|
|
|
| | | | | | | |
De phonologie van het Algemeen Nederlandsch
Phonetiek is een hulpwetenschap der taalkunde, die de klanken der
taal behandelt, zonder te letten op hun beteekenisfunctie.
Phonologie is het onderdeel van de taalkunde, dat de klanken der
taal behandelt juist met het oog op hun beteekenis-functie.
Een phonologisch verschil of een phonologische tegenstelling is er
dus alleen tusschen twee phonetisch verschillende klanken, wanneer dat
phonetisch verschil in een bepaalde taal dient om er intellectueele bedoelingen
mee te onderscheiden. En de phonemen zijn de kleinste eenheden tusschen welke
zulke phonologische verschillen voorkomen.
De phonetische verschillen zonder phonologische waarde heeten
phonetische varianten of realisaties.
Deze varianten onderscheiden wij in facultatieve, combinatorische en
vaste varianten.
Facultatieve varianten zijn de veranderlijke realisaties die overal
kunnen voorkomen b.v. dentale l,r of velare L,R.
Combinatie-varianten zijn de veranderlijke realisaties onder den
invloed der omgevende klanken b.v. de k van bakboord.
Vaste varianten zijn de veranderlijke realisaties aan het begin of
het einde gebonden (j-:-i, w-:-u).
Derhalve wordt de phonologie verdeeld in:
I. Woordphonologie, die de phonologische tegenstellingen der woorden
behandelt; en
II. Zinsphonologie, die de phonologische verschillen in den zin
beschouwt.
I. De Woord-phonologie wordt onderverdeeld in: | | | |
A. Lexicale phonologie die de phonologische tegenstellingen in de
lexicale afzonderlijke woorden behandelt.
B. Morphologische phonologie of Morphonologie, die de phonologische
tegenstellingen der vormen en vormdeelen van een en hetzelfde woord
beschouwt.
DE AFZONDERLIJKE PHONEMEN EN DE METHODISCHE REGELS OM ZE TE
ONDERSCHEIDEN.
1)
1. De phonologische waarde van een phonetisch verschil wordt uit
inductie bewezen door een rijtje van tien parallelle lexicale woorden met
slechts één phoneem-verschil en een daarop berustend verschil van
beteekenis. En om de zekerheid des te grooter te maken, kiezen wij daarbij de
kortste lexicale woorden uit, d.w.z. de woorden die uit zoo weinig mogelijk
phonemen bestaan. Voor het nomen dus liefst het enkelvoud; voor het werkwoord
liefst de imperatief enkelvoud; pas in tweede instantie kunnen bij de
substantiva het meervoud en bij de verba de infinitief en het participium
praeteriti dienen. En slechts op de laatste plaats komen de casus- en
persoonsvormen.
2. Als wij vormen of afgeleide en samengestelde woorden opnemen,
moeten de samenstellende deelen en de afleidings-silben en formanten, die als
afzonderlijke morphemen een eigen beteekenis hebben (meervoud van het nomen, de
infinitiefuitgang en het ge- der participia) door een verticaal streepje van
het overige woord gescheiden worden, zoodat zij altijd buiten rekening
blijven.
3. Daar wij juist het phonologisch systeem van het Algemeen
Nederlandsch onderzoeken, moeten wij trachten alle duidelijk gevoelde
leenwoorden uit onze lijstjes te weren. Vermeden worden dus ook de dialectische
varianten, om zoo niet een kwart of de helft van een patoissysteem binnen te
smokkelen. Ook de onomatopoëtische interjecties, de gevoels- en
stijl-varianten worden zooveel mogelijk geweerd, daar zij geen intellectueel
verschil beteekenen en eigen wetten volgen.
4. Het getal van 10 parallelle woorden is in de praktijk de eenige
maatstaf van zekerheid gebleken: dat wij niet met een twee- of drietal
toevalsverschijnselen of een vijf- of zestal speciaal geconditioneerde gevallen
te doen hebben. Verder is voor een gezonde inductie noodig, dat de
omstandigheden der 10 gevallen zooveel mogelijk wisselen, zoodat wij de
speciaal geconditioneerde gevallen niet met algemeen voorkomende verschijnselen
verwarren. Daarom is het aan te raden: in de lijstjes der vocaal-verschillen
b.v. zooveel mogelijk verschillende | | | | consonant-omgevingen, en bij de
consonant-lijstjes zooveel mogelijk verschillende vocaal-omgevingen te zoeken.
Want alleen, wanneer onder verschillende omstandigheden telkens hetzelfde
verschil zich openbaart, is dit een aanwijzing, dat er een principieel verschil
aan ten gronde ligt.
5. Omdat wij later het begin, het midden en het einde der woorden
nog afzonderlijk zullen beschouwen, letten wij bij ons eerste globale onderzoek
niet op deze verschillen, en zoeken wij elk phoneem: waar wij dat het
makkelijkste vinden. Voor de meeste (niet alle) consonanten is dat het
woordbegin, en voor de vocalen is dat de stamsilbe.
6. Als phonetisch verschil zoeken wij steeds het kleinste phonetisch
verschil bij de nauwst verwante paren, daar er anders gevaar is, dat wij twee
onderscheiden phonetische verschillen, die elk afzonderlijk phonologische
waarde hebben, samen zouden vatten en verwarren. Zoo zoeken wij dus in het
Nederlandsch voor de vocalen: eerst lijstjes van gedekte en ongedekte a;
gedekte en ongedekte e, gedekte en ongedekte o enz.; en pas daarna lijstjes van
a en o, e en a, van ee en ie, van oo en oe, van ee en eu, van i en u, altijd
zorgende de naastliggende vocalen, voor de vergelijkende lijstjes uit te
kiezen.
Zoo moeten wij bij de consonanten eerst p met b, en t met d
vergelijken, en f met v, en s met z, en ch met g; eer dat wij p met t en t met
k vergelijken, en nooit zullen wij b.v. b met k, p met d vergelijken, want hier
zijn twee phonetische verschillen vereenigd, waarvan afzonderlijk moet
onderzocht worden, of ze elk phonologische waarde hebben.
7. Er zijn principieel twee soorten van lijstjes, die vooral bij de
consonanten scherp onderscheiden moeten worden, namelijk a. een lijstje van
paren met elk het nauwst verwant phoneem als eenig verschil, b. een lijstje met
paren van aanwezigheid of afwezigheid van één phoneem, dus b.v.
a. baar: paar, tal: dal, vaal: zaal, maar b. aar: baar, aar: paar, al: tal, al:
dal; aal: vaal, aal: zaal. Beide soorten lijstjes zijn goed en vullen elkander
aan.
Voor een theoretisch volledig onderzoek zijn van het eerste soort
voor elk phoneem drie of vier lijstjes noodig: met het phoneem erboven en
eronder, het phoneem rechts en het phoneem links in het phonologisch systeem,
dat men hier voorloopig raden en later bewijzen moet. Maar praktisch is
aanvankelijk één lijstje van elke soort genoeg; daar de gevallen,
waar twijfel kan opkomen, zich later vanzelf verraden. | | | |
| (I) p : b | (2) p : - | (3) b :
- |
| + paar : baar | + paar : aar | baar :
aar |
| pot : bot | + paal : aal | baal :
aal |
| + pier : bier | + paard : aard | baard :
aard |
| + peer : beer | + pram-en : ram-en | bram-en
: ram-en |
| + pal : + bal | + plok : lok | blok :
lok |
| + poort : boord | + praat : raad | brek-en :
rek-en |
| + paal : + baal | + pin : in | brand :
rand |
| + paard : baard | + puit : uit | brok :
rok |
| + pak : + bak | + plek : lek | bij :
ei |
| + pest : best | + pal : al | baan :
aan |
Met deze p- : b-lijstjes is reeds bewezen, dat in het tegenwoordig
Nederlandsch de p en de b phonemen zijn. Weliswaar zijn de p-woorden bijna
allemaal oude leenwoorden, die we inzoover het noodig is, door het
vooropstaande + teeken zullen onderscheiden. Niemand echter voelt ze meer als
zoodanig.
| (4) t : d | (5) t : - | (6) d :
- |
| tak : dak | tik : ik | dik :
ik |
| tam : dam | ter-en : eer-en | der-en :
eer-en |
| tol : dol | tur-en : ur-en | dur-en :
ur-en |
| turf : durf | tril-len : ril-len | dril-len
: ril-len |
| tik : dik | tooi : ooi | dooi :
ooi |
| tor : dor | tal : al | duw :
uw |
| toorn : doorn | tin : in | dal :
al |
| toen : doe-n | trouw : rouw | druif :
ruif |
| tuin : duin | trek : rek | druk :
ruk |
| tij : dij | taak : aak | diep : iep |
Met het t-: d-lijstje zijn de t en d als Nederlandsche phonemen
bewezen. Juist als hierboven voegden wij naast het a-lijstje, ook nog 2
b-lijstjes
| (7) k : g | (8) k : - | (9) g :
- |
| kuit : guit | kuit : uit | goor :
oor |
| + kist : gist | kin : in | gap-en :
ap-en |
| kast : gast | kop : op | guit :
uit |
| kom : +gom | kom : om | goud :
oud |
| kat : gat | kik : ik | grap :
rap |
| kaas : +gaas | kaas : aas | gram :
ram |
| +kuur : guur | kaap : aap | gev-en :
even |
| keer : geer | kuil : uil | graaf :
raaf |
| kust : gust | kaal : aal | guur :
+uur |
| kun-nen : gun-nen | koop-en : open | +groep :
roep |
| | | |
Dat k en g beide phonemen zijn, volgt uit het eerste lijstje. De
twee volgende lijstjes bevestigen dit.
Wij merken natuurlijk onmiddellijk op, dat de k van de g door twee
phonetische kenmerken verschilt. Maar de velare media bestaat niet in het
Nederlandsch als phoneem. De k-ch lijst, waarbij slechts één
phonetisch verschil aanwezig is, volgt hieronder: op haar systematisch juiste
plaats (16).
| (10) p : f | (11) f : - | (12) -p :
-f |
| + pier : + fier | + frank : rank | stap :
staf |
| pad : + fat | + feil : ijl | op :
of |
| pee : + fee | + frisch : ris | stop :
stof |
| + pijl : + feil | + fiets : iets | kap :
kaf |
| + pijn : + fijn | + flauw : lauw | slaap : +
slaaf |
| + pluim : + fluim | flens : lens | zeep :
zeef |
| pok : + fok | + flitsen : lits-en | doop :
doof |
| pret : + fret | + fluim : luim | stop :
stof |
| puik : + fuik | + fluister-en :
luister-en | + troep : + troef |
| pulp : + fulp | +
fluit : luit | slop : slof |
Met het eerste lijstje is al bewezen, dat de p- en de f- in het
tegenwoordige Nederlandsch afzonderlijke phonemen zijn. Om dit voor f nog eens
te bevestigen dient het tweede lijstje. Wel is waar zijn de f-woorden alle
betrekkelijk jonge vreemde woorden, maar daarom hebben wij hier het derde
lijstje aan toegevoegd, met -p en -f, waar de -f woorden bijna alle echt
Nederlandsch zijn.
| (13) t : s | (14) s- : - | (15) -t :
-s |
| tier-en : + sier-en | spier : pier | knut :
knus |
| tusschen : + sus-sen | spook : pook | + plat
: plas |
| teef : + safe | smalen : malen | lot :
los |
| tand : + sant | smaad : maat | pad : +
pas |
| tik : + sik | be-snijd-en : be-nijd-en | dut :
dus |
| taai : + saai | snavel : navel | biet :
bies |
| + tasch : + sas | staak : taak | roet :
roes |
| tol-len : + sol-len | stuk : tuk | rat :
ras |
| tel-len : + cel-len | slang : lang | maat :
maas |
| + tent : + cent | slap : lap | wijd :
wijs |
Alhoewel de s + vocaal-woorden allemaal jonge leenwoorden zijn,
moeten wij toch om de twee volgende lijstjes t en s beide als phonemen voor het
tegenwoordige Nederlandsch aanvaarden. | | | |
| (16) -k : -ch | (17) -f : -s | (18) -s :
-ch | (19) -f : -ch |
| lak : lach | af :
as | vlas : vlag | laf : lach |
| dak :
dag | kaf : kas | wis : wig | af : ach |
| boek
: boeg | of : os | los : log | of : och |
| nok
: nog | gif : gis | kus : kuch | + slaaf :
slaag |
| zaak : zaag | bof : bosch | ros :
rog | drijf : dreig! |
| steek : steeg | lief :
lies | waas : waag | stijf : steig! |
| vaak :
vaag | loof : loss | lees! : leeg | lief :
lieg! |
| stuk : stug | graf : gras | + les :
leg! | lof : log |
| wiek : wieg | draf :
dras | zes : zeg! | loof : + loog |
| vlak :
vlag | rijf : reis | esch : eg | staaf : staag |
Ook de k en ch zijn afzonderlijke phonemen. De drie volgende
lijstjes bevestigen dit nog eens voor de drie stemlooze glijders. Alleen merk
ik nog even op, dat de ch- in het begin der woorden alleen voorkomt in
Grieksche woorden als chaos, chemie, chiasme, chiliast, chimaere, chloor,
cholera, chroom, chromatisch, enz. waarnaast natuurlijk geen lijstje van
parallellen met een ander phoneem te vinden zijn.
| (20) v : b | (21) v : - |
| vak :
bak | vijl : ijl |
| van : ban | vrank :
rank |
| vit-ter : bitter | visch : is |
| vier
: bier | +vaas : aas |
| vaal : +baal | vedel :
edel |
| vloed : bloed | vaak : aak |
| veer :
beer | vrede : rede |
| voor : boor | vrij-en :
rij-en |
| vaart : baard | vrij : rij,
rei |
| vrij-en : brei-en | voort : oord |
Ook de v en b zijn dus afzonderlijke phonemen. Cf. lijst (3)
| (22) z : d | (23) z : - |
| zier :
dier | zwaai-en : waai-en |
| zeur : deur | zweet-en :
wet-en |
| zing-en : ding-en | zwerk :
werk |
| zij : dij | zwijn : +wijn |
| zeel :
deel | zwak : wak |
| +zak : dak | zwerv-en :
werv-en |
| zag-en : dag-en | zuil :
uil |
| zoem-en : doem-en | zaak : aak |
| zoom
: doom | zeven : even |
| zak-en : dak-en | zijg-en :
eigen |
| | | |
Ook de d en z zijn afzonderlijke phonemen. Cf. lijst (6)
Hier zouden wij de lijstjes (7) en (9) opnieuw kunnen afdrukken.
Hieruit besloten wij echter reeds hierboven dat k- en g- afzonderlijke phonemen
zijn.
| (24) f : v | (25) v : z |
| + faam :
vaam | vacht : zacht |
| + fier : vier | veil :
zeil |
| fat : vat | vier : zier |
| + fee :
vee | vat : zat |
| + feest : veest | vee :
zee |
| + frees : vrees | vaal : zaal |
| +
feil : veil | veer : zeer |
| + frisch : versch | vak
: + zak |
| + fit-ter : vit-ter | vaag :
zaag |
| + fel : vel | voet : zoet |
Uit dit eerste lijstje volgt dat f en v afzonderlijke phonemen zijn.
Het volgende lijstje bevestigt dit, evenals (17) en (19).
| (26) s : z | (27) z : g | (28) v :
g |
| + sier : zier | zier : gier | veil :
geil |
| + seef : zeef | zeef : geef | veer :
geer |
| + sonde : zonde | zeel : geel | vaart :
gaard |
| + ver-sag-en : ver-zag-en | zeil :
geil | val : gal |
| + sein : zijn | zeur :
geur | voor : goor |
| + ceel : zeel | zij :
gij | veest : geest |
| + sus-sen : zus-sen | zeer :
geer | vat : gat |
| + sant : zand | zoet :
goed | vouw : gouw |
| + sag-en : zag-en | zode-n :
god-en | veel : geel |
| sul-len : zul-len | zeven :
gev-en | vuur : guur |
Ook de s en de z zijn afzonderlijke phonemen. Een bevestiging geven
(17) en (18).
De ch- komt in het begin der Nederlandsche woorden niet voor.
Chloor: gloor is een uitzonderingsgeval. Uit de lijstjes (16), (18) en (19)
blijkt de ch echter reeds een phoneem te zijn; terwijl de g als phoneem reeds
door de lijstjes (7) en (9) bewezen is en nu door lijstje (28) ten overvloede
wordt bevestigd.
| (29) v : m | (30) -: m | (31) b :
m |
| vuur : + muur | aar : maar | baar :
maar |
| vaan : maan | aak : maak | berrie :
merrie |
| voer : moer | oor : + moor | baken :
mak-en |
| | | |
| veel : meel | + uur : + muur | + boot :
moot |
| vat : + mat | uil : muil | bee :
mee |
| vuil : muil | aal : maal | bijt :
mijt |
| vet : met | op : mop | bouw :
mouw |
| vol : mol | aan : maan | bier :
mier |
| vee : mee | in : min | best :
mest |
| vast : mast | eer : meer | buur : +
muur |
Ook tusschen de v en de m is dus blijkens het eerste lijstje in het
Nederlandsch een phonologisch functie-verschil. Door de beide volgende lijstjes
wordt het phoneem-zijn der m nog ten overvloede bevestigd.
| (32) z : n | (33) - : n | (34) d :
n |
| zaad : naad | eer : neer | daad :
naad |
| zier : nier | aar : naar | dier :
nier |
| zog : noch | och : noch | daar :
naar |
| zak-en : nak-en | acht : nacht | doch :
noch |
| zicht : nicht | even : neven | dok :
nok |
| zeer : neer | eigen : neig-en | dood :
nood |
| zavel : navel | oord-en : noorden | dek :
nek |
| zode : noode | is : + nis | dop-jes :
nop-jes |
| zacht : nacht | ooit : nooit | doop-en :
nop-en |
| zeven : neven | iemand : niemand | dak-en :
nak-en |
Ook tusschen de z en de n is dus in het Nederlandsch een
phonologisch functieverschil, de n als phoneem wordt door de twee volgende
lijstjes opnieuw bewezen.
| (35) ch : ng | (36) n : ng | (37) k :
ng |
| stag : stang | ban : bang | bak :
bang |
| log : long | span : spang | lok :
long |
| lach : lang | van : vang | wak :
wang |
| slag : slang | wan : wang | zak :
zang |
| gezag : gezang | men-nen : meng-en | lek :
leng |
| gedrag : gedrang | en : eng | zwak :
zwang |
| toch : tong | zin-nen : zing-en | tak :
tang |
| ver-leg-gen : ver-leng-en | ton : tong | vak
: vang |
| + zich : zing! | vin : ving | lak :
lang |
| rog : rong | zon : zong | slak :
slang |
Ook de ch en de ng zijn in het Nederlandsch dus volgens het eerste
lijstje afzonderlijke phonemen. Ten overvloede voegen wij hier nog de twee
volgende lijstjes aan toe. | | | |
| (38) n : m | (39) m : ng |
| neer :
meer | stam : stang |
| noord : moord | lam :
lang |
| nacht : macht | tam : tang |
| nood :
moot | zwam-mer : zwanger |
| nuf : muf | ham-men :
hang-en |
| naai-en : maai-en | strem-men :
streng-en |
| nijd : mijt | tem-mer :
tenger |
| naar : maar | emmer :
eng-er |
| nak-en : mak-en | immer :
vinger |
| nauw : mouw | bom : bang |
Ook tusschen n en m, en tusschen m en ng is er dus in het
Nederlandsch een phonologisch onderscheid, al wijst de onvoltalligheid van de
lijstjes 36 en 39 op de zwakke frequentie der ng.
| (40) r : l | (41) - : r | (42) - :
l |
| reus : leus | oven : roov-en | eng :
leng |
| rauw : lauw | eigen : rijg-en | is :
lis |
| rok : lok | is : ris | eer :
leer |
| riet : lied | aak : raak | aars :
laars |
| rood : lood | aar : raar | ach :
lach |
| rek : lek | uil : ruil | even :
lev-en |
| rib : lip | op : rob | adder :
ladder |
| rap : lap | uit : ruit | open :
loop-en |
| rust : lust | iet : riet | over :
loover |
| rijm : lijm | eisch : reis | uit : +
luit |
Ook de r en de l zijn dus in het Nederlandsch afzonderlijke
phonemen.
| (43) h : g | (44) h : - |
| haar :
gaar | haar : aar |
| heer : geer | heer :
eer |
| heen : geen | heen : een |
| hij :
gij | hei : ei |
| + hal : gal | hof :
of |
| houd! : goud | helft : elft |
| hoor! :
goor | hoor-en : oor-en |
| huid : guit | huid :
uit |
| haas : + gaas | haas : aas |
| heel :
geel | hel : el |
Ook de h is in het Nederlandsch een afzonderlijk phoneem. | | | |
Wij hebben hiermee in eersten aanleg de medeklinker-phonemen
afgewerkt en richten ons nu naar de klinkers, waarbij ook geleidelijk de w en
de j ter sprake komen.
| (45) a : aa | (46) a : e | (47) aa :
ee |
| tak : + taak | bast : best | vaal :
veel |
| al : aal | var : ver | kaal :
keel |
| + zak : zaak | man : men | maar :
meer |
| tal : taal | van : ven | baar :
beer |
| ram : raam | val : vel | staa-n :
steen |
| man : maan | hal : hel | gaa-n :
geen |
| rap : raap | stam : stem | baan :
been |
| was : waas | ram : rem | vaam :
veem |
| kram : kraam | dak : dek | zamel-en :
zemel-en |
| + pal : + paal | mark : merk | + kaap :
keep |
De a en de aa zijn dus afzonderlijke phonemen, maar ook a en e,
evenals aa en ee.
| (48) o : oo | (49) a : o | (50) aa :
oo |
| pot : poot | dal : dol | graat :
groot |
| los : loos | val : vol | raad :
rood |
| rok : rook | pak : pok | raam :
room |
| kop : koop | be-drag : be-drog | baan :
boon |
| ros : +roos | ach : och | vaart :
voort |
| ton : toon | staf : stof | baard :
boord |
| vos : voos | as : os | aard :
oord |
| kol : kool | vat : vod | gaar :
goor |
| lot : lood | tap : top | daar :
door |
| jol : jool | stap-pen : stop-pen | baar :
boor |
Ook de o en de oo zijn elk een phoneem, maar ook a en o, evenals aa
en oo.
| (51) e : ee | (52) e : o | (53) ee :
oo |
| vel : veel | vel : vol | beer :
boor |
| schel : scheel | vet : vod | leen :
loon |
| hel : heel | esch : os | been :
boon |
| + bek : beek | wel : wol | keel :
kool |
| wet : weet | stem : stom | veer :
voor |
| ven : veen | hel : hol | beet :
boot |
| mes : mees | dek : dok | keep :
koop |
| het : heet | + les : los | steek! :
stook! |
| en : een | mes : mos | leef! :
loof |
| ver : veer | + pet : pot | leeg :
loog |
| | | |
Ook de e en de ee zijn beide phonemen, maar ook e en o, en ee en oo
zijn beide phoneemparen.
| (54) i : ie | (55) e : i | (56) ee :
ie |
| rit : riet | mes : mis | vleet :
vliet |
| kil : kiel | stel : stil | leed :
lied |
| zin : zie-n | ge-bed : ge-bit | neet :
niet |
| kim : kiem | schel (adj.) : schil | reet :
riet |
| wil : wiel | + pek : + pik | reek :
riek |
| lid : lied | weg : wig | greep : +
griep |
| visch : vies | ven : vin | sleep :
sliep! |
| tin : tien | en : in | beer :
bier |
| wig : wieg | tel-len : til-len | meer :
mier |
| schril : schriel | bel : bil | + peer : +
pier |
Eveneens de i en de ie, de e en de i, en de ee en de ie.
u: uu
geen correlatieparen, wat begrijpelijk is door de klankwetten; zie
echter u: i (57) en o : u (64)
| (57) u : i | (58) uu : ie |
| + put :
pit | buur : bier |
| dut : dit | + muur :
mier |
| lust : list | guur : gier |
| kust : +
kist | stuur : stier |
| lucht : licht | vuur :
vier |
| musch : mis | huur : hier |
| schup :
schip | zuur : zier |
| vul-len : vil-len | schuur :
schier |
| bul : bil | duur : dier |
| gul :
gil | + kuur : kier |
Ook de u en de uu, de u en de i evenals de uu en de ie zijn
afzonderlijke phonemen, al komen er geen u-: uu-paren voor.
| (59) ee : eu | (60) oo : eu | (61) eu :
uu |
| geer : geur | + roos : reus | keur : +
kuur |
| geel : geul | boord : beurt | deur :
duur |
| leen-en : leun-en | goor : geur | zeur :
zuur |
| lez-en : leuz-en | doog-en : deug-en | beurt
: buurt |
| kreek : kreuk | ver-hoog-en :
ver-heug-en | leur : luur |
| beek : beuk | hol-en :
heul-en | heur : huur |
| heel : heul | + pool :
peul | steur : stuur |
| ber-en : beuren- | + zol-en :
zeul-en | leur : lur-en |
| der-en : deur-en | +
krone-n : kreun-en | scheur : schuur |
| sprek-en :
spreuk-en | ge-popel : + ge-peupel | geur : guur |
Ook de eu is een afzonderlijk phoneem dat hoort in de rij van oo en
ee. | | | |
| (62) oo : oe | (63) oe : uu | (64) o :
u |
| + pool : poel | boer : buur | mot : +
mud |
| boor : boer | moer : + muur | pot : +
put |
| dool : doel | stoer : stuur | dot-je :
dut-je |
| room : roem | voer : vuur | schot :
schut |
| zoon : zoen | hoer : huur | bosch : +
bus |
| kool : koel | + koer : + kuur | los : +
lus |
| mooi : moei | schoer : schuur | mof :
muf |
| voor : voer | loer-en : lur-en | stof : +
stuf |
| boog : boeg | + oer : + uur | dof :
duf |
| kroos : kroes | + toeren : tur-en | tocht :
tucht |
Ook de oe is een afzonderlijk phoneem, dat hoort in de rij van uu en
oe.
| (65) ò : ó | (65a) stomme
e |
| dòl (adj.) : dól (subst.) | + abele : +
abeel-en |
| dòl-der (comp.) : Den Dólder | +
kade : + cadeau |
| 'n vòl-len : vól-len
(ww.) | schade : schadu(w) |
| (beker) | neger-en :
negee-ren |
| vòl-ler (comp.); : vól-ler
(beroep) | bedel-en : dedee-len |
| tòd :
tót | kant-el-en : kanteel-en |
| bòt :
bód | krakel-ing : + krakeel-ing |
| òpperen :
ópperen (plan) | + pieker-en : +
piqueer-en |
| vòrt(voort) : fórt
(wind) | tale : + talie |
| tòr (kever) : tór
(dial. voor dor) | male : + malie |
Alhoewel lijstje 65 in de uitspraak der Oost-Nederlanders een
phoneem-verschil zou kunnen bewijzen, is hieromtrent geen eenheid over het
heele land en daarom is er in het Algemeen Nederlandsch dus geen phonologisch
verschil tusschen ó en ò, maar zijn beide slechts facultatieve,
en deels combinatorische, varianten van een en hetzelfde phoneem. Algemeen
Nederlandsch is toch: trouw de o voor nasalen als ò uit te spreken.
8. Van de Nederlandsche enkelvoudige klinkers ontbreekt nu alleen
nog de zoogenaamde ‘stomme e’. Wij zullen later zien dat deze klank
oorspronkelijk slechts een rythmische zins-variant is van alle mogelijke andere
vocaalphonemen. In tallooze gevallen (65a) echter is deze phonetische variatie
tot een afzonderlijk phoneem geworden, dat echter veel meer morphologische dan
lexicale beteekenis heeft, en dus pas later in de morphonologie uitvoerig
behandeld, maar hier toch even moest aangekondigd worden. Wpordvormend zijn
alleen de nominale paren waard: waarde, koud: koude en misschien ook nog groot:
grootte. | | | | Maar een aller- gewichtigst morphoneem blijkt de -e in de
declinatie en conjugatie, denk maar spot(nomen): spotten (verbum), ik spot: wij
spotten, hij spot: hij spotte, een pak: twee pakken, groot: de groote enz.
9. Bij twijfelachtige gevallen, als men geen volledige lijstjes
vinden kan en er dus kans is, dat men met toeval of een geconditioneerde
phonetische realisatie te doen heeft, moet men het pro en contra afzonderlijk
onderzoeken.
Pro phoneem-verschil geldt dan 1o. deze proef: Spreek een
woord opzettelijk met deze fout uit en zie hoe de taalgemeenschap daarop
reageert. Als ze nu zeggen: dat is zoo niet onze taal; of zeggen, dat is een
ander dialect of zeggen: dat is fout of: dat moet je afleeren, of als ze boos
worden; dan is het een phonologische tegenstelling. Zeggen ze daarentegen: dat
kun je ook zeggen, of: dat maakt geen verschil, of: dat merken we zelfs niet
op, dan is het een irrelevante phonetische realisatie. Deze proef bewijst dat
de velare L en R in het Nederlandsch slechts irrelevante phonetische variaties
der l en r zijn; en dat dus het velare of het dentale element niet tot de
Nederlandsche phonemen r of l behooren. Een tweede pro-phoneem argument is het
morphoneembewijs. Zie nr. 8.
Een 3de pro-phoneem-argument, dat echter heel voorzichtig moet
gebruikt worden, is voor talen die geschreven worden: dat het twijfelachtig
phoneem in het schrift trouw van de andere varianten of phonemen wordt
onderscheiden.
Contra phoneem-verschil geldt vaak: 1o. de aanwijzing van
de conditie, waaronder deze phonetische realiseering optreedt, b.v. ò
voor nasalen en in de omgeving van labialen, of de palatale n van oranje voor
een j. Maar let goed op, dat er ook gevallen zijn, dat een bepaalde
phonologische tegenstelling alleen in bepaalde condities mogelijk is. Zoo is
b.v. de stemdifferencieering der medeklinkers niet mogelijk op het einde van
het woord en toch is dit elders wel degelijk een phonologische
tegenstelling.
Contra phoneem geldt soms: 2o. een groote contra-lijst
met gevallen, dat dit twijfelachtig phonologisch verschil, ook in vele
woordparen zonder beteekenisverschil voorkomt. Zoo b.v. bij de ò en
ó in het Nederlandsch.
Ten slotte passe men in woordarme dialecten om het gevorderde
lijstje van tien paren aan te vullen, deze hulpmethode toe: dat men woorden
naast elkaar zet, die behalve de tegenstelling waar het over gaat, ook nog
éen of hoogstens twee andere tegenstellingen vertoonen, nadat men tevens
door de proef heeft vastgesteld, dat als men in deze | | | | woorden het
phoneem in questie verwisselt, dit door de spraakmakende gemeente eenstemmig
als fout wordt gelaakt. Zie b.v. reeds lijstje (39).
Om b.v. verder de tegenstelling: stemlooze en stemhebbende labiale
ploffer in het midden van een woord te bewijzen, vind ik in het Algemeen
Nederlandsch, als wij niet tot heef zeldzame woorden onze toevlucht willen
nemen, slechts dit lijstje:
| 1. slobben : sloppen |
| 2. schubben: schuppen |
| 3. tobben : toppen |
| 4. snebben : sneppen |
| 5. slabberd : slapperd |
Wij vullen dat nu aan met de volgende voorbeelden die nog
één ander phoneem verschillen:
| 6. webben : reppen |
| 7. ebben : meppen |
| 8. ribben : kippen |
En nu nemen wij ten slotte onze toevlucht tot de volgende
voorbeelden met twee andere phoneem-verschillen:
| 9. ribbel : stippel |
| 10. dubbel : knuppel |
| 11. kribbe : wippen enz. |
10. Voor de diphtongen moeten wij altijd nauwkeurig onderzoeken of
zij uit één of twee phonemen bestaan. En daartoe helpt de regel
van het afzonderlijk voorkomen
1),
die luidt als volgt: Komen het beginen het eind-element van zoo'n diphtong
beide ook elders los van elkander als phoneem voor, dan bestaat ook de diphtong
uit twee phonemen. Zoo komen de aa, oo en oe van haai, hooi, boei ook voor in
aap, ook en boek, de ie, ee en uu van nieuw, eeuw en uw komen ook voor in vies,
leef en uur. En de twee laatste elementen -uw en -i komen dus ook elk in drie
verschillende diphtongcombinaties voor. Maar het begin-element van ui komt
nergens anders in onze taal voor, het is niet de u van dun, noch de eu van
deun, noch de o van bòk, noch de ó van hond. Ook is het
begin-element der ei en het begin-element der ou: iets aparts; wat trouwens de
glyphen van de phonograaf of de grammophoon heel duidelijk bewijzen. Trouwens
de beste Nederlandsche phonetici, als wijlen Prof.
R.C. Boer, meenen, dat in gesloten silben, deze drie
diphtongen al volkomen monophtong zijn. Wat hiervan zij, | | | | zeker is
het, dat wij in het Algemeen Nederlandsch dus naast de zes genoemde diphtongen
aai, ooi, oei, eeuw, ieuw, uw, die uit twee phonemen bestaan, ook drie
diphtongen ui, ei en ou hebben die slechts uit één phoneem
bestaan.
| (66) ei : ui | (67) ei : ee | (68) ui :
eu |
| lij : lui | wijs : wees | buik :
beuk |
| brij : brui | bijt : beet | luik :
leuk |
| rij : rui | bij : bee | schuit :
scheut |
| tij : tui | mij : mee | tuit-en :
teut-en |
| ei : + ui | zij : zee | luis :
leus |
| bijt : buit | rij : ree | luid :
leut |
| seis : suis! | vijl : veel | vuil :
veul |
| geit : guit | heil : heel | huig :
heug |
| pij : pui | meis-je : mees-je | kuisch :
keus |
| hij : hui | beide : bede | huil-en :
heul-en |
| (69) ei : ie | (70) ui : uu |
| +
wijn : wien | ui : uw |
| dijn : dien | hui :
hu! |
| zij : zie! | rui : ruw |
| bijt :
biet | kuisch : kuus! |
| geit-en : giet-en | spuien :
spuwen |
| leid-en : lied-en | lui :
luw |
| beid-en : bied-en | |
| wijd-en
: wied-en | |
| zijd-en :
zied-en | |
| nijd : niet | |
de uu is alleen voor -r een frequent voorkomend phoneem.
De ei en de ui zijn dus afzonderlijke phonemen.
| (71) ui : ou | (72) ou : oo | (73) ou :
oe |
| lui : lauw | vrouw : vroo(lijk) | goud :
goed |
| bui : bouw | nou : noo(de) | hout :
hoed |
| rui-en : rouw-en | bout : boot | behoud! :
behoed! |
| ui-tjes : oud-jes | schout :
schoot | bout-en : boet-en |
| buit : bout | goud :
goot | mout : moed |
| schuit : schout | stout :
stoot | woud-en : woed-en |
| guit : goud | hou :
ho! | zout : zoet |
| huid : hout | mout :
moot | + smous : smoes |
| stuit : stout | goud-en :
god-en | kou : koe |
| zuid : zout | zou :
zoo | mouw : moe |
Ook de ou is één afzonderlijk phoneem. | | | |
| (74) -i- : r | (75) - : -i | (76) - :
-uw |
| moei : moer | zoo : zooi | mee :
meeuw |
| mooi : moor | na : naai! | wee :
weeuw |
| maai! : maar | ga! : gaai | zee :
zeeuw |
| naai! : naar | dra : draai | slee :
sleeuw |
| roei! : roer | roe : roei! | u :
uw |
| paai : paar | ma : maai! | nie(t) :
nieuw |
| gaai : gaar | pa : paai | ree :
reeuw |
| nooit : noord | nood : nooit | schree :
schreeuw |
| boei : boer | ge-boet : ge-boeid | snee :
sneeuw |
| ooi : oor | gemoed :
ge-moeid | |
Alhoewel er geen correlatieparen zijn tusschen -i en -uw, omdat zij
beide uitsluitend achter andere klinkers voorkomen, zijn zij toch elk in al
deze diphtongen een afzonderlijk phoneem, wat uit de voorafgaande en volgende
lijstjes met volkomen zekerheid blijkt:
| (77) -uw : r | (78) l : -i | (79) -l :
-uw |
| leeuw : leer | zool : zooi | meel :
meeuw |
| geeuw : geer | zaal : zaai! | zeel :
zeeuw |
| weeuw : weer | ge-draal : ge-draai | geel :
geeuw |
| eeuw : eer | paal : paai | ver-niel-en :
ver-nieuw-en |
| nieuw : nier | boel : boei | kiel :
kieuw |
| uw : uur | moel :
moei | |
| luw : luur | maal :
maai! | |
| kieuw : kier | kool :
kooi | |
| duw : duur | kaal :
kaai | |
| schuw-en : schur-en | dool :
dooi | |
De -uw op het einde is dus een betrekkelijk zeldzaam phoneem.
| (80) -i : -g | (81) -uw :
-f |
| looi-en : logen | schreeuw :
schreef |
| vermooi-en : ver-mogen | leeuw :
leef! |
| maai! : maag | zeeuw-en :
zeven |
| boei : boeg | weeuw : weef! |
| ooi :
oog | hij hieuw : hij hief |
| draai-en :
drag-en | geeuw-en : gev-en |
| tooi :
toog | sneeuw-en : snev-en |
| zaai-en :
zag-en | reeuw : reef |
| zooi-en :
zoog-en | |
| vlaai : vlaag | |
| | | |
11. Voor de half-klinkers die in onze algemeen Nederlandsche taal
alleen als tweede element der diphtongen en de half-medeklinkers j en w die
alleen in stam- of suffix-anlaut voorkomen, moeten wij den regel der bestendige
plaatsvervanging toepassen: Als van twee nauwverwante klanken de eene altijd op
de ééne plaats en de andere altijd op de andere plaats voorkomt,
en nooit omgekeerd, dan gelden beide taalklanken als vaste plaatsvervangers, en
vereenigen zich in het taalbewustzijn tot één enkel phoneem. De
j- en de -i vormen in het Algemeen Nederlandsch dus slechts één
phoneem. Evenzoo zijn de w- en de -uw voor ons taal-gevoel één en
hetzelfde phoneem. De j- is dus een vaste omgevingsvariant van de -i en de w
van de u. Zoo bestaat het woordje ‘ja’ uit dezelfde phonemen als
‘aai’, maar in omgekeerde volgorde, en de vorm ‘wien’
bevat dezelfde drie phonemen als het woord: ‘nieuw’, maar weer
juist in omgekeerde volgorde. De overgang van -uw in w en van -i in j hooren
wij ook hier weer vooral duidelijk, als op deze diphtongen een silbe met stomme
e volgt zoo nieu: nieu-we, fraai- fraai-je.
Dit voelde de 17de eeuwer nog duidelijker dan wij, en toonde dit in
zijn spelling door niet alleen naar analogie van eeuwen, nieuwe en luwen, eeuw,
nieuw en luw (gelijk wij nog doen) met een -uw maar ook kooij, fraeij en boeij
naar analogie van kooi-jen, fraei-je en boei-jen met -ij te schrijven.
| (82) w- : j- | (83) - : w- | (84) - :
j- |
| wij : jij | ei : wij | aar :
jaar |
| waar : jaar | aar : waar | acht :
jacht |
| wacht : jacht | acht : wacht | as :
jas |
| wagen : jag-en | as : was | ap-en :
jap-en |
| wak : jak | ap-en : wapen | ei :
jij |
| was : jas | oud : woud | uk :
juk |
| wegens : jegens | even : wev-en | Urk :
jurk |
| wicht : jicht | erven : werv-en | open :
jop-en (baom) |
| wol : +jol | aan : waan | akker-en :
jakker-en |
| woel-en : joel-en | ijl-en :
wijl-en | |
| (85) m : w- | (86) v: w- | (87) g :
j- |
| macht : wacht | vier : wier | gaar :
jaar |
| mier : wier | veer : weer | ga :
ja |
| meer : weer | vijl : wijl | gap-en :
jap-en |
| + mijl : wijl | vel : wel | + gas :
jas |
| moord : woord | vijf : wijf | + gam : +
jam |
| maag : waag | vet : wet | + gok-ken :
jok-ken |
| | | |
| met : wet | val: wal | god-en : +
jod-en |
| meen-en : ween-en | vol : wol | + gong :
jong |
| man-en : wan-en | vat : wat | + gool :
jool |
| mat : wat | vee : wee | + gurk :
jurk |
Ook tusschen de w- en de j- is er in het begin der woorden dus een
phonologisch verschil, maar de beide paren -i en j-, -u en w- vereenigen zich
met elkander als bestendige variaties voor het begin en het einde der woorden
tot één phonemen-paar.
12. Maar hoe zit het dan met de -i, die wij vaak hooren achter zee
en knie op het einde van den zin, en vooral in zeeën, knieën? En hoe
staat het met de -u die wij vaak hooren achter zoo op het einde van den zin, en
heel duidelijk voor een stomme e in zooën schrale en toeë oogen? Het
antwoord luidt: Juist als de ui-, ei- en ou- met duidelijk hoorbaar tweede
element in bui, lei en nou niets dan combinatorische varianten of
Auslautsvariaties zijn van de ui, ei en ou in huis, weit en boud; zoo is ook de
eei-, eui- en iei-, de oou en de oeu in de genoemde gevallen niets anders als
een phonetische realiseering der phonemen ee, eu, ie, oo en oe, die in vrees,
reuk, ziek, rook en zoet zonder hoorbaar i- en u-element gerealiseerd
worden.
13. Maar dan rijst ook de vraag of de -f en de v- wel afzonderlijke
phonemen zijn; en de -s en de z-, en de -ch en de g-? Want het is een feit dat
de f-, s- en ch- nooit aan het begin van echt-Nederlandsche woorden voorkomen;
en dat de -v, -z en -g nooit op het einde der woorden voorkomen. Zijn dus ook
deze drie paren van glijders elk slechts bestendige plaatsvervangers van
elkaar, en dus telkens slechts twee variaties van eenzelfde phoneem? En komt er
dan de stemhebbendheid of de stemloosheid voor het phoneem niets op aan; maar
dient het verschil der letters alleen om de implosie van de explosie te
onderscheiden, juist als bij de i- en j, en de u- en w?
Hiervoor is inderdaad veel te zeggen en historisch is het zoo ook
zeker bij een groot deel van ons volk geweest, en daarnaar heeft zich in
verschillende punten ook onze spelling geregeld. Als wij dus de zaak
geïsoleerd en van puristisch standpunt beschouwen, moeten wij deze
conclusies laten gelden. Maar daar het hier ons doel is, onze Algemeen
Nederlandsche taal juist met de verschillende Nederlandsche dialecten van
tegenwoordig te vergelijken, moeten wij het Algemeen Nederlandsch objectief
nemen, gelijk het nu eenmaal is, en er althans de leenwoorden bijnemen, die de
spraakmakende gemeente als eigen en volwaardig Nederlandsche termen met f- en
s- heeft aanvaard. Boven- | | | | dien zal later blijken, dat in het
Nederlandsch de optimale plaats der consonant-onderscheiding, niet het
woordbegin, noch het woordiende, maar het woordmidden is. Welnu, hier vinden
wij nu: oever naast oefenen, wijven naast weifelen, zuigen naast juichen,
suizen naast ruischen, ijzen naast eischen enz., en als wij hier de proef van
§ 9 toepassen en met opzet hier de stemlooze stemhebbend, en de
stemhebbende stemloos uitspreken, zegt de meerderheid toch nog: dat wij een
fout maken. En dan moet dus onze conclusie zijn: net als de b tegenover de p,
en de d tegenover de t staan, zoo verhouden zich ook de v : f = z : s = g : ch
en beschouwen wij deze 6 glijders voorloopig nog alle als phonemen; maar toch
als heel zwak gedifferencieerde phonemen die bijna alleen in den optimalen
Inlaut nog een differentieele functie kunnen uitoefenen.
| (88) -z- : -s- | (89) -v- : -f- | (90) -g- :
-ch- |
| ijzen : eischen | - - - - - - - - - -
- | logen : loochen |
| ijzel : IJsel | wijven :
weifelen | - - - - - - - - - - - |
| - - - - - - - - - -
- | + zuiver : huiver | buig-en : juich-en |
| boezem
: bloesem | ijver : + cijfer | wieg-el-en :
giechel-en |
| blazen : brasem | navel :
rafel | kogel-en : goochel-en |
| azen : asem | kavel
: + tafel | vlag-gen : lach-en |
| dwazen :
wasem | zwavel : wafel | liggen : richel |
| suizen :
bruisen | wuiven : luifel | dog-gen :
rochel |
| rijzen : krijschen | schuiven :
schuifelen | waggel-en : kachel |
| buizen :
kruisen | ruisen : ruifel | stug-ge :
buchel |
| wijzen : hijschen | rijven :
rijfelen | rogge : rochel |
Deze drie lijstjes bewijzen dus met (24) en (26) toch nog een
phonologisch verschil tusschen v en f, g en ch en s en z; maar hoe kort zal het
misschien nog duren, dat dit werkelijk algemeen is?
14. Maar nu komt ten slotte de vraag, of de gegemineerde
medeklinkers misschien ook afzonderlijke phonemen zijn. Ervóór
zou pleiten: dat wij voldoende lijstjes met gepaarde woorden kunnen bijbrengen,
die op schrift althans slechts in dien enkelen en dubbelen medeklinker
verschillen: zoo als b.v. zakken en zaken, verslappen en verslapen; wetten en
weten. Maar bij het hooren verschillen die woorden ook door den gedekten en
ongedekten vocaal. En dat pleit er dus tegen. Daar echter het karakteristieke
attribuut der gedekte vocalen juist in de hoorbare implosie van den volgenden
medeklinker bestaat, zouden wij toch deze paren voor de phonologische
tegenstelling van enkelen en dubbelen medeklinker kunnen laten gelden. En voor
het bewijs dat ook de gedekte en ongedekte klinkers phonemen zijn, mochten wij
dan | | | | alleen eenlettergrepige woorden als : zak : zaak, slap : slaap,
wet : weet gebruiken, gelijk wij dat trouwens hierboven steeds hebben gedaan.
Daar echter de groote meerderheid der tegenwoordige Nederlanders het phonetisch
verschil tusschen den enkelen en den dubbel geschreven medeklinker niet meer
waarneemt, en het verschil van woorden als zaken en zakken geheel en al naar
den klinker heeft verlegd, moeten wij voor het tegenwoordige Algemeene
Nederlandsch van de in het schrift nog altijd verdubbelde consonanten als
afzonderlijke phonemen afzien.
Dat het zoover gekomen is, moet echter een vrij recente ontwikkeling
zijn, en wij mogen er ons dus op voorbereid houden, dat niet al onze dialecten
dezen overgangsstap reeds gedaan hebben.
15. Wij hebben dus in het Algemeen Nederlandsch:
| 7 ongedekte klinkerphonemen: aa, ee, oo, eu, uu, ie, oe. |
| 3 ongedekte tweeklankphonemen: ei, ui, ou. |
| 5 gedekte klinkerphonemen: a, e, o, i, u. |
| 2 halfklinkerphonemen -i, j- en -u, w- met verschillend letterteeken
voor aan- en afloop. |
| 1 ongeaccentueerde ongedekte afloopklinker, de stomme e, die vooral
als morphoneem heel belangrijk is. |
| 3 scherpe plofferphonemen: p, t, k. |
| 2 zachte plofferphonemen: b, d. |
| 3 scherpe glijder-phonemen: f, s, ch {misschien moeten deze
paren |
| 3 zachte glijderphonemen: v, z, g {nu reeds samenvallen. |
| 3 nasaalphonemen: m, n, ng. |
| 2 liquidaphonemen: l, r. |
| 1 afloop-medeklinker-phoneem: h. |
|
| 35 Nederlandsche phonemen. |
16. Wie zich echter meer op puristisch standpunt stelt, behoeft
slechts 32 echt-Nederlandsche phonemen te aanvaarden. En wij hebben van de
toekomstige ontwikkeling af te wachten, of het schielijk toenemende samenvallen
der drie paren van glijderphonemen misschien dit purisme toch niet als de
diepere taaltendenz in het gelijk zal stellen. Wij komen hier bij de bespreking
der phonologische correlaties nog op terug.
Nijmegen, 10 Januari 1934.
Jac. van Ginneken
| | | | | |
Het phonologisch systeem van het Algemeen Nederlandsch
‘Nun habe ich die Teile in der Hand, es fehlt mir nur das
geistige Band’ zoo moet de lezer verzucht hebben, toen hij aan het einde
onzer optelling der Nederlandsche phonemen gekomen was. Welnu, dit innig
geestelijk verband tusschen al die afzonderlijke phonemen zal nu duidelijk naar
voren komen in de structuur van het phonologisch systeem.
1. De phonemen zijn toch, gelijk
de Saussure zeide, vóór alles ‘des
entités différenciatrices’, waardoor wij de verschillende
woorden van elkander onderscheiden. Maar waarop gaat nu ten slotte het
onderling verschil der phonemen zelf terug?
Op hun phonetische constitutie alleen? - Neen, want dan moest
hetzelfde phonetische element, b.v. een palatale a in alle phonologische
systemen der talen waarin deze a voorkomt, steeds op dezelfde plaats staan; en
dat is niet het geval. In sommige dier talen staat toch deze palatale a in den
top van het driehoek-systeem geïsoleerd, terwijl ze in andere talen een
velare a tot pendant heeft, en deze beide a's daar dus als een saamhoorig paar
aan het hoofd van het rechthoek-systeem prijken. Het phonologisch verschil
tusschen de phonemen hangt dus in laatste instantie van het grooter of kleiner
getal der in een taal onderscheiden disjuncte en correlatieve phonemen af. En
dit bewuste onderscheid is iets psychisch, niet iets phonetisch. Wij moeten nu
dus voor het Nederlandsch uit die 35 phonemen eerst de psychisch bijeenhoorende
paren bijeen zoeken. En wij beginnen daartoe met de klinkers.
2. Welnu, dan zien wij aanstonds een heele groep paren van
gedekte | | | | en ongedekte
1) klinkers aa : a = ee :
e = oo : o = ie : i = uu : u. Dat zijn dus 5 parallelle phonologische
tegenstellingen, of vijf correlatieparen. Het voorgaande phoneem is telkens een
ongedekte, en het volgende is telkens een gedekte klinker. En wat nu elk paar
gemeen heeft, noemen wij een archiphoneem. Zoo is de a een phoneem, en de aa
een phoneem, maar zij vormen samen het Nederlandsche archiphoneem AA. Derhalve
hebben wij nu reeds een systeem van 5 archiphonemen: AA, EE, OO, IE, UU, die
wij hier met hoofdletters schrijven. En dat dit geen louter abstracte of
secundaire maar reëele, psychische en primitieve grootheden zijn in ons
taalgevoel, zien wij hieruit, dat de beide onder elk archiphoneem
ressorteerende correlatieve phonemen voor ons taalgevoel volstrekt niet
gelijkwaardig zijn. Neem b.v. maar de proef en wijs in een tekst de een of
andere a aan en vraag aan wie gij wilt: welke letter is dat? Het antwoord zal
altijd luiden: ‘dat is een aa’, m.a.w. steeds zal ieder het
ongedekte phoneem noemen. Ook al wijst gij een gedekte a aan, zegt toch geen
enkele onbevooroordeelde: ‘dat is een a’ (met den gedekten klank);
maar steeds weer opnieuw ‘dat is een aa’. En zoo gaat het eveneens
met de e, de o, de i en de u, die wij ook in het alphabet altijd ongedekt
uitspreken. Hoe komt dat?
Wel, dat komt, omdat de ongedekte klinkers voor ons Nederlandsch
taalgevoel de primitieve of primordiale klinkers zijn, waar de gedekte klinkers
juist door de schielijke dekking van den volgenden medeklinker uit zijn
ontstaan. Het verschil tusschen den voorgaanden en volgenden term dezer
correlatieve paren berust dus telkens op de af-of aanwezigheid van
één positief karakteristiek attribuut: de dekking door een
medeklinker of het scherp afgesneden klinkeraccent.
Het archiphoneem valt dus praktisch heelemaal samen met den
attribuutloozen primitieven term, en het afgeleide phoneem is attribuutdrager
der gedektheid
2). Of om het nog eens anders te zeggen: de ongedekte klinker
aa bestaat uit één enkel phonologisch element: de aa; en de
gedekte klinker is dubbel of bestaat uit twee elementen (aa + dekking). Om het
belang hiervan duidelijker te maken vergelijken wij even het Latijnsche of
Oud-Germaansche klinkerstelsel die beide ook 10 vocaalphonemen in 5
correlatieve paren samenvatten a : â = e : ê = o : ô = i :
î = u : û. Hier bestaat echter het verschil tusschen den
voorgaanden en den volgenden term uit het karakteristiek attribuut | | | | der lange quantiteit. Het archiphoneem A valt hier dus samen met de
primitieve korte a. En de lange â is de secundaire attribuutdrager.
In het Latijn is de lange â dus dubbel en bestaat phonologisch
uit de korte a plus de lange quantiteit, maar in het Nederlandsch is het juist
omgekeerd. Bij ons is de gedekte a de dubbele, die phonologisch uit een aa plus
medeklinkerdekking bestaat.
En dat ook dit onderscheid tusschen primitief attribuutloos en
secundair attribuutdragend phoneem, geen abstractie maar een werkelijke
psychische realiteit is in het taalleven, zien wij uit de springende
klankovergangen in de taalgeschiedenis, als zoo'n attribuut wegvalt, gelijk wij
later nog uitvoeriger zullen aantoonen.
Met deze eerste correlatieve tegenstelling hebben wij nu de
voornaamste structuurwet van het Nederlandsche klinkersysteem gevonden. En wij
geven zoo'n correlatie voorloopig weer door een reeks van phoneemparen
verbonden door een pijltje dat van het met hoofdletters geschreven archiphoneem
naar het met kleine letters geschreven attribuut-dragend phoneem gaat.
| AA → a, EE → e, OO → o, IE → i, UU → u. |
Dit noemen wij nu gepaarde phonemen.
Iedereen ziet aanstonds, dat hier de gedekte Nederlandsche klinkers
natuurlijk allemaal aanwezig zijn. Maar van de ongedekte ontbreken er twee: de
oe en de eu, waaraan in het Algemeen Nederlandsch geen gedekte phonemen als
pendanten beantwoorden en daarom noemen wij deze twee klinkers: ongepaard.
1)
Dat de ongedekte klinkers meestal ook lang zijn, is in het Algemeen
Nederlandsche een irrelevante realisatie, die b.v. voor de r heel sterk
uitkomt, maar in andere gevallen alleen bij de aa, ee, oo en eu te merken is,
terwijl de ie, uu en oe van wege hun geslotenheid, behalve voor de r, steeds
kort worden uitgesproken. De lengte of kortheid der klinkers heeft dus in het
Algemeen Nederlandsch geen phonologische functie
2). Dat de gedekte klinkers behalve de
a met ruimer, en de ongedekte met nauwer mondopening worden uitgesproken en ook
meer spanning hebben, zijn eveneens irrelevante variaties, zij hebben in het
Algemeen Nederlandsch geen phonologische functie.
3. Maar er is nog een tweede correlatie bij de klinkers namelijk die
der autonome
3) lippenronding. Want ie : uu = ee : eu = ei : ui. Dat | | | | zijn dus weer drie gelijke phonologische tegenstellingen of
correlatieparen. En wat elk paar gemeen heeft, zijn ook hier respectievelijk de
archiphonemen IE, EE en EI. Ook hier is telkens het eerste lid voor ons
taalgevoel primair; en elk tweede lid doet ons taalgevoel aan als iets
afgeleids of gemengds. Het verschil tusschen beide paren berust dus ook hier
weer op het voorhanden zijn of het ontbreken van een positief klankattribuut:
het gevolg der lippenronding. De ie, ee en ei zijn dus weer de attribuutlooze
phonemen die samen vallen met het archiphoneem; en de uu, eu en ui zijn de
attribuutdragers der lippenronding. Wij zetten de parallelle geronde en
ongeronde klinkers dus ook hier in formuletjes bijeen.
| IE → uu, EI → ui, EE → eu. |
4. Rest nu nog een derde klinkercorrelatie, namelijk der
palataliseering. Zoo staan dus oe : uu = oo: eu = ou : ui. Ook hier ligt dus
het telkens gelijke verschil in de af- of aanwezigheid van een positief
klankattribuut: het palataliseeren. Ook hier omvatten de 3 archiphonemen OE, OO
en OU wat elk paar gemeen heeft. Ook hier is weer elk eerste lid voor ons
taalgevoel primair en attribuutloos en valt dus met het archiphoneem samen. Ook
hier is het tweede lid telkens de attribuutdrager der palataliseering. Wij
krijgen dus ook hier:
| OE → uu, OU → ui, OO → eu. |
5. Maar tegenover deze correlatieparen staan er nu ook
disjunctieparen gelijk b.v. 1o. ee : ie = eu : uu = oo : oe en
2o. ie : -i = oe : -uw. En wat is nu het verschil met de
correlatieparen? Wel: a. dat hier de beide leden van elk paar voor ons
taalgevoel volkomen gelijkwaardig zijn, en er geen primair of secundair lid te
onderscheiden valt; en b. dat ze beide absoluut enkelvoudig zijn, zoodat er
geen archiphoneem is, dat ze samen gemeen hebben, en hier dus voor ons
taalgevoel noch een attribuutloos lid uit één phonologisch
element bestaande, noch een attribuutdrager met dubbel phonologisch element te
vinden is. Ik zeg en herhaal: voor ons taalgevoel. Want de theoretische
phonetica zou hier nog wel raad mee weten, en het meest gesloten tweede lid
voor primair kunnen houden, en het dus voor archiphoneem verklaren; waarvan dan
in de eerste reeks met het klank-attribuut: ‘meer sonoriteit’ het
eerste lid zou worden afgeleid. Maar hiermee zouden wij de wetenschappelijke
zeer gerechtvaardigde abstracties der phonetica met psychologische realiteiten
in ons taalgevoel gaan verwarren. Immers met evenveel recht zouden wij dan ook
juist het omgekeerde kunnen | | | | volhouden, dat het meer open eerste lid
het primaire en dus archiphoneem was, waarvan door toevoeging van het
attribuut: ‘nauwere sluiting’ het attribuutdragend tweede lid zou
worden afgeleid.
6. Maar zijn deze disjuncte verhoudingen dan van geenerlei waarde
voor de phonologie? O zeer zeker, maar ze hebben hun eigen waarde: die van een
disjunctie; en dat is juist het omgekeerde van een correlatie. Een disjunctie
wil zeggen: het een of het ander en daarmee uit. De disjunctie heeft te doen
met echte psychische enkelheden of homogene eenheden voor ons taalgevoel.
Welnu, dat is nu de ee tegenover de ie, en de oo tegenover de oe; evenals de ie
tegenover de j-,-i en de oe tegenover de w-,-uw, voor het Nederlandsche
taalgevoel.
Andere disjuncte paren onder de klinkers zijn nog ei : ee = ui : eu
= ou : oo. En ten slotte is er nog de aa, die behalve met de a in geen enkel
verder paar past, en dus tegenover alle andere klinkers disjunct of
geïsoleerd is. Maar zoo staan ook b.v. tegenover elkaar de uu en de oo.
Probeer slechts een tweede parallelpaar te vinden, dat lukt niet. Want net als
de vergelijking aa : ee = aa : oo onwaar is, zoo is ook de vergelijking oo : uu
= ee : ie onjuist. Ten slotte hebben wij als geïsoleerd element nog de
stomme e die als zuivere afloop een disjuncte tegenhanger is van de gedekte
klinkers, die een zuivere aanloop zijn.
De correlatieparen zien er dus allemaal zoo uit: A : (a + p) = E :
(e + p) = O : (o + p) en dit bedoelen wij met AA → a, EE → e, OO
→ o. Maar disjuncte paren zien er uit als: a : b = = c : d = e : f
enz.
7. Hiermee zijn hu de eenvoudige phonologische correlaties en
disjuncties in onze Nederlandsche klinkers uitgeput, en voordat wij nu naar de
meer samengestelde groepeeringen overgaan, zal het nuttig zijn: al de hierbij
gebruikte termen even in definities vast te leggen.
Een phoneem is de kleinste phonologische eenheid, die als een
zelfstandig woorddeel voorkomt en kennelijk van een andere phonologische
eenheid verschilt.
Een archiphoneem is het gemeenschappelijk element in een paar
phonemen die samen een correlatie vormen.
Om samen een correlatie te vormen moet een paar phonemen nog
minstens één ander onafhankelijk phonemenpaar met precies
dezelfde verhouding naast zich hebben
1), en moet die
verhouding door het taalgevoel respectievelijk als het ontbreken en het
voorhanden zijn van één positief klankattribuut in twee overigens
gelijke phonemen beschouwd worden. Het archiphoneem valt dus altijd met een der
phonemen van | | | | een correlatiepaar samen. In alle andere gevallen is
de verhouding tusschen twee phonemen een disjunctie.
Zoo'n klankattribuut van een correlatie is dus een bewust element
van het phoneem, waarin het voorhanden is; en dus nog een kleinere
phonologische eenheid dan de phonemen zelf, maar het kan tusschen de andere
phonemen niet zelfstandig voorkomen
1).
Het phoneem dat met het archiphoneem samenvalt, heet ook het
attribuutloos, of het primair of het enkelvoudig phoneem, en het phoneem, dat
uit het archiphoneem plus het attribuut bestaat, heet de attribuutdrager, het
secundaire of het dubbele phoneem.
Men ziet, er zit zoo al heel wat muziek in die phonologische
verhoudingen, die alle geheel en al buiten de phonetiek omgaan, en uitsluitend
op het taalgevoel berusten.
8. Maar daar blijft het niet bij. Immers wij zagen het reeds, dat
één phoneem vaak deel neemt aan twee of meer nauwverwante
correlaties, en dat zijn onze twee laatstgenoemde van de autonome
labialiseering en de palataliseering. En dan vereenigen zich in ons taalgevoel
al de daarbij betrokken phonemen tot correlatie-kettingen
2), die
weer een merkwaardige structuur vertoonen. Zoo neemt in het eenvoudigste geval
slechts één lid van elk paar der eerste correlatie aan de tweede
correlatie deel. En zoo is het nu ook hier: de uu, eu en ui zijn in de beide
genoemde correlaties: de attribuutdragers. En zoodoende vinden wij nu de drie
kettingen:
OE → uu ← IE
OU → ui ← EI
OO → eu ← EE
die voor ons taalgevoel zelfs duidelijker aanspreken dan de
enkelvoudige correlaties zelf, waaruit zij bestaan.
9. Maar bovendien onderscheiden wij nu ook nog: correlatie-lagen,
waarvan vooral onze eerstgenoemde dekkings-correlatie een mooi voorbeeld is,
immers deze correlatie ligt uitgespreid over een groep disjuncte phonemen: de
aa, de ee en de ie, de oo en de uu
3).
Welnu, om het phonologisch klinkersysteem nu in een graphische | | | | voorstelling vast te leggen, geven wij de voornaamste correlatie-laag
niet meer met pijltjes weer, maar door de twee groepen van phonemen op dezelfde
plaats in twee gelijkvormige vlakken naast elkaar te zetten, waarbij - althans
voor de klinkers - de disjuncte paren altijd onder elkander komen te staan.
Voor het Algemeen Nederlandsch (en ook voor de Oostelijke dialecten) moet dat,
wegens het alleen staan der meest sonore aa natuurlijk een driehoek zijn. En
omdat rechts van den hoofddriehoek der ongedekte klinkers de driehoek der
gedekte klinkers staat, die louter aanloop zijn, komt dus links van den
hoofddriehoek nog een aparte triangel voor de stomme e, die louter afloop
is.
10. Daar wij het onder elkaar staan binnen de driehoeken dus als
teeken van de disjuncte paren hebben aangenomen, kunnen wij den

Fig. 1.
middelsten driehoek nu verder met de ongepaarde ongedekte klinkers
en tweeklanken aanvullen, zoodat het wordt:

Fig. 2.
11. Maar zoodoende hebben wij ook vanzelf binnen deze driehoeken,
reeds een vaste schematische voorstelling vastgelegd voor de beide overige
klinkercorrelaties, die der autonome lippenronding en der palataliseering. Daar
deze namelijk ook correlatielagen zijn hebben wij onzen middelsten driehoek in
drie ongeveer gelijkvormige trapezi- | | | | ums te verdeeld, en daarin de 3
rijtjes van nr. 8 een plaats gegeven.
Bij deze twee correlatie-lagen kunnen echter de pijltjes bewaard
blijven. Alleen moeten wij nu de phonemen die in twee correlaties archiphoneem
zijn door een grootere hoofdletter onderscheiden van de phonemen, die slechts
in één correlatie archiphoneem zijn. De disjunctieparen worden
zoo vanzelf reeds door de trapezium-omtrekken van elkander gescheiden. Maar ten
slotte verbinden wij nog alle regelmatig disjuncte phonemen in vakjes van
stippellijnen. En zoo is dan eindelijk het vocaalsysteem van het Algemeen
Nederlandsch volledig:

Fig. 3.
Hieruit ziet men dus wel heel duidelijk, dat de disjunctieve
verhouding evengoed als de correlatieve tot de wezensbestanddeelen van het
vocaalsysteem behooren.
12. Gaan wij nu naar de consonanten over, om te zien of daar ook
zulke correlatieve paren voorhanden zijn: en dan zien wij daar aanstonds de
hoofdcorrelatie van de stemlooze en de stemhebbende medeklinkers: p : b = t : d
= f : v = s : z = ch : g.
Dat zijn dus weer 5 gelijke phonologische tegenstellingen of 5
correlatieparen. De voorgaande term is telkens een stemlooze en de volgende een
stemhebbende. En wat nu elk paar gemeen heeft, noemen wij ook hier een
archiphoneem. Zoo is ook de p een phoneem en de b een phoneem, maar zij vormen
samen het archiphoneem P. En zoo hebben wij ook hier reeds een systeem van 5
archiphonemen P, T, F, S en CH. Ook hier is voor ons Nederlandsch taalgevoel
een der beiden primair: namelijk de stemlooze, en de stemhebbende is secundair.
De stemlooze valt dus met het archiphoneem samen, en de stemhebbende is daaruit
door de bijkomende trilling der stembanden ontstaan. Het verschil tusschen de
beide termen van elk paar berust dus ook hier op de af- of aanwezigheid van
één positief karakteristiek attribuut: de stemtrilling. Het
telkens vooropstaande lid: de stemlooze is attribuutloos of bestaat uit
één | | | | enkel phonologisch element, de stemhebbende is de
attribuutdrager of dubbel en bestaat uit twee phonologische elementen.
Ook hier kunnen wij ons dit deel van het consonantensysteem
aanschouwelijk voorstellen met: P → b, T → d, F → v, S → z,
CH → g.
Maar ook hier bemerken wij nu, dat de groep der stemlooze
consonant-phonemen niet volledig is: hier ontbreekt namelijk de k, die alleen
hierin van de p, t, f, s en ch afwijkt: dat zij ongepaard is, daar in het
tweede vak de pendant g ontbreekt, terwijl de 5 andere in het tweede vak alle
hun stemhebbende pendant hebben.
Dat de tenues meestal scherpe fortes en de stemhebbende meest zachte
lenes zijn, is in het Algemeen Nederlandsch totnutoe slechts een irrelevante
realisatie. Maar in de Friesche dialecten is het juist omgekeerd. Daar heeft
juist het fortis- en lenis-karakter de phonologische functie, en is de
stemtrilling of de stemloosheid een irrelevante realisatie. Het ziet er een
beetje naar uit, dat misschien weldra het systeem van het Algemeen Nederlandsch
in dit opzicht naar die andere dialecten zal omslaan. Maar daarover later bij
de phonologische taalgeschiedenis.
13. Bijna even gewichtig is echter bij de consonanten de correlatie
tusschen explosieven en spiranten, waarvoor wij (om te toonen, dat deze naast
de vorige geheel zelfstandig is) van den velaren ploffer uitgaan. Immers k : ch
= t : s = p : f = d : z = b : v.
Ook hier toch berust deze verhoudings-gelijkheid op het voorhanden
zijn of ontbreken van een positief karakteristiek attribuut: de opening van de
totale mondsluiting tot een verenging of de spirantiseering. En wat al die
paren telkens gemeen hebben zijn ook hier respectievelijk de archiphonemen K,
T, P, D, B. Met die archiphonemen valt telkens het eerste attribuutlooze lid of
de ploffer samen; en de glijders zijn de attribuutdragers der spirantiseering,
omdat zij uit 2 elementen bestaan: de explosief plus de enge mondopening. Wij
krijgen hieruit dus:
| K → ch, T → s, P → f, D → z, B → v. |
Al deze phonemen zijn gepaard, maar ook hier ontbreekt nog de
ongepaarde glijder g.
14. Evenals bij de vocalen is er bij de consonanten nu nog een derde
correlatie en wel tusschen oralen en nasalen. Hiervoor bestaan echter slechts 2
correlatieparen: b : m = d : n. Ook hier berust de correlatie op de af- of
aanwezigheid van een positief karakteristiek attribuut: de nasaleering. De b en
de d zijn dus het primaire attribuutlooze phoneem, die samen vallen met de
archiphonemen B en D; en m en n zijn de secundaire attribuutdragers der
nasaleering, m.a.w. b en d zijn ten opzichte der m en n: enkele phonemen, de m
en n zijn dubbel: omdat | | | | ze uit twee elementen bestaan: het
archiphoneem B en D plus de nasaleering. Wij krijgen hieruit dus: B → m, D
→ n.
Dit zijn dus weer de gepaarde phonemen. Ook hier is er nog een
ongepaarde, de velare ng.
15. Doch ook bij de consonanten staan nu tegenover de genoemde
correlatieparen, ook disjuncte paren b.v.: 1o. p : t = b : d of
2o. k : t = = ch : s; waarin de beide leden van elk paar voor ons
taalgevoel volkomen gelijkwaardig zijn, zoodat er dus a. geen primair of
secundair lid te onderscheiden valt, en b. ze beide voor ons taalgevoel
absoluut enkelvoudige phonemen zijn, en er dus geen archiphoneem aanwezig is,
dat elk paar gemeen zou hebben. Van een attribuutloos phoneem en een
attribuutdragend phoneem is hier bij de p en t of bij de k en t dan ook geen
sprake. Zelfs de theoretische phonetiek kan hier niet helpen. Een labiaal is
geen dentaal, en een dentaal is geen velaar, en ze worden dit ook niet met er
iets aan toe te voegen of af te nemen. Elk der genoemde consonanten is het een
of het ander en daarmee uit. De labiale, dentale en velare consonanten zijn dus
als zoodanig onderling volkomen disjunct, juist als de sonoriteitsgraden bij de
klinkers.
Maar behalve deze groep disjuncties zijn er ook bij de consonanten
nog twee phonemen die min of meer een disjunct paar vormen: de r en de 1, en
dan ten slotte de h, die als louter afloop, geheel alleen staat.
16. Maar als de labialen, dentalen en velaren tot elkander in een
disjuncte relatie staan, zijn, volgens onze boven gegeven definitie in nr. 7,
de consonanten-correlaties alle drie correlatie-lagen, daar zij alle drie de
drie disjuncte groepen overdekken en moeten de leden eener groep op hun vaste
plaats in een apart vak tegenover de leden der andere groep in een ander vak
gezet worden, waarbij wij echter weer de pijltjes niet kunnen missen.
17. Doch behalve de enkelvoudige correlaties komen ook bij de
consonanten ineengeschakelde correlatiekettingen voor. De b neemt toch deel
1o. aan de stemcorrelatie als attribuutdrager, en 2o. aan
de spiranten-correlatie als attribuutlooze en deze beide correlaties zijn nauw
verwant, terwijl de nasaal-correlatie voor ons taalgevoel wat verder van beide
afstaat. Er ontstaan hier dus weer correlatie-kettingen en nu wel twee van vier
leden die schakelsgewijze in elkaar grijpen, en het duidelijkst zoo worden
voorgesteld.

Fig. 4.
Bij de velaren echter vinden we deze ketting: K → CH →
g. | | | |
Gelijk men ziet beteekenen de groote hoofdletters der P en T ook
hier: dat zij archiphoneem zijn in twee verschillende correlaties. Daar de
nasaalcorrelatie wat meer afzonderlijk staat kunnen wij ons hiervoor bij de
labialen en dentalen met een uitbouw redden, en een langeren gestippelden
pijl.

Fig. 5.
18. Als wij hier nu nog de disjuncte r, 1 en h aan toevoegen en de
regelmatige disjunctierijtjes weer door vakjes van stippellijnen onderscheiden,
krijgen wij dit consonanten systeem.

Fig. 6.
En ook dit systeem vormt in zijn geheel weer een duidelijken
driehoek.
19. In dezen vorm sluit het echter hoegenaamd niet bij den
vocaaldriehoek aan, hoewel precies dezelfde regels van schematische
voorstelling gevolgd zijn. Men kan echter een zeer bevredigende aansluiting bij
den vocaal-driehoek krijgen, indien men de beide hoofdregels van den
vocaaldriehoek, dat de disjuncties onder, en de correlaties naast elkaar staan,
voor de consonanten omkeert en daarmee den driehoek op zijn basis zet.
En theoretisch is hiertegen niet het minste bezwaar, daar de dan
loodrecht omhoog loopende correlatiepijltjes en de horizontaal loopende
stippellijnen toch iederen opmerkzamen beschouwer onmiddellijk verraden: dat
voor de aanschouwelijke voorstelling der consonanten juist | | | | het
omgekeerde systeem is gevolgd als voor de vocalen. En zoo krijgen wij dan deze
samenvatting van het heele Algemeen-Nederlandsch phonologisch systeem.
Gelijk men ziet, sluit nu alles uitstekend aaneen, want van onderen
naar boven volgen nu de stijgende graden der sonoriteit regelmatig op elkander:
van de k, t, p tot de aa toe. De omgekeerde richting der pijltjes wijst er ons
echter aanstonds op, dat de rijen die bij de vocalen disjuncties zijn, namelijk
de sonoriteits-graden: juist bij de consonanten grootendeels correlatieve
verbindingen vormen, en de voor-, middel- en achtergroepen die bij de
consonanten in disjuncties naasteen liggen, bij de vocalen in
correlatiekettingen verbonden zijn.

Fig. 7.
Maar dit heeft dan ook nog het voordeel, dat het ons onmiddellijk
eraan herinnert: dat de voor-, middel- en achtergroepen der vocalen slechts uit
de verte met de voor-, middel- en achtergroepen der consonanten overeenkomen,
daar hun beider bouw immers geheel en al van elkander afwijkt. Denk b.v. maar
aan de autonome lippenronding der middenklinkers tegenover de niet geronde
lippen der dentalen, en de platte lippen der voorklinkers tegenover de geronde
lippen der labialen.
Ja, er zit inderdaad heel wat muziek in ons phonologisch systeem. | | | | En wij hebben hiermee een heele reeks verschillende verhoudingen
gevonden, die niet alleen onze tegenwoordige Algemeen Nederlandsche taal op een
treffende wijze karakterizeeren en van onze dialecten en de omliggende talen
onderscheiden, maar, gelijk wij in de historische phonologie nog zullen zien,
ook een belangrijke rol in heel onze nationale taalgeschiedenis hebben
gespeeld.
Nijmegen, 1 Maart 1934.
JAC. VAN GINNEKEN
|
1)N. Trubetzkoj: Travaux du
cercle linguistique de Prague 1, blz. 39 vlgd.
1)N. Trubetzkoj: Polabische
Studien. Wiener Akad. d. Wiss. Bnd. 211, 1929. Abh. 4 blz. III vlgd.
1)Met gedekt en ongedekt bedoel ik wat
Sievers ‘die scharfgeschnittenen und die schwachgeschnittenen
Vocale’ of ‘die Vocale mit scharfgeschnittenem und
schwachgeschnittenem Akzent’ genoemd heeft.
2)Met attribuutdrager en attribuutloos of
dubbel element en enkel element vertaal ik
Trubetzkoj's termen: merkmalhaftig en
merkmallos.
1)In onze Oostelijke dialecten hebben echter
beide wèl een gedekt phoneem naast zich en zijn ook zij dus
gepaard.
2)Maar in de Limburgsche dialecten en het
Urksche b.v. is het juist andersom.
3)Hiermee onderscheid ik de lippenronding der
voorklinkers uu, eu en ui van de lippenronding der achterklinkers oe, ou en oo,
die met den achteruitgang der tong gelijken tred houdt, om het mondkanaal
gelijkmatig van voren en achteren te verlengen, en dus heteronoom moet genoemd
worden.
1)Hieruit volgt, dat de onderlinge verhouding
van twee precies dezelfde phonetische vocalen: in de ééne taal
een correlatie en in de andere een disjunctie kan vormen.
1)Naast de hier reeds genoemde komen in de
Europeesche talen als correlatie-stichtende klank-attributen bij de klinkers
nog voor: 1 o. het muzicaal accent (b.v. in onze Limburgsche
dialecten);2 o. het bewegelijk intensiteitsaccent (als b.v. in het
Russisch); 3 o. de nasaleering (als b.v. in het Fransch en het
Portugeesch).
2)Correlatie-kettingen noem ik wat
Trubetzkoj: Correlationsbündel noemt.
3)Voor de duidelijkheid merk ik op dat
dezelfde redeneering opgaat voor het vocaal systeem der Oostelijke dialecten
waar de OE een gedekte o 2 en de EU een gedekte ö naast zich
heeft. Hier zijn immers ook de paren ee : ie = eu : uu = oo : oe louter
disjuncte paren.
|
|