|
|
|
| | | | | |
Zevende hoofdstuk. De lagere vaktalen.
De lagere vaktalen zijn thans veel talrijker dan de vroegere
ambachtsen gildetalen, maar zij zijn er dan ook veel armer op geworden. Vroeger
omvatte een ambacht veel meer dan nu. Alle moeilijke onderdeelen komen
tegenwoordig van de fabriek, vele bewerkingen geschieden heel en al kunstmatig,
en bovendien wordt in vele werkplaatsen elke ploeg werklieden: slechts tot het
vervaardigen van één bepaalde soort dingen, of dikwijls zelfs tot
ééne enkele verrichting gebruikt. Bij den nadeeligen invloed
hiervan op het arbeidersgeluk zullen wij naderhand nog moeten stilstaan, maar
hier hebben wij vooral te letten op de verarming van het bewustzijn, die het
gevolg is van de tot het uiterste gedreven vakken-splitsing en de gebrekkige
opleiding in het vak
1). Vroeger
gold bij wet of keur de regel: dat de aanstaande gezel van drie tot zeven jaar
bij een meester het ambacht leerde. De leerling was bij den meester in huis en
werkte met hem mee. Al doende leerde hij van lieverlede de geheimen van het
ambacht. Aan het einde van z'n leertijd gekomen moest de jonge man niet alleen
het getuigschrift overleggen: van zooveel jaren trouwen en eerlijken dienst,
maar bovendien een proefstuk leveren, waaruit bleek dat hij het
zóóver in z'n vak gebracht had, dat hij als loontrekkend gezel nu
bij andere meesters in dienst kon gaan. Na jaren kon hij dan, zoo hij wilde, de
meesterproef afleggen, en pas daarna mocht hij zich vestigen als baas. Men zie
daarover b.v. A. van de Velde: De ambachten der Timmerlieden en der
Schrijnwerkers te Brugge, hunne wetten, hun geschillen en hun gewrochten van de
14de tot de 19de eeuw, Gent 1909.
De groot-industrie, in het Engeland der 18de eeuw
opgekomen, vond in dit systeem een hinderpaal voor hare ontwikkeling, en kreeg
aan den optimistischen Adam Smith een machtigen bondgenoot: in haar strijd
tegen de ‘tyrannieke en slaafsche’ voorschriften in zake het
leerlingenwezen. ‘Het erfdeel van den arme, zoo orakelde deze
oppervlakkige gezaghebber, ligt in de kracht en de vaardigheid zijner handen;
en hem te beletten deze kracht en vaardigheid te gebruiken, op de wijze die hem
goeddunkt, zonder schade voor zijnen naaste, is kortweg schending van dit
heilig bezit. Het is eenvoudig een aanslag op de rechtmatige vrijheid van
werkman en patroon. Het oordeel of de eerste geschikt is voor zijn werk, mag
veilig aan het beleid van den laatste worden overgelaten.’ Jawel,
vrijheid! En meteen zegt Ganguin, hebben de leerlingen allen steun bij hunne
vakopleiding verloren. De industrieele patroons voelen geen belangstelling voor
den leerjongen, die niet meer, zooals vroeger, lid der | | | | familie
is, maar een vreemde, die op de werkplaats overdag een onderkomen vindt, en er
alvast niets dan wat karig geld verdient; want dàt waant elke jonge
mensch thans het éénig noodige om zijn weg door het leven te
vinden. De groot-industrie vormt geen in hun beroep geschoolde vakarbeiders
meer, maar slorpt de voorhanden krachten reeds op kinderlijken leeftijd op. Het
leeren raakt op den achter-, de exploitatie der jeugdige arbeidskracht komt op
den voorgrond. Die kinderen worden afgericht in de uniformiteit van een
allereenvoudigste handeling, en even werktuigelijk als de hen omringende
machines, zoo wordt ook hun gezichtskring, vormt zich hun levenslot. Aan die
verarming van het zieleleven beantwoordt nu ook de verarming der arbeiderstaal.
Terwijl vroeger elke werkman in zijn eigen ambacht zóóveel
ziels-inhoud rijk werd: aan kunnen, weten en willen; en dus
zóóveel verschillende kleurige gemoedsbewegingen beleefde, dat
hij in het dagelijksch leven voor diezelfde ervaringen en gevoelens, bijna
altijd uitdrukkingen en woorden gebruikte aan zijn ambacht ontleend - wij
zullen hier in het volgende deel tallooze voorbeelden van bijbrengen - is dat
tegenwoordig een uitzondering geworden. De meeste moderne vaktalen, inzoover ze
tot nu toe bestudeerd zijn, bepalen zich tot een betrekkelijk kleine reeks
specifieke werkwoorden en dingnamen. Typische uitdrukkingen en kleurige
zegwijzen zoeken wij er tevergeefs. Wij moeten hierin echter weer niet
overdrijven. Want een gedeelte dezer leemte is zeker aan onze gebrekkige kennis
te wijten. In de oudere vaktalen liggen nog thans, vooral in kleinere steden en
dorpen de taalschatten in rijke verscheidenheid te grabbel. En daarom zou
iemand heel en al bedrogen uitkomen, indien hij meende, dat de ambachtstalen
voor den taalbeoefenaar, buiten wat woordjeskennis, niets belangrijks meer
hadden. Ten eerste toch gaan die vaktermen gewoonlijk veel verder, dan men
aanvankelijk zou meenen, d.w.z. de verschillende ambachten hebben reeksen van
woorden die ook óns in onze leeketaal zeer goed te pas zouden komen, als
wij ze maar kenden; en ze hebben ten tweede onder hun vaktermen vele
schilderachtige uitdrukkingen en teekenende samenstellingen of afleidingen, die
elken kunstgevoelige een huivering van geluk om aangevoelde levenswijsheid of
frisschen humor door de slapen jagen; en ten derde spiegelt zich in die
overdrachten, in die nieuwe woordvormingen, dikwijls zoo mooi de typische
ambachtspsyche weer.
Jammer genoeg is er tot nog toe voor de psychologie der ambachten
nog zoo goed als niets gedaan. En met de ambachtstalen is het al weinig beter
gesteld. Toch meenden wij ons niet met de verontschuldiging van ‘geen
Vorarbeiten’ aan dit gedeelte onzer taak te mogen onttrekken. Wat er aan
voorwerk was, hebben wij zorgvuldig geëxcerpeerd en bewerkt, hier en daar
ook zelfstandig verrijkt; en zoo hopen wij althans voor eenige ambachten, in
groote lijnen niet slechts een beeld van hun taal te kunnen ontwerpen, maar
| | | | ook zelfs het een of ander verschijnsel uit hun
sociologische of psychologische eigenaardigheden te kunnen verklaren. Wie
tegenwoordig een vaktaal gaat onderzoeken, denkt dus ten onrechte aanstonds aan
het maken van een woordenboek. En de Koninklijke Vlaamsche Academie heeft met
hare prijsvragen er geducht toe meegewerkt, om deze eenzijdigheid te
bevorderen. Vooral in Vlaanderen toch: bloeien op het platteland nog
verschillende ambachten in vollen rijkdom van allerlei gebeurlijkheden en
gevoelens. En in plaats nu van levende uitdrukkingen en zegwijzen te
verzamelen, zoekt men slechts doode termen. Zoo is het dan ook mogelijk, dat
één en dezelfde persoon soms drie of vier woordenboeken maakt,
van de meest uiteenloopende vakken, die hij onmogelijk alle zelf in den grond
kennen kan. Neen, wie een vaktaal wil bestudeeren, moet op de eerste plaats in
het milieu van dat vak zijn opgegroeid. Bijna zijn heelen schat van gevoelens
en gedachten moet hij in dien kring of door dat vak hebben opgedaan.
Zóó iemand moet dan zijn eigen kringtaal vergelijken met
de algemeene of dialectische taal zijner omgeving, en dan alle verschilpunten
noteeren. Daarbij zal dan blijken, dat hij allerlei bijzonderheden in de
vormleer en den zinbouw heeft op te teekenen, maar vooral van de constructies,
de zegwijzen, versteende uitdrukkingen en spreekwoorden, moppen en raadsels,
liederen en sagen: een merkwaardige verzameling bijeenkrijgt, die, al staat ze
bij den rijkdom van vroeger eeuwen ten achter, toch nog iets anders verdient,
dan uit achteloosheid te worden doodgezwegen.
| |
1o. De diamantslijperstaal 103/30
A. Het Jonge Leven (leerlingen diamantvak). Fransche laan 9,
Amsterdam 5/30.
C. De Katholieke Diamantbewerker. Albert Cuypstraat 58, Amsterdam
12/30. - De Belgische Diamantbewerker. Kerkstraat 34, Boom 3/14.
D. Weekblad v.d. Alg. Nederl. Diamantbewerkersbond. Fransche laan
9, Amsterdam 20/7. - Dr. F. Leviticus: Geïllustreerde Encyclopaedie der
Diamantnijverheid, met medewerking van Henri Polak, Haarlem 1908. L. Vervoort:
De Diamantbewerking, Antwerpen 1912, waarop bijna heel ons betoog berust.
Het is bekend, dat de diamantbewerking in West-Vlaanderen tijdens
de Middeleeuwen opkwam; en men knoopt de uitvinding zelfs vast aan een zekeren
Lodewijk van Berken uit Brugge. In de 16de eeuw had
Antwerpen een bloeiende diamantnijverheid. Na de inneming van 1585
werden Joden en Protestanten uit de stad verdreven. En nu verplaatste zich deze
industrie naar Amsterdam. Later echter kwam in Antwerpen opnieuw
een levendige diamantnijverheid tot bloei. Van Antwerpen uit heeft zich, vooral
in de laatste jaren tengevolge van den loonstrijd, de diamantindustrie over
allerlei dorpen van Zuid-Nederland uitgespreid, en zoo gaan dan, in de
periodiek-terugkeerende slappe tijden nogaleens Amsterdamsche werklieden naar
Antwerpen slijpen, en komen, hoewel minder, toch ook Antwerpenaars naar
Amsterdam. Zoodoende zijn er thans eigenlijk twee dialecten in de
diamant- | | | | bewerkerstaal: een Zuid-Nederlandsch en een
Noord-Nederlandsch. Voor al onze volgende lijsten namen wij het
Noord-Nederlandsch dialect tot grondslag. Het vooropstaande vette woord behoort
altijd daartoe. Wanneer de Zuid-Nederlanders hetzelfde woord gebruiken, drukken
wij een kruisje ervoor. Hebben zij een ander woord, dan volgt dit, eveneens vet
gedrukt, tusschen haakjes, na het Hollandsche. Behalve op het boekje van
Vervoort, steunen mijne Zuid-Nederlandsche opgaven vooral op mededeelingen, mij
allerwelwillendst verstrekt door Edmond Wouters, Voorzitter der Afdeeling van
den Diamant-werkersbond te Niel bij Boom. Merkwaardig is het nu, dat wij in de
Amsterdamsche diamantslijperstaal een heel reeksje echte oude Vlaamsche woorden
vinden, die voor een deel althans juist bij de Vlamingen zelf zijn verloren
gegaan.
VLAAMSCHE WOORDEN BIJ DE AMSTERDAMMERS IN GEBRUIK.
| Aanvijzen (inslagen): aanschroeven. |
|
Afdracht (bijdrage): contributie. |
| †Afzoeten:
polijsten; het wegwerken van krassen en oneffenheden. |
| Bizeel, Bazeel
(bəzeel): de hoofdruiten aan de tafelzijde van een brillant. |
|
Bruut (brut): ruw, onbewerkt. Ook zelfstandig gebruikt: onbewerkt
goed. |
| †Daghuur: vast geld. |
| †Doorslag:
drevel. |
| Draad (was): was, nl. de richting, waarin de diamant
gegroeid, gewassen is. |
| †Drijpikkeltje: drievoet. |
|
†Gang: kring, een gedeelte der schijf, waarop de steenen gezet
worden en waarin zij blijven loopen, totdat dit gedeelte niet meer bruikbaar is
en men een volgenden kring moet nemen. |
| †Gast: knecht. |
|
†Glets: gles, een barst in een steentje. |
|
†Green: grein, witte of zwarte stippen in den steen. |
|
†Klieven: klooven. |
| †Kliever: kloover. |
|
Kompas (malleke of mal): maatje, een passer dien men gebruikt om te zien
of de steen in alle opzichten aan de eischen voldoet, zoodat ieder ruitje zijn
maat heeft. |
| Looien, looier: luieren, luie werkman (Westvlaamsch van
St. Eloy vieren). |
| Ordinaal: glazen flesch met water gevuld,
waardoor het licht beter op de hand valt. |
| †Pin: staart,
achterdeel van de slijperstang. |
| †Pin: steunpen, stalen
stift, die zich op de kloovers- en snijders-bank bevindt en waartegen de
stokken gesteund worden. |
| Polissen: (polijsten). |
|
†Pree: arbeidsloon, ontstaan uit fr. prix, lat. pretium of
premie? |
| Pronksteen (fantasiesteen): fancy-model, ieder model, dat
afwijkt van 't gewone brillant-, kap- of roosmodel. |
| †Rat:
onderkruiper. Uit 't Engelsch overgenomen. |
| Rondeeren:
(rondisten). |
| Scherpe stek (het scherp): meesnijder, stok van
kloover en snijder, die den steen bevat, waarmede gewerkt wordt. |
|
Soldeersel, solduur, (səduur). |
| †Stek:
stok. |
| †Stiel: vak. |
| Tetten, (stekken):
snijdersstokken van vla. fra. tette, speen van een uier, borsttepel. De stokken
worden namelijk dikwijls in den mond genomen. |
| Uittrekkend:
uitstekend. |
| †Vijs: schroef. |
| Zeemvel:
(zeemlap). |
| †Zift: zeef om diamant uit het vuil te
ziften. |
Gelijk wij boven zagen, werden de arme Joden in de 17de
eeuw bijna in geen enkel bedrijf geduld: behalve die met hun geloof in innig
verband stonden als de slagerij en de bakkerij. De andere ambachten die een
gilde vormden, stonden niet voor hen open. Er bleef dus alleen over: de
Hebreeuwsche | | | | boekdrukkerij, de tabaksspinnerij, -snijderij en
-kerverij, en de diamantindustrie, in welke beide vakken nog thans de
meerderheid der arbeiders Joden zijn. Bovendien waren de uit Antwerpen
verjaagde firmanten, ook voor een gedeelte althans, Marranen en Portugeesche
Joden geweest, en nu nog zijn de grootste diamantslijperijen in Joodsche
handen. Geen wonder dus, dat wij in deze vaktaal een reeks Hebreeuwsche en
Jodenduitsche woorden aantreffen; ja, dat er zelfs tot op den huidigen dag, nu
er ook Protestantsche en Katholieke diamantslijpers zijn, een klein reeksje
Amsterdamsche termenparen bestaan, waarvan de eene vast door de
Israëlieten, de andere door de Christenen gebruikt worden.
JOODSCHE WOORDEN.
| Abaus (jdd.): af uit, afloopend uit de tang
d.w.z. wanneer het rondist (grens tusschen boven- en onderzijde van een
brillant) links naar buiten is gericht. Abaus wordt door de Christen-werklieden
verbasterd tot abuis. |
| Abin (jdd.): af in, afloopend in de tang
d.w.z. wanneer het rondist links naar binnen is gericht. |
| Broochewerk
(goed werk): werk, waaraan zij goed geld verdienen. hebr. berachá,
hgd. beroocho, jdd. brooche. Uitgesproken als een gewoon Nederlandsch
woord. |
| Kapore (over zijnen was of over de hand): stuk, of
niet volgens de was gespleten. hebr. kaporá, jdd. kaporo: zoenoffer. Het
zoenoffer werd gedood. Deze omstandigheid en overeenkomst van het woord met
kapot, heeft aan kapore in 't Jodenduitsch de beteekenis van stuk (kapoeres)
gegeven. |
| Kwar (voorschot), kwar nemen: op voorschot nemen. hebr.
kebar, jdd. kewar: van tevoren. |
| Mesjiach (proef, probasie, op proef
nemen), op den mesjiach werken: eerst het goed onder handen nemen, dat het
gemakkelijkst te bewerken is. hebr. masjiach. jdd. mosjiach: gezalfde, later
verlosser (messias). Wie nu de mooiste steentjes het eerst in bewerking neemt,
werkt op den den messias, d.w.z. rekent erop dat de messias elk oogenblik komen
kan, dan moet hij immers onmiddellijk mee naar het Beloofde Land, en heeft hij
dus niet tevergeefs gezwoegd aan de moeilijker steentjes. |
| Pegieme(tje)
(kliefmes): schaard in 't klooversmes. Pegieme (hebr. pegimo) beteekent
schaard. Het wordt gebruikt door den beestensnijder, die het vee volgens de
Joodsch-ritueele voorschriften slacht en wiens mes vlijmend scherp, zonder
schaarden moet zijn. |
| Pots (boord, vuil goed): slecht goed, van
weinig waarde, jdd. Putz, voor vuil uit den neus. Vgl. die Nase putzen. |
|
Raspel (vijl): 't hgd. bekende woord door de Duitsche Joden
overgebracht: vijl (zie aldaar). |
| Rekwelje (verouderd) (schoon
modelleke): diamant die reeds van nature een goeden vorm heeft,
waarschijnlijk van 't fra. recueille; vergl. den Joodschen familienaam Boutelje
uit bouteille. |
| Rijver (poeierpot, vrijver): Een metalen bakje met
dikke wanden, waarin het poeder met olie aangemengd wordt door middel van een
nauwsluitenden ijzeren kegel. jdd. Reiber. |
| Sappelen (knoeien,
knoeiwerk): moeilijk werk verrichten. hgd. zappeln: spartelen. |
|
Sjangenaaien (uilevangen): stelen, oneerlijk doen. Het woord is
waarschijnlijk gevormd uit de namen van 2 Hebreeuwsche letters (s: sammech en
ng: ngaïn). Elk dezer letters is dan het begin van een woord, waardoor het
begrip oneerlijke handelwijze wordt uitgedrukt. Vgl. 100 op blz. 140. |
|
†Sjiffertje: jdd. voor schilfertje. |
| Sjofel (rabru):
slecht (werk). hebr. sjafél, Jodend. sjofeil, wat beteekent: laag,
gemeen. |
| | | |
| Christen. |
Joodsch. |
| Abuis. |
Abaus. |
| Eg. |
Hoek (?) |
| In den boer gaan, boeren. |
Kwar nemen. |
| Een moeilijk steentje. |
Kanoentje. |
| †Korte Zaterdag. |
|
| Neutjeskolen. |
Zeer slechte chipssoorten. |
| †Stek. |
Stok. |
| Een blinde. |
Een meemaker. |
| Een plakje afsnijden. |
Een dag looien. |
De ruwe-diamantmarkt is Londen. De Zuid-Afrikaansche mijnen
zijn in Engelsche handen. Vandaar dat de benamingen voor den ruwhandel en de
klooverstermen meestal Engelsche leenwoorden zijn. Ziehier een lijstje.
ENGELSCHE LEENWOORDEN IN DE DIAMANTSLIJPERSTAAL.
|
†Block: opslijpgoed of kloofsel, waaraan
meest een of twee gegroeide hoeken. |
| †Cape: ruw uit De
Beers-mijnen. |
| †Cape ruby: soort granaat, die bij 't diamant
in de blauwe aarde gevonden wordt. |
| †Cape white: witte kleur,
minder goed dan wit en het zoogenaamde blauwwit. |
| †Carrier:
hartvormig voorwerp der draaibank, dat dient tot bevestiging der plaatjes
phosphorbrons, welke tot zaagschijf gedraaid worden. |
| †Chips:
slechte, moeilijk te bewerken diamantsoort. |
| Claim: recht op een
zeker gedeelte grond, waar diamant gevonden wordt. |
| †Cloosed
goods: zuivere regelmatige steenen. De ‘cloosed goods’
zijn: |
| †a) De eigenlijke ‘cloosed goods’: zuivere
regelmatige steenen. |
| †b) Fine piqué: bijna zuivere
regelmatige steenen. |
| †c) Spotted stones: steenen met meer of
minder zwarte vlekken. |
| d) Crystals: doorgaans zuivere witte steenen
van regelmatigen vorm. |
| De andere goederen worden verdeeld in: |
|
Coated stones: steenen met een dof en ondoorschijnend omhulsel. |
|
Irregulars (Riggelaars): zuivere en onzuivere onregelmatige
steenen. |
| †Blocks: steenen waaraan meest één of
twee gegroeide hoeken. |
| †Fine cleavage: gebroken steenen van
goede kwaliteit. |
| †Brown cleavage: gebroken steenen van
bruine kleur. |
| †Flats: platte steenen. |
|
†Maccles: dikke naadsteenen. |
| Maccles-naats: steenen
met een bijzonderen vorm voortkomende uit de vereeniging van twee of meer
steenen die zich na vorming van hun afzonderlijke kern aaneengevoegd hebben. Op
het punt waar zij aaneengesmolten zijn vormen zij een kruispunt: naat of
naad. |
| †Naats: dunnere naadsteenen. |
|
†Rejections: ordinaire kwaliteit. |
| †Rubbish:
slecht goed. |
| †Boart (boort): boort ter bewerking van
diamant. Nu gaat men opnieuw elke soort behalve rubbish en boart opnieuw
onderverdeelen volgens de kleurschakeering in: † Fine blue white,
†blue white, †fine white, †white, †silver cape,
†fine cape, †(second) cape, †fine bywater, †second
bywater, † off colour, † light yellow, †yellow,
uitsluitend ronde goederen. |
| †Fine lightbrown, †light
brown, †brown, † dark brown, † darkest brown, †
grey, ronde en brokkantige goederen. |
| †Dark: in the dark
koopen, ruw diamant koopen zonder de goederen gezien te hebben. |
|
Digger's lot: zie blz. 299. |
| Fancy (kleur) (fantasie kleur):
iedere kleur, die afwijkt van de gewone, behalve lichtgeel. |
|
†Fine bywater: lichtste bijwaterkleur. |
|
†Fretment: zie splint. |
| Glassy (kristaal): naam voor
regelmatige steenen. |
| †Lot: een onbepaalde hoeveelheid
diamant in één partijbrief bijeengevoegd. |
|
†Macle: naadsteen. Wordt ook maacle, |
| | | |
| maccle
geschreven, fr. macle, lat. macula. |
| †Rat:
†onderkruiper. |
| †River: soort Zuid-Afrikaansch
diamant, dat uit de rivieren door wassching wordt verkregen. |
|
†Shipment: een hoeveelheid aangevoerde ruwe diamant, die door de
ruwhouders in series wordt verdeeld. |
| †Splint: uitschot van
carbon of afgewerkt stukje carbon. Ook wel fretment van to fret:
verbruiken. Zie aldaar. |
De te Amsterdam geslepen-diamant echter vindt op het
oogenblik den meesten aftrek bij de Amerikaansche millionnairs en milliardairs.
Vroeger echter was Parijs de groote wereldmarkt. Vandaar dat de technische
resultaten van slijper en zetter veelal aan 't Fransch ontleend zijn. Dat ook
eenige Fransche termen voor den ruwen diamant in gebruik zijn, is aan de ruwe
Braziliaansche diamanten te wijten, die tegenwoordig meest te Parijs aan de
markt komen.
FRANSCHE LEENWOORDEN IN DE DIAMANTSLIJPERSTAAL.
| Abselveeren (observeeren): observeeren, fra.
observer. |
| †Ajusteeren: pas snijden, fra. ajuster. |
|
Bokaal: fra. bocal. |
| †Brillant: steen, die den vorm
heeft van twee met de grondvlakken tegen elkander komende afgeknotte pyramiden,
waarvan de bovenste meer afgeknot is dan de onderste. Op deze wijze komen de
optische eigenschappen van de diamant 't best tot haar recht. |
|
Brillanteeren, (brillandeeren): naakt brillanteeren: het aanbrengen van
de halven en de starren, nadat de steen in achtkant is gebracht; vol
brillanteeren: al het slijpwerk, nadat de steen in kruis gebracht is. |
|
†Briolet: peervormige dikke steen. |
|
†Brokkantig: fra. broccant. |
| †Bruut: ruw, fra.
brute. |
| Châton: (achtkantje) fra. châton. |
|
Chevreus (chevrees): verbastering voor givreus; zie aldaar. |
|
Chevri(e)n: ontstaan uit 't Fransche chanfrein: de band, dien de snijder
om een was of om den tafelkant van een door het rondist gezaagde vierpunt
legt. |
| Duivekater (Engelsche citroentjes): zie in de lijst der
merkwaardige Nederlandsche woorden. |
| Doublet: fr. doublet, twee
steenen van verschillende waarde, zoo geplaatst, dat de kostbaarste steen
gezien wordt. |
| †Facet: ruitje, facet. |
| Fijnig (een
flake of een weinig): zie veinig. |
| Filet: stuk metaal,
waarin gezet wordt, wat niet afgesneden is. |
| †Forceeren: het
tot enden verwerken van brokjes, waaruit geen kapjes meer geslagen kunnen
worden en die ook nog geen enden zijn. |
| †Galerij: sierwerk
aan 't metalen omhulsel, waarin de steen gezet wordt. |
|
†Givreus: glessig, fr. givreux. |
| †Grein: fr.
grain. |
| †Kanjer: groote steen, fr. cagnard: luilak,
leeglooper. Hieruit zou zich de beteekenis van: een heer, een Piet, een groote
Hans ontwikkeld hebben. |
| †Kantien: fr. cantine. |
|
†Karaat: fr. carat. |
| †Kollet: fr. collet. |
|
†Laks: fr. lakse, lat. laxus. |
| †Markies: fr.
marquise. |
| Mélange: partij kapjes of geslepen, bestaande uit
steenen van verschillende grootte. |
| Mêlé (sorteering):
groep sorteeringen, liggend tusschen grof en klein. |
| Mille grains:
eigenaardige wijze van zetten, waarbij de tusschentanden wegvallen en het getal
greintjes zoo groot is, dat men ze niet meer tellen kan. |
| Navet: fr.
navet(te). |
| †Nijf: fr. naïf. |
|
†Obselveeren: abselveeren, observeeren, fr. observer. |
|
|
| | | |
| Pavé: fr. pavé. |
|
†Paviljoen: fr. pavillon. |
| †Pendeloque: fr.
pendeloque. |
| Rekwelje, Requelje: van het Fransche recueille
(verouderd). |
| (Rondelle): plat schijfje diamant met een gaatje
erin. |
| †Rondist: fr. rondiste. |
|
†Troqueeren: het ruilen van goederen tegen goederen. |
|
Veinig: nadig. Afgeleid van fr. veine: ader. |
Ten slotte geef ik een groote lijst vakwoorden, waarin eenige der
bovengenoemde opnieuw, en nu met de noodige verklaring zijn opgenomen.
MERKWAARDIGE NEDERLANDSCHE WOORDEN BIJ DE DIAMANTSLIJPERS IN
GEBRUIK.
| Aandrukker (koperen aandrukker): instrument om
den steen in 't werk vast te drukken en recht te zetten. |
| Aansteker,
scherpe aansteker: steker om het metaal tegen den steen te werken. |
|
†Achterstuk: gedeelte van den klooversbak, dat de laadjes bevat
en dat na het werk in de brandkast gezet wordt. |
| †Achtkant,
in achtkant: vorm van steen, waarbij hij in 't geheel 8 vlakken heeft op tafel-
en kolletzijde. |
| †Achtkantje(8/8): ongebrillanteerde
brillant. |
| Admittent (knoeier): iemand die vroeger in 't vak was,
maar het tengevolge van malaise heeft verlaten, en in betere tijden weer
terugkomt. |
| †Af, de schijf is af: kan niet meer gebruikt
worden. |
| †Afgedekt: wanneer het metaal, waarin gezet is,
zooveel mogelijk verwijderd is, opdat de steen voordeelig uitkome. |
|
Afgejast (afgebot): wordt gezegd van een botje, dat zeer veel gebruikt
of verbruikt is. |
| Afgejast (afgeknoeid): werk, dat niet met de
noodige zorg en haastig gemaakt is. |
| †Afgesneden: zie
afgedekt. |
| †Afgestooten: zie afgedekt. |
| Afgooien,
de riemen afgooien: ophouden met werken. |
| †Afhouden: Houd het
me Vrijdag af: (Vrijdag was de oude betaaldag) thans gebruikelijk als antwoord
op een verwijt dat de werkman tamelijk luchtig opneemt. |
| (Afkooken):
der steenen in verdund zwavelzuur of salpeterzuur. |
| Afloopend: in
(uit) de tang, zie abaus(abin), lijst der Joden-woorden. |
| Af zijn:
klaar zijn met het werk. |
| Baaltje: steen in kubusvorm, waaroverheen
ribben loopen zoodat de steen eruit ziet als een gepakt baaltje. |
|
†Bak, in den bak: gedeelte van den cementdop, dat naar den bak
toegekeerd is. Uit den bak: gedeelte dat van den bak af gekeerd is. |
|
†Balanceeren, in balans maken: de schijf in evenwicht brengen,
zoo deze wegens ongelijke dikte niet regelmatig loopt. |
| †Bek:
't voorste gedeelte der slijperstang, waarin de dop wordtvastgezeten dat tevens
tot handvat dient. |
| †Bezaaid: de schijf is bezaaid, heeft
veel zgn. poriën om het poeder op te nemen. |
| †Bijwater:
schakeering van lichtgele kleur in den steen. |
| †Blaas: ledige
holte in een steen. |
| Blijandeeren: verbastering voor
brillanteeren. |
| Blompot (uilevanger) blompotten: oneerlijke
handelwijze van een werkman, oneerlijk doen. |
| Bluspot (koelpot):
dienende om de doppen af te koelen wanneer ze warm geloopen zijn op de schijf,
om het inzakken van den steen te vermijden. |
| Boer, in den boer gaan:
op voorschot nemen (van 't loon), gebruikt door Christelijke werklieden. |
|
Boeren: zie boer. |
| Boerenkoolslijper (knoeier): benaming voor
iemand, die oorspronkelijk niet voor het vak bestemd, het op gevorderden
leeftijd heeft aangeleerd. Zoo werden eerst genoemd de zonen van A'damsche
groenteboeren, die diamantslijper werden. |
| †Bokaal: ordinaal.
Zoo genoemd door de zetters. |
| †Bolletje: een heel klein rond
steentje, dat tot endje wordt geslagen. |
|
| | | |
|
†Bolsteker: werktuig om 't metaal in de hoogte te werken. |
|
†Boord: zeer onzuiver diamant, stukjes die fijngestampt worden en
dienen tot bewerking van diamant. |
| †Boort: zeer onzuiver
diamant, stukjes die fijngestampt worden en dienen tot bewerking van
diamant. |
| Boortsjofel: zeer slechte kwaliteit ruw. |
|
†Botergaaf: zeer gaaf, zeer gemakkelijk te slijpen. |
|
†Botje: stuk diamant in den meesnijder om de kerf te maken. |
|
Bot loopen: 't afstompen van een halfje, dat slecht geslepen geen zuiver
langwerpigen driehoek vormt. |
| †Brokkantig: onregelmatig
gevormd goed. |
| †Buik1: 't dikste deel van de
kloovers- en snijdersstokken. |
| Buik2: 't dikke gedeelte
van brioletten en pendeloques. |
| Buks (snijstek): palmhout, waaruit
de blanke kloovers- en snijdersstokken zijn gemaakt. |
| †Chips:
slechte, onregelmatig gekristalliseerde en moeilijk te bewerken
diamantsoort. |
| Collet: zie kollet. |
| Dicht (gesloten): 't
tegengestelde van à jour. |
| †Dicht hebben: wanneer een
koopman op een partij een bod gedaan heeft, dan verzegelt hij die partij, en de
makelaar brengt het bod over aan den verkooper. De makelaar ‘heeft dan
dicht’. |
| Digger's lot: een partijtje ruw, zooals het in het
begin van den Kaaptijd door de delvers zelf in den handel gebracht werd. |
|
†Dik: hetgeen van onder of van boven of aan beide kanten niet in
de juiste verhouding ligt, te weinig geslepen is om de noodige straalbreking te
verkrijgen. |
| Doekje, doekruitje, half doekje: snijdersterm tot
aanduiding van een smal driehoekig ruitje tusschen twee breede hoeken aan een
heel steentje. |
| Doen: handel drijven. ‘Hij doet veel in
roosjes.’ |
| Donker (op riskasie): in het donker, ruw diamant
koopen tegen syndicaats-prijzen zonder het gezien te hebben. |
|
†Dood: wordt gezegd, wanneer een steentje door de vele glessen en
greinen volstrekt geen schittering heeft. |
| †Door de vlam: de
eigenschap dat de hoeken van onderen gelijk moeten loopen met de tafel. De
hoeken van onderen en van boven moeten juist onder elkander liggen, terwijl men
door de tafel het kollet in 't midden moet zien: hierdoor krijgt de steen de
grootste schittering. |
| Doormarsch, den - nemen: een geheele week
niet werken, als er gewerkt wordt. |
| †Doorslag: minst-waardige
soort afval bij het klooven. |
| Door zijn breedst, dikst, langst:
wijzen, hoe de steen genomen moet worden. |
| †Dop: een koperen
bakje, gevuld met soldeer, waarin de steen vóór 't slijpen wordt
vastgemaakt: brillanteer-, hoeken-, kruis-, hooge, platte of vlakke,
mechanische dop. |
| †Draad: richting waarin de steen gegroeid
is. |
| †Draaien: in werking zijn der slijperij. De fabriek
draait Zondag niet. |
| †Dropzuiver: zeer zuiver, zoo zuiver als
een droppel water. |
| Drukkertje: een zeer gering krabbetje, dat de
snijder maakt op een klein uitstekend puntje. |
| Duim: aan den duim,
in de richting van den duim. |
| †Duivekater: eigenaardige vorm
van kristallisatie, die aan de eene zijde het voorkomen van een tweepunt, aan
de andere dat van een vierpunt heeft. Afgeleid van 't fr. deux et quatre (deze
kristalvorm kwam toch vooral bij te Parijs aangevoerden Braziliaanschen diamant
voor), maar onder contamineerenden invloed van 't reeds in 1450 voorkomende
duivekater (feestbroodje) vervormd. |
| †Een blinde: ruitje aan
de kruin van een roosje, dat sjofel is en daarom met 't verstelletje wordt
meegemaakt. |
| Erop hebben zitten (op scheut gaan): b.v. Hij heeft er
6 maanden op zitten: hij heeft 6 maanden niet gewerkt. |
| (Eind): aan
den ruwen steen elk der twee |
| | | |
| tegenover elkander liggende
uitspringende plaatsen. |
| †End(je) (torenendje, bolendje): een
driehoekig stukje, dat van den ruwen steen wordt gekloofd. |
|
†Facet: - van één kant, wanneer de ruit te veel op
een kant loopt, dan moet de dop verbogen worden, opdat alles gelijk loopt. Dit
heet: een facetje (of verzetje) geven. |
| Fijnig (flauwke):
veinig. Zie aldaar. |
| †Gang: aan den gang brengen, een ruitje
loopend maken. |
| †Gat, open gat: dat in den steen komt,
wanneer een gles eruit valt. |
| Gauge: wordt gebruikt voor
verschillende instrumenten, die dienen om te meten en het gewicht te bepalen.
Zie maatje, passer. |
| †Geslepen markt: markt waar
geslepen goed verkocht wordt. |
| †Gesloten: ruw diamant, die
den kristalvorm geheel of ten naastenbij bezit en niet behoeft gekloofd te
worden. |
| †Gezicht: 't inzien der ruwgoederen, die uit de
mijnen zijn aangevoerd; gezicht krijgen, gezicht nemen. Gezicht hebben:
aan de beurt zijn om eene serie ruwe goederen te kunnen koopen. |
|
†Gles: barst in een steentje. |
| †Grauw: dit zijn
de plekken op den steen, die gesneden zijn. |
| †Greintje:
steentje van ¼ karaat. |
| †Grof: groote steenen. Ik heb
grof op. |
| †Grondje: een vakje, dat geslepen wordt, als men
een onzuiver opzoekt, om te zien, welke kant van den steen 't meest geschikt is
voor tafel- of kolletkant. |
| †Haakje: waarmede de à
jour gezette steentjes worden vastgehouden. |
| Halfje (halfken):
driehoekje, dat langs den rondist ligt; bezeel-, paviljoen-, hoekhalfje. |
|
†Halfkrater: steentje van een halve karaat. |
| †Halve
schijf: wanneer de schijf half gebruikt is. |
| †Hangend:
troebel-geel van kleur. |
| †Harde hoek: de zes punten van het
achtvlak (kloven), de vier hoeken aan een tweepunt, die in ruwen toestand den
puntvorm hadden (slijpen en snijden). |
| †Hard staan: wanneer
het lang duurt eer een ruitje geslepen kan worden. Het werk staat hard: het
schijnt wel Bahia (zeer harde diamant). |
| Heel: gesloten. Zie
aldaar. |
| Hobbelwerk: het minste der drie fabrikaten. De andere
soorten zijn: burger- en fijn fabrikaat. |
| (Hoek): elk van de vier
vlakken, die rondom tafel of collet liggen. |
| Holle kies: ruwe steen
met een onregelmatig oppervlak. |
| †Inleggen: een kerf
inleggen, het beginnen van een kerfje, een beginnetje maken. |
|
†Kaartje: een kaartje geven, wordt gezegd, wanneer de slijper
slechts een zeer kleine beweging behoeft te geven, die te groot zou zijn door
een ombuiging van den dop. Hij legt dan onder een kant van de tang een
speelkaart. |
| †Kalet(je): zie kolletje. |
| Kalsedoor
(blootlegger, openmaker): toestand van een steen, die door en door onzuiver
is. |
| Kamer (balanskamer): ruimte der schijf, waarin stukjes lood
gebonden worden. |
| Kanjer: groote steen. |
| Kanoentje: een
zeer moeilijk te bewerken steentje. Wordt gebruikt door Christen
werklieden. |
| (Kant): aan elken regelmatig gevormden en onbewerkten
steen heeft de slijper twee kanten, boven- en onderkant. |
| Kapje
(Kappeke): stuk diamant, dat den kristalvorm heeft. |
| Kenoentje:
kanoentje. |
| †Keteltjesdag: dag waarop vroeger niet gewerkt
werd, wanneer de ketel der machine moest schoongemaakt worden. |
|
†Klateeren: wanneer de rondist tegen het poeder van den zoetkring
komend een stukje afschilfert. |
| (Klateersel): het afgeschilferde
stukje. |
| †Klet(je): kollet(je). |
| Klokkegaaf: zeer
gaaf. Ook botergaaf. |
| Klooven: van misvormde steenen de overtollige
stukken afnemen door middel van een zaagmachine of om van groote don- |
| | | |
| kerkleurige
steenen, kleinere van lichtere kleur te verkrijgen. |
|
†Knikker: groote steen. |
| †Kollet(je): bij den
brillant het beneden uiteinde, hetwelk een regelmatige achthoek moet zijn. Bij
de roos is het kollet het breede ondervlak. |
| (Kolletkant): de kant
waar het kollet ligt. |
| †Kollet op kollet: een steentje dat
van onder en van boven plat is. |
| †Kopje: 't bovenste deel van
den cementkop, dat een weinig wordt geknepen en waarin de steen vaster staat
dan wanneer deze gewoon in 't cement wordt gezet. Men noemt dit maken van een
kopje ‘een kopje draaien’. |
| †Korte
Zaterdag: het gebruik om des Zaterdags slechts een halven dag te
werken. |
| †Kruin: het bovendeel der roos. |
|
†Kruineeren: het dik opwerken van roosjes. |
|
(Kruiswerk): het gereed maken van den steen voor het brillanteeren. |
|
Kuieren (op scheut gaan): niet werken; zonder werk zijn. |
|
Kussentje: de grauwe plek, door de snijdster op 't steentje
gelaten. |
| †Kwart: een geslepen steentje van ¼
karaat. |
| Kwart(je): gekloofd stuk met 2 harde hoeken en 2 gekloofde
zijden. |
| Laatste (leste) van boven: de 4 ronde verstelletjes,
waarmede het brillantwerk aan de tafelzijde is afgeloopen. |
| Laatste van
onderen (leste van onder): de achtste ronde verstelletjes, waardoor het
brillanteerwerk is afgeloopen. |
| Laatste vóór de helft:
de derde ronde verstelletjes, zijnde dus de vóórlaatste ronde van
boven. |
| Laboraat: oude slijpvorm. |
| †Laks: wanneer
de steen te plat is, waardoor het lichteffect kleiner is. |
|
†Lappen: den steen voor verdere bewerking klaarmaken,
bijslijpen. |
| Latjes slijpen: aanslijpen van smalle strooken op de
zijden van een steen. |
| (Lepeltang): om de doppen uit het vuur te
nemen. |
| Licht-op(gewicht werken, zwaar laten): minder soort
fabrikaat, waarbij vooral op 't behoud van gewicht gelet wordt. |
|
Lijntrekken(het rekken): het werk rekken. |
| Loketjuwelier: die
geen eigen personeel heeft. |
| Maatje (mateke, makke): 1) passer, dien
de slijper gebruikt om te zien of de steen aan de eischen voldoet: zie gauge;
2) een plaatje met openingen, om paren te maken; 3) werktuig, om 't gewicht van
gezette steenen te bepalen. |
| †Markies: ovaal geslepen
steen, die in ringen gezet wordt. Ook (halve markies). |
|
†Meesnijder: klooverstok, die den steen bevat, waarmede gewerkt
wordt. Ook heet aldus de steen zelf. |
| †Molen: werktafel,
gewoonlijk 1 M2.groot, waarin de schijf zit. Ook wordt molen
gebruikt voor den slijper: b.v. zieke molen, die molen looit, langzame
molen, vlugge molen. |
| †Molen, vóór den molen:
de plaats van den slijper in tegenstelling tot die van den niet volleerden
slijper achter den molen. |
| †Molenmelker: iemand, die
de kleinst mogelijke ruimte nog wil gebruiken om er een molen te plaatsen. |
|
†Naakt brillanteeren: van steenen, waarop paviljoen en bezeelen
reeds zijn aangebracht. |
| Naïef: zie nijf. |
| Navet:
steen met bijzonderen geslepen vorm van een hart. |
| Nemen: den weg
kiezen, waarlangs de steen bewerkt moet worden. |
| †Nest:
onzuiverheid in de schijf. |
| Neutjeskolen: door Christen-arbeiders
gebruikte benaming voor zeer slechte chipssoorten. |
| †Nijf
(naïef): wat aan den steen onbewerkt is. Om te bewijzen, dat de
steen zoo voordeelig mogelijk gesneden is, laat de snijder aan den steen een
nijf plekje. fra. naïf. |
| †Omgaan: verouderde uitdrukking
voor het in werking zijn der fabriek. |
| Onderkootig (doorlatengaan):
't voorkomen van een steen, wanneer het rondist scheef ligt. Dit woord komt van
koot, een der beenderen van den voetwortel der |
| | | |
| paarden,
dat grooten invloed uitoefent op hun regelmatigen gang. |
|
†Onzuiver: het onzuiver grein, gles. |
|
†Opdikken: bewerking, die de steen ondergaat, wanneer het blijkt,
dat hij anders te vlak zou worden. |
| Op hebben: onder handen hebben
b.v. ‘Ik heb grof op.’ |
| Op papier (in partie): ten
verkoop gereed. |
| †Opsnijder: stok, die den te bewerken steen
bevat. |
| †Op stok: de twee laatste steentjes van een partijtje
onder handen hebben, zoodat alles wat er is, op de stokken staat. |
|
Ordenaal, ordinaal: de glazen bol, die gebruikt wordt om er bij
lamplicht vóór te werken. |
| †Overhouden: b.v.
deze steen houdt 2 karaat over, nadat de steen alle bewerkingen heeft
ondergaan. |
| Paarde(n)vleesch: hout, waaruit de bruine kloovers- en
snijdersstokken zijn vervaardigd. |
| Pakmatje: steen in kubusvorm,
waaroverheen ribben loopen, zoodat de steen er uitziet als een stevig gepakt
baaltje. |
| †Paviljoen: hoofdruit aan de kolletzijde. |
|
†Pendeloque: een steen, die veel overeenkomt met briolet, doch
voorzien is van tafel en kollet. |
| Pes(t)goed (rabru): zeer slecht
ruw goed. |
| †Pinkelen: 't maken van bezeelen en paviljoenen
aan achtkantjes. |
| Plakje (op scheut gaan vgl. blz. 308): een
plakje afnemen, een dag looien: van de volle week iets afnemen. Het beeld
herinnert aan het aansnijden van een brood. |
| Poffertjesbakken:
uitdrukking voor 't maken van slijpvorm, kruin en kollet. |
|
†Poot: haakjes waarmede de gezette steen wordt vastgehouden. |
|
Portretsteen: bijzonder soort van geslepen steen om miniaturen te
bedekken. |
| †Probeeren: een ruitje probeeren: een ruitje, dat
een slijper zelf niet aan den gang kan krijgen, door zijn buurman aan de
werkbank laten beproeven. |
| Proefstoomen (probeeren): de werkgever
laat hen, die zich aanmelden, soms een poos op een stuk werken, om te zien
hoeveel hij betalen kan aan garantieloon of vast geld. |
|
†Prutsen: slecht werken. Afleiding van prutten, verscherping van
brodden, broddelen. |
| Puin: zeer slechte grondstof. |
|
(Raapje): navet. |
| Rauwblijver: een steen die wegens de vele
kruisnaden, niet geslepen kan worden. |
| Rond: kloofsel van
regelmatige kristallisatie. |
| Rondist: de grens tusschen tafel- en
kolletzijde van een brillant. |
| †Rondist, uit de rondist
nemen: flink zeggen, waar het op staat. |
| †Roode lap: rood
vlekje in een steen. |
| †Roos(je): steen met plat grondvlak
(kollet), die den vorm eener kleine pyramide heeft. Hollandsche-, half
Hollandsche-, Antwerpsche roos, moderoos. |
| †Ruitje: algemeene
benaming voor de geslepen vlakjes. |
| †Scherp: ruw werk, ruw
partijtje diamant. |
| †Scherp af: wordt gezegd, wanneer de
snijder een steen zoover bewerkt heeft, dat deze nog slechts gerondist en
nageplozen hoeft te worden. |
| †Schild(je) 1): een zeer dun
endje; 2) een roosje met slechts 6 geslepen vlakjes. |
| Schuit(je):
een stuk, dat door verdeeling wordt verkregen. Hiervan worden vervolgens twee
eindjes afgenomen, waardoor de schuit een kapje wordt. De afgeslagen
eindjes heeten torenenden. |
| Sernaaltje (schelpje): zeer dun
stukje, te dun om er een schildje van te maken. |
| †Sjiffertje:
roosje met slechts drie geslepen vlakjes. jdd. voor schilfertje. |
|
†Slaan: wordt gezegd van de schijf, wanneer zij niet in balans
is. |
| †Slee: toestel, waarin de tang rust. Het maakt, dat de
tang niet bewegen kan. |
| Slothout (pokhout): 't stuk pokhout,
waarmede de schijf wordt opgesloten. |
| †Snijden: de steenen,
die van den kloover of van den zager komen, en die welke door de |
| | | |
|
natuur reeds goed gevormd zijn, ontdoen van de uitstekende punten en ze zooveel
mogelijk den noodigen ronden vorm geven. |
| Soeverein: volksetymologie
van chevrien. Zie aldaar blz. 297. |
| †Spiegel: wordt gezegd,
wanneer door den slag de gekloofde zijde geheel glad is. |
|
†Spiegelnijf: glad nijf. |
| †Spiegeltje: een nijf
of gekloofd kruintje aan een roosje. |
| Spits(je): stukjes, die bij 't
sorteeren in de enden worden gevonden. |
| Spouwen(rottering): het uit
elkander vallen van een steen, nadat de kloover met den hamer op het in 't
kerfje gezette mes heeft geslagen. |
| Stamper (mortier): pot waarin de
boord fijn gestampt wordt om die met olie te vermengen en dan op de schijf te
smeren. |
| †Steel(tje): stukje gegloeid rood koperdraad, dat op
den slijpersdop geschroefd wordt en dient om den dop in de tang te
bevestigen. |
| †Steken: wanneer in een in bewerking zijnde ruit
een onzuivere plaats is, dan maakt deze op de schijf een zilverkleurige groef,
terwijl men een krassend geluid hoort: het ruitje steekt. |
|
(Sterreken): het driekantig vlakje dat men bekomt, als men elke punt of
hoek gevormd door de bijeenkomst van tafel, hoek en bezeel, wegslijpt. |
|
†Stoel: 't breede stuk, dat op de schijf geschroefd en in de spil
bevestigd is door middel van spieën. |
| †Stomper
(knoeier): slijper, die zonder toewijding zijn vak uitoefent maar alleen om
veel geld te verdienen. |
| †Strop: transactie waarbij men
verlies lijdt. Hij heeft een strop. Hij heeft hem een strop gegeven, ook in de
jongenstaal ‘strop!’ met een gebaar naar den hals in de algemeene
beteekenis: dat valt je leelijk tegen. |
| †Stukkenmaker:
iemand, die de afgeslagen stukken maakt. |
| †Tafel: bovenvlak
van den brillant. Bolle-, holle tafel; traptafel. |
| (Tafelkant): de
kant waar de tafel van den brillant ligt. |
| †Tapje: stalen
spil, waarmede een draad in den dop wordt getrokken. |
| Tegenin: een
richting volgens welke de steenen in de tang kunnen gezet worden; tusschen in
de tang en tegen. |
| Tegenuit: richting tusschen uit de tang en
tegen. |
| Theeschijf: soort slijpersschijf met merk Eureka. Dit woord
is ook het merk van een soort thee. Vandaar de naam. |
| †Tikje:
zeer klein puntje op het rondist, als de steen geheel af is. |
|
†Tikken: 't even op de schijf zetten van een steentje, om een
zeer klein facetje te maken. het kolletje tikken: het op de juiste maat maken,
als het te klein is geworden. |
| †Topje: een door de machine
afgezaagde tafel, die tot brillant of roosjes verwerkt wordt. |
|
(Tweepunten): soort van steenen, welke men herkent aan een naïeve
tafel en meestal naïef kollet, twee tegenover elkander liggende harde
punten of einden. |
| †Uitgeven: werk aan den werkman
geven. |
| †Uithalen: den ruwen grond uithalen, de eerste
bewerking, die de schijf ondergaat, wanneer zij geschuurd wordt. |
|
†Uitschieten (sorteeren): bij 't onderzoeken eener partij, die
men koopen wil, steentjes terzijde leggen, die men niet in den koop wenscht in
te sluiten. |
| †Veinig(openleggen): nadig, fr. veine:
ader. |
| Vensteren (blootmaken): 't hier en daar slijpen van plaatsen,
om den steen te doorzien en onzuivers te ontdekken. Heet ook open
maken. |
| †Verdraaid: een steen, die niet op zijn was
loopt. |
| †Verloopen: het te groot worden van een ruitje. |
|
Versch ijzer (schijf inwerken): 't beginnen van een nieuwen kring op de
schijf. |
| †Verstel: het aanbrengen van vier halfjes en twee
sterretjes op het verstelde bezeel. |
| Verstelblok: blok waarin de
gloeiende dop gezet wordt. |
| †Verstellen: 't plaatsen van den
te slijpen steen in den dop. Deze wordt uit 't vuur |
| | | |
|
gehaald, in het blok geplaatst, waarna de versteller aan het soldeer al
knedende den kegelvorm geeft. Hierna wordt de steen bovenin gezet. Dan wordt
met de versteltang en de vingers het soldeer rondom bijgewerkt zg.
‘aangestreken’ en de dop in den bluschbak afgekoeld. |
|
Verstelpin (gasvier, verstelvier): de vlam die bij het verstellen
gebruikt wordt. |
| (Versteltang): om de steenen in de seduur te
plaatsen. |
| †Verzetje: kleine beweging om den dop te
verbuigen. Volksetymologie van facetje. |
| (Vierpunten): steenen, die
zich onderscheiden door een afgezaagde of wel afgesneden tafel en twee of vier
onaangeraakte bezeelen. |
| †Vinger: stift, welke dient om 't
steentje, dat gezaagd wordt, vast aan te drukken. |
|
†Vóórloop: spiritus. Beteekent het product, dat bij
distilleeren van ruwen spiritus, 't eerst wordt opgevangen. |
|
†Was: 1) richting, waarin de diamant gegroeid (gewassen) is, 2)
de helft van een gekloofden steen, 3) geheime was, eigenaardige gewoonte
van slijpers, wanneer een steen, op allerlei wijzen opgezet, niet heeft willen
loopen. Dan wordt de dop uit de tang genomen, in de hoogte geworpen, opgevangen
en blindelings opgezet. |
| Wasbeentje: een beentje met was aan de
punt, om de steentjes op te nemen, |
| (Waskens): steenen, die bovenop
drie wassen hebben. |
| Waspootje: Zie wasbeentje. |
|
Waterdun: zeer dun. |
| Zandchips: zeer kleine chips. |
|
Zandklein: buitengewoon klein. |
| (Zijde): aan den regelmatig
gevormden doch onbewerkten ruwen steen zijn twee zijden, twee tegenover
elkander liggende intrekkende plaatsen. |
| Zitten: zijn werkplaats
hebben, b.v. hij zit bij A. |
| Zoetertje: uiterst kleine beweging van
den dop. |
| Zouten: bedriegelijke handelwijze: het leggen van ruwe
diamanten in een stuk grond en het doen voorkomen alsof men diamant-houdende
aarde heeft. |
Zoo ligt in de woorden van dezen kring dus bijna z'n heele
geschiedenis gekristalliseerd.
| |
2. De taal van goud- en zilversmeden. (Vgl. het dialect van
Schoonhoven). 8/30
A. Vakblad voor goud- en zilversmeden. M. Olivier, Amsterdam.
4/30.
C. De Hazepoot. (R.-K. goud- en zilverbewerkersbond) Groote Oost
116, Hoorn 4/30. Volledige beschrijving van alle konsten, ambachten,
handwerken, fabrieken, trafieken, derzelver werkhuizen, gereedschappen enz. in
24 deeltjes, Dordrecht 1788-1820, nr. 13. De Graveur. - J.M. Lion: Heraldieke
modellen ten dienste van ... graveurs, zegelsnijders enz. den Haag 1894. - P.
Hollman: Het galvaniseeren der metalen4. D. Bolle, Rotterdam.
Daar de meeste juweliers ook goud- en zilversmid zijn, komen in
deze rijke ambachtstaal een heele reeks diamant-woorden voor naast allerlei
fijne metaalbewerkingstermen, en zoo vormt deze groep een overgang tot
| |
3. De horlogemakerstaal. 80/30
A. Christiaan Huygens, B. Cuperus Azn., Bolsward 20/7. - De
Uurwerkmakerskunst. F. van Spanje, Velp, pas opgehouden te verschijnen. -
H. Sievert: Leerboek voor den horlogemaker, strekkende tot
zelfonderricht voor den leerling, en tot handleiding bij het onderwijs van den
patroon2. Bolsward, 1905.
Als ik mij niet vergis, zal deze tamelijk kleine vaktaal zeer
loonend zijn voor het idiomatisch en psychologisch onderzoek. Al de
horlogemakers toch, die ik persoonlijk als goede vakmannen ken, zijn
voorbeelden van een stipt karakter. Het is, of hun fijn en nauwlettend
arbeidsmateriaal een levenstoonbeeld | | | | wordt, dat zij
onbewust in acribie willen nastreven, en ze eischen datzelfde ook van anderen,
wat wel eens onaangenaamheden tengevolge heeft. Al die menschen spreken ook een
overdreven, bijna mathematisch nauwkeurige taal, men kijke er den titel van het
juist geciteerde vakboek maar eens op aan. En in den mond met die saamgeknepen
lippen worden de klinkers glashard en vele zachte medeklinkers verscherpt.
Echte horloge- of klokkenmakers zijn er evenwel in ons land niet meer te
vinden. Zij zijn moeten wijken voor de concurrentie der buitenlandsche
groot-industrie die, wat vroeger de meester met een paar leerlingen deed, thans
in 2000 deelbewerkingen heeft gesplitst, waarvan elke arbeider er gemiddeld nog
slechts twee mag of kan verrichten, zoodat bij de fabricatie van
één slaguurwerk, thans gemiddeld een 1000 arbeiders betrokken
zijn. Tegenover zulke arbeiders, die natuurlijk geen vaktaal meer hebben, staan
nu onze horloges- en klokkenréparateurs nog heden in een zeer goede,
niet geestdoodende maar tuchtkweekende ambachtspositie.
| |
4. De taal der loodgieters, zinkbewerkers en gasfitters.
137/30
A. Het Loodgieters- en Fittersbedrijf (Patroonsorgaan). Eshuis
& Co., Dalfsen. 11/7 - De IJzerwinkel (IJzerwaren en
Verlichtingsartikelen). H. Germs, Doesburg x/7. - Het Gas. C. Teulings, den
Bosch 20/30. - Gas en Water (Verwarming en verlichting) van Breestraat 185,
Amsterdam 13/7. - Het gasgloeilicht. H. Beudeker, Arnhem x/x. Bij de optelling
reken ik hier altijd een x in den teller voor 3 en een x in den noemer voor
30.
D. De Loodgieter en Gasfitter. (soc. gezellen), Zaagmolenstraat
121 B. Rotterdam x/15. - A. van Houcke: Vak- en kunstwoorden, Ambacht van den
loodgieter en zinkbewerker. 2 deelen, Kon. Vla. Acad. Gent 1901, waarin ook
verdere bibliographie.
Voor deze taal geef ik een uittreksel uit van Houcke's
woordenboek. Men lette er wel op, dat dit vooral Vlaamsche vakwoorden zijn,
waarnaast het zeer interessant zou zijn: de Hollandsche parallellen te
vergelijken. Bij deze confronteering moet men evenwel voorzichtig zijn, daar de
bewerker ook vele termen uit Noord-Nederlandsche boeken schijnt te hebben
overgeschreven. De Vlaamsche Academie gaat er blijkbaar in hare prijsvragen
steeds van uit, dat een vaktaal over het geheele land ongeveer dezelfde is.
Hierin ligt zeker een grond van waarheid. Het rondreizen der jonge gezellen,
het aannemen van werk soms ver buiten de woonplaats, het betrekkelijk klein
getal vaklui, dat meestal op ééne plaats samenwoonde, gaven aan
de ambachtstalen reeds in de Middeleeuwen een zekere algemeenheid over het
heele land, binnen den beroepskring wel te verstaan. Men moet dit echter niet
overdrijven; en het is een onloochenbaar feit dat zeer vele termen, juist van
de oudere ambachtstalen, strikt dialectisch begrensd, ja soms zelfs scherp
locaal beperkt zijn. En nu wil het mij lijken dat de bewerkers en de
beoordeelaars dezer Vak- en Kunstwoordenboeken hier niet half genoeg rekening
mee gehouden hebben. Bijna in alle vindt men Hollandsch en Vlaamsch,
Algemeen-Nederlandsch en strikt-plaatselijke uitdrukkingen, meestal zonder
éénig kenteeken kriskras door- | | | | een, óók bij van Houcke; wat te uitdrukkelijker dient geconstateerd te worden, omdat de
ondeskundige lezer uit zijn verspreide bijvoegingen: West-Vla., Vla., Brab.
enz. zou kunnen besluiten, dat al de overige tot de Algemeen-Nederlandsche
vaktaal behooren, wat in de verste verte niet het geval is. Deze fout is in al
deze prijsvraagboeken des te noodlottiger, wijl de Vlaamsche dialectwoorden
nooit, zelfs niet bij benadering, opgegeven zijn met de klanken, waarin ze
alleen voorkomen, maar altijd met onvermijdelijke willekeur worden overgezet in
een fictieve algemeen-Nederlandsche verklanking, die ze vaak tot onherkenbaar
wordens toe opdirkt of verminkt. Ten slotte is hier altijd de alphabetische
volgorde gekozen, die het bijeenhoorende noodeloos vaneenrukt; immers een
alphabetische index achter in een zakelijk geordend vakwoordenboek, zou in alle
behoeften veel beter voorzien. Na deze waarschuwing neem ik echter onder
beneficie van inventaris verschillende bloemlezingen uit deze boeken over.
Alleen liet ik bijna alle samenstellingen achterwege, omdat hieronder bij deze
uitgaven, dikwijls de onmogelijkste eigengesmede termen voorkomen die naar het
oordeel der puristische bewerkers, de feitelijk gebruikte Fransche zouden
moeten vervangen.
| Aandak: bovendeel van den gevel, dat voorbij de
dakschilden (d.w.z. de bedekte hellingen) schiet; ook de randen die buiten de
dakschilden uitsteken. |
| Aanhang (Brab.): afdak. (in W.-Vl.
aanklad, aangetrek; Brab. ook afhang, afhangsel). |
|
Aanval: regenbord: stuk hout onder aan de kepers genageld, om de helling
aan den dakvoet te verminderen. |
| Achteraf: bestekamer. |
|
Afbreken: een staaf afbreken, inkorten. |
| Afeten (afbijten,
schoonbijten, afvreten, klaarvreten): oppoetsen. |
| Afsmetten: 'n
rechte lijn afteekenen door middel van een besmeerd koord. |
| Afsnikkeren,
afsnekkeren (W.-Vl.): bij stukjes afsnijden, b.v. de randen van
bloklood. |
| Apenvel (Hageland): gomelastiek (Vl. duivelsvel,
Br., Antw. ezelsoor). |
| Asselke (Arab.): klein bosje hout, als
vuurmaker gebruikt. |
| Baan: voorvlak van 'n hamer; ondervlak
(zool) van 'n schaaf. |
| Bedraglood: schietlood. |
|
Begijnepomp: gewone huispomp met pompbak. |
| Biljoen:
afgeschuinde kant. |
| Blutsen: bolronde verheffing in 't metaal (aan
den anderen kant 'n buts). |
| Boeibord: plank aan den voet van
het dak, waartegen de goot wordt aangebracht. |
| Bogelen: verheven
rond beeldwerk maken. |
| Bok: tas met schuinstaand hoofd. |
|
Buskool: houtskool. |
| Daal: buis eener pomp. |
|
Daggeren: (Antwerpen enz.) 't rondloopen van 'n boor die niet dadelijk
in 't metaal bijt. |
| Dagvlak: 't zichtbare deel van 'n zinken ruit
(dakbedekking). |
| Dansmeester: passer met sterk gebogen beenen. |
|
Distel: zinken prikkeldraad. |
| Doodman: over den doodman
werken (W.-Vl.): zonder loon werken (‘volontair’). |
|
Dopper: werktuig tot het maken der koppen aan klinknagels. |
|
Drogen, koper drogen: 't afzonderen van tin en lood. |
| Druif:
leunknop aan een omslagboor. |
| Duivel: kleine kachel (i.p.v. komfoor)
om lood of soldeer te smelten. |
| Eenponder: spijker van 1000 in
één pond, zoo halfponder: (1000 in ½ pond)
kwartponder en driekwartponder. |
|
| | | |
| Egge:
1) rand op blik door afdroppelen van het tin; 2) snede van een mes. |
|
Eksteroogen: schitterende plekjes in soldeer (wanneer er niet genoeg tin
is in evenredigheid met het lood). |
| Ezel: ijzeren stang waarop lood
of zink bewerkt wordt. |
| Ezelin: dubbele ezel. |
| Figgelen:
verkeerd snijden van metalen platen. |
| Foelie: zeer dun geslagen
metaal. |
| Gaar, gaar lood: van goede kwaliteit, zonder vreemde
bestanddeelen. |
| Gebet: gebet zand, door verwarming gedroogd. |
|
Gek: 1) uitstekend stuk boven op 'n pomp, waarop de hefboom van den
zuiger steunt; 2) schoorsteenkap (ook Jezuïet genoemd). |
|
Gekrikkel: geluid dat men hoort als tin snel wordt gebogen,
(geknetter, gekraak, geschrei; hieraan wordt tin dadelijk herkend). |
|
Gemoet: verdikking aan een stang, pin in 'n buis. |
| Gespot,
gespot blik: blik met vlekjes. |
| Gestreken: gestreken lood heeft door
de schaven de vereischte dikte gekregen (niet getrokken of geplet). |
|
Glid, glit: loodoxyde. |
| Gording: zwaar stuk hout of ijzer,
rustend op de gebintstijlen van opeenvolgende dakspanten. |
| Grief of
griffel: zinksnijmes. |
| Gruis: kleine nagels. |
|
Haal: stang van komfoor, waaraan de ketel hangt. |
| Handhaaf
(pakaan, pakvast, beide Vl.): hecht, handvat. In 't bijzonder:
handhaaf van 'n zaag, pakaan van gereedschapsbak. |
|
Harpluis: geteerd werk. |
| Harpuis: spiegelhars (verkregen door
distillatie van gom van vurenhout, waaruit al de terpentijngeest getrokken
is). |
| Heiligen (gewestl.): ouderwetsche of geschonden voorwerpen,
uitschot. |
| Heugel: haal, ijzeren haak met ketting, waaraan de ketel
boven 't vuur hangt. |
| Hoos: bekleeding van torentop, onder 't kruis
of topsieraad. |
| Inluiken: buis sluiten door rechter- en
linkerweerboord (omgeslagen kant) over elkander te slaan. |
| Inpinnen:
randen ómzoomen, boorden maken die 'n metaaldraad bevatten. |
|
Jodenhars, -pek, -lijm: aardpek, ‘bitumen’. |
|
Kapittelstok: wringstok van 'n bankschroef. |
| Keper: dakspar;
houten ribben waarop de beschieting wordt genageld. |
| Kiel: plaats
van samenkomst van twee daken of deelen van daken. |
| Knevel: streng,
kort bindkoord. |
| Knier: scharnier. |
| Koeverdak: leien dak,
waarvan de ‘dagvlakken’ ruiten zijn (cf. rensdak). |
|
Koevoet: hooge tas, banktas. Zie tas. |
| Koning: zuiverst
bestanddeel van gemengd metaal; metaalmengsel waarin tin voorkomt, en dat
groote wrijving moet kunnen doorstaan. |
| Korteres, korteres van werk:
schaarschheid, gebrek aan werk. |
| Koudbeitel: korte sterke beitel om
metaal koud te kappen. |
| Krangkant: verkeerde kant, rugzijde van 'n
blad zink. |
| Krauwsel: gietfout, doordat 't zand bij 't gieten van
den vorm valt. |
| Kreushamer: geulhamer, dient om holle keellijsten te
slaan. |
| Kuiken (Antw. pop): blokje ijzer aan 'n omslagboor,
waarin de dril wordt gestoken. |
| Laf, de pomp heeft geen laf: de pomp
is afgeloopen, ‘la pompe n'est pas chargée’. |
|
Libel: luchtbelwaterpas. |
| Lijns: spie (op de as) die 'n wiel
belet af te draaien. |
| Loodboom: de vorm (vertakkingen) waarin lood
kristalliseert tegen zink dat in azijnzuurloodoxied (‘loodsuiker’)
gestoken wordt. |
| Lutsen: wiggelen, losstaan, het staat luts; overg.:
ergens aan wiggelen b.v. bij 't uittrekken van krammen. |
| Lutteren:
het verschilt van lutsen hierin dat de wiggeling ‘veel lichter en
dapperder geschiedt en meest met gereutel vergezeld is.’ (De Bo). |
|
Maagdenlood: onbewerkt lood, dat zoo uit den vlamoven komt. |
|
|
| | | |
| Maas: opening tusschen draden van 'n stof, bij vlechtwerk
malie genoemd. |
| Mal: teekenmodel dat afgetrokken wordt. |
|
Mamiering: geleibuis (eigl. niets dan 'n hevel). |
| Mik, op een
pomp: gek. |
| Mof: van binnen beschroefde rol om twee buizen te
verbinden. |
| Neep: plooitang. |
| Niet: oxied verkregen door
't verkalken van zink. |
| Nieten: ‘nietnagels’ vastzetten,
d.i. metalen platen aaneenklinken. |
| Noesch: scheef. |
|
Oorzaag: zeer smalle schrobzaag. |
| Opdiepen: drijven, metaal
hol-, bolmaken, |
| Overtaster: kromme diktepasser om buizen te
meten. |
| Pezerik: stierepees om gereedschap in te vetten. |
|
Pieters afsteken (W.-Vl.): slechte waar zien te slijten (vgl.
heiligen). |
| Pingel: dun koord. |
| Pompegrui: kleine
platkop-nageltjes, waarmee 't leer aan 't pompslot (Z.-Vl.; N.-Vl.
pomphart) genageld wordt. Ook kloefnageltjes genoemd. Zie gruis. |
|
Puimen: glad slijpen met puimsteen. |
| Raasmaandag, verloren
maandag: koppermaandag. |
| Rabauw, -lood: vensterlood (geschilderde
ramen). |
| Rensdak: leien dak met gebogen
‘dagvlakken’. |
| Roef: schuif, stuk lood met 2 omgeslagen
boorden, om looden platen van dakbedekking (wier randen óók
omgeslagen) te verbinden. |
| Roerlood: dàt
‘maagdenlood’, dat 't eerst afvloeit; de tweede bewerking geeft
perslood. |
| Roffel(schaaf): schaaf om lood op de vereischte dikte te
brengen. |
| Rooier: ‘parallelliniaal’, werktuig om
evenwijdige krassen te maken. |
| Salieblad: blad van een
metaalkrabber. |
| Sas: houten beitel om hoeken (b.v. in een looden
bak) scherp te maken. |
| Schampiljoen: afstand tusschen evenwijdige
leien (van schampelen: afwijken?). |
| Schepelkraan: kraan die
oogenblikkelijk kan gesloten worden. |
| Scheutgeven (Gent-Brussel):
katoen geven, snel voortwerken. Op scheut staan: op den loer staan. Als
er geluierd wordt en de baas komt, dan roept de uitkijk: ‘scheute, de
baas!’ d.i. ‘maakt voort.....’ (misschien ook: ‘schuwt
u...!’ De baas komt dan op scheut. |
| Scheute (O.-Vl.): helling
(W.-Vl. scho(o)t). N.B. In Noord-Nederland zegt men: ‘daar zit schot
achter’ voor: ‘dat vordert flink’. |
| Schild: vlak
van een schild- of tentdak (‘toit en pyramide’). |
|
Schrobzaag: korte smalle handzaag. |
| Schroefgang: de
inspringende ruimte langs den schroefdraad. |
| Schroo: afgesneden
langwerpig stuk metalen plaat. |
| Schroot: dakdeel (voor de
beschieting). |
| Slab(be): plaat lood of zink die het doorzijpelen
verhindert, waar de dakbedekking tegen metselwerk aankomt. |
|
Slabbetje: strookje lood of zink op eene bedekking, onder de
kroonlijst. |
| Slagel, slegel, slei: stuk hout met korten steel om
lood of zink effen te slaan. |
| Slaglijn: de lijn bij 't afsmetten
gebruikt. |
| Slakken: gestold metaalschuim. |
| Slape,
slapergoot: kiel. Zie aldaar. |
| Sleg: hetzelfde als slagel, doch
dient om palen in te slaan. |
| Slot geven: dicht aansluiten, b.v. den
gietvorm. |
| Smetlijn: slaglijn. |
| Smouter: pezerik. |
|
Snaakshoofd: grijnzende kop van lood of zink als versiersel. |
|
Snuit(er): uiteinde van 'n buis, verwijd om 'n andere buis in te
schuiven. |
| Spel: verzameling van verschillende typen van een
gereedschap, b.v. tangenspel (stel). |
| Spiesglans: antimonium. |
|
Spitskopje: topsieraad op gevel- of torenspits. |
| Sprok,
sprooi (Vl.), sproos (Vl.): broos. |
| Spuier: dolfijn,
onderstuk van 'n afvoerbuis in den vorm van een dolfijnekop. |
| Stamp:
holle vorm om 'n plaat bol te stampen. |
| Stapel: poot van stoel,
loodpot, stander enz. |
| Sterfput: zinkput met stankafsluiter. |
|
|
| | | |
| Stuiken: doodloopen van een goot op 'n torentje b.v.. |
|
Tap: uiteinden van de as van een slijpsteen, die in de kussens
vatten. |
| Tas: stalen staak met breeden kop, waarop metaal wordt
bewerkt. Deze wordt met den staart in 't tasgat, in de werkbank of in 'n
blok gestoken. |
| Toot (tuit, teute W.-Vl.): bek, spuwer van 'n
pomp. |
| Tremel: soort trechter tot 't laden van een oven. |
|
Uitslaan: een werk uitslaan: in volle grootte afteekenen. |
|
Verglaasd, vergleierd, vergleisd: geëmailleerd. |
|
Vergunning: dikte en gewicht van bladzink worden slechts benaderend
opgegeven; 'n kleine vergunning is toegestaan; 't mag wel wat
verschillen. |
| Verkitsel: stopverf. |
| Verlaat: kraan
waarmee 'n heele vertakking der waterleiding kan worden afgesloten. |
|
Versmeren: zachte metalen (o.a. lood en zink) versmeren de vijlen: deze
bijten niet meer (groeven vol vijlsel). |
| Versterven: 't vervliegen
van scherpe vochten, wat verschalen is voor dranken. |
| Verval:
helling, verschil in hoogte. |
| Verzinken: nagels dieper inslaan,
zoodat de kop niet meer uitsteekt. |
| Viertijd: schofttijd. |
|
Vijlstaak: bankschroef. |
| Vlotter: drijfkraan, toestel om
waterstand in vergaar- of stortbak te behouden. |
| Voeting: plaats
waar 't staande deel van 'n dakvenster de dakbedekking snijdt. |
|
Watergarf: garfvormig buizenstelsel. |
| Waterspruit: zie
waterspuier. |
| Waterspuier, waterspuwer: looden of zinken bak om het
dakwater naar beneden te voeren. |
| Wekker: kleine spuwer boven 'n bak
ofgoot, als veiligheidsklep voor buisverstopping. |
| Wemelen: boren
met een wemel (W.-Vl.), omslagboor. |
| Wolf (vooral Vl.): 1) nok, 2)
gek. |
| Wrange (W.-Vl.): zwengel. |
| Zaling: bekleeding aan
een schoorsteenmonding. |
| Ziel: 1) ijzeren of houten beslag van 'n
topsieraad; 2) blaasbalgklep. |
| Zoetsteen: aanzetsteen. |
|
Zoetvijl: platte fijne vijl. |
| Zot draaien: dit doet 'n
schroef met versleten draad of in 'n verwijd gat: hij pakt niet meer. In 't
Hollandsch: die schroef is dol. |
| Zwei: haak met beweegbare beenen om
hoeken te teekenen. |
| Zwijn: dakruiter, versierde ∧ -vormige
dakvorst. |
Dat de opkoming van het gaslicht in deze vaktaal een groote
verandering en verrijking heeft gebracht, spreekt van zelf. Maar van Houcke
schijnt de gasfitterstaal niet in zijn bestek te hebben opgenomen. Tusschen
deze groeptaal en de volgende (der koperslagers) rangschikken wij nu het best
de groot-industrie van blanke schroeven, moeren, façondraaiwerk, gas-,
étalage- en electrische fittings. De fabriek der ‘Automatic Screw
Works’ te Nijmegen bekleedt hier een voorname plaats. Het
eerste wat den binnentredende opvalt, is dat hier de metaalarbeid als bestaande
uit eenige zeer lichte handgrepen aan de banken, vooral door vrouwen en meisjes
wordt verricht. Door de specialiseering in onderdeelen, is voor haar de routine
in één richting van meer waarde, dan de kennis van het heele
bedrijf. Geen wonder dan ook dat van de 207 arbeiders en arbeidsters er slechts
74 geschoold, 8 getraind zijn en de overige 125 heel en al ongeschoold kunnen
blijven (1 Jan. 1910). Van de groote massa wordt dus veel minder vakkennis
geëischt dan voor den burger-ambachtsman, maar bij de kleine minderheid
der chefs, werkmeesters en op- | | | | zichters natuurlijk belangrijk meer.
Wie de vaktaal der Nijmeegsche zinkbewerkers en gasfitters, met die der
werklieden uit deze fabriek eens systematisch wilde vergelijken, zou een werk
kunnen tot stand brengen: even leerrijk voor de taalwetenschap als voor de
sociologie. Ook de blikken-, trommel- en bussenfabricatie is reeds bijna heel
en al aan het gewone ambacht onttrokken. Groote fabrieken te
Krommenie, Dordrecht en Vlaardingen
leveren gemakkelijk 200,000 blikken bussen per dag. Bijna al de deelbewerkingen
worden door machines verricht. De deksels b.v. worden uit een strook blik
gestampt. ‘één man kan zoo in één minuut 100
deksels laten stampen. Het instellen van die gestampte deksels om er den
ongelijken rand af te fraisen, maakt den indruk van razende vingervlugheid en
intensiteit. Bijna alle machines worden door ongeschoolden bediend. De meer
ingewikkelde felsmachines door jongens beneden de 16 jaar. Zoo van de straat
worden ze eraan gezet; nu eens staan ze aan een persje, dan aan een
felsmachine, dan aan een kantmachine, een kleine buigbank of walsje. Na een
week hebben ze de gewenschte snelheid in hun werk. Het handwerk is, op wat
soldeeren na, geheel en al verdrongen: 78,5% ongeschoolde arbeiders,’
natuurlijk bijna zonder vaktaal. In de gasfabrieken, wier arbeiders ook nog bij
deze groep moeten gerekend worden, is het weliswaar iets beter. Op de
gasfabriek van Amsterdam zijn 20,7% geschoolden, 34,3% getrainden en 45%
ongeschoolden.
Het gaat hiermee dus langzamerhand overal denzelfden weg op, dien
Adam Smith in zijn Wealth of Nations van 1776 reeds voor de speldenfabricatie
beschreef: één man alleen zou op één dag hoogstens
20 spelden kunnen maken. Nu is het werk in 18 deelbewerkingen gesplitst, en
maken ze (in 1776!) met 10 arbeiders 48000 spelden per dag’. En dan houdt
Smith een lofrede op die gulden arbeidsverdeeling, waardoor niet slechts iedere
werkman een grootere bedrevenheid krijgt voor zijn onderdeel, maar bovendien de
tijd bespaard wordt, die anders bij 't overgaan van het een naar het andere
werk verloren gaat, en waardoor ten derde zoo vele machines worden uitgevonden
door gewone arbeiders, die er hun aandacht op richten, hun eenvoudig werk
nòg vlugger en zekerder te maken. Van het nadeel zoo den menschelijken
geest berokkend, had Smith nog geen flauw vermoeden. Weldra echter verhieven
Ricardo in zijn Principles of political economy and taxation3 1821
en Sismondi de Sismondi: Nouveaux principes d'économie politique 1819,
hunne waarschuwende stem. Zeker, zegt de laatste: ‘Iedereen maakt iets
beter, als hij altijd hetzelfde doet; en waar ten slotte zijn arbeid wordt
teruggebracht tot de allereenvoudigste bewerking, komt hij er toe die met
zooveel gemak en vlugheid uit te voeren, dat de oogen hem niet meer volgen
kunnen. Maar vaak leert deze arbeidssplitsing, dat de arbeider aan een machine
gelijk geworden, ook door de machine vervangen wordt. En zoo begrijpt men, dat
de mensch door deze | | | | splitsing: aan intelligentie,
lichaamskracht, gezondheid en levensvreugde evenveel verloren heeft, als hij
won aan vermogen om meer rijkdom voort te brengen.’ ‘Want door de
verfijnde kunstige samenstelling van het werktuig, zegt Prof. Quack, werd de
taak van den arbeider hoe langer hoe eenvoudiger. Door de geweldige
arbeidsverdeeling werd zijn werk hoe langer hoe monotoner en dommer.’
Niet geheel gelijk is de toestand in de volgende naverwante groep.
| |
5. De taal der smeden en koperslagers. 149/30
| >A. De Hoefsmid. A.W. Heidema, Huygensplein 5, den Haag 1/30. -
Orgaan voor smedenpatroons. IJzer-, staal- en rijwielindustrie, Ruygrok &
Co Haarlem 1/7. - Vakblad voor smeden. H. Germs, Doesburg 1/7. - De Smidsgezel.
(Rotterd. metaalbewerkers), v.d. Werffstraat 47, Rotterdam 1/x. - De IJzer- en
Staalkroniek. Gebr. Binger, Amsterdam 7/7. - Vakblad voor den smid,
koperslager, loodgieter, Installateur, en den handel in ijzerwaren, motoren,
rijwielen, enz. C. Misset, Doetinchem 1/7. |
| B. De Metaalbewerker. Balistraat 9, Utrecht x/x. |
| C. De Metaalbewerker ‘St. Eloy’. Eikenweg 17 Amsterdam
x/14. - De Metaalarbeider. Holstraat 65, Gent 9/15. |
| D. De Metaalbewerker. Prinsengracht 965, Amsterdam 20/7. |
K. Berghuis: Handboek voor het smeden. D. Bolle, Rotterdam. - H.
van Dijk: Modern Smeedwerk. Amsterdam 1906. - Jos. Herman: Modern
Kunstsmeedwerk. Amsterdam 1906. - J. van der Kloes en J. Risch Jr.: Handleiding
voor den metaalbewerker, meer in 't bijzonder voor den smid2, Leiden
1908. - F. van der Togt: Practisch handboek voor den metaalbewerker en den
leerling in den machinebouw. Van Looy, Amsterdam. - R. van der Wal: Handboek
voor smeden. Van Mantgem & De Does, Amsterdam 1907. - A. de Bruyn: Gids
voor hoefsmeden. Den Haag 1882. - Frateur: Een overzicht van het hoefbeslag.
Leuven 1906. - F.C. Hekmeyer: Handleiding tot de leer van het hoefbeslag.
Belinfante, 's Gravenhage 1905. - J. Hinze: Het hoefbeslag, leer- en handboek. 's Gravenhage 1906. - F. Lameris: Het hoefbeslag in woord en beeld. C.
Misset, Doetinchem 1904. - J. Moubis: Het hoefbeslag. Handl. tot eene
rationeele uitvoering van het hoefsmidsvak. Amersfoort 1889. - J. Vuylsteke:
Vak- en Kunstwoordenboek, Ambacht van den smid. Gent 1896.
Ook voor deze
vaktaal heb ik een uittreksel gemaakt uit het juistgenoemde Vakwoordenboek der
Vl. Academie, en gelden dezelfde opmerkingen als ondernr. 4.
| Aaneenwellen, wellen: witgloeiend maken en zoo
aan elkaar hameren. |
| Aanstuiken (den kop aan staaf of spijker):
ijzer in de richting zijner lengte op zichzelf ineendringen, teneinde het in
dikte te doen toenemen. |
| Aanvijzen, vijzen: met schroeven
vastmaken. |
| Aardvlas, steenvlas: onbrandbare delfstof die gebruikt
wordt in gaskachels om brandstof te verbeelden, asbest. |
| Afbramen:
de bramen of baarden van het metaal met vijl of beitel afwerken. |
|
Afeten, klaareten: een stuk ijzer klaar of wit laten trekken in sterk
water. |
| Afrooien: met een rooier afteekenen. |
| Alaam,
aalme of halme: de verzameling werktuigen van den smid. |
|
Arduindook: een stuk gesmeed ijzer dat in arduin vastgegoten wordt met
lood en dient om iets vast te maken. |
| Arend: 't spits uitloopend
uiteinde van een snijdend werktuig, waarmee het in het handvatsel gestoken
wordt. |
| Baar: metalen staaf of stang. |
| Barbeel: tanden
onder en boven aan het schof van een slot. |
| Begeven: onder het
gewicht of de kracht plooien. Een ijzeren balk begeeft niet licht. |
|
Begorie, bigorie, speerhaak: aambeeld met twee hoornen of
spitsafloopende armen. |
|
| | | |
| Beloen: afgevijlde of
afgeslepen kant van een stuk metaal |
| Betemperen, (be)timperen: staal
verharden met het gloeiend in water of olie te dompelen, (fra. tremper).
Timperen wordt ook gezegd van het met een lepel door elkaar slaan en stijf
maken van het beslag voor een pannekoek: struif timperen. |
| Bijten:
deze vijl bijt niet meer: is versleten. |
| Bladderig: gezegd van
ijzer, waarvan de oppervlakte met pellen of blaasjes bedekt is. |
|
Bloket: dik stukje ijzer, dat binnen in de slotkas vastzit en evenals de
reepen dient om de valsche sleutels te beletten van tot de barbeelen te
geraken. |
| Bo(e)kscharnier: uitspringende scharnier, die bij het
sluiten der deur toeslaat gelijk een boek. |
| Braam: baard van
gegoten, gevijld of gekapt metaal. |
| Brandels: haard- of vlamijzers,
ijzeren of koperen staanderswaarop men houtvuur maakt. |
| Broek:
ijzeren gesmede band, die een voorwerp omsluit en bijeenhoudt. |
|
Centerboor, appel- of cirkelboor: boor met centrum, om
groote regelmatige gaten zuiver en snel te boren of om cirkelvormige
insnijdingen te maken. |
| Dook, dokke: stuk rond plat of vierkant
gesmeed ijzer dat van onder verdikt, gewrongen of gespleten is en in arduin met
lood vastgegoten of in metselwerk met plaaster vastgezet wordt. |
|
Doorn: ijzeren of koperen lichtstander voor veel kaarsen, vooral in
kerken gebruikt. |
| Doorslag, drevel, pons, drijfijzer: werktuig
waarmee een metalen plaat doorgeslagen wordt. |
| Dopper: holle
doorslag, dient om regelmatige koppen aan de klinknagels te slaan. |
|
Draailing, wervel: ijzeren plaatje dat op een nagel zit en draaien
kan. |
| Draailing, draaisel: kleine ijzeren krullen, welke bij het
bewerken op de draaibank van het ijzer vallen. |
| Driepikkel: ijzeren
standert met 3 voeten, waarop men lange stukken ijzer laat rusten om ze te
bewerken. |
| Draaispank, -massche: ijzeren schakel, waarin een
draainagel zit. |
| Drevel: zie doorslag. |
| Drijfijzer: zie
doorslag. |
| Dril: stalen priem om gaten in metaal te boren. |
|
Drilboog: boog waarmee men de drilklos in beweging zet om met de
borstdril gaten te boren. |
| Duim-, goudslecht: hengsel of scharnier
die aan het einde kokerwijs omgekruld is, om op een duimhaak te draaien. |
|
Duivelken: klein gegoten kacheltje. |
| Eest: haard der
smidse. |
| Elleboog: stuk buis in den vorm van een elleboog. |
|
Ezel: ijzeren balk die, in een kram geschoven, op de werkbank rust en
waar het plaatijzer op bewerkt wordt. |
| Ezelin: dubbele ezel, dien
men gebruikt in de vijlstaak gespannen. |
| Flokkezwart: fijn zwart
poeder dat, gemengd met terpentijn, gebruikt wordt om de kachels te
zwarten. |
| Frikkelen, uitfrikkelen: met een halfronde of ronde vijl
een groef boogvormig uithollen. |
| Gang: hengsel van een deur. |
|
Gemoet: plaats waar een metalen staaf verdikt om tegen een ander stuk
gespannen te worden. |
| Geut(e), goote: versch gegoten ijzer. |
|
Geuteling: oude gebroken stukken van gietijzer. |
| Geuze: nieuw
ijzer, dat dient om, samen met ander ijzer gemengd, geut te maken. |
|
Grendelgemoet: zie houvast. |
| Grui: nageltjes met platte
kopjes. |
| Haaklede: hangsel. |
| Haal: zie hangel. |
|
Hangel, haal, hengel, hangelhaak: getand hangijzer bij houtvuur in den
schoorsteen gebruikt om ketels aan te hangen. |
| Helpen: een slot
helpen, herstellen. |
| Houtvast: scherp stuk ijzer met platten
voorkant, dat in den muur geslagen wordt en dient om iets op te houden. |
|
Houvast, stuit, grendelgemoet: haak of uitsteeksel aan een grendel of
schuif om hunne bewegingen te beperken. |
|
| | | |
| IJnze, ijns,
inze, eins, einze, heinze, heynse, heize, eis: ijzeren omgebogen handvat
voor ketels, emmers, koolbakken enz. |
| IJzermaal: ijzerroest. |
|
IJzermastiek: soort van cement om kachelpijpen en ander ijzerwerk dicht
te maken. |
| Inhalen: inhameren, met een hamer vernauwen. |
|
Inluiken: een rechtschen of linkschen weerboord over elkander slaan en
zoo de buis sluiten. |
| Insassen: met een sas doorzetten. |
| Sas,
zethamer: een stuk verstaald ijzer met effen vlak, of waarin een geul of
een anderen vorm uitgehold is, en waar men op slaat om het ijzer glad te smeden
of om den uitgeholden vorm aan een onderliggend stuk gloeiend ijzer te
geven. |
| Invetten: met olie of was bestrijken om van het roesten te
vrijwaren. |
| Jager, jacht: plaatijzeren of gegoten vuurdekker voor
open vuren. |
| Jachtwiel: groot wiel dat het boortuig of andere
machines in gang houdt. |
| Kalkoentjes: kleine schroeven zonder kop en
aan den kop verdund om in versierselen vast te klinken. |
| Kanonboor:
een dril om een geboord of geslagen gat te zuiveren of wat wijder te
maken. |
| Keere, sofreinkeere: boor om de bramen van de pasgeboorde
gaten af te draaien. |
| Klamp: een soort van kram die met bouten of
vijzen vastgezet wordt. |
| Klauwijzer: kleine vierkante ezel met een
verhoog of tafel aan het uiteinde en die in de vijlstaak gespannen wordt. Het
dient om plaatijzer over te slaan en om de klinknagels achter een boord vast te
kunnen slaan. |
| Klepper: hamer van een slagbel; ook haak die een
tandwiel belet verder te draaien. |
| Klouwiere: stuk ijzer met ronde
en vierkante gaten, waarin men de pinnen der nagels steekt om er een kop aan te
slaan. |
| Kraag: kort stuk buis met rand, dat rondom het rookgat van
een kachel geklonken is en dient om de buis op te zetten. |
| Krukboor:
tweepuntige handboor om gaten te verwijden. |
| Krukgang: langwerpige
scharnier. |
| La(a)(i)ijzer: al het oud en onbruikbaar
ijzer. |
| Lasch,: de plaats waar twee stukken ijzer aan elkaar gesmeed
zijn. |
| Lecht: hengsel. |
| Leêgaard, wippe: trapplank
waarmee men de wrang van een draaibank of slijpsteen doet draaien. |
|
Lengsel: stuk ijzer, dat men aan een ander zet om dit laatste
gemakkelijker te hanteeren in het smeden. |
| Lijns, leinze, lijnze:
spievormig stuk ijzer dat door den top eener as gestoken wordt, om te beletten,
dat het wiel afdraait. |
| Lijshaak: metalen haak, die met een nagel
vastzit, doch zoo dat hij er op kan draaien. |
| Maalde: mal; wanneer
men een aantal gelijke stukken in plaatijzer moet uitkappen maakt men eerst een
juiste maalde, waarmee men al de stukken afteekent. |
| Malie: ijzeren
of koperen ringetje. |
| Massche, maze: schakel van een keten. |
|
Mijnsel, minsel, mensel, meinsel, munsel: kleine metalen band aan het
einde van een stok, mes, handvat enz. om het splijten te beletten. |
|
Misplat: langwerpig vierkant. |
| Nijd: omgeklonken of
overgeslagen top van een nijdnagel, nijdbout of nijdspil. |
| Nijden:
een nijdnagel vastklinken. |
| Noot: de noot van een dagslot is een
rond stuk ijzer of koper met twee vleugels, in zijn dikte met een vierkant gat
doorboord. In dit gat past de pin van de kruk waardoor men het slot in beweging
brengt. |
| Ontlaten: ijzer dat door het hameren te hard geworden is,
verzachten met het wederom te heeten. |
| Pons: zie doorslag. |
|
Poont, (punt): dunne spijker. |
| Rooier: ijzeren roede met een
koperen rondeeltje vast op den top en een beweegbaar grooter rondeel in ijzer
om evenwijdige koperen lijnen op plaatijzer af te teekenen. |
| Rul:
ruw, hobbelig, oneffen. |
| Rust: in een slot de kerf, in den bovenkant
van het schof van een slot en waarin de veer rust, die het slot in- en
uithoudt. |
|
| | | |
| Scharten: enkel met de grove vijl de peelen
van het gesmeed ijzer afnemen, voor grof smeewerk, dat moet geschilderd
worden. |
| Scheers: platen spie, die door een bout gestoken wordt en
dient tot sluiting. |
| Schaf: het deel van een slot, dat door den
sleutel in- en uitgeschoven wordt. Eigenlijk alles wat uitgeschoven wordt. |
|
Schoot, veurster: de voormuur van een schouw langs welks binnenkant de
rook naar boven stijgt. |
| Stuit: zie houvast. |
| Tap:
geschroefde stalen pil waarmee men een draad in moeren kan trekken. |
|
Tas: verstaalde of stalen blok om ijzer op te trekken of vast te
klinken. |
| Veurster: zie schoot. |
| Wachter: ijzeren buis
boven op een schouw gezet en draaiende volgens den wind om den trek te
vergrooten. |
| Wippe: zie leêgaard. |
| Wrong: een plooi
in gesmeed ijzer. |
| Zetkamer: zie sas. |
| Ziel, windvang: de
sluitval van een blaasbalg waar langs de wind ingetrokken wordt. |
|
Zwaluwstaart: verbindingsmiddel om 2 stukken metaal stevig aan elkaar te
brengen. |
| Zwee: een juist rechthoekige schrijflat om langs af te
teekenen. |
Ook hier heeft de grootindustrie het ambacht reeds verdrongen: uit
het constructiewerk, de gieterij en de grofsmederij. De meeste wijzigingen
onder den invloed der moderne machines kwamen pas in de laatste 20 jaren tot
stand. In de smederij verschenen de stoomhamers en smeedpersen, in de
ketelmakerij het hydraulisch klinken, en het nog jongere pneumatische caulken;
in de schaverij werd het schaven door fraisen, in de draaierij werden de oude
banken door automatische vervangen, in de gieterij kwamen de nieuwe
vormmachines, ook hydraulische; de montage kreeg betere electrische kranen, de
poetserij haar zandblaasmachines, de modelmakerij haar zaag- en schaafmachines.
Wat verder vooral opvalt, is weer de groote specialiseering in nieuwe beroepen.
Maar toch schijnt hier de vakbekwaamheid niet sterk te verminderen. Want wat
aan veelzijdigheid verloren werd, werd aan volmaakte werkwijze en grooter
nauwkeurigheid gewonnen. Zeker het oude vak werd vernauwd, maar de werkman
levert tienmaal beter werk, en daar beleeft hij eer en genot van. Bovendien
stellen de grootste fabrieken er prijs op, zelf hun jonge arbeiders in vak- en
avondscholen degelijk te onderleggen, veelzijdig te oefenen en hun een kijk te
geven op het heele bedrijf. Verder houdt ons kleine landje de al te eenzijdige
specialiseering der fabrieken tegen, zoodat toch nog vele arbeiders van alle
markten thuis moeten zijn, en een heele vaktaal kennen. De geschoolden vormen
nog 80% der werklieden. Als van der Waerden dan ook de Amerikaansche en
Duitsche toestanden met die onzer vaderlandsche machinefabrieken vergeleken
heeft, komt hij tot een betrekkelijk gunstig resultaat. En het ziet er,
eveneens volgens hem, niet naar uit, dat dit in de eerste jaren sterk
veranderen zal. Wij hebben hier dus een geval, waaruit blijkt, dat ons moderne
industriewezen niet onvermijdelijk gedoemd is, om den arbeider dom, en zijn
zieleleven leeg te houden. En waarom zouden de andere industrieën,
desnoods door verstandige wetten een handje geholpen, zich hieraan niet kunnen
spiegelen?
Jammer genoeg hebben zich door de genoemde nieuwe machines, een
paar ver- | | | | wante takken van metaalbewerking ontwikkeld,
die ten slotte buiten de moederfabriek terecht kwamen; ik bedoel de
schroefbouten- en klinknagelfabrieken. Het eenvoudige werk bestaat hier in
draadsnijden, moerenfraisen, moerentappen en boutenpunten, alles met de
machine, en in 2 maanden te leeren. Een beetje moeilijker en in 6 maanden te
leeren is het moerenmaken, het boutensmeden en het klinknagelmaken. De
arbeiders doen eigenlijk niets anders dan de machines voeden met koud of
gloeiend materiaal, terwijl hun eentonige arbeid zonder onderbreking doorgaat
in het tempo, grootendeels door de machine zelf bepaald. Verreweg het grootste
getal werklieden is hier dus ten eenen male ongeschoold. Van een vaktaal is
geen sprake meer. Op zulk een geestdoodende fabriek moest eigenlijk een
normaal-begaafd arbeider niet langer dan één of twee jaar mogen
werken, om vandaar over te gaan naar de machinefabriek. De Rijwielindustrie is
ook sinds 20 jaar een zelfstandige tak van bedrijf geworden. Voortdurend werd
in dien tijd door nieuw geconstrueerde machines de geschoolde arbeid, hier
gemiddeld in 5 jaar te leeren, omgezet in getrainden van 3 tot 6 maanden. En
ten slotte is het percentage der geschoolden in ééne fabriek tot
23% en in een andere zelfs reeds tot 10% gezonken. In deze laatste worden
althans de chefs gekozen uit de beste arbeiders. Gelijk men ziet houdt deze
industrie dus tusschen de beide vorige het midden, hoewel allesbehalve een
gulden midden. Het zou nu de moeite loonen, naar de vaktaal der verschillende
soorten van werklieden in deze drie soorten van fabrieken een degelijk en
onbevooroordeeld onderzoek in te stellen, om te zien in hoeverre inderdaad
mannen met normale begaafdheden voor inferieuren arbeid worden gebezigd. Want
hierop heeft men tot nog toe, mijns inziens, bij de beoordeeling van dergelijke
vraagstukken niet voldoende gelet. Ook bij de oude ambachten zijn er knechts en
handlangers, die nu eenmaal zoo weinig begaafd zijn, dat ze nergens anders voor
dienen kunnen. En aan dezulken wordt natuurlijk volstrekt geen kwaad maar goed
gedaan, door hun den spierarbeid te verlichten, en hun psychisch werk te
vereenvoudigen. Kleine menschen - en die zijn er zeer vele! - vragen nu eenmaal
niet beter. Maar om hier oog op te krijgen moeten dus de vaktalen eerst
individueel worden bestudeerd, om zoo een vergelijking mogelijk te maken.
| |
6. De taal van rijtuig- en wagenmakers. 13/30
A. Nederlandsche rijtuig- en automobielindustrie (voor wagen-,
rijtuig- en autocarosseriemakers.) H. Germs, Doesburg x/30. - De Rijtuigbouw.
J. Boom, Haarlem 3/30.
C. De Rijtuigmaker (Le Carossier). Kogelstraat 7, Brussel
7/30.
J. van der Kloes, G. van Helden: Handleiding voor den Wagenmaker.
E.J. Brill, Leiden 1907.
Deze groep vormt natuurlijk een overgang tusschen de metaal- en
houtbewerkers, en heeft daardoor voor de taalstudie een bijzondere waarde.
| |
7. De timmermanstaal. 130/30
A. Het hout en zijne bewerking. Florentiestraat 23, Brussel
4/14. | | | |
C. De Katholieke Timmerman. Th. J. Rutjes, Kattenburgerkade 18,
Amsterdam 12/15. - De Belgische Houtbewerker. Onder den Toren 5, Mechelen
13/15. -
D. De Timmerman. 1ste Helmersstraat 42, Amsterdam
20/7.
J.v. Gendt: Zamenstelling der voornaamste timmerwerken, Amsterdam
1879. - H. de Groot: Handboek voor timmerlieden.3 A.S. van Looy,
Amsterdam 1913. - G. Scholten: De practische timmerman. Handboek voor
timmerlieden, bazen, opzichters en aanstaande bouwmeesters3 's
Gravenhage 1910. - J. van der Kloes: Handleiding voor den
timmerman3, Leiden 1909, - F. Berghuis: Handboek voor bouwkundigen,
Deel I. Onze betimmeringen. Deel II. Kappen en daken en verdere timmerwerken.
Rotterdam 1892. - J. en V. van Keirsbilck: Vak- en Kunstwoorden. Ambacht van
den timmerman, Gent 1898.
Ook van deze Vlaamsche Academie-uitgave ter kenschetsing een
uittreksel: Over het leerzame woord ledikant (lit de camp) zie men K. de Flou:
Verslagen en Mededeelingen der Kon. Vl. Ac. 1907, blz. 176-184 en het boek
geciteerd blz. 291.
| Aal: spits stalen werktuig met houten hecht, om
gaten in 't hout te steken. Ook els-priem. |
| Aanloop:
overgangslid tusschen twee verschillende deelen van een lijstwerk. |
|
Aankoop: houten of ijzeren blokje op den zijkant van een schaaf om de
diepte van deze te regelen. |
| Aansnede: de voorsprong van den
bovensten tand der zaag vóór den ondersten. |
|
Afbiljoenen: een paal van de scherpe hoeken ontdoen door schaven. |
|
Afroffelen: ruwe stukken hout door schaven ontdoen van de
oneffenheden. |
| Afschrijfpunt: els. |
| Afzaat: 't schuine
bovenvlak van een horizontale lijst. |
| Alaam: het gereedschap. |
|
Angevel: loodrechte stijl van een houten hek. |
| Anker: ijzeren
houvast in steenen muren. |
| Appel: ronde deurknop. |
| Arm
strijken, schaven: een deur langs de diktezijde schuins schaven. |
|
Avegaar: groote schroefboor. |
| Balksleutel: steunstuk aan 't
uiteinde van den balk. |
| Batting: een soort van plank of balk. |
|
Beschieten: met planken beschieten. |
| Beslaan: haaksch
maken. |
| Bestaken: met staken omzetten. |
| Beun:
zoldering. |
| Blinde vernageling: zoodat de nagels onzichtbaar
zijn. |
| Blokkeel: eind rib, welk met een zwaluwstaartlip tegen den
gebintstijl wordt gewerkt en in den muur draagt. |
| Bloktrede: de
onderste volle trede van een trap. |
| Blonk: stomp, waar de scherpe
punt af is. |
| Bocht: een houten afgesloten kerkbank. |
|
Boei: een planken hut, loods. |
| Boenen: 't uitslaan van
ondroog eikenhout en kastanjehout. |
| Boezemhout: steunbalk onder aan
den schoorsteenmantel. |
| Boks: houten afsluiting in een
paardenstal. |
| Bomgat: galmgat in een houten toren. |
|
Boogschaaf: blokschaaf met rond ondervlak. |
| Boogzaag:
grootste zaag, waar het stalen zaagblad in een houten span of raam is
gespannen. |
| Boord: winkelplank. |
| Boorsel: houtdeeltjes,
die bij 't boren uit de gaatjes vallen. |
| Bordes: rustplaats tusschen
twee traparmen. |
| Bordesch: 1) houten portaaltje aan de buitendeur;
2) een verkoopplank buiten het venster. |
| Borst: uitspringende boord
van den breedsten kant eener pen. |
| Borstboom: boom van een
weefgetouw, waartegen de wever met de borst leunt. |
| Boschkant beslagen
hout: boomstam, die aan vier kanten beslagen is. |
| Bossing:
schuin paneelstuk, waarvan de vier uiteinden in de groef der vergaring (voeg)
worden opgesloten. |
|
| | | |
| Braam: spoor van het slijpen op
een beitel enz. |
| Breiel, breidel: houten doorloopende
brugleuning. |
| Brits: houten rustbed. |
| Buk: een der twee
schaven, waaruit een nootschaaf is samengesteld. |
| Burghaak:
tandvormige kerf. |
| Cartelle: klein versierd plankje, boven aan een
stok, dat men in processie ronddraagt. |
| Dag: de dag van een opening:
de afstand tusschen de twee paneelaven. |
| Dakkapel: dakvenster op een
kerkdak. |
| Dakruiter: kleine torentjes, op den nok of vorst
geplaatst. |
| Daktengel: dun en smal latje om de naden van 't beschot
eener daking dicht te maken. |
| Dekken: dakken, met een dak
toeleggen. |
| Delie: deel, plank van Noorsch hout. |
| Deugel:
drevel, doorslag. |
| Deunstok: bij wevers, een stok dienende om den
ketting te vlakken. |
| Diamant-knop: paneel, waarvan de vier zijden
schuins in een toppunt toeloopen. |
| Dissel: snijdend werktuig,
bestaande uit een breed omgebogen ijzer, in een langen steel vervat. |
|
Doodloopen: 't onderbroken worden van een lijst, die een rondloopende
lijn beschrijft. |
| Doof hout: rot hout. |
| Doorslag: stalen
stift om de koppen der spijkers in 't hout te drijven. |
| Dop:
werktuig om gleuven in hout te kappen. |
| Draad: naar den draad:
volgens de richting der houtvezels. |
| Dracht: lengte van een
horizontaal gelegden balk. |
| Drevel: doorslag. |
|
Driepikkel: drievoet. |
| Drift: twee klampen, waartusschen
gelijmd hout gelegd wordt. |
| Drijven: de planken van een vloer nauw
tegen elkaar doen sluiten. |
| Druif: houten ronde knop van een
boor. |
| Eg: scherpe kant van een stuk hout; kantelaaf. |
|
Fermoor: steekbeitel. |
| Fiefer: een soort van olm met fijn
hout. |
| Fitsefaze: een soort van scharnier. |
| Freesboor:
spitsboor om de ingeboorde gaten kegelvormig te vergrooten;: frizeerboor. |
|
Fret: schroefvormige boor om kleine gaatjes te boren. |
| Gaard:
houten of grenen afsluiting van een omsloten weide enz. |
| Galent:
houten hek. |
| Galg: houten staak boven een put, voorzien van arm,
waaraan de emmer hangt. |
| Gapen: 't openstaan van een naad tusschen
twee planken. |
| Geeselbank: houten bank om de korrels uit de aren te
kloppen. |
| Gelent: galent, houten hek. |
| Gijk: arm aan een
wegwijzer of paal. |
| Giool: kooi. |
| Glint: latwerk tot
ondersteuning van boomen. |
| Gording: lang verbindstuk, liggende dwars
te midden over de lengte der verbonden balken. |
| Graander: haverkist
in stallen. |
| Guts: holgebogen beitel om holle en bolle voorwerpen te
bewerken. |
| Haak: werktuig bestaande uit twee dunne, aan elkander
verbonden houten of ijzeren bladen, dat dient om aan te duiden volgens welke
lijn een stuk hout moet bewerkt worden, winkelhaak. |
| Haak: in den
haak: behoorlijk naar den winkelhaak. |
| Haaksch: zie in den
haak. |
| Hakvermoeren: hakbeitel. |
| Hamei: uiterste
slagboom, getralied hek. |
| Hamerbaan: 't platte deel van den kop eens
hamers. |
| Hamerpin: 't scherp afloopend deel van den hamer. |
|
Hand: vóór de hand zagen: bij 't zagen de zaag loodrecht
op en neer bewegen. |
| Hang: rek aan den muur. |
| Hangel: bij
wevers een getande stok. |
| Hangoor: tafel met neerslaande
bladen. |
| Haspel: draaiboom op een pad om alleen voetgangers door te
laten. |
| Hoekverbinding: het verbinden van twee houtstukken tot 't
vormen van een hoek. |
|
| | | |
| I. gewone hoekverbinding, waarbij de
stukken bij den hoek ophouden. |
| a. Koud in 't verstek. De stukken
kunnen vlak (koud) tegen elkander geplaatst worden. |
| b. Inkepingen met
lippen: van beide stukken hout, die even dik zijn, wordt (aan 't uiteinde)
de helft der dikte afgezaagd, zoodat beide stukken aaneengevoegd, de dikte van
elk stuk heeft. Lip met zwaluwstaart, - lip met verstekband. |
| c. Pen- en
gatverbinding: 1. Enkele penen gatverbinding of open gat met pen of
inscharing. 2. Dubbele pen- en gatverbinding. 3. Pen- en gatverbinding met in
't verstek gewerkte borsten. 4. Penen gatverbinding, waarvan de eene borst in
't verstek loopt en de andere nog een vierkante inkeping heeft, terwijl de pen
niet tot den buitenkant doorloopt. 5. Penen gatverbinding met bastaardpen. |
|
d. zijn de stukken niet gelijk, dan met zwaluwslaartvormigen tand. |
| II. Het
eene stuk gaat door en het andere loopt er tegenaan. Verbinding door inkeeping;
gewone lip - verloren lip - zwaluwstaartvormige lip. |
| III. Beide stukken
loopen door: a. Inkeping met draagtand. b. Halfhout-inkeping, c. Inkeping met
tanden. |
| Horde: laag muurtje van hout langs den dorschvloer. |
|
Houvast: spits ijzer, dat in den muur wordt geslagen en dient om iets op
te houden. |
| IJzer geven: een schaaf veel ijzer geven: den
schaafbeitel zóó stellen dat hij veel hout wegschaaft. |
|
Inlaten: twee stukken hout aaneenvoegen door een keep of sponning. |
|
Juffer: lange staak. |
| Juk: bak onder een luifel of
afdak. |
| Karbeel: een stuk hout, dat dient om een liggenden balk te
versterken. |
| Kardoes: een uitgesneden plankje dat iets anders, wat
daarop komt te liggen moet steunen. |
| Kattestaart: rattestaart: een
zeer kleine dunne vijl. |
| Keel: een holle lijst of een smalle strook
eener plank. |
| Keg: houten of ijzeren spie om vloeren dicht te
drijven. |
| Kelderhals: omtimmering van den ingang van een
keldertrap. |
| Keper: dakspar. |
| Kerkwerk: groot balkwerk,
zwaartimmerwerk. |
| Keuvelend: de schuinsche zijde aan weerszijden van
't dak eener schuur. |
| Kijkvenstertje: raampje in deur of poort. |
|
Kijl: wig. |
| Kijlen: toesluiten van deuren door middel van
spieën. |
| Kikkert: sluitingsmiddel voor deuren, vensters
enz. |
| Kinderbalk: de mindere balken van een zoldering. |
|
Kisten: bij 't bevloeren de laatste twee planken schuins aaneen plaatsen
en dan met geweld plat drukken. |
| Klauwhamer: groote gekloven hamer,
welke dient tot het uittrekken van nagels. |
| Klinket: kleine deurtje
in een groote deur of poort. |
| Klokkestoel: houten gestel, waarin een
klok hangt. |
| Kokergat: opening in 't vensterkozijn om de
tegenwichten van een schuifraam in te hangen. |
| Koppelen: 't aan
elkander voegen van stukken hout. |
| Kort van draad: het hout is kort
van draad, wanneer het bij 't bewerken telkens bij kleine gedeelten
doorbreekt. |
| Kreupele balk: die met één eind op den
muur rust terwijl het andere eind in een anderen balk gewerkt is. |
|
Kwartier: een kwart van een ouden duim. |
| Kwast: knoest in 't
hout. |
| Lasch: vereeniging van twee stukken hout, zoodanig dat hun
breedte en dikte nagenoeg onveranderd blijft. |
| Lateihout: hout boven
de opening van deur of venster om het metselwerk te dragen. |
| Leest:
wigvormige draagplank onder den stijl van een kozijn. |
|
| | | |
|
Lepelboor: boor met een soort van lepel, die het boorsel opneemt. |
|
Lijs: houten schot naast de voordeur in huizen, waar de voordeur in de
kamer opengaat. |
| Loopen: het loopen van de zaag, de afgeschreven
lijn niet volgen. |
| Makelaar: 1) rechtstaand stuk hout midden op den
hoofdbalk van een dak tot steun van den nokbalk. 2) een stuk hout dwars over de
deur, grendelboom. |
| Malie: houtporie. |
| Maljenier,
mallenier: ambachtsman, die met den hamer werkt. |
| Mei: tak op de
nok, wanneer het huis onder dak is. |
| Menageeren: 't versmallen van
een pen aan een regel. |
| Messing: afgedunde rand eener plank, om in
de groef van een andere plank gevoegd te worden. |
| Mik: alle
dwarshout, dat tot steunsel dient. |
| Mond: de mond van een schaaf,
opening waarin het schaafijzer zit vastgeklemd. |
| Mondstuk: stukje
hard hout, om onder aan den mond der schaaf te lijmen, als de mond uitgesleten
is. |
| Mot: krullen, spaanders. |
| Motterig hout: eikenhout
met vlekjes. |
| Mul: zaagsel. |
| Neep: dat gedeelte van de
geheele boor, waarin het boorijzer geschroefd wordt. |
| Omslag: houten
of ijzeren gedeelte(zwengel) van een omslagboor, in den vorm eener C. |
|
Ondervangen: iets door balken, planken tijdelijk ondersteunen. |
|
Ontschachten: timmerwerk uiteen nemen. |
| Opwerken: het
opwerken van nagels, het naar buiten komen van de koppen. |
| Opzoeten:
afgewerkt hout voor de laatste maal gladschaven. |
| Opzuiveren:
planken gladschaven. |
| Overtaster: passer met sterk gebogen beenen om
ronde en bolle voorwerpen te meten. |
| Paard: soort van schraag om de
onderlagen van een bed te dragen. |
| Paardepoot: groote kromlijnig
omgebogen knoest in 't hout. |
| Pak-aan: handvatsel. |
|
Paren: van een timmerwerk de stukken zoo teekenen, dat men weet hoe men
ze tegenover elkander moet aanbrengen. |
| Passeetje, passetje: kleine
stelling van hout, gewoonlijk vierkant. |
| Pen: houten nagel,
stop. |
| Pezerik: bullepees, dienende om de zaag te smeren. |
|
Pilaster: vierkante ruil. |
| Ploeg, ploegschaaf: dient om een
groef aan een stuk hout te schaven. |
| Plug: kleine houten tap, dien
men in een muur slaat om er beter een nagel te doen inhouden. |
|
Rabatten: 't schuin bijschaven van een omheining, die bestaat uit
planken, die met een sponning ineengevoegd zijn. |
| Rad: houten cirkel
op den puntbodem, waarop 't metselwerk staat. |
| Raster: een lat,
riggel enz. van een rasterwerk. |
| Rattensprenkel: een lange smalle
kist, aan weerszijden open, verdeeld in nesten, om ratten erin te laten
nestelen en zoo te vangen. |
| Rattestaart: kattestaart. |
|
Raveellinge: balkverbinding rondom dakvenster enz. |
| Ravegat:
klein venstertje in de houten naald van den toren. |
| Reeden: met de
reeschaaf gladschaven. |
| Regel: maatstok |
| Rieschaalde:
rieschaalde hout: hout, waarvan de jaarlagen niet aaneengegroeid zijn en dat
dus slecht samenhoudt. |
| Rinket: klein deurtje in een groote
deur. |
| Roef: schuin afloopend deksel op een doodkist. |
|
Roffel: soort schaaf. |
| Roffelen: het ruwe van het hout met
een roffel wegschaven. |
| Ruiter: lat, die op den nokbalk wordt
gespijkerd. |
| Schaal: eerste en laatste plank, die uit een boom
gezaagd wordt. |
| Schaard: kleine breuk in 't scherp van beitel
enz. |
| Schalk: eenvoudig hijschtuig. |
|
| | | |
|
Schamel: bank. |
| Schap: een houten stellage om
iets op te zetten. |
| Scheel: deksel van een kist. |
|
Scheers: platte lange houten pen, |
| Scheerzolder:
vliering |
| Schei: dwarshout om groote stukken te verbinden. |
|
Scheren: een touw scheren: op 't katrol schikken en spannen om er een
gewicht aan op te hijschen. |
| Schoeien: een waterkant beplanken. |
|
Schoep: de dunne smalle plankjes van een zonneblind. |
|
Schongel: schommel, schop. |
| Schote: op schote staan: op de
loer staan. |
| Schranken: bij een zaag beurtelings den eenen tand naar
deze, den anderen tand naar gene zijde uitbuigen. |
| Schroot: smalle
strook hout. |
| Schurpen: met de schurpzaag zagen. |
| Slepen:
het haperen van een deur bij 't open- of toedraaien. |
| Sliet:
afgescheiden plaats in een stal, waar de koeien enz. staan. |
|
Smetlijn: wit- of zwartkleurig touw, waarmede men het hout afteekent,
dat gezaagd moet worden. |
| Smetten: afteekenen. |
| Snuiten:
van een stuk hout een uitstekend gedeelte wegnemen. |
| Sofrein:
kegelvormige holte in hout gemaakt. |
| Spanjolet: op- en neergaande
stang om opendraaiende vensters te sluiten. |
| Spatten, uitspatten:
het naar buiten uitwijken van een dak. |
| Speling: wordt gezegd van
timmerwerk dat te los in de opening sluit. Dit paneel heeft te veel
speling. |
| Spil: de loodrechte trapboom van een wenteltrap. |
|
Sprinkel: houten stang van een roosterwerk. |
| Steken: schaven,
vooral van lijstwerk. |
| Stoelplank: plank langs den muur op de hoogte
van de stoelleuning. |
| Strijken: met een vijl over de scherpe tanden
der zaag strijken. |
| Stuik: voeg tusschen twee planken. |
|
Talaan: holle lijst. |
| Togen: een vergaring dichtsluiten. |
|
Travalje: hoefstal bij den hoefsmid. |
| Uileveeren: lichtbruine
strepen met witte vezels in eikenhout. |
| Valderen: deur van sporten
aan een weide. |
| Verdrinken: de koppen der spijkers zoo diep in 't
hout drijven, dat zij er niet meer uitkijken. |
| Verstek: half
rechthoekig afgewerkte lijst of plank. |
| Vet: vet hout: waarin veel
hars zit. |
| Vis: soort van scharnier. |
| Wemel:
omslagboor. |
| Wemelen: met een wemel boren. Gaatjes wemelen in 't
hout. |
| Wervel: sluitmiddel voor vensters. |
| Winket:
rinket. |
| Witte, roode olm: vlekken in het hout. |
| Zaagbok:
houten stel om 't te zagen hout op te leggen. |
| Zaagmeel: fijn
zaagsel. |
| Zetten: het alaam zetten: het gereedschap zoo plaatsen,
dat men den te verrichten arbeid spoedig kan afleggen. |
| Zoet
stellen: de schaaf staat zoet, als de tegendradige houtvezels zeer glad
worden afgeschaafd. |
| Zool: het ondervlak eener schaaf. |
|
Zot: die schroef is zot: is dol, draait zonder sluiten. |
|
Zwieping: schuin geplaatste lat, die bij 't plaatsen van een kozijn, dit
in loodrechten stand houdt. |
| |
8. De zagers- en houthandelaarstaal. Vgl. het Zaansch dialect.
76/30
A. De houthandel. Zijlstraat 59, Haarlem 19/7.
J. Hoffman: Het hout als handelswaar. Jacob van Campen-bibliotheek
1910. - G. Key: Vademecum voor den houtkooper, Amsterdam 1894. - A. Nijssen:
Handleiding voor houtkoopers, houthandelaars en eigenaars van
boomen2, Goes 1902.
| | | | | |
9. De taal van kuipers, klompenmakers en kurkensnijders.
33/30
A. De Klompenmaker (ook voor hoepelmakers). J. Koonings Jz.,
Eindhoven 9/15. - De Kurkenindustrie, Bureau Zeist x/7.
D. Ons Blaadje (Kuipers- en houtbewerkers) Westnieuwland 23,
Rotterdam (ongeregeld).
Uit ‘Volk en Taal’ VI en VII geef ik hier de
ambachtstermen van een streng gelocaliseerde klompenmakersgroep te Sint Niklaas
in het land van Waas. Ik heb om willekeur en onjuistheden te vermijden de sterk
dialectisch gekleurde uitlegging onveranderd overgenomen. Dit is trouwens de
éénig ware achtergrond.
| Afdraaien: ziet opdraaien. |
|
Afkrammen: ziet verkrammen; ook zegt men nog: uit den rou (ruwe)
snijden. Ziet krammen. Nu heeft den kloef 'nen vorm, 'nen ruwen vorm; thans
moet hij uitgehold en langs buiten en binnen gefatsoeneerd worden. |
|
Afleggen: ziet maat. |
| Afsnijden: den blok zijnen vorm geven,
gelijk het behoort, gelijk men het model wilt hebben. Dit doet men met een mes
wat lichter als het krammes. |
| Afteenen: van binnen den kloef bijna
schoon uitsnijden en hem zijne breedte geven. Ziet teenmes. |
|
Afzolen: de zool van den blok schoon effen maken. Ziet zoolmes. |
|
Afzuiveren: ziet opdraaien en zoolmes. |
| Binden: ziet
koppelmes. |
| Binnenspie: om den kloef te kunnen bewerken zooals het
dient gedaan, spant men hem in de banke vast bij middel van binnenspieën
of spanhouten. |
| Borstmes: een lang mes, dat langs beide uiteinden in
appelkes zit en dat dient om de kloefen effen te snijden. Tegenwoordig gebruikt
men zulke messen om blokken te schrapen. Bij schrijnwerkers komt men het
tegen. |
| Distel, destel: een snijdend werktuig bestaande uit een
breed omgebogen ijzer, met korten steel. De kuipers gebruiken dit werktuig ook.
- Ziet De Bo op diesel. De blokmaker werkt daar even goed mee als met de
handbijl, ja, voor sommige gevallen kan hij ze niet missen. |
|
Drijling: naam van den kloef, als de maat maar een steek of zeven wijst.
Zie halfwerk. |
| Drijlingboor, vrouwboor, halfhooge of groote
boor: ziet voor den uitleg dezer verschillende boren, de verschillende
namen der kloefen. |
| Geest: verondersteld, een kloefmaker verkoopt
eenige wissen aan 'nen winkelier; maar de koopman ondervindt als zijne waar te
huis komt, dat er 'nen kloef gebroken is. De winkelier zendt nu den goeden
kloef weer bij den blokmaker en vraagt een ander paar. Welnu, de kloef die,
geleverd zijnde, weerkeert bij den kloefkapper noemt men geest. |
|
Goezie: holle beitel, dienende om den kloef langs binnen uit te kappen.
Ziet De Bo op goeze. |
| Haak: soort van mes, gekruld lijk een haak,
zittende in 'nen langen steel, waar men den hiel, langs binnen in den kloef mee
schoon maakt. Ziet verder uitdraaien. |
| Halfhoog: halfhooge kloefen,
kloefen met halfhooge muilen. |
| Halfwerk: de blokmakers gebruiken
eene soort van houten maat, die verdeeld is in steken. Als de maat in den kloef
gestoken wordt en elf steken wijst, dan heet men den blok halfwerk. |
|
Halfwerkboor: als de blokmaker halfwerk moet maken, dan gebruikt hij
inplaats van den voorganger, de halfwefkboor. Dus volgens den kloef, gebruikt
men deze boor. |
| Handbijl: een bijlken, met recht blad en korten
steel, waar men de kanten afkapt van een gekloven stuk, en het alzoo den
uitwendigen vorm geeft van 'nen kloef. |
| Heuldodden: zoo heet de
afval van den kloef als men hem bewerkt met de verschillige booren en de
goezie. Ziet heulen en goezie. |
| Heulen: die bewerkingen gebeuren met
de verschillige booren. 't Komt hier dus op aan holen te maken, te booren. |
|
|
| | | |
| Hielmes: mes, zoodanig op den steel gebogen, dat 't er
schier 'nen rechten hoek mee uitmaakt, snijdende langs weerkanten, en
een beetje omgekruld aan de punt. Het dient om den hiel, van binnen in den
kloef te bewerken. Dít mes zit in 'nen langen steel, die rust op den
schouder van den werker. |
| Hoog: hooge kloefen, kloefen hoog van
muil. |
| Kaai: iedere blokmaker moet over eene plaats beschikken, waar
hij zijne gekochte en gevelde boomen zal op een leggen, om ze volgens dat hij
ze noodig heeft te gebruiken. Zulke plaats heet de kaai. |
| Kapblok:
een houten blok, lijk de kliefblok, maar rustende op drij pooten. 't Is op den
kapblok dat men het gekloven stuk den eersten, ruwen vorm geeft van den kloef.
De beenhouwers hebben ook kapblokken. |
| Kappelingen: afval van den
kloef als hij op den kapblok bewerkt wordt. Ziet kapblok en opkappen. |
|
Kerfzaag: groote zaag met scherpe en sterke tanden, lang en zwaar van
blad, zonder raam met houten rechtstaande handhaven aan de uiteinden. Men trekt
de zaag weg en weer, gewoonlijk met vier man, twee langs weerskanten. |
|
Kliefblok: als de boom in gelijke stukken gezaagd is, worden die stukken
in afgemetene blokken gekloven op 'nen platten blok, zonder pooten; 't is de
kliefblok. |
| Kliefhamer: een groote houten hamer, met langen steel en
zwaren kop; waar de blokmaker het kliefmes mee door het hout jaagt. |
|
Kliefmes: een soort van kapmes, zonder houten handhaaf, geheel in 't
ijzer. Men deelt daarmee de gezagen stukken, in zooveel deelen als men er
kloefen kan uit maken. De Bo spreekt ook van een kliefmes, maar van zulk toch
niet. Zoo een gezagen stuk nu heet gekloven stuk. |
| Kluvelingen
(kliefelingen): klompkes hout die tot het bewerken niet dienstig en zijn. Ziet
gekloven stuk en kliefblok. |
| Knots: een ijzeren spie of wigge die
men steekt in de kloof van een te klieven stuk hout, om dit voort te doen
splijten. De zagers gebruiken ook de knots. |
| Koppelmes: gewoon
mesken met smallen lemmer, dienende om de hollekes in den kloef te maken, langs
waar men ze dan aaneen bindt, aaneen koppelt bij paar. |
|
Krammelingen: ziet de woorden afdraaien, opdraaien, opsnijden. |
|
Krammes: een groot mes, op 't gedacht van eene zeis, maar zoo breed
niet; langs den eenen kant is er een haak aan, waar het vast mee ligt aan 't
peerd en langs den anderen kant een houten handhave. De blokmaker werkt met dit
mes als hij aan 't gekloven stuk den eersten vorm gegeven heeft met de
handbijl; hij snijdt er de kanten wat schoonder mee rond, de teen komt er aan
alsook de hiel. Geheel die bewerking heet: afkrammen, verkrammen, uit den ruwe
(rou) snijden. |
| Kronen: stukken hout, zelfs schijven, waar niets
inzit als weeren (takken) en waar geen goede blokken van kunnen gemaakt
worden. |
| Maat (zaagmaat): een rond stuk hout van 50 cM. lang en
omtrent 3 cM. diameter; dienende om de lengten af te teekenen (af te leggen) op
den boom die moet in schijven gezaagd worden. |
| Mansblok: naam van
den kloef voor jonge lieden en mannen. |
| Ondermansblok: naam van den
kloef voor kinderen. |
| Opdraaien: de scherpe kanten, de snee van den
kloef wegdoen. Ziet opdraaier. |
| Opdraaier: soort van mes, waar men
de scherpe kanten van de kloefen mee afdoet. |
| Opkappen: ziet
kapblok. |
| Opsnijden: ziet opdraaien. |
| Opsnijder: ziet
opdraaier. |
| Opwissen: eer nu de kloefen in den handel komen, moeten
ze opgewist of opgedaan worden, en dat gebeurt alzoo: men plaatst eenige
kloefen, paar boven paar opeen, men bindt dat stapelken kloefen bijeen met eene
wisse (wiedouw). |
| Paarbank: zie pasbank. Er is ook eene pasof
paarbank bij den kapblok. 't Is deze bank die de beste en de bijzonderste
is. |
| Pasbank: boven aan den vapeur is er nog een klein tafelken
bijgemaakt, waar men de |
| | | |
| kloefen opzet om ze te paren, te
koppelen, te zien welke kloefen een goed paar zal zijn. Daarom heet de pasbank
ook nog paarbank. |
| Peerd: een eindeken boom, 80 tot 100 cM. lang,
steunende op drij pooten. 't Is aan zoo een peerd dat het krammes en de vapeur
vast liggen. |
| Plat: platte kloefen, kloefen plat van muil. |
|
Plooien: in plaats van blommen of figuren op den kloef te ritsen geeft
men enkel eene langwerpige snee, drij of vier, op den muil van den kloef. Dat
heet plooien; ziet plooimes. |
| Plooimes: een mes met breede punt,
breed, hoekig en scherp van sneê, waar men de insneden mee geeft op den
muil van den kloef. |
| Putten: de bewerking wordt verricht met de
goezie. |
| Rieschalig: rieschalig hout, dit is hout, dat niet
verbruikt kan worden, omdat het van binnen kapot is. |
| Rits: een
klein mes, waar men de blommen en zekere figuren op den muil van den kloef mee
snijdt. Der zijn veel soorten van ritsen, volgens dat men fijne of grove
figuren moet trekken. - De rits waar De Bo van spreekt, en die gebruikt wordt
om tonnen te merken en is dezelfde niet als die der kloefkappers. |
|
Ritsen: blommen en zekere figuren op den kloef trekken hetgeen men doet
met de rits. |
| Rooken: als de kloef nu geschreept, geritst of
besneden is en dat men hem eene bruine kleur geven wilt, wordt hij in eenen
oven gestoken om gerookt te worden. Men doet dat meest bij middel van zagemeel
of andere vochtige stoffen. Sommige blokmakers, om eene schoone bruine kleur
aan de kloefen te geven, gebruiken daarvoor peerdendrek. |
| Schijf:
stuk gezaagd hout, de lengte van de blokken, die men wilt maken. |
|
Schrepelingen: ziet schrepen. |
| Schrepen: de kloefen schrepen,
d.i. met een glas, schoon effen en glad maken. |
| Schroeien: zuiver
maken. De blokmaker doet dat werk met eene boor. |
| Snijlingen: ziet
het woord krammes. |
| Spaanderen: ziet kappelingen. |
|
Spannen: in de bank spannen: den kloef, bij middel van binnenspieën
en spanhouten in de bank vastmaken. De kloefen staan dan goed vast en kunnen
gemakkelijk bewerkt worden. |
| Spie: eene soort van puntige kantzuil
(pyramide) in hout. Voor 't gebruik, ziet knots. De menschen gebruiken ook dit
woord om een stuksken hout te bedieden, dat men langs binnen op de klink van de
deur steekt. |
| Steek: indeeling van de maat. |
| Stuikgat:
ziet De Bo op aarsgat. |
| Teenmes: wanneer de kloef met den voorganger
bewerkt is, dan komt het teenmes. Een weinig omgekruld, snijdende langs beide
kanten, zit het in 'nen langen steel, zoodanig dat deze rust op den schouder
van den werkman. Met dat mes haalt hij verder den teen van den kloef uit;
vandaar de naam. |
| Uitdraaien: den hiel, langs binnen in den kloof
schoonmaken met den haak. |
| Uithielen: van achter in den hiel tot
tegen den muil, de zool schoon maken. Ziet hielmes. |
| Uitscherpen:
ziet uitdraaien. |
| Uitspannen: als de kloef afgewerkt is op de bank,
dan slaat men bij middel van een houten hamerken de binnenspieën en
spanhouten weg. Dat heet men den kloef uitspannen. |
| Vapeur: een mes,
op 't gedacht van een krammes, met dees verschil dat er te midden een boog aan
is. Het dient om den hiel, langs achter, 'nen ronden vorm te geven. De
blokmaker gebruikt het na het krammes, of wel als de kloef geheel afgewerkt en
droog is. Er zijn ook vapeurs met drie bogen. |
| Verbijlen: ziet
handbijl. |
| Verdistelen: ziet distel. |
| Verkrammen: ziet
krammes. |
| Vóórgangen: de bewerking die men doet met
den voorganger. |
| Voorganger: een stuk ijzer, in den vorm eener boor,
met een lepel van voren aan, waarmee men het eerste hol in den kloef maakt om
hem verder te heulen. |
| Vrouwsblok: naam van den kloef voor
vrouwen. |
| Wis: een wis kloefen, dat is 13 paar die opgewist zijn.
Eene wis maakt uit 13 paar kloefen (voor mannen en vrouwen), 36 paar
|
| | | |
| halfwerk, 39 paar voor twee wissen (drijling). |
|
Zaagpeerd: de boomen worden van den stapel gerold en bij middel van
handboomen (hefboomen) op het zaagpeerd geplaatst. Dit bestaat uit een balksken
of boomken van omtrent 2 dM. tot 2,5 dM. middellijn op 2,5 M. lengte; langs het
eene uiteinde staat het op twee pooten en met het andere rust het op den grond.
In dat balksken zijn vier gaten gemaakt, waar men een sterk hout insteekt om
den boom, als hij er opgerold wordt, vast te leggen. |
| Zoolmes:
achter 't teenmes, 't zoolmes. Veel platter als het teenmes, bijna niet
omgekruld, ook snijdende langs weerskanten. Volgens den naam dient het om den
zool van den kloef (langs binnen) plat en effen te maken. Dit mes zit in 'nen
langen steel, die rust op den schouder van den werker. Er zijn ook zoolmessen,
die een krulleken van voren aan den neus hebben. Zulke zijn meest in gebruik
bij blokmakers van fijne blokken, dan moet men niet meer afzuiveren. |
| |
10. De taal van manden-, meubelmakers en behangers.
74/30
A. Het eerste Vakblad (rietmeubel-, manden-, teen- en
bamboe-industrie.) F. Heymans, Apeldoorn 3/30. - Het Huis (huisinrichting,
bouw- en sierkunst, meubelen.) Jan Luykenstraat 2, Amsterdam 12/30. - Onze Gids
(v. behangers, stoffeerders en meubelfabrikanten.) Heerengracht 255, Amsterdam
20/15.
C. Het Bondsblad (meubelmakers, behangers en stoffeerders.)
Hobbemastraat 230, den Haag 3/30.
D. Ons Vakblad (meubelmakers en behangers.) Hiligardisstraat 34,
Rotterdam 8/15.
L. van den Berg: De volmaakte Schrijnwerker, Leiden z.j. (1860). -
F. Berghuis: Handboek voor den meubelmaker, 's-Gravenhage, 1901. - P. Doorn: De
meubelconstructeur, verzameling meubeltypen. S.L. van Looy, Amsterdam 1902. -
C. van Hoek: Het beitsen en kleuren van hout, Handboek ten dienste van
meubelmakers, draaiers, architecten enz. Insulinde Haarlem, 1908. - Volledige
beschrijving van alle konsten enz. (zie nr. 2) nrs. 19-21, de Orgelmaker. - E.
Kindts: De moderne meubelmaker, Amsterdam 1905.
Ik heb met opzet eerst de voornaamste ambachten die hout bewerken
afgehandeld, om nu weer even stil te staan bij de moderne fabrieksontwikkeling,
die veel van het oude groepenverband dreigt te ontwrichten. In den
houtzaaghandel is, als wij de sigarenkistjesfabrieken, die louter machinaal
werken, uitzonderen, nog het minst verandering gekomen. Sinds 1870 werden
allengs de oude windzaagmolens, vooral aan de Zaan, door de
stoomzagerijen vervangen. Zoowel in de oude als in de nieuwe zagerijen is het
meerendeel der werklieden ongeschoold. Er moet nu eenmaal veel bij gesjouwd
worden. Dit sjouwen moet men echter niet onderschatten. Ik heb zelf een jaar
tegenover de werf van een bloeiende Vlaamsche houtzagerij gewoond, en
herhaaldelijk gelegenheid gehad de handigheid en vernuftigheid dier arbeiders
bij het op- en afladen van zware boomen te bewonderen. Verder wordt het
gezaagde hout tegenwoordig meestal geploegd en geschaafd in machinale
schaverijen. De schaafmachine is er een van zeer ingewikkelde constructie,
bediend door één geschoolde kracht, waarbij het werk der overige
arbeiders teruggebracht wordt: tot het invoeren en het opvangen van het hout.
Een gedeelte ongeschoold sjouwwerk is hier echter overgenomen door een
electrische loop- | | | | kraan, zelfs het vergaren en
transporteeren van het uitvloeiende zaagsel geschiedt mechanisch. Alles te
zamen vindt men in houtzagerijen en -schaverijen ca. 65% relatief ongeschoolde
en van 12 tot 19% slechts getrainde werkkrachten.- De timmerfabrieken in de
laatste 20 jaar ontstaan, hebben een groote verandering gebracht in het
bedrijf. Gemaakt worden: deuren, kozijnen, winkelbetimmeringen,
lambriseeringen, schooltafels, parketvloeren en zelfs losstaande trappen. Ook
hier zijn de werkzaamheden weer zóó gesplitst, dat de bewerking
van het hout met zaag, schaaf en beitel, grootendeels is overgenomen door de
schaaf-, zaag en frais-banken, wier bediening meestal aan nietvakmannen kan
worden toevertrouwd. Weliswaar vormen de timmerlieden met handwerk bezig, nog
de meerderheid, maar hun werkkring is toch ook merkbaar vernauwd, en bepaalt
zich tot het afschrijven, in elkaar passen, lijmen en afwerken van de machinaal
klaargemaakte onderdeelen; waarbij meestal maar weinig meer te veranderen valt.
Deze vaklui zouden voor veel, altijd wisselend bouwwerk, als het stellen van
kappen, het plaatsen van trappen, het leggen van vloeren, het afhangen van
deuren, vreemd staan op te kijken, daar ze dit op de fabriek nooit geleerd
hebben; en dientengevolge is ook hunne vaktaal reeds zeer merkbaar
vereenvoudigd en verarmd. In de meubelfabriek heeft de moderne stijl met z'n
vele rechte lijnen de machinale fabricatie zeer in de hand gewerkt. Omgekeerd
echter benut de fabriek nu natuurlijk ook de mode, en maakt de meubelmodellen
naar het gemak der fabricatie zoo eenvoudig mogelijk. Het is dan ook vooral bij
de goedkoopere meubels, dat de massafabricatie veld wint. Zoodoende vormen zich
twee groepen van werkplaatsen. Op de eene soort blijven, hoewel ook daar de
machine veel handwerk heeft overgenomen, de geschoolde meubelmakers trots alles
toch onontbeerlijk, en vormen er zelfs de groote meerderheid. Daar zingt of
prevelt men nog oude liedjes als: ‘God zal geven - Dat 't zal bakken
kleven - En nooit van z'n leven - Weer los zal zweven’ (te Apeldoorn
gehoord). Op de andere soort fabrieken maken de machines alles pasklaar, zoodat
de arbeiders het maar in elkaar hebben te duwen; en hier dus van den ouden
schrijnwerker bijna niets meer is overgebleven. Ook bij het kuipen begint
grootendeels het handwerk te verminderen, omdat de moderne dikke fusten al meer
en meer voor machinale fabricatie geschikt worden, doordat de ijzeren banden
met klauwen van groote kracht, machinaal om de duigen worden aangedrukt. Ook
hier dus overal verarming van taal.
| |
11. De taal van schilders en behangers. 102/30
A. Schilders- en Behangersblad. Bronsema's drukkerij, Enschede
2/7. - Geïllustreerd Schildersblad. W. Eisma Cz., Leeuwarden 16/7. -
Schilderscourant (Friesche vereeniging.) P. de Jong, Bolsward 20/30.
B. De Christelijke Schilder. Fabriekstraat 30c,
Rotterdam 1/30.
C. R.-K. Schilder (v. Nederl. en België.) Soutmansstraat 29,
Haarlem x/30.
D. De Schilder (schildersgezellen.) 1e Sweelinckstraat 5,
Amsterdam x/14. | | | |
Volledige beschrijving van alle konsten enz. (zie nr. 2) nr. 24.
De Verver, Dordrecht 1820. - F. Hopman: Theoretisch practisch Huis-,
Rijtuigschilders en Glazenmakershandboek2, Weesp 1860. - A. Louris:
Handboek voor huis-, decoratie- en rijtuigschilders, Rotterdam 1911. - L. van
der Bie: Practisch Amerikaansch Ververs-Handboek2, Rotterdam 1906. -
J. van der Kloes, D. van der Beek: Handleiding voor den verver en
glazenmaker2, Leiden, 1908. - F. de Longueville: Sap- en dekverven,
Rotterdam 1886. - P. Mussert: Beschrijving van grondstoffen, bereiding en
herkenning van verfwaren3, enz., Haarlem 1914. - P. van den Burg:
Handboek voor den schilder. De hout- en marmernabootsing2, Leiden
1887. - C. van den Hoek: Het technisch schilderen. Hand- en leerboek voor
schilders, Amsterdam 1910. - De Jong: Gouden sleutel voor den schilder, een
nauwkeurige handleiding bij het huis- en decoratie-schilderen, Arnhem, 1885. -
J. Kippel: Handleiding voor het huisschilderen ten dienste van schilders,
architecten, bouwkundigen, opzichters, drogisten, verfhandelaren, enz., 's
Gravenhage 1908. - P.C. van Hoek: Bibliotheek voor schilders, 9 deeltjes, Van
Mantgem-De Does, Amsterdam 1913.
Vooral in deze groep komt de stervormige aansluiting bij al de
omgevende taalkringen, even duidelijk aan het licht, als het historisch
loslaten en nieuwe verbindingen aangaan. De schilder of verver was vroeger ook
glazenmaker, thans zet hij alleen ruiten meer in, z'n glas koopt hij van de
fabriek. De meeste schilders zijn thans nog bovendien behangers. Gaandeweg
schijnt dit handwerk evenwel naar de stoffeerders over te gaan, die onder den
invloed van de herlevende zucht naar stijlvolle intérieurs, een
bemiddelingsgroep gaan vormen tusschen de schilders, meubelmakers, stukadoors
en architecten. Behalve met dezen, leeft de schilder verder in aanraking met de
rijtuigmakers, en is zijn winkel, vooral op kleinere plaatsen, vaak een heele
drogisterij. Over gebrek aan veelzijdigheid heeft dit ambacht dus voorloopig
nog niet te klagen. Juist uit die veelzijdige aanraking ontwikkelde zich de
kritische geest, die men bij vele schilders kan opmerken. Hun versjes als:
‘Schildershand - Dekt timmermans schand’ e.a. wijzen in dezelfde
richting.
| |
12. De taal der glas- en aardewerkers. 19/30
C. Ons Vakbelang (R.-K. glas- en aardebewerkers.) Stichting de
Stuers, Maastricht 5/30.
D. De Glas- en Aardewerker. Molenstraat 26, Delft 7/14.
Volledige beschrijving van alle konsten, enz. nr. 3. De
Porceleinfabriek nr. 12. De Plateelbakker of Delftsch Aardewerkmaker, Dordrecht
1800. - Goupil: Practische handleiding bij het schilderen op porcelein,
Delftsch aardewerk en glas 1900. P. Génard: De oude Antwerpsche
glasblazerijen, De Backer, Antwerpen z.j.
Terwijl de volwassen glas- en aardewerkers in de Maastrichtsche
ceramiek-fabrieken, ook bij de groote splitsing van den arbeid over leerlingen
en loopjongens, toch nog echte vaklieden blijven, heeft de elders reeds
ingevoerde fleschmachine wel het toppunt van automatisme bereikt. Het zesarmige
monster zuigt de vloeibare glasmassa automatisch op, deelt ze af met behulp van
een mes, blaast luchtdruk in den ledigen fleschvorm, smelt de flesschen af,
brengt ze in den koeloven, haalt ze eruit, en verpakt ze nog op den koop toe.
Dit stalen beest, wordt door zegge drie jongens bediend en gevoed, en werpt per
| | | | etmaal 15000 ingepakte flesschen uit. De vaktaal dier
jongens bepaalt zich natuurlijk tot een paar namen voor de stalen en koperen
lichaamsdeelen. Sic.
| |
13. De taal der bouwbedrijven. 112/30
A. Vakblad voor de bouwambachten. C. Misset, Doetinchem 10/7. - De
Bouwwerker. Biekorfstraat 46, Antwerpen 7/30.
B. De Opbouw (Chr. Bouwarbeidersbond). Kinheimweg 7, Bloemendaal
9/30.
C. De R.K. Kalk-, Steen- en Grondbewerker, van Imhoffstraat 47,
Utrecht 12/30. - Steen voor steen (Limburgsche metselaars.) Fischbeinstraat 21,
Maastricht x/60. - De Bouwarbeider. Nationalestraat 119, Antwerpen 9/30. - De
Christen Bouwwerker. (Vlaamsch) 1/30.
D. De Bouwvakarbeider (centrale bond) 1ste
Helmersstraat 42, Amsterdam 8/14. - De Bondsstem (Nederl. opzichters en
teekenaars.) A.v. Hannoverstraat 44, den Haag x/14. - De Bouwwerker (centrale
vereeniging) Aug. De Brouwere, Volkshuis Brussel 7/30. - De Stukadoor.
Julianapark 10, Schoten (Haarlem) x/x.
Volledige beschrijving van alle konsten, enz. (zie nr. 2) nr. 23.
De bouwkunstenaar, Dordrecht 1820, - E. Hartman: Bedekking van gebouwen,
plafonds en zolderingen, Amsterdam 1859. - J. van der Kloes: Handleiding voor
den Metselaar, tevens bevattende eenige aanwijzingen voor den
Stukadoor4, E.J. Brill Leiden 1908. - M. Gradl: Moderne versiering
voor plafond- en wandvlakten2, Amsterdam 1903. - F. Berghuis:
Handboek voor den Steenhouwer en Metselaar. D. Bolle, Rotterdam. - L. Cusell:
De bouwkundige Opzichter, J. Bootsma, 's-Gravenhage 1910. - G. Scholten: De
practische Metselaar. Handboek voor metselaars, bazen, opzichters en aanstaande
bouwmeesters, 2 deelen, 's-Gravenhage 1909. - G. Scholten: Het woonhuis en
zijne uitwendige vormen, Leiden 1902, - P. Schroot, B. Reintjes: Het
aanvangsonderwijs in de practijk van het metselen. J. Waltman, Delft 1905. - P.
Schroot: Bouwkunde enz. 10 deeltjes o.a. De materialen voor het metselvak. E.
Kluwer, Deventer 1907-1910. - P. Scheltema: Practisch handboek voor
Bouwkundigen en ambachtslieden, omvattende alle voorkomende werkzaamheden,
gereedschappen, voorwerpen en hulpmiddelen. E. Kluwer, Deventer 1899. - H.
Bletz: Huisrioleeringen. Jacob van Campen-bibliotheek, Van Mantgem, Amsterdam
1909. - H. Scheltema: Trappen- en kappenboek. D. Bolle, Rotterdam. - J.v.
Gendt: Metselwerken en aanleg van vuurhaarden, Amsterdam 1882-1891. - L.
Sanders: Het cementijzer in theorie en practijk, Amsterdam 1908. - P. Scharroo:
Inleiding tot de studie van het gewapend beton, 3 deeltjes. Van Mantgem &
De Does, Amsterdam 1910. - K.v.d. Heyden: Constructies in gewapend beton.
Bibliotheek Jacob van Campen, no. 2. Van Mantgem & De Does, Amsterdam. - J.
van der Kloes en J. van Ruyven: Het bouwen in overzeesche gewesten2.
E.J. Brill, Leiden 1904. - A. van Houcke en J. Sleypen: Vak- en kunstwoorden.
Ambacht van den metselaar No. 4, Gent 1897. J. en V. van Keirsbilck: Vak- en
kunstwoorden. Ambacht van den metselaar No. 5, Siffer, Gent 1899.
Uit deze beide laatste boeken geef ik een gecombineerde lijst der
interessante metselaarstermen, waarvoor weer dezelfde opmerkingen gelden als
onder nr. 4.
| Aanaarden: een muur aanaarden: den grond langs
den muur gelijkmaken, aanvullen. |
| Aanbranden: gezegd van 't zand,
dat bij gebrek aan genoegzame roering, neerzinkt in den grond van den mortelput
(W.-Vl). |
| Aandak: bovengedeelte van een trap- of topgevel, dat
voorbij de dakschilden schiet, de schuins- of boogsgewijze opgaande randen
eener gevelspits, voor zooverre die boven de dakschilden uitsteken. |
|
|
| | | |
| Aanleg: een muur van 4 steen aanleg: die beneden 4
steen dik is. |
| Aanrazeeren: de ruimte tusschen gewelven met
metselwerk aanvullen. |
| Aanslag: het vlak waartegen de staanders van
een deur- of vensterkozijn geplaatst worden. |
| Aantrede: nuttige
breedte van een traptrede. |
| Aanzetten: een metselwerk beginnen. |
|
Aardplakker: vierkante plank aan een steel, om de boven-en zijvlakken
van versch opgeworpen aardewerken vast en gelijk te slaan. |
| Abacus:
dekstuk van het kapiteel eener zuil. |
| Absis, absida, apsis: rond of
veelhoekig deel eener kerk, dat het koor voleindigt; ook wel halfrond
gewelfdeel. |
| Achteraanzicht: teekening van een voorwerp, van
achteren gezien. |
| Afflansen: een werk afflansen: te haastig, dus
slecht afmaken. |
| Afgeschaald: afgeschaalde steen: waarvan men de te
zachte korst heeft verwijderd. |
| Afgeschampte steen: waarvan de
hoeken zijn afgebroken. |
| Aflooden: een muur aflooden: zien of de
muur loodrecht staat. |
| Afschuinen: de steenen met valkanten
bewerken. |
| Afzaat: schuins hellend bovenvlak van een waterpas
metselwerk. |
| Alam, alaam: gereedschap (ags. andlóma, zie mnl.
wdb.). |
| Anker: muurhaak: stuk ijzer om muren met elkaar te
verbinden. |
| Arcade: boogvormige opening: zij bestaat uit:
sokkel of voetstuk, schacht, kalf, latei, kroonboog; soorten:
blinde, looze, gepaarde, lobbige, ware arcade. |
| Ariaan: baksteen,
tot de betere soorten behoorende, die bij de schifting worden uitgesloten,
omdat zij òf door minder goede kleur of onvoldoende hardheid ongeschikt
zijn om tot gevelsteenen te dienen, òf bij het bakken in de hoeken of
kanten beschadigd en onbruikbaar geworden zijn. |
| Baard: bij het
voegen met volle voeg worden de voegen gelijk met den voorkant der steenen
volgezet. De uitpuilende buitenkanten (baarden) worden dan met den voegspijker
of met een mes afgesneden. |
| Bakborst: scheur in pannen of tegels,
bij het bakken ontstaan. |
| Balk: parallelopipedum. |
| Bed:
mortelblad: plaats van planken of steen, waarop de metselspeciën droog
vermengd, daarna met water begoten en bewerkt worden. |
| Bed:
hoeveelheid kalk, die men in eens beslagen heeft. |
| Bedding: legzijde
van den steen. |
| Beertje: over een beertje metselen: den
toeloopenden bovenkant van een muur (∧) verkeerd metselen, zoodat de
buitenste steenen los liggen. |
| Bek: waterafleider, meestal aan
middeleeuwsche gebouwen. |
| Beloop: het beloop van de bogen: de
wijdte. |
| Berapen: de muren berapen: met mortel bezetten of met kalk
effen strijken. |
| Berkoen: dwarsbalk aan elke zijde van een
steekgewelf. |
| Beschoeiing: b.v. van een put: houten latten, waarmede
bij het bouwen van een put de verschillende raderen verbonden worden. |
|
Beschot: vermeerdering van den kalk tengevolge van het blusschen. |
|
Beslaan: de kalk met water beslaan: aan-mengen. |
| Bestek:
beschrijving van een te bouwen werk met opgave van prijs en maat. |
|
Betonhouw: vork, wier punten haaksch staan, bij het bereiden van beton
gebruikt. |
| Bik: afval van Bentheimer steen. |
| Bikken: met
beitel kalk of steen afslaan. |
| Bleeker: niet hard gebakken
klinker. |
| Bleeksteen: plaksteen, nadat de steenoven gebrand is,
omdat die steen, slechts langs eenen kant aan het vuur rakende en niet kunnende
doorgloeien, maar half gebakken is. |
| Bloemen (mvd.): ('t
tevoorschijn komen van) zoutkristallen op muren door uitslag; door aanraking
met de lucht verandert de kalk of het cement in een poetsachtige stof. |
|
Blokwagen, mallejan: lage wagen met 4 even hooge wielen en zonder
schalieren om zware vrachten te vervoeren. |
|
| | | |
| Blusscher:
klein ongebluscht kalksteentje, dat in de kalk zit. |
| Boog:
verschillende soorten: hoekige boog, segmentboog, elliptische boog, cirkelboog,
korfboog, gedrukte boog, platte boog, gebroken boog, hoefijzerboog, moorenboog,
veellobbige boog, getande boog, spitsboog. |
| Boote: mand om kalk te
meten. |
| Borderel der steenen: lijst van de voor 'n bouw noodige
natuursteen. |
| Borstel: voor het besproeien van metselwerk. |
|
Bouwen: de kalk bouwen: bereiden. |
| Branden: de kalk branden:
door gloeiing uit schelpen bereiden. |
| Brander: baksteen die min of
meer verbrand is en daardoor veel oneffenheden heeft. |
| Brandvlaag:
gebrek in hardsteen, nl. een dunne schilferige laag. |
| Broekpijp: een
buisje, dienende om water in een pijp te brengen. |
| Builen: de kalk
builen: 't ziften van gebluschte kalk door middel van een zeef of
builmolen. |
| Buitenwerk: werk buiten de vastgestelde uren. |
|
Contra-mal: een volgens profiel uitgesneden plank voor 't strijken van
plafondlijsten. |
| Dag: van een opening in deur of venster is het de
afstand tusschen de 2 neggen. |
| Dagijzer: voegijzer, meer hoog dan
breed en sterk gebogen. |
| Dagvlak, dagzijde: de naar buiten gekeerde
zijde van een steen. |
| Dakkeel, kiel, dakvoege: inhoek, plaats waar
de hellende vlakken van twee daken elkander ontmoeten. |
| Damplank:
plank om de randen van afgegraven grond tegen te houden. |
| Doodgebrande
kalk: als zij niet meer geschikt is tot blusschen. |
| Draad: den
draad pingelen: in 't midden van een over een aanzienlijke lengte gespannen
doorwegenden draad een steen leggen, zoodat deze dan over de geheele lengte
pijlrecht is. |
| Draad: in den draad werken: bij het metselen, de
juiste richting volgen, die de draad aanwijst. |
| Draagsteen: steen,
waarop een ijzeren ligger rust. |
| Drielingvenster: een venster
verdeeld door 2 stijlen. |
| Droogleggen: draineeren: drogen van
vochtige muren. |
| Droppels, droppen: versiersels onder de
triglyphen. |
| Druipers: versiersels boven de triglyphen. |
|
Drijven, de pannen drijven: zoo vast tegen elkander leggen, dat men er
schier de lucht niet door ziet. |
| Duimankers: haken in den muur
gemetseld voor het aanhangen van een deur of post. |
| Duivelsklauw:
een soort van groote nijptang om steenen op te tillen. |
| Eest:
droogplaats (vooral voor mout). |
| Eg, kantelaaf: dagzijde van het
vooruitstekend gedeelte van muurwerk aan een opening in een metselwerk. |
|
Ezelsbrug: kapvormig bovendeel van een muur. |
| Ezelsoor: spits
toeloopende overgang van een beloen, dat eindigt naar de negge van een muur of
kolom. |
| Formeel: timmerwerk om metselwerk te ondersteunen, vooral
bij gewelven. |
| Fries: buitenmuur van zoldervloer tot dak. |
|
Frijnen: 't fijn bewerken van hardsteen met een beitel. |
| Gaar en
gaaf: goed doorbakken en ongeschonden. |
| Geboorte: de hoogte van
een gewelf, waarop de rechtstanden eindigen en de eerste welfsteen gelegd
wordt. |
| Geboortelijn: de lijn, waarin de gewelfzool en de
binnenvlakte van het gewelf elkander snijden. |
| Gek: beweegbare
schoorsteenkap. |
| Gesmoorde steen: als gaar gebakken steen eenige
dagen in den rook van smeulend elzenhout of in den damp van steenkool in den
oven blijft, krijgt hij een blauwe kleur. Hij wordt dan gesmoorde steen
genoemd. |
| Gewand: al het gereedschap om zware dingen op te
hijschen. |
| Graatboog: diagonale boog. |
| Grijpsteen:
steenen die ketenen op den buitenmuur uitmaken, n.l. wanneer aan een muur op
afstanden telkens een steen uitspringt. |
| Gronden: voor den eersten
keer pleisteren. |
|
| | | |
| Grondslag: van een gebouw: plaats
waarop de fundeering rust. |
| Haakswijs: behoorlijk naar den
winkelhaak. |
| Haalsteen: uitspringende steen aan sluismuren, om den
schippers 't in- en uittrekken der schepen te vergemakkelijken. |
|
Hak: houweel met één punt. |
| Halfverheven
beeldwerk: bas-relief. |
| Hals: b.v. van een regenput: de steenen
rand boven aan. |
| Over de hand werken: een metselwerk langs de
binnenzijde opwerken. |
| Handlap: leeren lap om de hand te beschutten
tegen slijtage door de steenen. |
| Haringgraatbouw: muurverband met
aas-vormigen stand der steenen. |
| Hast: eest. |
| Helletje:
oude maat om kalk te meten. |
| Hoekspar, hoekkeper, graatbalk,
graatspar: de rij pannen dienende tot dichtmaking van den hoek, in
tegenoverstelling van de dakkeel. |
| Horde: laag muurtje in steen
tusschen den dorschvloer en den schuurwinkel. |
| Inkassing: de
voorgevel van een gebouw wordt soms later opgetrokken dan de andere muren. Het
metselwerk van den voorgevel wordt dan aan het andere verbonden door blokken,
waarvoor in de zijmuren openingen (inkassingen) zijn uitgespaard. |
| IJdel
werken: als hij de kalk niet over de geheele steenlaag openspreidt. |
|
IJzernier: een gebrek in hardsteen. |
| Jong: een jong zetten of
steken (Brugge), een kind metselen (Gent): binnen een bestaanden put een
anderen metselen, teneinde doorzijgingen door den wand te beletten. |
|
Juffer: een stellinghout. |
| Kaapstander: werktuig om waterpas
een groote kracht aan te wenden. |
| Kalei: witsel. |
| Kalf:
een lat van het formeel. |
| Kalf: de middendorpel van een
venster. |
| Kalkbouw, kalkkloet, kalkklopper, kalkstok, kloet en
kloetstok: werktuig waar de kalk mee beslagen wordt. |
|
Kalkhuid: laag witsel op de muren. |
| Kalven, kalveren:
instorten van aarde. |
| Kamelot: onversteende gedeelten in
hardsteen. |
| Kapuitje: uiterste top van een spits toeloopenden gevel,
enz. |
| Kavejong: vierkante pijp uit klompjes gemetseld tegen den
grondmuur van den schoorsteen, ter plaatse waar gewoonlijk de haard is en
dienende om het uiteinde der horizontale buis van een kachel te ontvangen en
aldus den rook door de schoorsteenpijp weg te leiden. |
| Keldervijs:
dommekracht. |
| Kesp: dwarslegger op de heipalen voor de
fundeering. |
| Kielspit: lijn door den aardewerker gestoken, tot
afbakening van den grond. |
| Kistdam: afdamming in stroomend water,
gemaakt van palen en damplanken, waartusschen aarde klei en stroo. |
|
Klamplaag: laag, die waterpas, rechtstaande of wel in overhoekschen
stand tot bekleeding van kelders of regenbakken gebruikt wordt. |
|
Klapmuts: bovenste laag turf in den oven. |
| Knevel: touwen bij
het vastmaken van een stelling. |
| Koot: een straatweg van
veldsteen. |
| Kop: de koppen zijn de kleinste zijde van de
steenen. |
| Korteling, bunsem: dwarshout, dat de planken van een
steiger ondersteunt, met het eene eind in den muur steekt en met het andere aan
den steigerpaal vastligt. |
| Kraaibek: een vergaring voor
damplanken. |
| Kruis: kalkmaat van 15 zakken of 10 H.L. |
|
Kwelm: weeke grond, waaruit het water welt. |
| Leng: touw. |
|
Lijken: afkappen van steenen om de lagen pas te krijgen. |
|
Lossen: een gewelf lossen: het formeel wegnemen. |
| Mallejan:
wagen op 4 of 2 wielen zonder schotten. |
| Mantel: metselwerk rondom
den vorm der klokgieters. |
| Mazier, mazuur, muzuur, maiziergat:
drie-of vijfhoekig gat of nis in boerenhuizen naast den haard in den muur
gemetseld, waar men pijpen, solferstekken of andere kleinigheden legt. |
|
|
| | | |
| Mei: den mei vieren, steken, hebben: als 't gebouw
onderdak is, er een (mei)tak opzetten. |
| Mergelen: de onderste grond
van onder den reeds gemetselden waterput uitgraven om het metselwerk dieper in
den grond te doen zinken. |
| Misdag (mestdag): patroonfeest van 't
ambacht, hetwelk plechtig met een H. Mis gevierd wordt. |
| Misstand:
slecht metselwerk van een muur. |
| Mortelpaard: soort van houten
steunsel, waarop de knecht van den metselaar zijn kalkbak zet, om hem te vullen
en dan gemakkelijk op den schouder te nemen. |
| Mosterdpot: een plank
op rollen, tot 't verplaatsen van steenen. |
| Muizen: werpen en
opvangen van steenen en pannen die door een werkman achtereenvolgend geworpen
worden naar een anderen, die ze opvangt. |
| Muurkeel: einde van een
dak tegen een hoogeren muur. |
| Nest: opening in den trapmuur, waar de
trede sluit in den muur. |
| Neus: gedeelte van een traptrede, dat
vooruitspringt over het stootbord. |
| Noot, note, neut, neute:
bolvormig klompje gebakken aarde, dat zich in een kalksteen bevindt en heel
dikwijls, bij het kappen van den steen daaruitvalt. |
| Onderhanden
nemen: een muur onderhanden nemen: herstellen, nazien. |
|
Onderschoeien: den voet van een muur herstellen. |
|
Onderspieën: bij rioleering een spie (: steentje of wigvormig
houtje) plaatsen onder de buizen. |
| Ontcenteren: het formeel uit een
gewelf wegnemen, nadat dit afgewerkt is. |
| Oog: het oog van een
hamer: het steekgat. |
| Oogen: de oogen van een draagzeel: waarin de
dissels van een kruiwagen rusten. |
| Oogen: in de mortel: witte
korrels, die aanduiden dat de kalk nog niet geheel met 't zand vermengd
is. |
| Oor: dat gedeelte van een vensterbank, dat verder in het
metselwerk doorloopt. |
| Ophoogen: hooger maken; een huis ophoogen:
een verdieping hooger maken. |
| Opperen: kalk en steenen
aanbrengen. |
| Opstijven: het opstijven van de kalk: het stijf worden
(niet versteenen). |
| Paalschoen: (ijzeren) paalhouder. |
|
Paap: grond dien men bij 't uitgraven van putten laat liggen om de
diepte te meten of den verrichten arbeid te schatten. |
| Paard: een
groot winkelhaakvormig raam, dat met een haak of met koorden langs den muur
bevestigd is, in uitspringende richting gelijk een console en dient, bij een
hangenden steiger, om den planken vloer te dragen. |
| Paslaag:
bovenste waterpas gelegde laag der grondslagen van een metselwerk. |
|
Penant: stuk muur tusschen twee vensters. |
| Pik: houweel tot
afbraak van een metselwerk. |
| Plakbord: klein plankje met handvat,
waarop de metselaar de kalk legt, die hij moet gebruiken b.v. bij het volzetten
der voegen, aansmeren van pannen, enz. |
| Plat: lange breede zijde van
de steenen. |
| Plekspaan: houten of ijzeren plankje met handvat om de
kalk glad te strijken bij 't plafonneeren. |
| Plint: houten of steenen
bekleeding van 't onderste van muren. |
| Porring: schuine richting van
de voegen naar 't middelpunt van den boog. |
| Rad: houten kroon op den
bodem van een put. |
| Rammelaars: gebarsten, gespleten steenen. |
|
Ratelaars: steenen met stukjes wit op de kanten. |
| Raveeling:
balken die een schoorsteen dragen. |
| Reeleger: fijne barsten in
steen. |
| Reep: kort koord bij een stelling. |
| Resiefijzer:
ijzer dat dient om de hoeken van een lijst, in plafonneerwerk te
vereenigen. |
| Reuzenmop: groote steen voor groote gebouwen. |
|
Rijzing: van een brug: de klimming. |
| Rok: kap of overdekking
van pleisterkalk op een gewelf of tegen een grondvest, ter wering van de
vochtigheid. |
|
| | | |
| Rollaag: metselwerk van op hun kant of
kop geplaatste steenen, om een ander metselwerk af te dekken. |
|
Rooilijn: de rechte lijn waarin de huizen van een straat geplaatst
worden. |
| Rookmantel: gemetselde kap boven oude schoorsteenen. |
|
Rotten: van de kalk: het lesschen van de ongebluschte deelen. |
|
Schacht: deel van een zuil tusschen 't voetstuk en 't kapiteel. |
|
Schalk: rechte greenen spar met ijzeren punt. |
| Schalk:
werktuig om zware balken enz. op te hijschen. |
| Schalmgat: de ronde
ruimte die men ziet als men boven van een wenteltrap langs de binnenleuning
naar beneden kijkt. (Is de ruimte niet rond, dan trapgat). |
|
Scheef: houtachtige afval van vlas, die men in de plakkalk doet. |
|
Scheerhout: ligplank bij een stelling. |
| Scheluwtrap: trap van
onderen breeder dan van boven. |
| Scheren: een touw: spannen. |
|
Schijfgat: de groef van een katrol, die de koord opneemt. |
|
Schoor: steunpaal. |
| Schor: vloersteen. |
| Schroot:
plank bij een formeel. |
| Slag: raamlijst waar het vensterraam tegen
aan komt. |
| Slechten: (ook) de straat opbreken. |
| Sleutel:
van een gewelf: sluitsteen. |
| Slets: dwarsplank op den grond bij een
schraging. |
| Slijklaag: de eerste laag, die op den grond wordt gelegd
bij het aanleggen van fundamenten, keldervloeren enz. |
| Sloof:
dwarsplank bij een formeel. |
| Snuiver: schuin luchtgat in een
schoorsteen. |
| Spanlat: klein houten steunsel, om uitspringende
stukken hardsteen enz. te ondersteunen, totdat het metselwerk volkomen droog
is. |
| Spekdammetje: klein dammetje bij fundeeringswerk. |
|
Spouw: ruimte tusschen twee muren. |
| Sprong: een hoogte op de
baksteenen. |
| Spuwer: een waterafleiding bij middeleeuwsche
gebouwen. |
| Steekschoor: steenen beer, scherpe uithoek eener brug,
pijler tegen den stroom en het ijs. |
| Steen: oudtijds een van
hardsteen opgetrokken gebouw. |
| Sterfput: steenen of ijzeren bak met
stankafsluiter. |
| Stiep: gedeelte metselwerk, dat op zekeren afstand
onder een houten bevloering wordt aangebracht, tot ondersteuning der
rîbben. |
| Straal: klein venster boven een deur. |
|
Stuit: palen tot op den stuit inheien: tot zij niet verder kunnen. |
|
Sult, zult: hoog verheven muurtje met zijn glint of staande blind
daarboven opgemaakt, tusschen de op stal staande koeien en de effen plaats,
waar men haar voeder of drank voorzet. |
| Talud: glooiing. |
|
Tand: kant van een spitsgevel. |
| Tand: uitstekend deel van een
steen boven een anderen. |
| Teerling: stuk hardsteen in een muur,
waarop een ijzeren ligger rust. |
| Toetsen: steenen toetsen: nazien
met een stok of een muur nog in goeden staat verkeert. |
| Tong:
muurtje tusschen 2 naast elkaar aangebrachte rookpijpen. |
| Traparm:
gedeelte van een trap tusschen 2 bordessen. |
| Trapmantel: deel van 't
gebouw, dat de trap bevat. |
| (Trap)wang: de zijstukken waartusschen
de traptreden opgesloten of gedragen worden. |
| Tras: een soort
mortel. |
| Trasraam: gedeelte van keldermuren, dat met trasmortel
gemetseld wordt tot 't voorkomen van optrekken van vocht. |
| Trasrok:
een laag trasmortel tot wering van vocht. |
| Tuitouw: een van de 4
touwen om den schalk recht te houden. |
| Uitbuilen: de kalk uitbuilen:
kalk met een buil ziften. |
| Uitstek: kamertje aan het achtereinde van
het huis. |
| Vangen: een gevel vangen: schragen. |
|
| | | |
|
Varken: een varken steken: een laag op de vereischte hoogte brengen door
in de voegen stukken enz. te leggen. |
| Verglaasde steen: te hard
gebakken steen (niet verwarren met verglazen: glazuren). |
| Vergleisd:
geëmailleerd. |
| Verkossing: gedeeltelijke vernieuwing van een
muur, en wel zoo, dat men den steen zwaluwstaartsgewijs wegkapt en aanvult met
nieuwen steen. |
| Verloop: helling bij waterafleidende buizen. |
|
Versnijding: vermindering van de dikte van een muur. |
|
Verstek: half rechthoekig afgewerkt metselwerk, in 't bizonder
toepasselijk op gelijste steenen. |
| Vertaarding: de vooruitspringende
steenen, die dienen om een nieuw metselwerk aan een oud te verbinden. |
|
Verwas: versnijding. |
| Verweêren: de nadeelige invloed,
die het weder op den steen uitoefent en waardoor het uiterlijk aanzien bedorven
wordt. |
| Verzuipen: het overtollig mengen met water bij het blusschen
van kalk. |
| Vischbek: 't invattend gedeelte van 't vergaren van een
kraaibekken. |
| Vliegen: 't vliegen van een muur: het schijnen
vooroverhellen van een loodrechten muur. |
| Vliegende muur: die niet
rechtstreeks op den grond rust. |
| Vlij: gebrek in Bentheimersteen:
dunne ijzerlaag in den steen. |
| Vlijmen: de kalk sterk met de
kalkhouw wrijven. |
| Volrapen: meer mortel dan gewoonlijk leggen om al
de holten aan te vullen. |
| Voorsprong: 't vooruitspringende gedeelte
van een gebouw. |
| Voorwerkers: brikken van het buitenvlak van een
muur. |
| Vormbouw: het bouwen door vormen met leem of aarde vol te
stampen. |
| Vuist: vuisthamer. |
| Vuring, viering:
stookplaats, fornuis, vuuroven. |
| Wang: zijstukken waartusschen de
treden van een steenen trap zijn ingesloten. Bij houten trappen heeten ze
boomen. |
| Water: het water van den steen: mengeling van
vlekken en aders in marmer, enz. |
| Waterglas: waterwerend middel voor
steen. |
| Welboord: steen uit de onderste laag. |
|
Winkelhaak: samenstel uit 2 vaste, aan elkaar verbonden dunne houten
bladen, waarvan het eene (de aanslag) langs een bepaalde zijde of lijn wordt
gelegd, om langs het andere blad te kunnen afteekenen in welke richting de
bewerking moet geschieden. |
| Wulfzel: gewelf. |
| Zakken: in
zakken doen. |
| Zemperput, zemperput, zamperput: put in de aarde, waar
het water dat er in vloeit, in den grond zinkt. |
| Hij werkt in de
zon: Hij is een bekwaam vakman (de zon kan er gerust op schijnen, men kan
er dan nog geen gebreken in ontdekken). |
| Zonnebrand: gele of
roodbruine strepen in steen, waarop deze makkelijk afbrokkelt. |
|
Zool: voetstuk, grondslag. |
| Zopput: gemetselde put in de
aarde, waarin het water doortrokken wordt van de run om dan in de bovenkuip
overgepompt te worden. |
| Zwaarte: van muren: dikte. |
|
Zweeten: van steenen: vocht uitslaan. |
| Zwei: winkelhaak wiens
breede riggels evenals de beenen van een passer kunnen open en toegaan, zoodat
men naar believen een scherpen of stompen hoek kan maken. |
| Zwijn:
rond mandewerk, lang en buikvormig als een zwijn, om gebluschte kalk te
ziften. |
| Zwijnsneus: vooruitspringende kant op de dikke zijde van
den kop van een baksteen. |
Voor het verloop der bouwbedrijven, gedurende de laatste jaren in
een groote stad, hebben wij een uitstekende bron in het rapport eener
Amsterdamsche Gemeentelijke Commissie: De toestand der werklieden in de
bouwbedrijven | | | | te Amsterdam2 1905. Vóór
1870 werd in Amsterdam betrekkelijk weinig gebouwd, maar solied. De rijke
huizen werden door vertrouwde bazen op dagloon en materiaal-kosten gebouwd.
Aanbestedingen kwamen alleen bij groote gebouwen voor. Maar nu begon de groote
bevolkingsuitbreiding. De concurrentie werd wakker. Alles werd aanbesteed.
Gevolg: lagere eischen en stukwerk. Toen gingen in den ‘Kaapschen
tijd’ timmermansbazen huizen bouwen voor eigen rekening, en zoo ontstond
de ‘revolutiebouw’. De huizen gingen grif van de hand. Het was dus
alleen de kwestie: het huis spoedig af te leveren. Pas later kwamen de gebreken
van dat ruwer werk met goedkoope grondsoorten aan den dag. Vóór
dien tijd kwamen de metselaarsvaklieden meestal uit Brabant, ze keerden wederom
terug, als hun werk klaar was. Zij moesten goed kunnen teekenen, hadden een
goed begrip van het huis en al z'n onderdeelen, en ze verstonden de kunst: den
gebakken steen in allerlei vormen en afmetingen af te hakken, om aan het
metselwerk een kunstvorm te geven. Maar de metselaars van nu, hebben daar geen
begrip meer van: de timmerman zorgt voor de profielen, de steenbakkerij levert
de steenen in alle wenschte formaten, terwijl het voegen nog bovendien een
zelfstandig doodend vak geworden is. En nu is tot overmaat van smart, er nog
het gewapend beton bijgekomen. Aanvankelijk alleen voor fundeeringswerken,
sluisbouw en kaaimuren in gebruik, ging men er in de laatste jaren ook kelders
en vloeren, ja zelfs kolommen en muren van maken. Was bij den metselbouw het
aantal geschoolde arbeiders nog verreweg overwegend, bij het Monier-werk is de
verhouding juist omgekeerd. In plaats van metselaars, gebruikt men thans
arbeiders die wat timmeren kunnen. ‘Onze arbeiders, zoo bericht een
beton-maatschappij, komen grootendeels voort uit sjouwers, opperlieden en
polderwerkers. Sommige van hen, de handigste en flinkste worden vanzelf
vlechter, betonwerker enz. Ook het eenvoudige en ruwe timmerwerk wordt soms
door personen verricht, die vroeger niets dan sjouwers waren.’ De
massa-fabricage van cement of cementijzer, platen, buizen, holle steenen, enz.
heeft eveneens naast den magazijnmeester, slechts ongeschoolde arbeidskrachten,
die ook helpen bij het afknippen, sorteeren en verzenden van ijzer naar de
werken, voor zoover dit niet direct van wege de leveranciers ter plaatse wordt
aangevoerd. De stukadoors waren vroeger echte kunstenaars in hun soort, gelijk
de gevels en plafonds der oude Amsterdamsche huizen bewijzen. Die tijden zijn
al lang voorbij. De zooveel eenvoudiger plafondversieringen van het begin der
revolutiebouwperiode zijn slechts afgietsels, door den stukadoor naar een van
buiten ontvangen model vervaardigd; en thans heeft ook dat de fabriek, (vaak de
papierfabriek) overgenomen, en bestaat de heele stukadoorskunst erin: die
versierseltjes op te plakken. In het algemeen kan gezegd worden, dat de enkele
soliede winkels nog het eenige toevluchtsoord zijn voor den waren vakman.
| | | | In deze omstandigheden, zou natuurlijk weer een
vergelijkende studie der vaktalen, mits individueel behandeld, zoowel voor de
arbeiderspsychologie als voor de taalwetenschap belangrijke resultaten kunnen
opleveren. Wij leven in zulk een interessanten tijd; en toch meenen de meeste
taalbeoefenaars, dat alle verleden eeuwen, ook al weten wij er zoo goed als
niets van, veel belangrijker zijn. Zij zoeken en zoeken naar klankwetten en
dialectvormen, en beteekenisontwikkelingen zelfs van woorden en termen, maar op
één conditie, dat zij mogen dwalen in het droomerig, der fantasie
zoo gunstige, half-duister van den voortijd. Zouden wij dan toch niet eindelijk
onze oogen eens open gaan doen voor de taalevolutie, die zich baanbreekt in het
klare licht van onzen eigen dag?
| |
14. De steenbakkerstaal. 26/30
A. Nederlandsche Klei-industrie. Eshuis & Co, Dalfsen x/7. -
Klei (voor architecten en baksteenfabrikanten). v. Mantgem & de Does, 5e
jrg. 1913, Amsterdam x/15.
C. De Steenbewerker. Kerkstraat 34, Boom 4/14.
A. Weissmann: De gebakken steen. Amsterdam 1906. - J. van der
Kloes: Indrukken van de Nederlandsche steenindustrie 1908. - Th. Koopman. Vak-
en kunstwoorden: Steenbakkerij. Gent, 1894.
Ook hieraan ontleen ik een Vlaamsche woordenlijst. Zie opmerkingen
nr. 4.
| Aanslaan: steenen, te weinig om 'n nieuwe haag
te vormen, voegen bij een andere haag. |
| Aard(e)maker: werkman, die
de aarde malsch maakt. |
| Aardput: put, waaruit de aarde gegraven en
waarin ze bewerkt wordt. |
| Aardschup: schop, waarmede men de
steenaarde bereidt. |
| Aardvoerder: man, die de steenaarde uit den put
naar den steenmaker voert. |
| Afbla(d)deren: afschilferen. |
|
Afdrager: man, die de gevormde steenen wegdraagt. |
| Afgever:
man, die op 't schip de steenen van den scheeprijder overneemt en aan den
sjouwer geeft (z.e.). |
| Afplaten: afbladeren. |
| Afslager:
man, die de steenen in den oven plaatst en kolen strooit. Zeer juiste naam: de
man houdt met beide armen een mand met fijne kolen vast en door de
draai-beweging van zijn lijf slaat hij een laag kolen uit de mand. |
|
Afstrijken: de overtollige aarde van den vorm wegstrijken met een houten
spaan. |
| Altaarsteen: groote vuurvaste steen. |
| Ariaan: om
een of andere reden ongeschikte baksteenen. |
| Appelbloesem:
bleekroode klinkers. |
| Baantegel: roode of blauwe gangsteen. |
|
Bakdroog: droog genoeg om gebakken te worden. |
| Baksel:
hoeveelheid steenen, die in eens gebakken wordt. |
| Bakte: hoeveelheid
steenen, die in eens gebakken wordt. |
| Baktijd: tijd, gedurende
welken het bakken duurt. |
| Barm: hoop onbruikbare aarde. |
|
Bedding: plaats waar de afdrager de steenen te drogen legt. |
|
Beregende steen: die tijdens het drogen beregend is: poksteen:
mottige steen. |
| Beslaan: de aarde malsch maken. |
|
Bleeker: niet hard gebakken klinker. |
| Boerengrauw: hardste
steenen, uit de bovenste steenlagen. |
| Boon: heel klein stukje
kool. |
| Bovengrauw: steen van de bovenste laag, midden uit den
oven. |
| Brand: de gloeiïng van den oven. |
| Brik
(briek-brijk-brike-bryke): briksteen. |
| Brokkelaarde: droge
brokkelende steenaarde. |
|
| | | |
| Brug: stelling over den
aardput, waarover men de oeveraarde vervoerd. |
| Dakpan: dekpan,
minderwaardige steenen boven op den oven om de goede steenen te beschutten.
Soorten pannen: |
| Bourgondische - |
Hollandsche - |
lucht - |
| dubbele - |
holle - |
nok - |
| lange - |
kap - |
platte - |
| Fransche - |
kleine - |
rechtsche - |
| gaat - |
klok - |
rietvorsten |
| gewone - |
kruin - |
Vlaamsche - |
| hoek - |
linksche - |
vorstpannen |
| Deeg: steenspijs, klei met water bereid. |
|
Deklaag: bovenste steenlaag. |
| Doorbakken: harde steen. |
|
Draaien: den windmolen in gang houden. |
| Drijven: doornat
laten worden. |
| Dubbel (dobbel): (rij van) acht steenen. |
|
Estrik: gebakken vloersteen. |
| Ezel: schraag. |
|
Fijnen: fijne kolen. |
| Gaar en gaaf: goed doorbakken en
ongeschonden. |
| Gaatpan: dakpan met misvormig gat in 't midden. |
|
Gam: stapel gedroogde, doch nog niet gebakken steenen. |
|
Gammen: de gedroogde steenen op hun kant zetten tot verdere
droging. |
| Gelaag, geleeg: de geheele uitgestrektheid der
steenbakkerij. |
| Gesteken steen: steen met holten erin. |
|
Getrokken steen: scheefgetrokken steen. |
| Grauw: grauwe steen,
die in 't midden van den oven ligt. |
| Groene steenen: slecht gebakken
steenen. |
| Haag: rij opeengestapelde steenen om verder te
drogen. |
| Haagbed: de effengemaakte grond, waarop de haag staat. |
|
Hagen: de steenen in hagen zetten. |
| Halfbak: half of nog
minder gebakken steen. |
| Hart: 't binnenste van den oven. |
|
Heelbak: weldoorbakken steen. |
| Helderklinkende steen: harde,
vaste steen. |
| Holle steen: steenen, met één of meer
gaten voorzien. |
| Hondsgat: deuropening van den steenoven. |
|
Hooplader: man, die de steenen van den hoop op kruiwagens laadt. |
|
Inslaan: den oven vullen. |
| Kalf: een deel aarde, dat in den
put afzakt: kalfslag. |
| Kalven (in-, af-, toe-): wegzakken der
aarde. |
| Kantsteen: steen van de buitenkanten, dus maar half
gebakken. |
| Kappan: pan om lucht op zolders enz. toe te laten. |
|
Kareel: kareelsteen (m.-nederl. quareel). |
| Kenmerken:
eigenschappen van den gebakken metselsteen: gaar en gaaf - vast - vlak - hard -
weldoorbakken - dichtgesloten- helderklinkend - eenigszins glasachtig. |
|
Kern: binnenste van den oven. |
| Keurrood: uitgezochte roode
steen. |
| Kit: tonvormige wateremmer. |
| Klad: aarde, die met
de plaan wordt afgestreken. |
| Kladsteen: gedeeltelijk gebakken, soms
gesmolten steen. |
| Kleimolen: molen om de klei te kneden. |
|
Klesoor, klezoor, klisoor: deel van den steen, die met het truweel van
den heelen steen wordt afgeslagen. |
| Klinker: de beste baksteen. |
|
Kloot: klomp klei. |
| Knevel: tand, die de stukken hout der
brug aaneenhecht. |
| Knopje: zie neus. |
| Koornaarde:
bovenste laag van vruchtbare grond. |
| Kop: kleinste zijde van den
steen. |
| Kraag: overslag van de nokpan. |
| Kruier: lange
stok, met kruiswaarts aangenagelde plank, dienende om de droogplaats te
effenen. |
| Kwelm: weeke grond, waaruit water welt, |
| Kwelp:
vettige grijze grond. |
| Leuter: plat stukje hout, waarmede men de
klei van de spa schuurt. |
| Lokgat: opening in den oven, waaruit de
vlam stijgt en de steenen bakt. |
| Looper: de steenen van den
kleimolen. |
| Maalgang: kleimolen met twee overeind staande
steenen. |
|
| | | |
| Mergel: klei die met kalkzand vermengd
is. |
| Misbak: wanbak. |
| Moef, moefe, mof, mop: groote
klinker. |
| Mortel: geknede steenspijs. |
| Mottige steenen:
die in den regen gestaan hebben vóór 't drogen, zoodat er kleine
gaatjes in zijn. |
| Muizen: 't werpen en opvangen der steenen bij
lading en lossing. |
| Neus: omgebogen gedeelte van de dakpan om ze
vast te leggen. |
| Oeverzetter: man, die de helling van den bovenkant
van den put (oever) steekt. |
| Omzetten: de klei onderstboven
keeren. |
| Ontladen: den oven -, de steenen uit den oven nemen. |
|
Opzetten: de klei op de vormbank zetten. |
| Oven: droog -,
dubbele -, gesloten -, hout -, ring -, steen -, tichel -, veld -. |
|
Ovenjong: de jongste werkman, die voor de ovens zorgt. |
|
Overkolen: kolen strooien tusschen de steenlagen. |
| Overslag:
stuk hout, op de brug, waartegen de kruiwagen wordt gekeerd. |
| Plaan:
stuk hout, waarmede de overtollige klei wordt afgestreken. |
| Plat: de
breede kant van den steen. |
| Plets: droogplaats. |
| Ploeg:
al de werklieden te zamen, die de aarde tot steen vormen. |
|
Rammelaars: gebarsten steenen. |
| Ratelaars: steenen met
schaarden erin. |
| Rechten: de steenen -, de steenen, die plat op den
grond liggen, op hun kant zetten. |
| Rijke kant: die kant van den
steen, die een scherpen hoek heeft. |
| Rol: plaan of werktuig ter
vervanging van de plaan. |
| Roode steensoorten: keur-, wal-, best-,
appelbloesem. |
| Slechten: den overgevoerden bovengrond op den barm
openwerpen. |
| Snijder: man, die de plavuizen snijdt. |
|
Sprong: put in de steenen. |
| Steengoed: gebakken
aardewerk. |
| Steenmortel: bereide steenspijs. |
| Stikken: de
steenaarde met de stik- of steekschop bewerken. |
| Stouwen: de steenen
vast in 't schip plaatsen. |
| Trekken: aarde -: 't uitdelven van den
kleigrond. |
| Trijzel: mand met traliewerk in den bodem, tot het
schiften van de kolen. |
| Trijzelen: kolen ziften. |
|
Uitzetten: steen uit den oven nemen. |
| Vaagmes: scherp stukje
hout om de vormen uit te vegen. |
| Vlaag, vlaak, vlake: vlechtwerk om
de steenen te schutten tegen den wind of zomerhitte. |
| Vlaakpers:
paal, waarover de matten gelegd worden. |
| Vogel: bak om de leem naar
de vormbank te dragen. |
| Vormen: steenen maken. |
| Vorstpan:
bovenste pan. |
| Wagenvoer: een wagenvoer steen, een volle
wagenvracht. |
| Walk: een bol steenaarde. |
| Walken: de
aardbollen ineenduwen, lenig maken. |
| Wan: houten werktuig,
schelpvormig, met twee ooren. |
| Wanbak: misbak, slecht gebakken
steen. |
| Wannen: water met den wan uit den aardput scheppen. |
|
Weenen: wenden, de steenen omkantelen. |
| Weekkuil: waterdicht
gemetselde kuil om de klei te bereiden, te kneden. |
| Welboord: steen
uit de onderste laag. |
| Windmolen: molen om 't vuur aan te
wakkeren. |
| Wrak: niet gaar gebakken. |
| Zandklad: steen,
gevormd van overblijfsels van steenaarde, die uit den vorm gevallen is. |
|
Zavel: rosachtige, zandachtige grond. |
| Zeepkei: keivormige,
broze steen. |
| Zel, zelling: boezem bij beekjes en riviertjes, waarin
bij laag water slib of slijk, dat dienen moet tot steenspijs, geworpen
wordt. |
| Zoet: zeer malsche grijze steenaarde. |
| Zwart:
donkere, minder malsche steenaarde. |
| Zweep: dunne spar aan de
brug. |
| Zwemsteen: lichte, drijvende steen. |
| | | |
Wij hebben hier te doen met een belangrijke Nederlandsche
industrie, die nagenoeg uitsluitend steunt op ongeschoolden arbeid. Indien er
vroeger, en nog thans hier en daar, bij het handvormen een zekere
‘slag’ te pas kwam, het machinale vormen heeft dit overbodig
gemaakt. Terwijl thans minder spierkracht noodig is, wordt echter iets meer
geëischt van de aandacht, en dat is dus een kleine vooruitgang.
Persoonlijk had ik gelegenheid eenige dagen op meer intiemen voet met Vlaamsche
steenbakkers uit Boom om te gaan. De indruk, dien zij op mij gemaakt hebben, is
niet heel gunstig. Zij zijn zeer onbeschaafd en ruw; trouwens de statistieken
geven voor Boom, waarvan de steenbakkers sedert jaren verreweg het grootste
deel der bevolking uitmaken, bijna het grootste percentage analphabeten van
heel België. Bij mijn bezoek aan een Noord-Limburgsche fabriek van pannen
en rioleeringsbuizen, waar vooral met strengpersen gewerkt wordt, kreeg ik een
ietwat beteren indruk, maar ook hier is het werk zéér eentonig.
Toch is er in de steenbakkerij nog een soort van vakopleiding mogelijk. Een der
beantwoorders der enquête van Th. v.d. Waerden geeft daaromtrent het
volgende: Op 13-jarigen leeftijd beginnen de jongens als hittenrijder, of
natmaker der klei, of aflosser. Met hun 15 jaar worden ze modderbakrijder met
een paard. Op hun 18de jaar worden ze opzetters, afslagers en
steenladers. Pas op 22-jarigen leeftijd komen ze in aanmerking voor zoogenaamde
losse kruiers, en daarna voor vaste kruiers, deze laatste stoken ook de ovens.
Slechts 5% brengt het verder, zij worden baas of chef. Deze laatste moeten
alles hebben doorloopen en zijn flink onderlegd.
| |
15. De stroodekkerstaal.
Dit is een uitstervende taalkring, die vroeger een der voornaamste
groepen van de bouwbedrijven vormde. Hedendaagsche literatuur is mij daarover
niet bekend. Alleen een Vlaamsch woordenlijstje uit Volk en Taal VI, dat ik
hier afdruk. Ik laat de Vlaamsche verklaringen weer in eigen geur en fleur.
| Aftrekken, een dak, een huis aftrekken: een
strooien dak heel en gansch wegnemen, 't zij om het met stroo, 't zij om het in
pannen te vernieuwen. |
| Bandroe(de): houten roede die men op 't
strooien dak bindt om het te sluiten en vast te leggen. |
| Dekker:
stroodekker. |
| Dekkersmes: breed mes, op het einde puntig, dat de
dekkers bezigen. |
| Dekkerspeerd: houten rechthoekig tuig, dat men aan
de daken vasthecht en waarop de dekker de voeten zet, bij het dekken. |
|
Dekroe(de): zie bandroe(de). |
| Dekstroo: stroo waar men
meê dekt. |
| Dekwe(d)er: weder geschikt om te dekken. |
|
Dekwisschen: wisschen bij het dekken gebezigd, die de bandroe aan de
kepers of latten vasthechten. |
| Euzie, de: onderste deel van het
dak. |
| Haak: ijzer waar men de dekkerspeerden meê aan 't dak
vasthecht. |
| Haakskespriem: ijzeren priem, op het eene uiteinde
gebogen tot eenen haak, waar de dekker de wisch die door het dak zit meê
vat, en boven trekt. |
| Ligger: plaats waar het dak met een ander
eenen rechthoek vormt. |
|
| | | |
| Ooreboom: deel van 't dak dat
aan de zijgevels uitsteekt aan sommige huizen. |
| Schupkespriem: priem
voorzien van een schupke langs den eenen kant, waarop de dekker met den
elleboog steunt, wanneer hij de wisch door het dak steekt en weer
boventrekt. |
| Stekken van den ooreboom: stokken waarmeê men den
ooreboom op den muur doet steunen, ten einde het neerzinken van den ooreboom te
beletten. |
| Torrekes: zie veugelkes. |
| Verbinden: het stroo
van 't dak doen vaster leggen door den dekker, die er dan banden versch stroo
kunstmatig over sluit. |
| Vervursten, vervorsten: de vurst alleen
herstellen, vernieuwen. |
| Veugelkes: stroopoppen die boven den vurst
eenen palm lang uitsteken |
| Vurst, vorst: opperste, hoogste deel van
het dak. |
| Ziggel: recht ijzer, voorzien van tanden, waarmede men de
lat en de bandroê vasthoudt, wijl men ze aan elkander bindt. |
In aansluiting hierbij laat ik nu een paar onlangs uitgestorven
vaktalen volgen:
| |
16. De taal der indigo- of blauwbereiders.
Volledige beschrijving van alle konsten, enz. (zie nr. 2) nr. 1.
De Indigobereider en Blauwverver, Dordrecht 1788.
| | [Aanvullingen]
Bij de taal der indigo- of blauwbereiders (nr 16) heb ik
vergeten er op te wijzen, dat deze vaktaal thans meer en meer heterochtoon is
geworden, en zoowel in West- als Oost-Indië voortleeft. Zie Ament: De
cultuur en de behandeling der West-Indische koffij en indigo, vergeleken met de
Oost-Indische, Kampen 1836, en A. André: Cultuur en Bereiding van Indigo
op Java, A'dam 1891. Maar ook verderop in dit hoofdstuk had ik nog op allerlei
heterochtone vaktalen kunnen wijzen: zoo op de taal der Oost-Indische koffie-,
thee- en cacaocultuur, der rijst- en klappercultuur, der caoutchouc-,
suikerriet-, kina-, ramee-, pala-, padi-, muskaat- en peper- in Oost-, en der
bacoven- en kassave-culturen in West-Indië; alsmede op verschillende
afwijkende bedrijven en grondwinningen van Zuid-Afrika. Ik meende echter, dat
ik hiervoor toch al te weinig bronnen tot mijn beschikking had, en wacht dus
eerst op een of meer speciaal-onderzoekingen, van ter zake en ter plaatse
kundigen.
| |
17. De taal der meekrapbereiders.
Volledige beschrijving van alle konsten enz. (zie nr. 2) nr. 17.
De Teling en bereiding der meekrap. Dordrecht 1800. G. Fokker: De oudst bekende
keur op het bereiden ... van meekrap in Zeeland, Middelburg 1866.
| |
18. De taal der houtskoolbranders.
Volledige beschrijving van alle konsten enz. (zie nr. 2) nr. 6: De
Houtskoolbrander.
| |
19. De taal der zeepzieders.
Volledige beschrijving van alle konsten enz (zie nr. 2) nr. 7: De
Zeepzieder. ca. 1800.
Deze ambachtstaal is ook bijna geheel en al uitgestorven, daar de
groote zeep-fabrieken, of de soda- en chemicaliënfabrieken ten eenen male
beheerscht worden door de termen der nieuwere scheikunde, die natuurlijk alleen
door de chefs worden verstaan, en door de ongeschoolde fabrieksarbeiders op de
wonderlijkste wijzen worden verhaspeld. Ongeveer hetzelfde is het geval
met:
| |
20. De taal der wasbleekers en kaarsenmakers.
Volledige beschrijving van alle konsten, enz. (zie nr. 2) nr. 5:
De Kaarsenmaker en nr. 10, De Waschbleeker en de Waschkaarsenmaker. (sic.)
In de twee groote stearine-kaarsenfabrieken van Gouda
en Schiedam is alles zóó geheel anders als vroeger,
en bovendien de eigenlijke bereiding zóó machinaal, dat van de
vroegere vaktaal niets is overgebleven. In de kleinere werkplaatsen evenwel,
hier en daar verspreid, waar waskaarsen voor den katholieken eeredienst worden
gemaakt, schijnt deze oude vaktaal nog voort te leven, maar ik ben er niet in
kunnen slagen, hierover nadere gegevens te bekomen.
| | | | | |
21. De zijdebewerkerstaal.
Volledige Beschrijving van alle konsten nr. 8. De Zijdeverver. nr.
15. De Zijdenteelt en kweeking van den Moerbeziënboom, beide Dordrecht
ca. 1800. Vgl. nr. 2.
De zijdeteelt heeft hier te lande slechts van ca
1750 tot 1870 bestaan, de zijdeïndustrie kwam reeds ongeveer 1680
op, maar ging op het einde der 19de eeuw, na lang kwijnen eveneens
ten gronde. Ook voor philologen, die in de taalstudie liever met hun oogen in
de boeken zitten, dan met hun ooren naar klanken luisteren, is er dus in de
nieuwe richting der taalwetenschap nog plaats genoeg. En hiermede kunnen zij
zich troosten, dat wij in elk geval met snuffelen en zoeken, van de
17de, 18de en 19de eeuw minstens honderd maal
zooveel kunnen te weten komen, als van alle vroegere tijdperken.
| |
22. De taal der suikerraffinaderijen.
Volledige beschrijving van alle konsten, enz. (zie nr. 2) nr. 11:
De Suikerraffinadeur. G. Broekhuizen: Uit de praktijk der witsuikerfabrieken.
Roosendaal 1906.
De raffinadeur van honderd jaar geleden - die met fijn beenzwart
en ossenbloed de suikeroplossing klaarde, om ze dan door doekfilters en grof
korrel-beenzwart te filtreeren, door verdamping te laten kristalliseeren, en de
verkregen suiker ten slotte tot suikerbrooden te verwerken - zou vreemd
opkijken als hij bij het affineeren der moderne centrifuges eens kwam toezien.
Van de oude vaktaal zijn dan ook in het nieuwe grootbedrijf slechts zwakke
sporen meer voorhanden.
| |
23. De tabakbewerkerstaal. 300/30
A. De Nederlandsche Tabakscourant. F. van Rossem, Amsterdam 15/7.
- Ons Dekblad (voor patroons). A. Vervoort, Eindhoven x/15. - De Tabaksplant
(sigaren en tabaksfabrikanten). Blom en Olivierse, Culemborg 20/7. - Le Fumeur.
A. Hillen's maandblad, A. Hillen, Delft x/30.
B. De Christelijke Tabakbewerker. Graswinckelstraat 47, Delft
15/14.
C. De Katholieke Tabakbewerker. Wal 17, Eindhoven 19/15. - De
vereenigde Werkman (Tabakbewerkers) Minderbroederstraat 24, Leuven x/30.
D. De Sigarenmaker. Reguliersgracht 80, Amsterdam 20/7.
S. Bertram: De Tabak. Handleiding voor hen, die zich in het
tabakvak wenschen te begeven. Kuilenburg, z.j. (1895). - S. Bertram: Leiddraad
bij de techniek der sigarenfabricage, en de melanges voor het sigaren- en
tabaksfabrikaat. Kuilenburg 1900. - R. Kiszling-Bertram: Beknopt handboek van
de tabakskennis, tabaksteelt en tabaksfabricage. Kuilenburg 1907. - J.
Wolf-Bertram: De tabak en de tabaksfabrikaten. Leiden 1913.
Uit de boeken van Bertram en Kissling is de volgende lijst
geëxcerpeerd:
| Aankleeden ('n vat): na 't prikkelen 't vat
weer om de tabak slaan. |
| Aanvochten: even vochtig maken. |
|
Aard: tabak is soepel van aard, maar zwaarmoedig, gruisaardig van
soort. (Maar men schijnt dit verschil toch niet consequent vol te
houden). |
| Aardgoed: middelste bladeren van de tabaksplant. |
|
Afleggen: aan gewicht verliezen (aan stelenverlies b.v.). |
|
|
| | | |
| Afnemen: tabak weghalen uit droogschuur. |
|
Amarillo: zeer licht (sigaar). |
| Aren: nerven. |
|
Bank: stapel gedroogde tabaksblaren. |
| Beits: saus. |
|
Beitsen: sauzen. |
| Bestgoed: bovenblaren v.d.
tabaksplant. |
| Binnenblad: omblad. |
| Binnenétiquet:
étiquet binnen op 't deksel van een sigarenkistje. |
|
Binnengoed: de binnentabak van een sigaar. |
| Bladdige tabak:
goede gave bladeren of stukken blad. |
| Bladgehalte: staat van
ontwikkeling, gaafheid, stevigheid enz. der bladeren. |
| Bladvarinas:
varinas in gewone bossen (niet in rollen). |
| Bladvlekken:
mozaïekziekte. |
| Blanke: lichtkleurige. |
| Blauw: tabak
die v.d. vorst geleden heeft. |
| Blok: dikke plank waarin 20 sigaren
vormen. |
| Blokkenpers: schroefpers om de bosjes in blokken aan te
persen. |
| Bloksigaren: sigaren die met 't blok gemaakt zijn. |
|
Blokwerk: 1. 't sigarenmaken met 't blok; 2. sigaren met 't blok
gemaakt. |
| Blokwerker: arbeider die blokwerk doet. |
|
Bosbakje: bakje waarmee de sigaren gebost worden. |
| Bosje: 1.
binnengoed en omblad van 'n sigaar; 2. binnenwerk voor een rolletje
pruim-tabak; 3. bundeltje sigaren. |
| Bosjesmaker: arbeider die bosjes
(1) maakt. |
| Brand: 1. wijze van branden; 2. zwartworden der bladeren
bij 't drogen. |
| Brandig: lijdend aan brand (2). |
| Breken:
1. tabak -: met walsen klein maken; 2. 't veld -: geitsen. |
| Broei:
ziekelijke teerheid der bladeren door te sterke gisting. |
| Brokkelig:
licht verbrokkelend, vergruizend. |
| Canasser (knaster): rieten mand
waarin varinas verpakt wordt. |
| Ceroen: baal van overtrokken boombast
of buffelhuid. |
| Claro: licht. |
| Colorado:
middelkleur. |
| Colorado claro: lichte middelkleur. |
| Colorado
maduro: donkere middelkleur. |
| Consumptie: tabak koopen in -: die
bij de grossiers of importeurs opgeslagen is (tegenover in
entrepôt). |
| Dakbrand: rottende gisting bij 't drogen. |
|
Dakrijp: gereedzijnd, droog. |
| Dek: buitenblad van de
sigaar. |
| Dekker: voor dek uitgesneden stuk blad. |
|
Dekkracht: 't gewicht van de hoeveelheid tabak die voor dek voor 1000
sigaren noodig is, b.v.: de dekkracht is 1 kilo. |
| Dieven:
kleinere blaadjes tusschen de groote tabaksbladen in groeiend. |
| Dood
blad: bros blad. |
| Doorgezet: in 't pak nagistend. |
|
Droogsoortig: droog van aard. |
| Druk hebben: doorgezet
zijn. |
| Eest: draaitrommel om tabak te drogen. |
| Eesten:
tabak drogen met de eest. |
| Endouilles: cylindervormige
karotten. |
| Entrepôt: tabak koopen in -: in 's Rijks
entrepôt opgeslagen. |
| Fermentatie: gisting. |
| Flauw:
zonder veel smaak, pit. |
| Gebost: (sigaren) in bundeltjes in de
kistjes gedaan, (bladeren) tot bossen gebonden. |
| Gegoten sigaretten:
van zeer korte tabak en stelen. |
| Geitsen: zijloten der tabaksplant
uitbreken. |
| Gelijkslaan: tabak in gelijke hoopjes en in
één richting leggen. |
| Gloed: tintglans van de sigaar
(rood, bruin of vaal). |
| Groenfermentatie: soort
vóórgisting onmiddellijk na den pluk. |
| Gruisaardig:
brokkelig. |
| Halftabak: beetwortelblaren in tabaksloog gedrenkt. |
|
Handijzer: plaatje om bij 't spinnen de lijn glad en vast te
houden. |
| Handsigaren: sigaren die uit de hand gewerkt zijn
(tegenover bloksigaren). |
| Handvormwerk: sigaren eerst in 't blok,
dan met de hand bewerken. |
| Handwerk: 1. 't maken van sigaren geheel
uit de hand; 2. sigaren die zoo gemaakt zijn. |
|
| | | |
|
Handwerker: arbeider die sigaren uit de hand maakt. |
| Harde
tabak: stugge, brosse tabak. |
| Havanabruin: sapbruin. |
|
Hoppige tabak: fijn, dun. |
| Huls: papieren kokertje van een
sigaret. |
| IJzergaren: taaie band om geboste sigaren. |
|
Indrogen: krimpen bij 't drogen. |
| Inlandsche tabak:
Hollandsche tabak. |
| Inleg: binnengoed. |
| Inleggen: tabak
in de kerfbank leggen. |
| Intoppen: toppen. |
| Inzetpapier:
binnenbekleeding van een sigarenkistje. |
| Inzetten: sigarentabak
invochten. |
| Inzetter: arbeider die de zaaílingen zet. |
|
Java-matten: biezen vlechtwerk waarin men in N.O.-I. tabak verpakt. |
|
Kardoesjes: kokertjes voor snuifverpakking. |
| Kardoezen:
pakjes gekorven tabak. |
| Karot: spoelvormige rol tabak. |
|
Karottenmaken: karottentrekken. |
| Karottensnoer: touw waarin
men karotten perst. |
| Karottentafel: tafel ingericht voor (groote-of
kleine-) karottentrekken. |
| Karottentrekken: van de pop een karot
maken door insnoering. |
| Karottentrekker (groote -, kleine -):
toestel om karotten te maken. |
| Kerf: kerftabak. |
|
Kerfbank: riem zonder eind die de tabak naar 't kerfmes voert. |
|
Kerfmes: mes dat de tabak kerft. |
| Kerftabak: tabak die
gekorven wordt. |
| Kerven: tabak fijn snijden voor rook- of
pruimtabak. |
| Kleffige tabak: vochtige, duffe tabak. |
|
Kleurig: mooi van kleur. |
| Kneuzen: breken 1. |
|
Koek: geperste laag tabak in 'n vat. |
| Kop: punt van een
sigaar. |
| Koppen: toppen. |
| Kort: korte tabak. |
|
Korte tabak: tabak die niet bladdig is, althans niet langbladig. |
|
Lengte: tabak wordt naar de lengte gemerkt 1e,
2e, 3e en 4e lengte. |
|
Lichtproef: tabak aan licht doen gloeien ter keuring der
brandbaarheid. |
| Lichtsoortige tabak: fijne, dunne tabak. |
|
Lijn: rij poppen, met dekblad verbonden, voor rol-pruimtabak. |
|
Lijvige tabak: dikke, zware tabak. |
| Lompen: geheel verdorde,
vlak op den grond staande tabaksblaren. |
| Loopen: er loopt veel
spikkel in het dek: is sterk gespikkeld. |
| Lucht: ‘geen -
hebben’, (sigaren) niet of zwaar trekken. |
| Maduro: (sigaren)
zwaar. |
| Malen: dit doet men tabak voor snuif die zeer fijn van
korrel moet zijn. |
| Marqueur: hark, met verstelbare tanden, om een
tabaksveld te verdeelen. |
| Mêleeren: (sigaren, tabakken,
snuif)mengen. |
| Miskleuren: kleuren die niet mooi genoeg zijn voor
dekblad. |
| Mistbed: gemest land voor tabaksbouw. |
| Modellen
van Havanna-sigaren: Regalias, Cazadores, Caballeros, Panetelas,
Trabucos enz. |
| Mondstuk: stuk stijvere leege huls aan een
sigaret. |
| Mozaïekziekte: een vlekziekte op tabak,
waarschijnlijk door bacteriën. |
| Olieachtige tabak: donkere,
zware tabak. |
| Omblad: 1. eerste blad om 't binnengoed; 2. tabak
daarvoor geschikt. |
| Ongebundeld: niet gebost. |
| Onrijpe
tabak: onrijpe kleuren (groen). |
| Opleggen: 1. tabak voor dek en
omblad van de stelen ontdoen. 2. blazen vóór 't inpakken,
gladstrijken en netjes op elkaar leggen tot bosje. |
| Oplegger: 1. 'n
tweede, kleiner omblad; 2. blaadje papier in 'n kistje op de sigaren. |
|
Opsnijden: donker opsnijden; lang -: donkere, lange snijdsels
opleveren bij het kerven van de tabak. |
| Opwerken: er gaan uitzien na
bewerking en drogen, b.v. dof, glanzend opwerken. |
|
Pakketteermachine: machine die van gekorven tabak pakjes maakt. |
|
Pijptabak: tabak voor de pijp. |
| Pikeeren: jonge plantjes uit
't broeibed uit- |
| | | |
| zetten in een tuinbed (overgang tot vollen
grond). |
| Platblad: als platblad verpakken: de bladeren opengevouwen
op elkaar. |
| Pletten: stelen pletten: plat persen om ze op blaadjes
te laten lijken. |
| Pluksel: de uitgeplukte dieven. |
| Pop:
bos(je) voor een karot snuiftabak (rolletje pruimtabak); poppenmaken. |
|
Prik: bundel van 4 bossen tabak. |
| Prikkel: weegtoestel bij 't
prikkelen. |
| Prikkelen: tabak uit vaten netto wegen. |
|
Pruimtabak: om te pruimen. |
| Qualiteit: pit, smaak. 'n Sigaar
bezit qualiteit, is qualiteit. |
| Qualiteitssigaar: pittige
sigaar. |
| Raam: bak waarin de sigarenmakers hun werk afleveren
(zonder voorschot). |
| Rapeeren, raspen: de karotten op een rasp
verwerken tot snuif (rapé). |
| Roest: zóó
groote spikkels dat 't vlekken worden. Witte roest: mozaikziekte. |
|
Rollen: dekblad om 't bosje leggen. |
| Rolletje: verkoop-vorm
van pruimtabak. |
| Rol-varinas: gesponnen varinos. |
|
Roostmachine: tabakdroogmachine. |
| Sapbruin: verfstof voor
sigaren. |
| Saus: aromatisch meng-kooksel waarin tabak gedrenkt wordt
om kleur en smaak te verbeteren. |
| Saustobbe: tobbe waarin men tabak
saust. |
| Sauzen: bewerken met saus. |
| Sluitétiquet:
étiquet buiten op sigarenkistje. |
| Smalbladdig: smal van
blad. |
| Smeeïg: vet. |
| Snede: veel - geven: lang
opsnijden. |
| Sneeuwen: 't vlokkig afvallen van de asch bij 't
rooken. |
| Snijden: dit doet men tabak voor snuif die grof van korrel
mag zijn. |
| Snuifmolen, snuiftabakmolen: instrument om tabak tot
snuif te malen. |
| Soepel: door vochten zacht genoeg voor 't
kerven. |
| Soorten tabak (naam gwl. naar plaats v. herkomst):
Inlandsch (Hollandsche, Amersfoorter), Pfalzer, Turksch, Seedleaf, Maryland,
Kentuchy, Varinas, Braziel, Sumatra, Java, Borneo, Chineesch, enz.! |
|
Speknerven: dikke, erg natte nerven die 't drogen vertragen. |
|
Spiegel: bovenste rij sigaren in 'n kistje of van 'n bosje. |
|
Spikkel: 1. gele vlak op tabak (door de zon) 2. gespikkeldheid (tabak
met weinig spikkel). |
| Spinmolen: haspel bij 't spinnen
gebruikt. |
| Spinnen: tabak tot een lijn verwerken en dien opwinden
tot een rol. |
| Spinner: arbeider die tabak spint. |
|
Spintafel: tafel met lijsten bij 't spinnen gebruikt. |
|
Stampen doet men tabak voor groffe snuif. |
| Stangetjes:
plat-geperste stukjes (pruim-) tabak. |
| Stelenpletmachine: machine om
stelen te pletten. |
| Stelenzeeft: toestel om stelen te zeeften. |
|
Stengels: nerven. |
| Stripjongen: jonge arbeider die
stript. |
| Strippen: binnengoed-tabak van de stelen ontdoen. |
|
Strooachtige tabak: droge, dunne tabak. |
| Stukblad: tabak die
niet gaaf is. |
| Stukje: oplegger 1. |
| Taaibladdig:
vastbladdig. |
| Tabakmoe: niet meer geschikt voor den tabaksbouw. Deze
bodem is tabakmoe. |
| Tabaksloog: vloeistof die door tabak-uitloogen
verkregen wordt. |
| Tabaksrol: opgewonden lijn van tabak die uit
véél verbonden bosjes bestaat. |
| Toppen: bloesemknop
uit de tabaksplant breken. |
| Trekken (monsters -): 'n monster nemen
van 'n partij tabak. |
| Trekvast blad: stevig blad. |
|
Uitkleeden: van 'n vat tabak de duigen afnemen om te prikkelen. |
|
Uitloogen: tabak zachter, lichter maken door aftrekken in 'n
zoutzuur-oplossing. |
| Uitschieten: (minder bruikbare tabak) op zij
leggen. |
| Uitschot: 1. slecht uitgegroeide of bedorven tabaksblaren;
2. sigaren die om oneffen kleur of vorm niet met de andere verpakt worden. |
|
|
| | | |
| Uitwerken: 't uitleveren van een
hoeveelheid dek- of ombladtabak. |
| Vastbladdig: stevig, niet
gruisaardig. |
| Vat in schaal: ‘morgen 8 u. -’: wordt er
geprikkeld; een vat komt in schaal: wordt gewogen. |
| Verrotting
(natte of droge naar den vochtigheidstoestand der bladeren):
dakbrand. |
| Vetgoed: allerbovenste bladeren van de tabaksplant (door
de zon vetter). |
| Vett(ig)e tabak: dikke, saprijke tabak, rijk aan
parenchym. |
| Vormwerk: blokwerk. |
| Vulling: tabak die voor
't bosje dient. |
| Wankleurig: miskleurig. |
| Water: die
tabak houdt geen - meer: scheurt bij 't natmaken (te teer door broei). |
|
Waterzuipers: erg droogsoortige tabak. |
| Werken: die tabak
werkt uit 1 kilo: de dekkracht is 1 kilo. |
| Werkje: partijtje vaten
tabak. |
| Willig van brand: gemakkelijk brandend. |
| Wollige
tabak: zacht, niet stug. |
| Zadel: plank van den karottentrekker
waarop de arbeider zit. |
| Zandgoed: onderste blaren v.d.
tabaksplant. |
| Zeilende (de tabak is -): onderweg (men koopt op
monsters in Amerika getrokken). |
| Zetten: tabaksplantjes in vollen
grond planten. |
| Zuigers: 1. dieven; 2. nieuw uitgroeisel na den
pluk. |
| Zwaar: met hoog nicotine-gehalte. |
| Zwaarmoedige
tabak: groffe, dikke, tabak. |
Ook in de sigarenfabriek gebeurt thans veel met machines: wat
vroeger louter handwerk was. Toch blijven er een groot getal betrekkelijk
geschoolde arbeiders noodig. In scholing en slag staan echter onze Hollandsche
sigarenmakers bij de Duitschers ten achter. De Noord-Nederlandsche verstaan hun
vak echter weer beter dan de Belgische. Dit hangt natuurlijk grootendeels van
de eischen der patroons af, en wisselt dus van fabriek tot fabriek. Omdat het
werk niet veel spierinspanning vraagt, worden vooral de zwakkeren voor dit vak
opgeleid. Vergis ik me, als ik speur, dat uit de bovenstaande woordenlijst geen
opgewekt leven straalt? De Joodsche invloed (zie blz. 6) blijkt alleen uit
eenige Duitsche leenwoorden en de woorden: bladdig, bladderig enz.
| |
24. De kruidenierstaal. 105/30
A. Nederlandsch Weekblad (v. kruideniers, grutters en handelaars
in koloniale waren).
C. Misset, Doetinchem 19/7. - Onze Vereeniging (v. winkeliers in
comestibles, grutterswaren, drogerijen, verfwaren) N.Z. Voorburgwal 22,
Amsterdam x/7. - Victoria (v. winkeliers in koloniale waren en comestibles).
Ruigeplaatweg 33, Rotterdam 8/30. - De Consumptie (v. handelaren in koloniale
waren en comestibles). J. de Lange, Deventer x/14. - Het Kruideniersblad. Wed.
François Limoens, Brugge x/x.
L. Bol: Geïll. Nederl. Conservenboek. 's Gravenhage 1906. -
E. van Gendt: Het verduurzamen van levensmiddelen enz. Leiden 1902.
Gelijk de vorige groep houdt ook deze, in al haar exotische
warennamen, haar vreemde leveranciers in eere. Sociologisch is ze slechts een
onderafdeeling van den volgenden kring.
| |
25. De winkeliers- of middenstanderstaal. 196/30
A. De handeldrijvende middenstand (Haagsche winkeliers).
Nobelstraat 20 den Haag 6/14. - Laboremus (A'damsche winkeliers), Prinsengracht
739-41, Amsterdam x/x. - De Middenstander. (Handelsvereeniging Rotterdam).
Nederl. Kiosken-Mij. Ibidem x/x. - De Middenstandsbond (v. handeldrijvenden en
industrieelen middenstand). Eshuis & Co. | | | | Dalfsen
11/7. - De Noord-Nederlander (Noord-Nederl. middenstandsbond). Eshuis & Co,
Dalfsen 2/7. - Taberna (moderne winkelinstalleering). Nieuwehaven 37, Rotterdam
x/30. - De Winkelier. Eshuis & Co, Dalfsen 13/7. - Winkeliers en
Handelsbelangen (v.d. handeldrijvenden middenstand). Oostzeedijk 73a, Rotterdam
x/7.
C. De Haarlemsche Hanze (middenstand Bisdom Haarlem). Pr.
Hendrikkade 80a, Rotterdam 4/14. - De R.K. Middenstander. De Hanzebode.
‘Futura’, Leiden 10/7. - De Kolenhandel, Quellijnstraat 37,
Amsterdam x/x. - Gemeenschappelijk Belang (détailhandelaars in
brandstoffen). Quellijnstraat 37I, Amsterdam x/x.
E. Schönberg: Wat kan en moet de winkelier van het warenhuis
leeren? Rotterdam 1908.
Tot dezen grooteren taalkring, waarvan wij misschien de twee
laatstgenoemde bladen hadden kunnen afscheiden, behooren nu ook gedeeltelijk
nog eenige andere vaktalen, wier eigen karakter veel meer op den voorgrond
treedt.
| |
26. De barbierstaal. 26/30
A. Barbiers- en Kapperscourant. Ceintuurbaan 229, Amsterdam 20/30.
- De Figaro. (Nederl. kappersvereeniging). H. Stadermann, Baarn 3/15.
| |
27. De slagerstaal. 196/30
A. Geïllustreerd Slagersvakblad. W. Eisma Cz., Leeuwarden
15/7. - De Slagerscourant. Hartenstraat 14, Amsterdam 20/7. De Huidenveiling.
Pelgrimstraat 5, Rotterdam 11/7.
C. De R.K. Slagersgezel. Cartesiusstraat 65, den Haag 2/30.
D. Orgaan (v, d. Nederl. slagersgezellenbond). Rembrandtstraat
313, den Haag 10/30. - F. Blom: De fijne rund- en varkenslager. 'sGravenhage,
1892. - E. Poffé: De Antwerpsche Beenhouwers van de vroegste tijden tot
heden. Antwerpen, 1894. - H. van Harrevelt: Handleiding voor de vleeschkeuring.
Utrecht, 1905. - E. van Gendt: Het verduurzamen van levensmiddelen en
beschouwing over de slachtmethoden van huisdieren. Leiden, 1902.
Zeer
belangrijk zou een onderzoek zijn: naar de 60 à 80 namen der stukken,
waarin een rund of varken bij het uitsnijden wordt verdeeld. Deze namen toch
wisselen bijna in elke streek, en ze zijn buiten de slagerswereld aan bijna
niemand bekend. Geheel anders heeten gewoonlijk dezelfde stukken vleesch in
| |
28. De koks- en kellnerstaal 141/30
A. Ons Belang (v. koffiehuis-, restauranthouders en slijters).
N.Z. Voorburgwal 232, Amsterdam 8/7. - Ons Blad (Nederl. koksbond).
Middelburgschestraat 77, Scheveningen 7/30. - De Hotelhouder. Warmoesstraat
117-119, Amsterdam 20/7.
D. De Geëmployeerde (i.h. Logement- en
Koffiehuishoudersbedrijf), 1ste Atjehstraat, Den Haag 16/15.
De verstandige Kock. Deel III v. Het vermakelijck Landt-leven,
Amsterdam z.j. (1670). -
F. Blom: Moderne Kookkunst. den Haag, z.j. (1910).
Deze groep heeft natuurlijk allerlei aanrakingspunten met de twee
volgende.
| |
29. De dienstbodentaal. 85/30
A. De Dienstbode. L. van Dijk, Vianen bij Utrecht 17/7. - De
Huishoudgids. Klein Weezenland 19, Zwolle x/7. - In en om de keuken. Noorduin
& Zn. Gorinchem x/30.
D. Het Huispersoneel. Ohmstraat 34, den Haag 2/30.
De volmaakte Hollandsche Keuken-Meid2. Amsterdam 1746.
- De volmaakte Geldersche Keuken-Meyd2. Nijmegen 1761.
| | | |
Voor verdere kookboeken zie Deel I blz. 529. Dit is een
allerinteressantste vrouwelijke taalgroep, die vooral mooi materiaal kan
leveren: voor de sociale modaliteit en de standsverschillen der taal. De
dienstbode toch spreekt van den eenen kant voortdurend met mevrouw en de
kinderen des huizes, en van den anderen kant met den slager, den groenteboer,
den bakker enz.
| |
30. De taal van drankbereiders en -slijters. 165/30
A. Maandblad (Bond van slijters.) C. Huig, Zaandam x/30. - Ons
Belang (Vereeniging ‘Vergunning’.) Max Nunes, Amsterdam 8/7. - Ons
Vakblad (v. mineraalfabrikanten en bierhandelaren.) Piet Heinstraat 87, Den
Haag x/15. - Weekblad voor den Handel in gedistilleerd, likeuren, bitters,
bier, wijn, gist, mousseerende dranken, mineraalwater, vruchtensappen, hotel-
en koffiehuisbenoodigdheden. C. Misset, Doetinchem 13/7. - De Wijnhandel.
Bureau, Zeist x/7. - Het Bier. C. Teulings, Den Bosch 12/7. - De Bierbrouwer.
(Vlaamsch).
C. De R.-K. Drankbereider. Vischsteeg 15, Delft 3/30. - St.
Egbertus (bierbrouwersgezellen.) Ger. Doustraat 65, Amsterdam x/30.
D. De Drankbereider. Hugo de Grootstraat 116b, Rotterdam x/15.
W. van Lis: Brouwkunde. Rotterdam 1745. Volledige beschrijving van
alle konsten, enz. (zie nr. 2) nr. 2. De sterkwaterstoker, zoutzuur- en
vitrioolbereider, nr. 16. De bierbrouwer en mouter, nr. 18. De azijnmaker,
Dordrecht ca. 1800. - G. Mulder: Scheikundige verhandelingen en onderzoekingen.
Deel I, 3de stuk: Het Bier. Rotterdam 1857. - De Bierbrouwer. Door
een oud bierbrouwer (Vlaamsch). - F. Blom: Een kijkje in een
consumtie-laboratoríum. Het bereiden van kunstwijnen, bieren, likeuren,
enz. 's Gravenhage 1893.-De volmaakte likeurstoker. Handleiding van alle soorten
van likeuren, bitters enz. te bereiden zonder distillatie. Rotterdam 1906. Ter
perse: Vak- en kunstwoordenboeken. Ach. Quicke: Verklarend Nederlandsch
woordenboek van het Brouwersvak. Uitgave der Kon. Vl. Acad.
In de brouwerij,
die ik in minstens twee stadiën van ontwikkeling, uit eigen aanschouwing
goed ken, is altijd veel ongeschoolde arbeid noodig geweest. Toch is er een
opvallend verschil tusschen een Noord-Brabantsche brouwerij uit den goeden tijd
van ca 1880 en de groote nieuwe brouwerijen naar Duitsch model.
Bijna al de Brabantsche brouwersknechts kenden het heele bedrijf, het mouten
incluis, en hadden een opleiding van minstens een paar jaar noodig. Alhoewel
reeds de brouwkuip slechts aan één brouwmeester was toevertrouwd,
moesten de anderen toch ook daarbij helpen en konden zij, als ze wilden, dit op
den duur heel goed aanleeren. Thans is er echter b.v. in de Amstel- of
Heinekensbierbrouwerij een scherpe scheiding gekomen tusschen de eigenlijke
brouwmeesters: de ‘Duitsche voorlieden’, die op brouwscholen en in
de praktijk een veeljarige opleiding genoten, en het personeel, dat eenvoudig
getraind werk verricht, en spoedig kan worden vervangen. Daartusschen staan nu
de machinisten, die natuurlijk wel eenigszins geschoold zijn, maar van
brouwers- of moutersbedrijf toch bijna niets afweten.
In de spiritus- en gistfabrieken is het bijna juist hetzelfde.
Vakopleiding is voor de groote meerderheid geen vereischte meer: het
schoonmaken, het kranen opendoen en -sluiten, het temperatuur- en drukking
opnemen, kan bijna ieder | | | | normaal werkman in een paar
weken leeren. Nu eens wordt hij voor dit, dan voor dat gebruikt. Maar zelden
komt hij zoover, dat hij begrip krijgt van het bedrijf, en den samenhang der
onderscheiden werkzaamheden begrijpt. Ook hier echter blijft het percentage der
geschoolde arbeiders tòch nog aanmerkelijk, om het groeiend getal
machinisten, bankwerkers, timmerlieden en verdere ambachten voor de flesschen,
kistjes en verdere emballage.
| |
31. De molenaarstaal. 100/30
A. De Molenaar. Eshuis & Co., Dalfsen 17/7. - Algem. Ned.
Molenaarsblad. (v. korenmolenaars, pellerijen, meelfabrikanten,
cacaofabrikanten, olieslagerijen, handelaren in lijn- en raapkoeken enz.) H.
Germs, Doesburg 8/7.
L. van Natrus enz.: Groot volkomen moolenboek, 2 dln., Amsterdam
1734-'36. - J. van Zijl: Groot algemeen moolenboek2, Amsterdam 1761.
- J. Harte: Volledig molenboek, beschrijving en afbeelding der molens.
Gorinchem 1849. - G. Krook: Theoretisch en Practisch molenboek voor Ingenieurs,
Aannemers, Molenmakers en verdere bouwkundigen. 's-Gravenhage 1850-'53.
Van de Noord-Hollandsche molenaarstaal vindt men veel termen in
Boekenoogens De Zaansche Volkstaal, waarin ook de 18de eeuwsche
vakwoorden uit Van Natrus zijn opgenomen. Voor Zuid-Oost-Vlaanderen gaf
indertijd Volk en Taal II, III, IV een volledige woordenlijst, die ik hier met
verkorting van den uitleg overneem. De met een kruisje geteekende woorden zijn
uit het West-Limburgsche Beverloo, en ontleend aan't Daghet in den Oosten, Deel
VII.
| †Aankleeden: na gescherpt te hebben de
molen wederom in orde brengen om beginnen te malen. |
|
†Aanmalen: beginnen te malen, wanneer men gescherpt heeft,
of liever nog, wanneer men een nieuwen molensteen gaat gebruiken. |
|
Achterhekken: deel van 't zeilhekken van aan 't einde tot den
buitenzoom. - Het achterhekken is grooter als het veurhekken. |
|
Achtermeulen, achtermolen: de geheele toestel, die de achterste
koppel steenen doet werken. - De achtermeulen kamt te vele. |
|
Achterzoom: buitenste lat van het achterhekken van op en neer de
zeile. - De breedte van eene zeile gaat van den veurzoom tot den
achterzoom. |
| †Afzeilen: het doek van de roeien aftrekken
en oprollen. |
| †As: boom uit de kap der molen, waar van
binnen het kamrad en van buiten het kruiswerk of gevlucht aan vast is. |
| †Asbalk: een balk onder den assekop die zooveel als het
oorkussen is waar de as op rust. |
| †Aspeluw: zie
asbalk. |
| †Assekop: kop van de as buiten de molen, waar
de borsten in komen. |
| †Baan: deel van den kop der as,
met ijzeren schenen voorzien, dat in de baansteenen draait. |
| Baan,
bane: het deel van de meulenasse dat aan de banesteenen raakt. |
| †Baansteen: de baansteen staat op den aspeluw; de baan van
den as draait er in rond. |
| Banesteenen: steenen, daar de
molenasse op draait en aan raakt. Ziet Bane. |
| †Bak: 1)
de bak houdt het graan in dat gemalen wordt; 2) de hoeveelheid meel die dient
om eens te bakken; gebakte in den Kempen, millooi in 't Haspegouw. |
| †Beel: hamer, dienende tot het schurpen van den
molensteen. |
| Berriebalken, berriebolken: twee balken, die aan
't meulenkot vast zijn en een weinig of drij boven den zetel liggen. - Zij
maken als 't ware eene berrie uit, waar heel 't meulenkot op staat. |
| Berrieboomen: zijn de boomen waar den bak op rust. |
|
| | | |
| Bete: de slete of uithaling in de lanteern-spillen
door het aanraken van het kamwiel veroorzaakt. |
| Bezetheit,
bezethout: stuk hout tegen de weg geplaatst om derwijze het uitvallen en
omwijken te beletten. - Zonder bezetheit en zou de wegge niet vaste
blijven. |
| Bijbank: bank die dient om den zak bij den graanbak
op te zetten, tegen dat de bak ijdel is. |
| Binnenreep: reep, om
de zakken binnen den molen omhoog te trekken. |
| Binnenroe(de):
roe die naast het meulenkot is. - Ziet roe. |
| Blokken: stukken
hout die op elken teerling liggen en waar dat de kruisplaten op rusten. - Wat
hebben ze aan den meulen gedaan? - Nen blok vernieuwd.
|
| Boezem(e): zwaar stuk hout dat rond de manen hangt. De boezem is
vast aan den steenbalke en ondersteunt dezen. |
| †Borst:
boom van eene veertig voet lengte, gewoonlik vierkantig gekapt of gezaagd, aan
de twee uiteinden wat dunner, gewoonlik anderhalven duim gespannen. Zij komt op
de helft door den assekop en steunt de roeien. |
| Bovenplate:
Ziet kruisplaten. |
| Brugge: stuk hout dat over de ringkuipen
ligt en waar de uiteinden van de tumelstokken alsook de deksels op liggen. |
| Buitenreep: reep, die al buiten den molen hangt om de zakken op te
halen. |
| Buitenroe(de): roe die verst van het meulenkot is. -
Ziet roe. |
| †Bus: gehold hout of ijzer dat in 't midden
van den ligger onderwaarts staat. |
| †Daklijst: balk die
tusschen het dak en de kas inzit; die de lijst vormt van het dak.
|
| Daklijsten: twee balken, die evenwijdig zijn met de steenlijsten en
waar de kepers van het meulendak op vaste staan. |
| Dammen: de
stukken hout die in de bane der molenas liggen. - Ziet lemmers.
|
| Draaien: werken met den molen. - Binst de hoogmisse en zal de
mulder niet draaien. |
| Het draaiende werk: de verzamelinge van
de beweegbare deelen des meulens, die binnen het meulenkot zijn.
|
| De ezel van de pasbrugge: balk die gaar van links naar rechts en
aan de eene zijde vastligt en al de andere zijde aan het konterijzer hangt. Op
den ezel rust de pasbrugge. |
| Einde: vierhakige boom, die al den
eenen kant vaste zit in de asse en ook tot beneden de zeile komt.
|
| †Gek: ijzeren klink die in de kammen van het kamrad valt om
het verkeerd draaien te beletten. |
| Gote: langwerpige
neerhangende bak, waar het meel door zinkt. |
| Graanbak,
groonbak: trechtervormige bak, daar men 't graan eerst in giet bij het
malen. |
| Graanpere: koorde die van 't zijds aan 't graanbakske
vast is en tot beneden komt. De mulder doet daardoor meer of min graan op de
steenen komen. |
| Hake: verdund boveneinde van de stake, waar de
manen rond liggen. 't Is om den hake dat heel het beweegbare deel van den molen
op de stake draait. |
| Hake, houke: bovenste en vierkantig
uiteinde van de pere, dat vast zit in den looper.
|
| †Hals: deel van het onderijzer dat draait in de bus.
|
| †Handboom: ijzeren steel waar men de molensteenen meê
opheft. |
| Hangelheit, hangelhout: het rechtstaande stuk hout dat
den steeger ondersteunt en daar de steert des molens op hangt.
|
| †Hefboom: ziet handboom. |
| Heiter: het
huizeken van voren aan den meulen, daar de zakken vooreerst ingeleid worden na
het optrekken. - Van den trap tert men in den heiter en vervolgens in den
molen. |
| Het hekken van de zeile: latwerk der zeile.
|
| Hêrne: schuins afgewerkt, aan de zijden drijhoekig deel
waarmeê eene steune of nen balk, in een ander stuk vaste zit.
|
| Hoekstijlen: vier rechtstaande balken, waarvan een in elken hoek
van den meulen, die vaste zijn aan de steenlijsten en aan de daklijsten. |
| IJzerbalke, ijzerbolke: balk daar het bo- |
| | | |
| veneinde van
het staakijzer in draait en die op de daklijsten ligt.
|
| †Kam: hout dat in het groot rad en daarna in het rondsel
komt, en dient om den molensteen te doen draaien. |
| Kam van de
gote: eene schuif met tanden aan, waar het meel binnen de gote op open
valt. |
| Kam van het kamwiel: de tanden die aan het kamwiel zijn
om de lanteern te doen draaien. |
| Kammen: het raken van den kam
van het kamwiel aan de spillen van de lanteern des molens. - De voormeulen kamt
te veel: de kam gaat te verre in de lanteerne. |
| Kammen van het
sterrewielke: de tanden die er aan zijn om daardoor in beweginge gebracht
te worden. |
| †Kamrad: het rad dat rond de as
vastzit. |
| Kamwiel: groot en zwaar wiel, dat rond de meulenasse
vastzit en dient om een koppel steenen, bij middel van zijnen kam in werking te
brengen. - Men heeft een kamwiel voor elk koppel steenen,
|
| Kêrboom: de kärboomen zijn 't zelfste als de
berrieboomen. |
| Ketsen: rondrijden om zakken voor den molen bij
te halen. - Ketsen en is nog zoo gemakkelijk niet. |
| Ketser: die
rondrijdt om zakken voor den molen bij te halen. - Ne ketser moet dikwijls
groote vrachten opnemen. |
| Kets(e)har(re): de harre die
gewoonlijk gebruikt wordt om te ketsen. |
| Kets(e)ker(re): ziet
kets(e)kar(re). |
| Kets(e)peerd: peerd dat doorgaans tot
het ketsen gebezigd wordt. |
| Klamp(e): stuk hout, daar 't
windberd aan vastgemaakt ofte vastgeklampt is en dat zoo het windberd belet te
zinken. De klampe moest vernieuwd worden. |
| Klauwreep: reep, die
rondom toe is en van boven over eene schijve van klauwen loopt. - Hij doet den
buiten en binnenreep werken. |
| Kleen, klein bakske: bakske dat
onder den den graanbak hangt en het graan laat tusschen de steenen loopen. -
Wat scheelde er op den meulen dan? - Wel! 't kleen bakske van den achtermeulen
was losgeraakt. |
| Kleppe: stuk hout dat men na het stille leggen
des molens laat vallen tegen de kammen van het kamwiel om dus bij onweder of
storm te beletten, dat de molen kunne averrechts of verkeerd draaien. - Wanneer
dat stuk hout het kamwiel raakt, hoort men het tegen de kammen op en neder
schokken. Dit heet men kleppen en vandaar de naam van kleppe.
|
| Klepspaan: houten stoksken (er zijn er twee) van onder tegen het
staakijzer gebonden, om den schoendel doen te kloppen.
|
| †Klip: knapken hout dat op de sloten geslagen wordt om ze
vast te doen blijven. |
| †Köning: rechtstaande boom
of as, die van boven door 't rondsel gaat. |
| Konter-ijzer: eene
soort van vijs, die beneden den ezel van de pasbrugge vasthoudt en dient om de
meulensteenen min of meer nader een te doen komen. - Zou ik hier 't Fransche
woord contre: tegen moeten in zien? |
| †Kroonrad: Een
liggend rad waar de köning doorsteekt en in vastzit, en dat met zijne
liggende kammen tegen een rondsel draait.
|
| †Kruisplâ: de kruispladen (kruispâen), zijn de
twee balken die kruiswegs overeen liggen op de teerlings, en tot voet dienen
aan de molen. |
| Kruisplaten: twee balken die kruisgewijs overeen
liggen en waarvan de uiteinden op de teerlingen vastzijn. Te midden de platen,
juist in 't kruis, staat de stake. Men onderscheidt de bovenplate en de
onderplate. |
| †Kuip: het omhulsel van den molensteen, in
vorm van kuip die in vieren gedeeld zou zijn. |
| Kuip(e): ziet
steenkuipe. |
| Kuipe: kuip waar de mulder het meel in stort, dat
hij schept. |
| Kurten, korten: de zeilkleeden wat oprollen. - 'k
Zal moeten beneên gaan om te kurten. |
| Lanteerne: toestel
op gewijze eener lan- |
| | | |
| teerne, dat van boven op het staakijzer vast
is en dat door het kamwiel in beweging gebracht wordt.
|
| Lanteernschijven: twee ronde stukken hout, die niet slecht op
schijven gelijken en het onder- en bovendeel der meulenlanteern uitmaken.lb/>
|
| Last: is eene andere benaming voor einde. |
| Lemmers:
de platte ijzeren staafkens, die in de bane der as liggen. - Na elken lemmer
ligt er 'nen dam. - Ziet dit woord. |
| Lene van den Steeger: de
leuning ter zijde. |
| Letsen: touwkes die het zeilkleed vastmaken
aan 't einde. |
| †Licht: lederen riem die over den
lichtboom gaat, |
| †Lichtboom: voorzien van den haal,
dienende om het vonder op en af te bewegen en om den looper te lichten naarmate
de molen draait. |
| Lieswegge: wegge die tusschen den assekop en
den pestel vaste plaatst. |
| †Ligger: zoo noemt men de
onderste meulensteen, om reden dat hij vaste ligt.
|
| †Lijk: koord waar het zeildoek ingenaaid is.
|
| Lip(pe): het deel van 't einde dat binnen den assekop komt.
|
| Lipwegge: wegge die ten zijde tegen de lippe zit. - Eene lipwegge
was losgekomen. |
| †Lits: koordeken in de lijken, langs
den weiboom vastgemaakt en in de kappekens gehangen om de zeilen vast te
zetten. |
| †Looper: bovenste meulensteen, hij loopt of
draait en maalt. |
| †Looper: ziet ligger.
|
| Loopketen: de keten die aan het windas des molens vast is en dient
om den molen te helpen verdraaien of keeren. (Vergelijkt loopstokken).
|
| Loopstokken: de twee stokken, die als schoren dienen rechts en
links van het hangelhout. - Wanneer de meulen moet gekeerd worden, zijn zij de
eerste die moeten loopen of van plaats veranderen.
|
| Luiaske: kleine as, die dient om de zakken op te halen.
|
| Luie: ziet luiaske. |
| Luihuizeken: dat
vooruitkomende kapke van voren aan den meulen, heel van boven, waar het
uiteinde van het luiaske onder komt. |
| Luikoorde: eene koorde
die vast is aan de wippe en die dient om deze te doen opluiden.
|
| Maalzolder: planken vloer, waarboven 't malen gebeurt en waar de
mulder de zakken legt, weegt en afdoet. |
| Manen: twee koperen of
metalen stukken, als 't ware, twee ringen met breeden rand, die rondom den hake
der molenstake tegen elkander draaien. De onderste mane ligt vast op de stake
en de bovenste is aan den steenbalke vastgemaakt. |
| Meelbak: bak
daar de meelgote langs door ligt. |
| †Meelbak: bak waar de
zak wordt aangehangen. |
| †Meelgoot: de houten buis
waardoor 't gemaal in den zak glijdt. |
| Meelgote: ziet
gote. |
| Meelkuipe: ziet kuipen.
|
| †Meelschoep: schepper om het meel op te scheppen.
|
| Meelschuppe: schuppe daar den mulder meel mee schept.
|
| Den meulen volleggen: de vier zeilkleeden heel en gansch op de
zeilhekkens openspreiden. - We gaan werken van den achternoen; ge moogt den
meulen volleggen. |
| Meulennagel, molennagel: soort van taaie,
platte nagel met ne goeden kop. - De mulder vrieg ne kilo meulennagels.
|
| Meulensteeger: trap al waar men op den molen gaat.
|
| Mirrenstijlen, middenstijlen: vier opweertsgaande stijlen, waarvan
twee in den midden van elke zijde, die de uiteinden van den steenbalke
insluiten. 't Is hierdoor dat het heele meulenkot met den steenbalke rond de
stake draaien kan. Voor midden zegt het volk dikwijls mirren.
|
| †Monster: zeker gewicht verschillende van streek tot streek,
dat men van 't meel afneemt als loon voor 't malen. |
| | | |
|
|
| †Monsteren: den loon van den zak afnemen.
|
| Molendam, meulendam: heuvel waar de molen op staat. - De zakken
lagen op den meulendam, Kram. zegt molenberg en Schuerm. molenwal.
|
| Molenkot, meulenkot: het beweegbaar deel des molens, waarbinnen men
maalt en werkt. - Het bestaat uit het vorendeel, het achterdeel of
achtergetrek, de twee zijden, de zoldering en het dak.
|
| Molensteenen, meulensteenen: steenen waartusschen het graan gemalen
wordt. |
| Muizela(a)r(e), muizele(e)r(e): stijl die te midden de
windwee van beneden tot aan de asse staat en te wege brengt, dat de meulen
muizelt. |
| Muizelen: het muizelen van den meulen bestaat hierin,
dat de baan, door de wieken in 't draaien beschreven, niet evenwijdig en is met
de windwee, maar wel met die 'ne scherpen hoek vormt. - Hoe meer 'ne meulen
muizelt, hoe beter hij draait, zeggen de muilders. |
| Multer:
meel dat voortkomt van hetgeen de mulder als maalloon van de zakken nemen mag.
- Ik ga ne kilo of tien multer vragen. |
| Multeren: de maalloon
van het gemale afnemen. - De mulder mag den zak multeren.
|
| Multerschup(pe): schuppe waar men meê multert. - Zie
meelschuppe. |
| Neep, nepe: stukske hout, dat tegen eene
uitholinge van den meulenwand past en dat dient om den klauwreep te houden of
vast te nijpen. - Van daar de naam nepe. |
| Noot, note: bloksken
hout, dat den ijzerbalke uit en in kan, en dat dient om het staakijzer in den
ijzerbalke te doen vastzitten. |
| Ondermolen, ondermeulen:
onderste afdeelinge van het meulenkot, beneden den maalzolder.
|
| Onderplaten.: ziet kruisplaten. |
| Ontzeilen: de
zeilkleeden toerollen. - Jan zal den meulen ontzeilen.
|
| Ontzeilhaak: haak vastgemaakt aan het ‘einde’ om bij 't
ontzeilen de zeilkleeden in vast te leggen. - 't Zijn er zoo
verscheidene. - Ziet ontzeilen. |
| Oor(e): uiteinde van ne
stijl of balk die door nen anderen zit, dat al den buitenkant dezes anderen
zichtbaar is. 't Is door de ooren dat de sleutels gesteken worden. - Ziet
sleutel. |
| Opluiden: optrekken. - De zakken opluiden.
|
| †Opzeilen: het doek op de roeien openen.
|
| Paalwegge: de wegge die in den assekop het einde op den pestel
gesloten houdt. - 't Was eene paalwegge uitgevallen.
|
| †Pal: 't zelfste als gek. |
| †Pan:
ijzeren plaat die in het vonder staat, en waar het onderijzer in draait.
|
| Pasblok: blok hout, die in de pasbrugge zit en die moet kunnen om
en weer schuiven om de steenen overal evenwijdig te houden of ze te
passen. |
| Pasbrugge: brugge, of kort stuk hout, dat al den eenen
kant vaste ligt en al den anderen kant op den ezel rust. De pasbrugge dient om
de steenen in pas te houden; 't is te zeggen, zoodanig, dat de bovenste steen
overal evenver van den ondersten zij. |
| Pere: ijzeren staaf in
den vorm eener peer, die in den speurpot draait, al door den ligger gaat en van
boven vast zit in den looper. |
| Pestel: vierhoekige boom, waar
het einde binnen den assekop op vereenigd en aan vastgehecht is. - Ne pestel is
nen eekenen boom. |
| Pierhaak: haak waar men zeilen meê
neertrekt, wanneer de molen niet en draait. |
| Pinneband: balk
die achter den binnebalke ligt. - 't Is door het steken of wegtrekken van
spieën tusschen den pinneband en den pinnebalke, dat de asse vooruit of
achteruit kan gaan. - De pinneband immers ligt onbeweegbaar, terwijl de
pinnebalke vooruit en achteruit schuiven kan. |
| Pinnebalke:
balk, die van boven in 't vorendeel van den meulen ligt en waar het uiteinde of
de pinne der meulenasse in draait. |
| Pinnesteen: steen in den
pinnebalke gelegen, daar de pinne der as in komt. |
| | | |
|
|
| †Pot: klein rond putteken in de pan, daar de pin van het
onderijzer in ronddraait. |
| Poupen, papen: de staken die rondom
den molendam in den grond steken om de loopketen aan vast te leggen bij het
keeren van den molen. |
| †Prangbalk: 't hout dat de prang
doet werken, openen en sluiten. |
| Puien, puiten: houten haakskes
in den vorm van nen zittenden puit of kikvorsch die aan 't einde vast zijn en
waar men de letsen in legt. |
| Rene: zwaar rechthoekig stuk ijzer
met vertakkingen aan, dat midden den looper vaste ligt. De hake van de pere
sluit er in. |
| Renetakken: de vier vertakkingen op de vier
hoeken van de rene. |
| †Ring: de plaats tusschen den
looper en de kuip in. |
| Ring: ziet steenring en steenkuipe.
|
| Ringhout, ringheit: ringvormig hout, daar de onderste steen of de
ligger stevig in vaste zit. |
| †Ringmeel: meel dat rondom
den steen in de kuip is gevallen. |
| Roe(de): de vereeniging van
ne pestel in de twee einden, die in den assekop tegen elkaar stooten. Men
onderscheidt de binnenroe en de buitenroe. |
| Eene roe bloot
trekken: op eene roede het zeilkleed oprollen. - We gaan eene roe bloot
trekken. |
| Eene roe t'halven trekken: op ééne
roede 't zeilkleed ne merkelijken eind verre opvouwen. - De mulder moest eene
roe t'halven trekken. |
| Eene roe op de koorde trekken: het
zeilkleed eener roede bijkans heel en gansch opvouwen. - We zullen eene roe op
de koorde trekken. |
| Eene roe tipkes trekken: is hetzelfde als
eene roe tippen trekken. |
| Eene roe tippen trekken: de
zeilkleeden eener roede elk een weinig opvouwen. - Jan vergeet niet eene roe
tippen te trekken. |
| Roegewand: de twee roeden des meulens. Elke
roe heeft twee einden of lasten, die op ne pestel vereenigd liggen; dus bestaat
het roegewand uit twee pestel en vier einden. |
| Rok: het
buitenste, als 't ware, neerhangande deel van 't meulenkot.
|
| Rokken: men zegt de meulen is kort gerokt, als wanneer 's molens
wanden niet verre beneden en komen, en, de meulen is lang gerokt, in het
tegenovergestelde geval. |
| †Rondsel: 't rad dat op het
staakijzer vast zit en door het kamrad in beweging gebracht wordt.
|
| Scheên, scheeden: dwarslatten van het hekken. -'tWaren twee
scheên in 't veurhekken gebroken. |
| Scheppen: zie
multeren. De mulder schepte zeven kilos van éénen zak!
|
| Scheut, scheute: plank die van 't windberd deelmaakt. - 't Moet
eene andere scheute op 't windberd geleid worden. |
| Schieten:
verschuiven, verschokken bij 't draaien des molen ('t wordt van den pestel
gezeid, wanneer hij niet wel vast en zit in assekop). - De pestel schiet, we
zullen den meulenmaker moeten doen komen. |
| Schouderinge van de
rene: de twee zware stukken ijzer, die boven op de rene liggen.
|
| Schuive: oogvormig, waar de meelschuppe in gesteken wordt, nadat
zij gebezigd werd. |
| Slagkoorden: koorden of touwen die van het
achterhekken naar het midden des hekkens komen en zóó het
zeildoek opspannen. - De mulder moest de slagkoorden vernieuwen.
|
| †Slek, de: de slekken zijn twee plaaien, de gedaante van
eene slek hebbende, die van onder tegen den kast der molen een weinig op den
zetel dragen. |
| Slekhouten, slekheiten: twee stukken hout, die
van onder aan de berriebalken vast zijn en bij 't verwinden lichtekes tegen den
zetel wrijven. 't Is om den meulen het zinken te beletten dat de slekhouten
dienen. |
| Sleks-geven (uitspr. sleks geên): den meulen bij
middel van slekhouten verhoogen. |
| Sleutel: stuk hout dat
gesteken wordt door het uiteinde van nen balk, die dwars door een ander stuk
uitkomt, ten einde het terugschuiven te beletten. |
| | | |
|
|
| Slingerstok: plat stuk van boven aan eene zeil, waar de zoom van de
nabijzijnde zeil doorschuift om alzoo meer vastheid aan de zeil te geven. - De
slingerstok hing gebroken. |
| Sloten: 1) stukken hout, die
tusschen de pasbrugge en den ezel gestoken worden; 2) stukken hout, die dienen
om den pasblok te doen verschuiven. |
| Snokpeze, snokpees: koorde
die van onder vaste is aan een stuk hout om den klauwreep tegen den meulenwand
te nijpen. Als de mulder aan die koorde trekt, snokt hij zóó dat
stukske hout weg, en de klauwreep kan werken. - Ziet nepe.
|
| Spankoorde: koorde, die 't klein bakske ophoudt en al over de
ringkuipe gaat. |
| Speurpot: ijzeren potje, daar de pere in
draait. |
| †Spil: ijzeren of houten staven die in het
rondsel komen, heeten de spillen. |
| Spillen: de harde rollekes
hout der lanteerne van den meulen, daar de tanden van het kamwiel tegen
komen. |
| Sprang(e): ijzeren ooge, daar de vange meê aan
het vangebalkske vaste ligt. - De sprange doet de vange, bij het loslaten,
opspringen. - Vergelijkt het klankenwisselen in springen, sprong, sprang,
sprange. |
| Staakijzer: zwaar rechtstaande ijzer, dat den looper
in beweging brengt. |
| Staander, staner: platgemaakt stuk hout,
dat tegen het bezethout geplaatst is om derwijze het omwijken te beletten. - 't
Was ne staander los gekomen. |
| Stake: zware boom die heel en
gansch het beweegbaar meulenstel draagt en op het midden van de kruisplaten met
vier pooten pal vaste staat. Opdat de stake niet rechts noch links en zou weg
kunnen, steken er sleutels ter zijde door de kruisplaten.
|
| †Standaard: rechtstaande boom waar de geheele molen in
hangt. |
| †Steenbalk: balk die op zijn breeds door den
molen gaat, die op den standaard rust en het steenbed ondersteunt.
|
| Steekbanden (van steken: steunen): acht balken die van op de
kruisplaten schuins omhooge gaan. - De vier binnenste steken in de stake en de
vier buitenste zitten vast in den zetel van den molen, alle met nen herne
|
| Steekbanden: schuinsstaande stijlen die kloekte geven aan de
meulenzijden en vaste zitten van boven in de daklijste, en van onder òf
in nen middenstijl, òf in nen hoekstijl, òf in de
steenlijste. |
| Steenbalke, steenbolke: overgroote balk waar de
molensteenen boven rusten. |
| Steenbedde: de vereeniginge van
balken, waar de molensteenen op rusten. - 't Er is een steenbedde voor ieder
koppel steenen, en de steenbeddens rusten op den steenbalke.
|
| Steenkuip(e): ronde kasse of kuipe, daar de bovenste steen of de
looper in draait. - Men zegt ook steenring, of kortaf ring, kuipe.
|
| Steenlijsten: twee balken die van end tot end den meulen gaan, de
een rechts en de andere links, en rustende zijn op 't uiteinde van den
steenbalke. |
| Steenring: ziet steenkuipe. - De toestel gelijkt
een ring inderdaad. |
| Steenzolder: de vloer of zolder, waar de
meulensteenen op liggen. |
| Steert van den meulen: het toestel
dat van onder aan het meulenkot vast is en dwars door den meulensteeger komt. -
't Is bij middel van den steert dat de molen gekeerd wordt.
|
| Steerteling: kort touw aan het zeilkleed gehecht en dienende om dit
kleed vast te leggen. - 't Zijn verscheidene steertelingen aan een zeil. - Ziet
zeilkleed. |
| Steert der vange: uiteinde der vange, dat aan den
vleger gehecht is. |
| Sterrewielke: een wiel daar het luiaske
doorgaat, en dat dient om het luiaske te doen werken. - Door zijn maaksel en
gelijkt het niet slecht aan eene sterre. |
| Steun(e)balken: balk
die ook op de daklijsten ligt en waartegen de ijzerbalke met eene schore
steunt. |
| Stormband: breede ijzeren band, die rond de stake gaat
en al den eenen kant vastgemaakt is aan boezem en steenbalke. In geval
|
| | | |
| van harden wind of storm dient hij tot verzekeringe des
molens. |
| Teerlingen: de vier zware muursteenen, in den vorm van
teerlingen, daar de molen op staat. - Het was nen teerling uitgebrokkeld, de
metser moest komen. Tuerlinckx heeft ook dees woord. |
| Trapke:
getand stuk hout, dat al weerskanten van het bakske ligt en dat dient om het
klein bakske te verhoogen of te verleegen. |
| Tremelstokken: twee
stokken die schuins en stil liggen en den graanbak dragen.
|
| Vang(e): plank, die stropsgewijze rondom het vangwiel gaat en dient
om den meulen in het draaien te bedwingen. |
| Vangebalkske:
balkske waar de vange, bij haar begin, met eene ooge aan vastligt.
|
| Vangehaak: berd of plank, daar eene greît ingezaagd is en
zóó als 't ware eenen haak vormt, daar de vangevleger in
ligt. |
| Vangevleger, den: zware balk, die vast is aan den steert
der vange en dient om den meulen stille te leggen. 't Volkt zegt vleger
voor vlegel. |
| Vangewiel: kamwiel daar de vange rondom
sluit. |
| Vangewinde: eene winde daar men de vange meê in
werkinge brengt. - Men zegt ook enkel winde. - De winde was gebroken.
|
| Vangezeel: reep, dien de mulder bezigt om de vange te doen werken
en die al over de winde gaat. |
| Vermangelen: verwisselen tegen
mulder. 't Is windeloos, ik ga een vijftig kilos graan vermangelen.
|
| Verstuiven: door het stuiven verliezen. Op 40 kilos hield de mulder
nen halven kilo af voor 't verstuiven. |
| Veurhekken, voorhekken:
deel van 't zeilhekken van aan 't einde tot aan den binnenzoom.
|
| Veurmeulen, voormolen: de geheele toestel, die de voorste koppel
steenen doet werken. - De veurmeulen kamt te letter. |
| Veurzoom,
voorzoom: eindlat van het voorhekken van op en neer de zeile. - De
vèurzoom was gebroken. |
| Viere t'halventrekken: op de
vier einden des molens het zeilkleed eene merkelijke lengte opvouwen. - 't
Waait te stijf: toe! laat ons viere t'halven trekken. |
| Viere tipkes
trekken: alle vier de zeil-kleeden een weinig opvouwen. - We zullen viere
tipkes trekken, eer dat we beginnen te werken. |
| Viere tippen
trekken: ziet viere tipkes trekken. |
| Viere op de koorde
trekken: eene roe op de koorde trekken doch op de vier einden.
|
| Vorke: benedendeel van het staakijzer in den vorm eener vork, dat
sluit tusschen de stukken van de schouderinge der rene.
|
| Werveling: toestelleke, bestaande uit een stukske hout dat rond ne
nagel draaien kan - dat dient om 't windberd in 't voorhekken te houden. - 't
Brak ne werveling, binst dat men 't windberd plaatste. - Ziet windberd en
voorhekken. |
| Wervelingske: ziet wervelinge.
|
| Windberd: planke die het voorhekken bedekt en van verscheidene
stukken is. |
| Winde: ziet vangewinde.
|
| Windeloos.: 't Is windeloos: er is geen wind. - 't Is droevig voor
ne mulder, als 't zoolange windeloos is. |
| Windwee: het
achtergetrek des meulens, of die kant, alwaar de wieken of zeilen
vóór draaien, en waar altijd diensvolgens de wind op blaast. Ziet
windweeg bij Schuerm. |
| Wip(pe): balkske dat het luiaske doet
omhooge gaan tot tegen het kamwiel des molens en het derwijze in werkinge doet
komen. |
| Zakhaak: haak daar de zak binst het malen aan vaste
hangt van onder aan de meelgote. |
| Zeilhekken: het hekken der
zeile. |
| Zeilkleeden: de kleeden of lakens die op de wieken des
molens gespannen worden. |
| Zeilen: de wieken van den molen. - 't
Was eene zeile gebroken: de zeilkleeden. Ziet dees woord.
|
| Zetel: vierkante lijst, bestaande uit vier stijlen, die met ooren
door elkander zitten, en met zwaluwsteerten stevig rond de stake sluiten. De
zetel maakt dat het molengestel |
| | | |
| rond de stake noch
leegen, noch hoogen en kan. - Bij middel van de twee zetelbalken of
berriebalken draagt hij de zoldering des molens. |
| Zwalmsteert:
ziet zwaluwsteert. |
| Zwaluwsteert: min breede deel van nen balk,
waar deze in nen anderen balk mee vaste ligt en dat ter zijde afgewerkt is tot
den vorm van ne zwaluwsteert, d.i. op gewijze van een trapezium, waarvan de
lengte der evenwijdige lijnen van boven is en de kortste van onder tegen het
breedere deel van den vastliggenden balk. De zwaluwsteert belet teenemaal het
vóór- en het achterweerts schuiven. - Vergelijk Schuermans'
Idioticon. |
De nieuwere meelfabrieken werken, vergeleken bij de oude geslepen
molensteenen, tienmaal zoo geleidelijk en volmaakt. Maar nam het oude
onvolmaakte ambacht: het heele zieleleven van den molenaar in beslag, waarbij
het rekenen met tij en ontij, slappen en sterken wind, vaak iets
groot-menschelijks aanbracht in karakter en berusting; thans is daarvan in de
fabrieken eigenlijk niets meer over. De chef-molenaar (Obermüller), en
twee ondermolenaars zijn geschoold in het nieuwe vak, terwijl hun 40 à
60 helpers louter handlangers of machinisten en timmerlieden zijn, die niets
meer van de vaktaal kennen.
| |
32. De bakkerstaal. 420/30
A. De Bakkerij. P. de Jong, Bolsward 20/7. - Bakkers-Bondscourant.
Heerengracht 89, Amsterdam x/x. - De Banketbakkerij. N.-Z. Voorburgwal 271-73,
Amsterdam 10/7. - Consudel (cacao, chocolade, suikerwerken en delicatessen.)
van Breestraat 155, Amsterdam 3/30. - Nederl. Advertentieblad voor brood-,
koek- en banketbakkers, Tasmanstraat 64, Den Haag x/x. - Nederlandsche
Bakkers-Courant. Mij. ‘De Brakke Grond’, Amsterdam 20/3. - De
Belgische Bakker. Timmermans-Deknop, Leuven 15/30. - De Bakkerij en aanverwante
nijverheden. Cirkelstraat 27, Ostende x/7. - De Bakker. L. de Plancke-Welvaart,
Brugge x/7.
B. De Bakkersbazuin (v. bakkers, chocolade- en suikerbewerkers)
Bingleystraat 58, Rotterdam x/30.
C. Ons Vakblad (v. bakkers, cacao-, chocolade- en
suikerbewerkers.) Woeldijkstraat 15b, Rotterdam x/14. - Ons Orgaan (Verbond der
voedingsnijverheid.) Kogelstr. 7, Brussel x/30.
D. De Bode (v. arbeiders i.h. bakkers-, chocolade- en
suikerbedrijf.) De Genestetstraat 8, Amsterdam 20/14.
A. Falli: De hedendaagsche Banketbakker4, Rotterdam
z.j. 1914. - J. Gouffé: Het boek der banketbakkerij, Rotterdam 1894. -
H. Gouverneur: De Gids. Practisch handboek voor elken bakker, Veendam 1892. -
Jac. Güth: De moderne banketbakker, Veendam 1910. - Jacques: De concurrent
koek- en banketbakker. Een vraagbaak voor patroons en bedienden, Rotterdam
1909. - Het bakkersbedrijf te Amsterdam. Rapport eener gemeentelijke commissie
1908. - De toestand der Cacao-, Chocolade- en Suikerwerkers te Amsterdam.
Rapport eener gemeentelijke Commissie 1906.
In de oude bakkerijen, gelijk er trouwens nog zeer veel bestaan,
was de ovenist meesterknecht; voor al het overige zorgden de bakkers, waarvan
de beste ook den ovenist konden vervangen. De machinale brood- en
biscuitfabricatie heeft ook hier een heele omwenteling gebracht in het bedrijf.
Deeg maken doen thans de kneedmachines, die ook meel, melk, zout en gist wegen.
De voorman regelt de vorming van het brood onder de bankwerkers, de schaal- | | | | man
weegt en geeft het aan de eigenlijke opmakers. Een aparte groep
bedient de ovens. Sommigen doen niets dan inschieten, anderen niets dan
uithalen, nóg anderen eindelijk rijden de karretjes met de broodvormen
af en aan, en reinigen die vormen. Hoe meer de broodfabriek zich uitbreidt, des
te minder gelegenheid is er: om volledige vakkennis op te doen. De bazen en
meesterbakkers worden dan ook uit het kleinbedrijf gerecruteerd, of genomen uit
de vakschool te Wageningen. Vroeger werd het brood door de bakkersknechts zelf
aan huis bezorgd. Thans is dat afwisselend wandeltochtje, voor bijzondere
broodbezorgers en straatknechts: tot een vervelend wagensleepen geworden.
De biscuitfabrieken hebben zich nog automatischer ontwikkeld. Hier
is eigenlijk alleen de chef nog een geschoolde bakker van z'n vak. Bijna al de
overigen zijn ongeschoolde krachten. Toch blijft er, volgens de berichten van
althans ééne fabriek: de belangstelling der arbeiders voortdurend
gaande. De verscheidenheid der verschillende soorten van koekjes! trekt steeds
hun aandacht op de uitkomsten van het proces! Sic. Wij denken bij het oplossen
der sociale vraagstukken niet genoeg, geloof ik, aan de kleinheid van den
mensch.
Vroeger was het verwerken van chocolade en suikerwerk: een
onderdeel van het banketbakkersbedrijf. De eerste bediende was meestal de
aangewezen man voor het chocoladewerk; wie van de anderen het handigst was,
mocht hem 't meest assisteeren, en ook het eerst zelfstandig werken. De jongen
moest het door afkijken tot 3den, 2den en ten slotte tot
1sten bediende zien te brengen. Hier en daar komt dat nog voor. Maar
de fabrieken hebben ook hier, van 't maken van flikjes tot de fijnste tabletten
en pralines toe, bijna reeds het monopolie in handen. Hier wordt echter nog
steeds tamelijk veel van den werkman gevorderd, vooral voor het décor en
het officewerk: hij moet tot op zekere hoogte artiest zijn. Maar voor opleiding
is op de groote fabriek geen plaats meer; alleen, indien de arbeider op de
kleinere fabrieken werk zoekt, en zoo mogelijk, gedurende de eerste jaren,
dikwijls van patroon verwisselt, kan hij het tot bekwaamheid in zijn heele vak
brengen. Op de eigenlijke cacao- en chocoladefabrieken, die zich uit de oudere
cacaomolens ontwikkeld hebben, zijn zeer kostbare machines: weer bijna al het
geschoolde handwerk komen vervangen. De eigenlijke molenaars hebben nog hun
volle vakkennis noodig, de brekers hebben verantwoordelijk werk, waar echter
geen vakopleiding voor vereischt wordt. Van de bazen wordt volledige
bedrijfskennis gevorderd. Maar deze allen met de machinisten en andere
ambachtslieden te zamen: brengen het niet verder dan tot 16% geschoolden, 19%
getrainden. De rest is weer heel en al ongeschoold. Verarming van vaktaal is
natuurlijk het slot.
| |
33. De taal van handelsreizigers en -bedienden. Cf.
3de Hoofdst. 386/30.
A. Bondsorgaan (Ned. Bond v. Handelsreizigers), B.v.d. Kamp,
Groningen 20/15. - Eendracht (Rotterd. Handelsreizigersvereeniging), Wijnhaven
N.Z. 101, Ibid x/7. - De | | | | Handelsreiziger (Ned.
H.-Vereeniging), Schiekade 185, Rotterdam 20/7. - De Handelsen Kantoorbediende
(Federatie), N. Maters, Zaandam x/x. - Maandblad ‘Ons Orgaan’
(Zaanl. Kantoor- en Handelsbedienden), C. Huig, Zaandam x/30. - Mercurius (v.
Handels- en Kantoorbedienden), Ged. Glashaven 7, Rotterdam 20/7. - Het
Handelsonderwijs (Handelsleeraren), Linnaeusstraat 47, Amsterdam x/x. -
Handelsstudie, v.d. Laan en Co., den Haag 11/15. - Maandblad voor
het Boekhouden en aanverwante vakken, G. Delwel, den Haag x/30.
B. Ons Beginsel (Christl. Kantoor- en Handelsbedienden), Allard
Piersonstraat 19II, Amsterdam 19/15.
C. De R.K. Handelsreiziger, Diergaardelaan, Rotterdam 20/7. - Het
R.K. Beginsel (Handels-, Kantoor- en Winkelbedienden), Smidstraat 152, den Haag
x/30. - St. Christophorus, Orgaan Ned. Bond v. R.K.
Handelsreizigersvereenigingen, Orthenstraat 13, den Bosch 1/30.
D. Onze Strijd (Handels- en Kantoorbedienden), Reguliersgracht 80,
Amsterdam 9/14.
| |
34. De taal van kleermakers en manufacturiers. 174/30
A. De Confectie (Heerenconfectie), Zuylichemstraat 6, den Haag
x/30. - Desterbecq's modejournaal voor Heeren, Gebr. Belinfante, den Haag x/30.
- De Kinderkleeding, H. Roelants, Schiedam x/30. - De Kleermaker, Zusterstraat
35, den Haag 6/30. - Het Maandblad voor Kleermakers en Coupeurs (Engelsche
modes), Haringsvliet 61, Rotterdam 8/30. - De Manufacturier, Heerengracht 255,
Amsterdam 20/15. - De nieuwe Manufacturier, v.d. Stal en Groenewegen, Utrecht
x/14. - De Nederl. Hoedenwinkelier (hoeden en pettenvak), Kalverstraat 100-02,
Amsterdam x/30. - De Nederlandsche Kleederindustrie, C. Misset, Doetinchem
20/7.
B. De Kleermaker (Christelijk Vakblad), Prinsengracht 200
Amsterdam x/x.
C. De Ned. naaisters- en kleermakerscourant, Reitzstraat 271, den
Haag x/30. - De Belgische kleernijverheid, Nationale straat 119 Antwerpen
10/30.
D. Het Kleedingbedrijf. (Mannl. en vrouwl. arbeiders i.d.
kleedingindustrie), Weteringschans 179, Amsterdam x/14.
Holemans: Vlaamsche knipmethode voor de kleermakers 1904. - C.
Hoogendoorn: De coupeur. Handboek voor coupeurs en kleermakers, Leiden 1906. -
J. Roelans: Wetenschappelijk Handboek voor naaiers (Vlaamsch) 1910. - De
kleedingindustrie in Amsterdam. Rapport eener gemeentelijke Commissie 1900 -
Veritas: Weg met de huisindustrie. Uitgave van de Kleermakersvereeniging
‘De Ster’ te 'sGravenhage 1909.
De ouderwetsche kleermaker was een type van belang. Met de beenen
gevouwen op zijn tafel gezeten, heerschte hij als philosoof over dorp en stad.
Het betrekkelijk lichte naaldwerk scheen zijn hersenen ten goede te komen, en
vooral de droge humor ontwikkelde zich soms kostelijk. Nog iets hiervan hooren
wij in het nog heden te Arnhem bekende liedje: ‘Ik ben een
snijder kakadoe - De wereld door gedwaald - Van 't werken word ik nimmer moe -
Een held ben ik met de naald - En ik reis door Holland, Oost en West - In
Amsterdam bevalt 't me best - Al om de balie van..’. Verder reikt het
geheugen niet meer van het hedendaagsche geslacht. Wat wij voor den
tegenwoordigen tijd daartegenover kunnen stellen is bijna niets dan
degeneratie. Weer te Arnhem prevelen thans de drinkebroers onder de
kleermakerknechts | | | | het volgende (met permissie): ‘Schiedam
Schiedam gij Nazareth - Gij die zoo menig mensch verplet - Het doet je beven,
het doet je trillen, of dat je van de koorts bent belaân - Je kunt op je
beenen niet meer staan - En dan zeggen ze nog: vervloekte hond - Wat doe jij
met zooveel jenever in je k.: - Dit zijn de woorden die staan bescheten en
bespogen - In het boek der hemden - 't Vierde hemdslip, 't vijfde tot 't zesde
knoopsgat - Beminde drinkebroer - Voor vijf cents hij-j'een vol glas in
café Coers -’. Waaraan is dat te wijten? Wij moeten hier vooral
het maatwerk van de confectie onderscheiden. Reeds voordat de confectie haar
intrede deed, was in het maatwerk de arbeidssplitsing begonnen. Er werden toen
reeds grootwerkers, broek- en vestenmakers onderscheiden. Ook de opleiding van
den leerling had bij den maatwerker reeds veel geleden. Deze moest, tijdens de
telkens kleiner wordende perioden van drukte, buitengewoon hard werken, en dan
was de leerling een welkome hulp voor het gemakkelijke werk. Was de drukte
voorbij, dan werd gewoonlijk het jong maatje weggezonden. In korte jaren nam
echter de confectie een hooge vlucht. Zonder fabriekproductie of machinerie
trad hier de uiterste arbeidssplitsing in. Hier juist kon de hulp van jongens
blijvend voordeel opleveren. Hoe grooter hun aantal werd, des te meer kon ook
de arbeid worden gespecialiseerd: na zeer korten tijd bezitten zij de
vereischte vaardigheid voor één onderdeel, maar verder komt hun
kunnen niet, en zoodoende zijn ze voor heel hun verder leven aan de confectie
vastgeketend. Bij hen voegen zich een deel der oude maatwerkers, die geen werk
meer vinden, en in den laatsten tijd zeer veel vrouwen en meisjes. Natuurlijk
gaat de splitsing het verst in de en-gros fabricage der mindere soorten. Hier
is slechts één coupeur, die eigenlijk het vak moet verstaan, op
ca. 100 werklieden. En al die anderen zijn z'n handlangers, die zonder hem
niets vermogen. Naast deze confectiezaken kwam nu nog de confectie-fabriek met
haar machines. Zij vervaardigen tot dusverre alleen werkbroeken, werkjassen,
werkkielen, boezeroens, sporthemden en wollen kinderpakjes, bloesjes en
broekjes. Maar dit is reeds een groot stuk, dat in de laatste 10 jaren op de
huisindustrie veroverd werd; en het laat zich aanzien, dat deze verovering
aldoor verder zal gaan, daar het handwerk aan dien prijs: nooit dien glans van
afwerking geven kan. Welnu op de confectiefabrieken gaat zoo goed als alles
machinaal, tot knippen, knoopsgaten maken, knoopen aanzetten, borduren en
stikken toe. De meeste meisjes zitten hiertoe aan een soort naaimachine,
waarvan ze niets begrijpen, maar die ze toch heel vlug kunnen bedienen, en dat
is genoeg. Ik had eens de gelegenheid de ontboezeming van zoo'n meisje te
hooren, dat om meer te verdienen voor haar ouders, van dienstbode weer
confectiemeisje worden moest. Ze kende het werk, want ze was er vroeger al
geweest, maar ge hadt die klachten moeten hooren.
| | | | | |
35. De taal van modisten en naaisters. Zie dl. I blz. 532 en
nr 34 198/30.
A. De Gracieuse, Sythoff, Leiden 20/15. - De Koningin der
modebladen, Sythoff, Leiden x/30. - De laatste mode, E. Bosch J Bzn, Nijverdal
x/15. - Het nieuwe modeblad. Uitgeversmij ‘Neerlandia’, Utrecht
14/15. - De modiste (voor hoedenzaken), H. Stadermann, Baarn 4/14. - De
Vrouwenwereld (Modegids), H. Roelants, Schiedam 20/7. - Weldon's Damesblad
(Engelsche modes), Zuylichemstraat 6, den Haag x/15. - Centrale Modegids. C.
Misset, Doetinchem 2/30. - De Kinderkleeding, H. Roelants, Schiedam 20/30.
C. Met naald en draad (v. naaisters en borduursters),
Pastorijstraat 23, Antwerpen 5/30.
S. Comender: Het dames- en kindercostuum. Handleiding tot het
maatnemen, knippen en vervaardigen, Rotterdam 1909. - De Huisnaaister.
Practische handleiding bij het vervaardigen van bovenkleeding voor dames en
kinderen, Leiden 1910. - Modelboek voor costuumteekenen (voor dames) Amsterdam
1897. - H. van Wessem: Ik kan kostuumnaaien. Geïll. handboek, Leiden
1908.
Het aantal costuumnaaisters is in de laatste dertig jaren sterk
gestegen. Vroeger werd de damesbovenkleeding in alle burger- en
arbeiderskringen: in het gezin zelf met behulp der huisnaaister gemaakt. Thans
heeft de vrouw daar geen tijd meer voor, zij zoekt haar kostwinning
buitenshuis, en kan niet meer naaien dikwijls. Bovendien zijn de eischen der
ijdelheid veel hooger geworden. Wie die geen deskundige in dameskleeren is, kan
's Zondags aan het kleed nog het dienstmeisje van de Mevrouw onderscheiden?
Welnu, deze vermeerdering van productie bracht natuurlijk weer de splitsing van
arbeid. De patrones knipt en past. Gewoonlijk zijn er een of twee naaisters,
verder leermeisjes: tot 20 toe. Het is er echter verre van af, dat deze laatste
het volledige vak leeren. Gewoonlijk brengen zij het niet verder dan tot eenige
bedrevenheid in het naaien, het opleggen van garneering enz. Ook in de ateliers
der modemagazijnen: is de arbeidssplitsing reeds zoo ver mogelijk
doorgevoerd.
De lingerieconfectie wordt deels door thuiswerkende stuknaaisters,
deels op fabrieken vervaardigd, die tot 500 meisjes aan het werk hebben. De
vak-kennis speelt hier een nog geringere rol. Van een behoorlijke opleiding is
geen sprake, en bij het verlaten der fabriek is deze naaister dan ook nog
volstrekt niet in staat: tot het naaiwerk van een gewone huismoeder. Vandaar
ontstemming bij de leerlingen, die telkens van werkplaats veranderen, om te
zoeken, of elders iets meer te leeren is. Maar overal worden zij slechts op
één onderdeel getraind. De eentonigheid, en zooveel grootere
inspanning, maakt een korteren werktijd noodzakelijk. Bovendien moeten
nieuwelingen vaak het werk op groote fabrieken na een paar weken opgeven,
wegens voortdurende hoofdpijn tengevolge van het duizeligmakend machinelawaai.
Is het wonder, dat ook hier wederom de eigenlijke vaktaal slechts een zweempje
meer is?
| |
36. De waschtaal. 24/30
A. Krul's Maandblad voor Hand-, Stoom- en Chemische Wasscherijen,
Gaffelstraat 27, Rotterdam 16/30. - Vakblad der Waschindustrie, Leeuwendaallaan
4, Rijswijk 8/30. | | | |
J. Landré: Behandeling der wasch. Het reinigen en opmaken
van de verschillende stoffen, Almelo 1909. - Het Kunststrijken,
Stijfselbereiding en briljantglansstrijken, Leiden 1910.
Ook hier, hoewel misschien minder dan elders, vermindert de
vakkennis met de invoering der machines, en daarmee de eigenaardigheid der
vaktaal. Op sommige groote chemische wasscherijen, wordt dit ongerief vrij wat
verholpen: door een avondonderwijs van 5 tot 7 uur. Voorbeelden trekken.
| |
37. De spinners-en weverstaal. 221/30
A. Textiel (v. spinnerijen, weverijen, ververijen,
appreteerderijen, tricotage, enz.), Eshuis & Co., Dalfsen 6/7.
B. Het Textielarbeidersblad, H. Verveld, Gronausche straat,
Enschede 3/7.
C. Het Hoog-Ambacht (R.K. Textielarbeidersbond) Sonstaat 2,
Tilburg 10/7. - De Textielbewerker, Oudburg 36, Gent 15/7. - De vrije
Katoenbewerker, Oudburg 342, Gent 7/30. - De Vlas- en Jutebewerker, Oudburg
342, Gent 6/30.
D. De Textielarbeider, Oldenzaalsche straat 19, Enschede 18/7.
J. Huchshorn: De katoenspinnerij. Beschrijving der werktuigen,
Deventer 1908.- M. Vrij-Mauser: Patronen voor het eenvoudig weven, Amsterdam
1911. - T. Crevals: Handboek van de weefkunde. (Vla.).
In Volk en Taal, Deel IV, V en VI gaf Frederik de Vos een
Zuid-Oostvlaamsche woordenlijst der weverstaal van Nukerke en omstreken, die ik
hier laat afdrukken, met de inleiding erbij.
‘De achtbare Lezers van Volk en Taal en zullen 't mij
zeker niet kwalijk nemen, zoo ik, vooraleer de verschillige deelen van den
grooten broodwinner mijner streek op te noemen, een klein geschiedkundig
overzicht beproeve, rakende de ontwikkeling der weefkunst alhier. - Evenals
alle nijverheid, onderging ook deze menigvuldige veranderingen en volmakingen,
waaruit de behoefte aan zekere andere deelen in het getouw, en waaruit ook eene
moeilijkheid te meer in het groepeeren en volledig opnoemen derzelve. - Daarom
zal er hier en daar, in den loop mijner bijdrage, al eens hoeven rekening
gehouden te worden van die veranderingen, namelijk bij 't opnoemen van de
oudere (vervangene), en van de nieuwere (in de plaats gekomene) stukken. -
Beziet men de oude weefgetouwen, zoo kan men aldra bemerken, dat zij nagenoeg
alle een jaarmerk dragen, en dat daarbij die jaarmerken, voor de groote
meerderheid, zoo niet alle, tot den laatsten helft der vorige eeuw behooren. -
Ik ben genegen hieruit te besluiten, dat men die 50 jaren mag aanzien als het
tijdstip van verspreiding der linnenweverij op Nukerke en in de omstreken. -
Die getouwen dragen, nu nog gedurig, den naam van lijnwaadgetouwen, en werden
ook enkel gemaakt ten behoeve der linnenweverij. - Alle zijn zeer kloek en
zwaar gebouwd, gelijk overigens alles wat onze voorouders verveerdigden; zij
hielden meer van kloekte als van fatsoen, alhoewel beide in hunne
lijnwaadgetouwen gepaard gaan. - Kloek moesten ze inderdaad zijn, want zij
gingen zwaren arbeid te verduren, kloeken weerstand te bieden heb- | | | | ben. - Men
zal zich ook niet verwonderen over de kunstigheid, de gezochtheid
zelfs, van hun maaksel, als men denkt dat over 100 jaren en minder nog, de
getouwen zoowel een voorwerp van pracht, als een nutverschaffend meubel
uitmaakten. - Immers, slechts de rijke boeren mochten op de kennis der
weefkunst en op 't bezit van een getouwe roemen! - In dien tijd was de
lijnwaadbereiding even onafscheidbaar van den boerenstiel als nu de bereiding
der boter. - In de Lente strooide de boer het lijnzaad in zijnen akker, en dit
was 't jaar nadien, vooraleer het de hoeve verliet, gereed om tot hemden of
kielen versneden te worden. - Bijzondere ambachtslieden gingen het vlas ten
huize van den boer zwingelen; somwijlen ook was de boer zelf of een zijner
zonen dat werk machtig. Zijne vrouw en dochters sponnen het; de boer schoor het
garen tot eene keten, boomde het op zijn getouw, en....zijn werk voor de
winteravonden was klaar. - Langzamerhand ging de weefkunst ook tot den
geringeren man over. - De eersten, echter, die met dit voorrecht werden
begunstigd, en gebruikten hunne kunst voor eigen rekening niet; zij verhuurden
zich bij den eenen of anderen boer als wever, juist gelijk men zich nu verhuurt
als knecht en meid. - Jaren verliepen eer 't getouwe zijne plaats vond tusschen
de muren van de stulp des werkmans. Dan nog werd het langen tijd aan dezen
verhuurd tegen 3 of 4 fr. 's jaars. Thans is het voor goed de eigendom geworden
van zijnen huidigen gebruiker. En hedendaags is het feit, van tezelfder tijde
een peerd en een getouwe te bezitten, zeldzamer als eene sterre met 'nen
steert. Ja, sommige rijken zouden het als eene schande aanzien van Pieter de
Coninck's gilde af te stammen!.... Die dutsen! - Veranderde het lijnwaadgetouw
van woonst en van eigenaar, 't veranderde ook van bestemming: Sinds lange wordt
het nog enkel tot de katoennijverheid aangewend. - Min gelukkig voor zijn
onmisbare gezel en dienaar: het spinnewiel. - Het katoen, eene uitheemsche ware
zijnde, kent den weg niet naar de nederige dorpswoning, tenzij na de
oorverdoovende toestellen eener spinnerij doorloopen te hebben, en aldaar tot
gereeden draad herschapen te zijn. - Met den val der linnenweverij verloor het
spinnewiel zijn burgerrecht. - Ook ben ik zeker dat niemand van die heden min
als 30 jaren telt, nooit dat eenvoudig tuig en heeft zien draaien, en dat, bij
het rijpere geslacht, het gedacht ‘spinnewiel’ onafscheidbaar is
van het gedacht ‘grootmoeder’. - Bestaan er zelfs nog spinnewielen?
- Ja, voorzeker op elke parochie nog twee.... maar vermits ze al lange op den
zolder achter eene gordijn van spinnewielen.... van spinnewebben, wil ik
zeggen, verdoken staan, en zou ik, na weken zoekens, misschien nog geen
één uit zijn hoekske kunnen halen. - Men wete nu nog, om tot onze
getouwen terug te keeren, dat die van deze eeuw, meer bepaaldelijk tot de
katoenweverij bestemd, en enkel moetende dienen als broodwinnend alm voor den
geringen werkman, | | | | min zwaar en minder keurig zijn verveerdigd als
hunne voorgangers, de lijnwaadgetouwen. Zij verschillen ook merkelijk met deze
onder opzicht van vorm, alhoewel er geen merkbaar verschil en is tusschen de
namen hunner afzonderlijke deelen. - Deze getouwen en worden geene
katoengetouwen genoemd, gelijk men wellicht zou geneigd zijn te denken; maar
zij heeten vierstijlen, naar de vier rechtstaande stukken hout, die heel
het geraamte schooren.’
| Achterhoofd: uitsprong naar omhooge, niet verre
van 't achtereinde der rame, en waarachter de garenboom draait (alleen bij de
oude lijnwaadgetouwen). |
| Achterstijl: de stijl aan den achterkant
der rame: bestaat enkelijk in den vierstijl. Hij houdt de geterdenscheê
vast, en draagt langs achter, de garenboomklampe. |
| Afschijten:
tengevolge van het korthalzen gebeurt het somtijds dat het garen op den kant
afzakt, - dat is afschijten. - Voor de beeldspraak vergelijke men Deel I blz.
346 onderaan: 't spuit er uit. |
| Balk(e) van den effenaar: het stuk
hout, waar de tapkens of tanden van den effenaar insteken. |
| Balk(e):
de houten rug van den sterkborstel. |
| Band: ijzeren omslag rond de
bolle, voorzien van tanden. |
| Band: de cirkelvormig gebogene roede
welke tot ten halven met koordekens doorvlochten en met papier beplakt te zijn
den waaier vormt. |
| Bane, ha(de)bane: het bovenste vlak der
onderlà, waar de schietspoel oploopt. Dat vlak is schuins hellend, van
achter leeger als van voren, en aan deze helling geeft men den naam van
steke. |
| De bane hersteken: wanneer de helling of bane wat
uitversleten is, moet de lâ door den timmerman wederom effen geschaafd
worden. |
| Blâre: de koordekes en papier van den waaier. |
|
Blokken: vrij stukken hout, die men onder de pooten legt, hetzij om het
getouwe te verhoogen, hetzij enkel met het doel de pooten voor vochtigheid te
behoeden. In 't laatste geval bezigt men ook eenvoudig plankjes van mindere of
meerdere dikte. |
| Op blokken weven: zoo zegt men van iemand die op
een getouwe weeft, opgehoogd door blokken. |
| Bolle: bolvormig stuk
hout van nagenoeg 30 centimeters middellijn op 10 centimeters hoogte of dikte.
Steekt op het rechter uiteinde van den onderlooper, bij de getouwen zonder
regulateur, en moet dienen om, na iederen truk, een eindje geweven goed op te
winden, of den truk te trekken. |
| Boomen: nauw of wijd boomen. Indien
het garen op den boom merkelijk wijder ligt dan de breedte van het goed, dan
zegt men: die keten is te wijd geboomd; - in tegenovergesteld geval, - zij is
te nauw geboomd. |
| Boomkramme: deze eene ijzeren kramme, zit op 't
linker uiteinde van den garenboom, en moet dienen om op te boomen of 't garen
op den garenboom te winden, wel te verstaan als het getouwe in eenen hoek der
kamer staat derwijze dat de rechterkant van 't getouwe (dus de trekgaten) tegen
den muur staat. Anders bezigt men, om op te boomen, de trekgaten. |
|
Borstboom: zie buikboom. |
| Bovenscheê: zeer
kloeke plaat van wel 15 centimeters dik op 25 tot 30 centimeters breed,
is de voornaamste verbinding der ramen van 't lijnwaadgetouwe. Velen nochtans,
die maar licht goed en weven, laten deze scheê van kant. Immers het
lijnwaadgetouwe, om katoenstoffen te weven, heeft nog altijd kloekte genoeg. De
vierstijl heeft deze scheê in 't geheel niet noodig daar de ramen van
onder door de geterdenscheê en van boven door eenen steekband verbonden
zijn. - De voor- en geterdenscheêgaten staan loodrecht en het
bovenscheêgat waterpas, zoodat de breede vlakken der eerste loodrecht, en
die der laatste plat staan. |
|
| | | |
| Bovenscheêgat:
rechthoekige opening op rond de 30 centimeters afstand boven het
geterdenscheêgat, en waarin de bovenscheê steekt. Daar de vierstijl
geene bovenscheê heeft, zoo mist hij ook de gaten. |
| Bovenste bak,
tweede bak, derde bak, onderste bak, zijn de verschillige namen der
genoemde afdeelingskes. |
| Bovenwerk: de heele verzameling van
koorden, riemen, rolle of hefboomen, welke zich boven het garen bevinden en den
kam steunen. |
| Buikboom: bij 't lijnwaadgetouwe, rolrond, en bij den
vierstijl, kantzuilig stuk hout, stekende met zijne uiteinden in de
buikboombosse. De gewevene stoffe glijdt al over den buikboom naar den
onderlooper. De wever zit met borst of buik ter hoogte van den buikboom, zoodat
hij er, al wevende, soms tegenraakt. Vandaar den naam. |
|
Buikboombosse: bij 't lijnwaadgetouwe ronde in het voorhoofd, en bij den
vierstijl rechthoekige opening in den voorstijl, waarin de buik- of borstboom
zit. |
| Doorhalen: de uitgeworpen draden door kam en riet steken. |
|
Draaien: de garenboom ronddraaien bij het opboomen. Draaien is een
lastig werk en wordt meest met tweeën gedaan. |
| Drogen: dat zegt
men meer bepaaldelijk van dien zijn garen met het vier droogt. |
|
Drom: de verzameling van draden die door den kamslager in nen nieuwen
kam worden gesteken, of ingereden, alsook het uiteinde van het garen dat na
elke afgewevene keten in den kam blijft zitten. |
| Duimen: de
uiteinden der rolle, waar deze op draait. |
| Duimen: de ronde
uiteinden van de buikboomen der lijnwaadgetouwen. |
| Duimen: houten of
ijzeren uiteinden des onderloopers. Zijn ze in hout, dan zijn ze maar weinig
dunner als de onderlooper zelve, die van 10 tot 15 centimeters middellijn meet.
Zulke duimen echter, draaien moeilijk; daarom worden ze algemeen vervangen door
ijzeren pinnen, ter dikte van eenen duim, die in eene panne draaien. Een
getouwe met regelaar en bezit de ijzeren duimen niet alleen uit gemak, maar uit
ware noodzakelijkheid. |
| Duwer: zie klink(e). |
| Effenaar:
zoo heet men eene soort van kam (in 't hout). In een balkske van 4 centimeters
hoog op 2 of 3 dik, zitten houten tapkens, dicht bijeen of verre van een alnaar
gelang de dikte (dichtheid) der keten. De twesten of strengen moeten daar
tusschen loopen en zoo over den garenboom verdeeld worden. Dat is de
effenaar. |
| Den effenaar houden: gedurende het opwinden der keten,
den effenaar vasthouden, derwijze dat de twesten op hunne vereischte plaats
komen te liggen. |
| Endeke: einde der keten. |
| Enkele (lade)
bak: deze bestaat uit twee plankskes van 35 tot 40 centimeters lang, 7 of 8
cm. breed of hoog, die op de làbane bevestigd zijn. Van boven langs den
binnenkant hebben ze eene groeve. |
| Gang: bestaat uit twee twesten,
die steeds te samen geschoren worden. - Zie scheren. - Als de scheerder deze
twee twesten op zijnen molen gewonden heeft, dan zegt men dat hij een gang
geschoren heeft. De scheerder geeft aan den wever te kennen uit hoeveel gangen
de keten samengesteld is, ten einde deze voor de noodige breedte van het te
weven goed eenen effenaar kieze van doelmatige fijnte. |
| Garenboom;
rolvormíg stuk, hebbende de lengte van de heele getouwbreedte, en van 15
tot 30 centimeters middellijn. De boom ligt achter het achterhoofd of den
achterstijl, en 't is daarop dat het garen of de keten gewonden is. |
|
Garenboomklampe: het stuk hout in den achtersten stijl van den vierstijl
geplaatst om den garenboom op te draaien. De garenboomklampe kan ook door eenen
hangel vervangen worden. |
| Gete(e)rdenspil(le): ijzeren spil. |
|
Geterden: v. mv.: kloeke houten latten, die den dienst doen van
hefboomen, wier steunpunt te vinden is in de ooge. |
| Geterdenput; een
putje van een 60 centim. |
| | | |
| breed op de lengte van de geterden of
nagenoeg 1 m. 25 onder de geterden gegraven, waar de geterden op en neer
ingaan. |
| Geterdenscheê: houtplate, stekende van achter en van
onder in 't getouwe, waaraan voor 't plat werk, de geterden hun steunpunt
hebben. Hiervan haren naam. Zij is doorgaans 10 centimeters dik en 20 of 25
breed, en dient ook tevens om de ramen langs achter te verbinden. |
|
Geterdenscheêgat: rechthoekige opening, bij het lijnwaadgetouwe
gedeeltelijk in den achterpoot en gedeeltelijk in het lichaam der rame, bij den
vierstijl in den achterstijl en bij beide op een 15 tot 20 centimeters hoogte,
waar de geterdenscheê insteekt. |
| Geterdzeelen: dikke koorden
die al boven aan de peerdekes trekken en al onder door de geterden getrokken
worden. |
| Getouwe: toestel, met al de toebehoorten, waar de wever
zijn ambacht mee uitoefent. Ook in figuurlijken zin, 't weversambacht. |
|
Groeve: in de buikboomen der lijnwaadgetouwen is, in de lengte, eene
groeve gesteken, waarin eene roede, met het geweefsel eraan, kan geleid worden,
zoodat ook het goed (geweven stof) op den buikboom kan gewonden worden. Hierom
ook zijn die buikboomen rond, en steken ze in eene ronde bosse. De buikboomen
der vierstijlen en hebben geene groeve. |
| Groeve: evenals in den
buikboom der lijnwaadgetouwen is er in den onderlooper (ook bij den vierstijl)
in de lengte eene groeve gekapt, welke moet dienen om de roede in te leggen,
tot houdvaste in het goed geweven bij den aanvang van het stuk. |
|
Haak: dikken ijzerdraad bevestigd aan het uiteinde der opperlà,
die langsonder de klink(e) of du(w)er draagt. |
| Halzen: zoo noemt men
het optrekken van den boord der keten bij het opboomen; is de boord steil
opgetrokken, men zegt, hij is kort gehalsd; ligt hij meer schuins, daar is hij
lang gehalsd. |
| Hangel: toestel van achter aan den steert bevestigd
tot het dragen van den garenboom, en 't welke toelaat dezen naar willekeur te
hoogen en te leegen. De hangel vervangt de tapper, en is er eene volmaking
van. |
| Hangen: het bovenwerk hangen: den kam aanhangen, of gereed
maken om de keten aan te draaien. |
| Hangen: het onderwerk hangen: het
onderwerk gereeds maken om te kunnen meê weven. |
| Hangen: 't
werk hangen: kam en là op gepaste hoogte hangen. |
| Hangzeelen:
koorden waarmeê de lâpijlen aan den lâbalke vaste zijn. Die
koorden zitten al boven den làbalke dubbel over de pijlen en komen rond
den làbalke door eene opening in den lâpijl. |
|
Hangzeelgat: opening waardoor de hangzeelen rond den làbalke in
den lâpijl komen. |
| Haperen: als de twesten niet goed van een
scheiden en alzoo sommige draden tegen de tanden van den effenaar stuiken. |
|
Herpakken: naarmate de keten wordt opgeboomd, moet deze, die ze houdt,
dezelve loslaten, en ze verder opnieuw vasthouden, zoodat hij ze nu in de eene,
dan in de andere hand heeft. Het veranderen van hand noemt men herpakken. |
|
Hevelkam: kam waar de hevels zonder oogskes overeen zitten. |
|
Hevels: dunne, sterke koordekens, die aan de slagkoorde vastgemaakt
zijnde, om de latte van den schacht loopen. Zoo zijn er langs boven en langs
onder; zij zitten te midden overeen of zijn met koperen of stalen oogskens
aaneengehaakt. Vandaar nu de benamingen van hevelkam en oogkeskam. - Men geeft
den naam van hevel aan die geheele verzameling van koordekes; ook zegt men rok.
Ieder koordeken afzonderlijk heet ook hevel. |
| Hondeke:
vierkantzuilig blokje hout, met twee gaten doorboord, een in de richting van
voren naar achter, waarin het kamzeel zit en een ander in de richting van links
naar rechts, omvattende den duim der rolle. Elk der twee uiteinden der rolle
zit alzoo in een hondeke. |
| Hoogen: kam en là hooger
hangen. |
| Houden: de keten houden: de keten moet |
| | | |
| op den
garenboom goed gespannen zijn; te dien einde, wordt zij bij het opboomen door
iemand sterk vastgehouden; men zegt van dien persoon dat hij de keten
houdt. |
| Inleggen: de twesten der keten tusschen de tanden van den
effenaar leggen om ze alzoo gelijkelijk over den garenboom te verdeelen. |
|
Inrij(d)en: den drom door kam en riet halen. |
| Kam: het
belangrijkste stuk van het weversalm. Hij bestaat hoofdzakelijk uit draden van
hevel, of koordekens van drij of vier dubbele kloekte van twijn of
naaigaren; welke koordekens opgehouden of gespannen worden door latten van
hout. - Twee zulke latten (eene onder en eene boven) met den daarop gespannen
hevel, dragen den naam van schacht, hoewel men ook in engeren zin elke houten
lat den naam geeft van schacht. |
| Kam: te midden van den schacht
zitten de onder- en bovenhevels overeen, of zijn met koperen of stalen oogskens
aaneen verbonden. Tusschen die hevels of door die oogskens zitten de draden der
keten die alzoo, door de op-en neerbeweging van den schacht, ook op en neer
worden bewogen, om nu eens onder, dan boven den draad van den inslag te komen
liggen. - De eenvoudigste kam mogelijk moet minstens uit twee schachten
bestaan; maar men heeft er ook van 10 of 12 schachten, voor zeer ingewikkeld
kruiswerk. |
| Kammen slaan: kammen maken. |
| Kambalk(e): stuk
hout, liggende boven de kerhouten of kamplaten, dweers van het getouwe. Aan
dezen balke hangt de kam en 't geheele onderwerk. Hij wordt ook nog genoemd
pleibalke. |
| Kamhaken: oog-of haakvijzen, in de schachten van den kam
bevestigd, om er de kamsnoeren aan vast te maken. |
| Kamplate: het
bovenste der twee dwarshouten, die in den vierstijl voor- en achterstijl
vereenigen. Die plate draagt den làbalke en den kambalke. Van dezen
laatste haren naam. |
| Kamslager: persoon die kammen slaat of
maakt. |
| Kamsnoeren: zoo noemt men de koorden, die den kam ophouden,
of verbinden met pleiriemen of tuimpeleers. Als ook deze die den kam met het
onderzoek verbinden. |
| Kamzeel: dikke koorde, al over den kambalke
gespannen, dragende het hondeke. |
| Kamzeelgat: het gat van het
hondeke van voor naar achter geboord. |
| Kerhout: stuk hout, in den
vorm eener F, van omtrent 1 meter hoog, waarop, in het lijnwaadgetouwe, de
bovendeelen rusten. Het is op 't lichaam der rame geplaatst, niet verre van 't
achterhoofd en keert zijn uitsteeksel naar voren tot boven het voorhoofd. Dit
deel van het getouwe is gewoonlijk met veel keurigheid opgewerkt. 't Is in het
midden van 't opgaande stuk, langs de voorzijde, dat men 't getouwe zijnen
ouderdom leest. De linke rame draagt de honderdtallen en de rechte de
eenheden. |
| Kerten: zie tanden. |
| Keten: het garen,
waartusschen de inslag zal moeten gewrocht worden. Het wordt op den garenboom
gewonden en even versch, naarmate 't weven vooruitgaat, van den boom
gewonden. |
| Ketenhouder: persoon die de keten houdt. - Zie de keten
houden. |
| Klauw(e): aan de opeinden van den kambalke of pleibalke
zijn er inkervingen gemaakt, bij dewelke de kambalke op de kamlate rust. Die
inkervingen worden klauwen genoemd. |
| Klink(e): een hefboom onder
welken de vanghaak te recht komt. |
| Klinke: stukje ijzer, hebbende
nagenoeg den vorm van een gebogen beitel. Het steekt met een kloeken nagel in
de rechter rame vast, zoodat de punt der klinke in de tanden van den band kan
vatten. Wordt nu het goed opgewonden, dan schuiven de tanden van den band, door
het draaien van den onderlooper langs onder de klinke door, waarna deze achter
eenen tand neervalt en zoo belet dat de onderlooper terug draaie. |
|
Klutsen: noemt men het met eenen houten lepel vloeiender en rekbaarder
maken van den steek. |
| Kop: op ieder stuk der leere, ter plaatse waar
de kruislatten hun steunpunt moeten hebben, |
| | | |
| (namelijk op het 1/3
der heele getouwbreedte te beginnen van links) staat een verhoogsel van omtrent
eenen voet. Beide verhoogsels zijn met eene spille verbonden, waarop de vlegers
draaien. Verhoogsels en spille heeten kop (kop der leere). |
|
Kruislat: zie tuimpeleer. |
| La(de): voorwerp dat gemaakt is
uit drij, of beter vier stukken hout. Het grootste stuk, ter dikte van eene
gewone zolderribbe, ligt waterpas en is iets langer als de breedte van het
getouw; daarop zijn twee andere stukken rechtstaande bevestigd tusschen de
welke het vierde stuk vastzit. Het geheele gelijkt niet slecht aan de stere.
Daarin staat het riet vast, dat aldus door de bewegingen vóóren
achterwaarts der lade de ingewevene draden toeduwt; - daarin ook loopt de
schietspoel heen en weer. Men onderscheidt drij soorten van laden: de enkele
là, de springlà en de dubbele springlà. |
| Enkele
lâ(de): eene lâ die maar en dient om met ééne
schietspoel te weven. |
| La(de)bak: elk uiteinde der lâ, in
hetwelk de schietspoel, na haren loop door 't garen terecht komt. Men
onderscheidt enkele bakken en springbakken. |
| La(de)groeve: uithaling
gemaakt in de onder- en de opperlâ, die de schenen van het riet vat. |
|
La(de)pijlen: dat zijn de twee rechtstaande stukken der lâ,
waarmede deze aan den lâbalke vasthangt. |
| Lat(te): ijzeren
voorwerp dat den springbak verbindt met den vleger. |
| Leegen: kam en
lâ leeger hangen. |
| Leere: voor het kruiswerk is de kambalke
verdubbeld, d.i. hij bestaat uit twee stukken hout, vereenigd met
dweersstukken, die toelaten die twee stukken nader elkander of wijder uiteen te
schuiven, al naar gelang van het aantal kruislatten die zij moeten dragen. Dit
gestel draagt den naam van leêre. |
| Lijnwaadgetouwe: kloek en
zwaar getouwe, meest in den laatsten helft der vorige eeuwe gemaakt ten dienste
der linnenweverij. |
| Onderla(de): het beste en zwaarste der vier
bijzondere stukken der lâ, op wiens uiteinden de lâbakken gevestigd
zijn. Het houdt de onderschene van het riet vast. |
| Onderlooper:
rolvormig stuk waar de stoffe, naarmate zij geweven is, opgewonden wordt. De
onderlooper draait met zijne uiteinden of duimen, in de onderlooperbosse, of
wel in eene zoogenoemde panné, zoo de duimen van ijzer gemaakt zijn,
gelijk thans algemeen het geval is. |
| Onderlooperbosse: ronde holte
in 't midden van 't lichaam der rame (lijnwaadgetouwe) of der onderlooperplate
(vierstijl), waar de onderlooper met zijne duimen in draait. |
|
Onderlooperplate: het onderste der twee dwarshouten die in den vierstijl
voor-en achterstijl vereenigen. De onderlooper draait met zijne uiteinden in
die plate en geeft ze haren naam. |
| Onderste kamsnoeren: zie bovenste
kamsnoeren. |
| Onderwerk: verzameling van al de deelen des getouws,
die onder het garen werken. |
| Oog(e): opening die op 't achterste
uiteinde der geterden in de schare der geterdenschee met de geteerdenspille
vaste zit. |
| Oogen: in de ooren der scheeden, daar waar ze buiten de
rame uitsteken, zijn openingen gemaakt om spieën of sleutels in te slaan,
waardoor alles stevig vast staat. Die openingen heeten oogen. |
|
Oogske(n)kam: kam waar elk onderste hevel met een oogsken aan den
bovensten, die er rechtover is, vasthangt. |
| Oogske(n)s: stukskes
koper of staal, omtrent nen halven milimeter dik, 2 milimeters breed en 5 lang,
met drij openingen. De middelste opening dient om den draad der keten door te
steken en de kevel zit onder en boven door die der uiteinden. |
|
Ooren: zoo noemt men de afgedunde uiteinden der scheeden, met hetwelke
zij in en door hunne gaten steken. Bij den vierstijl is ook de buikboom met
ooren gemaakt. |
| Opboomen: de keten op den garenboom winden. |
|
Opdoen: eene keten opboomen, een nieuw geweefsel gereed maken. |
|
|
| | | |
| Opperla(de), upperla(de), ipperla(de): het derde der vier
bijzondere stukken, waaruit de lâ is samengesteld. Het zit met zijne
uiteinden in beide lâpijlen bevestigd, waarin het kan op- en
neerschuiven. Het houdt de bovenschene van het riet vast. |
|
Overzetten: kam en riet over de fribbelingen schuiven. |
|
Panne: vierkant of langwerpig plaatje ijzer, met vijzen over de
onderlooperbosse vastgemaakt, hebbende in 't midden eene ronde opening, om den
ijzeren duim van den onderlooper in te draaien. |
| Passen: het werk op
de vereischte maat stellen. |
| Passen: wanneer een getouwe gezet is,
dan moet de wever nagaan of het waterpas en in zijnen haak (winkelhaak) staat.
Hiertoe gebruikt men waterpasser en winkelhaak. Deze bewerking geeft men den
naam van passen. |
| Peerdekes: latjes welke bevestigd zijn aan de
onderste uiteinden der springstokken en door de geterdzeelen naar beneden
worden getrokken. |
| Pinnen: bovenste uiteinde der stijlen 't welk
afgedund is, derwijze, dat de steekbanden, er met hunne opening kunnen
opschuiven. |
| Pleibalke: zie kambalke. Bij de Bo staat het werkw.
pleien: lastig en arbeidzaam gaan, klauwieren: tobben, b.v. door eene
slijkstraat, - klauwieren, grooten arbeid doen, veel zwoegen. |
|
Pleiriemen: strooken leêr, ten getalle van twee, liggende over de
rolle, en aan wier uiteinden de kamsnoeren zijn vastgemaakt. |
|
Pooten: stukken hout, onder in de rame bevestigd, waar deze opstaat.
Elke rame heeft er twee, dus vier voor 't gansche getouwe. |
| Rame:
zijstuk van het getouwe, gevormd van een dik, massief stuk eiken hout, 12
à 15 centimeters dik, rond de 2 meters lang en gemiddeld 60 à 70
centimeters breed of hoog. |
| Regulateur: toestel bestaande uit 3
ijzeren kamwielen, waarvan het grootste op den linken duim van den onderlooper
is vastgemaakt. Het kleinste wielke, dat de grootere draaien doet, wordt in
beweging gesteld door een klein ijzeren hefboomke met eene klinke, terwijl nog
twee, en soms drie andere klinkjes het wielke beletten terug te keeren. - Het
hefboomke zelve wordt opgeheven door eene koorde, die door 't draaien van den
lâbalke, dus 't heen- en weergaan der lade, wordt omhoog getrokken en
wederom nêergelaten. Hoe meer het goed bij elke scheut moet
voortschuiven, des te leeger moet het hefboomke kunnen zakken om zoo een
grooteren weg naar omhoog te kunnen afleggen, en omgekeerd. Ook bij 't begin
van een stuk stof, als de onderlooper nog dun is, moet deze voor een zelfde
einde wegs te maken, rasser draaien, dan wanneer er reeds eene hoeveelheid goed
op is. De lade, echter, moet altijd haren zelfden zwier behouden, en hierom
heeft het hefboomke nog een tweede met welke door haar verkorten of verlengen
het hefboomke naar willekeur vroeger of later in zijnen val wordt
tegengehouden. Het hefboomke moet, voor de regelmatigheid, verscheidene
tandekens verschuiven bij elken zwenk, zoodat het kleine wielke nog al gauw
rondgedraaid is, en echter en mag er elke scheut maar de dikte van eenen draad
opgewonden worden! Zulks wordt verkregen door de vertragende werking der 2
grootere kamwielen. Dit toestel in zijn geheel noemen de wevers
regulateur. |
| Rie(t)groeve: zie ladegroeve. |
| Riet:
verzameling van stalen reepkes, iets dikker dan de sneê van een mes, van
een tot twee millimeter breed, en van 8 tot 12 centimeters breed, onder en
boven tusschen twee dunne latjes hout vastgezet. In den beginne waren die
reepkes van geen staal maar van riet; vandaar de naam riet, die men aan dit
verzameling van stalen reepkes geeft. |
| Rietjes; ieder afzonderlijk
reepke staal, waaruit het geheele riet bestaat noemt men rietje. |
|
Rok: de geheele verzameling hevels van den kam. |
| Rolle:
rolvormig stuk hout, gewoonlijk ter lengte van ongeveer eenen meter, dragende
de pleiriemen, welke den kam op en neer moeten laten schuiven; de rolle doet
dus den dienst van eene katrol. |
|
| | | |
| Rollegat: het gat van
het hondeke van links naar rechts geboord. |
| Rustlat(te): een latje
hout, dat langs achter op den springbak vastgevezen is, en dient om de
springbak op te laten rusten, als het bovenste bakske ter hoogte der
lâbane staat. |
| Schaar, schare: blokske hout met openingen
ingezaagd, waar de uiteinden der geterden, of der peerdekes, rond hunne spille
komen draaien. - De schare der geterden zit in het midden der geterdenschee, en
die der peerdekes is aan eene rame vastgemaakt. |
| Schacht: deel van
kam, bestaande uit bovenen onderlat, met de daarop gespannen hevels. - Ook in
engeren zin de onder- of bovenlat. Vrgk de Bo. |
| Scheen, schene: de
latjes, welke de rietjes op hunne uiteinden samenhouden, maken twee aan twee
eene schene uit, Zóó vormen de vier latjes twee schenen. |
|
Scheers (uitspr. schis): ijzeren voorwerp van twee, drij millim. dik, op
12 tot 15 millim. breed en 3 tot 4 decim. lang, dienende om den springbak op
zijne plaatse te houden. Zoo is er een aan elken kant van den springbak: het
eene zit vast in den lapijl, en het andere (dat verst van den wever verwijderd
is) in een daartoe geschikt hout, scheersblok genaamd. |
| Scheersblok:
stuk hout, vast zittende aan die zijde van den springbak, die het verst van den
wever verwijderd is, van dezelfde lengte als de scheers. |
|
Scheersplaatje: stukske ijzer vastgemaakt op de vier hoeken van den
springbak, met een groefke dat over het scheers op- en neerschuift. |
|
Scheren: de keten gereed maken: de verschillige draden waaruit het
geweefsel bestaan zal, bijeen verzamelen, gereed om op den garenboom te
winden. |
| Laten schieten: bij het herpakken de vorenste hand te
plotseling loslaten. |
| Schis: zoo noemt men een stukje ijzer dat
midden in de rame of in de garenboomklampe bevestigd is, ter plaatse waar de
garenboom ligt. De schisgroeve van den garenboom past er op, en zoo moet deze
ter plaatse blijven, dat is, hij kan noch rechts noch links wegschuiven. |
|
Schisgroeve: deze groeve, slechts 5 à 6 millimeters wijd, bevindt
zich op 't linker uiteinde van den garenboom, en is rechtvallend aan de as,
zoodat de groeve cirkelvormig is. Zij dient om den garenboom bij middel van het
schis op zijn plaatse te houden. |
| Schrank: de lijn waar de draden
schranken. |
| Schrankkoorde: de draden der keten worden door den
scheerder schranksgewijze gekruist, derwijze dat al de onpare draden een deel
vormen gaande schuinsweg van omhoog naar omleeg terwijl de pare draden
integendeel, een deel vormen, gaande in tegenovergestelde richting van omleeg
naar omhoog. Langs beide kanten der lijn waar de twee deelen door elkander gaan
ligt eene koorde, die men schrankkoorde noemt. |
| Schrankroede:
wanneer de keten ongeboomd is, wordt de schrankkoorde vervangen door twee
roeden, die blijven zitten tot de keten afgeweven is. Die roeden heeten
schrankroeden. |
| Schuivergroeve: groeve boven langs den binnenkant
van den enkele ladebak waarin de schuier in en weder schuift. (Bij den
springbak behooren er ook schuiergroeven, maar deze zijn in een afzonderlijk
stuk hout gemaakt, dat loodrecht aan de voorzijde der onderlâ gevezen
is.) |
| Slaan: kammen slaan, kammen maken. |
| Slachthaken:
zie kamhaken. |
| Slagdraad: 1) draad, die de hevels op de slagkoorde
vastzet. 2) zoo heet de draad, waaronder de twee latjes van elke schene
samengebonden en de rietjes op vereischten afstand gehouden worden. Opdat de
rietjes onbeweeglijk zouden blijven is de draad met pek bestreken en wordt er
dan nog een dun laagske pek al buiten overgesmolten en dat alles bedekt met een
reepke papier. |
| Slagkoorde: opdat de hevels niet links of rechts uit
hunne plaats en zouden gaan, zijn ze vastgezet op eene koorde: de slagkoorde;
deze wordt aan de uiteinden der schachtlatten vastgemaakt. |
|
Sleutels: spiervormige houtjes, die in de oogen der scheeden worden
gesmeten, om |
| | | |
| de ramen goed aan de scheeden te sluiten. |
|
Sleuters: zie sleutels. |
| Slieren: sommige ketenhouders laten
de keten, in plaats van ze te herpakken, door hunne handen glijden - dat is
laten slieren, hetgene zoo min als laten schieten, niet en deugt. |
|
Spillegat: opening in de schare geboord waar de spille door zit. |
|
Springbak: deze draagt drij of vier boven elkander geplaatste
afdeelingskes, kunnende elk juist eene schietspoel bevatten: door een toestel,
dat daarvoor geschikt is, wordt de bodem van ieder afdeelingske beurtelings ter
hoogte gebracht van de lâbane, zoodat deze met den bodem der bakskes 't
een na 't ander eenen onafgebroken loop uitmaakt voor elke schietspoel. - Dat
op- en neerschuiven noemen de wevers springen; vandaar de naam springbak. |
|
Springla(de): lâ die dient om met twee, drij of vier schietspoelen
te weven. - Over den oorsprong des naams zie springbak. |
| Dubbele
springla(de): lade hebbende eenen springbak langs twee kanten. |
|
Springstokken: latten die door de onderste kamsnoeren en de schachten
van den kam neder trekken, bijmiddel van de springzeelen. |
|
Springzeelen: dikke koorden, wier bovenste uiteinden vastgemaakt zijn op
het middelpunt der springblokken onderste uiteinde aan de peerdekes. |
|
Steekband: naam van een stuk hout, dat de twee voorstijlen en van een
ander, dat de twee achterstijlen vereenigt. Zij bestaan enkel in den vierstijl,
hebben rond de 3 meters lengte (de breedte van 't getouwe) en schuiven, met
eene daartoe geschikte opening langs weerskanten op eene pin, aan den bovenkant
der stijlen. Zij zetten het getouwe stevigheid bij. |
| Steert: het
deel der rame, dat achter den achterpoot en het achterhoofd uitsteekt. De
garenboom ligt er boven, ofwel er achter op tappen of ook op eenen zoogenoemden
hangel. |
| Steke: helling der bane, welke om het uitloopen der
schietspoel te beletten niet al te plat en mag zijn. |
| Sterk: pap
gekookt van water en tarwenbloem. |
| Sterkbu(r)stel: borstel waar men
den sterk meê aan 't garen strijkt. |
| Sterken: het garen
bestrijken met sterk. |
| Sterkschotel: houten vat waar de gekoelde
sterk wordt in gedaan om te klutsen. |
| Sterkvel: de versch gekookte
sterk wordt gewoonlijk in een potje gegoten, waarin hij moet koelen. Bij die
verkoeling komt er van boven een velleken op, dat, nettekes afgepeld en op de
stoof gebraden, een lekker gerecht is voor de spoelemakerkes. |
|
Stuiklat(te): zie rustlat(te). |
| Stuitblokske(n)s: kleine
stukskes hout, geplaatst op het achtereinde van ieder afdeelingske van den
springbak (in elke twee). Deze blokskes beletten de schietspoel verder te
loopen. |
| Tanden: zaagvormige uitsteeksels op den band. In de tanden,
ook nog kerten genoemd, vat een klinke. |
| Tanden van den effenaar: de
tapkens van den effenaar. |
| Tappen: 1) bundelkes haar van den
sterkborstel. 2) rolvormige stukken ter dikte eener zware suikerboonpeerse,
achter in den steert van de rame gevestigd, waar de garenboom op draait,
ingeval hij boven den steert te hooge zou liggen. Zulks is namelijk noodig als
men lichte stoffen te weven heeft. 3) ronde houten van zijds in de bolle
geplaatst, om den onderlooper met de hand of met den knie te doen draaien. |
|
Trekgaten: op het rechter uiteinde van den garenboom zijn zes of acht
gaten geboord in de richting der middellijn of doorsnede van den boom. Deze
gaten moeten dienen om, bij middel van den trekstok het garen te doen spannen.
Zij heeten trekgaten. |
| Tuim(p)eleers: inplaats van eene rolle bezigt
men - voor plat werk soms en voor kruiswerk altijd - lichte hefboomen van rond
den halven meter lengte. Elk uiteinde dezer hefboomen is aan eenen schacht van
den kam bevestigd, maar schranksgewijze, zoo- |
| | | |
| dat, als de eene
neerkomt de ander naar omhoog wordt getrokken. Deze hefboomen noemt men
tuimpeleers, ook nog vlegers (vlegels) of kruislatten. |
| Twest: eene
verzameling van draden (in 't algemeen rondom de twintig) om zoo te zeggen als
eene koord bijeen gebracht, maar ongevlochten. - De gansche keten bestaat uit
eene verzameling twesten: zie keten. |
| Uitscheên: de keten
uitscheên: wanneer de keten van den scheermolen komt, wordt zij door den
scheerder ineengelascht, en de lasschen worden bij het opboomen weder uiteen
geschud: dat is de keten uitscheên, en wordt gewoonlijk door een kind
gedaan. |
| Vanghaak: zie haak. |
| Verbossen: als de bossen
van onderlooper of buikboom te veel uitversleten zijn, dan kapt de
schrijnwerker daar een heel stuk uit, gewoonlijk in vierkanten vorm; en in die
uitholing past hij een nieuw stuk, met eene nieuwe bosse: dat heet
verbossen. |
| Verrokken: eenen nieuwen rok aan schacht of kam maken:
een nieuwen schacht of kam maken, ter uitzondering van latten en oogskens. |
|
Vet: waar het garen na behoorlijk gedroogd te zijn meê wordt
aangestreken. |
| Vetbor(s)tel: borstel om het vet aan te strijken,
gewoonlijk een oude sterkborstel. |
| Vetpan(ne) of vetpot: vat
waar het vet in is. |
| Vetten: het aanstrijken van het garen met vet
nadat het behoorlijk gedroogd is. |
| Veulen: het gebeurt, wanneer eene
keten geschoren is, dat zij te weinig draden bevat of te smal is, hetzij door
onachtzaamheid van den scheerder, hetzij dat het te weven goed breeder moet
zijn, dan men eerst geschikt had, dan verveerdigt de scheerder er nog een klein
ketentje bij, dat men een veulen noemt, dat met de groote keten te zamen wordt
opgeboomd. |
| Vieren: weversmesdag vieren: op St. Ambrosius feestdag
naar de mis gaan en zich vermaken: schieten, kaarten, nen borrel pakken,
enz. |
| Vierstijl: getouwe met vier opgaande stijlen, merkelijk
lichter en ook minder kunstig gemaakt als het lijnwaadgetouwe. Het ontleent
zijnen naam aan de vier stijlen van zijn geraamte, en is meer tot de
katoenweverij bestemd, hoewel de lijnwaadgetouwen hier thans ook algemeen toe
gebezigd worden. |
| Vitsegroeve: in den garenboom is eene groeve,
evenwijdig met de as, welke dient om de vitseroede in te leggen, en zoo een
steunpunt te maken voor de spanning van de keten. Die groeve heet
vitsegroeve. |
| Vitsekoord(e): de geschorene keten ligt op hare
strenger of twesten om ze ordelijk op den garenboom te kunnen verdeelen. Op 't
uiteinde zit de vitseroê, maar daartegen zit nog een koordeke, dat de
strengen of twesten geschrankt houdt. Dat koordeke is langs weerzijden aan de
vitseroê vast, en heet vitsekoorde. |
| Vitseroe(de): vierkante
roede, die aan het uiteinde der keten doorgestoken wordt, en bekleed met
het garen, in de vitsegroeve geleid. Dat belet het garen of de keten op den
garenboom voort te schuiven, en zijne spanning te verliezen. - Bij Kiliaen is
vits, vitsroede: groote wisch. - Schuermans heeft ook vits: dunne vierkantige
vensterbar, en vitsroede: wisch. |
| Vleger (vlegel): is een hefboom
(met het steunpunt tusschen last en macht) gaande van boven het midden van den
springbak tot boven het midden der opperlâ; en aan dit leste uiteinde is
de haak bevestigd. |
| Vlieger: zie tuimpeleer. |
| Voorhoofd:
uitsprong naar omhooge, op 't vooreinde der rame, en waarin de buikboom
steekt. |
| Voorscheê(de): kloek stuk hout, dat beide ramen langs
voren vereenigt en stevig vasthoudt. De voorscheê is bij het lijnwaad
getouwe de eenige houdvaste langs voren, en is daarom zeer kloek. Bij den
vierstijl, waar er van boven nog een steekband ligt en de buikboom ook
vastgesleuterd zit, is die groote kloekte niet noodig en ook niet
aanwezig. |
| Voorscheêgat: rechthoekige opening bij het
lijnwaadgetouwe vooraan in de rame, bij den vierstijl in den voorstijl, en bij
beiden op |
| | | |
| een 30 centimeters hoogte, waar de voorscheê in
steekt. |
| Voorstijl: de stijl naast den kant van den wever; hij
bestaat alleen in den vierstijl. Hij houdt in daartoe geschikte openingen, den
buikboom en de voorscheê vast, en draagt mede de zittebank. |
|
Waaien: het drogen van het gesterkt garen met den waaier. |
|
Waaier: voorwerp dienende om het garen, nadat het gesterkt is droog te
waaien. |
| Weefgetouwe: zie getouwe. |
| Weefster: 't
vrouwelijk van wever. |
| Werveltap: tap dienende om door het het
draaien of het ontdraaien het hangzeel te verkorten of te verlengen en alzoo de
lâ te verhoogen of te verleegen. |
| Weven: op tappen weven: men
zegt van eenen wever, wiens garenboom op tappen rust, dat hij op tappen
weeft. |
| Wever: persoon die, voor gewoon ambacht, het weven
uitoefent. Ook nog in engeren zin, iemand die in de weefkunst doortrokken
is. |
| Weversmesdag: (misdag of feestdag) - den 7 December, feestdag
van den H. Ambrosius, Patroon der wevers. |
| Weversmisdag: zie
weversmesdag. |
| Wiel: een rolvormig verdiksel van den garenboom, op
dezer rechter uiteinde geschoven, bij getouwen die met den regelaar werken. Een
zeel of touw, welk rond dat wiel spant, doet daar den dienst van trekstok, maar
laat ook toe dat, scheut voor scheut, het garen afkome. |
| Zetten: een
getouwe zetten: eene getouwe richten of rechte zetten, tot weven gereedmaken. -
Ook in figuurlijken zin: het weversambacht aangaan. |
| Zit(te)bank: de
bank waar de wever op zit. |
| Zit(te)klampen: stukken hout aan de
voorstijlen vastgemaakt waar de bank met hare uiteinden op ligt. |
Dit is de rijke woordenschat van een echten ouden Vlaamschen
wever, die alles nog zelf deed. Maar vergelijken wij daar nu eens mee het
kleine risje vakwoorden van de moderne Vlaamsche arbeider of arbeidster in de
groote machinale textielindustrie. Wevers in den breeden zin des woords zijn er
niet meer. Er zijn slechts koermannen, hekelaars, mengelaars, brekers,
kaarderijwerksters, spleetsters, aftreksters, continuemeisjes, haspelaarsters,
drogers, smeerders, stolkuischers, duivelaars, uitstekers, slijpers,
spilbankmeisjes, draadmakers, monteerders, spinners, bomsters, twijnders en
twijnsters, spoelinleggers, wapsters en scheersters, sijsers, doorhalers,
aangevers, wevers en weefsters in den allerengsten zin, magazijnmannen,
stopsters, voerbranders en snijders, inpakkers, bleekers, scheerders,
riemenwevers, franjewevers, tulwevers, wollewevers en spinners, lintwevers,
vlasroters, zwingelaars en haarsnijders. Zoo is het. En in Noord-Nederland is
het niets beter. Nu zoek maar uit wat voor vaktermen aan elk dier machineslaven
nog overblijft, en hoe breed de kring is van hun vakleven, dat toch de meeste
uren van den dag hun rijke menschenhoofd moet vullen. Welke dan ook de
gevoelens zijn, die maar al te vaak in die doffe uren hun hart bezielen, zien
wij later nog bij de socialistentaal.
| |
38. De kantwerkstertaal. Zie Deel I blz. 533 vlgd.
H. Baccaert: Handleiding tot de Kantkennis, Brugge 1912. - L.
Nulle: Handleiding tot het vervaardigen van duchessekant, den Haag 1907. - E.
van Loon: De kantindustrie in Frankrijk en Italië2, den Haag
1907. - J. Jansen: De kantvervaardiging in Turnhout. Turnhout 1911.
| | | |
Deze vaktaal heeft weliswaar ook reeds de concurrentie van de
machine ondervonden, maar heeft zich tot nu toe op het platte land in
Vlaanderen nog goed weten te handhaven. In deze Vlaamsche meisjes- en
vrouwenkringen is bij het kunstige handwerk, nu sinds eeuwen veel gedacht,
gedicht, geneuried en gedeund. Er moet voor eenige jaren voor Mr. Blyau te
Leuven zoo een heele verzameling Kantwerkstersliederen zijn gedrukt, maar ze
schijnt nooit te zijn uitgekomen. Wie kan daarover inlichtingen geven, of weet
althans een exemplaar aan te wijzen, dat voor de nakomelingen zou kunnen worden
bewaard?
| |
39. De leerlooiers-, zadelmakers- en schoenmakerstaal.
211/30
A. De Nederlandsche Lederindustrie (Leerlooiers, Handelaren in
leder), C. Misset, Doetinchem 20/7. - De Schoenindustrie, A Tielen, Waalwijk
10/14. - De Schoenmakerscourant (Schoenmakerspatroons), A. Tielen, Waalwijk
2/14. - De Schoenmaker, P. Wetemans, Druten x/7. - Vakblad voor de
Schoenmakerij, C. Misset, Doetinchem 20/7. - Leder- en Schoenmarkt, Kauwenberg
29-31, Antwerpen x/30.
C. De Schoen- en Lederbewerker, Hoofdstraat 288, Kaatsheuvel (N.
Br.) x/14. - De Belgische Schoen- en Lederbewerker, Wijngaardstraat, Iseghem
2/30. - De Belgische Schoennijverheid, IJzeren Waag 17, Antwerpen x/30. - De
Handschoenmaakster, Vereenigingstraat 40, Brussel 1/30.
Volledige Beschrijving van alle konsten (zie nr. 2) nr. 4. - De
Leerlooijer, Leertouwer, Wit- en Zeemlooijer. - A. Borghstyn: Moderne
Amerikaansche Looimethoden, Doetinchem 1903. - Th. Bogaerts: Het hedendaagsche
schoeisel, 1909. - Van Corn Vugt: Handboek der Schoenmakerij, volledige gids
tot het aanleeren van handwerk, 1908.
Zeer belangrijk is ook de ten onzent nog braak liggende studie:
van de termen bij de zadelmakers gebruikelijk. Al de kleinste onderdeelen van
het paardentuig hebben hun eigen namen, die gewoonlijk in overeenstemming met
de boerentaal van streek tot streek verschillen. In de Vlaamsche Zanten Deel I
en II vonden wij een tamelijk volledige woordenlijst der Oost-Vlaamsche
Schoenmakerstaal met eenige West-Vlaamsche parallellen:
| Achterlap: deel van de zool dat den hiel
bedekt. - Achterlap wordt nog in de schoenmakerij gebezigd in den zin van een
leeren tuig dat het peerd op de billen draagt. In Limburg en Brabant heet dat:
achterhaam. (Ziet Schuermans). |
| Achterleer: het hielstuk van den
schoen vastgenaaid aan het euvelleer. |
| Asen: stukken leer die men
slaat op den leest om de breedte van den schoen te bepalen. |
| Ast:
pek waarmede men den pekdraad bestrijkt. Ast staat voor harst. |
|
Bállikker, bállijker: een beenen of ijzeren bout om b.v.
de polevij te likken of te glanzen. De ballikker wordt ook veel de
polevijlikker genoemd. |
| Been: het bovenleer van den schoen bestaande
uit den overschoen en de kap. |
| Bezégel: likstok;
volksetymologie van het fra. biseigle. |
| Bros: rechte els dienende om
gaatjes in het zoolleer te boren. |
| Buisken: kleine koperen buiskens
die men nijpt in de schoenen met nestels. |
| Doornaaiels: dikke
gebogene els dienende voor grof werk. |
| Elsen: men heeft drie
voorname soorten van elsen: spanels, doornaaiels en bros. Zie aldaar. |
|
|
| | | |
| Elsenaar: 1o. door elsenaar verstaat men soms
het werktuig dat nog els wordt genoemd. 2o. Elsenaar beteekent nog
al wie met de els werkt. |
| Euvelleer: euverleer en overleer, dat is:
het deel van den schoen, dat den bovenvoet bedekt. |
| Halfzool: ziet
voorlap. |
| Handleer: een leer in den vorm van eenen handschoen zonder
vingerlingen, gebruikt bij zwaar werk. |
| Hiellikker, hiellijker:
houten ronden likker, die bijzonderlijk dient om, gelijk de naam het uitwijst,
dien hiel te likken. |
| Hoofdnagel: ziet kopnagel. |
| Hoorn:
1o. schoentrekker. - 2o. Een potje dienende om den pak of
plaksel in te doen. |
| Kamereur: ook kameruur en
kamerure in West-Vlaanderen. - Dit woord heeft twee beteekenissen:
1o. Het uitgeholde buitendeel van 't onderwerk tusschen den
achterlap en den voorlap; anders ook tolsvoet en tol geheeten,
(fransch: combrure) van daar: smal of breed werken in den kamereur of kameruur.
- 2o. Elk van de dunne stukskens leder, die tusschen de twee groote
stukken van de zool geschoven worden, om aan de zool haren behoorlijken vorm te
geven. Van daar: er zitten vijf kamereuren in, eene lange en vier korte. |
|
Kap: dat is het bovenste deel van den schoen vastgenaaid aan het
euvelleer. |
| Klamp: ziet achterlap. |
| Klipper: zoo zegt men
ook in de volkstaal kleper voor klepel, leper voor lepel. - De klippel is een
dikke stok dien men gebruikt wanneer ér een nagel steekt in den hiel van
den schoen. Men breekt zoo den nagel. |
| Kolis: een houten likker, die
op eene fijne punt uitloopt en die bijzonder dient om de randen te likken. |
|
Konterfoor: in West-Vlaanderen konterfoord: het belegstuk van den hiel
des schoens om dezes sterkte te verzekeren. De klemtoon valt op foor, foord met
scherp lange oo. |
| Kopnagel: nagels met een hoofd of eenen kop. |
|
Kreek: eene dunne zool die van binnen in den schoen gewerkt is en ligt
onder de eigenlijke zool. |
| Kwijn: sterk hout dat men steekt boven de
asen. |
| Lapzool: ziet zool. |
| Leest: vorm waar men den
schoen op maakt. In de woordenboeken staat het vr. Bij ons en ook in
West-Vlaanderen is dit woord m. Men heeft den mansleest en den vrouwsleest of:
den leest voor mansschoenen en vrouwschoenen. - Met leest zijn
verschillige spree-kwoorden in gebruik. - Schoenmaker, blijft bij uwen leest:
Het lijf op den leest zetten: onmatig eten. - Ze passen op eene leest: ze
gelijken elkander in denkwijze en in zeden. - Ze zijn op eenen leest geschoeid:
ze komen wel overeen. |
| Leesthaak: ijzeren haak, waarmede men den
leest uittrekt uit den opgemaakten schoen. (ziet De Bo). |
| Likker,
lijker: hetzelfde als het Hollandsche likker: voorwerp van been, hout of
ijzer om den schoen te doen glanzen of - om in de vaktaal te spreken - den
schoen te lijken (likken). Vandaar: lijken dat glad wrijven, of glansen of
polijsten beteekent. - In de omstreken van Leuven, en elders in Brabant noemt
men dit werktuig: likijzer, likhout of liksteen. (Ziet Schuermans). - Men
onderscheidt verscheidene soorten van likkers. |
| Likstok, lijkstok:
lang stuk bukshout om de zolen te wrijven en te glanzen. |
| Litse: in
de omstreken van Gent voor trekker of trekleer. |
| Maat: papieren
reepken waar men de hoogte van den voet, aan den wrijf en den hiel mee
vaststelt. |
| Neep: ziet spanberd. |
| Negge, egge: snede of
scherpen kant van het mes. |
| Nestel, nesteling: leeren koordeken om
de schoen toe te rijgen. |
| Neus: het uitspringende vormdeel van den
schoen. In West-Vlaanderen neuze, neuzelap, neuslap. |
| Oesel: rug van
het mes. |
| Onderwerk, onderstukken: alles wat van binnen in den
ondersehoen verwerkt wordt. Van daar: het onderwerk van eenen schoen
|
| | | |
| vernieuwen; het onderwerk kloek maken. |
| Onderzool:
ziet voorlap. |
| Opvulsel: kleine stukskens leder die men van binnen
in 'nen schoen legt. |
| Overschoen: 't zelfde als het fra.
galoche; de overschoen bestaat uit het euvelleer en het achterleer.
Oudtijds en nu nog in West-Vlaanderen noemde men dat galoetse en galootse. - In
West-Vlaanderen en in 't Meetjesland heeft overschoen meest de beteekenis van
leegen schoen in moerevel (Caoutchouc) dien men bij regenachtig weder over de
leeren schoenen trekt. Oudtijds was overschoen daar ook een sterke kous die
diende om over de leeren schoenen getrokken te worden. |
| Passer:
houten werktuigsken dat dient om de lengte van den voet te meten, en zoo de
lengte van de schoen te bepalen. |
| Peerd: ziet spanberd. |
|
Pekraad: ziet spinaal. |
| Pijkhouweele: tatse. |
|
Pollevie: de hiel eens schoens; hij wordt gemaakt door een aantal
opeenliggende achterlappen. |
| Rand: een riem van leder die met den
zoom van het overleêr vastgenaaid wordt aan de binnenzool en dan aan de
lapzool. |
| Rekker: elastiek. Volgens De Bo: moervel. Dat is eene
stoffe die men bezijden in de bottienen steekt om het aantrekken te
vergemakkelijken. |
| Riemeken: het sluitsnoer bij eene leegen schoen.
(Ziet De Bo). |
| Rijgkoorden, rijkoorden: nestels die gekeperd
zijn. |
| Ringken: ziet buisken. |
| Ritsken: klein getand
wieleken, dienende om voorkens te maken in de randen der zolen. |
|
Schoentrekkers, schoensteerten: nestels van leer. |
| Schoenwas:
een smeer om de randen van zool en hiel te wrijven en te glanzen. |
|
Sleuter, sloter: sleutel. Dat is bij de schoenmakers: eene spie die men
slaat tusschen de twee deelen van een leerzenbeen om dit te doen spannen in den
schacht van eene leers. |
| Sluitlikker, sluitlijker: een ijzeren
likker met een platten uitstekenden tand in 't midden, om de zool te lijken met
de randen. |
| Snijlingen: afgesneden stukskens leêr genoemd
afval; in West-Vlaanderen: snielingen. |
| Snijplank: lange plank
dienende om het leer op te snijden. |
| Spanberd: werktuig bestaande
uit twee lange, kromme stukken hout, die aan den eenen kant verbonden zijn door
een stuk leder, en aan den anderen kant als eene tang gebruikt worden, om het
leder te klemmen, dat men spannen of stikken moet. |
| Spaneels: fijn
gebogen els, dienende voor fijn werk. |
| Spanriem: een lederen riem
waarmede men den schoen vastspant op de knie. |
| Spelnagel,
speldnagel; een lange puntige nagel die speldvormig is. |
|
Spinaal: pekdraad: het schoenmakersgaren. |
| Steekmes: smal
lang mes om tusschen de randen en de zole te steken en het leder af te
pellen. |
| Stek, stekke: een puntig tapken of nagel zonder hoofd, dien
men in den hiel en de zool van schoen en leerzen slaat. |
|
| |