste: ‘Iedereen maakt iets beter, als hij altijd hetzelfde doet; en waar ten slotte zijn arbeid wordt teruggebracht tot de allereenvoudigste bewerking, komt hij er toe die met zooveel gemak en vlugheid uit te voeren, dat de oogen hem niet meer volgen kunnen. Maar vaak leert deze arbeidssplitsing, dat de arbeider aan een machine gelijk geworden, ook door de machine vervangen wordt. En zoo begrijpt men, dat de mensch door deze

[p. 311]

splitsing: aan intelligentie, lichaamskracht, gezondheid en levensvreugde evenveel verloren heeft, als hij won aan vermogen om meer rijkdom voort te brengen.’ ‘Want door de verfijnde kunstige samenstelling van het werktuig, zegt Prof. Quack, werd de taak van den arbeider hoe langer hoe eenvoudiger. Door de geweldige arbeidsverdeeling werd zijn werk hoe langer hoe monotoner en dommer.’ Niet geheel gelijk is de toestand in de volgende naverwante groep.

5. De taal der smeden en koperslagers. 149/30

>A. De Hoefsmid. A.W. Heidema, Huygensplein 5, den Haag 1/30. - Orgaan voor smedenpatroons. IJzer-, staal- en rijwielindustrie, Ruygrok & Co Haarlem 1/7. - Vakblad voor smeden. H. Germs, Doesburg 1/7. - De Smidsgezel. (Rotterd. metaalbewerkers), v.d. Werffstraat 47, Rotterdam 1/x. - De IJzer- en Staalkroniek. Gebr. Binger, Amsterdam 7/7. - Vakblad voor den smid, koperslager, loodgieter, Installateur, en den handel in ijzerwaren, motoren, rijwielen, enz. C. Misset, Doetinchem 1/7.
B. De Metaalbewerker. Balistraat 9, Utrecht x/x.
C. De Metaalbewerker ‘St. Eloy’. Eikenweg 17 Amsterdam x/14. - De Metaalarbeider. Holstraat 65, Gent 9/15.
D. De Metaalbewerker. Prinsengracht 965, Amsterdam 20/7.

K. Berghuis: Handboek voor het smeden. D. Bolle, Rotterdam. - H. van Dijk: Modern Smeedwerk. Amsterdam 1906. - Jos. Herman: Modern Kunstsmeedwerk. Amsterdam 1906. - J. van der Kloes en J. Risch Jr.: Handleiding voor den metaalbewerker, meer in 't bijzonder voor den smid2, Leiden 1908. - F. van der Togt: Practisch handboek voor den metaalbewerker en den leerling in den machinebouw. Van Looy, Amsterdam. - R. van der Wal: Handboek voor smeden. Van Mantgem & De Does, Amsterdam 1907. - A. de Bruyn: Gids voor hoefsmeden. Den Haag 1882. - Frateur: Een overzicht van het hoefbeslag. Leuven 1906. - F.C. Hekmeyer: Handleiding tot de leer van het hoefbeslag. Belinfante, 's Gravenhage 1905. - J. Hinze: Het hoefbeslag, leer- en handboek. 's Gravenhage 1906. - F. Lameris: Het hoefbeslag in woord en beeld. C. Misset, Doetinchem 1904. - J. Moubis: Het hoefbeslag. Handl. tot eene rationeele uitvoering van het hoefsmidsvak. Amersfoort 1889. - J. Vuylsteke: Vak- en Kunstwoordenboek, Ambacht van den smid. Gent 1896.

 

Ook voor deze vaktaal heb ik een uittreksel gemaakt uit het juistgenoemde Vakwoordenboek der Vl. Academie, en gelden dezelfde opmerkingen als ondernr. 4.

Aaneenwellen, wellen: witgloeiend maken en zoo aan elkaar hameren.
Aanstuiken (den kop aan staaf of spijker): ijzer in de richting zijner lengte op zichzelf ineendringen, teneinde het in dikte te doen toenemen.
Aanvijzen, vijzen: met schroeven vastmaken.
Aardvlas, steenvlas: onbrandbare delfstof die gebruikt wordt in gaskachels om brandstof te verbeelden, asbest.
Afbramen: de bramen of baarden van het metaal met vijl of beitel afwerken.
Afeten, klaareten: een stuk ijzer klaar of wit laten trekken in sterk water.
Afrooien: met een rooier afteekenen.
Alaam, aalme of halme: de verzameling werktuigen van den smid.
Arduindook: een stuk gesmeed ijzer dat in arduin vastgegoten wordt met lood en dient om iets vast te maken.
Arend: 't spits uitloopend uiteinde van een snijdend werktuig, waarmee het in het handvatsel gestoken wordt.
Baar: metalen staaf of stang.
Barbeel: tanden onder en boven aan het schof van een slot.
Begeven: onder het gewicht of de kracht plooien. Een ijzeren balk begeeft niet licht.
Begorie, bigorie, speerhaak: aambeeld met twee hoornen of spitsafloopende armen.
[p. 312]
Beloen: afgevijlde of afgeslepen kant van een stuk metaal
Betemperen, (be)timperen: staal verharden met het gloeiend in water of olie te dompelen, (fra. tremper). Timperen wordt ook gezegd van het met een lepel door elkaar slaan en stijf maken van het beslag voor een pannekoek: struif timperen.
Bijten: deze vijl bijt niet meer: is versleten.
Bladderig: gezegd van ijzer, waarvan de oppervlakte met pellen of blaasjes bedekt is.
Bloket: dik stukje ijzer, dat binnen in de slotkas vastzit en evenals de reepen dient om de valsche sleutels te beletten van tot de barbeelen te geraken.
Bo(e)kscharnier: uitspringende scharnier, die bij het sluiten der deur toeslaat gelijk een boek.
Braam: baard van gegoten, gevijld of gekapt metaal.
Brandels: haard- of vlamijzers, ijzeren of koperen staanderswaarop men houtvuur maakt.
Broek: ijzeren gesmede band, die een voorwerp omsluit en bijeenhoudt.
Centerboor, appel- of cirkelboor: boor met centrum, om groote regelmatige gaten zuiver en snel te boren of om cirkelvormige insnijdingen te maken.
Dook, dokke: stuk rond plat of vierkant gesmeed ijzer dat van onder verdikt, gewrongen of gespleten is en in arduin met lood vastgegoten of in metselwerk met plaaster vastgezet wordt.
Doorn: ijzeren of koperen lichtstander voor veel kaarsen, vooral in kerken gebruikt.
Doorslag, drevel, pons, drijfijzer: werktuig waarmee een metalen plaat doorgeslagen wordt.
Dopper: holle doorslag, dient om regelmatige koppen aan de klinknagels te slaan.
Draailing, wervel: ijzeren plaatje dat op een nagel zit en draaien kan.
Draailing, draaisel: kleine ijzeren krullen, welke bij het bewerken op de draaibank van het ijzer vallen.
Driepikkel: ijzeren standert met 3 voeten, waarop men lange stukken ijzer laat rusten om ze te bewerken.
Draaispank, -massche: ijzeren schakel, waarin een draainagel zit.
Drevel: zie doorslag.
Drijfijzer: zie doorslag.
Dril: stalen priem om gaten in metaal te boren.
Drilboog: boog waarmee men de drilklos in beweging zet om met de borstdril gaten te boren.
Duim-, goudslecht: hengsel of scharnier die aan het einde kokerwijs omgekruld is, om op een duimhaak te draaien.
Duivelken: klein gegoten kacheltje.
Eest: haard der smidse.
Elleboog: stuk buis in den vorm van een elleboog.
Ezel: ijzeren balk die, in een kram geschoven, op de werkbank rust en waar het plaatijzer op bewerkt wordt.
Ezelin: dubbele ezel, dien men gebruikt in de vijlstaak gespannen.
Flokkezwart: fijn zwart poeder dat, gemengd met terpentijn, gebruikt wordt om de kachels te zwarten.
Frikkelen, uitfrikkelen: met een halfronde of ronde vijl een groef boogvormig uithollen.
Gang: hengsel van een deur.
Gemoet: plaats waar een metalen staaf verdikt om tegen een ander stuk gespannen te worden.
Geut(e), goote: versch gegoten ijzer.
Geuteling: oude gebroken stukken van gietijzer.
Geuze: nieuw ijzer, dat dient om, samen met ander ijzer gemengd, geut te maken.
Grendelgemoet: zie houvast.
Grui: nageltjes met platte kopjes.
Haaklede: hangsel.
Haal: zie hangel.
Hangel, haal, hengel, hangelhaak: getand hangijzer bij houtvuur in den schoorsteen gebruikt om ketels aan te hangen.
Helpen: een slot helpen, herstellen.
Houtvast: scherp stuk ijzer met platten voorkant, dat in den muur geslagen wordt en dient om iets op te houden.
Houvast, stuit, grendelgemoet: haak of uitsteeksel aan een grendel of schuif om hunne bewegingen te beperken.
[p. 313]
IJnze, ijns, inze, eins, einze, heinze, heynse, heize, eis: ijzeren omgebogen handvat voor ketels, emmers, koolbakken enz.
IJzermaal: ijzerroest.
IJzermastiek: soort van cement om kachelpijpen en ander ijzerwerk dicht te maken.
Inhalen: inhameren, met een hamer vernauwen.
Inluiken: een rechtschen of linkschen weerboord over elkander slaan en zoo de buis sluiten.
Insassen: met een sas doorzetten.
Sas, zethamer: een stuk verstaald ijzer met effen vlak, of waarin een geul of een anderen vorm uitgehold is, en waar men op slaat om het ijzer glad te smeden of om den uitgeholden vorm aan een onderliggend stuk gloeiend ijzer te geven.
Invetten: met olie of was bestrijken om van het roesten te vrijwaren.
Jager, jacht: plaatijzeren of gegoten vuurdekker voor open vuren.
Jachtwiel: groot wiel dat het boortuig of andere machines in gang houdt.
Kalkoentjes: kleine schroeven zonder kop en aan den kop verdund om in versierselen vast te klinken.
Kanonboor: een dril om een geboord of geslagen gat te zuiveren of wat wijder te maken.
Keere, sofreinkeere: boor om de bramen van de pasgeboorde gaten af te draaien.
Klamp: een soort van kram die met bouten of vijzen vastgezet wordt.
Klauwijzer: kleine vierkante ezel met een verhoog of tafel aan het uiteinde en die in de vijlstaak gespannen wordt. Het dient om plaatijzer over te slaan en om de klinknagels achter een boord vast te kunnen slaan.
Klepper: hamer van een slagbel; ook haak die een tandwiel belet verder te draaien.
Klouwiere: stuk ijzer met ronde en vierkante gaten, waarin men de pinnen der nagels steekt om er een kop aan te slaan.
Kraag: kort stuk buis met rand, dat rondom het rookgat van een kachel geklonken is en dient om de buis op te zetten.
Krukboor: tweepuntige handboor om gaten te verwijden.
Krukgang: langwerpige scharnier.
La(a)(i)ijzer: al het oud en onbruikbaar ijzer.
Lasch,: de plaats waar twee stukken ijzer aan elkaar gesmeed zijn.
Lecht: hengsel.
Leêgaard, wippe: trapplank waarmee men de wrang van een draaibank of slijpsteen doet draaien.
Lengsel: stuk ijzer, dat men aan een ander zet om dit laatste gemakkelijker te hanteeren in het smeden.
Lijns, leinze, lijnze: spievormig stuk ijzer dat door den top eener as gestoken wordt, om te beletten, dat het wiel afdraait.
Lijshaak: metalen haak, die met een nagel vastzit, doch zoo dat hij er op kan draaien.
Maalde: mal; wanneer men een aantal gelijke stukken in plaatijzer moet uitkappen maakt men eerst een juiste maalde, waarmee men al de stukken afteekent.
Malie: ijzeren of koperen ringetje.
Massche, maze: schakel van een keten.
Mijnsel, minsel, mensel, meinsel, munsel: kleine metalen band aan het einde van een stok, mes, handvat enz. om het splijten te beletten.
Misplat: langwerpig vierkant.
Nijd: omgeklonken of overgeslagen top van een nijdnagel, nijdbout of nijdspil.
Nijden: een nijdnagel vastklinken.
Noot: de noot van een dagslot is een rond stuk ijzer of koper met twee vleugels, in zijn dikte met een vierkant gat doorboord. In dit gat past de pin van de kruk waardoor men het slot in beweging brengt.
Ontlaten: ijzer dat door het hameren te hard geworden is, verzachten met het wederom te heeten.
Pons: zie doorslag.
Poont, (punt): dunne spijker.
Rooier: ijzeren roede met een koperen rondeeltje vast op den top en een beweegbaar grooter rondeel in ijzer om evenwijdige koperen lijnen op plaatijzer af te teekenen.
Rul: ruw, hobbelig, oneffen.
Rust: in een slot de kerf, in den bovenkant van het schof van een slot en waarin de veer rust, die het slot in- en uithoudt.
[p. 314]
Scharten: enkel met de grove vijl de peelen van het gesmeed ijzer afnemen, voor grof smeewerk, dat moet geschilderd worden.
Scheers: platen spie, die door een bout gestoken wordt en dient tot sluiting.
Schaf: het deel van een slot, dat door den sleutel in- en uitgeschoven wordt. Eigenlijk alles wat uitgeschoven wordt.
Schoot, veurster: de voormuur van een schouw langs welks binnenkant de rook naar boven stijgt.
Stuit: zie houvast.
Tap: geschroefde stalen pil waarmee men een draad in moeren kan trekken.
Tas: verstaalde of stalen blok om ijzer op te trekken of vast te klinken.
Veurster: zie schoot.
Wachter: ijzeren buis boven op een schouw gezet en draaiende volgens den wind om den trek te vergrooten.
Wippe: zie leêgaard.
Wrong: een plooi in gesmeed ijzer.
Zetkamer: zie sas.
Ziel, windvang: de sluitval van een blaasbalg waar langs de wind ingetrokken wordt.
Zwaluwstaart: verbindingsmiddel om 2 stukken metaal stevig aan elkaar te brengen.
Zwee: een juist rechthoekige schrijflat om langs af te teekenen.

Ook hier heeft de grootindustrie het ambacht reeds verdrongen: uit het constructiewerk, de gieterij en de grofsmederij. De meeste wijzigingen onder den invloed der moderne machines kwamen pas in de laatste 20 jaren tot stand. In de smederij verschenen de stoomhamers en smeedpersen, in de ketelmakerij het hydraulisch klinken, en het nog jongere pneumatische caulken; in de schaverij werd het schaven door fraisen, in de draaierij werden de oude banken door automatische vervangen, in de gieterij kwamen de nieuwe vormmachines, ook hydraulische; de montage kreeg betere electrische kranen, de poetserij haar zandblaasmachines, de modelmakerij haar zaag- en schaafmachines. Wat verder vooral opvalt, is weer de groote specialiseering in nieuwe beroepen. Maar toch schijnt hier de vakbekwaamheid niet sterk te verminderen. Want wat aan veelzijdigheid verloren werd, werd aan volmaakte werkwijze en grooter nauwkeurigheid gewonnen. Zeker het oude vak werd vernauwd, maar de werkman levert tienmaal beter werk, en daar beleeft hij eer en genot van. Bovendien stellen de grootste fabrieken er prijs op, zelf hun jonge arbeiders in vak- en avondscholen degelijk te onderleggen, veelzijdig te oefenen en hun een kijk te geven op het heele bedrijf. Verder houdt ons kleine landje de al te eenzijdige specialiseering der fabrieken tegen, zoodat toch nog vele arbeiders van alle markten thuis moeten zijn, en een heele vaktaal kennen. De geschoolden vormen nog 80% der werklieden. Als van der Waerden dan ook de Amerikaansche en Duitsche toestanden met die onzer vaderlandsche machinefabrieken vergeleken heeft, komt hij tot een betrekkelijk gunstig resultaat. En het ziet er, eveneens volgens hem, niet naar uit, dat dit in de eerste jaren sterk veranderen zal. Wij hebben hier dus een geval, waaruit blijkt, dat ons moderne industriewezen niet onvermijdelijk gedoemd is, om den arbeider dom, en zijn zieleleven leeg te houden. En waarom zouden de andere industrieën, desnoods door verstandige wetten een handje geholpen, zich hieraan niet kunnen spiegelen?

Jammer genoeg hebben zich door de genoemde nieuwe machines, een paar ver-

[p. 315]

wante takken van metaalbewerking ontwikkeld, die ten slotte buiten de moederfabriek terecht kwamen; ik bedoel de schroefbouten- en klinknagelfabrieken. Het eenvoudige werk bestaat hier in draadsnijden, moerenfraisen, moerentappen en boutenpunten, alles met de machine, en in 2 maanden te leeren. Een beetje moeilijker en in 6 maanden te leeren is het moerenmaken, het boutensmeden en het klinknagelmaken. De arbeiders doen eigenlijk niets anders dan de machines voeden met koud of gloeiend materiaal, terwijl hun eentonige arbeid zonder onderbreking doorgaat in het tempo, grootendeels door de machine zelf bepaald. Verreweg het grootste getal werklieden is hier dus ten eenen male ongeschoold. Van een vaktaal is geen sprake meer. Op zulk een geestdoodende fabriek moest eigenlijk een normaal-begaafd arbeider niet langer dan één of twee jaar mogen werken, om vandaar over te gaan naar de machinefabriek. De Rijwielindustrie is ook sinds 20 jaar een zelfstandige tak van bedrijf geworden. Voortdurend werd in dien tijd door nieuw geconstrueerde machines de geschoolde arbeid, hier gemiddeld in 5 jaar te leeren, omgezet in getrainden van 3 tot 6 maanden. En ten slotte is het percentage der geschoolden in ééne fabriek tot 23% en in een andere zelfs reeds tot 10% gezonken. In deze laatste worden althans de chefs gekozen uit de beste arbeiders. Gelijk men ziet houdt deze industrie dus tusschen de beide vorige het midden, hoewel allesbehalve een gulden midden. Het zou nu de moeite loonen, naar de vaktaal der verschillende soorten van werklieden in deze drie soorten van fabrieken een degelijk en onbevooroordeeld onderzoek in te stellen, om te zien in hoeverre inderdaad mannen met normale begaafdheden voor inferieuren arbeid worden gebezigd. Want hierop heeft men tot nog toe, mijns inziens, bij de beoordeeling van dergelijke vraagstukken niet voldoende gelet. Ook bij de oude ambachten zijn er knechts en handlangers, die nu eenmaal zoo weinig begaafd zijn, dat ze nergens anders voor dienen kunnen. En aan dezulken wordt natuurlijk volstrekt geen kwaad maar goed gedaan, door hun den spierarbeid te verlichten, en hun psychisch werk te vereenvoudigen. Kleine menschen - en die zijn er zeer vele! - vragen nu eenmaal niet beter. Maar om hier oog op te krijgen moeten dus de vaktalen eerst individueel worden bestudeerd, om zoo een vergelijking mogelijk te maken.

6. De taal van rijtuig- en wagenmakers. 13/30

A. Nederlandsche rijtuig- en automobielindustrie (voor wagen-, rijtuig- en autocarosseriemakers.) H. Germs, Doesburg x/30. - De Rijtuigbouw. J. Boom, Haarlem 3/30.

C. De Rijtuigmaker (Le Carossier). Kogelstraat 7, Brussel 7/30.

J. van der Kloes, G. van Helden: Handleiding voor den Wagenmaker. E.J. Brill, Leiden 1907.

 

Deze groep vormt natuurlijk een overgang tusschen de metaal- en houtbewerkers, en heeft daardoor voor de taalstudie een bijzondere waarde.

7. De timmermanstaal. 130/30

A. Het hout en zijne bewerking. Florentiestraat 23, Brussel 4/14.

[p. 316]

C. De Katholieke Timmerman. Th. J. Rutjes, Kattenburgerkade 18, Amsterdam 12/15. - De Belgische Houtbewerker. Onder den Toren 5, Mechelen 13/15. -

D. De Timmerman. 1ste Helmersstraat 42, Amsterdam 20/7.

J.v. Gendt: Zamenstelling der voornaamste timmerwerken, Amsterdam 1879. - H. de Groot: Handboek voor timmerlieden.3 A.S. van Looy, Amsterdam 1913. - G. Scholten: De practische timmerman. Handboek voor timmerlieden, bazen, opzichters en aanstaande bouwmeesters3 's Gravenhage 1910. - J. van der Kloes: Handleiding voor den timmerman3, Leiden 1909, - F. Berghuis: Handboek voor bouwkundigen, Deel I. Onze betimmeringen. Deel II. Kappen en daken en verdere timmerwerken. Rotterdam 1892. - J. en V. van Keirsbilck: Vak- en Kunstwoorden. Ambacht van den timmerman, Gent 1898.

 

Ook van deze Vlaamsche Academie-uitgave ter kenschetsing een uittreksel: Over het leerzame woord ledikant (lit de camp) zie men K. de Flou: Verslagen en Mededeelingen der Kon. Vl. Ac. 1907, blz. 176-184 en het boek geciteerd blz. 291.

Aal: spits stalen werktuig met houten hecht, om gaten in 't hout te steken. Ook els-priem.
Aanloop: overgangslid tusschen twee verschillende deelen van een lijstwerk.
Aankoop: houten of ijzeren blokje op den zijkant van een schaaf om de diepte van deze te regelen.
Aansnede: de voorsprong van den bovensten tand der zaag vóór den ondersten.
Afbiljoenen: een paal van de scherpe hoeken ontdoen door schaven.
Afroffelen: ruwe stukken hout door schaven ontdoen van de oneffenheden.
Afschrijfpunt: els.
Afzaat: 't schuine bovenvlak van een horizontale lijst.
Alaam: het gereedschap.
Angevel: loodrechte stijl van een houten hek.
Anker: ijzeren houvast in steenen muren.
Appel: ronde deurknop.
Arm strijken, schaven: een deur langs de diktezijde schuins schaven.
Avegaar: groote schroefboor.
Balksleutel: steunstuk aan 't uiteinde van den balk.
Batting: een soort van plank of balk.
Beschieten: met planken beschieten.
Beslaan: haaksch maken.
Bestaken: met staken omzetten.
Beun: zoldering.
Blinde vernageling: zoodat de nagels onzichtbaar zijn.
Blokkeel: eind rib, welk met een zwaluwstaartlip tegen den gebintstijl wordt gewerkt en in den muur draagt.
Bloktrede: de onderste volle trede van een trap.
Blonk: stomp, waar de scherpe punt af is.
Bocht: een houten afgesloten kerkbank.
Boei: een planken hut, loods.
Boenen: 't uitslaan van ondroog eikenhout en kastanjehout.
Boezemhout: steunbalk onder aan den schoorsteenmantel.
Boks: houten afsluiting in een paardenstal.
Bomgat: galmgat in een houten toren.
Boogschaaf: blokschaaf met rond ondervlak.
Boogzaag: grootste zaag, waar het stalen zaagblad in een houten span of raam is gespannen.
Boord: winkelplank.
Boorsel: houtdeeltjes, die bij 't boren uit de gaatjes vallen.
Bordes: rustplaats tusschen twee traparmen.
Bordesch: 1) houten portaaltje aan de buitendeur; 2) een verkoopplank buiten het venster.
Borst: uitspringende boord van den breedsten kant eener pen.
Borstboom: boom van een weefgetouw, waartegen de wever met de borst leunt.
Boschkant beslagen hout: boomstam, die aan vier kanten beslagen is.
Bossing: schuin paneelstuk, waarvan de vier uiteinden in de groef der vergaring (voeg) worden opgesloten.
[p. 317]
Braam: spoor van het slijpen op een beitel enz.
Breiel, breidel: houten doorloopende brugleuning.
Brits: houten rustbed.
Buk: een der twee schaven, waaruit een nootschaaf is samengesteld.
Burghaak: tandvormige kerf.
Cartelle: klein versierd plankje, boven aan een stok, dat men in processie ronddraagt.
Dag: de dag van een opening: de afstand tusschen de twee paneelaven.
Dakkapel: dakvenster op een kerkdak.
Dakruiter: kleine torentjes, op den nok of vorst geplaatst.
Daktengel: dun en smal latje om de naden van 't beschot eener daking dicht te maken.
Dekken: dakken, met een dak toeleggen.
Delie: deel, plank van Noorsch hout.
Deugel: drevel, doorslag.
Deunstok: bij wevers, een stok dienende om den ketting te vlakken.
Diamant-knop: paneel, waarvan de vier zijden schuins in een toppunt toeloopen.
Dissel: snijdend werktuig, bestaande uit een breed omgebogen ijzer, in een langen steel vervat.
Doodloopen: 't onderbroken worden van een lijst, die een rondloopende lijn beschrijft.
Doof hout: rot hout.
Doorslag: stalen stift om de koppen der spijkers in 't hout te drijven.
Dop: werktuig om gleuven in hout te kappen.
Draad: naar den draad: volgens de richting der houtvezels.
Dracht: lengte van een horizontaal gelegden balk.
Drevel: doorslag.
Driepikkel: drievoet.
Drift: twee klampen, waartusschen gelijmd hout gelegd wordt.
Drijven: de planken van een vloer nauw tegen elkaar doen sluiten.
Druif: houten ronde knop van een boor.
Eg: scherpe kant van een stuk hout; kantelaaf.
Fermoor: steekbeitel.
Fiefer: een soort van olm met fijn hout.
Fitsefaze: een soort van scharnier.
Freesboor: spitsboor om de ingeboorde gaten kegelvormig te vergrooten;: frizeerboor.
Fret: schroefvormige boor om kleine gaatjes te boren.
Gaard: houten of grenen afsluiting van een omsloten weide enz.
Galent: houten hek.
Galg: houten staak boven een put, voorzien van arm, waaraan de emmer hangt.
Gapen: 't openstaan van een naad tusschen twee planken.
Geeselbank: houten bank om de korrels uit de aren te kloppen.
Gelent: galent, houten hek.
Gijk: arm aan een wegwijzer of paal.
Giool: kooi.
Glint: latwerk tot ondersteuning van boomen.
Gording: lang verbindstuk, liggende dwars te midden over de lengte der verbonden balken.
Graander: haverkist in stallen.
Guts: holgebogen beitel om holle en bolle voorwerpen te bewerken.
Haak: werktuig bestaande uit twee dunne, aan elkander verbonden houten of ijzeren bladen, dat dient om aan te duiden volgens welke lijn een stuk hout moet bewerkt worden, winkelhaak.
Haak: in den haak: behoorlijk naar den winkelhaak.
Haaksch: zie in den haak.
Hakvermoeren: hakbeitel.
Hamei: uiterste slagboom, getralied hek.
Hamerbaan: 't platte deel van den kop eens hamers.
Hamerpin: 't scherp afloopend deel van den hamer.
Hand: vóór de hand zagen: bij 't zagen de zaag loodrecht op en neer bewegen.
Hang: rek aan den muur.
Hangel: bij wevers een getande stok.
Hangoor: tafel met neerslaande bladen.
Haspel: draaiboom op een pad om alleen voetgangers door te laten.
Hoekverbinding: het verbinden van twee houtstukken tot 't vormen van een hoek.
[p. 318]
I. gewone hoekverbinding, waarbij de stukken bij den hoek ophouden.
a. Koud in 't verstek. De stukken kunnen vlak (koud) tegen elkander geplaatst worden.
b. Inkepingen met lippen: van beide stukken hout, die even dik zijn, wordt (aan 't uiteinde) de helft der dikte afgezaagd, zoodat beide stukken aaneengevoegd, de dikte van elk stuk heeft. Lip met zwaluwstaart, - lip met verstekband.
c. Pen- en gatverbinding: 1. Enkele penen gatverbinding of open gat met pen of inscharing. 2. Dubbele pen- en gatverbinding. 3. Pen- en gatverbinding met in 't verstek gewerkte borsten. 4. Penen gatverbinding, waarvan de eene borst in 't verstek loopt en de andere nog een vierkante inkeping heeft, terwijl de pen niet tot den buitenkant doorloopt. 5. Penen gatverbinding met bastaardpen.
d. zijn de stukken niet gelijk, dan met zwaluwslaartvormigen tand.
II. Het eene stuk gaat door en het andere loopt er tegenaan. Verbinding door inkeeping; gewone lip - verloren lip - zwaluwstaartvormige lip.
III. Beide stukken loopen door: a. Inkeping met draagtand. b. Halfhout-inkeping, c. Inkeping met tanden.
Horde: laag muurtje van hout langs den dorschvloer.
Houvast: spits ijzer, dat in den muur wordt geslagen en dient om iets op te houden.
IJzer geven: een schaaf veel ijzer geven: den schaafbeitel zóó stellen dat hij veel hout wegschaaft.
Inlaten: twee stukken hout aaneenvoegen door een keep of sponning.
Juffer: lange staak.
Juk: bak onder een luifel of afdak.
Karbeel: een stuk hout, dat dient om een liggenden balk te versterken.
Kardoes: een uitgesneden plankje dat iets anders, wat daarop komt te liggen moet steunen.
Kattestaart: rattestaart: een zeer kleine dunne vijl.
Keel: een holle lijst of een smalle strook eener plank.
Keg: houten of ijzeren spie om vloeren dicht te drijven.
Kelderhals: omtimmering van den ingang van een keldertrap.
Keper: dakspar.
Kerkwerk: groot balkwerk, zwaartimmerwerk.
Keuvelend: de schuinsche zijde aan weerszijden van 't dak eener schuur.
Kijkvenstertje: raampje in deur of poort.
Kijl: wig.
Kijlen: toesluiten van deuren door middel van spieën.
Kikkert: sluitingsmiddel voor deuren, vensters enz.
Kinderbalk: de mindere balken van een zoldering.
Kisten: bij 't bevloeren de laatste twee planken schuins aaneen plaatsen en dan met geweld plat drukken.
Klauwhamer: groote gekloven hamer, welke dient tot het uittrekken van nagels.
Klinket: kleine deurtje in een groote deur of poort.
Klokkestoel: houten gestel, waarin een klok hangt.
Kokergat: opening in 't vensterkozijn om de tegenwichten van een schuifraam in te hangen.
Koppelen: 't aan elkander voegen van stukken hout.
Kort van draad: het hout is kort van draad, wanneer het bij 't bewerken telkens bij kleine gedeelten doorbreekt.
Kreupele balk: die met één eind op den muur rust terwijl het andere eind in een anderen balk gewerkt is.
Kwartier: een kwart van een ouden duim.
Kwast: knoest in 't hout.
Lasch: vereeniging van twee stukken hout, zoodanig dat hun breedte en dikte nagenoeg onveranderd blijft.
Lateihout: hout boven de opening van deur of venster om het metselwerk te dragen.
Leest: wigvormige draagplank onder den stijl van een kozijn.
[p. 319]
Lepelboor: boor met een soort van lepel, die het boorsel opneemt.
Lijs: houten schot naast de voordeur in huizen, waar de voordeur in de kamer opengaat.
Loopen: het loopen van de zaag, de afgeschreven lijn niet volgen.
Makelaar: 1) rechtstaand stuk hout midden op den hoofdbalk van een dak tot steun van den nokbalk. 2) een stuk hout dwars over de deur, grendelboom.
Malie: houtporie.
Maljenier, mallenier: ambachtsman, die met den hamer werkt.
Mei: tak op de nok, wanneer het huis onder dak is.
Menageeren: 't versmallen van een pen aan een regel.
Messing: afgedunde rand eener plank, om in de groef van een andere plank gevoegd te worden.
Mik: alle dwarshout, dat tot steunsel dient.
Mond: de mond van een schaaf, opening waarin het schaafijzer zit vastgeklemd.
Mondstuk: stukje hard hout, om onder aan den mond der schaaf te lijmen, als de mond uitgesleten is.
Mot: krullen, spaanders.
Motterig hout: eikenhout met vlekjes.
Mul: zaagsel.
Neep: dat gedeelte van de geheele boor, waarin het boorijzer geschroefd wordt.
Omslag: houten of ijzeren gedeelte(zwengel) van een omslagboor, in den vorm eener C.
Ondervangen: iets door balken, planken tijdelijk ondersteunen.
Ontschachten: timmerwerk uiteen nemen.
Opwerken: het opwerken van nagels, het naar buiten komen van de koppen.
Opzoeten: afgewerkt hout voor de laatste maal gladschaven.
Opzuiveren: planken gladschaven.
Overtaster: passer met sterk gebogen beenen om ronde en bolle voorwerpen te meten.
Paard: soort van schraag om de onderlagen van een bed te dragen.
Paardepoot: groote kromlijnig omgebogen knoest in 't hout.
Pak-aan: handvatsel.
Paren: van een timmerwerk de stukken zoo teekenen, dat men weet hoe men ze tegenover elkander moet aanbrengen.
Passeetje, passetje: kleine stelling van hout, gewoonlijk vierkant.
Pen: houten nagel, stop.
Pezerik: bullepees, dienende om de zaag te smeren.
Pilaster: vierkante ruil.
Ploeg, ploegschaaf: dient om een groef aan een stuk hout te schaven.
Plug: kleine houten tap, dien men in een muur slaat om er beter een nagel te doen inhouden.
Rabatten: 't schuin bijschaven van een omheining, die bestaat uit planken, die met een sponning ineengevoegd zijn.
Rad: houten cirkel op den puntbodem, waarop 't metselwerk staat.
Raster: een lat, riggel enz. van een rasterwerk.
Rattensprenkel: een lange smalle kist, aan weerszijden open, verdeeld in nesten, om ratten erin te laten nestelen en zoo te vangen.
Rattestaart: kattestaart.
Raveellinge: balkverbinding rondom dakvenster enz.
Ravegat: klein venstertje in de houten naald van den toren.
Reeden: met de reeschaaf gladschaven.
Regel: maatstok
Rieschaalde: rieschaalde hout: hout, waarvan de jaarlagen niet aaneengegroeid zijn en dat dus slecht samenhoudt.
Rinket: klein deurtje in een groote deur.
Roef: schuin afloopend deksel op een doodkist.
Roffel: soort schaaf.
Roffelen: het ruwe van het hout met een roffel wegschaven.
Ruiter: lat, die op den nokbalk wordt gespijkerd.
Schaal: eerste en laatste plank, die uit een boom gezaagd wordt.
Schaard: kleine breuk in 't scherp van beitel enz.
Schalk: eenvoudig hijschtuig.
[p. 320]
Schamel: bank.
Schap: een houten stellage om iets op te zetten.
Scheel: deksel van een kist.
Scheers: platte lange houten pen,
Scheerzolder: vliering
Schei: dwarshout om groote stukken te verbinden.
Scheren: een touw scheren: op 't katrol schikken en spannen om er een gewicht aan op te hijschen.
Schoeien: een waterkant beplanken.
Schoep: de dunne smalle plankjes van een zonneblind.
Schongel: schommel, schop.
Schote: op schote staan: op de loer staan.
Schranken: bij een zaag beurtelings den eenen tand naar deze, den anderen tand naar gene zijde uitbuigen.
Schroot: smalle strook hout.
Schurpen: met de schurpzaag zagen.
Slepen: het haperen van een deur bij 't open- of toedraaien.
Sliet: afgescheiden plaats in een stal, waar de koeien enz. staan.
Smetlijn: wit- of zwartkleurig touw, waarmede men het hout afteekent, dat gezaagd moet worden.
Smetten: afteekenen.
Snuiten: van een stuk hout een uitstekend gedeelte wegnemen.
Sofrein: kegelvormige holte in hout gemaakt.
Spanjolet: op- en neergaande stang om opendraaiende vensters te sluiten.
Spatten, uitspatten: het naar buiten uitwijken van een dak.
Speling: wordt gezegd van timmerwerk dat te los in de opening sluit. Dit paneel heeft te veel speling.
Spil: de loodrechte trapboom van een wenteltrap.
Sprinkel: houten stang van een roosterwerk.
Steken: schaven, vooral van lijstwerk.
Stoelplank: plank langs den muur op de hoogte van de stoelleuning.
Strijken: met een vijl over de scherpe tanden der zaag strijken.
Stuik: voeg tusschen twee planken.
Talaan: holle lijst.
Togen: een vergaring dichtsluiten.
Travalje: hoefstal bij den hoefsmid.
Uileveeren: lichtbruine strepen met witte vezels in eikenhout.
Valderen: deur van sporten aan een weide.
Verdrinken: de koppen der spijkers zoo diep in 't hout drijven, dat zij er niet meer uitkijken.
Verstek: half rechthoekig afgewerkte lijst of plank.
Vet: vet hout: waarin veel hars zit.
Vis: soort van scharnier.
Wemel: omslagboor.
Wemelen: met een wemel boren. Gaatjes wemelen in 't hout.
Wervel: sluitmiddel voor vensters.
Winket: rinket.
Witte, roode olm: vlekken in het hout.
Zaagbok: houten stel om 't te zagen hout op te leggen.
Zaagmeel: fijn zaagsel.
Zetten: het alaam zetten: het gereedschap zoo plaatsen, dat men den te verrichten arbeid spoedig kan afleggen.
Zoet stellen: de schaaf staat zoet, als de tegendradige houtvezels zeer glad worden afgeschaafd.
Zool: het ondervlak eener schaaf.
Zot: die schroef is zot: is dol, draait zonder sluiten.
Zwieping: schuin geplaatste lat, die bij 't plaatsen van een kozijn, dit in loodrechten stand houdt.

8. De zagers- en houthandelaarstaal. Vgl. het Zaansch dialect. 76/30

A. De houthandel. Zijlstraat 59, Haarlem 19/7.

J. Hoffman: Het hout als handelswaar. Jacob van Campen-bibliotheek 1910. - G. Key: Vademecum voor den houtkooper, Amsterdam 1894. - A. Nijssen: Handleiding voor houtkoopers, houthandelaars en eigenaars van boomen2, Goes 1902.

[p. 321]

9. De taal van kuipers, klompenmakers en kurkensnijders. 33/30

A. De Klompenmaker (ook voor hoepelmakers). J. Koonings Jz., Eindhoven 9/15. - De Kurkenindustrie, Bureau Zeist x/7.

D. Ons Blaadje (Kuipers- en houtbewerkers) Westnieuwland 23, Rotterdam (ongeregeld).

 

Uit ‘Volk en Taal’ VI en VII geef ik hier de ambachtstermen van een streng gelocaliseerde klompenmakersgroep te Sint Niklaas in het land van Waas. Ik heb om willekeur en onjuistheden te vermijden de sterk dialectisch gekleurde uitlegging onveranderd overgenomen. Dit is trouwens de éénig ware achtergrond.

Afdraaien: ziet opdraaien.
Afkrammen: ziet verkrammen; ook zegt men nog: uit den rou (ruwe) snijden. Ziet krammen. Nu heeft den kloef 'nen vorm, 'nen ruwen vorm; thans moet hij uitgehold en langs buiten en binnen gefatsoeneerd worden.
Afleggen: ziet maat.
Afsnijden: den blok zijnen vorm geven, gelijk het behoort, gelijk men het model wilt hebben. Dit doet men met een mes wat lichter als het krammes.
Afteenen: van binnen den kloef bijna schoon uitsnijden en hem zijne breedte geven. Ziet teenmes.
Afzolen: de zool van den blok schoon effen maken. Ziet zoolmes.
Afzuiveren: ziet opdraaien en zoolmes.
Binden: ziet koppelmes.
Binnenspie: om den kloef te kunnen bewerken zooals het dient gedaan, spant men hem in de banke vast bij middel van binnenspieën of spanhouten.
Borstmes: een lang mes, dat langs beide uiteinden in appelkes zit en dat dient om de kloefen effen te snijden. Tegenwoordig gebruikt men zulke messen om blokken te schrapen. Bij schrijnwerkers komt men het tegen.
Distel, destel: een snijdend werktuig bestaande uit een breed omgebogen ijzer, met korten steel. De kuipers gebruiken dit werktuig ook. - Ziet De Bo op diesel. De blokmaker werkt daar even goed mee als met de handbijl, ja, voor sommige gevallen kan hij ze niet missen.
Drijling: naam van den kloef, als de maat maar een steek of zeven wijst. Zie halfwerk.
Drijlingboor, vrouwboor, halfhooge of groote boor: ziet voor den uitleg dezer verschillende boren, de verschillende namen der kloefen.
Geest: verondersteld, een kloefmaker verkoopt eenige wissen aan 'nen winkelier; maar de koopman ondervindt als zijne waar te huis komt, dat er 'nen kloef gebroken is. De winkelier zendt nu den goeden kloef weer bij den blokmaker en vraagt een ander paar. Welnu, de kloef die, geleverd zijnde, weerkeert bij den kloefkapper noemt men geest.
Goezie: holle beitel, dienende om den kloef langs binnen uit te kappen. Ziet De Bo op goeze.
Haak: soort van mes, gekruld lijk een haak, zittende in 'nen langen steel, waar men den hiel, langs binnen in den kloef mee schoon maakt. Ziet verder uitdraaien.
Halfhoog: halfhooge kloefen, kloefen met halfhooge muilen.
Halfwerk: de blokmakers gebruiken eene soort van houten maat, die verdeeld is in steken. Als de maat in den kloef gestoken wordt en elf steken wijst, dan heet men den blok halfwerk.
Halfwerkboor: als de blokmaker halfwerk moet maken, dan gebruikt hij inplaats van den voorganger, de halfwefkboor. Dus volgens den kloef, gebruikt men deze boor.
Handbijl: een bijlken, met recht blad en korten steel, waar men de kanten afkapt van een gekloven stuk, en het alzoo den uitwendigen vorm geeft van 'nen kloef.
Heuldodden: zoo heet de afval van den kloef als men hem bewerkt met de verschillige booren en de goezie. Ziet heulen en goezie.
Heulen: die bewerkingen gebeuren met de verschillige booren. 't Komt hier dus op aan holen te maken, te booren.
[p. 322]
Hielmes: mes, zoodanig op den steel gebogen, dat 't er schier 'nen rechten hoek mee uitmaakt, snijdende langs weerkanten, en een beetje omgekruld aan de punt. Het dient om den hiel, van binnen in den kloef te bewerken. Dít mes zit in 'nen langen steel, die rust op den schouder van den werker.
Hoog: hooge kloefen, kloefen hoog van muil.
Kaai: iedere blokmaker moet over eene plaats beschikken, waar hij zijne gekochte en gevelde boomen zal op een leggen, om ze volgens dat hij ze noodig heeft te gebruiken. Zulke plaats heet de kaai.
Kapblok: een houten blok, lijk de kliefblok, maar rustende op drij pooten. 't Is op den kapblok dat men het gekloven stuk den eersten, ruwen vorm geeft van den kloef. De beenhouwers hebben ook kapblokken.
Kappelingen: afval van den kloef als hij op den kapblok bewerkt wordt. Ziet kapblok en opkappen.
Kerfzaag: groote zaag met scherpe en sterke tanden, lang en zwaar van blad, zonder raam met houten rechtstaande handhaven aan de uiteinden. Men trekt de zaag weg en weer, gewoonlijk met vier man, twee langs weerskanten.
Kliefblok: als de boom in gelijke stukken gezaagd is, worden die stukken in afgemetene blokken gekloven op 'nen platten blok, zonder pooten; 't is de kliefblok.
Kliefhamer: een groote houten hamer, met langen steel en zwaren kop; waar de blokmaker het kliefmes mee door het hout jaagt.
Kliefmes: een soort van kapmes, zonder houten handhaaf, geheel in 't ijzer. Men deelt daarmee de gezagen stukken, in zooveel deelen als men er kloefen kan uit maken. De Bo spreekt ook van een kliefmes, maar van zulk toch niet. Zoo een gezagen stuk nu heet gekloven stuk.
Kluvelingen (kliefelingen): klompkes hout die tot het bewerken niet dienstig en zijn. Ziet gekloven stuk en kliefblok.
Knots: een ijzeren spie of wigge die men steekt in de kloof van een te klieven stuk hout, om dit voort te doen splijten. De zagers gebruiken ook de knots.
Koppelmes: gewoon mesken met smallen lemmer, dienende om de hollekes in den kloef te maken, langs waar men ze dan aaneen bindt, aaneen koppelt bij paar.
Krammelingen: ziet de woorden afdraaien, opdraaien, opsnijden.
Krammes: een groot mes, op 't gedacht van eene zeis, maar zoo breed niet; langs den eenen kant is er een haak aan, waar het vast mee ligt aan 't peerd en langs den anderen kant een houten handhave. De blokmaker werkt met dit mes als hij aan 't gekloven stuk den eersten vorm gegeven heeft met de handbijl; hij snijdt er de kanten wat schoonder mee rond, de teen komt er aan alsook de hiel. Geheel die bewerking heet: afkrammen, verkrammen, uit den ruwe (rou) snijden.
Kronen: stukken hout, zelfs schijven, waar niets inzit als weeren (takken) en waar geen goede blokken van kunnen gemaakt worden.
Maat (zaagmaat): een rond stuk hout van 50 cM. lang en omtrent 3 cM. diameter; dienende om de lengten af te teekenen (af te leggen) op den boom die moet in schijven gezaagd worden.
Mansblok: naam van den kloef voor jonge lieden en mannen.
Ondermansblok: naam van den kloef voor kinderen.
Opdraaien: de scherpe kanten, de snee van den kloef wegdoen. Ziet opdraaier.
Opdraaier: soort van mes, waar men de scherpe kanten van de kloefen mee afdoet.
Opkappen: ziet kapblok.
Opsnijden: ziet opdraaien.
Opsnijder: ziet opdraaier.
Opwissen: eer nu de kloefen in den handel komen, moeten ze opgewist of opgedaan worden, en dat gebeurt alzoo: men plaatst eenige kloefen, paar boven paar opeen, men bindt dat stapelken kloefen bijeen met eene wisse (wiedouw).
Paarbank: zie pasbank. Er is ook eene pasof paarbank bij den kapblok. 't Is deze bank die de beste en de bijzonderste is.
Pasbank: boven aan den vapeur is er nog een klein tafelken bijgemaakt, waar men de
[p. 323]
kloefen opzet om ze te paren, te koppelen, te zien welke kloefen een goed paar zal zijn. Daarom heet de pasbank ook nog paarbank.
Peerd: een eindeken boom, 80 tot 100 cM. lang, steunende op drij pooten. 't Is aan zoo een peerd dat het krammes en de vapeur vast liggen.
Plat: platte kloefen, kloefen plat van muil.
Plooien: in plaats van blommen of figuren op den kloef te ritsen geeft men enkel eene langwerpige snee, drij of vier, op den muil van den kloef. Dat heet plooien; ziet plooimes.
Plooimes: een mes met breede punt, breed, hoekig en scherp van sneê, waar men de insneden mee geeft op den muil van den kloef.
Putten: de bewerking wordt verricht met de goezie.
Rieschalig: rieschalig hout, dit is hout, dat niet verbruikt kan worden, omdat het van binnen kapot is.
Rits: een klein mes, waar men de blommen en zekere figuren op den muil van den kloef mee snijdt. Der zijn veel soorten van ritsen, volgens dat men fijne of grove figuren moet trekken. - De rits waar De Bo van spreekt, en die gebruikt wordt om tonnen te merken en is dezelfde niet als die der kloefkappers.
Ritsen: blommen en zekere figuren op den kloef trekken hetgeen men doet met de rits.
Rooken: als de kloef nu geschreept, geritst of besneden is en dat men hem eene bruine kleur geven wilt, wordt hij in eenen oven gestoken om gerookt te worden. Men doet dat meest bij middel van zagemeel of andere vochtige stoffen. Sommige blokmakers, om eene schoone bruine kleur aan de kloefen te geven, gebruiken daarvoor peerdendrek.
Schijf: stuk gezaagd hout, de lengte van de blokken, die men wilt maken.
Schrepelingen: ziet schrepen.
Schrepen: de kloefen schrepen, d.i. met een glas, schoon effen en glad maken.
Schroeien: zuiver maken. De blokmaker doet dat werk met eene boor.
Snijlingen: ziet het woord krammes.
Spaanderen: ziet kappelingen.
Spannen: in de bank spannen: den kloef, bij middel van binnenspieën en spanhouten in de bank vastmaken. De kloefen staan dan goed vast en kunnen gemakkelijk bewerkt worden.
Spie: eene soort van puntige kantzuil (pyramide) in hout. Voor 't gebruik, ziet knots. De menschen gebruiken ook dit woord om een stuksken hout te bedieden, dat men langs binnen op de klink van de deur steekt.
Steek: indeeling van de maat.
Stuikgat: ziet De Bo op aarsgat.
Teenmes: wanneer de kloef met den voorganger bewerkt is, dan komt het teenmes. Een weinig omgekruld, snijdende langs beide kanten, zit het in 'nen langen steel, zoodanig dat deze rust op den schouder van den werkman. Met dat mes haalt hij verder den teen van den kloef uit; vandaar de naam.
Uitdraaien: den hiel, langs binnen in den kloof schoonmaken met den haak.
Uithielen: van achter in den hiel tot tegen den muil, de zool schoon maken. Ziet hielmes.
Uitscherpen: ziet uitdraaien.
Uitspannen: als de kloef afgewerkt is op de bank, dan slaat men bij middel van een houten hamerken de binnenspieën en spanhouten weg. Dat heet men den kloef uitspannen.
Vapeur: een mes, op 't gedacht van een krammes, met dees verschil dat er te midden een boog aan is. Het dient om den hiel, langs achter, 'nen ronden vorm te geven. De blokmaker gebruikt het na het krammes, of wel als de kloef geheel afgewerkt en droog is. Er zijn ook vapeurs met drie bogen.
Verbijlen: ziet handbijl.
Verdistelen: ziet distel.
Verkrammen: ziet krammes.
Vóórgangen: de bewerking die men doet met den voorganger.
Voorganger: een stuk ijzer, in den vorm eener boor, met een lepel van voren aan, waarmee men het eerste hol in den kloef maakt om hem verder te heulen.
Vrouwsblok: naam van den kloef voor vrouwen.
Wis: een wis kloefen, dat is 13 paar die opgewist zijn. Eene wis maakt uit 13 paar kloefen (voor mannen en vrouwen), 36 paar
[p. 324]
halfwerk, 39 paar voor twee wissen (drijling).
Zaagpeerd: de boomen worden van den stapel gerold en bij middel van handboomen (hefboomen) op het zaagpeerd geplaatst. Dit bestaat uit een balksken of boomken van omtrent 2 dM. tot 2,5 dM. middellijn op 2,5 M. lengte; langs het eene uiteinde staat het op twee pooten en met het andere rust het op den grond. In dat balksken zijn vier gaten gemaakt, waar men een sterk hout insteekt om den boom, als hij er opgerold wordt, vast te leggen.
Zoolmes: achter 't teenmes, 't zoolmes. Veel platter als het teenmes, bijna niet omgekruld, ook snijdende langs weerskanten. Volgens den naam dient het om den zool van den kloef (langs binnen) plat en effen te maken. Dit mes zit in 'nen langen steel, die rust op den schouder van den werker. Er zijn ook zoolmessen, die een krulleken van voren aan den neus hebben. Zulke zijn meest in gebruik bij blokmakers van fijne blokken, dan moet men niet meer afzuiveren.

10. De taal van manden-, meubelmakers en behangers. 74/30

A. Het eerste Vakblad (rietmeubel-, manden-, teen- en bamboe-industrie.) F. Heymans, Apeldoorn 3/30. - Het Huis (huisinrichting, bouw- en sierkunst, meubelen.) Jan Luykenstraat 2, Amsterdam 12/30. - Onze Gids (v. behangers, stoffeerders en meubelfabrikanten.) Heerengracht 255, Amsterdam 20/15.

C. Het Bondsblad (meubelmakers, behangers en stoffeerders.) Hobbemastraat 230, den Haag 3/30.

D. Ons Vakblad (meubelmakers en behangers.) Hiligardisstraat 34, Rotterdam 8/15.

L. van den Berg: De volmaakte Schrijnwerker, Leiden z.j. (1860). - F. Berghuis: Handboek voor den meubelmaker, 's-Gravenhage, 1901. - P. Doorn: De meubelconstructeur, verzameling meubeltypen. S.L. van Looy, Amsterdam 1902. - C. van Hoek: Het beitsen en kleuren van hout, Handboek ten dienste van meubelmakers, draaiers, architecten enz. Insulinde Haarlem, 1908. - Volledige beschrijving van alle konsten enz. (zie nr. 2) nrs. 19-21, de Orgelmaker. - E. Kindts: De moderne meubelmaker, Amsterdam 1905.

 

Ik heb met opzet eerst de voornaamste ambachten die hout bewerken afgehandeld, om nu weer even stil te staan bij de moderne fabrieksontwikkeling, die veel van het oude groepenverband dreigt te ontwrichten. In den houtzaaghandel is, als wij de sigarenkistjesfabrieken, die louter machinaal werken, uitzonderen, nog het minst verandering gekomen. Sinds 1870 werden allengs de oude windzaagmolens, vooral aan de Zaan, door de stoomzagerijen vervangen. Zoowel in de oude als in de nieuwe zagerijen is het meerendeel der werklieden ongeschoold. Er moet nu eenmaal veel bij gesjouwd worden. Dit sjouwen moet men echter niet onderschatten. Ik heb zelf een jaar tegenover de werf van een bloeiende Vlaamsche houtzagerij gewoond, en herhaaldelijk gelegenheid gehad de handigheid en vernuftigheid dier arbeiders bij het op- en afladen van zware boomen te bewonderen. Verder wordt het gezaagde hout tegenwoordig meestal geploegd en geschaafd in machinale schaverijen. De schaafmachine is er een van zeer ingewikkelde constructie, bediend door één geschoolde kracht, waarbij het werk der overige arbeiders teruggebracht wordt: tot het invoeren en het opvangen van het hout. Een gedeelte ongeschoold sjouwwerk is hier echter overgenomen door een electrische loop-

[p. 325]

kraan, zelfs het vergaren en transporteeren van het uitvloeiende zaagsel geschiedt mechanisch. Alles te zamen vindt men in houtzagerijen en -schaverijen ca. 65% relatief ongeschoolde en van 12 tot 19% slechts getrainde werkkrachten.- De timmerfabrieken in de laatste 20 jaar ontstaan, hebben een groote verandering gebracht in het bedrijf. Gemaakt worden: deuren, kozijnen, winkelbetimmeringen, lambriseeringen, schooltafels, parketvloeren en zelfs losstaande trappen. Ook hier zijn de werkzaamheden weer zóó gesplitst, dat de bewerking van het hout met zaag, schaaf en beitel, grootendeels is overgenomen door de schaaf-, zaag en frais-banken, wier bediening meestal aan nietvakmannen kan worden toevertrouwd. Weliswaar vormen de timmerlieden met handwerk bezig, nog de meerderheid, maar hun werkkring is toch ook merkbaar vernauwd, en bepaalt zich tot het afschrijven, in elkaar passen, lijmen en afwerken van de machinaal klaargemaakte onderdeelen; waarbij meestal maar weinig meer te veranderen valt. Deze vaklui zouden voor veel, altijd wisselend bouwwerk, als het stellen van kappen, het plaatsen van trappen, het leggen van vloeren, het afhangen van deuren, vreemd staan op te kijken, daar ze dit op de fabriek nooit geleerd hebben; en dientengevolge is ook hunne vaktaal reeds zeer merkbaar vereenvoudigd en verarmd. In de meubelfabriek heeft de moderne stijl met z'n vele rechte lijnen de machinale fabricatie zeer in de hand gewerkt. Omgekeerd echter benut de fabriek nu natuurlijk ook de mode, en maakt de meubelmodellen naar het gemak der fabricatie zoo eenvoudig mogelijk. Het is dan ook vooral bij de goedkoopere meubels, dat de massafabricatie veld wint. Zoodoende vormen zich twee groepen van werkplaatsen. Op de eene soort blijven, hoewel ook daar de machine veel handwerk heeft overgenomen, de geschoolde meubelmakers trots alles toch onontbeerlijk, en vormen er zelfs de groote meerderheid. Daar zingt of prevelt men nog oude liedjes als: ‘God zal geven - Dat 't zal bakken kleven - En nooit van z'n leven - Weer los zal zweven’ (te Apeldoorn gehoord). Op de andere soort fabrieken maken de machines alles pasklaar, zoodat de arbeiders het maar in elkaar hebben te duwen; en hier dus van den ouden schrijnwerker bijna niets meer is overgebleven. Ook bij het kuipen begint grootendeels het handwerk te verminderen, omdat de moderne dikke fusten al meer en meer voor machinale fabricatie geschikt worden, doordat de ijzeren banden met klauwen van groote kracht, machinaal om de duigen worden aangedrukt. Ook hier dus overal verarming van taal.

11. De taal van schilders en behangers. 102/30

A. Schilders- en Behangersblad. Bronsema's drukkerij, Enschede 2/7. - Geïllustreerd Schildersblad. W. Eisma Cz., Leeuwarden 16/7. - Schilderscourant (Friesche vereeniging.) P. de Jong, Bolsward 20/30.

B. De Christelijke Schilder. Fabriekstraat 30c, Rotterdam 1/30.

C. R.-K. Schilder (v. Nederl. en België.) Soutmansstraat 29, Haarlem x/30.

D. De Schilder (schildersgezellen.) 1e Sweelinckstraat 5, Amsterdam x/14.

[p. 326]

Volledige beschrijving van alle konsten enz. (zie nr. 2) nr. 24. De Verver, Dordrecht 1820. - F. Hopman: Theoretisch practisch Huis-, Rijtuigschilders en Glazenmakershandboek2, Weesp 1860. - A. Louris: Handboek voor huis-, decoratie- en rijtuigschilders, Rotterdam 1911. - L. van der Bie: Practisch Amerikaansch Ververs-Handboek2, Rotterdam 1906. - J. van der Kloes, D. van der Beek: Handleiding voor den verver en glazenmaker2, Leiden, 1908. - F. de Longueville: Sap- en dekverven, Rotterdam 1886. - P. Mussert: Beschrijving van grondstoffen, bereiding en herkenning van verfwaren3, enz., Haarlem 1914. - P. van den Burg: Handboek voor den schilder. De hout- en marmernabootsing2, Leiden 1887. - C. van den Hoek: Het technisch schilderen. Hand- en leerboek voor schilders, Amsterdam 1910. - De Jong: Gouden sleutel voor den schilder, een nauwkeurige handleiding bij het huis- en decoratie-schilderen, Arnhem, 1885. - J. Kippel: Handleiding voor het huisschilderen ten dienste van schilders, architecten, bouwkundigen, opzichters, drogisten, verfhandelaren, enz., 's Gravenhage 1908. - P.C. van Hoek: Bibliotheek voor schilders, 9 deeltjes, Van Mantgem-De Does, Amsterdam 1913.

 

Vooral in deze groep komt de stervormige aansluiting bij al de omgevende taalkringen, even duidelijk aan het licht, als het historisch loslaten en nieuwe verbindingen aangaan. De schilder of verver was vroeger ook glazenmaker, thans zet hij alleen ruiten meer in, z'n glas koopt hij van de fabriek. De meeste schilders zijn thans nog bovendien behangers. Gaandeweg schijnt dit handwerk evenwel naar de stoffeerders over te gaan, die onder den invloed van de herlevende zucht naar stijlvolle intérieurs, een bemiddelingsgroep gaan vormen tusschen de schilders, meubelmakers, stukadoors en architecten. Behalve met dezen, leeft de schilder verder in aanraking met de rijtuigmakers, en is zijn winkel, vooral op kleinere plaatsen, vaak een heele drogisterij. Over gebrek aan veelzijdigheid heeft dit ambacht dus voorloopig nog niet te klagen. Juist uit die veelzijdige aanraking ontwikkelde zich de kritische geest, die men bij vele schilders kan opmerken. Hun versjes als: ‘Schildershand - Dekt timmermans schand’ e.a. wijzen in dezelfde richting.

12. De taal der glas- en aardewerkers. 19/30

C. Ons Vakbelang (R.-K. glas- en aardebewerkers.) Stichting de Stuers, Maastricht 5/30.

D. De Glas- en Aardewerker. Molenstraat 26, Delft 7/14.

Volledige beschrijving van alle konsten, enz. nr. 3. De Porceleinfabriek nr. 12. De Plateelbakker of Delftsch Aardewerkmaker, Dordrecht 1800. - Goupil: Practische handleiding bij het schilderen op porcelein, Delftsch aardewerk en glas 1900. P. Génard: De oude Antwerpsche glasblazerijen, De Backer, Antwerpen z.j.

 

Terwijl de volwassen glas- en aardewerkers in de Maastrichtsche ceramiek-fabrieken, ook bij de groote splitsing van den arbeid over leerlingen en loopjongens, toch nog echte vaklieden blijven, heeft de elders reeds ingevoerde fleschmachine wel het toppunt van automatisme bereikt. Het zesarmige monster zuigt de vloeibare glasmassa automatisch op, deelt ze af met behulp van een mes, blaast luchtdruk in den ledigen fleschvorm, smelt de flesschen af, brengt ze in den koeloven, haalt ze eruit, en verpakt ze nog op den koop toe. Dit stalen beest, wordt door zegge drie jongens bediend en gevoed, en werpt per

[p. 327]

etmaal 15000 ingepakte flesschen uit. De vaktaal dier jongens bepaalt zich natuurlijk tot een paar namen voor de stalen en koperen lichaamsdeelen. Sic.

13. De taal der bouwbedrijven. 112/30

A. Vakblad voor de bouwambachten. C. Misset, Doetinchem 10/7. - De Bouwwerker. Biekorfstraat 46, Antwerpen 7/30.

B. De Opbouw (Chr. Bouwarbeidersbond). Kinheimweg 7, Bloemendaal 9/30.

C. De R.K. Kalk-, Steen- en Grondbewerker, van Imhoffstraat 47, Utrecht 12/30. - Steen voor steen (Limburgsche metselaars.) Fischbeinstraat 21, Maastricht x/60. - De Bouwarbeider. Nationalestraat 119, Antwerpen 9/30. - De Christen Bouwwerker. (Vlaamsch) 1/30.

D. De Bouwvakarbeider (centrale bond) 1ste Helmersstraat 42, Amsterdam 8/14. - De Bondsstem (Nederl. opzichters en teekenaars.) A.v. Hannoverstraat 44, den Haag x/14. - De Bouwwerker (centrale vereeniging) Aug. De Brouwere, Volkshuis Brussel 7/30. - De Stukadoor. Julianapark 10, Schoten (Haarlem) x/x.

Volledige beschrijving van alle konsten, enz. (zie nr. 2) nr. 23. De bouwkunstenaar, Dordrecht 1820, - E. Hartman: Bedekking van gebouwen, plafonds en zolderingen, Amsterdam 1859. - J. van der Kloes: Handleiding voor den Metselaar, tevens bevattende eenige aanwijzingen voor den Stukadoor4, E.J. Brill Leiden 1908. - M. Gradl: Moderne versiering voor plafond- en wandvlakten2, Amsterdam 1903. - F. Berghuis: Handboek voor den Steenhouwer en Metselaar. D. Bolle, Rotterdam. - L. Cusell: De bouwkundige Opzichter, J. Bootsma, 's-Gravenhage 1910. - G. Scholten: De practische Metselaar. Handboek voor metselaars, bazen, opzichters en aanstaande bouwmeesters, 2 deelen, 's-Gravenhage 1909. - G. Scholten: Het woonhuis en zijne uitwendige vormen, Leiden 1902, - P. Schroot, B. Reintjes: Het aanvangsonderwijs in de practijk van het metselen. J. Waltman, Delft 1905. - P. Schroot: Bouwkunde enz. 10 deeltjes o.a. De materialen voor het metselvak. E. Kluwer, Deventer 1907-1910. - P. Scheltema: Practisch handboek voor Bouwkundigen en ambachtslieden, omvattende alle voorkomende werkzaamheden, gereedschappen, voorwerpen en hulpmiddelen. E. Kluwer, Deventer 1899. - H. Bletz: Huisrioleeringen. Jacob van Campen-bibliotheek, Van Mantgem, Amsterdam 1909. - H. Scheltema: Trappen- en kappenboek. D. Bolle, Rotterdam. - J.v. Gendt: Metselwerken en aanleg van vuurhaarden, Amsterdam 1882-1891. - L. Sanders: Het cementijzer in theorie en practijk, Amsterdam 1908. - P. Scharroo: Inleiding tot de studie van het gewapend beton, 3 deeltjes. Van Mantgem & De Does, Amsterdam 1910. - K.v.d. Heyden: Constructies in gewapend beton. Bibliotheek Jacob van Campen, no. 2. Van Mantgem & De Does, Amsterdam. - J. van der Kloes en J. van Ruyven: Het bouwen in overzeesche gewesten2. E.J. Brill, Leiden 1904. - A. van Houcke en J. Sleypen: Vak- en kunstwoorden. Ambacht van den metselaar No. 4, Gent 1897. J. en V. van Keirsbilck: Vak- en kunstwoorden. Ambacht van den metselaar No. 5, Siffer, Gent 1899.

 

Uit deze beide laatste boeken geef ik een gecombineerde lijst der interessante metselaarstermen, waarvoor weer dezelfde opmerkingen gelden als onder nr. 4.

Aanaarden: een muur aanaarden: den grond langs den muur gelijkmaken, aanvullen.
Aanbranden: gezegd van 't zand, dat bij gebrek aan genoegzame roering, neerzinkt in den grond van den mortelput (W.-Vl).
Aandak: bovengedeelte van een trap- of topgevel, dat voorbij de dakschilden schiet, de schuins- of boogsgewijze opgaande randen eener gevelspits, voor zooverre die boven de dakschilden uitsteken.
[p. 328]
Aanleg: een muur van 4 steen aanleg: die beneden 4 steen dik is.
Aanrazeeren: de ruimte tusschen gewelven met metselwerk aanvullen.
Aanslag: het vlak waartegen de staanders van een deur- of vensterkozijn geplaatst worden.
Aantrede: nuttige breedte van een traptrede.
Aanzetten: een metselwerk beginnen.
Aardplakker: vierkante plank aan een steel, om de boven-en zijvlakken van versch opgeworpen aardewerken vast en gelijk te slaan.
Abacus: dekstuk van het kapiteel eener zuil.
Absis, absida, apsis: rond of veelhoekig deel eener kerk, dat het koor voleindigt; ook wel halfrond gewelfdeel.
Achteraanzicht: teekening van een voorwerp, van achteren gezien.
Afflansen: een werk afflansen: te haastig, dus slecht afmaken.
Afgeschaald: afgeschaalde steen: waarvan men de te zachte korst heeft verwijderd.
Afgeschampte steen: waarvan de hoeken zijn afgebroken.
Aflooden: een muur aflooden: zien of de muur loodrecht staat.
Afschuinen: de steenen met valkanten bewerken.
Afzaat: schuins hellend bovenvlak van een waterpas metselwerk.
Alam, alaam: gereedschap (ags. andlóma, zie mnl. wdb.).
Anker: muurhaak: stuk ijzer om muren met elkaar te verbinden.
Arcade: boogvormige opening: zij bestaat uit: sokkel of voetstuk, schacht, kalf, latei, kroonboog; soorten: blinde, looze, gepaarde, lobbige, ware arcade.
Ariaan: baksteen, tot de betere soorten behoorende, die bij de schifting worden uitgesloten, omdat zij òf door minder goede kleur of onvoldoende hardheid ongeschikt zijn om tot gevelsteenen te dienen, òf bij het bakken in de hoeken of kanten beschadigd en onbruikbaar geworden zijn.
Baard: bij het voegen met volle voeg worden de voegen gelijk met den voorkant der steenen volgezet. De uitpuilende buitenkanten (baarden) worden dan met den voegspijker of met een mes afgesneden.
Bakborst: scheur in pannen of tegels, bij het bakken ontstaan.
Balk: parallelopipedum.
Bed: mortelblad: plaats van planken of steen, waarop de metselspeciën droog vermengd, daarna met water begoten en bewerkt worden.
Bed: hoeveelheid kalk, die men in eens beslagen heeft.
Bedding: legzijde van den steen.
Beertje: over een beertje metselen: den toeloopenden bovenkant van een muur (∧) verkeerd metselen, zoodat de buitenste steenen los liggen.
Bek: waterafleider, meestal aan middeleeuwsche gebouwen.
Beloop: het beloop van de bogen: de wijdte.
Berapen: de muren berapen: met mortel bezetten of met kalk effen strijken.
Berkoen: dwarsbalk aan elke zijde van een steekgewelf.
Beschoeiing: b.v. van een put: houten latten, waarmede bij het bouwen van een put de verschillende raderen verbonden worden.
Beschot: vermeerdering van den kalk tengevolge van het blusschen.
Beslaan: de kalk met water beslaan: aan-mengen.
Bestek: beschrijving van een te bouwen werk met opgave van prijs en maat.
Betonhouw: vork, wier punten haaksch staan, bij het bereiden van beton gebruikt.
Bik: afval van Bentheimer steen.
Bikken: met beitel kalk of steen afslaan.
Bleeker: niet hard gebakken klinker.
Bleeksteen: plaksteen, nadat de steenoven gebrand is, omdat die steen, slechts langs eenen kant aan het vuur rakende en niet kunnende doorgloeien, maar half gebakken is.
Bloemen (mvd.): ('t tevoorschijn komen van) zoutkristallen op muren door uitslag; door aanraking met de lucht verandert de kalk of het cement in een poetsachtige stof.
Blokwagen, mallejan: lage wagen met 4 even hooge wielen en zonder schalieren om zware vrachten te vervoeren.
[p. 329]
Blusscher: klein ongebluscht kalksteentje, dat in de kalk zit.
Boog: verschillende soorten: hoekige boog, segmentboog, elliptische boog, cirkelboog, korfboog, gedrukte boog, platte boog, gebroken boog, hoefijzerboog, moorenboog, veellobbige boog, getande boog, spitsboog.
Boote: mand om kalk te meten.
Borderel der steenen: lijst van de voor 'n bouw noodige natuursteen.
Borstel: voor het besproeien van metselwerk.
Bouwen: de kalk bouwen: bereiden.
Branden: de kalk branden: door gloeiing uit schelpen bereiden.
Brander: baksteen die min of meer verbrand is en daardoor veel oneffenheden heeft.
Brandvlaag: gebrek in hardsteen, nl. een dunne schilferige laag.
Broekpijp: een buisje, dienende om water in een pijp te brengen.
Builen: de kalk builen: 't ziften van gebluschte kalk door middel van een zeef of builmolen.
Buitenwerk: werk buiten de vastgestelde uren.
Contra-mal: een volgens profiel uitgesneden plank voor 't strijken van plafondlijsten.
Dag: van een opening in deur of venster is het de afstand tusschen de 2 neggen.
Dagijzer: voegijzer, meer hoog dan breed en sterk gebogen.
Dagvlak, dagzijde: de naar buiten gekeerde zijde van een steen.
Dakkeel, kiel, dakvoege: inhoek, plaats waar de hellende vlakken van twee daken elkander ontmoeten.
Damplank: plank om de randen van afgegraven grond tegen te houden.
Doodgebrande kalk: als zij niet meer geschikt is tot blusschen.
Draad: den draad pingelen: in 't midden van een over een aanzienlijke lengte gespannen doorwegenden draad een steen leggen, zoodat deze dan over de geheele lengte pijlrecht is.
Draad: in den draad werken: bij het metselen, de juiste richting volgen, die de draad aanwijst.
Draagsteen: steen, waarop een ijzeren ligger rust.
Drielingvenster: een venster verdeeld door 2 stijlen.
Droogleggen: draineeren: drogen van vochtige muren.
Droppels, droppen: versiersels onder de triglyphen.
Druipers: versiersels boven de triglyphen.
Drijven, de pannen drijven: zoo vast tegen elkander leggen, dat men er schier de lucht niet door ziet.
Duimankers: haken in den muur gemetseld voor het aanhangen van een deur of post.
Duivelsklauw: een soort van groote nijptang om steenen op te tillen.
Eest: droogplaats (vooral voor mout).
Eg, kantelaaf: dagzijde van het vooruitstekend gedeelte van muurwerk aan een opening in een metselwerk.
Ezelsbrug: kapvormig bovendeel van een muur.
Ezelsoor: spits toeloopende overgang van een beloen, dat eindigt naar de negge van een muur of kolom.
Formeel: timmerwerk om metselwerk te ondersteunen, vooral bij gewelven.
Fries: buitenmuur van zoldervloer tot dak.
Frijnen: 't fijn bewerken van hardsteen met een beitel.
Gaar en gaaf: goed doorbakken en ongeschonden.
Geboorte: de hoogte van een gewelf, waarop de rechtstanden eindigen en de eerste welfsteen gelegd wordt.
Geboortelijn: de lijn, waarin de gewelfzool en de binnenvlakte van het gewelf elkander snijden.
Gek: beweegbare schoorsteenkap.
Gesmoorde steen: als gaar gebakken steen eenige dagen in den rook van smeulend elzenhout of in den damp van steenkool in den oven blijft, krijgt hij een blauwe kleur. Hij wordt dan gesmoorde steen genoemd.
Gewand: al het gereedschap om zware dingen op te hijschen.
Graatboog: diagonale boog.
Grijpsteen: steenen die ketenen op den buitenmuur uitmaken, n.l. wanneer aan een muur op afstanden telkens een steen uitspringt.
Gronden: voor den eersten keer pleisteren.
[p. 330]
Grondslag: van een gebouw: plaats waarop de fundeering rust.
Haakswijs: behoorlijk naar den winkelhaak.
Haalsteen: uitspringende steen aan sluismuren, om den schippers 't in- en uittrekken der schepen te vergemakkelijken.
Hak: houweel met één punt.
Halfverheven beeldwerk: bas-relief.
Hals: b.v. van een regenput: de steenen rand boven aan.
Over de hand werken: een metselwerk langs de binnenzijde opwerken.
Handlap: leeren lap om de hand te beschutten tegen slijtage door de steenen.
Haringgraatbouw: muurverband met aas-vormigen stand der steenen.
Hast: eest.
Helletje: oude maat om kalk te meten.
Hoekspar, hoekkeper, graatbalk, graatspar: de rij pannen dienende tot dichtmaking van den hoek, in tegenoverstelling van de dakkeel.
Horde: laag muurtje in steen tusschen den dorschvloer en den schuurwinkel.
Inkassing: de voorgevel van een gebouw wordt soms later opgetrokken dan de andere muren. Het metselwerk van den voorgevel wordt dan aan het andere verbonden door blokken, waarvoor in de zijmuren openingen (inkassingen) zijn uitgespaard.
IJdel werken: als hij de kalk niet over de geheele steenlaag openspreidt.
IJzernier: een gebrek in hardsteen.
Jong: een jong zetten of steken (Brugge), een kind metselen (Gent): binnen een bestaanden put een anderen metselen, teneinde doorzijgingen door den wand te beletten.
Juffer: een stellinghout.
Kaapstander: werktuig om waterpas een groote kracht aan te wenden.
Kalei: witsel.
Kalf: een lat van het formeel.
Kalf: de middendorpel van een venster.
Kalkbouw, kalkkloet, kalkklopper, kalkstok, kloet en kloetstok: werktuig waar de kalk mee beslagen wordt.
Kalkhuid: laag witsel op de muren.
Kalven, kalveren: instorten van aarde.
Kamelot: onversteende gedeelten in hardsteen.
Kapuitje: uiterste top van een spits toeloopenden gevel, enz.
Kavejong: vierkante pijp uit klompjes gemetseld tegen den grondmuur van den schoorsteen, ter plaatse waar gewoonlijk de haard is en dienende om het uiteinde der horizontale buis van een kachel te ontvangen en aldus den rook door de schoorsteenpijp weg te leiden.
Keldervijs: dommekracht.
Kesp: dwarslegger op de heipalen voor de fundeering.
Kielspit: lijn door den aardewerker gestoken, tot afbakening van den grond.
Kistdam: afdamming in stroomend water, gemaakt van palen en damplanken, waartusschen aarde klei en stroo.
Klamplaag: laag, die waterpas, rechtstaande of wel in overhoekschen stand tot bekleeding van kelders of regenbakken gebruikt wordt.
Klapmuts: bovenste laag turf in den oven.
Knevel: touwen bij het vastmaken van een stelling.
Koot: een straatweg van veldsteen.
Kop: de koppen zijn de kleinste zijde van de steenen.
Korteling, bunsem: dwarshout, dat de planken van een steiger ondersteunt, met het eene eind in den muur steekt en met het andere aan den steigerpaal vastligt.
Kraaibek: een vergaring voor damplanken.
Kruis: kalkmaat van 15 zakken of 10 H.L.
Kwelm: weeke grond, waaruit het water welt.
Leng: touw.
Lijken: afkappen van steenen om de lagen pas te krijgen.
Lossen: een gewelf lossen: het formeel wegnemen.
Mallejan: wagen op 4 of 2 wielen zonder schotten.
Mantel: metselwerk rondom den vorm der klokgieters.
Mazier, mazuur, muzuur, maiziergat: drie-of vijfhoekig gat of nis in boerenhuizen naast den haard in den muur gemetseld, waar men pijpen, solferstekken of andere kleinigheden legt.
[p. 331]
Mei: den mei vieren, steken, hebben: als 't gebouw onderdak is, er een (mei)tak opzetten.
Mergelen: de onderste grond van onder den reeds gemetselden waterput uitgraven om het metselwerk dieper in den grond te doen zinken.
Misdag (mestdag): patroonfeest van 't ambacht, hetwelk plechtig met een H. Mis gevierd wordt.
Misstand: slecht metselwerk van een muur.
Mortelpaard: soort van houten steunsel, waarop de knecht van den metselaar zijn kalkbak zet, om hem te vullen en dan gemakkelijk op den schouder te nemen.
Mosterdpot: een plank op rollen, tot 't verplaatsen van steenen.
Muizen: werpen en opvangen van steenen en pannen die door een werkman achtereenvolgend geworpen worden naar een anderen, die ze opvangt.
Muurkeel: einde van een dak tegen een hoogeren muur.
Nest: opening in den trapmuur, waar de trede sluit in den muur.
Neus: gedeelte van een traptrede, dat vooruitspringt over het stootbord.
Noot, note, neut, neute: bolvormig klompje gebakken aarde, dat zich in een kalksteen bevindt en heel dikwijls, bij het kappen van den steen daaruitvalt.
Onderhanden nemen: een muur onderhanden nemen: herstellen, nazien.
Onderschoeien: den voet van een muur herstellen.
Onderspieën: bij rioleering een spie (: steentje of wigvormig houtje) plaatsen onder de buizen.
Ontcenteren: het formeel uit een gewelf wegnemen, nadat dit afgewerkt is.
Oog: het oog van een hamer: het steekgat.
Oogen: de oogen van een draagzeel: waarin de dissels van een kruiwagen rusten.
Oogen: in de mortel: witte korrels, die aanduiden dat de kalk nog niet geheel met 't zand vermengd is.
Oor: dat gedeelte van een vensterbank, dat verder in het metselwerk doorloopt.
Ophoogen: hooger maken; een huis ophoogen: een verdieping hooger maken.
Opperen: kalk en steenen aanbrengen.
Opstijven: het opstijven van de kalk: het stijf worden (niet versteenen).
Paalschoen: (ijzeren) paalhouder.
Paap: grond dien men bij 't uitgraven van putten laat liggen om de diepte te meten of den verrichten arbeid te schatten.
Paard: een groot winkelhaakvormig raam, dat met een haak of met koorden langs den muur bevestigd is, in uitspringende richting gelijk een console en dient, bij een hangenden steiger, om den planken vloer te dragen.
Paslaag: bovenste waterpas gelegde laag der grondslagen van een metselwerk.
Penant: stuk muur tusschen twee vensters.
Pik: houweel tot afbraak van een metselwerk.
Plakbord: klein plankje met handvat, waarop de metselaar de kalk legt, die hij moet gebruiken b.v. bij het volzetten der voegen, aansmeren van pannen, enz.
Plat: lange breede zijde van de steenen.
Plekspaan: houten of ijzeren plankje met handvat om de kalk glad te strijken bij 't plafonneeren.
Plint: houten of steenen bekleeding van 't onderste van muren.
Porring: schuine richting van de voegen naar 't middelpunt van den boog.
Rad: houten kroon op den bodem van een put.
Rammelaars: gebarsten, gespleten steenen.
Ratelaars: steenen met stukjes wit op de kanten.
Raveeling: balken die een schoorsteen dragen.
Reeleger: fijne barsten in steen.
Reep: kort koord bij een stelling.
Resiefijzer: ijzer dat dient om de hoeken van een lijst, in plafonneerwerk te vereenigen.
Reuzenmop: groote steen voor groote gebouwen.
Rijzing: van een brug: de klimming.
Rok: kap of overdekking van pleisterkalk op een gewelf of tegen een grondvest, ter wering van de vochtigheid.
[p. 332]
Rollaag: metselwerk van op hun kant of kop geplaatste steenen, om een ander metselwerk af te dekken.
Rooilijn: de rechte lijn waarin de huizen van een straat geplaatst worden.
Rookmantel: gemetselde kap boven oude schoorsteenen.
Rotten: van de kalk: het lesschen van de ongebluschte deelen.
Schacht: deel van een zuil tusschen 't voetstuk en 't kapiteel.
Schalk: rechte greenen spar met ijzeren punt.
Schalk: werktuig om zware balken enz. op te hijschen.
Schalmgat: de ronde ruimte die men ziet als men boven van een wenteltrap langs de binnenleuning naar beneden kijkt. (Is de ruimte niet rond, dan trapgat).
Scheef: houtachtige afval van vlas, die men in de plakkalk doet.
Scheerhout: ligplank bij een stelling.
Scheluwtrap: trap van onderen breeder dan van boven.
Scheren: een touw: spannen.
Schijfgat: de groef van een katrol, die de koord opneemt.
Schoor: steunpaal.
Schor: vloersteen.
Schroot: plank bij een formeel.
Slag: raamlijst waar het vensterraam tegen aan komt.
Slechten: (ook) de straat opbreken.
Sleutel: van een gewelf: sluitsteen.
Slets: dwarsplank op den grond bij een schraging.
Slijklaag: de eerste laag, die op den grond wordt gelegd bij het aanleggen van fundamenten, keldervloeren enz.
Sloof: dwarsplank bij een formeel.
Snuiver: schuin luchtgat in een schoorsteen.
Spanlat: klein houten steunsel, om uitspringende stukken hardsteen enz. te ondersteunen, totdat het metselwerk volkomen droog is.
Spekdammetje: klein dammetje bij fundeeringswerk.
Spouw: ruimte tusschen twee muren.
Sprong: een hoogte op de baksteenen.
Spuwer: een waterafleiding bij middeleeuwsche gebouwen.
Steekschoor: steenen beer, scherpe uithoek eener brug, pijler tegen den stroom en het ijs.
Steen: oudtijds een van hardsteen opgetrokken gebouw.
Sterfput: steenen of ijzeren bak met stankafsluiter.
Stiep: gedeelte metselwerk, dat op zekeren afstand onder een houten bevloering wordt aangebracht, tot ondersteuning der rîbben.
Straal: klein venster boven een deur.
Stuit: palen tot op den stuit inheien: tot zij niet verder kunnen.
Sult, zult: hoog verheven muurtje met zijn glint of staande blind daarboven opgemaakt, tusschen de op stal staande koeien en de effen plaats, waar men haar voeder of drank voorzet.
Talud: glooiing.
Tand: kant van een spitsgevel.
Tand: uitstekend deel van een steen boven een anderen.
Teerling: stuk hardsteen in een muur, waarop een ijzeren ligger rust.
Toetsen: steenen toetsen: nazien met een stok of een muur nog in goeden staat verkeert.
Tong: muurtje tusschen 2 naast elkaar aangebrachte rookpijpen.
Traparm: gedeelte van een trap tusschen 2 bordessen.
Trapmantel: deel van 't gebouw, dat de trap bevat.
(Trap)wang: de zijstukken waartusschen de traptreden opgesloten of gedragen worden.
Tras: een soort mortel.
Trasraam: gedeelte van keldermuren, dat met trasmortel gemetseld wordt tot 't voorkomen van optrekken van vocht.
Trasrok: een laag trasmortel tot wering van vocht.
Tuitouw: een van de 4 touwen om den schalk recht te houden.
Uitbuilen: de kalk uitbuilen: kalk met een buil ziften.
Uitstek: kamertje aan het achtereinde van het huis.
Vangen: een gevel vangen: schragen.
[p. 333]
Varken: een varken steken: een laag op de vereischte hoogte brengen door in de voegen stukken enz. te leggen.
Verglaasde steen: te hard gebakken steen (niet verwarren met verglazen: glazuren).
Vergleisd: geëmailleerd.
Verkossing: gedeeltelijke vernieuwing van een muur, en wel zoo, dat men den steen zwaluwstaartsgewijs wegkapt en aanvult met nieuwen steen.
Verloop: helling bij waterafleidende buizen.
Versnijding: vermindering van de dikte van een muur.
Verstek: half rechthoekig afgewerkt metselwerk, in 't bizonder toepasselijk op gelijste steenen.
Vertaarding: de vooruitspringende steenen, die dienen om een nieuw metselwerk aan een oud te verbinden.
Verwas: versnijding.
Verweêren: de nadeelige invloed, die het weder op den steen uitoefent en waardoor het uiterlijk aanzien bedorven wordt.
Verzuipen: het overtollig mengen met water bij het blusschen van kalk.
Vischbek: 't invattend gedeelte van 't vergaren van een kraaibekken.
Vliegen: 't vliegen van een muur: het schijnen vooroverhellen van een loodrechten muur.
Vliegende muur: die niet rechtstreeks op den grond rust.
Vlij: gebrek in Bentheimersteen: dunne ijzerlaag in den steen.
Vlijmen: de kalk sterk met de kalkhouw wrijven.
Volrapen: meer mortel dan gewoonlijk leggen om al de holten aan te vullen.
Voorsprong: 't vooruitspringende gedeelte van een gebouw.
Voorwerkers: brikken van het buitenvlak van een muur.
Vormbouw: het bouwen door vormen met leem of aarde vol te stampen.
Vuist: vuisthamer.
Vuring, viering: stookplaats, fornuis, vuuroven.
Wang: zijstukken waartusschen de treden van een steenen trap zijn ingesloten. Bij houten trappen heeten ze boomen.
Water: het water van den steen: mengeling van vlekken en aders in marmer, enz.
Waterglas: waterwerend middel voor steen.
Welboord: steen uit de onderste laag.
Winkelhaak: samenstel uit 2 vaste, aan elkaar verbonden dunne houten bladen, waarvan het eene (de aanslag) langs een bepaalde zijde of lijn wordt gelegd, om langs het andere blad te kunnen afteekenen in welke richting de bewerking moet geschieden.
Wulfzel: gewelf.
Zakken: in zakken doen.
Zemperput, zemperput, zamperput: put in de aarde, waar het water dat er in vloeit, in den grond zinkt.
Hij werkt in de zon: Hij is een bekwaam vakman (de zon kan er gerust op schijnen, men kan er dan nog geen gebreken in ontdekken).
Zonnebrand: gele of roodbruine strepen in steen, waarop deze makkelijk afbrokkelt.
Zool: voetstuk, grondslag.
Zopput: gemetselde put in de aarde, waarin het water doortrokken wordt van de run om dan in de bovenkuip overgepompt te worden.
Zwaarte: van muren: dikte.
Zweeten: van steenen: vocht uitslaan.
Zwei: winkelhaak wiens breede riggels evenals de beenen van een passer kunnen open en toegaan, zoodat men naar believen een scherpen of stompen hoek kan maken.
Zwijn: rond mandewerk, lang en buikvormig als een zwijn, om gebluschte kalk te ziften.
Zwijnsneus: vooruitspringende kant op de dikke zijde van den kop van een baksteen.

 

Voor het verloop der bouwbedrijven, gedurende de laatste jaren in een groote stad, hebben wij een uitstekende bron in het rapport eener Amsterdamsche Gemeentelijke Commissie: De toestand der werklieden in de bouwbedrijven

[p. 334]

te Amsterdam2 1905. Vóór 1870 werd in Amsterdam betrekkelijk weinig gebouwd, maar solied. De rijke huizen werden door vertrouwde bazen op dagloon en materiaal-kosten gebouwd. Aanbestedingen kwamen alleen bij groote gebouwen voor. Maar nu begon de groote bevolkingsuitbreiding. De concurrentie werd wakker. Alles werd aanbesteed. Gevolg: lagere eischen en stukwerk. Toen gingen in den ‘Kaapschen tijd’ timmermansbazen huizen bouwen voor eigen rekening, en zoo ontstond de ‘revolutiebouw’. De huizen gingen grif van de hand. Het was dus alleen de kwestie: het huis spoedig af te leveren. Pas later kwamen de gebreken van dat ruwer werk met goedkoope grondsoorten aan den dag. Vóór dien tijd kwamen de metselaarsvaklieden meestal uit Brabant, ze keerden wederom terug, als hun werk klaar was. Zij moesten goed kunnen teekenen, hadden een goed begrip van het huis en al z'n onderdeelen, en ze verstonden de kunst: den gebakken steen in allerlei vormen en afmetingen af te hakken, om aan het metselwerk een kunstvorm te geven. Maar de metselaars van nu, hebben daar geen begrip meer van: de timmerman zorgt voor de profielen, de steenbakkerij levert de steenen in alle wenschte formaten, terwijl het voegen nog bovendien een zelfstandig doodend vak geworden is. En nu is tot overmaat van smart, er nog het gewapend beton bijgekomen. Aanvankelijk alleen voor fundeeringswerken, sluisbouw en kaaimuren in gebruik, ging men er in de laatste jaren ook kelders en vloeren, ja zelfs kolommen en muren van maken. Was bij den metselbouw het aantal geschoolde arbeiders nog verreweg overwegend, bij het Monier-werk is de verhouding juist omgekeerd. In plaats van metselaars, gebruikt men thans arbeiders die wat timmeren kunnen. ‘Onze arbeiders, zoo bericht een beton-maatschappij, komen grootendeels voort uit sjouwers, opperlieden en polderwerkers. Sommige van hen, de handigste en flinkste worden vanzelf vlechter, betonwerker enz. Ook het eenvoudige en ruwe timmerwerk wordt soms door personen verricht, die vroeger niets dan sjouwers waren.’ De massa-fabricage van cement of cementijzer, platen, buizen, holle steenen, enz. heeft eveneens naast den magazijnmeester, slechts ongeschoolde arbeidskrachten, die ook helpen bij het afknippen, sorteeren en verzenden van ijzer naar de werken, voor zoover dit niet direct van wege de leveranciers ter plaatse wordt aangevoerd. De stukadoors waren vroeger echte kunstenaars in hun soort, gelijk de gevels en plafonds der oude Amsterdamsche huizen bewijzen. Die tijden zijn al lang voorbij. De zooveel eenvoudiger plafondversieringen van het begin der revolutiebouwperiode zijn slechts afgietsels, door den stukadoor naar een van buiten ontvangen model vervaardigd; en thans heeft ook dat de fabriek, (vaak de papierfabriek) overgenomen, en bestaat de heele stukadoorskunst erin: die versierseltjes op te plakken. In het algemeen kan gezegd worden, dat de enkele soliede winkels nog het eenige toevluchtsoord zijn voor den waren vakman.

[p. 335]

In deze omstandigheden, zou natuurlijk weer een vergelijkende studie der vaktalen, mits individueel behandeld, zoowel voor de arbeiderspsychologie als voor de taalwetenschap belangrijke resultaten kunnen opleveren. Wij leven in zulk een interessanten tijd; en toch meenen de meeste taalbeoefenaars, dat alle verleden eeuwen, ook al weten wij er zoo goed als niets van, veel belangrijker zijn. Zij zoeken en zoeken naar klankwetten en dialectvormen, en beteekenisontwikkelingen zelfs van woorden en termen, maar op één conditie, dat zij mogen dwalen in het droomerig, der fantasie zoo gunstige, half-duister van den voortijd. Zouden wij dan toch niet eindelijk onze oogen eens open gaan doen voor de taalevolutie, die zich baanbreekt in het klare licht van onzen eigen dag?

14. De steenbakkerstaal. 26/30

A. Nederlandsche Klei-industrie. Eshuis & Co, Dalfsen x/7. - Klei (voor architecten en baksteenfabrikanten). v. Mantgem & de Does, 5e jrg. 1913, Amsterdam x/15.

C. De Steenbewerker. Kerkstraat 34, Boom 4/14.

A. Weissmann: De gebakken steen. Amsterdam 1906. - J. van der Kloes: Indrukken van de Nederlandsche steenindustrie 1908. - Th. Koopman. Vak- en kunstwoorden: Steenbakkerij. Gent, 1894.

 

Ook hieraan ontleen ik een Vlaamsche woordenlijst. Zie opmerkingen nr. 4.

Aanslaan: steenen, te weinig om 'n nieuwe haag te vormen, voegen bij een andere haag.
Aard(e)maker: werkman, die de aarde malsch maakt.
Aardput: put, waaruit de aarde gegraven en waarin ze bewerkt wordt.
Aardschup: schop, waarmede men de steenaarde bereidt.
Aardvoerder: man, die de steenaarde uit den put naar den steenmaker voert.
Afbla(d)deren: afschilferen.
Afdrager: man, die de gevormde steenen wegdraagt.
Afgever: man, die op 't schip de steenen van den scheeprijder overneemt en aan den sjouwer geeft (z.e.).
Afplaten: afbladeren.
Afslager: man, die de steenen in den oven plaatst en kolen strooit. Zeer juiste naam: de man houdt met beide armen een mand met fijne kolen vast en door de draai-beweging van zijn lijf slaat hij een laag kolen uit de mand.
Afstrijken: de overtollige aarde van den vorm wegstrijken met een houten spaan.
Altaarsteen: groote vuurvaste steen.
Ariaan: om een of andere reden ongeschikte baksteenen.
Appelbloesem: bleekroode klinkers.
Baantegel: roode of blauwe gangsteen.
Bakdroog: droog genoeg om gebakken te worden.
Baksel: hoeveelheid steenen, die in eens gebakken wordt.
Bakte: hoeveelheid steenen, die in eens gebakken wordt.
Baktijd: tijd, gedurende welken het bakken duurt.
Barm: hoop onbruikbare aarde.
Bedding: plaats waar de afdrager de steenen te drogen legt.
Beregende steen: die tijdens het drogen beregend is: poksteen: mottige steen.
Beslaan: de aarde malsch maken.
Bleeker: niet hard gebakken klinker.
Boerengrauw: hardste steenen, uit de bovenste steenlagen.
Boon: heel klein stukje kool.
Bovengrauw: steen van de bovenste laag, midden uit den oven.
Brand: de gloeiïng van den oven.
Brik (briek-brijk-brike-bryke): briksteen.
Brokkelaarde: droge brokkelende steenaarde.
[p. 336]
Brug: stelling over den aardput, waarover men de oeveraarde vervoerd.
Dakpan: dekpan, minderwaardige steenen boven op den oven om de goede steenen te beschutten. Soorten pannen:
Bourgondische - Hollandsche - lucht -
dubbele - holle - nok -
lange - kap - platte -
Fransche - kleine - rechtsche -
gaat - klok - rietvorsten
gewone - kruin - Vlaamsche -
hoek - linksche - vorstpannen
Deeg: steenspijs, klei met water bereid.
Deklaag: bovenste steenlaag.
Doorbakken: harde steen.
Draaien: den windmolen in gang houden.
Drijven: doornat laten worden.
Dubbel (dobbel): (rij van) acht steenen.
Estrik: gebakken vloersteen.
Ezel: schraag.
Fijnen: fijne kolen.
Gaar en gaaf: goed doorbakken en ongeschonden.
Gaatpan: dakpan met misvormig gat in 't midden.
Gam: stapel gedroogde, doch nog niet gebakken steenen.
Gammen: de gedroogde steenen op hun kant zetten tot verdere droging.
Gelaag, geleeg: de geheele uitgestrektheid der steenbakkerij.
Gesteken steen: steen met holten erin.
Getrokken steen: scheefgetrokken steen.
Grauw: grauwe steen, die in 't midden van den oven ligt.
Groene steenen: slecht gebakken steenen.
Haag: rij opeengestapelde steenen om verder te drogen.
Haagbed: de effengemaakte grond, waarop de haag staat.
Hagen: de steenen in hagen zetten.
Halfbak: half of nog minder gebakken steen.
Hart: 't binnenste van den oven.
Heelbak: weldoorbakken steen.
Helderklinkende steen: harde, vaste steen.
Holle steen: steenen, met één of meer gaten voorzien.
Hondsgat: deuropening van den steenoven.
Hooplader: man, die de steenen van den hoop op kruiwagens laadt.
Inslaan: den oven vullen.
Kalf: een deel aarde, dat in den put afzakt: kalfslag.
Kalven (in-, af-, toe-): wegzakken der aarde.
Kantsteen: steen van de buitenkanten, dus maar half gebakken.
Kappan: pan om lucht op zolders enz. toe te laten.
Kareel: kareelsteen (m.-nederl. quareel).
Kenmerken: eigenschappen van den gebakken metselsteen: gaar en gaaf - vast - vlak - hard - weldoorbakken - dichtgesloten- helderklinkend - eenigszins glasachtig.
Kern: binnenste van den oven.
Keurrood: uitgezochte roode steen.
Kit: tonvormige wateremmer.
Klad: aarde, die met de plaan wordt afgestreken.
Kladsteen: gedeeltelijk gebakken, soms gesmolten steen.
Kleimolen: molen om de klei te kneden.
Klesoor, klezoor, klisoor: deel van den steen, die met het truweel van den heelen steen wordt afgeslagen.
Klinker: de beste baksteen.
Kloot: klomp klei.
Knevel: tand, die de stukken hout der brug aaneenhecht.
Knopje: zie neus.
Koornaarde: bovenste laag van vruchtbare grond.
Kop: kleinste zijde van den steen.
Kraag: overslag van de nokpan.
Kruier: lange stok, met kruiswaarts aangenagelde plank, dienende om de droogplaats te effenen.
Kwelm: weeke grond, waaruit water welt,
Kwelp: vettige grijze grond.
Leuter: plat stukje hout, waarmede men de klei van de spa schuurt.
Lokgat: opening in den oven, waaruit de vlam stijgt en de steenen bakt.
Looper: de steenen van den kleimolen.
Maalgang: kleimolen met twee overeind staande steenen.
[p. 337]
Mergel: klei die met kalkzand vermengd is.
Misbak: wanbak.
Moef, moefe, mof, mop: groote klinker.
Mortel: geknede steenspijs.
Mottige steenen: die in den regen gestaan hebben vóór 't drogen, zoodat er kleine gaatjes in zijn.
Muizen: 't werpen en opvangen der steenen bij lading en lossing.
Neus: omgebogen gedeelte van de dakpan om ze vast te leggen.
Oeverzetter: man, die de helling van den bovenkant van den put (oever) steekt.
Omzetten: de klei onderstboven keeren.
Ontladen: den oven -, de steenen uit den oven nemen.
Opzetten: de klei op de vormbank zetten.
Oven: droog -, dubbele -, gesloten -, hout -, ring -, steen -, tichel -, veld -.
Ovenjong: de jongste werkman, die voor de ovens zorgt.
Overkolen: kolen strooien tusschen de steenlagen.
Overslag: stuk hout, op de brug, waartegen de kruiwagen wordt gekeerd.
Plaan: stuk hout, waarmede de overtollige klei wordt afgestreken.
Plat: de breede kant van den steen.
Plets: droogplaats.
Ploeg: al de werklieden te zamen, die de aarde tot steen vormen.
Rammelaars: gebarsten steenen.
Ratelaars: steenen met schaarden erin.
Rechten: de steenen -, de steenen, die plat op den grond liggen, op hun kant zetten.
Rijke kant: die kant van den steen, die een scherpen hoek heeft.
Rol: plaan of werktuig ter vervanging van de plaan.
Roode steensoorten: keur-, wal-, best-, appelbloesem.
Slechten: den overgevoerden bovengrond op den barm openwerpen.
Snijder: man, die de plavuizen snijdt.
Sprong: put in de steenen.
Steengoed: gebakken aardewerk.
Steenmortel: bereide steenspijs.
Stikken: de steenaarde met de stik- of steekschop bewerken.
Stouwen: de steenen vast in 't schip plaatsen.
Trekken: aarde -: 't uitdelven van den kleigrond.
Trijzel: mand met traliewerk in den bodem, tot het schiften van de kolen.
Trijzelen: kolen ziften.
Uitzetten: steen uit den oven nemen.
Vaagmes: scherp stukje hout om de vormen uit te vegen.
Vlaag, vlaak, vlake: vlechtwerk om de steenen te schutten tegen den wind of zomerhitte.
Vlaakpers: paal, waarover de matten gelegd worden.
Vogel: bak om de leem naar de vormbank te dragen.
Vormen: steenen maken.
Vorstpan: bovenste pan.
Wagenvoer: een wagenvoer steen, een volle wagenvracht.
Walk: een bol steenaarde.
Walken: de aardbollen ineenduwen, lenig maken.
Wan: houten werktuig, schelpvormig, met twee ooren.
Wanbak: misbak, slecht gebakken steen.
Wannen: water met den wan uit den aardput scheppen.
Weenen: wenden, de steenen omkantelen.
Weekkuil: waterdicht gemetselde kuil om de klei te bereiden, te kneden.
Welboord: steen uit de onderste laag.
Windmolen: molen om 't vuur aan te wakkeren.
Wrak: niet gaar gebakken.
Zandklad: steen, gevormd van overblijfsels van steenaarde, die uit den vorm gevallen is.
Zavel: rosachtige, zandachtige grond.
Zeepkei: keivormige, broze steen.
Zel, zelling: boezem bij beekjes en riviertjes, waarin bij laag water slib of slijk, dat dienen moet tot steenspijs, geworpen wordt.
Zoet: zeer malsche grijze steenaarde.
Zwart: donkere, minder malsche steenaarde.
Zweep: dunne spar aan de brug.
Zwemsteen: lichte, drijvende steen.
[p. 338]

Wij hebben hier te doen met een belangrijke Nederlandsche industrie, die nagenoeg uitsluitend steunt op ongeschoolden arbeid. Indien er vroeger, en nog thans hier en daar, bij het handvormen een zekere ‘slag’ te pas kwam, het machinale vormen heeft dit overbodig gemaakt. Terwijl thans minder spierkracht noodig is, wordt echter iets meer geëischt van de aandacht, en dat is dus een kleine vooruitgang. Persoonlijk had ik gelegenheid eenige dagen op meer intiemen voet met Vlaamsche steenbakkers uit Boom om te gaan. De indruk, dien zij op mij gemaakt hebben, is niet heel gunstig. Zij zijn zeer onbeschaafd en ruw; trouwens de statistieken geven voor Boom, waarvan de steenbakkers sedert jaren verreweg het grootste deel der bevolking uitmaken, bijna het grootste percentage analphabeten van heel België. Bij mijn bezoek aan een Noord-Limburgsche fabriek van pannen en rioleeringsbuizen, waar vooral met strengpersen gewerkt wordt, kreeg ik een ietwat beteren indruk, maar ook hier is het werk zéér eentonig. Toch is er in de steenbakkerij nog een soort van vakopleiding mogelijk. Een der beantwoorders der enquête van Th. v.d. Waerden geeft daaromtrent het volgende: Op 13-jarigen leeftijd beginnen de jongens als hittenrijder, of natmaker der klei, of aflosser. Met hun 15 jaar worden ze modderbakrijder met een paard. Op hun 18de jaar worden ze opzetters, afslagers en steenladers. Pas op 22-jarigen leeftijd komen ze in aanmerking voor zoogenaamde losse kruiers, en daarna voor vaste kruiers, deze laatste stoken ook de ovens. Slechts 5% brengt het verder, zij worden baas of chef. Deze laatste moeten alles hebben doorloopen en zijn flink onderlegd.

15. De stroodekkerstaal.

Dit is een uitstervende taalkring, die vroeger een der voornaamste groepen van de bouwbedrijven vormde. Hedendaagsche literatuur is mij daarover niet bekend. Alleen een Vlaamsch woordenlijstje uit Volk en Taal VI, dat ik hier afdruk. Ik laat de Vlaamsche verklaringen weer in eigen geur en fleur.

Aftrekken, een dak, een huis aftrekken: een strooien dak heel en gansch wegnemen, 't zij om het met stroo, 't zij om het in pannen te vernieuwen.
Bandroe(de): houten roede die men op 't strooien dak bindt om het te sluiten en vast te leggen.
Dekker: stroodekker.
Dekkersmes: breed mes, op het einde puntig, dat de dekkers bezigen.
Dekkerspeerd: houten rechthoekig tuig, dat men aan de daken vasthecht en waarop de dekker de voeten zet, bij het dekken.
Dekroe(de): zie bandroe(de).
Dekstroo: stroo waar men meê dekt.
Dekwe(d)er: weder geschikt om te dekken.
Dekwisschen: wisschen bij het dekken gebezigd, die de bandroe aan de kepers of latten vasthechten.
Euzie, de: onderste deel van het dak.
Haak: ijzer waar men de dekkerspeerden meê aan 't dak vasthecht.
Haakskespriem: ijzeren priem, op het eene uiteinde gebogen tot eenen haak, waar de dekker de wisch die door het dak zit meê vat, en boven trekt.
Ligger: plaats waar het dak met een ander eenen rechthoek vormt.
[p. 339]
Ooreboom: deel van 't dak dat aan de zijgevels uitsteekt aan sommige huizen.
Schupkespriem: priem voorzien van een schupke langs den eenen kant, waarop de dekker met den elleboog steunt, wanneer hij de wisch door het dak steekt en weer boventrekt.
Stekken van den ooreboom: stokken waarmeê men den ooreboom op den muur doet steunen, ten einde het neerzinken van den ooreboom te beletten.
Torrekes: zie veugelkes.
Verbinden: het stroo van 't dak doen vaster leggen door den dekker, die er dan banden versch stroo kunstmatig over sluit.
Vervursten, vervorsten: de vurst alleen herstellen, vernieuwen.
Veugelkes: stroopoppen die boven den vurst eenen palm lang uitsteken
Vurst, vorst: opperste, hoogste deel van het dak.
Ziggel: recht ijzer, voorzien van tanden, waarmede men de lat en de bandroê vasthoudt, wijl men ze aan elkander bindt.

 

In aansluiting hierbij laat ik nu een paar onlangs uitgestorven vaktalen volgen:

16. De taal der indigo- of blauwbereiders.

Volledige beschrijving van alle konsten, enz. (zie nr. 2) nr. 1. De Indigobereider en Blauwverver, Dordrecht 1788.

[Aanvullingen]

Bij de taal der indigo- of blauwbereiders (nr 16) heb ik vergeten er op te wijzen, dat deze vaktaal thans meer en meer heterochtoon is geworden, en zoowel in West- als Oost-Indië voortleeft. Zie Ament: De cultuur en de behandeling der West-Indische koffij en indigo, vergeleken met de Oost-Indische, Kampen 1836, en A. André: Cultuur en Bereiding van Indigo op Java, A'dam 1891. Maar ook verderop in dit hoofdstuk had ik nog op allerlei heterochtone vaktalen kunnen wijzen: zoo op de taal der Oost-Indische koffie-, thee- en cacaocultuur, der rijst- en klappercultuur, der caoutchouc-, suikerriet-, kina-, ramee-, pala-, padi-, muskaat- en peper- in Oost-, en der bacoven- en kassave-culturen in West-Indië; alsmede op verschillende afwijkende bedrijven en grondwinningen van Zuid-Afrika. Ik meende echter, dat ik hiervoor toch al te weinig bronnen tot mijn beschikking had, en wacht dus eerst op een of meer speciaal-onderzoekingen, van ter zake en ter plaatse kundigen.

17. De taal der meekrapbereiders.

Volledige beschrijving van alle konsten enz. (zie nr. 2) nr. 17. De Teling en bereiding der meekrap. Dordrecht 1800. G. Fokker: De oudst bekende keur op het bereiden ... van meekrap in Zeeland, Middelburg 1866.

18. De taal der houtskoolbranders.

Volledige beschrijving van alle konsten enz. (zie nr. 2) nr. 6: De Houtskoolbrander.

19. De taal der zeepzieders.

Volledige beschrijving van alle konsten enz (zie nr. 2) nr. 7: De Zeepzieder. ca. 1800.

 

Deze ambachtstaal is ook bijna geheel en al uitgestorven, daar de groote zeep-fabrieken, of de soda- en chemicaliënfabrieken ten eenen male beheerscht worden door de termen der nieuwere scheikunde, die natuurlijk alleen door de chefs worden verstaan, en door de ongeschoolde fabrieksarbeiders op de wonderlijkste wijzen worden verhaspeld. Ongeveer hetzelfde is het geval met:

20. De taal der wasbleekers en kaarsenmakers.

Volledige beschrijving van alle konsten, enz. (zie nr. 2) nr. 5: De Kaarsenmaker en nr. 10, De Waschbleeker en de Waschkaarsenmaker. (sic.)

 

In de twee groote stearine-kaarsenfabrieken van Gouda en Schiedam is alles zóó geheel anders als vroeger, en bovendien de eigenlijke bereiding zóó machinaal, dat van de vroegere vaktaal niets is overgebleven. In de kleinere werkplaatsen evenwel, hier en daar verspreid, waar waskaarsen voor den katholieken eeredienst worden gemaakt, schijnt deze oude vaktaal nog voort te leven, maar ik ben er niet in kunnen slagen, hierover nadere gegevens te bekomen.

[p. 340]

21. De zijdebewerkerstaal.

Volledige Beschrijving van alle konsten nr. 8. De Zijdeverver. nr. 15. De Zijdenteelt en kweeking van den Moerbeziënboom, beide Dordrecht ca. 1800. Vgl. nr. 2.

 

De zijdeteelt heeft hier te lande slechts van ca 1750 tot 1870 bestaan, de zijdeïndustrie kwam reeds ongeveer 1680 op, maar ging op het einde der 19de eeuw, na lang kwijnen eveneens ten gronde. Ook voor philologen, die in de taalstudie liever met hun oogen in de boeken zitten, dan met hun ooren naar klanken luisteren, is er dus in de nieuwe richting der taalwetenschap nog plaats genoeg. En hiermede kunnen zij zich troosten, dat wij in elk geval met snuffelen en zoeken, van de 17de, 18de en 19de eeuw minstens honderd maal zooveel kunnen te weten komen, als van alle vroegere tijdperken.

22. De taal der suikerraffinaderijen.

Volledige beschrijving van alle konsten, enz. (zie nr. 2) nr. 11: De Suikerraffinadeur. G. Broekhuizen: Uit de praktijk der witsuikerfabrieken. Roosendaal 1906.

 

De raffinadeur van honderd jaar geleden - die met fijn beenzwart en ossenbloed de suikeroplossing klaarde, om ze dan door doekfilters en grof korrel-beenzwart te filtreeren, door verdamping te laten kristalliseeren, en de verkregen suiker ten slotte tot suikerbrooden te verwerken - zou vreemd opkijken als hij bij het affineeren der moderne centrifuges eens kwam toezien. Van de oude vaktaal zijn dan ook in het nieuwe grootbedrijf slechts zwakke sporen meer voorhanden.

23. De tabakbewerkerstaal. 300/30

A. De Nederlandsche Tabakscourant. F. van Rossem, Amsterdam 15/7. - Ons Dekblad (voor patroons). A. Vervoort, Eindhoven x/15. - De Tabaksplant (sigaren en tabaksfabrikanten). Blom en Olivierse, Culemborg 20/7. - Le Fumeur. A. Hillen's maandblad, A. Hillen, Delft x/30.

B. De Christelijke Tabakbewerker. Graswinckelstraat 47, Delft 15/14.

C. De Katholieke Tabakbewerker. Wal 17, Eindhoven 19/15. - De vereenigde Werkman (Tabakbewerkers) Minderbroederstraat 24, Leuven x/30.

D. De Sigarenmaker. Reguliersgracht 80, Amsterdam 20/7.

S. Bertram: De Tabak. Handleiding voor hen, die zich in het tabakvak wenschen te begeven. Kuilenburg, z.j. (1895). - S. Bertram: Leiddraad bij de techniek der sigarenfabricage, en de melanges voor het sigaren- en tabaksfabrikaat. Kuilenburg 1900. - R. Kiszling-Bertram: Beknopt handboek van de tabakskennis, tabaksteelt en tabaksfabricage. Kuilenburg 1907. - J. Wolf-Bertram: De tabak en de tabaksfabrikaten. Leiden 1913.

 

Uit de boeken van Bertram en Kissling is de volgende lijst geëxcerpeerd:

Aankleeden ('n vat): na 't prikkelen 't vat weer om de tabak slaan.
Aanvochten: even vochtig maken.
Aard: tabak is soepel van aard, maar zwaarmoedig, gruisaardig van soort. (Maar men schijnt dit verschil toch niet consequent vol te houden).
Aardgoed: middelste bladeren van de tabaksplant.
Afleggen: aan gewicht verliezen (aan stelenverlies b.v.).
[p. 341]
Afnemen: tabak weghalen uit droogschuur.
Amarillo: zeer licht (sigaar).
Aren: nerven.
Bank: stapel gedroogde tabaksblaren.
Beits: saus.
Beitsen: sauzen.
Bestgoed: bovenblaren v.d. tabaksplant.
Binnenblad: omblad.
Binnenétiquet: étiquet binnen op 't deksel van een sigarenkistje.
Binnengoed: de binnentabak van een sigaar.
Bladdige tabak: goede gave bladeren of stukken blad.
Bladgehalte: staat van ontwikkeling, gaafheid, stevigheid enz. der bladeren.
Bladvarinas: varinas in gewone bossen (niet in rollen).
Bladvlekken: mozaïekziekte.
Blanke: lichtkleurige.
Blauw: tabak die v.d. vorst geleden heeft.
Blok: dikke plank waarin 20 sigaren vormen.
Blokkenpers: schroefpers om de bosjes in blokken aan te persen.
Bloksigaren: sigaren die met 't blok gemaakt zijn.
Blokwerk: 1. 't sigarenmaken met 't blok; 2. sigaren met 't blok gemaakt.
Blokwerker: arbeider die blokwerk doet.
Bosbakje: bakje waarmee de sigaren gebost worden.
Bosje: 1. binnengoed en omblad van 'n sigaar; 2. binnenwerk voor een rolletje pruim-tabak; 3. bundeltje sigaren.
Bosjesmaker: arbeider die bosjes (1) maakt.
Brand: 1. wijze van branden; 2. zwartworden der bladeren bij 't drogen.
Brandig: lijdend aan brand (2).
Breken: 1. tabak -: met walsen klein maken; 2. 't veld -: geitsen.
Broei: ziekelijke teerheid der bladeren door te sterke gisting.
Brokkelig: licht verbrokkelend, vergruizend.
Canasser (knaster): rieten mand waarin varinas verpakt wordt.
Ceroen: baal van overtrokken boombast of buffelhuid.
Claro: licht.
Colorado: middelkleur.
Colorado claro: lichte middelkleur.
Colorado maduro: donkere middelkleur.
Consumptie: tabak koopen in -: die bij de grossiers of importeurs opgeslagen is (tegenover in entrepôt).
Dakbrand: rottende gisting bij 't drogen.
Dakrijp: gereedzijnd, droog.
Dek: buitenblad van de sigaar.
Dekker: voor dek uitgesneden stuk blad.
Dekkracht: 't gewicht van de hoeveelheid tabak die voor dek voor 1000 sigaren noodig is, b.v.: de dekkracht is 1 kilo.
Dieven: kleinere blaadjes tusschen de groote tabaksbladen in groeiend.
Dood blad: bros blad.
Doorgezet: in 't pak nagistend.
Droogsoortig: droog van aard.
Druk hebben: doorgezet zijn.
Eest: draaitrommel om tabak te drogen.
Eesten: tabak drogen met de eest.
Endouilles: cylindervormige karotten.
Entrepôt: tabak koopen in -: in 's Rijks entrepôt opgeslagen.
Fermentatie: gisting.
Flauw: zonder veel smaak, pit.
Gebost: (sigaren) in bundeltjes in de kistjes gedaan, (bladeren) tot bossen gebonden.
Gegoten sigaretten: van zeer korte tabak en stelen.
Geitsen: zijloten der tabaksplant uitbreken.
Gelijkslaan: tabak in gelijke hoopjes en in één richting leggen.
Gloed: tintglans van de sigaar (rood, bruin of vaal).
Groenfermentatie: soort vóórgisting onmiddellijk na den pluk.
Gruisaardig: brokkelig.
Halftabak: beetwortelblaren in tabaksloog gedrenkt.
Handijzer: plaatje om bij 't spinnen de lijn glad en vast te houden.
Handsigaren: sigaren die uit de hand gewerkt zijn (tegenover bloksigaren).
Handvormwerk: sigaren eerst in 't blok, dan met de hand bewerken.
Handwerk: 1. 't maken van sigaren geheel uit de hand; 2. sigaren die zoo gemaakt zijn.
[p. 342]
Handwerker: arbeider die sigaren uit de hand maakt.
Harde tabak: stugge, brosse tabak.
Havanabruin: sapbruin.
Hoppige tabak: fijn, dun.
Huls: papieren kokertje van een sigaret.
IJzergaren: taaie band om geboste sigaren.
Indrogen: krimpen bij 't drogen.
Inlandsche tabak: Hollandsche tabak.
Inleg: binnengoed.
Inleggen: tabak in de kerfbank leggen.
Intoppen: toppen.
Inzetpapier: binnenbekleeding van een sigarenkistje.
Inzetten: sigarentabak invochten.
Inzetter: arbeider die de zaaílingen zet.
Java-matten: biezen vlechtwerk waarin men in N.O.-I. tabak verpakt.
Kardoesjes: kokertjes voor snuifverpakking.
Kardoezen: pakjes gekorven tabak.
Karot: spoelvormige rol tabak.
Karottenmaken: karottentrekken.
Karottensnoer: touw waarin men karotten perst.
Karottentafel: tafel ingericht voor (groote-of kleine-) karottentrekken.
Karottentrekken: van de pop een karot maken door insnoering.
Karottentrekker (groote -, kleine -): toestel om karotten te maken.
Kerf: kerftabak.
Kerfbank: riem zonder eind die de tabak naar 't kerfmes voert.
Kerfmes: mes dat de tabak kerft.
Kerftabak: tabak die gekorven wordt.
Kerven: tabak fijn snijden voor rook- of pruimtabak.
Kleffige tabak: vochtige, duffe tabak.
Kleurig: mooi van kleur.
Kneuzen: breken 1.
Koek: geperste laag tabak in 'n vat.
Kop: punt van een sigaar.
Koppen: toppen.
Kort: korte tabak.
Korte tabak: tabak die niet bladdig is, althans niet langbladig.
Lengte: tabak wordt naar de lengte gemerkt 1e, 2e, 3e en 4e lengte.
Lichtproef: tabak aan licht doen gloeien ter keuring der brandbaarheid.
Lichtsoortige tabak: fijne, dunne tabak.
Lijn: rij poppen, met dekblad verbonden, voor rol-pruimtabak.
Lijvige tabak: dikke, zware tabak.
Lompen: geheel verdorde, vlak op den grond staande tabaksblaren.
Loopen: er loopt veel spikkel in het dek: is sterk gespikkeld.
Lucht: ‘geen - hebben’, (sigaren) niet of zwaar trekken.
Maduro: (sigaren) zwaar.
Malen: dit doet men tabak voor snuif die zeer fijn van korrel moet zijn.
Marqueur: hark, met verstelbare tanden, om een tabaksveld te verdeelen.
Mêleeren: (sigaren, tabakken, snuif)mengen.
Miskleuren: kleuren die niet mooi genoeg zijn voor dekblad.
Mistbed: gemest land voor tabaksbouw.
Modellen van Havanna-sigaren: Regalias, Cazadores, Caballeros, Panetelas, Trabucos enz.
Mondstuk: stuk stijvere leege huls aan een sigaret.
Mozaïekziekte: een vlekziekte op tabak, waarschijnlijk door bacteriën.
Olieachtige tabak: donkere, zware tabak.
Omblad: 1. eerste blad om 't binnengoed; 2. tabak daarvoor geschikt.
Ongebundeld: niet gebost.
Onrijpe tabak: onrijpe kleuren (groen).
Opleggen: 1. tabak voor dek en omblad van de stelen ontdoen. 2. blazen vóór 't inpakken, gladstrijken en netjes op elkaar leggen tot bosje.
Oplegger: 1. 'n tweede, kleiner omblad; 2. blaadje papier in 'n kistje op de sigaren.
Opsnijden: donker opsnijden; lang -: donkere, lange snijdsels opleveren bij het kerven van de tabak.
Opwerken: er gaan uitzien na bewerking en drogen, b.v. dof, glanzend opwerken.
Pakketteermachine: machine die van gekorven tabak pakjes maakt.
Pijptabak: tabak voor de pijp.
Pikeeren: jonge plantjes uit 't broeibed uit-
[p. 343]
zetten in een tuinbed (overgang tot vollen grond).
Platblad: als platblad verpakken: de bladeren opengevouwen op elkaar.
Pletten: stelen pletten: plat persen om ze op blaadjes te laten lijken.
Pluksel: de uitgeplukte dieven.
Pop: bos(je) voor een karot snuiftabak (rolletje pruimtabak); poppenmaken.
Prik: bundel van 4 bossen tabak.
Prikkel: weegtoestel bij 't prikkelen.
Prikkelen: tabak uit vaten netto wegen.
Pruimtabak: om te pruimen.
Qualiteit: pit, smaak. 'n Sigaar bezit qualiteit, is qualiteit.
Qualiteitssigaar: pittige sigaar.
Raam: bak waarin de sigarenmakers hun werk afleveren (zonder voorschot).
Rapeeren, raspen: de karotten op een rasp verwerken tot snuif (rapé).
Roest: zóó groote spikkels dat 't vlekken worden. Witte roest: mozaikziekte.
Rollen: dekblad om 't bosje leggen.
Rolletje: verkoop-vorm van pruimtabak.
Rol-varinas: gesponnen varinos.
Roostmachine: tabakdroogmachine.
Sapbruin: verfstof voor sigaren.
Saus: aromatisch meng-kooksel waarin tabak gedrenkt wordt om kleur en smaak te verbeteren.
Saustobbe: tobbe waarin men tabak saust.
Sauzen: bewerken met saus.
Sluitétiquet: étiquet buiten op sigarenkistje.
Smalbladdig: smal van blad.
Smeeïg: vet.
Snede: veel - geven: lang opsnijden.
Sneeuwen: 't vlokkig afvallen van de asch bij 't rooken.
Snijden: dit doet men tabak voor snuif die grof van korrel mag zijn.
Snuifmolen, snuiftabakmolen: instrument om tabak tot snuif te malen.
Soepel: door vochten zacht genoeg voor 't kerven.
Soorten tabak (naam gwl. naar plaats v. herkomst): Inlandsch (Hollandsche, Amersfoorter), Pfalzer, Turksch, Seedleaf, Maryland, Kentuchy, Varinas, Braziel, Sumatra, Java, Borneo, Chineesch, enz.!
Speknerven: dikke, erg natte nerven die 't drogen vertragen.
Spiegel: bovenste rij sigaren in 'n kistje of van 'n bosje.
Spikkel: 1. gele vlak op tabak (door de zon) 2. gespikkeldheid (tabak met weinig spikkel).
Spinmolen: haspel bij 't spinnen gebruikt.
Spinnen: tabak tot een lijn verwerken en dien opwinden tot een rol.
Spinner: arbeider die tabak spint.
Spintafel: tafel met lijsten bij 't spinnen gebruikt.
Stampen doet men tabak voor groffe snuif.
Stangetjes: plat-geperste stukjes (pruim-) tabak.
Stelenpletmachine: machine om stelen te pletten.
Stelenzeeft: toestel om stelen te zeeften.
Stengels: nerven.
Stripjongen: jonge arbeider die stript.
Strippen: binnengoed-tabak van de stelen ontdoen.
Strooachtige tabak: droge, dunne tabak.
Stukblad: tabak die niet gaaf is.
Stukje: oplegger 1.
Taaibladdig: vastbladdig.
Tabakmoe: niet meer geschikt voor den tabaksbouw. Deze bodem is tabakmoe.
Tabaksloog: vloeistof die door tabak-uitloogen verkregen wordt.
Tabaksrol: opgewonden lijn van tabak die uit véél verbonden bosjes bestaat.
Toppen: bloesemknop uit de tabaksplant breken.
Trekken (monsters -): 'n monster nemen van 'n partij tabak.
Trekvast blad: stevig blad.
Uitkleeden: van 'n vat tabak de duigen afnemen om te prikkelen.
Uitloogen: tabak zachter, lichter maken door aftrekken in 'n zoutzuur-oplossing.
Uitschieten: (minder bruikbare tabak) op zij leggen.
Uitschot: 1. slecht uitgegroeide of bedorven tabaksblaren; 2. sigaren die om oneffen kleur of vorm niet met de andere verpakt worden.
[p. 344]
Uitwerken: 't uitleveren van een hoeveelheid dek- of ombladtabak.
Vastbladdig: stevig, niet gruisaardig.
Vat in schaal: ‘morgen 8 u. -’: wordt er geprikkeld; een vat komt in schaal: wordt gewogen.
Verrotting (natte of droge naar den vochtigheidstoestand der bladeren): dakbrand.
Vetgoed: allerbovenste bladeren van de tabaksplant (door de zon vetter).
Vett(ig)e tabak: dikke, saprijke tabak, rijk aan parenchym.
Vormwerk: blokwerk.
Vulling: tabak die voor 't bosje dient.
Wankleurig: miskleurig.
Water: die tabak houdt geen - meer: scheurt bij 't natmaken (te teer door broei).
Waterzuipers: erg droogsoortige tabak.
Werken: die tabak werkt uit 1 kilo: de dekkracht is 1 kilo.
Werkje: partijtje vaten tabak.
Willig van brand: gemakkelijk brandend.
Wollige tabak: zacht, niet stug.
Zadel: plank van den karottentrekker waarop de arbeider zit.
Zandgoed: onderste blaren v.d. tabaksplant.
Zeilende (de tabak is -): onderweg (men koopt op monsters in Amerika getrokken).
Zetten: tabaksplantjes in vollen grond planten.
Zuigers: 1. dieven; 2. nieuw uitgroeisel na den pluk.
Zwaar: met hoog nicotine-gehalte.
Zwaarmoedige tabak: groffe, dikke, tabak.

 

Ook in de sigarenfabriek gebeurt thans veel met machines: wat vroeger louter handwerk was. Toch blijven er een groot getal betrekkelijk geschoolde arbeiders noodig. In scholing en slag staan echter onze Hollandsche sigarenmakers bij de Duitschers ten achter. De Noord-Nederlandsche verstaan hun vak echter weer beter dan de Belgische. Dit hangt natuurlijk grootendeels van de eischen der patroons af, en wisselt dus van fabriek tot fabriek. Omdat het werk niet veel spierinspanning vraagt, worden vooral de zwakkeren voor dit vak opgeleid. Vergis ik me, als ik speur, dat uit de bovenstaande woordenlijst geen opgewekt leven straalt? De Joodsche invloed (zie blz. 6) blijkt alleen uit eenige Duitsche leenwoorden en de woorden: bladdig, bladderig enz.

24. De kruidenierstaal. 105/30

A. Nederlandsch Weekblad (v. kruideniers, grutters en handelaars in koloniale waren).

C. Misset, Doetinchem 19/7. - Onze Vereeniging (v. winkeliers in comestibles, grutterswaren, drogerijen, verfwaren) N.Z. Voorburgwal 22, Amsterdam x/7. - Victoria (v. winkeliers in koloniale waren en comestibles). Ruigeplaatweg 33, Rotterdam 8/30. - De Consumptie (v. handelaren in koloniale waren en comestibles). J. de Lange, Deventer x/14. - Het Kruideniersblad. Wed. François Limoens, Brugge x/x.

L. Bol: Geïll. Nederl. Conservenboek. 's Gravenhage 1906. - E. van Gendt: Het verduurzamen van levensmiddelen enz. Leiden 1902.

 

Gelijk de vorige groep houdt ook deze, in al haar exotische warennamen, haar vreemde leveranciers in eere. Sociologisch is ze slechts een onderafdeeling van den volgenden kring.

25. De winkeliers- of middenstanderstaal. 196/30

A. De handeldrijvende middenstand (Haagsche winkeliers). Nobelstraat 20 den Haag 6/14. - Laboremus (A'damsche winkeliers), Prinsengracht 739-41, Amsterdam x/x. - De Middenstander. (Handelsvereeniging Rotterdam). Nederl. Kiosken-Mij. Ibidem x/x. - De Middenstandsbond (v. handeldrijvenden en industrieelen middenstand). Eshuis & Co.

[p. 345]

Dalfsen 11/7. - De Noord-Nederlander (Noord-Nederl. middenstandsbond). Eshuis & Co, Dalfsen 2/7. - Taberna (moderne winkelinstalleering). Nieuwehaven 37, Rotterdam x/30. - De Winkelier. Eshuis & Co, Dalfsen 13/7. - Winkeliers en Handelsbelangen (v.d. handeldrijvenden middenstand). Oostzeedijk 73a, Rotterdam x/7.

C. De Haarlemsche Hanze (middenstand Bisdom Haarlem). Pr. Hendrikkade 80a, Rotterdam 4/14. - De R.K. Middenstander. De Hanzebode. ‘Futura’, Leiden 10/7. - De Kolenhandel, Quellijnstraat 37, Amsterdam x/x. - Gemeenschappelijk Belang (détailhandelaars in brandstoffen). Quellijnstraat 37I, Amsterdam x/x.

E. Schönberg: Wat kan en moet de winkelier van het warenhuis leeren? Rotterdam 1908.

 

Tot dezen grooteren taalkring, waarvan wij misschien de twee laatstgenoemde bladen hadden kunnen afscheiden, behooren nu ook gedeeltelijk nog eenige andere vaktalen, wier eigen karakter veel meer op den voorgrond treedt.

26. De barbierstaal. 26/30

A. Barbiers- en Kapperscourant. Ceintuurbaan 229, Amsterdam 20/30. - De Figaro. (Nederl. kappersvereeniging). H. Stadermann, Baarn 3/15.

27. De slagerstaal. 196/30

A. Geïllustreerd Slagersvakblad. W. Eisma Cz., Leeuwarden 15/7. - De Slagerscourant. Hartenstraat 14, Amsterdam 20/7. De Huidenveiling. Pelgrimstraat 5, Rotterdam 11/7.

C. De R.K. Slagersgezel. Cartesiusstraat 65, den Haag 2/30.

D. Orgaan (v, d. Nederl. slagersgezellenbond). Rembrandtstraat 313, den Haag 10/30. - F. Blom: De fijne rund- en varkenslager. 'sGravenhage, 1892. - E. Poffé: De Antwerpsche Beenhouwers van de vroegste tijden tot heden. Antwerpen, 1894. - H. van Harrevelt: Handleiding voor de vleeschkeuring. Utrecht, 1905. - E. van Gendt: Het verduurzamen van levensmiddelen en beschouwing over de slachtmethoden van huisdieren. Leiden, 1902.

 

Zeer belangrijk zou een onderzoek zijn: naar de 60 à 80 namen der stukken, waarin een rund of varken bij het uitsnijden wordt verdeeld. Deze namen toch wisselen bijna in elke streek, en ze zijn buiten de slagerswereld aan bijna niemand bekend. Geheel anders heeten gewoonlijk dezelfde stukken vleesch in

28. De koks- en kellnerstaal 141/30

A. Ons Belang (v. koffiehuis-, restauranthouders en slijters). N.Z. Voorburgwal 232, Amsterdam 8/7. - Ons Blad (Nederl. koksbond). Middelburgschestraat 77, Scheveningen 7/30. - De Hotelhouder. Warmoesstraat 117-119, Amsterdam 20/7.

D. De Geëmployeerde (i.h. Logement- en Koffiehuishoudersbedrijf), 1ste Atjehstraat, Den Haag 16/15.

De verstandige Kock. Deel III v. Het vermakelijck Landt-leven, Amsterdam z.j. (1670). -

F. Blom: Moderne Kookkunst. den Haag, z.j. (1910).

 

Deze groep heeft natuurlijk allerlei aanrakingspunten met de twee volgende.

29. De dienstbodentaal. 85/30

A. De Dienstbode. L. van Dijk, Vianen bij Utrecht 17/7. - De Huishoudgids. Klein Weezenland 19, Zwolle x/7. - In en om de keuken. Noorduin & Zn. Gorinchem x/30.

D. Het Huispersoneel. Ohmstraat 34, den Haag 2/30.

De volmaakte Hollandsche Keuken-Meid2. Amsterdam 1746. - De volmaakte Geldersche Keuken-Meyd2. Nijmegen 1761.

[p. 346]

Voor verdere kookboeken zie Deel I blz. 529. Dit is een allerinteressantste vrouwelijke taalgroep, die vooral mooi materiaal kan leveren: voor de sociale modaliteit en de standsverschillen der taal. De dienstbode toch spreekt van den eenen kant voortdurend met mevrouw en de kinderen des huizes, en van den anderen kant met den slager, den groenteboer, den bakker enz.

30. De taal van drankbereiders en -slijters. 165/30

A. Maandblad (Bond van slijters.) C. Huig, Zaandam x/30. - Ons Belang (Vereeniging ‘Vergunning’.) Max Nunes, Amsterdam 8/7. - Ons Vakblad (v. mineraalfabrikanten en bierhandelaren.) Piet Heinstraat 87, Den Haag x/15. - Weekblad voor den Handel in gedistilleerd, likeuren, bitters, bier, wijn, gist, mousseerende dranken, mineraalwater, vruchtensappen, hotel- en koffiehuisbenoodigdheden. C. Misset, Doetinchem 13/7. - De Wijnhandel. Bureau, Zeist x/7. - Het Bier. C. Teulings, Den Bosch 12/7. - De Bierbrouwer. (Vlaamsch).

C. De R.-K. Drankbereider. Vischsteeg 15, Delft 3/30. - St. Egbertus (bierbrouwersgezellen.) Ger. Doustraat 65, Amsterdam x/30.

D. De Drankbereider. Hugo de Grootstraat 116b, Rotterdam x/15.

W. van Lis: Brouwkunde. Rotterdam 1745. Volledige beschrijving van alle konsten, enz. (zie nr. 2) nr. 2. De sterkwaterstoker, zoutzuur- en vitrioolbereider, nr. 16. De bierbrouwer en mouter, nr. 18. De azijnmaker, Dordrecht ca. 1800. - G. Mulder: Scheikundige verhandelingen en onderzoekingen. Deel I, 3de stuk: Het Bier. Rotterdam 1857. - De Bierbrouwer. Door een oud bierbrouwer (Vlaamsch). - F. Blom: Een kijkje in een consumtie-laboratoríum. Het bereiden van kunstwijnen, bieren, likeuren, enz. 's Gravenhage 1893.-De volmaakte likeurstoker. Handleiding van alle soorten van likeuren, bitters enz. te bereiden zonder distillatie. Rotterdam 1906. Ter perse: Vak- en kunstwoordenboeken. Ach. Quicke: Verklarend Nederlandsch woordenboek van het Brouwersvak. Uitgave der Kon. Vl. Acad.

 

In de brouwerij, die ik in minstens twee stadiën van ontwikkeling, uit eigen aanschouwing goed ken, is altijd veel ongeschoolde arbeid noodig geweest. Toch is er een opvallend verschil tusschen een Noord-Brabantsche brouwerij uit den goeden tijd van ca 1880 en de groote nieuwe brouwerijen naar Duitsch model. Bijna al de Brabantsche brouwersknechts kenden het heele bedrijf, het mouten incluis, en hadden een opleiding van minstens een paar jaar noodig. Alhoewel reeds de brouwkuip slechts aan één brouwmeester was toevertrouwd, moesten de anderen toch ook daarbij helpen en konden zij, als ze wilden, dit op den duur heel goed aanleeren. Thans is er echter b.v. in de Amstel- of Heinekensbierbrouwerij een scherpe scheiding gekomen tusschen de eigenlijke brouwmeesters: de ‘Duitsche voorlieden’, die op brouwscholen en in de praktijk een veeljarige opleiding genoten, en het personeel, dat eenvoudig getraind werk verricht, en spoedig kan worden vervangen. Daartusschen staan nu de machinisten, die natuurlijk wel eenigszins geschoold zijn, maar van brouwers- of moutersbedrijf toch bijna niets afweten.

In de spiritus- en gistfabrieken is het bijna juist hetzelfde. Vakopleiding is voor de groote meerderheid geen vereischte meer: het schoonmaken, het kranen opendoen en -sluiten, het temperatuur- en drukking opnemen, kan bijna ieder

[p. 347]

normaal werkman in een paar weken leeren. Nu eens wordt hij voor dit, dan voor dat gebruikt. Maar zelden komt hij zoover, dat hij begrip krijgt van het bedrijf, en den samenhang der onderscheiden werkzaamheden begrijpt. Ook hier echter blijft het percentage der geschoolde arbeiders tòch nog aanmerkelijk, om het groeiend getal machinisten, bankwerkers, timmerlieden en verdere ambachten voor de flesschen, kistjes en verdere emballage.

31. De molenaarstaal. 100/30

A. De Molenaar. Eshuis & Co., Dalfsen 17/7. - Algem. Ned. Molenaarsblad. (v. korenmolenaars, pellerijen, meelfabrikanten, cacaofabrikanten, olieslagerijen, handelaren in lijn- en raapkoeken enz.) H. Germs, Doesburg 8/7.

L. van Natrus enz.: Groot volkomen moolenboek, 2 dln., Amsterdam 1734-'36. - J. van Zijl: Groot algemeen moolenboek2, Amsterdam 1761. - J. Harte: Volledig molenboek, beschrijving en afbeelding der molens. Gorinchem 1849. - G. Krook: Theoretisch en Practisch molenboek voor Ingenieurs, Aannemers, Molenmakers en verdere bouwkundigen. 's-Gravenhage 1850-'53.

 

Van de Noord-Hollandsche molenaarstaal vindt men veel termen in Boekenoogens De Zaansche Volkstaal, waarin ook de 18de eeuwsche vakwoorden uit Van Natrus zijn opgenomen. Voor Zuid-Oost-Vlaanderen gaf indertijd Volk en Taal II, III, IV een volledige woordenlijst, die ik hier met verkorting van den uitleg overneem. De met een kruisje geteekende woorden zijn uit het West-Limburgsche Beverloo, en ontleend aan't Daghet in den Oosten, Deel VII.

†Aankleeden: na gescherpt te hebben de molen wederom in orde brengen om beginnen te malen.
†Aanmalen: beginnen te malen, wanneer men gescherpt heeft, of liever nog, wanneer men een nieuwen molensteen gaat gebruiken.
Achterhekken: deel van 't zeilhekken van aan 't einde tot den buitenzoom. - Het achterhekken is grooter als het veurhekken.
Achtermeulen, achtermolen: de geheele toestel, die de achterste koppel steenen doet werken. - De achtermeulen kamt te vele.
Achterzoom: buitenste lat van het achterhekken van op en neer de zeile. - De breedte van eene zeile gaat van den veurzoom tot den achterzoom.
†Afzeilen: het doek van de roeien aftrekken en oprollen.
†As: boom uit de kap der molen, waar van binnen het kamrad en van buiten het kruiswerk of gevlucht aan vast is.
†Asbalk: een balk onder den assekop die zooveel als het oorkussen is waar de as op rust.
†Aspeluw: zie asbalk.
†Assekop: kop van de as buiten de molen, waar de borsten in komen.
†Baan: deel van den kop der as, met ijzeren schenen voorzien, dat in de baansteenen draait.
Baan, bane: het deel van de meulenasse dat aan de banesteenen raakt.
†Baansteen: de baansteen staat op den aspeluw; de baan van den as draait er in rond.
Banesteenen: steenen, daar de molenasse op draait en aan raakt. Ziet Bane.
†Bak: 1) de bak houdt het graan in dat gemalen wordt; 2) de hoeveelheid meel die dient om eens te bakken; gebakte in den Kempen, millooi in 't Haspegouw.
†Beel: hamer, dienende tot het schurpen van den molensteen.
Berriebalken, berriebolken: twee balken, die aan 't meulenkot vast zijn en een weinig of drij boven den zetel liggen. - Zij maken als 't ware eene berrie uit, waar heel 't meulenkot op staat.
Berrieboomen: zijn de boomen waar den bak op rust.
[p. 348]
Bete: de slete of uithaling in de lanteern-spillen door het aanraken van het kamwiel veroorzaakt.
Bezetheit, bezethout: stuk hout tegen de weg geplaatst om derwijze het uitvallen en omwijken te beletten. - Zonder bezetheit en zou de wegge niet vaste blijven.
Bijbank: bank die dient om den zak bij den graanbak op te zetten, tegen dat de bak ijdel is.
Binnenreep: reep, om de zakken binnen den molen omhoog te trekken.
Binnenroe(de): roe die naast het meulenkot is. - Ziet roe.
Blokken: stukken hout die op elken teerling liggen en waar dat de kruisplaten op rusten. - Wat hebben ze aan den meulen gedaan? - Nen blok vernieuwd.
Boezem(e): zwaar stuk hout dat rond de manen hangt. De boezem is vast aan den steenbalke en ondersteunt dezen.
†Borst: boom van eene veertig voet lengte, gewoonlik vierkantig gekapt of gezaagd, aan de twee uiteinden wat dunner, gewoonlik anderhalven duim gespannen. Zij komt op de helft door den assekop en steunt de roeien.
Bovenplate: Ziet kruisplaten.
Brugge: stuk hout dat over de ringkuipen ligt en waar de uiteinden van de tumelstokken alsook de deksels op liggen.
Buitenreep: reep, die al buiten den molen hangt om de zakken op te halen.
Buitenroe(de): roe die verst van het meulenkot is. - Ziet roe.
†Bus: gehold hout of ijzer dat in 't midden van den ligger onderwaarts staat.
†Daklijst: balk die tusschen het dak en de kas inzit; die de lijst vormt van het dak.
Daklijsten: twee balken, die evenwijdig zijn met de steenlijsten en waar de kepers van het meulendak op vaste staan.
Dammen: de stukken hout die in de bane der molenas liggen. - Ziet lemmers.
Draaien: werken met den molen. - Binst de hoogmisse en zal de mulder niet draaien.
Het draaiende werk: de verzamelinge van de beweegbare deelen des meulens, die binnen het meulenkot zijn.
De ezel van de pasbrugge: balk die gaar van links naar rechts en aan de eene zijde vastligt en al de andere zijde aan het konterijzer hangt. Op den ezel rust de pasbrugge.
Einde: vierhakige boom, die al den eenen kant vaste zit in de asse en ook tot beneden de zeile komt.
†Gek: ijzeren klink die in de kammen van het kamrad valt om het verkeerd draaien te beletten.
Gote: langwerpige neerhangende bak, waar het meel door zinkt.
Graanbak, groonbak: trechtervormige bak, daar men 't graan eerst in giet bij het malen.
Graanpere: koorde die van 't zijds aan 't graanbakske vast is en tot beneden komt. De mulder doet daardoor meer of min graan op de steenen komen.
Hake: verdund boveneinde van de stake, waar de manen rond liggen. 't Is om den hake dat heel het beweegbare deel van den molen op de stake draait.
Hake, houke: bovenste en vierkantig uiteinde van de pere, dat vast zit in den looper.
†Hals: deel van het onderijzer dat draait in de bus.
†Handboom: ijzeren steel waar men de molensteenen meê opheft.
Hangelheit, hangelhout: het rechtstaande stuk hout dat den steeger ondersteunt en daar de steert des molens op hangt.
†Hefboom: ziet handboom.
Heiter: het huizeken van voren aan den meulen, daar de zakken vooreerst ingeleid worden na het optrekken. - Van den trap tert men in den heiter en vervolgens in den molen.
Het hekken van de zeile: latwerk der zeile.
Hêrne: schuins afgewerkt, aan de zijden drijhoekig deel waarmeê eene steune of nen balk, in een ander stuk vaste zit.
Hoekstijlen: vier rechtstaande balken, waarvan een in elken hoek van den meulen, die vaste zijn aan de steenlijsten en aan de daklijsten.
IJzerbalke, ijzerbolke: balk daar het bo-
[p. 349]
veneinde van het staakijzer in draait en die op de daklijsten ligt.
†Kam: hout dat in het groot rad en daarna in het rondsel komt, en dient om den molensteen te doen draaien.
Kam van de gote: eene schuif met tanden aan, waar het meel binnen de gote op open valt.
Kam van het kamwiel: de tanden die aan het kamwiel zijn om de lanteern te doen draaien.
Kammen: het raken van den kam van het kamwiel aan de spillen van de lanteern des molens. - De voormeulen kamt te veel: de kam gaat te verre in de lanteerne.
Kammen van het sterrewielke: de tanden die er aan zijn om daardoor in beweginge gebracht te worden.
†Kamrad: het rad dat rond de as vastzit.
Kamwiel: groot en zwaar wiel, dat rond de meulenasse vastzit en dient om een koppel steenen, bij middel van zijnen kam in werking te brengen. - Men heeft een kamwiel voor elk koppel steenen,
Kêrboom: de kärboomen zijn 't zelfste als de berrieboomen.
Ketsen: rondrijden om zakken voor den molen bij te halen. - Ketsen en is nog zoo gemakkelijk niet.
Ketser: die rondrijdt om zakken voor den molen bij te halen. - Ne ketser moet dikwijls groote vrachten opnemen.
Kets(e)har(re): de harre die gewoonlijk gebruikt wordt om te ketsen.
Kets(e)ker(re): ziet kets(e)kar(re).
Kets(e)peerd: peerd dat doorgaans tot het ketsen gebezigd wordt.
Klamp(e): stuk hout, daar 't windberd aan vastgemaakt ofte vastgeklampt is en dat zoo het windberd belet te zinken. De klampe moest vernieuwd worden.
Klauwreep: reep, die rondom toe is en van boven over eene schijve van klauwen loopt. - Hij doet den buiten en binnenreep werken.
Kleen, klein bakske: bakske dat onder den den graanbak hangt en het graan laat tusschen de steenen loopen. - Wat scheelde er op den meulen dan? - Wel! 't kleen bakske van den achtermeulen was losgeraakt.
Kleppe: stuk hout dat men na het stille leggen des molens laat vallen tegen de kammen van het kamwiel om dus bij onweder of storm te beletten, dat de molen kunne averrechts of verkeerd draaien. - Wanneer dat stuk hout het kamwiel raakt, hoort men het tegen de kammen op en neder schokken. Dit heet men kleppen en vandaar de naam van kleppe.
Klepspaan: houten stoksken (er zijn er twee) van onder tegen het staakijzer gebonden, om den schoendel doen te kloppen.
†Klip: knapken hout dat op de sloten geslagen wordt om ze vast te doen blijven.
†Köning: rechtstaande boom of as, die van boven door 't rondsel gaat.
Konter-ijzer: eene soort van vijs, die beneden den ezel van de pasbrugge vasthoudt en dient om de meulensteenen min of meer nader een te doen komen. - Zou ik hier 't Fransche woord contre: tegen moeten in zien?
†Kroonrad: Een liggend rad waar de köning doorsteekt en in vastzit, en dat met zijne liggende kammen tegen een rondsel draait.
†Kruisplâ: de kruispladen (kruispâen), zijn de twee balken die kruiswegs overeen liggen op de teerlings, en tot voet dienen aan de molen.
Kruisplaten: twee balken die kruisgewijs overeen liggen en waarvan de uiteinden op de teerlingen vastzijn. Te midden de platen, juist in 't kruis, staat de stake. Men onderscheidt de bovenplate en de onderplate.
†Kuip: het omhulsel van den molensteen, in vorm van kuip die in vieren gedeeld zou zijn.
Kuip(e): ziet steenkuipe.
Kuipe: kuip waar de mulder het meel in stort, dat hij schept.
Kurten, korten: de zeilkleeden wat oprollen. - 'k Zal moeten beneên gaan om te kurten.
Lanteerne: toestel op gewijze eener lan-
[p. 350]
teerne, dat van boven op het staakijzer vast is en dat door het kamwiel in beweging gebracht wordt.
Lanteernschijven: twee ronde stukken hout, die niet slecht op schijven gelijken en het onder- en bovendeel der meulenlanteern uitmaken.lb/>
Last: is eene andere benaming voor einde.
Lemmers: de platte ijzeren staafkens, die in de bane der as liggen. - Na elken lemmer ligt er 'nen dam. - Ziet dit woord.
Lene van den Steeger: de leuning ter zijde.
Letsen: touwkes die het zeilkleed vastmaken aan 't einde.
†Licht: lederen riem die over den lichtboom gaat,
†Lichtboom: voorzien van den haal, dienende om het vonder op en af te bewegen en om den looper te lichten naarmate de molen draait.
Lieswegge: wegge die tusschen den assekop en den pestel vaste plaatst.
†Ligger: zoo noemt men de onderste meulensteen, om reden dat hij vaste ligt.
†Lijk: koord waar het zeildoek ingenaaid is.
Lip(pe): het deel van 't einde dat binnen den assekop komt.
Lipwegge: wegge die ten zijde tegen de lippe zit. - Eene lipwegge was losgekomen.
†Lits: koordeken in de lijken, langs den weiboom vastgemaakt en in de kappekens gehangen om de zeilen vast te zetten.
†Looper: bovenste meulensteen, hij loopt of draait en maalt.
†Looper: ziet ligger.
Loopketen: de keten die aan het windas des molens vast is en dient om den molen te helpen verdraaien of keeren. (Vergelijkt loopstokken).
Loopstokken: de twee stokken, die als schoren dienen rechts en links van het hangelhout. - Wanneer de meulen moet gekeerd worden, zijn zij de eerste die moeten loopen of van plaats veranderen.
Luiaske: kleine as, die dient om de zakken op te halen.
Luie: ziet luiaske.
Luihuizeken: dat vooruitkomende kapke van voren aan den meulen, heel van boven, waar het uiteinde van het luiaske onder komt.
Luikoorde: eene koorde die vast is aan de wippe en die dient om deze te doen opluiden.
Maalzolder: planken vloer, waarboven 't malen gebeurt en waar de mulder de zakken legt, weegt en afdoet.
Manen: twee koperen of metalen stukken, als 't ware, twee ringen met breeden rand, die rondom den hake der molenstake tegen elkander draaien. De onderste mane ligt vast op de stake en de bovenste is aan den steenbalke vastgemaakt.
Meelbak: bak daar de meelgote langs door ligt.
†Meelbak: bak waar de zak wordt aangehangen.
†Meelgoot: de houten buis waardoor 't gemaal in den zak glijdt.
Meelgote: ziet gote.
Meelkuipe: ziet kuipen.
†Meelschoep: schepper om het meel op te scheppen.
Meelschuppe: schuppe daar den mulder meel mee schept.
Den meulen volleggen: de vier zeilkleeden heel en gansch op de zeilhekkens openspreiden. - We gaan werken van den achternoen; ge moogt den meulen volleggen.
Meulennagel, molennagel: soort van taaie, platte nagel met ne goeden kop. - De mulder vrieg ne kilo meulennagels.
Meulensteeger: trap al waar men op den molen gaat.
Mirrenstijlen, middenstijlen: vier opweertsgaande stijlen, waarvan twee in den midden van elke zijde, die de uiteinden van den steenbalke insluiten. 't Is hierdoor dat het heele meulenkot met den steenbalke rond de stake draaien kan. Voor midden zegt het volk dikwijls mirren.
†Monster: zeker gewicht verschillende van streek tot streek, dat men van 't meel afneemt als loon voor 't malen.
[p. 351]
†Monsteren: den loon van den zak afnemen.
Molendam, meulendam: heuvel waar de molen op staat. - De zakken lagen op den meulendam, Kram. zegt molenberg en Schuerm. molenwal.
Molenkot, meulenkot: het beweegbaar deel des molens, waarbinnen men maalt en werkt. - Het bestaat uit het vorendeel, het achterdeel of achtergetrek, de twee zijden, de zoldering en het dak.
Molensteenen, meulensteenen: steenen waartusschen het graan gemalen wordt.
Muizela(a)r(e), muizele(e)r(e): stijl die te midden de windwee van beneden tot aan de asse staat en te wege brengt, dat de meulen muizelt.
Muizelen: het muizelen van den meulen bestaat hierin, dat de baan, door de wieken in 't draaien beschreven, niet evenwijdig en is met de windwee, maar wel met die 'ne scherpen hoek vormt. - Hoe meer 'ne meulen muizelt, hoe beter hij draait, zeggen de muilders.
Multer: meel dat voortkomt van hetgeen de mulder als maalloon van de zakken nemen mag. - Ik ga ne kilo of tien multer vragen.
Multeren: de maalloon van het gemale afnemen. - De mulder mag den zak multeren.
Multerschup(pe): schuppe waar men meê multert. - Zie meelschuppe.
Neep, nepe: stukske hout, dat tegen eene uitholinge van den meulenwand past en dat dient om den klauwreep te houden of vast te nijpen. - Van daar de naam nepe.
Noot, note: bloksken hout, dat den ijzerbalke uit en in kan, en dat dient om het staakijzer in den ijzerbalke te doen vastzitten.
Ondermolen, ondermeulen: onderste afdeelinge van het meulenkot, beneden den maalzolder.
Onderplaten.: ziet kruisplaten.
Ontzeilen: de zeilkleeden toerollen. - Jan zal den meulen ontzeilen.
Ontzeilhaak: haak vastgemaakt aan het ‘einde’ om bij 't ontzeilen de zeilkleeden in vast te leggen. - 't Zijn er zoo verscheidene. - Ziet ontzeilen.
Oor(e): uiteinde van ne stijl of balk die door nen anderen zit, dat al den buitenkant dezes anderen zichtbaar is. 't Is door de ooren dat de sleutels gesteken worden. - Ziet sleutel.
Opluiden: optrekken. - De zakken opluiden.
†Opzeilen: het doek op de roeien openen.
Paalwegge: de wegge die in den assekop het einde op den pestel gesloten houdt. - 't Was eene paalwegge uitgevallen.
†Pal: 't zelfste als gek.
†Pan: ijzeren plaat die in het vonder staat, en waar het onderijzer in draait.
Pasblok: blok hout, die in de pasbrugge zit en die moet kunnen om en weer schuiven om de steenen overal evenwijdig te houden of ze te passen.
Pasbrugge: brugge, of kort stuk hout, dat al den eenen kant vaste ligt en al den anderen kant op den ezel rust. De pasbrugge dient om de steenen in pas te houden; 't is te zeggen, zoodanig, dat de bovenste steen overal evenver van den ondersten zij.
Pere: ijzeren staaf in den vorm eener peer, die in den speurpot draait, al door den ligger gaat en van boven vast zit in den looper.
Pestel: vierhoekige boom, waar het einde binnen den assekop op vereenigd en aan vastgehecht is. - Ne pestel is nen eekenen boom.
Pierhaak: haak waar men zeilen meê neertrekt, wanneer de molen niet en draait.
Pinneband: balk die achter den binnebalke ligt. - 't Is door het steken of wegtrekken van spieën tusschen den pinneband en den pinnebalke, dat de asse vooruit of achteruit kan gaan. - De pinneband immers ligt onbeweegbaar, terwijl de pinnebalke vooruit en achteruit schuiven kan.
Pinnebalke: balk, die van boven in 't vorendeel van den meulen ligt en waar het uiteinde of de pinne der meulenasse in draait.
Pinnesteen: steen in den pinnebalke gelegen, daar de pinne der as in komt.
[p. 352]
†Pot: klein rond putteken in de pan, daar de pin van het onderijzer in ronddraait.
Poupen, papen: de staken die rondom den molendam in den grond steken om de loopketen aan vast te leggen bij het keeren van den molen.
†Prangbalk: 't hout dat de prang doet werken, openen en sluiten.
Puien, puiten: houten haakskes in den vorm van nen zittenden puit of kikvorsch die aan 't einde vast zijn en waar men de letsen in legt.
Rene: zwaar rechthoekig stuk ijzer met vertakkingen aan, dat midden den looper vaste ligt. De hake van de pere sluit er in.
Renetakken: de vier vertakkingen op de vier hoeken van de rene.
†Ring: de plaats tusschen den looper en de kuip in.
Ring: ziet steenring en steenkuipe.
Ringhout, ringheit: ringvormig hout, daar de onderste steen of de ligger stevig in vaste zit.
†Ringmeel: meel dat rondom den steen in de kuip is gevallen.
Roe(de): de vereeniging van ne pestel in de twee einden, die in den assekop tegen elkaar stooten. Men onderscheidt de binnenroe en de buitenroe.
Eene roe bloot trekken: op eene roede het zeilkleed oprollen. - We gaan eene roe bloot trekken.
Eene roe t'halven trekken: op ééne roede 't zeilkleed ne merkelijken eind verre opvouwen. - De mulder moest eene roe t'halven trekken.
Eene roe op de koorde trekken: het zeilkleed eener roede bijkans heel en gansch opvouwen. - We zullen eene roe op de koorde trekken.
Eene roe tipkes trekken: is hetzelfde als eene roe tippen trekken.
Eene roe tippen trekken: de zeilkleeden eener roede elk een weinig opvouwen. - Jan vergeet niet eene roe tippen te trekken.
Roegewand: de twee roeden des meulens. Elke roe heeft twee einden of lasten, die op ne pestel vereenigd liggen; dus bestaat het roegewand uit twee pestel en vier einden.
Rok: het buitenste, als 't ware, neerhangande deel van 't meulenkot.
Rokken: men zegt de meulen is kort gerokt, als wanneer 's molens wanden niet verre beneden en komen, en, de meulen is lang gerokt, in het tegenovergestelde geval.
†Rondsel: 't rad dat op het staakijzer vast zit en door het kamrad in beweging gebracht wordt.
Scheên, scheeden: dwarslatten van het hekken. -'tWaren twee scheên in 't veurhekken gebroken.
Scheppen: zie multeren. De mulder schepte zeven kilos van éénen zak!
Scheut, scheute: plank die van 't windberd deelmaakt. - 't Moet eene andere scheute op 't windberd geleid worden.
Schieten: verschuiven, verschokken bij 't draaien des molen ('t wordt van den pestel gezeid, wanneer hij niet wel vast en zit in assekop). - De pestel schiet, we zullen den meulenmaker moeten doen komen.
Schouderinge van de rene: de twee zware stukken ijzer, die boven op de rene liggen.
Schuive: oogvormig, waar de meelschuppe in gesteken wordt, nadat zij gebezigd werd.
Slagkoorden: koorden of touwen die van het achterhekken naar het midden des hekkens komen en zóó het zeildoek opspannen. - De mulder moest de slagkoorden vernieuwen.
†Slek, de: de slekken zijn twee plaaien, de gedaante van eene slek hebbende, die van onder tegen den kast der molen een weinig op den zetel dragen.
Slekhouten, slekheiten: twee stukken hout, die van onder aan de berriebalken vast zijn en bij 't verwinden lichtekes tegen den zetel wrijven. 't Is om den meulen het zinken te beletten dat de slekhouten dienen.
Sleks-geven (uitspr. sleks geên): den meulen bij middel van slekhouten verhoogen.
Sleutel: stuk hout dat gesteken wordt door het uiteinde van nen balk, die dwars door een ander stuk uitkomt, ten einde het terugschuiven te beletten.
[p. 353]
Slingerstok: plat stuk van boven aan eene zeil, waar de zoom van de nabijzijnde zeil doorschuift om alzoo meer vastheid aan de zeil te geven. - De slingerstok hing gebroken.
Sloten: 1) stukken hout, die tusschen de pasbrugge en den ezel gestoken worden; 2) stukken hout, die dienen om den pasblok te doen verschuiven.
Snokpeze, snokpees: koorde die van onder vaste is aan een stuk hout om den klauwreep tegen den meulenwand te nijpen. Als de mulder aan die koorde trekt, snokt hij zóó dat stukske hout weg, en de klauwreep kan werken. - Ziet nepe.
Spankoorde: koorde, die 't klein bakske ophoudt en al over de ringkuipe gaat.
Speurpot: ijzeren potje, daar de pere in draait.
†Spil: ijzeren of houten staven die in het rondsel komen, heeten de spillen.
Spillen: de harde rollekes hout der lanteerne van den meulen, daar de tanden van het kamwiel tegen komen.
Sprang(e): ijzeren ooge, daar de vange meê aan het vangebalkske vaste ligt. - De sprange doet de vange, bij het loslaten, opspringen. - Vergelijkt het klankenwisselen in springen, sprong, sprang, sprange.
Staakijzer: zwaar rechtstaande ijzer, dat den looper in beweging brengt.
Staander, staner: platgemaakt stuk hout, dat tegen het bezethout geplaatst is om derwijze het omwijken te beletten. - 't Was ne staander los gekomen.
Stake: zware boom die heel en gansch het beweegbaar meulenstel draagt en op het midden van de kruisplaten met vier pooten pal vaste staat. Opdat de stake niet rechts noch links en zou weg kunnen, steken er sleutels ter zijde door de kruisplaten.
†Standaard: rechtstaande boom waar de geheele molen in hangt.
†Steenbalk: balk die op zijn breeds door den molen gaat, die op den standaard rust en het steenbed ondersteunt.
Steekbanden (van steken: steunen): acht balken die van op de kruisplaten schuins omhooge gaan. - De vier binnenste steken in de stake en de vier buitenste zitten vast in den zetel van den molen, alle met nen herne
Steekbanden: schuinsstaande stijlen die kloekte geven aan de meulenzijden en vaste zitten van boven in de daklijste, en van onder òf in nen middenstijl, òf in nen hoekstijl, òf in de steenlijste.
Steenbalke, steenbolke: overgroote balk waar de molensteenen boven rusten.
Steenbedde: de vereeniginge van balken, waar de molensteenen op rusten. - 't Er is een steenbedde voor ieder koppel steenen, en de steenbeddens rusten op den steenbalke.
Steenkuip(e): ronde kasse of kuipe, daar de bovenste steen of de looper in draait. - Men zegt ook steenring, of kortaf ring, kuipe.
Steenlijsten: twee balken die van end tot end den meulen gaan, de een rechts en de andere links, en rustende zijn op 't uiteinde van den steenbalke.
Steenring: ziet steenkuipe. - De toestel gelijkt een ring inderdaad.
Steenzolder: de vloer of zolder, waar de meulensteenen op liggen.
Steert van den meulen: het toestel dat van onder aan het meulenkot vast is en dwars door den meulensteeger komt. - 't Is bij middel van den steert dat de molen gekeerd wordt.
Steerteling: kort touw aan het zeilkleed gehecht en dienende om dit kleed vast te leggen. - 't Zijn verscheidene steertelingen aan een zeil. - Ziet zeilkleed.
Steert der vange: uiteinde der vange, dat aan den vleger gehecht is.
Sterrewielke: een wiel daar het luiaske doorgaat, en dat dient om het luiaske te doen werken. - Door zijn maaksel en gelijkt het niet slecht aan eene sterre.
Steun(e)balken: balk die ook op de daklijsten ligt en waartegen de ijzerbalke met eene schore steunt.
Stormband: breede ijzeren band, die rond de stake gaat en al den eenen kant vastgemaakt is aan boezem en steenbalke. In geval
[p. 354]
van harden wind of storm dient hij tot verzekeringe des molens.
Teerlingen: de vier zware muursteenen, in den vorm van teerlingen, daar de molen op staat. - Het was nen teerling uitgebrokkeld, de metser moest komen. Tuerlinckx heeft ook dees woord.
Trapke: getand stuk hout, dat al weerskanten van het bakske ligt en dat dient om het klein bakske te verhoogen of te verleegen.
Tremelstokken: twee stokken die schuins en stil liggen en den graanbak dragen.
Vang(e): plank, die stropsgewijze rondom het vangwiel gaat en dient om den meulen in het draaien te bedwingen.
Vangebalkske: balkske waar de vange, bij haar begin, met eene ooge aan vastligt.
Vangehaak: berd of plank, daar eene greît ingezaagd is en zóó als 't ware eenen haak vormt, daar de vangevleger in ligt.
Vangevleger, den: zware balk, die vast is aan den steert der vange en dient om den meulen stille te leggen. 't Volkt zegt vleger voor vlegel.
Vangewiel: kamwiel daar de vange rondom sluit.
Vangewinde: eene winde daar men de vange meê in werkinge brengt. - Men zegt ook enkel winde. - De winde was gebroken.
Vangezeel: reep, dien de mulder bezigt om de vange te doen werken en die al over de winde gaat.
Vermangelen: verwisselen tegen mulder. 't Is windeloos, ik ga een vijftig kilos graan vermangelen.
Verstuiven: door het stuiven verliezen. Op 40 kilos hield de mulder nen halven kilo af voor 't verstuiven.
Veurhekken, voorhekken: deel van 't zeilhekken van aan 't einde tot aan den binnenzoom.
Veurmeulen, voormolen: de geheele toestel, die de voorste koppel steenen doet werken. - De veurmeulen kamt te letter.
Veurzoom, voorzoom: eindlat van het voorhekken van op en neer de zeile. - De vèurzoom was gebroken.
Viere t'halventrekken: op de vier einden des molens het zeilkleed eene merkelijke lengte opvouwen. - 't Waait te stijf: toe! laat ons viere t'halven trekken.
Viere tipkes trekken: alle vier de zeil-kleeden een weinig opvouwen. - We zullen viere tipkes trekken, eer dat we beginnen te werken.
Viere tippen trekken: ziet viere tipkes trekken.
Viere op de koorde trekken: eene roe op de koorde trekken doch op de vier einden.
Vorke: benedendeel van het staakijzer in den vorm eener vork, dat sluit tusschen de stukken van de schouderinge der rene.
Werveling: toestelleke, bestaande uit een stukske hout dat rond ne nagel draaien kan - dat dient om 't windberd in 't voorhekken te houden. - 't Brak ne werveling, binst dat men 't windberd plaatste. - Ziet windberd en voorhekken.
Wervelingske: ziet wervelinge.
Windberd: planke die het voorhekken bedekt en van verscheidene stukken is.
Winde: ziet vangewinde.
Windeloos.: 't Is windeloos: er is geen wind. - 't Is droevig voor ne mulder, als 't zoolange windeloos is.
Windwee: het achtergetrek des meulens, of die kant, alwaar de wieken of zeilen vóór draaien, en waar altijd diensvolgens de wind op blaast. Ziet windweeg bij Schuerm.
Wip(pe): balkske dat het luiaske doet omhooge gaan tot tegen het kamwiel des molens en het derwijze in werkinge doet komen.
Zakhaak: haak daar de zak binst het malen aan vaste hangt van onder aan de meelgote.
Zeilhekken: het hekken der zeile.
Zeilkleeden: de kleeden of lakens die op de wieken des molens gespannen worden.
Zeilen: de wieken van den molen. - 't Was eene zeile gebroken: de zeilkleeden. Ziet dees woord.
Zetel: vierkante lijst, bestaande uit vier stijlen, die met ooren door elkander zitten, en met zwaluwsteerten stevig rond de stake sluiten. De zetel maakt dat het molengestel
[p. 355]
rond de stake noch leegen, noch hoogen en kan. - Bij middel van de twee zetelbalken of berriebalken draagt hij de zoldering des molens.
Zwalmsteert: ziet zwaluwsteert.
Zwaluwsteert: min breede deel van nen balk, waar deze in nen anderen balk mee vaste ligt en dat ter zijde afgewerkt is tot den vorm van ne zwaluwsteert, d.i. op gewijze van een trapezium, waarvan de lengte der evenwijdige lijnen van boven is en de kortste van onder tegen het breedere deel van den vastliggenden balk. De zwaluwsteert belet teenemaal het vóór- en het achterweerts schuiven. - Vergelijk Schuermans' Idioticon.

De nieuwere meelfabrieken werken, vergeleken bij de oude geslepen molensteenen, tienmaal zoo geleidelijk en volmaakt. Maar nam het oude onvolmaakte ambacht: het heele zieleleven van den molenaar in beslag, waarbij het rekenen met tij en ontij, slappen en sterken wind, vaak iets groot-menschelijks aanbracht in karakter en berusting; thans is daarvan in de fabrieken eigenlijk niets meer over. De chef-molenaar (Obermüller), en twee ondermolenaars zijn geschoold in het nieuwe vak, terwijl hun 40 à 60 helpers louter handlangers of machinisten en timmerlieden zijn, die niets meer van de vaktaal kennen.

32. De bakkerstaal. 420/30

A. De Bakkerij. P. de Jong, Bolsward 20/7. - Bakkers-Bondscourant. Heerengracht 89, Amsterdam x/x. - De Banketbakkerij. N.-Z. Voorburgwal 271-73, Amsterdam 10/7. - Consudel (cacao, chocolade, suikerwerken en delicatessen.) van Breestraat 155, Amsterdam 3/30. - Nederl. Advertentieblad voor brood-, koek- en banketbakkers, Tasmanstraat 64, Den Haag x/x. - Nederlandsche Bakkers-Courant. Mij. ‘De Brakke Grond’, Amsterdam 20/3. - De Belgische Bakker. Timmermans-Deknop, Leuven 15/30. - De Bakkerij en aanverwante nijverheden. Cirkelstraat 27, Ostende x/7. - De Bakker. L. de Plancke-Welvaart, Brugge x/7.

B. De Bakkersbazuin (v. bakkers, chocolade- en suikerbewerkers) Bingleystraat 58, Rotterdam x/30.

C. Ons Vakblad (v. bakkers, cacao-, chocolade- en suikerbewerkers.) Woeldijkstraat 15b, Rotterdam x/14. - Ons Orgaan (Verbond der voedingsnijverheid.) Kogelstr. 7, Brussel x/30.

D. De Bode (v. arbeiders i.h. bakkers-, chocolade- en suikerbedrijf.) De Genestetstraat 8, Amsterdam 20/14.

A. Falli: De hedendaagsche Banketbakker4, Rotterdam z.j. 1914. - J. Gouffé: Het boek der banketbakkerij, Rotterdam 1894. - H. Gouverneur: De Gids. Practisch handboek voor elken bakker, Veendam 1892. - Jac. Güth: De moderne banketbakker, Veendam 1910. - Jacques: De concurrent koek- en banketbakker. Een vraagbaak voor patroons en bedienden, Rotterdam 1909. - Het bakkersbedrijf te Amsterdam. Rapport eener gemeentelijke commissie 1908. - De toestand der Cacao-, Chocolade- en Suikerwerkers te Amsterdam. Rapport eener gemeentelijke Commissie 1906.

 

In de oude bakkerijen, gelijk er trouwens nog zeer veel bestaan, was de ovenist meesterknecht; voor al het overige zorgden de bakkers, waarvan de beste ook den ovenist konden vervangen. De machinale brood- en biscuitfabricatie heeft ook hier een heele omwenteling gebracht in het bedrijf. Deeg maken doen thans de kneedmachines, die ook meel, melk, zout en gist wegen. De voorman regelt de vorming van het brood onder de bankwerkers, de schaal-

[p. 356]

man weegt en geeft het aan de eigenlijke opmakers. Een aparte groep bedient de ovens. Sommigen doen niets dan inschieten, anderen niets dan uithalen, nóg anderen eindelijk rijden de karretjes met de broodvormen af en aan, en reinigen die vormen. Hoe meer de broodfabriek zich uitbreidt, des te minder gelegenheid is er: om volledige vakkennis op te doen. De bazen en meesterbakkers worden dan ook uit het kleinbedrijf gerecruteerd, of genomen uit de vakschool te Wageningen. Vroeger werd het brood door de bakkersknechts zelf aan huis bezorgd. Thans is dat afwisselend wandeltochtje, voor bijzondere broodbezorgers en straatknechts: tot een vervelend wagensleepen geworden.

De biscuitfabrieken hebben zich nog automatischer ontwikkeld. Hier is eigenlijk alleen de chef nog een geschoolde bakker van z'n vak. Bijna al de overigen zijn ongeschoolde krachten. Toch blijft er, volgens de berichten van althans ééne fabriek: de belangstelling der arbeiders voortdurend gaande. De verscheidenheid der verschillende soorten van koekjes! trekt steeds hun aandacht op de uitkomsten van het proces! Sic. Wij denken bij het oplossen der sociale vraagstukken niet genoeg, geloof ik, aan de kleinheid van den mensch.

Vroeger was het verwerken van chocolade en suikerwerk: een onderdeel van het banketbakkersbedrijf. De eerste bediende was meestal de aangewezen man voor het chocoladewerk; wie van de anderen het handigst was, mocht hem 't meest assisteeren, en ook het eerst zelfstandig werken. De jongen moest het door afkijken tot 3den, 2den en ten slotte tot 1sten bediende zien te brengen. Hier en daar komt dat nog voor. Maar de fabrieken hebben ook hier, van 't maken van flikjes tot de fijnste tabletten en pralines toe, bijna reeds het monopolie in handen. Hier wordt echter nog steeds tamelijk veel van den werkman gevorderd, vooral voor het décor en het officewerk: hij moet tot op zekere hoogte artiest zijn. Maar voor opleiding is op de groote fabriek geen plaats meer; alleen, indien de arbeider op de kleinere fabrieken werk zoekt, en zoo mogelijk, gedurende de eerste jaren, dikwijls van patroon verwisselt, kan hij het tot bekwaamheid in zijn heele vak brengen. Op de eigenlijke cacao- en chocoladefabrieken, die zich uit de oudere cacaomolens ontwikkeld hebben, zijn zeer kostbare machines: weer bijna al het geschoolde handwerk komen vervangen. De eigenlijke molenaars hebben nog hun volle vakkennis noodig, de brekers hebben verantwoordelijk werk, waar echter geen vakopleiding voor vereischt wordt. Van de bazen wordt volledige bedrijfskennis gevorderd. Maar deze allen met de machinisten en andere ambachtslieden te zamen: brengen het niet verder dan tot 16% geschoolden, 19% getrainden. De rest is weer heel en al ongeschoold. Verarming van vaktaal is natuurlijk het slot.

33. De taal van handelsreizigers en -bedienden. Cf. 3de Hoofdst. 386/30.

A. Bondsorgaan (Ned. Bond v. Handelsreizigers), B.v.d. Kamp, Groningen 20/15. - Eendracht (Rotterd. Handelsreizigersvereeniging), Wijnhaven N.Z. 101, Ibid x/7. - De

[p. 357]

Handelsreiziger (Ned. H.-Vereeniging), Schiekade 185, Rotterdam 20/7. - De Handelsen Kantoorbediende (Federatie), N. Maters, Zaandam x/x. - Maandblad ‘Ons Orgaan’ (Zaanl. Kantoor- en Handelsbedienden), C. Huig, Zaandam x/30. - Mercurius (v. Handels- en Kantoorbedienden), Ged. Glashaven 7, Rotterdam 20/7. - Het Handelsonderwijs (Handelsleeraren), Linnaeusstraat 47, Amsterdam x/x. - Handelsstudie, v.d. Laan en Co., den Haag 11/15. - Maandblad voor het Boekhouden en aanverwante vakken, G. Delwel, den Haag x/30.

B. Ons Beginsel (Christl. Kantoor- en Handelsbedienden), Allard Piersonstraat 19II, Amsterdam 19/15.

C. De R.K. Handelsreiziger, Diergaardelaan, Rotterdam 20/7. - Het R.K. Beginsel (Handels-, Kantoor- en Winkelbedienden), Smidstraat 152, den Haag x/30. - St. Christophorus, Orgaan Ned. Bond v. R.K. Handelsreizigersvereenigingen, Orthenstraat 13, den Bosch 1/30.

D. Onze Strijd (Handels- en Kantoorbedienden), Reguliersgracht 80, Amsterdam 9/14.

34. De taal van kleermakers en manufacturiers. 174/30

A. De Confectie (Heerenconfectie), Zuylichemstraat 6, den Haag x/30. - Desterbecq's modejournaal voor Heeren, Gebr. Belinfante, den Haag x/30. - De Kinderkleeding, H. Roelants, Schiedam x/30. - De Kleermaker, Zusterstraat 35, den Haag 6/30. - Het Maandblad voor Kleermakers en Coupeurs (Engelsche modes), Haringsvliet 61, Rotterdam 8/30. - De Manufacturier, Heerengracht 255, Amsterdam 20/15. - De nieuwe Manufacturier, v.d. Stal en Groenewegen, Utrecht x/14. - De Nederl. Hoedenwinkelier (hoeden en pettenvak), Kalverstraat 100-02, Amsterdam x/30. - De Nederlandsche Kleederindustrie, C. Misset, Doetinchem 20/7.

B. De Kleermaker (Christelijk Vakblad), Prinsengracht 200 Amsterdam x/x.

C. De Ned. naaisters- en kleermakerscourant, Reitzstraat 271, den Haag x/30. - De Belgische kleernijverheid, Nationale straat 119 Antwerpen 10/30.

D. Het Kleedingbedrijf. (Mannl. en vrouwl. arbeiders i.d. kleedingindustrie), Weteringschans 179, Amsterdam x/14.

Holemans: Vlaamsche knipmethode voor de kleermakers 1904. - C. Hoogendoorn: De coupeur. Handboek voor coupeurs en kleermakers, Leiden 1906. - J. Roelans: Wetenschappelijk Handboek voor naaiers (Vlaamsch) 1910. - De kleedingindustrie in Amsterdam. Rapport eener gemeentelijke Commissie 1900 - Veritas: Weg met de huisindustrie. Uitgave van de Kleermakersvereeniging ‘De Ster’ te 'sGravenhage 1909.

 

De ouderwetsche kleermaker was een type van belang. Met de beenen gevouwen op zijn tafel gezeten, heerschte hij als philosoof over dorp en stad. Het betrekkelijk lichte naaldwerk scheen zijn hersenen ten goede te komen, en vooral de droge humor ontwikkelde zich soms kostelijk. Nog iets hiervan hooren wij in het nog heden te Arnhem bekende liedje: ‘Ik ben een snijder kakadoe - De wereld door gedwaald - Van 't werken word ik nimmer moe - Een held ben ik met de naald - En ik reis door Holland, Oost en West - In Amsterdam bevalt 't me best - Al om de balie van..’. Verder reikt het geheugen niet meer van het hedendaagsche geslacht. Wat wij voor den tegenwoordigen tijd daartegenover kunnen stellen is bijna niets dan degeneratie. Weer te Arnhem prevelen thans de drinkebroers onder de kleermakerknechts

[p. 358]

het volgende (met permissie): ‘Schiedam Schiedam gij Nazareth - Gij die zoo menig mensch verplet - Het doet je beven, het doet je trillen, of dat je van de koorts bent belaân - Je kunt op je beenen niet meer staan - En dan zeggen ze nog: vervloekte hond - Wat doe jij met zooveel jenever in je k.: - Dit zijn de woorden die staan bescheten en bespogen - In het boek der hemden - 't Vierde hemdslip, 't vijfde tot 't zesde knoopsgat - Beminde drinkebroer - Voor vijf cents hij-j'een vol glas in café Coers -’. Waaraan is dat te wijten? Wij moeten hier vooral het maatwerk van de confectie onderscheiden. Reeds voordat de confectie haar intrede deed, was in het maatwerk de arbeidssplitsing begonnen. Er werden toen reeds grootwerkers, broek- en vestenmakers onderscheiden. Ook de opleiding van den leerling had bij den maatwerker reeds veel geleden. Deze moest, tijdens de telkens kleiner wordende perioden van drukte, buitengewoon hard werken, en dan was de leerling een welkome hulp voor het gemakkelijke werk. Was de drukte voorbij, dan werd gewoonlijk het jong maatje weggezonden. In korte jaren nam echter de confectie een hooge vlucht. Zonder fabriekproductie of machinerie trad hier de uiterste arbeidssplitsing in. Hier juist kon de hulp van jongens blijvend voordeel opleveren. Hoe grooter hun aantal werd, des te meer kon ook de arbeid worden gespecialiseerd: na zeer korten tijd bezitten zij de vereischte vaardigheid voor één onderdeel, maar verder komt hun kunnen niet, en zoodoende zijn ze voor heel hun verder leven aan de confectie vastgeketend. Bij hen voegen zich een deel der oude maatwerkers, die geen werk meer vinden, en in den laatsten tijd zeer veel vrouwen en meisjes. Natuurlijk gaat de splitsing het verst in de en-gros fabricage der mindere soorten. Hier is slechts één coupeur, die eigenlijk het vak moet verstaan, op ca. 100 werklieden. En al die anderen zijn z'n handlangers, die zonder hem niets vermogen. Naast deze confectiezaken kwam nu nog de confectie-fabriek met haar machines. Zij vervaardigen tot dusverre alleen werkbroeken, werkjassen, werkkielen, boezeroens, sporthemden en wollen kinderpakjes, bloesjes en broekjes. Maar dit is reeds een groot stuk, dat in de laatste 10 jaren op de huisindustrie veroverd werd; en het laat zich aanzien, dat deze verovering aldoor verder zal gaan, daar het handwerk aan dien prijs: nooit dien glans van afwerking geven kan. Welnu op de confectiefabrieken gaat zoo goed als alles machinaal, tot knippen, knoopsgaten maken, knoopen aanzetten, borduren en stikken toe. De meeste meisjes zitten hiertoe aan een soort naaimachine, waarvan ze niets begrijpen, maar die ze toch heel vlug kunnen bedienen, en dat is genoeg. Ik had eens de gelegenheid de ontboezeming van zoo'n meisje te hooren, dat om meer te verdienen voor haar ouders, van dienstbode weer confectiemeisje worden moest. Ze kende het werk, want ze was er vroeger al geweest, maar ge hadt die klachten moeten hooren.

[p. 359]

35. De taal van modisten en naaisters. Zie dl. I blz. 532 en nr 34 198/30.

A. De Gracieuse, Sythoff, Leiden 20/15. - De Koningin der modebladen, Sythoff, Leiden x/30. - De laatste mode, E. Bosch J Bzn, Nijverdal x/15. - Het nieuwe modeblad. Uitgeversmij ‘Neerlandia’, Utrecht 14/15. - De modiste (voor hoedenzaken), H. Stadermann, Baarn 4/14. - De Vrouwenwereld (Modegids), H. Roelants, Schiedam 20/7. - Weldon's Damesblad (Engelsche modes), Zuylichemstraat 6, den Haag x/15. - Centrale Modegids. C. Misset, Doetinchem 2/30. - De Kinderkleeding, H. Roelants, Schiedam 20/30.

C. Met naald en draad (v. naaisters en borduursters), Pastorijstraat 23, Antwerpen 5/30.

S. Comender: Het dames- en kindercostuum. Handleiding tot het maatnemen, knippen en vervaardigen, Rotterdam 1909. - De Huisnaaister. Practische handleiding bij het vervaardigen van bovenkleeding voor dames en kinderen, Leiden 1910. - Modelboek voor costuumteekenen (voor dames) Amsterdam 1897. - H. van Wessem: Ik kan kostuumnaaien. Geïll. handboek, Leiden 1908.

 

Het aantal costuumnaaisters is in de laatste dertig jaren sterk gestegen. Vroeger werd de damesbovenkleeding in alle burger- en arbeiderskringen: in het gezin zelf met behulp der huisnaaister gemaakt. Thans heeft de vrouw daar geen tijd meer voor, zij zoekt haar kostwinning buitenshuis, en kan niet meer naaien dikwijls. Bovendien zijn de eischen der ijdelheid veel hooger geworden. Wie die geen deskundige in dameskleeren is, kan 's Zondags aan het kleed nog het dienstmeisje van de Mevrouw onderscheiden? Welnu, deze vermeerdering van productie bracht natuurlijk weer de splitsing van arbeid. De patrones knipt en past. Gewoonlijk zijn er een of twee naaisters, verder leermeisjes: tot 20 toe. Het is er echter verre van af, dat deze laatste het volledige vak leeren. Gewoonlijk brengen zij het niet verder dan tot eenige bedrevenheid in het naaien, het opleggen van garneering enz. Ook in de ateliers der modemagazijnen: is de arbeidssplitsing reeds zoo ver mogelijk doorgevoerd.

De lingerieconfectie wordt deels door thuiswerkende stuknaaisters, deels op fabrieken vervaardigd, die tot 500 meisjes aan het werk hebben. De vak-kennis speelt hier een nog geringere rol. Van een behoorlijke opleiding is geen sprake, en bij het verlaten der fabriek is deze naaister dan ook nog volstrekt niet in staat: tot het naaiwerk van een gewone huismoeder. Vandaar ontstemming bij de leerlingen, die telkens van werkplaats veranderen, om te zoeken, of elders iets meer te leeren is. Maar overal worden zij slechts op één onderdeel getraind. De eentonigheid, en zooveel grootere inspanning, maakt een korteren werktijd noodzakelijk. Bovendien moeten nieuwelingen vaak het werk op groote fabrieken na een paar weken opgeven, wegens voortdurende hoofdpijn tengevolge van het duizeligmakend machinelawaai. Is het wonder, dat ook hier wederom de eigenlijke vaktaal slechts een zweempje meer is?

36. De waschtaal. 24/30

A. Krul's Maandblad voor Hand-, Stoom- en Chemische Wasscherijen, Gaffelstraat 27, Rotterdam 16/30. - Vakblad der Waschindustrie, Leeuwendaallaan 4, Rijswijk 8/30.

[p. 360]

J. Landré: Behandeling der wasch. Het reinigen en opmaken van de verschillende stoffen, Almelo 1909. - Het Kunststrijken, Stijfselbereiding en briljantglansstrijken, Leiden 1910.

 

Ook hier, hoewel misschien minder dan elders, vermindert de vakkennis met de invoering der machines, en daarmee de eigenaardigheid der vaktaal. Op sommige groote chemische wasscherijen, wordt dit ongerief vrij wat verholpen: door een avondonderwijs van 5 tot 7 uur. Voorbeelden trekken.

37. De spinners-en weverstaal. 221/30

A. Textiel (v. spinnerijen, weverijen, ververijen, appreteerderijen, tricotage, enz.), Eshuis & Co., Dalfsen 6/7.

B. Het Textielarbeidersblad, H. Verveld, Gronausche straat, Enschede 3/7.

C. Het Hoog-Ambacht (R.K. Textielarbeidersbond) Sonstaat 2, Tilburg 10/7. - De Textielbewerker, Oudburg 36, Gent 15/7. - De vrije Katoenbewerker, Oudburg 342, Gent 7/30. - De Vlas- en Jutebewerker, Oudburg 342, Gent 6/30.

D. De Textielarbeider, Oldenzaalsche straat 19, Enschede 18/7.

J. Huchshorn: De katoenspinnerij. Beschrijving der werktuigen, Deventer 1908.- M. Vrij-Mauser: Patronen voor het eenvoudig weven, Amsterdam 1911. - T. Crevals: Handboek van de weefkunde. (Vla.).

 

In Volk en Taal, Deel IV, V en VI gaf Frederik de Vos een Zuid-Oostvlaamsche woordenlijst der weverstaal van Nukerke en omstreken, die ik hier laat afdrukken, met de inleiding erbij.

‘De achtbare Lezers van Volk en Taal en zullen 't mij zeker niet kwalijk nemen, zoo ik, vooraleer de verschillige deelen van den grooten broodwinner mijner streek op te noemen, een klein geschiedkundig overzicht beproeve, rakende de ontwikkeling der weefkunst alhier. - Evenals alle nijverheid, onderging ook deze menigvuldige veranderingen en volmakingen, waaruit de behoefte aan zekere andere deelen in het getouw, en waaruit ook eene moeilijkheid te meer in het groepeeren en volledig opnoemen derzelve. - Daarom zal er hier en daar, in den loop mijner bijdrage, al eens hoeven rekening gehouden te worden van die veranderingen, namelijk bij 't opnoemen van de oudere (vervangene), en van de nieuwere (in de plaats gekomene) stukken. - Beziet men de oude weefgetouwen, zoo kan men aldra bemerken, dat zij nagenoeg alle een jaarmerk dragen, en dat daarbij die jaarmerken, voor de groote meerderheid, zoo niet alle, tot den laatsten helft der vorige eeuw behooren. - Ik ben genegen hieruit te besluiten, dat men die 50 jaren mag aanzien als het tijdstip van verspreiding der linnenweverij op Nukerke en in de omstreken. - Die getouwen dragen, nu nog gedurig, den naam van lijnwaadgetouwen, en werden ook enkel gemaakt ten behoeve der linnenweverij. - Alle zijn zeer kloek en zwaar gebouwd, gelijk overigens alles wat onze voorouders verveerdigden; zij hielden meer van kloekte als van fatsoen, alhoewel beide in hunne lijnwaadgetouwen gepaard gaan. - Kloek moesten ze inderdaad zijn, want zij gingen zwaren arbeid te verduren, kloeken weerstand te bieden heb-

[p. 361]

ben. - Men zal zich ook niet verwonderen over de kunstigheid, de gezochtheid zelfs, van hun maaksel, als men denkt dat over 100 jaren en minder nog, de getouwen zoowel een voorwerp van pracht, als een nutverschaffend meubel uitmaakten. - Immers, slechts de rijke boeren mochten op de kennis der weefkunst en op 't bezit van een getouwe roemen! - In dien tijd was de lijnwaadbereiding even onafscheidbaar van den boerenstiel als nu de bereiding der boter. - In de Lente strooide de boer het lijnzaad in zijnen akker, en dit was 't jaar nadien, vooraleer het de hoeve verliet, gereed om tot hemden of kielen versneden te worden. - Bijzondere ambachtslieden gingen het vlas ten huize van den boer zwingelen; somwijlen ook was de boer zelf of een zijner zonen dat werk machtig. Zijne vrouw en dochters sponnen het; de boer schoor het garen tot eene keten, boomde het op zijn getouw, en....zijn werk voor de winteravonden was klaar. - Langzamerhand ging de weefkunst ook tot den geringeren man over. - De eersten, echter, die met dit voorrecht werden begunstigd, en gebruikten hunne kunst voor eigen rekening niet; zij verhuurden zich bij den eenen of anderen boer als wever, juist gelijk men zich nu verhuurt als knecht en meid. - Jaren verliepen eer 't getouwe zijne plaats vond tusschen de muren van de stulp des werkmans. Dan nog werd het langen tijd aan dezen verhuurd tegen 3 of 4 fr. 's jaars. Thans is het voor goed de eigendom geworden van zijnen huidigen gebruiker. En hedendaags is het feit, van tezelfder tijde een peerd en een getouwe te bezitten, zeldzamer als eene sterre met 'nen steert. Ja, sommige rijken zouden het als eene schande aanzien van Pieter de Coninck's gilde af te stammen!.... Die dutsen! - Veranderde het lijnwaadgetouw van woonst en van eigenaar, 't veranderde ook van bestemming: Sinds lange wordt het nog enkel tot de katoennijverheid aangewend. - Min gelukkig voor zijn onmisbare gezel en dienaar: het spinnewiel. - Het katoen, eene uitheemsche ware zijnde, kent den weg niet naar de nederige dorpswoning, tenzij na de oorverdoovende toestellen eener spinnerij doorloopen te hebben, en aldaar tot gereeden draad herschapen te zijn. - Met den val der linnenweverij verloor het spinnewiel zijn burgerrecht. - Ook ben ik zeker dat niemand van die heden min als 30 jaren telt, nooit dat eenvoudig tuig en heeft zien draaien, en dat, bij het rijpere geslacht, het gedacht ‘spinnewiel’ onafscheidbaar is van het gedacht ‘grootmoeder’. - Bestaan er zelfs nog spinnewielen? - Ja, voorzeker op elke parochie nog twee.... maar vermits ze al lange op den zolder achter eene gordijn van spinnewielen.... van spinnewebben, wil ik zeggen, verdoken staan, en zou ik, na weken zoekens, misschien nog geen één uit zijn hoekske kunnen halen. - Men wete nu nog, om tot onze getouwen terug te keeren, dat die van deze eeuw, meer bepaaldelijk tot de katoenweverij bestemd, en enkel moetende dienen als broodwinnend alm voor den geringen werkman,

[p. 362]

min zwaar en minder keurig zijn verveerdigd als hunne voorgangers, de lijnwaadgetouwen. Zij verschillen ook merkelijk met deze onder opzicht van vorm, alhoewel er geen merkbaar verschil en is tusschen de namen hunner afzonderlijke deelen. - Deze getouwen en worden geene katoengetouwen genoemd, gelijk men wellicht zou geneigd zijn te denken; maar zij heeten vierstijlen, naar de vier rechtstaande stukken hout, die heel het geraamte schooren.’

Achterhoofd: uitsprong naar omhooge, niet verre van 't achtereinde der rame, en waarachter de garenboom draait (alleen bij de oude lijnwaadgetouwen).
Achterstijl: de stijl aan den achterkant der rame: bestaat enkelijk in den vierstijl. Hij houdt de geterdenscheê vast, en draagt langs achter, de garenboomklampe.
Afschijten: tengevolge van het korthalzen gebeurt het somtijds dat het garen op den kant afzakt, - dat is afschijten. - Voor de beeldspraak vergelijke men Deel I blz. 346 onderaan: 't spuit er uit.
Balk(e) van den effenaar: het stuk hout, waar de tapkens of tanden van den effenaar insteken.
Balk(e): de houten rug van den sterkborstel.
Band: ijzeren omslag rond de bolle, voorzien van tanden.
Band: de cirkelvormig gebogene roede welke tot ten halven met koordekens doorvlochten en met papier beplakt te zijn den waaier vormt.
Bane, ha(de)bane: het bovenste vlak der onderlà, waar de schietspoel oploopt. Dat vlak is schuins hellend, van achter leeger als van voren, en aan deze helling geeft men den naam van steke.
De bane hersteken: wanneer de helling of bane wat uitversleten is, moet de lâ door den timmerman wederom effen geschaafd worden.
Blâre: de koordekes en papier van den waaier.
Blokken: vrij stukken hout, die men onder de pooten legt, hetzij om het getouwe te verhoogen, hetzij enkel met het doel de pooten voor vochtigheid te behoeden. In 't laatste geval bezigt men ook eenvoudig plankjes van mindere of meerdere dikte.
Op blokken weven: zoo zegt men van iemand die op een getouwe weeft, opgehoogd door blokken.
Bolle: bolvormig stuk hout van nagenoeg 30 centimeters middellijn op 10 centimeters hoogte of dikte. Steekt op het rechter uiteinde van den onderlooper, bij de getouwen zonder regulateur, en moet dienen om, na iederen truk, een eindje geweven goed op te winden, of den truk te trekken.
Boomen: nauw of wijd boomen. Indien het garen op den boom merkelijk wijder ligt dan de breedte van het goed, dan zegt men: die keten is te wijd geboomd; - in tegenovergesteld geval, - zij is te nauw geboomd.
Boomkramme: deze eene ijzeren kramme, zit op 't linker uiteinde van den garenboom, en moet dienen om op te boomen of 't garen op den garenboom te winden, wel te verstaan als het getouwe in eenen hoek der kamer staat derwijze dat de rechterkant van 't getouwe (dus de trekgaten) tegen den muur staat. Anders bezigt men, om op te boomen, de trekgaten.
Borstboom: zie buikboom.
Bovenscheê: zeer kloeke plaat van wel 15 centimeters dik op 25 tot 30 centimeters breed, is de voornaamste verbinding der ramen van 't lijnwaadgetouwe. Velen nochtans, die maar licht goed en weven, laten deze scheê van kant. Immers het lijnwaadgetouwe, om katoenstoffen te weven, heeft nog altijd kloekte genoeg. De vierstijl heeft deze scheê in 't geheel niet noodig daar de ramen van onder door de geterdenscheê en van boven door eenen steekband verbonden zijn. - De voor- en geterdenscheêgaten staan loodrecht en het bovenscheêgat waterpas, zoodat de breede vlakken der eerste loodrecht, en die der laatste plat staan.
[p. 363]
Bovenscheêgat: rechthoekige opening op rond de 30 centimeters afstand boven het geterdenscheêgat, en waarin de bovenscheê steekt. Daar de vierstijl geene bovenscheê heeft, zoo mist hij ook de gaten.
Bovenste bak, tweede bak, derde bak, onderste bak, zijn de verschillige namen der genoemde afdeelingskes.
Bovenwerk: de heele verzameling van koorden, riemen, rolle of hefboomen, welke zich boven het garen bevinden en den kam steunen.
Buikboom: bij 't lijnwaadgetouwe, rolrond, en bij den vierstijl, kantzuilig stuk hout, stekende met zijne uiteinden in de buikboombosse. De gewevene stoffe glijdt al over den buikboom naar den onderlooper. De wever zit met borst of buik ter hoogte van den buikboom, zoodat hij er, al wevende, soms tegenraakt. Vandaar den naam.
Buikboombosse: bij 't lijnwaadgetouwe ronde in het voorhoofd, en bij den vierstijl rechthoekige opening in den voorstijl, waarin de buik- of borstboom zit.
Doorhalen: de uitgeworpen draden door kam en riet steken.
Draaien: de garenboom ronddraaien bij het opboomen. Draaien is een lastig werk en wordt meest met tweeën gedaan.
Drogen: dat zegt men meer bepaaldelijk van dien zijn garen met het vier droogt.
Drom: de verzameling van draden die door den kamslager in nen nieuwen kam worden gesteken, of ingereden, alsook het uiteinde van het garen dat na elke afgewevene keten in den kam blijft zitten.
Duimen: de uiteinden der rolle, waar deze op draait.
Duimen: de ronde uiteinden van de buikboomen der lijnwaadgetouwen.
Duimen: houten of ijzeren uiteinden des onderloopers. Zijn ze in hout, dan zijn ze maar weinig dunner als de onderlooper zelve, die van 10 tot 15 centimeters middellijn meet. Zulke duimen echter, draaien moeilijk; daarom worden ze algemeen vervangen door ijzeren pinnen, ter dikte van eenen duim, die in eene panne draaien. Een getouwe met regelaar en bezit de ijzeren duimen niet alleen uit gemak, maar uit ware noodzakelijkheid.
Duwer: zie klink(e).
Effenaar: zoo heet men eene soort van kam (in 't hout). In een balkske van 4 centimeters hoog op 2 of 3 dik, zitten houten tapkens, dicht bijeen of verre van een alnaar gelang de dikte (dichtheid) der keten. De twesten of strengen moeten daar tusschen loopen en zoo over den garenboom verdeeld worden. Dat is de effenaar.
Den effenaar houden: gedurende het opwinden der keten, den effenaar vasthouden, derwijze dat de twesten op hunne vereischte plaats komen te liggen.
Endeke: einde der keten.
Enkele (lade) bak: deze bestaat uit twee plankskes van 35 tot 40 centimeters lang, 7 of 8 cm. breed of hoog, die op de làbane bevestigd zijn. Van boven langs den binnenkant hebben ze eene groeve.
Gang: bestaat uit twee twesten, die steeds te samen geschoren worden. - Zie scheren. - Als de scheerder deze twee twesten op zijnen molen gewonden heeft, dan zegt men dat hij een gang geschoren heeft. De scheerder geeft aan den wever te kennen uit hoeveel gangen de keten samengesteld is, ten einde deze voor de noodige breedte van het te weven goed eenen effenaar kieze van doelmatige fijnte.
Garenboom; rolvormíg stuk, hebbende de lengte van de heele getouwbreedte, en van 15 tot 30 centimeters middellijn. De boom ligt achter het achterhoofd of den achterstijl, en 't is daarop dat het garen of de keten gewonden is.
Garenboomklampe: het stuk hout in den achtersten stijl van den vierstijl geplaatst om den garenboom op te draaien. De garenboomklampe kan ook door eenen hangel vervangen worden.
Gete(e)rdenspil(le): ijzeren spil.
Geterden: v. mv.: kloeke houten latten, die den dienst doen van hefboomen, wier steunpunt te vinden is in de ooge.
Geterdenput; een putje van een 60 centim.
[p. 364]
breed op de lengte van de geterden of nagenoeg 1 m. 25 onder de geterden gegraven, waar de geterden op en neer ingaan.
Geterdenscheê: houtplate, stekende van achter en van onder in 't getouwe, waaraan voor 't plat werk, de geterden hun steunpunt hebben. Hiervan haren naam. Zij is doorgaans 10 centimeters dik en 20 of 25 breed, en dient ook tevens om de ramen langs achter te verbinden.
Geterdenscheêgat: rechthoekige opening, bij het lijnwaadgetouwe gedeeltelijk in den achterpoot en gedeeltelijk in het lichaam der rame, bij den vierstijl in den achterstijl en bij beide op een 15 tot 20 centimeters hoogte, waar de geterdenscheê insteekt.
Geterdzeelen: dikke koorden die al boven aan de peerdekes trekken en al onder door de geterden getrokken worden.
Getouwe: toestel, met al de toebehoorten, waar de wever zijn ambacht mee uitoefent. Ook in figuurlijken zin, 't weversambacht.
Groeve: in de buikboomen der lijnwaadgetouwen is, in de lengte, eene groeve gesteken, waarin eene roede, met het geweefsel eraan, kan geleid worden, zoodat ook het goed (geweven stof) op den buikboom kan gewonden worden. Hierom ook zijn die buikboomen rond, en steken ze in eene ronde bosse. De buikboomen der vierstijlen en hebben geene groeve.
Groeve: evenals in den buikboom der lijnwaadgetouwen is er in den onderlooper (ook bij den vierstijl) in de lengte eene groeve gekapt, welke moet dienen om de roede in te leggen, tot houdvaste in het goed geweven bij den aanvang van het stuk.
Haak: dikken ijzerdraad bevestigd aan het uiteinde der opperlà, die langsonder de klink(e) of du(w)er draagt.
Halzen: zoo noemt men het optrekken van den boord der keten bij het opboomen; is de boord steil opgetrokken, men zegt, hij is kort gehalsd; ligt hij meer schuins, daar is hij lang gehalsd.
Hangel: toestel van achter aan den steert bevestigd tot het dragen van den garenboom, en 't welke toelaat dezen naar willekeur te hoogen en te leegen. De hangel vervangt de tapper, en is er eene volmaking van.
Hangen: het bovenwerk hangen: den kam aanhangen, of gereed maken om de keten aan te draaien.
Hangen: het onderwerk hangen: het onderwerk gereeds maken om te kunnen meê weven.
Hangen: 't werk hangen: kam en là op gepaste hoogte hangen.
Hangzeelen: koorden waarmeê de lâpijlen aan den lâbalke vaste zijn. Die koorden zitten al boven den làbalke dubbel over de pijlen en komen rond den làbalke door eene opening in den lâpijl.
Hangzeelgat: opening waardoor de hangzeelen rond den làbalke in den lâpijl komen.
Haperen: als de twesten niet goed van een scheiden en alzoo sommige draden tegen de tanden van den effenaar stuiken.
Herpakken: naarmate de keten wordt opgeboomd, moet deze, die ze houdt, dezelve loslaten, en ze verder opnieuw vasthouden, zoodat hij ze nu in de eene, dan in de andere hand heeft. Het veranderen van hand noemt men herpakken.
Hevelkam: kam waar de hevels zonder oogskes overeen zitten.
Hevels: dunne, sterke koordekens, die aan de slagkoorde vastgemaakt zijnde, om de latte van den schacht loopen. Zoo zijn er langs boven en langs onder; zij zitten te midden overeen of zijn met koperen of stalen oogskens aaneengehaakt. Vandaar nu de benamingen van hevelkam en oogkeskam. - Men geeft den naam van hevel aan die geheele verzameling van koordekes; ook zegt men rok. Ieder koordeken afzonderlijk heet ook hevel.
Hondeke: vierkantzuilig blokje hout, met twee gaten doorboord, een in de richting van voren naar achter, waarin het kamzeel zit en een ander in de richting van links naar rechts, omvattende den duim der rolle. Elk der twee uiteinden der rolle zit alzoo in een hondeke.
Hoogen: kam en là hooger hangen.
Houden: de keten houden: de keten moet
[p. 365]
op den garenboom goed gespannen zijn; te dien einde, wordt zij bij het opboomen door iemand sterk vastgehouden; men zegt van dien persoon dat hij de keten houdt.
Inleggen: de twesten der keten tusschen de tanden van den effenaar leggen om ze alzoo gelijkelijk over den garenboom te verdeelen.
Inrij(d)en: den drom door kam en riet halen.
Kam: het belangrijkste stuk van het weversalm. Hij bestaat hoofdzakelijk uit draden van hevel, of koordekens van drij of vier dubbele kloekte van twijn of naaigaren; welke koordekens opgehouden of gespannen worden door latten van hout. - Twee zulke latten (eene onder en eene boven) met den daarop gespannen hevel, dragen den naam van schacht, hoewel men ook in engeren zin elke houten lat den naam geeft van schacht.
Kam: te midden van den schacht zitten de onder- en bovenhevels overeen, of zijn met koperen of stalen oogskens aaneen verbonden. Tusschen die hevels of door die oogskens zitten de draden der keten die alzoo, door de op-en neerbeweging van den schacht, ook op en neer worden bewogen, om nu eens onder, dan boven den draad van den inslag te komen liggen. - De eenvoudigste kam mogelijk moet minstens uit twee schachten bestaan; maar men heeft er ook van 10 of 12 schachten, voor zeer ingewikkeld kruiswerk.
Kammen slaan: kammen maken.
Kambalk(e): stuk hout, liggende boven de kerhouten of kamplaten, dweers van het getouwe. Aan dezen balke hangt de kam en 't geheele onderwerk. Hij wordt ook nog genoemd pleibalke.
Kamhaken: oog-of haakvijzen, in de schachten van den kam bevestigd, om er de kamsnoeren aan vast te maken.
Kamplate: het bovenste der twee dwarshouten, die in den vierstijl voor- en achterstijl vereenigen. Die plate draagt den làbalke en den kambalke. Van dezen laatste haren naam.
Kamslager: persoon die kammen slaat of maakt.
Kamsnoeren: zoo noemt men de koorden, die den kam ophouden, of verbinden met pleiriemen of tuimpeleers. Als ook deze die den kam met het onderzoek verbinden.
Kamzeel: dikke koorde, al over den kambalke gespannen, dragende het hondeke.
Kamzeelgat: het gat van het hondeke van voor naar achter geboord.
Kerhout: stuk hout, in den vorm eener F, van omtrent 1 meter hoog, waarop, in het lijnwaadgetouwe, de bovendeelen rusten. Het is op 't lichaam der rame geplaatst, niet verre van 't achterhoofd en keert zijn uitsteeksel naar voren tot boven het voorhoofd. Dit deel van het getouwe is gewoonlijk met veel keurigheid opgewerkt. 't Is in het midden van 't opgaande stuk, langs de voorzijde, dat men 't getouwe zijnen ouderdom leest. De linke rame draagt de honderdtallen en de rechte de eenheden.
Kerten: zie tanden.
Keten: het garen, waartusschen de inslag zal moeten gewrocht worden. Het wordt op den garenboom gewonden en even versch, naarmate 't weven vooruitgaat, van den boom gewonden.
Ketenhouder: persoon die de keten houdt. - Zie de keten houden.
Klauw(e): aan de opeinden van den kambalke of pleibalke zijn er inkervingen gemaakt, bij dewelke de kambalke op de kamlate rust. Die inkervingen worden klauwen genoemd.
Klink(e): een hefboom onder welken de vanghaak te recht komt.
Klinke: stukje ijzer, hebbende nagenoeg den vorm van een gebogen beitel. Het steekt met een kloeken nagel in de rechter rame vast, zoodat de punt der klinke in de tanden van den band kan vatten. Wordt nu het goed opgewonden, dan schuiven de tanden van den band, door het draaien van den onderlooper langs onder de klinke door, waarna deze achter eenen tand neervalt en zoo belet dat de onderlooper terug draaie.
Klutsen: noemt men het met eenen houten lepel vloeiender en rekbaarder maken van den steek.
Kop: op ieder stuk der leere, ter plaatse waar de kruislatten hun steunpunt moeten hebben,
[p. 366]
(namelijk op het 1/3 der heele getouwbreedte te beginnen van links) staat een verhoogsel van omtrent eenen voet. Beide verhoogsels zijn met eene spille verbonden, waarop de vlegers draaien. Verhoogsels en spille heeten kop (kop der leere).
Kruislat: zie tuimpeleer.
La(de): voorwerp dat gemaakt is uit drij, of beter vier stukken hout. Het grootste stuk, ter dikte van eene gewone zolderribbe, ligt waterpas en is iets langer als de breedte van het getouw; daarop zijn twee andere stukken rechtstaande bevestigd tusschen de welke het vierde stuk vastzit. Het geheele gelijkt niet slecht aan de stere. Daarin staat het riet vast, dat aldus door de bewegingen vóóren achterwaarts der lade de ingewevene draden toeduwt; - daarin ook loopt de schietspoel heen en weer. Men onderscheidt drij soorten van laden: de enkele là, de springlà en de dubbele springlà.
Enkele lâ(de): eene lâ die maar en dient om met ééne schietspoel te weven.
La(de)bak: elk uiteinde der lâ, in hetwelk de schietspoel, na haren loop door 't garen terecht komt. Men onderscheidt enkele bakken en springbakken.
La(de)groeve: uithaling gemaakt in de onder- en de opperlâ, die de schenen van het riet vat.
La(de)pijlen: dat zijn de twee rechtstaande stukken der lâ, waarmede deze aan den lâbalke vasthangt.
Lat(te): ijzeren voorwerp dat den springbak verbindt met den vleger.
Leegen: kam en lâ leeger hangen.
Leere: voor het kruiswerk is de kambalke verdubbeld, d.i. hij bestaat uit twee stukken hout, vereenigd met dweersstukken, die toelaten die twee stukken nader elkander of wijder uiteen te schuiven, al naar gelang van het aantal kruislatten die zij moeten dragen. Dit gestel draagt den naam van leêre.
Lijnwaadgetouwe: kloek en zwaar getouwe, meest in den laatsten helft der vorige eeuwe gemaakt ten dienste der linnenweverij.
Onderla(de): het beste en zwaarste der vier bijzondere stukken der lâ, op wiens uiteinden de lâbakken gevestigd zijn. Het houdt de onderschene van het riet vast.
Onderlooper: rolvormig stuk waar de stoffe, naarmate zij geweven is, opgewonden wordt. De onderlooper draait met zijne uiteinden of duimen, in de onderlooperbosse, of wel in eene zoogenoemde panné, zoo de duimen van ijzer gemaakt zijn, gelijk thans algemeen het geval is.
Onderlooperbosse: ronde holte in 't midden van 't lichaam der rame (lijnwaadgetouwe) of der onderlooperplate (vierstijl), waar de onderlooper met zijne duimen in draait.
Onderlooperplate: het onderste der twee dwarshouten die in den vierstijl voor-en achterstijl vereenigen. De onderlooper draait met zijne uiteinden in die plate en geeft ze haren naam.
Onderste kamsnoeren: zie bovenste kamsnoeren.
Onderwerk: verzameling van al de deelen des getouws, die onder het garen werken.
Oog(e): opening die op 't achterste uiteinde der geterden in de schare der geterdenschee met de geteerdenspille vaste zit.
Oogen: in de ooren der scheeden, daar waar ze buiten de rame uitsteken, zijn openingen gemaakt om spieën of sleutels in te slaan, waardoor alles stevig vast staat. Die openingen heeten oogen.
Oogske(n)kam: kam waar elk onderste hevel met een oogsken aan den bovensten, die er rechtover is, vasthangt.
Oogske(n)s: stukskes koper of staal, omtrent nen halven milimeter dik, 2 milimeters breed en 5 lang, met drij openingen. De middelste opening dient om den draad der keten door te steken en de kevel zit onder en boven door die der uiteinden.
Ooren: zoo noemt men de afgedunde uiteinden der scheeden, met hetwelke zij in en door hunne gaten steken. Bij den vierstijl is ook de buikboom met ooren gemaakt.
Opboomen: de keten op den garenboom winden.
Opdoen: eene keten opboomen, een nieuw geweefsel gereed maken.
[p. 367]
Opperla(de), upperla(de), ipperla(de): het derde der vier bijzondere stukken, waaruit de lâ is samengesteld. Het zit met zijne uiteinden in beide lâpijlen bevestigd, waarin het kan op- en neerschuiven. Het houdt de bovenschene van het riet vast.
Overzetten: kam en riet over de fribbelingen schuiven.
Panne: vierkant of langwerpig plaatje ijzer, met vijzen over de onderlooperbosse vastgemaakt, hebbende in 't midden eene ronde opening, om den ijzeren duim van den onderlooper in te draaien.
Passen: het werk op de vereischte maat stellen.
Passen: wanneer een getouwe gezet is, dan moet de wever nagaan of het waterpas en in zijnen haak (winkelhaak) staat. Hiertoe gebruikt men waterpasser en winkelhaak. Deze bewerking geeft men den naam van passen.
Peerdekes: latjes welke bevestigd zijn aan de onderste uiteinden der springstokken en door de geterdzeelen naar beneden worden getrokken.
Pinnen: bovenste uiteinde der stijlen 't welk afgedund is, derwijze, dat de steekbanden, er met hunne opening kunnen opschuiven.
Pleibalke: zie kambalke. Bij de Bo staat het werkw. pleien: lastig en arbeidzaam gaan, klauwieren: tobben, b.v. door eene slijkstraat, - klauwieren, grooten arbeid doen, veel zwoegen.
Pleiriemen: strooken leêr, ten getalle van twee, liggende over de rolle, en aan wier uiteinden de kamsnoeren zijn vastgemaakt.
Pooten: stukken hout, onder in de rame bevestigd, waar deze opstaat. Elke rame heeft er twee, dus vier voor 't gansche getouwe.
Rame: zijstuk van het getouwe, gevormd van een dik, massief stuk eiken hout, 12 à 15 centimeters dik, rond de 2 meters lang en gemiddeld 60 à 70 centimeters breed of hoog.
Regulateur: toestel bestaande uit 3 ijzeren kamwielen, waarvan het grootste op den linken duim van den onderlooper is vastgemaakt. Het kleinste wielke, dat de grootere draaien doet, wordt in beweging gesteld door een klein ijzeren hefboomke met eene klinke, terwijl nog twee, en soms drie andere klinkjes het wielke beletten terug te keeren. - Het hefboomke zelve wordt opgeheven door eene koorde, die door 't draaien van den lâbalke, dus 't heen- en weergaan der lade, wordt omhoog getrokken en wederom nêergelaten. Hoe meer het goed bij elke scheut moet voortschuiven, des te leeger moet het hefboomke kunnen zakken om zoo een grooteren weg naar omhoog te kunnen afleggen, en omgekeerd. Ook bij 't begin van een stuk stof, als de onderlooper nog dun is, moet deze voor een zelfde einde wegs te maken, rasser draaien, dan wanneer er reeds eene hoeveelheid goed op is. De lade, echter, moet altijd haren zelfden zwier behouden, en hierom heeft het hefboomke nog een tweede met welke door haar verkorten of verlengen het hefboomke naar willekeur vroeger of later in zijnen val wordt tegengehouden. Het hefboomke moet, voor de regelmatigheid, verscheidene tandekens verschuiven bij elken zwenk, zoodat het kleine wielke nog al gauw rondgedraaid is, en echter en mag er elke scheut maar de dikte van eenen draad opgewonden worden! Zulks wordt verkregen door de vertragende werking der 2 grootere kamwielen. Dit toestel in zijn geheel noemen de wevers regulateur.
Rie(t)groeve: zie ladegroeve.
Riet: verzameling van stalen reepkes, iets dikker dan de sneê van een mes, van een tot twee millimeter breed, en van 8 tot 12 centimeters breed, onder en boven tusschen twee dunne latjes hout vastgezet. In den beginne waren die reepkes van geen staal maar van riet; vandaar de naam riet, die men aan dit verzameling van stalen reepkes geeft.
Rietjes; ieder afzonderlijk reepke staal, waaruit het geheele riet bestaat noemt men rietje.
Rok: de geheele verzameling hevels van den kam.
Rolle: rolvormig stuk hout, gewoonlijk ter lengte van ongeveer eenen meter, dragende de pleiriemen, welke den kam op en neer moeten laten schuiven; de rolle doet dus den dienst van eene katrol.
[p. 368]
Rollegat: het gat van het hondeke van links naar rechts geboord.
Rustlat(te): een latje hout, dat langs achter op den springbak vastgevezen is, en dient om de springbak op te laten rusten, als het bovenste bakske ter hoogte der lâbane staat.
Schaar, schare: blokske hout met openingen ingezaagd, waar de uiteinden der geterden, of der peerdekes, rond hunne spille komen draaien. - De schare der geterden zit in het midden der geterdenschee, en die der peerdekes is aan eene rame vastgemaakt.
Schacht: deel van kam, bestaande uit bovenen onderlat, met de daarop gespannen hevels. - Ook in engeren zin de onder- of bovenlat. Vrgk de Bo.
Scheen, schene: de latjes, welke de rietjes op hunne uiteinden samenhouden, maken twee aan twee eene schene uit, Zóó vormen de vier latjes twee schenen.
Scheers (uitspr. schis): ijzeren voorwerp van twee, drij millim. dik, op 12 tot 15 millim. breed en 3 tot 4 decim. lang, dienende om den springbak op zijne plaatse te houden. Zoo is er een aan elken kant van den springbak: het eene zit vast in den lapijl, en het andere (dat verst van den wever verwijderd is) in een daartoe geschikt hout, scheersblok genaamd.
Scheersblok: stuk hout, vast zittende aan die zijde van den springbak, die het verst van den wever verwijderd is, van dezelfde lengte als de scheers.
Scheersplaatje: stukske ijzer vastgemaakt op de vier hoeken van den springbak, met een groefke dat over het scheers op- en neerschuift.
Scheren: de keten gereed maken: de verschillige draden waaruit het geweefsel bestaan zal, bijeen verzamelen, gereed om op den garenboom te winden.
Laten schieten: bij het herpakken de vorenste hand te plotseling loslaten.
Schis: zoo noemt men een stukje ijzer dat midden in de rame of in de garenboomklampe bevestigd is, ter plaatse waar de garenboom ligt. De schisgroeve van den garenboom past er op, en zoo moet deze ter plaatse blijven, dat is, hij kan noch rechts noch links wegschuiven.
Schisgroeve: deze groeve, slechts 5 à 6 millimeters wijd, bevindt zich op 't linker uiteinde van den garenboom, en is rechtvallend aan de as, zoodat de groeve cirkelvormig is. Zij dient om den garenboom bij middel van het schis op zijn plaatse te houden.
Schrank: de lijn waar de draden schranken.
Schrankkoorde: de draden der keten worden door den scheerder schranksgewijze gekruist, derwijze dat al de onpare draden een deel vormen gaande schuinsweg van omhoog naar omleeg terwijl de pare draden integendeel, een deel vormen, gaande in tegenovergestelde richting van omleeg naar omhoog. Langs beide kanten der lijn waar de twee deelen door elkander gaan ligt eene koorde, die men schrankkoorde noemt.
Schrankroede: wanneer de keten ongeboomd is, wordt de schrankkoorde vervangen door twee roeden, die blijven zitten tot de keten afgeweven is. Die roeden heeten schrankroeden.
Schuivergroeve: groeve boven langs den binnenkant van den enkele ladebak waarin de schuier in en weder schuift. (Bij den springbak behooren er ook schuiergroeven, maar deze zijn in een afzonderlijk stuk hout gemaakt, dat loodrecht aan de voorzijde der onderlâ gevezen is.)
Slaan: kammen slaan, kammen maken.
Slachthaken: zie kamhaken.
Slagdraad: 1) draad, die de hevels op de slagkoorde vastzet. 2) zoo heet de draad, waaronder de twee latjes van elke schene samengebonden en de rietjes op vereischten afstand gehouden worden. Opdat de rietjes onbeweeglijk zouden blijven is de draad met pek bestreken en wordt er dan nog een dun laagske pek al buiten overgesmolten en dat alles bedekt met een reepke papier.
Slagkoorde: opdat de hevels niet links of rechts uit hunne plaats en zouden gaan, zijn ze vastgezet op eene koorde: de slagkoorde; deze wordt aan de uiteinden der schachtlatten vastgemaakt.
Sleutels: spiervormige houtjes, die in de oogen der scheeden worden gesmeten, om
[p. 369]
de ramen goed aan de scheeden te sluiten.
Sleuters: zie sleutels.
Slieren: sommige ketenhouders laten de keten, in plaats van ze te herpakken, door hunne handen glijden - dat is laten slieren, hetgene zoo min als laten schieten, niet en deugt.
Spillegat: opening in de schare geboord waar de spille door zit.
Springbak: deze draagt drij of vier boven elkander geplaatste afdeelingskes, kunnende elk juist eene schietspoel bevatten: door een toestel, dat daarvoor geschikt is, wordt de bodem van ieder afdeelingske beurtelings ter hoogte gebracht van de lâbane, zoodat deze met den bodem der bakskes 't een na 't ander eenen onafgebroken loop uitmaakt voor elke schietspoel. - Dat op- en neerschuiven noemen de wevers springen; vandaar de naam springbak.
Springla(de): lâ die dient om met twee, drij of vier schietspoelen te weven. - Over den oorsprong des naams zie springbak.
Dubbele springla(de): lade hebbende eenen springbak langs twee kanten.
Springstokken: latten die door de onderste kamsnoeren en de schachten van den kam neder trekken, bijmiddel van de springzeelen.
Springzeelen: dikke koorden, wier bovenste uiteinden vastgemaakt zijn op het middelpunt der springblokken onderste uiteinde aan de peerdekes.
Steekband: naam van een stuk hout, dat de twee voorstijlen en van een ander, dat de twee achterstijlen vereenigt. Zij bestaan enkel in den vierstijl, hebben rond de 3 meters lengte (de breedte van 't getouwe) en schuiven, met eene daartoe geschikte opening langs weerskanten op eene pin, aan den bovenkant der stijlen. Zij zetten het getouwe stevigheid bij.
Steert: het deel der rame, dat achter den achterpoot en het achterhoofd uitsteekt. De garenboom ligt er boven, ofwel er achter op tappen of ook op eenen zoogenoemden hangel.
Steke: helling der bane, welke om het uitloopen der schietspoel te beletten niet al te plat en mag zijn.
Sterk: pap gekookt van water en tarwenbloem.
Sterkbu(r)stel: borstel waar men den sterk meê aan 't garen strijkt.
Sterken: het garen bestrijken met sterk.
Sterkschotel: houten vat waar de gekoelde sterk wordt in gedaan om te klutsen.
Sterkvel: de versch gekookte sterk wordt gewoonlijk in een potje gegoten, waarin hij moet koelen. Bij die verkoeling komt er van boven een velleken op, dat, nettekes afgepeld en op de stoof gebraden, een lekker gerecht is voor de spoelemakerkes.
Stuiklat(te): zie rustlat(te).
Stuitblokske(n)s: kleine stukskes hout, geplaatst op het achtereinde van ieder afdeelingske van den springbak (in elke twee). Deze blokskes beletten de schietspoel verder te loopen.
Tanden: zaagvormige uitsteeksels op den band. In de tanden, ook nog kerten genoemd, vat een klinke.
Tanden van den effenaar: de tapkens van den effenaar.
Tappen: 1) bundelkes haar van den sterkborstel. 2) rolvormige stukken ter dikte eener zware suikerboonpeerse, achter in den steert van de rame gevestigd, waar de garenboom op draait, ingeval hij boven den steert te hooge zou liggen. Zulks is namelijk noodig als men lichte stoffen te weven heeft. 3) ronde houten van zijds in de bolle geplaatst, om den onderlooper met de hand of met den knie te doen draaien.
Trekgaten: op het rechter uiteinde van den garenboom zijn zes of acht gaten geboord in de richting der middellijn of doorsnede van den boom. Deze gaten moeten dienen om, bij middel van den trekstok het garen te doen spannen. Zij heeten trekgaten.
Tuim(p)eleers: inplaats van eene rolle bezigt men - voor plat werk soms en voor kruiswerk altijd - lichte hefboomen van rond den halven meter lengte. Elk uiteinde dezer hefboomen is aan eenen schacht van den kam bevestigd, maar schranksgewijze, zoo-
[p. 370]
dat, als de eene neerkomt de ander naar omhoog wordt getrokken. Deze hefboomen noemt men tuimpeleers, ook nog vlegers (vlegels) of kruislatten.
Twest: eene verzameling van draden (in 't algemeen rondom de twintig) om zoo te zeggen als eene koord bijeen gebracht, maar ongevlochten. - De gansche keten bestaat uit eene verzameling twesten: zie keten.
Uitscheên: de keten uitscheên: wanneer de keten van den scheermolen komt, wordt zij door den scheerder ineengelascht, en de lasschen worden bij het opboomen weder uiteen geschud: dat is de keten uitscheên, en wordt gewoonlijk door een kind gedaan.
Vanghaak: zie haak.
Verbossen: als de bossen van onderlooper of buikboom te veel uitversleten zijn, dan kapt de schrijnwerker daar een heel stuk uit, gewoonlijk in vierkanten vorm; en in die uitholing past hij een nieuw stuk, met eene nieuwe bosse: dat heet verbossen.
Verrokken: eenen nieuwen rok aan schacht of kam maken: een nieuwen schacht of kam maken, ter uitzondering van latten en oogskens.
Vet: waar het garen na behoorlijk gedroogd te zijn meê wordt aangestreken.
Vetbor(s)tel: borstel om het vet aan te strijken, gewoonlijk een oude sterkborstel.
Vetpan(ne) of vetpot: vat waar het vet in is.
Vetten: het aanstrijken van het garen met vet nadat het behoorlijk gedroogd is.
Veulen: het gebeurt, wanneer eene keten geschoren is, dat zij te weinig draden bevat of te smal is, hetzij door onachtzaamheid van den scheerder, hetzij dat het te weven goed breeder moet zijn, dan men eerst geschikt had, dan verveerdigt de scheerder er nog een klein ketentje bij, dat men een veulen noemt, dat met de groote keten te zamen wordt opgeboomd.
Vieren: weversmesdag vieren: op St. Ambrosius feestdag naar de mis gaan en zich vermaken: schieten, kaarten, nen borrel pakken, enz.
Vierstijl: getouwe met vier opgaande stijlen, merkelijk lichter en ook minder kunstig gemaakt als het lijnwaadgetouwe. Het ontleent zijnen naam aan de vier stijlen van zijn geraamte, en is meer tot de katoenweverij bestemd, hoewel de lijnwaadgetouwen hier thans ook algemeen toe gebezigd worden.
Vitsegroeve: in den garenboom is eene groeve, evenwijdig met de as, welke dient om de vitseroede in te leggen, en zoo een steunpunt te maken voor de spanning van de keten. Die groeve heet vitsegroeve.
Vitsekoord(e): de geschorene keten ligt op hare strenger of twesten om ze ordelijk op den garenboom te kunnen verdeelen. Op 't uiteinde zit de vitseroê, maar daartegen zit nog een koordeke, dat de strengen of twesten geschrankt houdt. Dat koordeke is langs weerzijden aan de vitseroê vast, en heet vitsekoorde.
Vitseroe(de): vierkante roede, die aan het uiteinde der keten doorgestoken wordt, en bekleed met het garen, in de vitsegroeve geleid. Dat belet het garen of de keten op den garenboom voort te schuiven, en zijne spanning te verliezen. - Bij Kiliaen is vits, vitsroede: groote wisch. - Schuermans heeft ook vits: dunne vierkantige vensterbar, en vitsroede: wisch.
Vleger (vlegel): is een hefboom (met het steunpunt tusschen last en macht) gaande van boven het midden van den springbak tot boven het midden der opperlâ; en aan dit leste uiteinde is de haak bevestigd.
Vlieger: zie tuimpeleer.
Voorhoofd: uitsprong naar omhooge, op 't vooreinde der rame, en waarin de buikboom steekt.
Voorscheê(de): kloek stuk hout, dat beide ramen langs voren vereenigt en stevig vasthoudt. De voorscheê is bij het lijnwaad getouwe de eenige houdvaste langs voren, en is daarom zeer kloek. Bij den vierstijl, waar er van boven nog een steekband ligt en de buikboom ook vastgesleuterd zit, is die groote kloekte niet noodig en ook niet aanwezig.
Voorscheêgat: rechthoekige opening bij het lijnwaadgetouwe vooraan in de rame, bij den vierstijl in den voorstijl, en bij beiden op
[p. 371]
een 30 centimeters hoogte, waar de voorscheê in steekt.
Voorstijl: de stijl naast den kant van den wever; hij bestaat alleen in den vierstijl. Hij houdt in daartoe geschikte openingen, den buikboom en de voorscheê vast, en draagt mede de zittebank.
Waaien: het drogen van het gesterkt garen met den waaier.
Waaier: voorwerp dienende om het garen, nadat het gesterkt is droog te waaien.
Weefgetouwe: zie getouwe.
Weefster: 't vrouwelijk van wever.
Werveltap: tap dienende om door het het draaien of het ontdraaien het hangzeel te verkorten of te verlengen en alzoo de lâ te verhoogen of te verleegen.
Weven: op tappen weven: men zegt van eenen wever, wiens garenboom op tappen rust, dat hij op tappen weeft.
Wever: persoon die, voor gewoon ambacht, het weven uitoefent. Ook nog in engeren zin, iemand die in de weefkunst doortrokken is.
Weversmesdag: (misdag of feestdag) - den 7 December, feestdag van den H. Ambrosius, Patroon der wevers.
Weversmisdag: zie weversmesdag.
Wiel: een rolvormig verdiksel van den garenboom, op dezer rechter uiteinde geschoven, bij getouwen die met den regelaar werken. Een zeel of touw, welk rond dat wiel spant, doet daar den dienst van trekstok, maar laat ook toe dat, scheut voor scheut, het garen afkome.
Zetten: een getouwe zetten: eene getouwe richten of rechte zetten, tot weven gereedmaken. - Ook in figuurlijken zin: het weversambacht aangaan.
Zit(te)bank: de bank waar de wever op zit.
Zit(te)klampen: stukken hout aan de voorstijlen vastgemaakt waar de bank met hare uiteinden op ligt.

Dit is de rijke woordenschat van een echten ouden Vlaamschen wever, die alles nog zelf deed. Maar vergelijken wij daar nu eens mee het kleine risje vakwoorden van de moderne Vlaamsche arbeider of arbeidster in de groote machinale textielindustrie. Wevers in den breeden zin des woords zijn er niet meer. Er zijn slechts koermannen, hekelaars, mengelaars, brekers, kaarderijwerksters, spleetsters, aftreksters, continuemeisjes, haspelaarsters, drogers, smeerders, stolkuischers, duivelaars, uitstekers, slijpers, spilbankmeisjes, draadmakers, monteerders, spinners, bomsters, twijnders en twijnsters, spoelinleggers, wapsters en scheersters, sijsers, doorhalers, aangevers, wevers en weefsters in den allerengsten zin, magazijnmannen, stopsters, voerbranders en snijders, inpakkers, bleekers, scheerders, riemenwevers, franjewevers, tulwevers, wollewevers en spinners, lintwevers, vlasroters, zwingelaars en haarsnijders. Zoo is het. En in Noord-Nederland is het niets beter. Nu zoek maar uit wat voor vaktermen aan elk dier machineslaven nog overblijft, en hoe breed de kring is van hun vakleven, dat toch de meeste uren van den dag hun rijke menschenhoofd moet vullen. Welke dan ook de gevoelens zijn, die maar al te vaak in die doffe uren hun hart bezielen, zien wij later nog bij de socialistentaal.

38. De kantwerkstertaal. Zie Deel I blz. 533 vlgd.

H. Baccaert: Handleiding tot de Kantkennis, Brugge 1912. - L. Nulle: Handleiding tot het vervaardigen van duchessekant, den Haag 1907. - E. van Loon: De kantindustrie in Frankrijk en Italië2, den Haag 1907. - J. Jansen: De kantvervaardiging in Turnhout. Turnhout 1911.

[p. 372]

Deze vaktaal heeft weliswaar ook reeds de concurrentie van de machine ondervonden, maar heeft zich tot nu toe op het platte land in Vlaanderen nog goed weten te handhaven. In deze Vlaamsche meisjes- en vrouwenkringen is bij het kunstige handwerk, nu sinds eeuwen veel gedacht, gedicht, geneuried en gedeund. Er moet voor eenige jaren voor Mr. Blyau te Leuven zoo een heele verzameling Kantwerkstersliederen zijn gedrukt, maar ze schijnt nooit te zijn uitgekomen. Wie kan daarover inlichtingen geven, of weet althans een exemplaar aan te wijzen, dat voor de nakomelingen zou kunnen worden bewaard?

39. De leerlooiers-, zadelmakers- en schoenmakerstaal. 211/30

A. De Nederlandsche Lederindustrie (Leerlooiers, Handelaren in leder), C. Misset, Doetinchem 20/7. - De Schoenindustrie, A Tielen, Waalwijk 10/14. - De Schoenmakerscourant (Schoenmakerspatroons), A. Tielen, Waalwijk 2/14. - De Schoenmaker, P. Wetemans, Druten x/7. - Vakblad voor de Schoenmakerij, C. Misset, Doetinchem 20/7. - Leder- en Schoenmarkt, Kauwenberg 29-31, Antwerpen x/30.

C. De Schoen- en Lederbewerker, Hoofdstraat 288, Kaatsheuvel (N. Br.) x/14. - De Belgische Schoen- en Lederbewerker, Wijngaardstraat, Iseghem 2/30. - De Belgische Schoennijverheid, IJzeren Waag 17, Antwerpen x/30. - De Handschoenmaakster, Vereenigingstraat 40, Brussel 1/30.

Volledige Beschrijving van alle konsten (zie nr. 2) nr. 4. - De Leerlooijer, Leertouwer, Wit- en Zeemlooijer. - A. Borghstyn: Moderne Amerikaansche Looimethoden, Doetinchem 1903. - Th. Bogaerts: Het hedendaagsche schoeisel, 1909. - Van Corn Vugt: Handboek der Schoenmakerij, volledige gids tot het aanleeren van handwerk, 1908.

 

Zeer belangrijk is ook de ten onzent nog braak liggende studie: van de termen bij de zadelmakers gebruikelijk. Al de kleinste onderdeelen van het paardentuig hebben hun eigen namen, die gewoonlijk in overeenstemming met de boerentaal van streek tot streek verschillen. In de Vlaamsche Zanten Deel I en II vonden wij een tamelijk volledige woordenlijst der Oost-Vlaamsche Schoenmakerstaal met eenige West-Vlaamsche parallellen:

Achterlap: deel van de zool dat den hiel bedekt. - Achterlap wordt nog in de schoenmakerij gebezigd in den zin van een leeren tuig dat het peerd op de billen draagt. In Limburg en Brabant heet dat: achterhaam. (Ziet Schuermans).
Achterleer: het hielstuk van den schoen vastgenaaid aan het euvelleer.
Asen: stukken leer die men slaat op den leest om de breedte van den schoen te bepalen.
Ast: pek waarmede men den pekdraad bestrijkt. Ast staat voor harst.
Bállikker, bállijker: een beenen of ijzeren bout om b.v. de polevij te likken of te glanzen. De ballikker wordt ook veel de polevijlikker genoemd.
Been: het bovenleer van den schoen bestaande uit den overschoen en de kap.
Bezégel: likstok; volksetymologie van het fra. biseigle.
Bros: rechte els dienende om gaatjes in het zoolleer te boren.
Buisken: kleine koperen buiskens die men nijpt in de schoenen met nestels.
Doornaaiels: dikke gebogene els dienende voor grof werk.
Elsen: men heeft drie voorname soorten van elsen: spanels, doornaaiels en bros. Zie aldaar.
[p. 373]
Elsenaar: 1o. door elsenaar verstaat men soms het werktuig dat nog els wordt genoemd. 2o. Elsenaar beteekent nog al wie met de els werkt.
Euvelleer: euverleer en overleer, dat is: het deel van den schoen, dat den bovenvoet bedekt.
Halfzool: ziet voorlap.
Handleer: een leer in den vorm van eenen handschoen zonder vingerlingen, gebruikt bij zwaar werk.
Hiellikker, hiellijker: houten ronden likker, die bijzonderlijk dient om, gelijk de naam het uitwijst, dien hiel te likken.
Hoofdnagel: ziet kopnagel.
Hoorn: 1o. schoentrekker. - 2o. Een potje dienende om den pak of plaksel in te doen.
Kamereur: ook kameruur en kamerure in West-Vlaanderen. - Dit woord heeft twee beteekenissen: 1o. Het uitgeholde buitendeel van 't onderwerk tusschen den achterlap en den voorlap; anders ook tolsvoet en tol geheeten, (fransch: combrure) van daar: smal of breed werken in den kamereur of kameruur. - 2o. Elk van de dunne stukskens leder, die tusschen de twee groote stukken van de zool geschoven worden, om aan de zool haren behoorlijken vorm te geven. Van daar: er zitten vijf kamereuren in, eene lange en vier korte.
Kap: dat is het bovenste deel van den schoen vastgenaaid aan het euvelleer.
Klamp: ziet achterlap.
Klipper: zoo zegt men ook in de volkstaal kleper voor klepel, leper voor lepel. - De klippel is een dikke stok dien men gebruikt wanneer ér een nagel steekt in den hiel van den schoen. Men breekt zoo den nagel.
Kolis: een houten likker, die op eene fijne punt uitloopt en die bijzonder dient om de randen te likken.
Konterfoor: in West-Vlaanderen konterfoord: het belegstuk van den hiel des schoens om dezes sterkte te verzekeren. De klemtoon valt op foor, foord met scherp lange oo.
Kopnagel: nagels met een hoofd of eenen kop.
Kreek: eene dunne zool die van binnen in den schoen gewerkt is en ligt onder de eigenlijke zool.
Kwijn: sterk hout dat men steekt boven de asen.
Lapzool: ziet zool.
Leest: vorm waar men den schoen op maakt. In de woordenboeken staat het vr. Bij ons en ook in West-Vlaanderen is dit woord m. Men heeft den mansleest en den vrouwsleest of: den leest voor mansschoenen en vrouwschoenen. - Met leest zijn verschillige spree-kwoorden in gebruik. - Schoenmaker, blijft bij uwen leest: Het lijf op den leest zetten: onmatig eten. - Ze passen op eene leest: ze gelijken elkander in denkwijze en in zeden. - Ze zijn op eenen leest geschoeid: ze komen wel overeen.
Leesthaak: ijzeren haak, waarmede men den leest uittrekt uit den opgemaakten schoen. (ziet De Bo).
Likker, lijker: hetzelfde als het Hollandsche likker: voorwerp van been, hout of ijzer om den schoen te doen glanzen of - om in de vaktaal te spreken - den schoen te lijken (likken). Vandaar: lijken dat glad wrijven, of glansen of polijsten beteekent. - In de omstreken van Leuven, en elders in Brabant noemt men dit werktuig: likijzer, likhout of liksteen. (Ziet Schuermans). - Men onderscheidt verscheidene soorten van likkers.
Likstok, lijkstok: lang stuk bukshout om de zolen te wrijven en te glanzen.
Litse: in de omstreken van Gent voor trekker of trekleer.
Maat: papieren reepken waar men de hoogte van den voet, aan den wrijf en den hiel mee vaststelt.
Neep: ziet spanberd.
Negge, egge: snede of scherpen kant van het mes.
Nestel, nesteling: leeren koordeken om de schoen toe te rijgen.
Neus: het uitspringende vormdeel van den schoen. In West-Vlaanderen neuze, neuzelap, neuslap.
Oesel: rug van het mes.
Onderwerk, onderstukken: alles wat van binnen in den ondersehoen verwerkt wordt. Van daar: het onderwerk van eenen schoen
[p. 374]
vernieuwen; het onderwerk kloek maken.
Onderzool: ziet voorlap.
Opvulsel: kleine stukskens leder die men van binnen in 'nen schoen legt.
Overschoen: 't zelfde als het fra. galoche; de overschoen bestaat uit het euvelleer en het achterleer. Oudtijds en nu nog in West-Vlaanderen noemde men dat galoetse en galootse. - In West-Vlaanderen en in 't Meetjesland heeft overschoen meest de beteekenis van leegen schoen in moerevel (Caoutchouc) dien men bij regenachtig weder over de leeren schoenen trekt. Oudtijds was overschoen daar ook een sterke kous die diende om over de leeren schoenen getrokken te worden.
Passer: houten werktuigsken dat dient om de lengte van den voet te meten, en zoo de lengte van de schoen te bepalen.
Peerd: ziet spanberd.
Pekraad: ziet spinaal.
Pijkhouweele: tatse.
Pollevie: de hiel eens schoens; hij wordt gemaakt door een aantal opeenliggende achterlappen.
Rand: een riem van leder die met den zoom van het overleêr vastgenaaid wordt aan de binnenzool en dan aan de lapzool.
Rekker: elastiek. Volgens De Bo: moervel. Dat is eene stoffe die men bezijden in de bottienen steekt om het aantrekken te vergemakkelijken.
Riemeken: het sluitsnoer bij eene leegen schoen. (Ziet De Bo).
Rijgkoorden, rijkoorden: nestels die gekeperd zijn.
Ringken: ziet buisken.
Ritsken: klein getand wieleken, dienende om voorkens te maken in de randen der zolen.
Schoentrekkers, schoensteerten: nestels van leer.
Schoenwas: een smeer om de randen van zool en hiel te wrijven en te glanzen.
Sleuter, sloter: sleutel. Dat is bij de schoenmakers: eene spie die men slaat tusschen de twee deelen van een leerzenbeen om dit te doen spannen in den schacht van eene leers.
Sluitlikker, sluitlijker: een ijzeren likker met een platten uitstekenden tand in 't midden, om de zool te lijken met de randen.
Snijlingen: afgesneden stukskens leêr genoemd afval; in West-Vlaanderen: snielingen.
Snijplank: lange plank dienende om het leer op te snijden.
Spanberd: werktuig bestaande uit twee lange, kromme stukken hout, die aan den eenen kant verbonden zijn door een stuk leder, en aan den anderen kant als eene tang gebruikt worden, om het leder te klemmen, dat men spannen of stikken moet.
Spaneels: fijn gebogen els, dienende voor fijn werk.
Spanriem: een lederen riem waarmede men den schoen vastspant op de knie.
Spelnagel, speldnagel; een lange puntige nagel die speldvormig is.
Spinaal: pekdraad: het schoenmakersgaren.
Steekmes: smal lang mes om tusschen de randen en de zole te steken en het leder af te pellen.
Stek, stekke: een puntig tapken of nagel zonder hoofd, dien men in den hiel en de zool van schoen en leerzen slaat.