'Herinneringen aan Mariënburg' met reactie 'De kinderen van Mavor: een historisch feit!'


auteur: Lila Gobardhan-Rambocus en Cynthia McLeod


bron: Lila Gobardhan-Rambocus, ‘Herinneringen aan Mariënburg’, in: Jan Bongers et al., Tussen droom en werkelijkheid. Okopipi, Paramaribo 2001, p. 48-53. Cynthia Mc Leod, ‘De kinderen van Mavor: een historisch feit!’, in: De Ware Tijd (14 mei 1998)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 48]

Herinneringen aan Mariënburg

Lila Gobardhan-Rambocus

De bij Vaco aan de Domineestraat uitgegeven roman Herinneringen aan Mariënburg beschrijft de levensgeschiedenis van Sita. Zij werd geboren als oudste dochter van Susila Sahaldeo. Susila was beslist geen gewone koeliemeid: in haar eigen land behoorde ze tot een schatrijke familie. Haar vader was grootgrondbezitter, de belangrijkste man in een dorp niet ver van Bombay in het voormalige Brits-Indië. In 1888 kwam Susila naar Suriname en werd tewerkgesteld in het huis van de directeur van de suikeronderneming Mariënburg. Deze directeur, de Schot Mavor, begon een buitenechtelijke verhouding met haar en hieruit werden twee dochters geboren. In 1902 werd Mavor vermoord tijdens een opstand op de plantage als gevolg van de zoveelste loonsverlaging. De opstand werd bloedig onderdrukt: er vielen rond de twintig doden, de lijken werden op een geheimgehouden plek in een massagraf gedeponeerd tussen twee lagen ongebluste kalk.

 

Susila werd na de dood van Mavor als kindermeisje tewerkgesteld op plantage Peperpot. Haar kinderen werden haar afgenomen en werden ondergebracht in een weeshuis van de r.-k.-missie. Het jongste meisje Damayanti werd geadopteerd door een echtpaar dat kort daarop naar Engeland terugkeerde. Sita bleef bij de nonnen tot ze op eigen benen kon staan.

Net als haar moeder kreeg Sita een relatie met haar werkgever, die twee (buitenechtelijke) kinderen bij haar verwekte. Na de dood van deze werkgever trouwde Sita met een creoolse oppasser en ze ging terug naar Mariënburg toen haar man daar een baan aangeboden kreeg. Op Mariënburg hoorde ze hoe het de plantage verging en dat er van tijd tot tijd allerlei onverklaarbare ongelukken gebeurden. De bevolking fluisterde dat het te maken had met schuldaflossing (paiman/kwalat), omdat de nabestaanden geen afscheid hadden kunnen nemen van de doden die tijdens de ongeregeldheden (in 1902) gevallen waren. Omdat ze niet wisten waar het massagraf lag.

Sita's dochter stierf kort na de geboorte de zogenoemde wiegendood (ook een paiman?) en vanaf toen was het leven op Mariënburg een kwelling voor haar. Na

[p. 49]

enkele jaren verhuisde ze terug naar Paramaribo. Mariënburg had nog steeds zijn paiman, zijn kwalat, en Sita hield er verder alleen maar nare herinneringen aan over.

 

Cynthia McLeod heeft al een boek geschreven over en rond de opstand van de koelies in 1902, Tweemaal Mariënburg, dat uitgeverij Conserve vier maanden eerder in Nederland bezorgde. Interessant is de vraag: Waarom? Waarom twee boeken over hetzelfde onderwerp?

In beide boeken wordt de geschiedenis van de koelieopstand in 1902 verteld. En in beide boeken lezen we over de ongelukken die in de jaren daarna gebeurden.

In beide boeken worden de gebeurtenissen op de suikerplantage Mariënburg verteld vanuit de herinnering van een oude vrouw die als tienjarig kind op Mariënburg woonde, in de tijd voor en kort na de bloedige onderdrukking van de koelieopstand en dus ook in de tijd dat het voor de nabestaanden verborgen massagraf zijn tol begon op te eisen (schuldaflossing/paiman/kwalat). In Tweemaal Mariënburg is dat Jetje, de dochter van ene boekhouder Bergen; in Herinneringen aan Mariënburg is het Sita, de dochter van Susila.

Beide meisjes verlaten Mariënburg kort na de opstand en keren als getrouwde vrouwen terug wanneer hun echtgenoten er een werk vinden. De man van Jetje, Vaneycke, als geneesheer en Sita's wederhelft, de creool Emiel Rijken, als oppasser.

Beide vrouwen verliezen er een kind. In beide boeken fluisteren de mensen dat die dood (en andere ongelukken) alles van doen heeft met paiman. En dit alles leidt ertoe dat de twee vrouwen - kopie-conform in beide boeken - tenslotte Mariënburg de rug toekeren. Blijft de vraag: Waarom twee boeken?

Cynthia McLeod zelf geeft daarop een antwoord wanneer ze in Vrij Nederland van 11-10-1997 in een interview tegen Rudi Wester zegt: ‘Het boek dat ik voor de Surinaamse uitgeverij Vaco geschreven heb en dat nog (lang) niet uit is, heet dan ook Hoeveel Paiman had Mariënburg’ [die titel is uiteindelijk geworden: Herinneringen aan Mariënburg] ‘en dat is overigens geschreven vanuit het perspectief van een koeliekind.’ Cynthia McLeod suggereert hiermee dat Herinneringen aan Mariënburg de geschiedenis (be)schrijft vanuit de ogen van de koelie, vanuit de koeliecultuur dus.

Nieuwe vraag: Is dat wel zo?

[p. 50]

Sita is inderdaad een koeliekind, omdat haar moeder Susila als contractarbeidster uit Brits-Indië werkte op plantage (let wel: als een soort kamermeisje van de dochters van directeur Mavor). En daarmee is alles gezegd over Sita als koeliekind, want verder heeft ze niets van de koelies, met name niks van de koeliecultuur. Sita's moeder komt uit een steenrijk gezin. Iets unieks onder de koelies. Thuis spreken de zusjes Sita en Damayanti Engels met elkaar en met hun moeder die de beheersing van deze taal van huis uit heeft meegekregen. Ook dit is uniek in de koeliecultuur.

Cynthia McLeod laat Sita vertellen hoe weinig contact er was tussen haar moeder en de koeliegemeenschap omdat deze haar - het liefje van de directeur - als een verraadster zag (p. 27). (Overigens spreekt Sita zichzelf tegen wanneer ze op p. 63 zegt dat ze vroeger op Mariënburg genoeg hindoehuwelijken heeft meegemaakt.) Zelfs met haar vriendin Usha heeft Sita alleen contact als Usha's vader en de overige familie niet in de buurt zijn. Usha kookt vaak en geeft Sita koelieeten te proeven (p. 23) want dat kent Sita niet: haar moeder kookt nooit, dus ook geen koelie-eten (p. 25). Later haalden ze dat wel op de koeliemarkt.

Welk echt koeliekind leefde zo rond 1902?

Als Susila niet wenst dat haar dochter over bepaalde zaken praat zegt ze op p. 18: ‘Tyup kare’. Dat betekent: ik laat iemand (anders) stil zijn (tyup zijn), zwijgen. Een koelie praat niet zo. Susila zou moeten zeggen: ‘Tu tyup rah’ of ‘Tu tyup rahu’ wat betekent: Wees stil of Blijf stil. Alleen niet-koelies en niet-kenners van de taal (die rond 1900 al volop in ontwikkeling was) zeggen ‘tyup kare’. Het doet denken aan ‘kakere kakere’ dat mensen die niet tot de cultuurgroep behoren gebruiken als ze zich denigrerend over de koelietaal uitlaten.

Cynthia McLeod zegt in het eerder aangehaalde interview tegen Rudi Wester dat er weinig respect was voor de koelies. Van haar mogen we dan toch verwachten dat ze meer zorgvuldigheid betracht. En dat had makkelijk gekund als ze te rade was gegaan bij een kenner van de taal.

 

Sita lijkt ook verder in niets op een koeliekind. Hiermee bedoel ik dat er in Herinneringen aan Mariënburg geen sprake is van een perspectief vanuit de koeliecultuur, zoals Cynthia McLeod op z'n minst suggereert. Wat over de koeliecultuur gezegd wordt is een beschouwing van buitenaf met een (gemakzuchtige) gebruikmaking van allerlei stereotyperingen met betrekking tot deze cultuurgroep.

[p. 51]

Cynthia McLeod geeft aan Sita en aan Jetje grote-mensen-gedachten en legt ze grote-mensen-woorden in de mond. Op p. 44 bijvoorbeeld heeft Sita het over ‘het katholieke bolwerk’. De verklaring die eraan voorafgaat is dat Sita dat woord pas op school heeft geleerd. Arme Sita! Net van plantage, weg van haar moeder die alleen Engels met haar sprak (behalve wanneer ze ‘Tyup kare’ zei), net weg van de koelieschool op Mariënburg waar ze geen Nederlands heeft geleerd, nauwelijks op de katholieke school en onze ondeugende Sita heeft het over ‘het katholieke bolwerk’. Die kleine bigi sma toch!*

In Tweemaal Mariënburg beschrijft de negenjarige Jetje op p. 33 de koeliemarkt als ‘feeëriek’. (Natuurlijk: pas gelezen in een boek terwijl moeder uitgelegd heeft wat het betekent)

Ook in Tweemaal Mariënburg laat Cynthia McLeod op p. 59 het veertienjarige koeliekind Shakuntala eraan denken dat ‘zij de koeliekinderen hadden geleerd dat ze onderdanig moesten zijn’. Hoe bedenkt Shakuntala dat zo? En hoe valt dat te rijmen met de verre van onderdanige reactie van Shakuntala's vader als op de dag dat Shakuntala en de zoon van haar werkgever ‘betrapt zijn’ de twee vaders de zaak bespreken? ‘Mahadeo sprak heel hard en zei een heleboel boze woorden.’ (p. 81)

Nee, alleen al de gedachte aan het onderdanig opgevoed worden van koeliekinderen is incorrect, niet-kinderlijk en bovendien - en dat is pas ernstig - vooroordeelbevestigend. Ik volsta met dit ene voorbeeld en laat de andere vooroordeelbevestigende opvattingen met betrekking tot de koelie, die Cynthia McLeod hanteert, voor wat ze waard zijn...

Het gaat er hier om dat de hindoeïstische levensbeschouwing die ten grondslag ligt aan het handelen van deze cultuurgroep, volstrekt niet aan de orde komt. Als je in zekere mate de andere cultuur kent laat je een pandit rond 1902 (toen er sprake was van een overschot aan mannen onder de koelies) geen huwelijk arrangeren tussen een hindoevrouw (Susila) en een moslim (Emambux). Cynthia McLeod doet dat wél (in Tweemaal Mariënburg op p. 40). Cynthia McLeod zou dan ook weten (móeten weten als schrijfster van een historische roman vanuit koelieperspectief) dat het na de huwelijksvoltrekking voortzetten van een verhouding met een andere man (de verhouding Sita - Mavor) op z'n minst een vreemde zaak is, om niet te zeggen: volstrekt ongepast binnen de levensbeschouwing van deze koelies.

 

Een andere vreemde zaak (in de zin dat de functie ervan allesbehalve duidelijk

[p. 52]

is) is het verschil tussen de twee boeken met betrekking tot Susila's levensloop. Van Susila, Sita's moeder, wordt in Herinneringen aan Mariënburg verteld hoe ze uit Brits-Indië vlucht met haar geliefde Radjen. Ze worden tewerkgesteld op de plantage en omdat Susila niet geschikt is voor veldarbeid - ze was immers een rijk meisje en ‘rijke meisjes leerden in India dus over kleren en sieraden, religieuze liederen en gebeden maar daarmee kan je geen veldwerk of huishouding doen’ (pp. 16-17) - mag ze in het huis van Mavor kamermeisje zijn van zijn dochters. Radjen sterft na drie jaar en Mavor begint dan een relatie met Susila. Over een huwelijk met Emambux zoals in Tweemaal Mariënburg wordt hier met geen woord gerept. Er is gewoon geen man in huis.

 

Er is geen wezenlijk (cultureel) verschil tussen Sita en Jetje. Sita of Jetje, het maakt weinig uit. Het verschil bestaat slechts aan de oppervlakte. Twee essentieel verschillende romans schrijven over één gegeven kán. Albert Helman heeft dat bewezen met De stille plantage en De laaiende stilte. Cynthia McLeod heeft dit procédé al eerder gehanteerd. In 1993 schreef ze Vaarwel Merodia, een kroniek van een Surinaamse familie 1820 - 1890 (Vaco, Paramaribo) en in 1996 Ma Rochelle Passée Welkom Eldorado (Conserve, Schoorl), twee romans met hetzelfde thema. Met haar laatste twee romans slaagt die opzet niet. Het zou overigens interessant zijn (onder andere in verband met dit procédé) een intertekstueel onderzoek te doen naar het oeuvre van Cynthia McLeod. Wie weet zou daaruit blijken dat haar verhaalfiguren zichzelf blijven herhalen, alleen telkens in een (iets) ander jasje.

 

Als we een foutje tegen de geschiedenis (het naar Nederland laten gaan van Paul in Tweemaal Mariënburg en de jongen in de Eerste Wereldoorlog laten sterven, terwijl Nederland in die tijd een neutrale positie innam) buiten beschouwing laten, kunnen we het volgende opmerken: Cynthia McLeod heeft de geschiedenis van Mariënburg zorgvuldig bestudeerd en nauwgezet weergegeven. Ze laat zien hoe de suikeronderneming alleen maar geïnteresseerd was in winst, winst en nogmaals winst. En daarvoor moesten onder meer de lonen steeds omlaag, wat continu leidde tot ongeregeldheden en in 1902 tot de opstand met de bekende noodlottige gevolgen.

Maar dezelfde geschiedenis romantiseren in twee boeken brengt extra verplichtingen met zich mee voor de schrijver. En daarin schiet Cynthia McLeod schromelijk tekort. Zij slaagt er niet in de historische gebeurtenissen na de bloe-

[p. 53]

dige onderdrukking van de opstand in 1902, door de plaatselijke bevolking aangeduid als paiman/kwalat, in te bedden in twee wezenlijk verschillende historische romans. En dat is jammer, want verhaaltjes vertellen kan ze wel.