Brieven aan zijn broeder. Deel 1


auteur: Vincent van Gogh


editeur: J. van Gogh-Bonger


bron: Vincent van Gogh, Brieven aan zijn broeder. Deel 1 (ed. J. van Gogh-Bonger). Mij. voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam 1914 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. VIII]



illustratie

VINCENT VAN GOGH
naar een zelfportret uit 1888 (Rijksmuseum te Amsterdam)


[p. IX]



illustratie

THEO
naar een potloodschets van Meyer de Haan (1889)


[p. XI]

Inleiding

De familienaam van Gogh staat waarschijnlijk in verband met het Duitsche grensstadje Goch, doch reeds in de 16e eeuw waren er van Gogh's in Holland gevestigd. Volgens de Annales généalogiques van Arnold Buchelius woonde er toen een Jacob van Goch in Utrecht ‘in den Uyl achter 't stadshuis’ en Jan Jacobszoon, die ‘in den Bijbel onder de Lijnmarkt’ woonde, ‘ginch met wijn ende boeken om’ en was ‘borgerhopman’. Zijn zuster Margaretha stierf in 1597.

Zij voerden reeds het wapen: een balk met drie rozen, dat het familiewapen der van Gogh's gebleven is.

In de 17de eeuw zijn er verscheidene van Gogh's die hooge staatsambten in ons land bekleeden, o.a. Johannes van Gogh, magistraat van Zutphen, die in 1628 Thesaurier generaal der Unie wordt; Michiel van Gogh, eerst Consul-generaal van Brazilië, later Thesaurier van Zeeland, die in 1660 tot het gezantschap behoort dat Koning Karel II van Engeland bij zijn troonsbestijging begroet. Ook is omstreeks dien tijd een Cornelius van Gogh Remonstrantsch predikant te Boskoop, en zijn zoon Matthias, eerst geneesheer te Gouda, wordt later predikant te Moordrecht.

In het begin der 18de eeuw is het maatschappelijk peil der familie weer gedaald. Er vestigt zich te 's Hage een David van Gogh, die gouddraadtrekker is van beroep, evenals zijn oudste zoon Jan, gehuwd met Maria Stalvius, behoorende tot de Waalsche gemeente.

De tweede zoon van David, Vincent, geb. vóór 1729, overleden 1802, was beeldhouwer van beroep en moet in zijn jeugd in Parijs zijn geweest; in 1749 was hij een der Cent Suisses. Met hem schijnt de kunstbeoefening in de familie te zijn gekomen en ook het fortuin; hij stierf ongehuwd en liet eenig kapitaal na aan zijn neef Johannes (1763-1840) den zoon van Jan van Gogh. Deze Johannes was eerst gouddraadtrekker als zijn vader, maar

[p. XII]

werd later godsdienstleeraar

illustratie

VICE-ADMIRAAL J. VAN GOGH


en voorlezer in de Kloosterkerk te 's Hage. Hij was gehuwd met Johanna v.d. Vin uit Mechelen, en hun zoon Vincent (1789-1874) werd door de erfenis van zijn oud-oom Vincent instaat gesteld in de theologie te studeeren te Leiden. Vincent - de grootvader van den schilder - was een man van groote geestesgaven en buitengewone plichtsbetrachting. Reeds op de Latijnsche school onderscheidde hij zich en behaalde alle prijzen en getuigschriften; ‘de naarstige vlijtige jongeling Vincent van Gogh verdient met recht om zijn goed gedrag als onafgebroken ijver zijnen medeleerlingen tot voorbeeld gesteld te worden’ getuigt 1805 de rector der school, de Booy. In Leiden studeert hij vlug af en promoveert in 1811, dus op 22 jarigen leeftijd. Hij heeft er een grooten kring van vrienden; zijn album amicorum bewaart hun herinnering in tal van Latijnsche en Hollandsche ontboezemingen; een klein met zijde geborduurd tuiltje vergeet-mij-niet en viooltjes geteekend E.H. Vrijdag 1810, is van haar die een jaar later, toen hij beroepen was te Benschop, zijn vrouw werd. Zij hebben een lang gelukkig huwelijksleven gehad samen, eerst in de pastorie te Benschop, daarna te Ochten in N.B. en van 1822 af te Breda, waar in 1857 zijn vrouw stierf en hij tot aan zijn dood bleef wonen - een algemeen geëerd en gezien man. Twaalf kinderen werden uit hun huwelijk geboren, waarvan slechts één op jeugdigen leeftijd overleed; er heerschte een warm hartelijk familieleven in het gezin, en hoe ver het leven de kinderen ook soms uit elkaar bracht, zij bleven altijd trouwelijk deelen in elkaars lief en leed.

[p. XIII]



illustratie

C.M. VAN GOGH


Twee van de dochters huwden hoog geplaatste militairen - de latere generaals Pompe en 's Graeuwen; drie bleven ongehuwd.

De zes zoons brachten het allen tot een eervolle positie in de wereld; Johannes ging bij de marine en klom op tot den rang van Vice-admiraal; toen hij 1877 te Amsterdam Directeur was van de marinewerf, woonde Vincent tijdelijk bij hem in. Drie van de broers werden kunsthandelaar; de oudste, Hendrik Vincent (‘Oom Hein’ zooals hij in de brieven genoemd wordt) had eerst een zaak te Rotterdam, die later de firma Oldenzeel werd, en vestigde zich daarna te Brussel; Cornelis Marinus stichtte te Amsterdam de bekende firma C.M. van Gogh, eerst in de Leidschestraat, later op de Keizersgracht. (Hij werd door zijn neven dikwijls inplaats van oom Cor kortweg C.M. genoemd.) De derde, die den meesten invloed heeft gehad op den jongen Vincent en Theo's leven, was Vincent, wiens gezondheid te zwak was om te kunnen studeeren, hoewel zijn vader de grootste verwachtingen van hem had en die nu te 's Hage een klein winkeltje in verfwaren en teekenbehoeften begon dat hij in weinige jaren uitbreidde tot een kunsthandel van Europeesche vermaardheid.*) Hij was een buitengewoon begaafd, geestig en schrander man, die grooten invloed had in de kunstkringen dier dagen; daartoe aangezocht associeerde hij zich met Goupil te Parijs, welke zaak eerst daarna tot zoo ongekenden bloei kwam; zelf vestigde hij zich toen te Parijs, en aan het hoofd van zijn zaak te 's Hage, nu een filiaal van het huis Goupil, kwam de Heer Tersteeg die tot op heden dezelfde functie bekleedt. Hier was

[p. XIV]

het dat Vincent en Theo hun

illustratie

DE KUNSTKOOPER V. VAN GOGH UIT PRINSENHAGE


opleiding ontvingen; Goupil was ‘de zaak’ die zulk een groote rol speelde in hun leven, waarin Theo bleef en waarin hij carrière maakte, waar Vincent zes jaar in werkzaam is geweest en waar ondanks alles zijn hart aan bleef hangen, omdat hij 't in zijn jeugd beschouwde als ‘'t mooist, 't best, 't grootst van de wereld.’ (brief 332.) Slechts één van de zes zoons koos het beroep van den vader. Theodorus (geb. 8 Febr. 1822 - overleden 26 Maart 1885) studeerde te Utrecht, promoveerde, en werd in 1849 beroepen te Groot-Zundert een klein dorpje in N.B. nabij de Belgische grens, waar hij door zijn vader in het ambt bevestigd werd.

Hij was een man van buitengewoon knap uiterlijk (door sommigen werd hij de mooie dominee genoemd) beminnelijk karakter en fijne gaven van geest en gemoed, maar als prediker bezat hij geen bizonder talent, en 20 jaar lang bleef hij onopgemerkt in het stille Zundertsche dorp eer hij een ander beroep kreeg, en ook toen bracht hij het niet verder dan de kleine Brabantsche gemeenten Helvoirt, Etten en Nuenen. Maar in zijn kleinen kring was hij zeer geëerd en bemind en zijn kinderen hielden afgodisch veel van hem.

In Mei 1851 was hij gehuwd met Anna Cornelia Carbentus, geboren 10 Sept. 1819 te 's Gravenhage, waar haar vader Willem Carbentus - gehuwd met A.C.v.d. Gaag - een bloeiende boekbinderszaak had. Hij had o.a. de eerste grondwet gebonden en daarmee het praedicaat ‘koninklijk’ boekbinder verworven. Zijn jongste dochter Cornelia was reeds eerder gehuwd met Vincent van Gogh den kunstkooper, zijn oudste dochter was de vrouw van den in Amsterdam algemeen bekenden en geëerden dominee Stricker.

[p. XV]



illustratie

Ds. TH. VAN GOGH, VADER VAN DEN SCHILDER


[p. XVI]

Het huwelijk van Theodorus van Gogh en Anna Carbentus was zeer gelukkig; hij vond een trouwen steun in zijn vrouw, die van ganscher harte deelde in zijn werk, ondanks haar eigen groot gezin steeds met hem de gemeenteleden bezocht, en wier opgewektheid en levendige geest in den sleur van het stille dorpsleven nooit gedoofd werd.

Zij was een merkwaardige, beminnelijke vrouw, die tot op hoogen leeftijd (zij werd 87 jaar) toen zij haar man en drie volwassen zoons overleefd had, haar geestkracht en levenslust behield, en haar leed droeg met zeldzamen moed.

Een van haar bizondere gaven was, naast haar innige liefde voor de natuur, ook de groote gemakkelijkheid om haar gedachten op 't papier te brengen; haar nijvere handen, die altijd bezig waren voor anderen, grepen zoo vlug, niet alleen naar naald of breinaald, maar ook naar de pen. ‘Ik maak vast een woordje klaar’ was een van haar geliefkoosde uitdrukkingen, en hoevele van die woordjes kwamen altijd juist van pas opwekking en bemoediging brengen aan hen, tot wie ze gericht waren. Bijna twintig jaar lang zijn zij ook mij tot troost en opbeuring geweest, en in dit boek, dat als een gedenkteeken is voor de zoons, voegt ook een woord van dankbare herinnering, gewijd aan hun moeder.

Den 30en Maart 1852 werd in de pastorie te Zundert een doode zoon geboren, maar een jaar later op denzelfden datum beviel Anna van Gogh van een gezonden jongen, die de namen van zijn twee grootvaders ontving Vincent Willem; en die in aanleg en karakter zoowel als in uiterlijk meer zijn moeder's hoedanigheden geërfd had dan die van zijn vader. Het doorzettingsvermogen en de onbuigbare wilskracht, die Vincent later toonde, waren wel in aanleg in zijn moeder aanwezig, ook had hij van haar den scherpen doordringenden blik van onder de veruitstekende wenkbrauwen; de blonde gelaatskleur van beide ouders ging bij Vincent in het rossige over, zijn gestalte was middelmatig van lengte, tamelijk breed in de schouders, en hij maakte een stoeren stevigen indruk, 't geen ook bevestigd wordt door de woorden van zijn moeder, dat geen van de kinderen, behalve Vincent, sterk van aanleg was. Een minder sterk gestel dan 't zijne zou ook reeds veel eerder bezweken zijn onder 't geen hij van zijn krachten vergde.

Als kind was hij moeilijk van humeur, dikwijls lastig en eigenzinnig, en zijn opvoeding was niet geschikt dit tegen te gaan; voor hun oudsten vooral waren de ouders al zeer teerhartig. Eens toen grootmoeder van Gogh uit Breda in Zundert logeerde, woonde zij

[p. XVII]



illustratie

MOEDER VAN GOGH
naar een teekening van Joh. Cohen Gosschalk (1903)


[p. XVIII]



illustratie

DE VROEGERE PASTORIE TE ZUNDERT
Geboortehuis van Vincent en Theo


een van de lastige buien van den kleinen Vincent bij; zij die met haar twaalftal wel flinkheid geleerd had, nam den kleinen bengel bij een arm en met een klap om de ooren zette zij hem de kamer uit. Hierover was zijn moeder zóó gebelgd dat zij een dag lang niet met haar schoonmoeder sprak, en eerst den liefderijken aard van den jongen vader gelukte het een verzoening tot stand te brengen; hij liet 's avonds een wagentje inspannen en reed met de twee vrouwen naar de hei, waar zij bij een prachtigen zonsondergang zich met elkaar verzoenden.

De jonge Vincent had een groote liefde voor dieren en planten en legde allerlei verzamelingen aan; van bizonderen teekenaanleg was vooreerst niets te bespeuren; wel moet hij als 8-jarige eens een oliefantje van stopverf geboetseerd hebben, dat zijn ouders aandacht trok, maar hij had 't dadelijk weer vernield toen er zijns inziens te veel notitie van werd genomen.

Korten tijd bezocht hij de dorpsschool, maar zijn ouders vonden dat hij door den omgang met de boerenjongens te ruw werd, en voor de ondertusschen tot een zestal aangegroeide kinderschaar in de pastorie werd nu een gouvernante gekozen. Twee jaar na Vincent

[p. XIX]



illustratie

KERKJE TE ZUNDERT


[p. XX]

was een dochtertje geboren en weer twee jaar later, den eersten Mei 1857 nog een zoon, die den naam van zijn vader ontving. Op hem volgden dan nog twee zusjes en een broertje. De jongste zuster Willemien, die met haar moeder bleef wonen, was de eenige met wie Vincent later nog wel eens gecorrespondeerd heeft. Theo was zachter en vriendelijker van aard dan zijn vier jaar oudere broer; hij was tengerder van voorkomen, en fijner van gelaatstrekken, maar even rossig blond als Vincent, met dezelfde lichtblauwe oogen, die zich soms verdiepten tot een groenachtig blauw. In brief 338 beschrijft Vincent zelf de overeenkomst en het verschil in hun beider voorkomen, en Theo schreef mij in '89 het volgende over Vincent's uiterlijk, naar aanleiding van Rodin's marmeren beeld het hoofd van Johannes den Dooper. ‘De beeldhouwer heeft zich een figuur van den voorlooper van den Christus gedacht, dat frappant gelijkt op Vincent. Toch zag hij hem nooit. Die expressie van lijden, dat met voren en bulten verwrongen voorhoofd, waar denken en voor zichzelf streng zijn op te lezen staat, is van hem, al is het voorhoofd van Vincent wat meer geïnclineerd. Vorm van neus en structuur van kop is hetzelfde’. Toen ik later het beeld zag vond ik er een volkomen gelijkenis met Theo in.

De twee broers waren van kind af sterk aan elkaar gehecht; waar de oudste zuster, zich in jeugdherinneringen verdiepend, spreekt van Vincent's plaagzucht, herinnerde Theo zich alleen dat Vincent zulke heerlijke spelletjes verzinnen kon, dat ze hem uit dankbaarheid eens een rozenboompje uit hun tuintje cadeau gaven! Hun jeugd was vol van de poëzie van het Brabantsche buitenleven; zij groeiden op tusschen de korenakkers, de hei en de mastbosschen, in die eigenaardig gevoelsvolle sfeer van een dorpspastorie, waarvan de bekoring hen hun leven lang bijbleef. Het was misschien niet de vorming die 't meest geschikt was om hen te harden tegen den zwaren strijd om 't bestaan, die zij beiden te voeren zouden hebben; zij moesten al zoo vroeg in den vreemde en met hoeveel weemoed, met welk onuitsprekelijk heimwee bleven zij nog jaren lang verlangen naar 't ouderlijk huis in 't Brabantsche dorpje op de hei.

Vincent keerde er later nog weer, en bleef uiterlijk altijd ‘de buitenman’, maar ook Theo die geheel en al de fijne Parijzenaar geworden was, bleef in zijn hart iets houden van den ‘Brabantschen jongen’, zooals hij zich graag lachend noemde.

Terecht schrijft Vincent eens: ‘er zal altijd iets van de Brabant-

[p. XXI]

sche akkers en hei in ons blijven,’ en als hun vader gestorven is en moeder de pastorie heeft moeten verlaten, klaagt hij: ‘nu is er niemand van ons in Brabant meer’. Later in 't ziekenhuis te Arles als zijn trouwe broer hem bezoekt en met teeder medelijden 't hoofd naast hem op 't kussen vleit, fluistert Vincent: ‘net als in Zundert’ en kort daarop schrijft hij: ‘Pendant ma maladie j'ai revu chaque chambre de la maison à Zundert, chaque sentier, chaque plante dans le jardin, les aspects d'alentour, les champs, les voisins, le cimetière, l'église, notre jardin potager derrière - jusqu'au nid de pie dans un haut accacia dans le cimetière!’ (Brief 573.)

Zoo onuitwischbaar bleven die eerste zonnige jeugdherinneringen. Toen Vincent 12 jaar was ging hij naar de kostschool van den Heer Provily te Zevenbergen; uit dien tijd is geen enkele bizonderheid vermeld - alleen schrijft een van de zusjes later aan Theo: ‘weet je nog wel op Moe's verjaardag, dat Vincent dan uit Zevenbergen kwam en wij zooveel pleizier hadden?’ Van vrienden die hij daar gemaakt zou hebben is niets bekend.

Toen hij 16 jaar was kwam de keuze van beroep aan de orde, en hierin werd Oom Vincent geraadpleegd.

Deze, die zich intusschen in den kunsthandel een groot fortuin verworven had, moest zich om zijn zwakke gezondheid vroeg uit het drukke zakenleven te Parijs terugtrekken - hoewel nog finantiëel in de zaak betrokken - en had zich gevestigd te Prinsenhage, dicht bij zijn ouden vader te Breda en dicht bij zijn lievelingsbroer te Zundert. Den winter bracht hij met zijn vrouw meestal te Menton door en op de reis daarheen bleef hij dan altijd nog even te Parijs, zoodat hij van de zaak daar op de hoogte bleef. Aan zijn landhuis te Prinsenhage had hij een galerij laten bouwen voor zijn fraaie collectie schilderijen, en hier was 't dat Vincent en Theo hun eerste kunstindrukken opdeden. Er was een innig hartelijk verkeer tusschen de Zundertsche pastorie en het kinderlooze gezin te Prinsenhage; ‘het wagentje’ uit Prinsenhage werd door de kinderen in Zundert met gejuich begroet, want het bracht menige verrassing van bloemen, vruchten en versnaperingen mee, terwijl wederkeerig het beminnelijk opgewekt gezelschap van den broer en zuster uit Zundert dikwijls een zonnestraal bracht in de stille omgeving van den zieke te Prinsenhage. Ook deze broers Vincent en Theo, die slechts één jaar in leeftijd scheelden, waren sterk aan elkaar gehecht, en het feit dat hun vrouwen zusters waren, maakte de band nog hechter. Wat was natuurlijker dan dat de rijke

[p. XXII]

kunstkooper zijn jongen neef en naamgenoot bestemde om hem later in de zaak op te volgen - misschien wel zijn erfgenaam te worden?

Vincent kwam dus in 1869 in de zaak in den Haag als jongste bediende, onder leiding van den Heer Tersteeg, en ging vol moed een goede toekomst tegemoet.

Zijn kosthuis was bij de familie Roos op de Beestenmarkt, waar na hem Theo later ook woonde, een gezellig burgergezin waar hij materieel uitstekend verzorgd werd, maar waar van eenigen intellectueelen omgang geen sprake kon zijn; dezen vond hij echter bij de verschillende familieleden en jeugdkennissen van zijn moeder, waar hij veel aan huis kwam, o.a. de familie Haanebeek, van Stockum en Tante Fie Carbentus met haar drie dochters, waarvan een later huwde met Anton Mauve, een ander met A. Le Comte.

Tersteeg zond aan de ouders de beste berichten omtrent Vincent's ijver en bekwaamheid, en evenals zijn grootvader vóór hem, is hij ‘de naarstige vlijtige jongeling’ wien iedereen welgezind is.

Als hij ruim drie jaar in den Haag geweest is, komt Theo, die nog in Oisterwijk op school gaat (dicht bij Helvoirt, waarheen hun vader intusschen beroepen is) een paar dagen bij hem logeeren en daarna, in Augustus 1872, begint de correspondentie tusschen de beide broers, die van dit eerste nu vergeelde, half vergane, haast nog kinderlijke briefje af, onafgebroken voortgezet wordt tot Vincent's dood, toen men nog een half voltooiden brief aan Theo bij hem vond, waarvan het hopelooze ‘que veux-tu?’ aan 't slot is als een moedeloos gebaar, waarmee hij uit het leven scheidde.

De voornaamste gebeurtenissen uit hun beider leven staan in de brieven vermeld en worden hier slechts aangevuld door bizonderheden van Theo zelf vernomen of ontleend aan de correspondentie van de ouders met Theo, die eveneens in zijn geheel bewaard is gebleven (de brieven van Vincent aan zijn ouders zijn helaas niet bewaard) - dagteekenend van Januari 1873 toen Theo, nog maar 15 jaar oud, naar Brussel ging om ook in den kunsthandel te worden opgeleid.

Die brieven - vol van de teederste belangstelling en zorg voor den zoon, die zoo vroeg al de wereld ingaat - ‘wat ben je toch al vroeg groot Theo’ schrijft moeder, aan wien hun hart zoo hangt, omdat hij meer dan een der anderen hun liefde met oneindige teerheid en aanhankelijkheid beantwoordt, en ‘de kroon wordt van hun ouderdom’, zooals ze hem zoo gaarne noemden, die brieven vertellen alle kleine bizonderheden van 't dagelijksche leven in de pastorie;

[p. XXIII]

wat er in den tuin bloeit en hoe de vruchtboomen dragen, of de nachtegaal al gehoord is en wie er alzoo op bezoek komt, wat de tekst was van vader's preek, hoe 't met de zusjes en 't broertje gaat, en tusschen alles door bizonderheden over Vincent.

Deze is in Mei 1873 overgeplaatst naar de zaak in London; bij zijn vertrek uit den Haag krijgt hij een prachtig getuigschrift van den Heer Tersteeg, die ook nog eens aan zijn ouders schrijft, dat ieder in de zaak zoo graag met Vincent te doen had - liefhebbers, koopers en schilders, en dat hij 't zeker ver zal brengen. ‘'t Is een heerlijke voldoening dat hij zoo dit eerste tijdperk van zijn werk kan eindigen, en daarbij is hij zoo eenvoudig gebleven’ schrijft moeder. In Londen gaat het hem aanvankelijk zeer goed; Oom Vincent heeft hem bij enkele kennissen geintroduceerd en hij is met ijver in de zaak bezig, verdient al f 90, en hoewel 't leven er duur is, weet hij nog telkens wat over te sparen om naar huis te sturen. Als een echte businessman koopt hij zich een hoogen hoed ‘waar men in London niet buiten kan’ schrijft hij, en hij geniet van de dagelijksche tochten van zijn woning in de voorstad naar de zaak in Southamptonstreet in de City.

Zijn eerste kosthuis is bij een paar dames, die er twee papegaaien op na houden, 't is er wel goed maar hem wat te duur, daarom verhuist hij in Augustus en komt nu bij Mrs. Loyer, de weduwe van een curate uit 't Zuiden van Frankrijk, die met haar dochter Ursula een dagschool houdt voor kleine kinderen. Hier beleeft hij het gelukkigste jaar misschien van zijn leven. Ursula maakt diepen indruk op hem ‘ik heb nooit iets gezien of gedroomd als de liefde tusschen haar en haar moeder’ schrijft hij aan een van de zusjes, en ‘heb haar lief om mijnentwil’.

Hij schrijft er nog niet over aan zijn ouders, want hij heeft Ursula zelf nog niet zijn liefde bekend - maar zijn brieven naar huis zijn stralend van opgewektheid, hij schrijft dat hij toch zooveel goeds geniet, ‘ik heb een heerlijk thuis,’ en in de volheid van zijn hart roept hij uit ‘het rijke leven, Uw gave o God.’

Als er in September gelegenheid is een pakje naar London voor hem mee te geven, is het wel teekenend wat er o.a. wordt ingesloten: een bouquet halmen en een krans van eikenblaren, door Theo die intusschen uit Brussel naar den Haag is overgeplaatst, gemaakt toen hij met vacantie thuis was; Vincent moest toch iets op zijn kamer hebben dat herinnerde aan de geliefde Brabantsche velden en bosschen!

Hij viert een gelukkig Kerstmis bij de Loyer's en in dien tijd

[p. XXIV]

stuurt hij wel eens een teekeningetje naar huis, o.a. van de straat en het huis waar hij woont en van het interieur van zijn kamer ‘zoodat we die ons goed voor kunnen stellen, 't is zoo duidelijk’ schrijft moeder.

In dien tijd schijnt hij wel eens aan de mogelijkheid van schilder worden gedacht te hebben; later van uit Drenthe schrijft hij aan Theo: ‘wat heb ik niet te London staan teekenen langs de Theems Embankment, als ik 's avonds uit Southamptonstreet naar huis ging - en 't leek naar niets; was er toen iemand geweest die mij gezegd had wat perspectief was, hoeveel moeite zou me gespaard zijn, hoeveel verder zou ik nu zijn.’

Ook is hij in dien tijd in aanraking geweest met Thijs Maris, maar hij durfde zich tegenover hem niet vrij uiten en sloot zijn verlangens en wenschen in zich zelf op - hij moest nog een langen lijdensweg gaan eer hij zijn doel bereikte.

Met Januari krijgt hij verhooging van salaris en tot 't voorjaar toe blijven zijn brieven vroolijk en opgewekt; in Juli zal hij naar Holland komen en schijnt vóór dien tijd met Ursula gesproken te hebben over zijn liefde, helaas blijkt het nu dat zij al in stilte verloofd is met iemand die vóór Vincent bij hen inwoonde. Hij tracht nog er op te influenceeren dat die verloving verbroken wordt, maar dit gelukt hem niet en met dit eerste groote verdriet komt er een verandering in zijn karakter; als hij dien zomer met vacantie thuis komt is hij mager, stil en onopgewekt, een ander mensch. Maar hij teekent nog al veel. Moeder schrijft ‘Vincent maakte nog menig mooi teekeningetje, hij teekende 't slaapkamerraam en de voordeur, dus dat gedeelte van 't huis, en ook nog in het groot die huizen in London waar zij met hun raam tegen aanzien; 't is een heerlijke gaaf, waar hij veel aan kan hebben.’

In gezelschap van zijn oudste zuster die er een betrekking zocht, keert hij naar London terug; hij gaat nu op kamers wonen in Ivy Cottage 395 Hensington New Road, en daar, zonder eenig familieleven, wordt hij hoe langer hoe stiller en eenzelviger en ook hoe langer hoe godsdienstiger.

De ouders zijn blij dat hij bij de Loyer's weg is - ‘er waren daar te veel geheimen en 't was geen familie als gewone menschen, maar zeker zal hij er teleurstelling van gehad hebben, zijn illusie's niet verwezenlijkt zijn’ schrijft vader, en moeder klaagt: ‘de avonden zijn al zoo lang en hij heeft vroeg gedaan in de zaak, het is wel eenzaam zoo niet in een familie, als het maar goed gaat’. Zij maken zich bezorgd over zijn eenzelvig teruggetrokken leven. Oom Vincent

[p. XXV]

dringt er ook steeds op aan dat hij zich meer onder menschen zal bewegen ‘dat is even noodig als dat hij knap in de zaak wordt,’ maar de gedrukte stemming blijft, de brieven naar huis worden schaarscher en moeder begint te denken of de Londensche mist hem ook kwaad kan doen en of, al was 't een tijdelijke, overplaatsing ook goed zou zijn. ‘Arme jongen hij meent het zoo goed en ik geloof dat hij het voor zich zelven niet gemakkelijk heeft.’

Oom Vincent bewerkt in October '74 inderdaad een korte overplaatsing naar de zaak te Parijs, maar Vincent zelf is daar weinig over gesticht en uit boosheid schrijft hij niet naar huis, tot groote droefheid van zijn ouders. ‘'t Is maar een knorrige bui’ zegt zijn zuster en Theo troost: ‘'t gaat hem toch goed’.

Eind December gaat hij weer naar London terug waar hij zijn zelfde kamers betrekt en 't zelfde eenzelvige leven leidt. Voor 't eerst wordt hij een zonderling genoemd. Zijn teekenlust heeft weer opgehouden maar hij leest veel, en de aanhaling uit Renan waarmee de periode uit Londen besluit, toont duidelijk waar zijn gedachten mee vervuld zijn en hoe hij reeds toen streefde naar het hooge ideaal: ‘mourir à soi-même, réaliser de grandes choses, arriver à la noblesse et dépasser la vulgarité ou se traîne l'existence de presque tous les individus.’ Slechts wist hij toen nog niet welke richting hij gaan moest om dat te bereiken.

In Mei 1875 wordt hij voor goed overgeplaatst naar Parijs en speciaal belast met de schilderijengalerij, waar hij zich echter volstrekt niet op zijn plaats voelt; hij voelt zich meer thuis in zijn ‘cabin’, het kamertje op Montmartre, waar hij s'ochtends en 's avonds met Harry Gladwell in den Bijbel leest, dan tusschen het mondaine Parijsche publiek.

Zijn ouders merken wel uit zijn brieven dat het niet gaat, en als hij met Kerstmis thuis komt en alles besproken wordt, schrijft de vader aan Theo: ‘ik geloof haast dat ik Vincent moet aanraden over 2 of 3 maanden zijn congé te nemen; er is zooveel goeds in hem, maar daarom kan het echter toch noodig zijn dat zijn positie gewijzigd worde, hij is bepaald niet gelukkig.’ En zij houden te veel van hem om hem te overreden tot iets, waarbij hij zich niet gelukkig voelt; hij wil leven voor anderen, nuttig zijn, iets goeds tot stand brengen, hoe hij weet het zelf niet, maar niet in den kunsthandel, dat weet hij wel, en als hij na zijn terugkomst uit Holland met den Heer Boussod*) het beslissend gesprek heeft dat eindigt met

[p. XXVI]

zijn ontslag tegen 1 April, accepteert hij dit zonder iets tot zijn verontschuldiging in te brengen. Er was hem vooral kwalijk genomen dat hij met Kerstmis en N. Jaar, de drukste tijd in Parijs, naar huis was gegaan. In zijn brieven schrijft hij er tamelijk luchtig over, maar hij voelt wel hoe somber en dreigend de wolken boven zijn hoofd beginnen samen te pakken; op 23-jarigen leeftijd staat hij nu broodeloos, zonder eenig vooruitzicht op een betere carrière; Oom Vincent is diep teleurgesteld over zijn naamgenoot en trekt de handen van hem af; zijn ouders, hoe welgezind ook, kunnen niet veel meer voor hem doen, zij hebben hun kapitaal moeten aanspreken om de opvoeding der kinderen te bekostigen, (het predikantstraktement was meen ik f 820) Vincent heeft zijn deel genoten, nu zijn de jongeren aan de beurt.

Het blijkt dat Theo die zoo vroeg al de raadsman en steun van allen wordt, er nu reeds over gesproken heeft dat Vincent schilder zou worden, maar op dit oogenblik wil hij nog niets daarvan hooren. Zijn vader spreekt van een betrekking aan een museum, of raadt hem aan in 't klein een kunstzaak op te richten zooals oom Vincent en oom Cor vóór hem gedaan hebben; hij zou dan zijn eigen kunstinzichten kunnen volgen en niet meer schilderijen verkoopen, die hij zelf leelijk vond - maar zijn hart trekt weer naar Engeland en hij wil bij 't onderwijs gaan.

Naar aanleiding van een advertentie krijgt hij in April 1876 een betrekking in Ramsgate bij Mr. Stokes, die zijn school in Juli verplaatst naar Isleworth. Hij heeft er echter alleen kost en inwoning zonder salaris, en neemt dus spoedig een andere betrekking aan op een ietwat deftiger school te Isleworth bij Mr. Jones, een methodisten-domine, bij wien Vincent ten slotte zoowat als hulpprediker fungeert. Zijn brieven naar huis zijn somber, ‘'t is of me iets dreigt’ schrijft hij, en zijn ouders voelen wel dat 't onderwijs hem ook niet bevredigt. Er wordt nog gesproken over Fransch of Engelsch middelbaar examen, maar daar wil hij niets van weten. ‘Ik wou hij in natuur of kunst kon werken’ schrijft moeder, die wel voelt wat er in hem omgaat.

Met bijna wanhopige kracht klemt hij zich vast aan den godsdienst, om daarin bevrediging te vinden èn voor zijn verlangen naar schoonheid, èn zijn verlangen om iets te zijn voor anderen: 't is soms of hij zich bedwelmt aan de welluidende zoetvloeiende klanken der Engelsche teksten en gezangen, de romantische bekoring van een klein kerkje en het vrome waas van liefelijkheid in den Engelschen dienst. Er is in zijn brieven uit dien tijd een haast

[p. XXVII]

ziekelijke overgevoeligheid. Meer en meer gaat hij spreken over een betrekking in verband met de kerk - maar als hij met Kerstmis overkomt uit Engeland wordt er toch besloten dat hij niet meer naar Isleworth terug zal gaan, daar er in geen enkel opzicht vooruitzichten zijn. Hij blijft echter op goeden voet met Mr. Jones, die later zelf in de pastorie te Etten komt logeeren en dien hij daarna ook nog in België ontmoet.

Nog ééns gebruikt Oom Vincent zijn invloed en bezorgt hem een plaats in den boekhandel van Blussé en Braam te Dordrecht; hij schikt er zich in, maar de lust is niet groot, teekenend zijn de woorden door een der zusters in dezen tijd aan Theo gericht: ‘Jij denkt dat hij iets meer is dan een gewoon mensch, maar me dunkt dat het vrij wat beter zou zijn als hij zich zelf hield voor een gewoon mensch.’ Een ander schrijft ‘hij wordt suf van vroomheid’. Het Evangelie te verkondigen is nog steeds het eenige wat hem begeerlijk lijkt, en ten slotte wordt er een plan gemaakt om hem in staat te stellen de studie in de theologie te beginnen. De ooms in Amsterdam zeggen hun hulp toe; bij oom Jan van Gogh op de Marinewerf zal hij inwonen, wat al een groote besparing van onkosten is, oom Stricker bezorgt hem een goeden leeraar in de oude talen - den bekenden Dr. Mendes da Costa - en geeft hem zelf ook nog les; bij Oom Cor in den kunsthandel kan hij altijd zijn hart nog eens ophalen aan het zien van kunst, en zoo doet ieder wat om het hem gemakkelijk te maken, behalve Oom Vincent die het met dit plan geheel oneens is en er niet aan mee wil werken, waarin hij ten slotte blijkt gelijk te hebben gehad.

Vol moed tijgt Vincent aan 't werk, hij moet zich nog eerst prepareeren voor het staatsexamen, eer hij de studie aan de Universiteit kan beginnen, het zal wel 7 jaar duren eer hij klaar kan zijn; angstig vragen zijn ouders zich af of hij de kracht zal hebben om vol te houden, of hij, die nooit gewend is geweest aan geregelde studie, op zijn 24e jaar zich daar nog toe zal kunnen dwingen?

Die tijd in Amsterdam, van Mei 1877 tot Juli 1878 wordt één lange lijdensgeschiedenis. Na het eerste half jaar begint Vincent de moed en ook de lust te ontzinken; thema's maken en spraakkunst leeren is niet wat hij zoekt - de menschen troost en opbeuring brengen door het Evangelie, dàt is zijn verlangen en daarvoor is toch al die geleerdheid niet noodig! Hij snakt naar practisch werk, en als tenslotte ook zijn leeraar inziet dat Vincent nooit klaar zal komen, raadt hij hem de studie maar op te geven. In het Handelsblad van 30 Nov. 1910 geeft Dr. Mendes da Costa zijn

[p. XXVIII]

persoonlijke herinneringen aan den later zoo beroemden leerling, van wien hij menige teekenende bizonderheid vertelt, zijn nerveuse, bekorende vreemdheid van uiterlijk, zijn goeden wil om te leeren, de eigenaardige gewoonten van zelftucht en zelfkastijding en ten slotte zijn totale ongeschiktheid voor geregelde studie. Niet langs dien weg zou hij zijn doel bereiken! Zelf komt hij er rond voor uit, dat hij blij is 't zoo ver maar is gekomen en dat hij nu met meer moed de toekomst tegemoet kan gaan, dan toen hij zich hopeloos aan de studie wijdde, wat hij later ‘de kwaadste tijd’ van zijn leven noemde.

Hij wil ‘laag bij den weg blijven’ en nu 't liefst Evangelist worden in België; daarvoor worden geen diploma's gevraagd, geen Latijn of Grieksch; slechts drie maanden aan de opleidingsschool der Evangelisatie te Brussel, waar men tegen betaling van kost en inwoning gratis les krijgt, en men kan een aanstelling krijgen. In Juli reist zijn vader met hem er heen, vergezeld van Mr. Jones die op zijn doorreis naar België juist een paar dagen bij hen te Etten heeft doorgebracht, en samen bezoeken zij de verschillende leden van het Comité der Evangelisatie: Ds. v.d. Brink uit Rousselaere, Ds. Pietersen uit Mechelen en Ds. de Jong uit Brussel. Vincent deed daar uitstekend zijn woord en maakte een goeden indruk; ‘zijn verblijf in den vreemde en het laatste jaar te Amsterdam zijn toch niet geheel zonder vrucht geweest en hij weet als hij uitkomt wel bewijzen te geven dat hij reeds veel heeft geleerd en opgemerkt in de school van het leven’ schrijft vader, en Vincent wordt dan ook aangenomen als leerling. Toch zien de ouders met nieuwe zorg deze nieuwe proef beginnen. ‘Ik ben altijd zoo bezorgd, dat waar Vincent ook komt of wat hij doen zal, hij het door zijn zonderlingheid en wonderlijke denkbeelden en opvattingen van 't leven overal zal afbreken’ schrijft moeder en vader voegt er bij: ‘Het smart ons zoo als wij zien dat hij letterlijk geen levensvreugd kent, doch altijd maar rondloopt met gebogen hoofd, terwijl wij toch al deden wat we konden om hem tot een eervol doel te brengen! 't Is alsof hij opzettelijk kiest wat tot moeite leidt.’

Inderdaad was dat Vincent's streven; zich zelf vernederen, zich zelf vergeten, zich zelf opofferen, mourir à soi-même, dat was zoolang hij nog zijn toevlucht in den godsdienst zocht, het ideaal dat hij najaagde, en nooit deed hij iets ten halve! Maar langs door anderen gebaande wegen gaan, zich schikken naar den wil van anderen, dat lag niet in zijn aard, hij wilde zalig worden op zijn eigen manier. Als hij eind Augustus op de school te Brussel komt, die nog maar

[p. XXIX]

kort bestaat en slechts drie leerlingen telt, is hij bij de lessen van meester Bokma zeker de verst gevorderde, maar hij is er niet op zijn plaats en voelt zich ‘als een kat in een vreemd pakhuis’ zooals hij zegt en wordt om zijn zonderlingheden in kleeding en manieren nog al geplaagd. Hij mist ook de gave om uit 't hoofd te spreken, en moet zijn voordrachten dus altijd voorlezen, maar 't grootste bezwaar tegen hem is, ‘hij kende geen onderwerping’ en als dan ook de drie maanden proeftijd om zijn krijgt hij geen aanstelling.

Hoewel hij (in brief 126) dit maar terloops aan Theo vermeldt schijnt hij het zich zeer te hebben aangetrokken. Zijn vader ontvangt bericht uit Brussel (waarschijnlijk van het hoofd der school) dat Vincent zwak is en vermagerd, niet slaapt en in een zenuwachtigen, overspannen toestand verkeert, zoodat 't beste zal zijn hem te komen halen.

Onmiddellijk reist hij naar Brussel en weet nog alles ten beste te schikken. Vincent gaat voor eigen rekening naar de Borinage, woont er tegen vergoeding van fr. 30 per maand, bij M. van der Haegen, Rue de l'Eglise 39 te Paturages bij Mons, waar hij 's avonds de kinderen les geeft; hij kan zich oefenen in ziekenbezoek en bijbellezing houden, en als dan in Januari het Comité weder vergadert zal men zien hem alsnog een aanstelling te bezorgen. De omgang met de menschen daar bevalt hem goed, in zijn vrijen tijd teekent hij groote kaarten van Palestina, (waarvan zijn vader er vier besteld à f 10 't stuk), en tenslotte krijgt hij in Januari 1879 nog een tijdelijke aanstelling (voor 6 maanden) te Wasmes tegen fr. 50 per maand, waarvoor hij bijbellezing moet houden, kinderen leeren, en zieken bezoeken - dus werk naar zijn hart. Zijn eerste brieven van daar zijn vol tevredenheid en hij wijdt zich met hart en ziel aan zijn werk, maar vooral aan het practische deel er van, en gaat op in het verplegen van zieken en gewonden. Spoedig vervalt hij echter weer in de oude overdrijving, hij tracht de leer van Jezus letterlijk in praktijk te brengen, geeft alles weg, zijn geld, zijn kleeren en bed, verlaat het goede kosthuis bij Denis in Wasmes en trekt alleen in een armzalig hutje waar het noodigste ontbreekt. Reeds had men zijn ouders hierover geschreven, en als dan eind Februari Ds. Rochelieu uit Brussel op inspectie komt barst de bom los, want zóóveel ijver is te veel voor de Heeren, en iemand die zichzelf zóó verwaarloost kan niet tot voorbeeld dienen van anderen. Er wordt over hem vergaderd door den kerkeraad van Wasmes, en als hij niet naar raad luistert zal hij zijn post kwijt zijn. Zelf neemt hij het nog

[p. XXX]

al kalm op; ‘wat zullen wij nu doen’ schrijft hij, ‘Jezus was ook bedaard in den storm; 't moet misschien eerst slecht worden eer 't beter wordt.’ Weer gaat vader naar hem toe en weet nogmaals den storm te bedwingen, hij bezorgt hem weer in 't oude kosthuis, maant hem aan tot wat minder overdrijving en een tijd lang gaat weer alles goed, hij schrijft tenminste dat hij geen aanmerking meer hoort. Omstreeks dien tijd gebeurt er een hevig mijnongeluk en er breekt ook een werkstaking uit, zoodat Vincent zich van ganscher harte aan de arbeiders wijden kan, en moeder in haar naïf, vroom geloof schrijft: ‘zóóveel blijkt wel uit de brieven van Vincent, die veel interessants bevatten, dat hij bij al het zonderlinge dat hem eigen is, toch een ware belangstelling toont voor ongelukkigen, en dat zal wel door God worden opgemerkt.’ In dien tijd schrijft hij ook dat hij zijn best doet om kleederdrachten en werktuigen van de mijnwerkers uit te teekenen, en die mee zal brengen als hij eens thuis komt.

In Juli komen dan weer slechte berichten. ‘Hij voegt zich niet naar het verlangen van het Comité en er blijkt niets aan te doen te zijn, 't schijnt dat hij onbuigzaam blijft bij aanmerkingen, die men op hem maakt’, schrijft moeder, en als dan de 6 maanden van zijn tijdelijke aanstelling om zijn, wordt hij niet weer benoemd, maar laat men hem drie maanden tijd om naar iets anders om te zien. Hij verlaat Wasmes en trekt te voet naar Brussel om Ds. Pietersen die uit Mechelen daarheen verhuisd is, om raad te vragen; deze schildert in zijn vrijen tijd, en heeft een atelier, wat wel de reden zal zijn geweest, waarom Vincent zich juist tot hem wendde. Vermoeid en verhit, ontdaan en in overspannen toestand kwam hij er aan, en zoo verwaarloosd was zijn voorkomen dat de dochter des huizes die hem opendeed, verschrikt haar vader riep en zelf wegvluchtte. Ds. Pietersen ontving hem vriendelijk, bezorgde hem goed logies, noodigde hem den volgenden dag aan tafel, liet hem het atelier zien en daar Vincent eenige van zijn schetsen van mijnwerkers had meegebracht, is er waarschijnlijk zoowel over teekenen en schilderen als over Evangelisatie gesproken.

‘Vincent maakt den indruk van iemand die zichzelven in den weg staat’ schrijft Ds. Pietersen aan de ouders en moeder voegt er bij: ‘hoe gelukkig dat hij toch nog altijd iemand vindt, die hem voorthelpt, nu Ds. Pietersen’.

In overleg met dezen wordt besloten dat Vincent maar voor eigen rekening in de Borinage zal blijven, daar hij nu eenmaal toch niet in dienst van het Comité kan zijn, en dat hij zal inwonen bij den

[p. XXXI]

Evangelist Frank te Cuesmes. Ongeveer half Augustus komt hij op verzoek van zijn ouders nog eens te Etten. ‘Hij ziet er goed uit, behalve zijn plunje, leest den heelen dag in Dickens en spreekt alleen als men hem iets vraagt - over de toekomst geen woord’, schrijft moeder.

Wat kon hij ook van de toekomst zeggen? Zag die er ooit hopeloozer voor hem uit dan thans? De illusie om als verkondiger van het Evangelie troost en opbeuring te brengen in het droeve lot der mijnwerkers was hem wel langzamerhand ontzonken, naarmate de bittere strijd tusschen twijfel en geloof, dien hij in dezen tijd heeft moeten strijden, hem zijn vroeger Godsvertrouwen ontnam; (de bijbelteksten en godsdienstige beschouwingen die den laatsten tijd al schaarscher werden in zijn brieven, houden nu ook geheel op). Iets anders is er nog niet voor in de plaats gekomen; hij teekent veel en leest veel, o.a. Dickens, Beecher Stowe, Victor Hugo en Michelet, maar het is alles zonder systeem of doel. Teruggekeerd naar de Borinage, zwerft hij er rond zonder werk, zonder vrienden, dikwijls zonder brood, want wel ontvangt hij geldelijke hulp van huis en van Theo, maar zij kunnen niet meer geven dan het strikt noodige, en daar de zendingen niet op geregelde tijden geschieden, en Vincent een slecht financier is, zijn er dagen ja weken, dat hij geheel zonder geld is. In October komt Theo, die nu een vaste aanstelling in de zaak Goupil te Parijs heeft gekregen, op reis daarheen hem bezoeken en tracht vergeefs hem tot een vast plan voor de toekomst te bewegen; hij is nog niet rijp om eenig besluit te nemen; den barren winter van 1879-'80 moet hij nog doorworstelen - dien droevigsten, meest hopeloozen tijd uit zijn waarlijk niet vreugderijk leven - eer hij zich bewust wordt van zijn eigenlijke kracht.

In die dagen onderneemt hij met fr. 10 in de zak den wanhopigen tocht naar Courrières, de woonplaats van Jules Breton, wiens schilderijen en gedichten hij zoo bewondert, en met wien hij in stilte hoopt op de een of andere wijze in aanraking te komen. Maar hij krijgt alleen het ongastvrij uiterlijk van diens nieuw gebouwd atelier te zien, en mist den moed om zich bij hem aan te melden. Onverrichterzake moet hij den langen terugweg gaan, zijn geld is al lang verteerd, meestal slaapt hij in de open lucht, of in een hooiberg, soms ruilt hij een teekening voor een stuk brood en lijdt zooveel vermoeienis en gebrek dat zijn gezondheid altijd de nadeelige gevolgen er van heeft moeten dragen. In het voorjaar komt hij nog weer eens in de Ettensche pastorie en spreekt er over

[p. XXXII]

om weer naar Londen te gaan; ‘als hij er bij blijft zal ik er hem toe in staat stellen’ schrijft vader, maar hij keert ten slotte toch weer naar de Borinage terug en woont dien zomer van 1880 bij den mijnwerker Charles Decrucq in Cuesmes. Daar schrijft hij in Juli den aangrijpend schoonen brief [133] die weergeeft wat er in hem omgaat. ‘Mon tourment n'est autre que ceçi: à quoi pourrais-je être bon, ne pourrais-je pas servir et être utile en quelque sorte?’ Het is de oude wensch, het oude verlangen, om de menschheid te dienen en te vertroosten, die hem later, als hij zijn roeping gevonden heeft, doet schrijven: ‘et dans un tableau je voudrais dire quelque chose de consolant comme une musique.’

Nu in de dagen van diepste ontmoediging en duisternis komt eindelijk het licht dagen; niet in boeken zal hij zijn bevrediging vinden, niet in litteratuur zijn werk zoeken zooals een enkele maal zijn brieven deden vermoeden, hij keert tot zijn oude liefde terug; ‘je me suis dit: je reprendrai mon crayon, je me remettrai au dessin et dès lors tout a changé pour moi’, klinkt het als een kreet van bevrijding, en nog eens ‘ne crains rien pour moi, si je puis continuer à travailler je remonterai encore’. Hij heeft eindelijk zijn werk gevonden en daarmee is het geestelijk evenwicht hersteld; hij twijfelt niet meer aan zich zelf, en hoe moeilijk of zwaar zijn leven ook worden zal, de innerlijke sereniteit, het geloof aan eigen roeping, verlaat hem niet meer.

Het kleine kamertje van het mijnwerkersgezin Decrucq, dat hij nog deelen moet als slaapplaats met de kinderen, is zijn eerste atelier. Hij begint er zijn schildersloopbaan met de eerste oorspronkelijke teekening van mijnwerkers, die in den vroegen ochtend naar het werk gaan, hij copiëert er met rusteloozen ijver de groote teekeningen naar Millet, en als de ruimte hem wat te klein wordt, trekt hij maar met zijn werk naar den tuin.

Wanneer het gure najaarsweer hem dit belet en de omgeving te Cuesmes hem dan toch te eng wordt, verhuist hij in October naar Brussel, waar hij zijn intrek neemt in een klein hotel op de Bd. du Midi 72. Hij verlangt om eens weer schilderijen te zien en bovenal hoopt hij er wat omgang te vinden met andere artisten; diep in hem was zulk een groote behoefte aan symphatie, aan warmte en vriendschap, en hoewel zijn moeilijk karakter hem meestal in den weg stond om die te vinden en het leven hem daardoor tot een ‘isolé’ maakte, bleef hij altijd er naar verlangen met iemand samen te wonen en te werken.

Theo, die intusschen een goede positie te Paris verkregen had,

[p. XXXIII]

kon hem nu met raad en daad bijstaan. Hij bracht Vincent in kennis met den jongen Hollandschen schilder van Rappard, die eerst korten tijd te Parijs gewerkt had en nu te Brussel op de akademie was; eerst scheen het of de kennismaking niet erg vlotte, want het uiterlijk verschil tusschen den gefortuneerden jonkheer en den verwaarloosden zwerver uit de Borinage was te groot om dadelijk een vertrouwelijken omgang te doen ontstaan; toch was hun beider smaak en opvattingen te zeer overeenstemmend dan dat zij elkaar niet zouden vinden; er ontstond een vriendschap - eigenlijk de eenige die Vincent ooit gehad heeft in Holland - die 5 jaar duurde en toen eindigde door een misverstand, dat van Rappard altijd betreurd heeft, al erkende hij tevens dat de omgang met Vincent wel zeer moeilijk was.

‘Alsof het gisteren gebeurde, staat onze kennismaking te Brussel mij nog voor den geest, toen hij 's morgens om 9 uur op mijn kamer kwam; hoe we het in 't eerst niet goed vinden konden, maar later wel, toen we een paar malen samen gewerkt hadden’ schrijft van Rappard aan Vincent's moeder na diens dood; en verder: ‘wie, die dit zwoegende, strijdende en lijdende bestaan gezien heeft, zou geen sympathie gevoelen voor den man, die zóóveel van zich zelf vergde dat èn lichaam èn geest er door te gronde gingen. Hij behoorde tot het ras waar de groote artisten uit geboren worden’.

‘Al waren Vincent en ik in de laatste jaren van elkander verwijderd geraakt door een misverstand dat ik dikwijls betreurd heb - ik heb toch niet anders dan met zeer veel vriendschap aan hem en aan onzen omgang gedacht’.

‘Als ik voortaan aan dien tijd zal denken - en 't is me altijd een genot me in 't verledene te begeven - dan zal de karakteristieke figuur van Vincent mij in zulk een weemoedig maar toch helder licht verschijnen: die zwoegende en strijdende, fanatiek-sombere Vincent, die zoo dikwijls op kon bruisen en heftig zijn, maar die toch ook altijd door zijn edel gemoed en zijn hooge artistieke eigenschappen vriendschap en bewondering verdiende’.

Hoe Vincent zelf over van Rappard dacht blijkt duidelijk uit zijn brieven. Een tweede kennismaking, die Theo Vincent bezorgde, n.l. met Roelofs, was van minder blijvend belang; den raad van Roelofs om op de akademie te gaan, heeft Vincent niet opgevolgd, misschien heeft men hem niet willen toelaten omdat hij nog niet ver genoeg gevorderd was, maar waarschijnlijk ook had hij vooreerst genoeg van akademische toestanden en leeringen, en ging hij

[p. XXXIV]

evenals in de theologie ook in het schilderen liever zijn eigen gang. Daardoor komt het ook dat hij niet in aanraking geweest is met de andere Hollanders, die in dienzelfden tijd in Brussel op de akademie waren, o.a. Haverman.

Hij studeerde voor zichzelf anatomie, teekende ijverig naar levend model en ook blijkt uit een brief van zijn vader dat hij les nam in perspectief van een arm schilder tegen f. 1.50 de les van twee uur. Den naam van dezen schilder heb ik niet kunnen vaststellen, waarschijnlijk heette hij Madiol.

Aan het einde van den winter als van Rappard ook weg gaat, op wiens atelier hij vaak heeft kunnen werken omdat zijn eigen slaapkamertje daarvoor eigenlijk te klein was, verlangt hij naar een andere omgeving, liefst buiten; ook zijn de onkosten te Brussel hem wel wat te machtig geworden, en hij vindt het 't goedkoopst om maar naar zijn ouders te Etten te gaan, waar hij kost en inwoning voor niets heeft en al het geld dat hij ontvangt, kan besteden aan het werk.

Hij blijft er ruim acht maanden, en deze zomer van 1881 is weer een gelukkige tijd voor hem. Eerst komt van Rappard logeeren, en ook deze herdacht later met genoegen zijn verblijf in de pastorie. ‘En mijn logeeren in Etten! Ik zie U nog bij 't raam zitten, toen ik binnenkwam’ schrijft hij in den reeds hierboven aangehaalden brief aan Vincent's moeder, ‘ik geniet nog van die heerlijke wandeling die we dien eersten avond met ons allen maakten langs allerlei paadjes en velden!

‘En onze tochten naar Seppen, Passievaart, Liesbosch - ik kijk er mijn schetsboeken nog menigmaal op na’.

Dan komt begin Augustus Theo uit Parijs over; kort daarna maakt Vincent een uitstapje naar den Haag om Mauve eens te raadplegen over het werk, die hem beslist aanmoedigt, zoodat hij vol animo kan voortgaan en eindelijk ontmoet hij in dien tijd voor de tweede maal een vrouw die grooten invloed op zijn leven heeft. Onder de gasten die dien zomer in de Ettensche pastorie logeerden was ook een nichtje uit Amsterdam - een jonge weduwe met haar zoontje van 4 jaar. Nog geheel verdiept in haar rouw over den man dien zij zoo innig had liefgehad, bemerkte zij niets van den indruk die haar schoonheid en roerende droefheid maakten op den een paar jaar jongeren neef. ‘Hij was zoo vriendelijk voor mijn jongen’ zei zij, zich later dien tijd herinnerend, want Vincent, die verbazend veel slag had met kinderen om te gaan, trachtte het hart der moeder te winnen door groote toewijding aan het kind. Zij wan-

[p. XXXV]

delden en praatten veel samen en hij heeft ook een portret van haar geteekend - dat echter niet bewaard is gebleven - maar de gedachte aan een inniger verhouding kwam niet bij haar op, zoodat toen Vincent eindelijk tot haar sprak over zijn liefde, een zeer beslist ‘neen’ onmiddellijk het antwoord was. Zij ging terug naar Amsterdam en heeft hem nooit weergezien. Vincent kon zich echter daar niet bij neerleggen en met de hem aangeboren vasthoudendheid blijft hij maar steeds aandringen, en hopen op een verandering in haar stemming jegens hem; als zijn brieven niet beantwoord worden beschuldigt hij de wederzijdsche ouders hem ook niet ter wille te zijn en eerst een bezoek in Amsterdam, waarbij zij weigert hem te ontvangen, overtuigt hem van de volstrekte hopeloosheid van zijn liefde.

‘Hij verbeeldde zich dat hij van mij hield’ zeide zij later, maar voor hem was het droeve ernst, en haar weigering wordt een keerpunt in zijn leven. Had zij zijn liefde beantwoord, hij zou misschien daarin een aansporing gevonden hebben zich een maatschappelijke positie te veroveren, hij had voor haar en haar kind moeten zorgen; nu zegt hij voor goed alle eerzucht vaarwel, en leeft verder alleen voor zijn werk, zonder ooit één stap te doen om zich onafhankelijk te maken.

In Etten kan hij het nu niet goed meer uithouden, hij is prikkelbaar en onrustig geworden, de verhouding met zijn ouders wordt gespannen en na een hevige woordenwisseling met zijn vader in December verhuist hij plotseling naar den Haag.

De twee jaar die hij daar doorbrengt zijn voor zijn werk een zeer belangrijke periode, waarvan men een volledig beeld vindt in zijn brieven. Zijn gedrukte stemming verbetert eerst wel wat door de verandering van omgeving en den omgang met Mauve, maar het gevoel van versmaad en verongelijkt te zijn laat hem niet los en hij voelt zich grenzenloos eenzaam. Als hij dan in Januari een arme, verwaarloosde, zwangere vrouw ontmoet trekt hij zich haar lot aan - gedeeltelijk uit medelijden, maar ook om de groote leegte te vullen in zijn leven. ‘Er kan toch geen gevaar zijn gelegen in dat zoogenaamde model? Een mensch zou uit baloorigheid, uit gevoel van verlatenheid soms verkeerde connectie's kunnen aanknoopen’ schrijft vader aan Theo, die altijd van beide partijen de vertrouwde is en alle klachten en bezwaren te hooren krijgt. En vader heeft het niet ver mis. Vincent kon niet alleen zijn, hij wilde voor iemand iets zijn, hij verlangde een vrouw en kinderen om zich heen en nu de vrouw die hij liefhad hem versmaadde, nam hij

[p. XXXVI]

het eerste beste ongelukkige schepsel tot zich dat zijn weg kruiste, met kinderen die niet de zijne waren. Hij maakt zichzelf dien eersten tijd wijs dat hij gelukkig is, en betoogt in al zijn brieven aan Theo hoe goed en verstandig hij toch gehandeld heeft, hij zoekt al de lichtpunten op, en de aandoenlijke teerheid en zorg waarmee hij de vrouw omringt als zij na haar bevalling uit het gasthuis komt, doen haast pijnlijk aan als men bedenkt aan wie die schat van liefde verspild werd. Hij triomfeert er in nu toch ook een eigen gezin te hebben - maar als het samenleven een fait accompli geworden is en hij voor goed om zich heen heeft een ruwe, onbeschaafde, door de pokken geschonden vrouw met leelijke spraak en moeilijk karakter, die bittertjes drinkt en sigaren rookt, die een bedenkelijk verleden heeft en hem nog bovendien in allerlei intrigues met haar familie betrekt, dan schrijft hij al gauw niet veel meer over zijn huiselijk leven; ook het poseeren - waarmee zij hem eerst gewonnen heeft (zij poseerde voor de prachtige teekening Sorrow) en waarvan hij zich zooveel voorstelde, houdt dan al spoedig op. Dit ongelukkig avontuur ontneemt hem de sympathie van ieder die tot nu toe in den Haag belang in hem stelde; Mauve noch Tersteeg kunnen het goedkeuren dat hij, die finantieel geheel afhankelijk is van zijn jongeren broer, de zorg van een gezin op zich neemt - en wat voor een gezin! Bekenden en familie stooten er zich aan dat hij rondloopt met een vrouw ‘in jak en rok’; niemand wil zich meer met hem bemoeien en zijn interieur is zóó, dat niemand hem meer opzoekt, de eenzaamheid om hem heen wordt steeds grooter en als altijd is het Theo alleen die hem begrijpt en hem blijft steunen.

Als deze echter in den zomer van 1883 Vincent voor de tweede maal in den Haag komt bezoeken en den toestand overziet - de huishouding verwaarloosd, alles achteruit gegaan en Vincent diep in schulden vi ndt - dan raadt ook hij aan om de vrouw, die zich toch niet in een geregeld leven schikken kan, maar haar eigen weg te laten gaan. Zij had trouwens zelf al begrepen, dat het niet langer zoo kon duren, daar Vincent te veel geld noodig had voor zijn werk dan dat er genoeg kon overblijven om haar en de kinderen te onderhouden en zij was al aan het overleggen met haar moeder om op andere wijze geld te verdienen.

Vincent zelf voelt wel dat Theo gelijk heeft en in zijn hart verlangt hij ook naar verandering van omgeving en vrijheid om te gaan waar zijn werk hem roept, maar het kost hem toch grooten tweestrijd om op te geven, wat hij eenmaal op zich genomen had,

[p. XXXVII]

en de arme vrouw aan haar lot over te laten. Tot het laatst toe verdedigt hij haar en verontschuldigt haar gebreken met het sublieme woord: ‘zij heeft nooit gezien wat goed is, hoe kan ze goed zijn?’

In die dagen van innerlijken strijd laat hij Theo dieper dan ooit in zijn hart lezen. Deze laatste brieven uit Den Haag (brief 313-322) geven den sleutel tot veel wat tot nu toe onverklaarbaar was. Eerst nu spreekt hij ronduit over 't geen er gebeurde toen hij indertijd zijn ontslag bij Goupil kreeg; eerst nu verklaart hij zijn zonderlinge onverschilligheid om zelf eens zijn werk te laten zien of te trachten het productief te maken, nu hij schrijft: ‘het is mij zoo pijnlijk om met de meesten te spreken, ik ben er niet bang voor, doch weet ik een onaangename impressie maak, ik vrees zoo dat mijn démarches als ik me presenteer meer schade dan voordeel doen;’ en hoe naïf voegt hij er bij: ‘menschenhersens kunnen niet alles verdragen, getuige van Rappard, die hersenkoorts kreeg en nu naar Duitschland toe is om er af te komen,’ als wilde hij zeggen: laat mij maar geen démarches doen bij vreemden, want dan zou 't mij ook wel eens zoo kunnen gaan. Nog eenmaal roert hij nu ook de oude liefdesgeschiedenis uit Etten aan; ‘een enkel woord deed mij voelen daaromtrent in mij niets is veranderd, dat het is en blijft een wonde waar ik over heen leef, doch die in de diepte zit en niet heelen kan, na jaren zijn zal, wat het was den eersten dag.’ En zelf spreekt hij 't dan uit, hoe anders zijn leven geworden zou zijn, zonder deze teleurstelling.

Wanneer hij ten slotte in September alleen naar Drenthe trekt, heeft hij nog zoo goed mogelijk voor de vrouw en kinderen gezorgd, en neemt vol weemoed afscheid, vooral van het kleine jongetje, waaraan hij zich gehecht had of 't zijn eigen kind was.

De tocht naar Drenthe wordt een mislukking in plaats van hem goed te doen, doch eenige zijner schoonste brieven dagteekenen uit dien tijd. Het seizoen was te ver gevorderd, de streek te onherbergzaam, en wat Vincent zoo vurig verlangd had - in aanraking te komen met een of ander artist, b.v. Liebermann - wordt niet verwezenlijkt. De te groote eenzaamheid en geldgebrek maken hem zenuwachtig en overspannen, hij vreest er ziek te zullen worden en vlucht in December '83 naar de ouderlijke pastorie, de eenige plaats waar hij een veilige toevlucht kan vinden.

Zijn vader was intusschen van Etten beroepen naar Nuenen, een dorp in de buurt van Eindhoven, en de nieuwe streek en omgeving bevallen Vincent zoo goed, dat hij in plaats van een korte

[p. XXXVIII]



illustratie

PASTORIE TE NUENEN, voorzijde


halte te maken zooals eerst zijn plan was, er ruim twee jaar blijft. Het Brabantsche landschap en Brabantsche typen schilderen wordt nu zijn doel en daarvoor ziet hij alle andere moeilijkheden over 't hoofd. Want het samenwonen was zoowel voor hem als voor de ouders een groote moeilijkheid. Een schilder in een kleine dorpspastorie, waar men woont als in een glazen huisje, is al uit den aard een anomalie, hoeveel te meer een schilder als Vincent, die zoo volkomen gebroken had met alle vormen en conventie, en met allen godsdienst, en die zich minder dan wie ook schikken kon naar anderen! Er moet van beide zijden wel veel liefde en veel geduld zijn geoefend om het zoolang vol te houden! Toen zijn brieven uit Drenthe naar huis al mistroostiger werden had vader vol bezorgdheid aan Theo geschreven: ‘'t Komt mij voor dat 't met Vincent weer tegen den draad ingaat, 't blijkt wel, dat hij in gedrukte stemming is, maar hoe kan het anders? Telkens als hij zich terugdenkt in 't verledene en hoe hij gebroken heeft met natuurlijke toestanden, moet immers het pijnlijke daarvan zich doen gevoelen? Had hij maar den moed ook eens aan de mogelijkheid te denken dat de oorzaak van veel dat is voortgevloeid uit zijn zonderlingheid in hemzelf gezocht kan worden, 't blijkt

[p. XXXIX]



illustratie

PASTORIE TE NUENEN, achterzijde met rechts Vincent's atelier


me niet hij zelfverwijt gevoelt - wel bitterheid jegens anderen, vooral tegen de Haagsche heeren. Laat ons maar voorzichtig zijn tegenover hem, want hij is blijkbaar weer in een bui van contra-mine.’

En zij zijn zoo voorzichtig, als hij zelf uit eigen beweging weer tot hen komt, zij ontvangen hem met zooveel liefde en doen wat zij kunnen om het hem gemakkelijk te maken; zij zijn er ook trotsch op, dat hij zoo vooruitgegaan is met zijn werk, waarvan zij, ronduit gezegd, in 't begin niet veel verwachting hadden. ‘Vindt ge niet mooi de penteekeningen van den ouden toren, die Vincent U zond, 't gaat hem zoo vlug van de hand,’ schrijft vader begin December aan Theo, en dan 20 December: ‘gij zult wel benieuwd zijn hoe het verder met Vincent gegaan is. Eerst scheen het wanhopig te worden, maar allengs is het beter gegaan, vooral nadat we hebben goed gevonden, dat hij voorloopig bij ons blijven zal, om hier studies te maken. Hij wenschte dat de mangelkamer voor hem mocht worden ingericht; we vinden dat nu wel geen bijzonder geschikt verblijf, maar we hebben er laten zetten een nette kachel, we laten er maken een soort houten voetbank, daar de kamer een steenen vloer heeft, we laten haar verder wat opflikken,

[p. XL]

we hebben er een ledikantje laten zetten, ook op houten voetenbank, opdat het niet ongezond kon zijn, nu zullen we haar eens goed warm en droog maken, dan kan het nog meevallen. Ik had er nog een groot raam in willen brengen, maar dat heeft hij liever niet. Enfin, met wezenlijk goeden moed ondernemen we deze nieuwe proef en nemen ons voor hem volkomen vrij te laten in zijn zonderlingheden van kleeding, enz., de menschen hier hebben hem nu gezien en schoon 't jammer blijft dat hij zich niet wat meer toeschietelijk toont, het is nu eenmaal niet te veranderen dat hij zonderling is.’

‘'t Schijnt dat hij zich nogal veel bezig houdt met Uw plannen en toekomst, maar gij zult wijs genoeg zijn, om U niet te laten bepraten tot dingen, die niet practisch zijn, want dat is helaas wel zijn kwaal. Zeker is het dat hij druk werkt en dat hij hier ruim stof vindt voor studies, hij maakte er verscheidene, die wij mooi vinden.’

Zoo is de stemming van hun kant, maar Vincent is niet tevreden met al die vriendelijkheid en verlangt een dieper begrijpen van wat er in hem omgaat, dan de ouders met al hun goeden wil geven kunnen. Als dan echter half Januari '84 het ongeluk met moeder gebeurt, die met een gebroken been uit Helmond thuis wordt gebracht, komt er meer toenadering; Vincent, die in de Borinage een handig ziekenverpleger is geworden, helpt met groote toewijding zijn moeder verplegen en in iederen brief aan Theo uit dien tijd wordt hij geroemd om zijn trouwe hulp. ‘Vincent blijft onvermoeid en verder besteedt hij den dag met schilderen en teekenen met voorbeeldigen ijver.’ ‘De dokter gaf Vincent een pluimpje zoo uiterst knap en zorgvuldig hij is.’ ‘Vincent blijft voorbeeldig in 't verplegen en daarbij werkt hij met de grootste ambitie. Ik hoop zoo, dat zijn werk veel bijval mag vinden, want 't is voorbeeldig zooveel als hij werkt’ luiden de brieven in Februari.

Vincent's eigen brieven uit dien tijd blijven somber en vol klachten, ja onbillijke verwijten jegens Theo, dat hij nooit iets voor hem verkoopt, en er ook geen moeite voor doet, met ten slotte de bittere uitroep: ‘een vrouw kunt ge me niet geven, een kind kunt ge me niet geven, werk kunt ge me niet geven, geld ja, maar waar dient het me toe als ik de rest moet missen?’ En Theo, die altijd begrijpt, beantwoordt die uitvallen nooit heftig of boos, een licht sarcasme is 't eenige, waartoe hij zich soms laat gaan, in antwoord op zulke verwijten.

[p. XLI]

In Mei heldert Vincent's stemming wat op met het betrekken van een nieuw, grooter atelier - twee kamers bij den koster van de Roomsche kerk; kort daarop komt Rappart nog eens logeeren en bovendien was Vincent gedurende zijn moeders ziekte meer in aanraking gekomen met buren en vrienden uit het dorp, die de zieke dagelijks kwamen bezoeken, zoodat hij in die dagen schrijft: ‘ik heb het den laatsten tijd gezelliger gehad met de menschen hier dan in 't begin, wat mij veel waard is, want men heeft er zoo bepaald behoefte aan, zich eens wat afleiding te kunnen geven en waar men te zeer eenzaam zich voelt, lijdt het werk er altijd door,’ doch met een profetischen blik voegt hij er bij: ‘men moet er zich echter op prepareeren, die dingen niet altijd blijven.’ Er zouden inderdaad spoedig weer moeilijke tijden komen.

Met een van zijn moeders bezoeksters, de jongste van drie zusters, die naast de pastorie woonden, was hij al spoedig in meer intieme verhouding gekomen; zij was veel ouder dan hij en niet mooi of begaafd, maar zij had een levendigen geest en een gevoelig hart, dikwijls bezocht zij met Vincent de armen van het dorp, zij wandelden veel samen en van haar kant tenminste ging de vriendschap spoedig in liefde over. Ook Vincent, hoewel zijn brieven niet den indruk gaven van eenig hartstochtelijk gevoel voor haar, (hij schrijft er trouwens maar weinig over), schijnt wel aan een huwelijk gedacht te hebben, maar de familie verzette zich hevig tegen dit plan en er vielen scènes voor tusschen de zusters, die ook niet bevordelijk waren voor Vincent's goede stemming.

‘Vincent werkt druk, maar aangenaam is hij niet,’ schrijft moeder in Juli, en 't zou nog erger worden, want de jonge vrouw, door een uiteenzetting met haar zusters in hevige overspanning geraakt, doet een poging tot zelfmoord, die wel mislukt, maar toch haar gezondheid zoo schokt, dat zij bij een dokter in Utrecht verpleegd moet worden. Zij herstelde geheel, en kwam na een half jaar weer in Nuenen terug, maar de verhouding was voor goed verbroken en het gebeurde liet Vincent in sombere verbitterde stemming achter.

Ook voor zijn ouders had het pijnlijke gevolgen, want de buren meden voortaan de pastorie omdat zij Vincent niet wilden ontmoeten, ‘wat voor mij een heele fleur minder is, maar dat zijt ge van je moeder niet gewoon, dat zij klaagt,’ schrijft deze in October van dat jaar. Juist in die dagen komt van Rappart weer logeeren; ‘hij is een stille in den lande maar zeer werkzaam,’ volgens moeder,

[p. XLII]

en van Rappard zelf schrijft in den reeds eerder aangehaalden brief aan haar, in 1890: ‘nog zóó dikwijls dacht ik aan al de studies van wevers die hij te Nuenen gemaakt heeft, met welk een innigheid had hij hun leven opgevat en weergegeven, welk een aangrijpende zwaarmoedigheid sprak daaruit, hoe onbeholpen van uitvoering zijn werk toen ook moge geweest zijn.

En wat had hij niet mooie studies van dien ouden toren op het kerkhof gemaakt, altijd is mij een maneschijn daarvan bijgebleven, die mij indertijd zoo bizonder trof.

De gedachte aan die studies in die twee kamers bij de kerk wekt weer zeer veel herinneringen bij mij op, brengt mij de geheele omgeving weer voor den geest, de vriendelijke gastvrije pastorie met haar mooien tuin, de familie Begemann, onze wandelingen naar wevers en boeren, wat heb ik daar veel genoten!’

Na Rappard's bezoek is Vincent's eenige afleiding de paar kennissen in Eindhoven, met wie hij in aanraking is gekomen door den huisschilder die hem zijn verf levert. Het zijn een gewezen goudsmid Hermans, een leerlooier Kerssemakers en nog een ongenoemde telegrafist, die Vincent allen voorthelpt met schilderen. De Heer Kerssemakers heeft in het Weekblad de Amsterdammer van 14 en 21 April 1912 zijn herinneringen uit dien tijd medegedeeld en geeft o.a. de volgende beschrijving van Vincent's atelier, dat er volgens hem ‘echt Boheemsch’ uitzag.

‘Ge stondt verbaasd zooals alles vol hing en stond met schilderijen, teekeningen in waterverf en krijt, koppen van mannen en vrouwen waarvan de kafferachtige wipneuzen, uitstekende jukbeenderen en groote ooren, sterk geaccentueerd, de knuisten vereeld en gegroefd; wevers en weefstoelen, spoelsters, aardappelpooters, onkruidwiedsters, ontelbare stillevens, wel tien studies in olieverf van het oude reeds genoemde kapelletje in Nuenen, waarmee hij zoo dweepte en dat hij dan ook in alle jaargetijden en onder alle weersgesteldheid geschilderd had. (Later is dit kapelletje door de Nuenensche wandalen zooals hij ze noemde, gesloopt).

Een groote hoop asch rondom de kachel, die nooit borstel of kachelglans gezien had, een paar stoelen met uitgerafelde biezen zittingen en een kast met wel dertig verschillende vogelnesten, allerlei mos en planten uit de heide meegebracht, eenige opgezette vogels, spoel, spinnewiel, bedpan, alle boerenwerktuigen, oude petten en hoeden, gore vrouwenmutsen, klompen enz.’ Ook vertelt hij van hun reisje naar Amsterdam (in het najaar van 1885) om het Rijksmuseum te zien, hoe Vincent in zijn harigen

[p. XLIII]

ulster met de onafscheidelijke pelsmuts op, doodbedaard in de wachtkamer van het station zat te schilderen aan een paar kleine stadsgezichten; hoe zij in het museum de Rembrandts zagen, hoe Vincent niet weg te krijgen was van het Jodenbruidje en eindelijk zei: ‘wil je wel gelooven dat ik 10 jaar van mijn leven wilde geven als ik hier voor dit schilderij veertien dagen kon blijven zitten met een korst droog brood als voedsel.’

Het droge brood was trouwens niets ongewoons voor hem, volgens Kerssemakers at Vincent het nooit anders om zich niet te ‘verwennen.’ Zijn indruk van Vincent's werk geeft hij als volgt: ‘Bij mijn eerste bezoek aan Nuenen kon ik maar geen oog op zijn werk krijgen, het was zoo geheel anders als ik mij tot op dat oogenblik het schilderen had voorgesteld, zoo brutaal, zoo ruw en onafgewerkt dat ik het met den besten wil van de wereld niet goed of mooi kon vinden.

Weldra echter bemerkte ik dat zijn werk toch een indruk op mij gemaakt had, die ik niet van mij af kon zetten; telkens kwamen zijn studies mij weer voor den geest, zoodat ik besloot hem nogmaals een bezoek te brengen, ik werd er als 't ware naar toe getrokken.

Bij mijn tweede bezoek was de indruk al heel wat beter, alhoewel ik in mijn onwetendheid nog meende, dat hij of wel niet teekenen kon, of de teekening der figuren enz. geheel verwaarloosde, en was ik zoo vrij hem dit ook ronduit te zeggen.

Hij werd daar heelemaal niet boos om, lachte maar eens en zei: “U zult daar later wel anders over denken.”

Intusschen gaan de wintermaanden in de pastorie somber voorbij. ‘Voor Vincent zou ik wenschen dat de winter reeds voorbij was, het buitenschilderen gaat natuurlijk niet en de lange avonden zijn niet bevorderlijk voor zijn werk. We meenen wel eens dat hij toch eigenlijk meer in omgeving van menschen van zijn vak moest zijn, maar wij volgen en zullen geen weg aanwijzen,’ schrijft vader in December, en moeder klaagt: ‘hoe is 't mogelijk daar zoo onvriendelijk rond te dwalen; heeft hij wenschen, laat hij zich dan dubbel aangrijpen, daar is hij jong genoeg voor, 't is haast niet om aan te zien; ik denk toch dat hij er eens uit moet gaan, wie weet wat hij ontmoet dat hem inspireert, hier is 't altijd 't oude en hij spreekt hier niemand.’ Toch weet zij ook nog een lichtpuntje te noemen: ‘We zagen Vincent een boek van U kreeg, hij schijnt het met veel genoegen te lezen, ik hoorde hem al eens zeggen: dat is een mooi boek, dus ge zult er hem veel genoegen

[p. XLIV]

mee doen. 't Is zoo heerlijk we in een leesgezelschap zijn, die illustratie's ziet hij altijd met veel ambitie, en dan wij nog al eens wat lezen in Nouvelle Revue en zoo, alle week wat anders is voor hem prettig.’

Rusteloos werkt Vincent voort in de donkere hutten van boeren en wevers, ‘haast geen jaar begon ik dat een somberder aspect had, in een somberder stemming,’ schrijft hij op nieuwjaar '85. ‘'t Is of hij hoe langer hoe meer van ons vervreemdt’ klaagt vader in Februari. Uit diens brieven spreekt steeds dieper melancholie, een niet opgewassen zijn tegen de moeilijkheden van het samenwonen met den genialen maar onhandelbaren zoon, een zich weerloos voelen tegenover diens soms opbruisende heftigheid. ‘Van morgen sprak ik nog eens met Vincent, hij was nog al ontvankelijk en zei dat er niets bizonders was, waardoor hij zich gedrukt zou voelen,’ luidt het in denzelfden brief. ‘Mocht hij maar slagen, op welke wijze ook’ zijn de laatste woorden die hij over Vincent neerschrijft, in een brief van 25 Maart. Twee dagen later, van een verren tocht over de hei thuiskomende, viel hij op den drempel zijner woning neer en werd levenloos het huis binnengedragen. Er volgden moeilijke dagen in de pastorie; moeder kon er nog een jaar blijven wonen, maar voor Vincent bracht het al dadelijk verandering, want ten gevolge van allerlei onaangename discussies met diverse familieleden besloot hij niet meer thuis te blijven wonen maar voorgoed zijn intrek te nemen in het atelier, waar hij van Mei tot November blijft wonen.

Er is nu niets meer dat hem van zijn voorgenomen doel - het boerenleven schilderen - kan afleiden; hij brengt die maanden door in de hutten der wevers of met de arbeiders op het land, ‘het is iets 's winters goed in de sneeuw, in den herfst goed in de gele blaren, in den zomer goed in 't rijpe koren, in de lente goed in 't gras te zijn, altijd met de maaiers en de boerenmeiden te zijn, 's zomers met de groote lucht er boven, 's winters onder de zwarte schouw. En te weten dat is altijd geweest en dat zal altijd zijn’ (br. 425). Nu is hij in harmonie met zich zelf en met zijn omgeving en als hij Theo zijn eerste groote schilderij ‘de Aardappeleters’ zendt, kan hij met recht zeggen: ‘'t is uit het hart van het boerenleven.’

In onafgebroken reeks volgen de studies elkaar op: de hutten van het ‘rouwboerke’ en van de ‘heksekop’, de oude toren van het kerkhof, de herfstlandschappen en de vogelnesten, tal van stillevens en de forsche teekeningen van het Brabantsche landvolk;

[p. XLV]

in Nuenen schrijft hij ook de prachtige bladzijden over kleur, naar aanleiding van Delacroix's kleurwetten. Eigenaardig is het, hem, die later een der eerste impressionisten. ja neo-impressionist, wordt genoemd, te hooren verklaren: ‘er is een school geloof ik van impressionisten, maar ik weet daar niet veel van’ [br. 402] en met zijn gewonen geest van contradictie voegt hij er later bij: ‘ik heb van 't geen door U gezegd werd over impressionisme wel begrepen, dat het iets anders was dan ik dacht het was...doch voor mij vind ik in Israëls b.v. zoo enorm veel, dat ik weinig nieuwsgierig of verlangend ben naar iets anders of nieuws.’ ‘Ik geloof...ik van manier van schilderen en van kleur nog veel zal veranderen en dat ik eer nog iets somberder dan lichter zal worden.’

Zoodra hij in Frankrijk kwam dacht hij daar anders over!

Op het laatst van zijn verblijf in Nuenen komen er moeilijkheden met den pastoor, die het schildersatelier zoo dicht bij zijn kerk al lang met leede oogen heeft aangezien, en nu zijn parochianen bewerkt om niet meer voor Vincent te poseeren. Deze heeft toch al wel gedacht over verandering van omgeving, zegt nu zijn atelier tegen Mei op, maar laat het vol van al zijn Brabantsche werk onbeheerd achter, als hij reeds eind November naar Antwerpen vertrekt. Wanneer dan met Mei zijn moeder ook uit Nuenen weggaat wordt al het werk van Vincent in kisten gepakt, bij een timmerman in Breda in bewaring gegeven...en vergeten. De timmerman heeft alles ten slotte aan een uitdrager verkocht. Hoe in dien tijd Theo's meening was over zijn broer, blijkt uit een brief van 13 October '85 aan zijn zuster, waarin hij schrijft: ‘Vincent is een van de lui die de wereld van nabij gezien heeft, en zich er van heeft teruggetrokken. Nu zullen we moeten wachten of het zal blijken dat hij genie heeft. Ik geloof het....‘Wanneer zijn werk goed wordt zal hij een groot man worden. Wat het succes aangaat zal het hem mogelijk gaan als Heyerdahl:*) geappreciëerd door enkelen, maar niet begrepen door het groote publiek. Die wien het echter ter harte gaat of er werkelijk iets in een artiest zit of dat het maar klatergoud is, zullen hem achten en hij zal zich daardoor volgens mij voldoende gewroken hebben op het geuite misnoegen van zoovelen.’

In Antwerpen huurt Vincent een kamertje boven een verfwinkeltje in de Rue des Images no. 194, voor fr. 25 per maand. 't Is niet meer dan een hokje, maar hij maakt 't gezellig met Japansche prenten

[p. XLVI]

aan den muur en als hij dan ook een kachel en een lamp gehuurd heeft, voelt hij zich geborgen en schrijft met innige tevredenheid: ‘vervelen zal ik me niet licht dat verzeker ik U.’ Wel verre van dien brengt hij de drie maanden van zijn verblijf in Antwerpen door in één koortsachtigen roes van werken. Het stadsleven dat hij zoo lang ontbeerd heeft, bedwelmt hem, hij heeft geen oogen genoeg om te zien, geen handen genoeg om te schilderen, - portretten maken van al de boeiende menschentypen die hij ontmoet is zijn lust, en om de modellen te betalen offert hij op al wat hij heeft. Voor voedsel gunt hij zich niet eens 't noodigste ‘als ik geld ontvang is mijn grootste honger, niet, al heb ik gevast, het eten, maar het schilderen is nog sterker en ik ga direct op de modellenjacht en ga door tot het op is’, schrijft hij.

Als hij in Januari merkt dat het zóó niet langer kan, dat de onkosten te groot worden, laat hij zich inschrijven aan de Academie, waar 't onderwijs kosteloos is en hij iederen dag model vindt.*) Hageman en de Baseleer waren daar o.a. zijn medeleerlingen en van de Hollanders Briët. 's Avonds werkt hij dan nog op de teekenklas en daarna dikwijls tot laat in den nacht op een club, waar ook naar model geteekend wordt. Tegen zulk een overspanning is zijn gestel niet bestand, en begin Februari schrijft hij zelf dat hij ‘letterlijk uitgeput en overwerkt is.’ volgens den dokter is het een verzwakking van alles. Toch blijkt niet dat hij zijn werk opgeeft, wel begint hij plannen te maken voor een verandering, want de cursus op de academie loopt ten einde en het is intusschen toch al tot onaangenaamheden met de leeraren gekomen, want hij is veel te zelfstandig en onafhankelijk in zijn werk om zich door hen te laten leiden. Er moet dus raad geschaft worden - Theo meent dat het beter is voor Vincent om naar Brabant terug te gaan, maar hij zelf verlangt om naar Parijs te komen; dan stelt Theo voor daarmee te wachten tot Juni, tot hij een ruimere woning heeft gehuurd. Maar met zijn gewone voortvarendheid kan Vincent dit niet afwachten, en op een morgen in 't eind van Februari wordt bij Theo op de Boulevard een met zwart krijt geschreven briefje bezorgd, dat Vincent is aangekomen en hem wacht in de Salon carré van het Louvre.

Waarschijnlijk heeft hij al zijn werk in Antwerpen achtergelaten, misschien heeft wel zijn huisbaas, de verfkoopman, het achtergehouden om de huurschuld te dekken, zeker is het dat van al de

[p. XLVII]

studies waarover hij schrijft, o.a. de gezichten in het Park, op de cathedraal, het Steen enz. nooit iets is weergevonden.

De samenkomst in het Louvre had plaats en van dien tijd af nam Vincent zijn intrek in Theo's woning in de Rue de Laval; daar er echter geen ruimte was voor een atelier, werkte hij de eerste maanden overdag bij Cormon. Dit beviel hem op den duur volstrekt niet, en toen zij in Juni verhuisden naar de Rue Lepic 54 op Montmartre kreeg hij een eigen atelier en had voor goed afgedaan met Cormon.

Het nieuwe appartement, op de derde verdieping, had drie tamelijk groote kamers, een cabinet en een keukentje. De woonkamer was geriefelijk en gezellig met Theo's mooie, oude kast, een gemakkelijke sofa en een grooten vulkachel want de broers waren beide even kouwelijk; daarnaast was Theo's slaapkamer. Vincent sliep in het cabinet, en daarachter was het atelier, een gewone kamer met één, niet bizonder groot raam. Hij schilderde er 't eerst zijn naaste omgeving - het uitzicht uit het raam van 't atelier, de Moulin de la Galette van alle kanten bekeken, het raam van Mm. Bataille's kleine restaurant, waar hij zijn maaltijden gebruikte, landschapjes op Montmartre, waar men toen nog en pleine campagne was - alles in een fijnen zachten toon als van Mauve; daarna schilderde hij veel bloemen en stillevens en zocht zijn palet te vernieuwen, onder den invloed der Fransche plein air schilders, als Monet, Sisley, Pissarro enz. voor wie Theo reeds lang de baanbreker was.

De verandering van omgeving en het ruimer, gemakkelijker leven zonder materiëele zorgen deden Vincent eerst veel goed. In den zomer van '86 schrijft Theo aan zijn moeder: ‘het bevalt ons goed in de nieuwe woning; Vincent zou U niet meer herkennen zoo is hij veranderd en dit valt anderen nog meer op dan mij. Hij heeft een belangrijke operatie ondergaan aan zijn mond, want hij was nagenoeg al zijn tanden kwijt geraakt door den slechten toestand van de maag. De dokter zegt dat hij er nu weer geheel bovenop is. Hij gaat in zijn werk geducht vooruit en begint succes te krijgen. Hij is ook veel opgewekter dan vroeger en valt hier in den smaak van de menschen....zoo heeft hij kennissen van wie hij elke week een mooie bezending bloemen krijgt, die hem als model kunnen dienen. Hij schildert voornamelijk bloemen, vooral met het doel om zijn volgende schilderijen frisscher van kleur te krijgen. Als wij het vol kunnen houden, dan denk ik dat zijn tijd van moeite achter den rug is, en zal hij er zich verder wel bovenop krijgen.’

[p. XLVIII]

Het samen volhouden, daar zat de groote moeilijkheid; en van al wat Theo voor zijn broer heeft over gehad is er misschien niets dat van grooter zelfopoffering getuigt dan het samenleven met hem twee jaar lang te hebben verdragen. Want toen de eerste opfleuring van al het nieuwe boeiende in Parijs voor Vincent voorbij was, verviel hij al spoedig tot de oude prikkelbaarheid, misschien ook deugde het stadsleven niet voor hem, en waren zijn zenuwen al te zeer overspannen geraakt. Hoe 't ook zij, hij was dien winter moeilijker in den omgang dan ooit en maakte Theo, wiens gezondheid toen ook te wenschen overliet, het leven zwaar. De toestand vergde inderdaad te veel van diens kracht. Zijn werkkring was druk en inspannend, de zaak op de Boulevard had hij gemaakt tot een middelpunt van de impressionisten, men vond er Monet en Sisley, Pissarro en Raffaëlli, Degas, die nergens anders exposeerde, Seurat, enz., maar om dit werk ingang te doen vinden bij het publiek, dat 's middags van 5 tot 7 de kleine entresol vulde, wat moest er gediscussiëerd, wat eindelooze twistgesprekken werden er gehouden, en aan den anderen kant hoe moest hij tegenover ‘ces Messieurs’ zooals Vincent de eigenaars van de zaak altijd noemde, strijden voor het goed recht der jongere schilders. Als hij dan 's avonds moe thuis kwam vond hij geen rust, maar de onstuimige, heftige Vincent begon zijn eigen theorieën over kunst en kunsthandel, die altijd daarop neerkwamen, dat Theo bij Goupil weg moest gaan en een eigen zaak beginnen, en dit duurde tot in den nacht, ja soms ging hij op een stoel voor Theo's bed zitten om nog een laatste betoog uit te spinnen.

‘Kan je begrijpen dat het soms zwaar is om nooit anderen omgang te hebben dan met heeren die over zaken spreken en met artisten, die het meestal ook zwaar genoeg hebben, maar nooit het intieme leven te kennen met vrouwen en kinderen van denzelfden stand? Je kunt je geen denkbeeld vormen hoe groot de eenzaamheid is in een groote stad!’ schrijft Theo eens aan zijn jongste zuster en aan haar geeft hij ook wel eens zijn hart lucht over Vincent. ‘Het is bij mij thuis haast onhoudbaar, niemand wil meer bij me aan huis komen daar dit altijd standjes geeft en bovendien is hij zoo slordig dat het huishouden er alles behalve aanlokkelijk uitziet. Ik hoop maar dat hij op zich zelf zal gaan wonen, daar heeft hij wel over gesproken, maar als ik 't hem zeggen zou dat hij weg moest gaan, zou het juist een reden zijn voor hem om te blijven. Daar ik hem wel geen goed kan doen vraag ik hem maar één ding dat is, dat hij mij geen kwaad doet en door te blijven doet hij dat, want het valt me zwaar.

[p. XLIX]

Het is alsof in hem twee menschen zijn, de een merveilleus begaafd, fijn en zacht, de ander eigenlievend en hardvochtig. Zij doen zich om beurten voor, zoodat men dan op de eene dan op de andere wijze hoort redeneeren en altijd met argumenten om zoowel het voor als het tegen te pleiten. Het is jammer dat hij zijn eigen vijand is, want hij maakt niet alleen voor anderen, maar ook zichzelf het leven moeilijk.................’

Doch als de zuster aanraadt Vincent dan toch in 's hemelsnaam aan zijn eigen lot over te laten antwoordt Theo: ‘Het is hier zulk een bizonder geval. Was hij iemand die een ander vak had, zeker had ik reeds lang gedaan wat jij me aanraadt en ik heb dikwijls aan mijzelf gevraagd of het misschien niet verkeerd was om hem steeds te helpen, ik heb dikwijls op het punt gestaan om hem alleen te laten scharrelen. Ik heb er na je brief nog eens over gedacht, en ik geloof dat ik in 't gegeven geval niet anders mag doen dan voort te gaan. Het is een zekerheid dat hij artist is en wat hij nu maakt mag soms niet mooi zijn, maar 't komt hem later stellig te pas en dan is het mogelijk subliem, en het zou schande zijn als men hem van zijn geregeld studeeren afhield. Hoe onpraktisch hij ook wezen mag, als hij maar knap wordt komt er stellig een dag dat hij zal beginnen te verkoopen................

Ik ben vast besloten om door te gaan zooals ik het tot nu toe deed, maar ik hoop dat hij op de een of andere wijze van woning veranderen zal.’

Toch is het niet tot een scheiding gekomen; de oude gehechtheid en vriendschap, die hen van hun kinderjaren af verbonden had, verloochende zich ook nu niet, Theo wist zich te bedwingen, en in 't voorjaar schreef hij: ‘daar ik mij veel sterker voel dan dezen winter heb ik goeden moed dat ik een verbetering in onzen omgang zal kunnen teweeg brengen; er komt dus voorloopig geen verandering en ik ben er blij om. Wij zijn thuis al genoeg uit elkaar, dat het nergens dienstig voor zou geweest zijn om nog meer scheuring te brengen.’ En met moed ging hij voort Vincent's leven te helpen dragen.

Met het voorjaar kwam een in alle opzichten betere tijd. Vincent kon weer buiten werken en trok veel naar Asnières, waar hij o.a. de prachtige triptieken van l'Ile de la grande Jatte maakte, de oevers van de Seine met hun vroolijke kleurige restaurants, de bootjes op de rivier, de parken en tuinen, alles één tinteling van licht en kleur. In dien tijd ging hij veel om met Emile Bernard, den vijftien jaar jongeren schilder, dien hij bij Cormon had leeren

[p. L]

kennen, en die in den tuin van zijn ouders te Asnières een houten ateliertje had waar zij wel eens samen werkten en waar Vincent ook een portret van Bernard begon. Maar met den ouden heer Bernard kreeg hij eens hoogloopenden twist over diens plannen voor zijn zoon, tegenspraak kon Vincent niet velen, driftig liep hij weg met het nog natte doek onder zijn arm en zette nooit meer een voet bij de Bernards.

Maar de vriendschap met den jongen Bernard bleef duren - en deze heeft in zijn boek ‘Lettres de Vincent van Gogh’ (uitgegeven bij Vollard te Parijs), wel de schoonste bladzijden gegeven die over Vincent geschreven zijn.

In den winter van '87 op '88 maakt Vincent weer portretten, o.a..het beroemde zelfportret voor den schildersezel, en tal van andere zelfportretten, verder Tanguy, het oude verfkoopmannetje uit de Rue Clauzel, in wiens vitrine zijn klanten om beurten hun schilderijen konden exposeeren, en die ten onrechte wel eens is beschreven als een kunstmaeceen, waarvoor den goeden man ten eenenmale de kwaliteiten ontbraken, en zelfs indien hij ze al had bezeten, zou zijn vrouw het hem nog belet hebben. Hij zond, en dat zeer terecht, behoorlijke rekeningen van al wat hij leverde, en begreep niet veel van de schilderijen die bij hem geëxposeerd werden.

Uit dien tijd dagteekent ook het zeldzame schilderij: interieur met dame bij een wieg, en als Theo dien winter een paar schilderijen heeft gekocht van jongere schilders, om hen te helpen, en niet wil dat Vincent bij hen zal achterstaan, schildert deze voor hem het wondervolle ‘stilleven in geel’ stralend en fonkelend als van een innerlijken gloed, en met roode letters grift hij de opdracht: ‘à mon frère Theo.’

Dan aan het eind van dien winter heeft hij genoeg van Parijs; het stadsleven is hem te vermoeiend, het klimaat te grauw en kil; in Februari '88 trekt hij naar het Zuiden. ‘Na de jaren van zorg en tegenspoed is hij er niet sterker op geworden en gevoelde bepaald behoefte om in wat zachter lucht te zijn’ schrijft Theo. ‘Hij is eerst naar Arles om zich wat te oriënteeren, dan waarschijnlijk naar Marseille.

Vóór hij wegging ging ik een paar maal een Wagnerconcert met hem hooren, wij vonden het beiden zeer mooi. Het blijft mij vreemd dat hij weg is, hij was den laatsten tijd zoo veel voor mij.’

En Bernard vertelt hoe Vincent den laatsten dag in Parijs bezig was het atelier te schikken ‘de telle sorte que mon frère me croie encore ici.’ Het laatste jaar had hen meer dan ooit tot elkaar gebracht.

[p. LI]

In Arles bereikt Vincent het hoogtepunt van zijn kunnen. Na de benauwing van het Parijsche stadsleven, leeft hij, buitenman in zijn hart, weer op in de zonnige Provence, en er volgt nu een blijde tijd van ongestoorde en ongehoorde productiviteit. Zonder veel aandacht te wijden aan de stad Arles zelve met haar beroemde overblijfselen van Romeinsche architectuur, schildert hij het landschap, de stralende bloesempracht van de lente in een reeks bloeiende boomgaarden, de korenvelden onder de brandende zon in den oogsttijd, de kleurenweelde van den herfst, die hem haast bedwelmt, de rijke schoonheid van de tuinen en parken, ‘les jardins du poëte’ waarin hij in zijn verbeelding de schimmen van Dante en Petrarca ziet ronddoolen. Hij schildert de Zaaier, de zonnebloemen, de sterrennacht, de zee te St. Maries; zijn scheppingsdrang en kracht zijn onuitputtelijk ‘J'ai une lucidité terrible par moments lorsque la nature est si belle de ces jours-çi et alors je ne me sens plus et le tableau me vient comme dans un rêve,’ en in blijde verrukking roept hij uit: ‘la vie est tout de même enchantée.’ Zijn brieven, nu voortaan in 't Fransch geschreven, geven weder een trouw beeld van wat er in hem omgaat; soms, als hij 's morgens geschreven heeft, zet hij 's avonds zich nog eens neer om zijn broer te vertellen hoe prachtig de dag geweest is; ‘jamais j'ai eu une telle chance, ici la nature est extraordinairement belle,’ en een dag later: ‘je sais bien que je t'ai écrit hier, mais la journée a encore été si belle. Mon grand chagrin est que tu ne puisses pas voir ce que je vois içi.’ Volkomen geabsorbeerd in zijn werk voelt hij den druk niet van de groote eenzaamheid waarin hij te Arles leeft, want behalve de korte kennismaking met Mac Knight, Bock en den Zouavenluitenant Milliet, heeft hij met niemand omgang. Doch als hij een eigen huisje gehuurd heeft, op de Place Lamartine en dat langzamerhand inricht, het versiert met zijn schilderijen, het tot ‘une maison d'artiste’ maakt, komt het oude denkbeeld weer op, dat hij in 't begin van zijn schilderscarrière, in 1880, al geuit heeft: zich te associëeren met een ander artist, samen te wonen en samen te werken. Dan juist ontvangt hij een brief van Paul Gauguin uit Bretagne, die in de grootste geldverlegenheid is en eigenlijk langs dezen omweg Theo wil vragen toch iets voor hem te verkoopen: ‘Je voulais écrire à votre frère - mais je crains de l'ennuyer, occupé comme il est depuis le matin jusqu'au soir par les affaires. Le peu que j'ai vendu a servi à payer des quelques dettes criardes, et dans un mois je vais me trouver sans rien.

Zéro c'est une force négative - je ne veux pas presser votre frère

[p. LII]

mais un petit mot de vous à ce sujet me tranquilliserait ou du moins me ferait patienter. Mon “Dieu que les questions d'argent sont terribles pour un artiste.”’

Dadelijk vat Vincent vuur op het denkbeeld om Gauguin te helpen. Hij moet naar Arles komen, samen zullen zij wonen en werken, Theo zal de onkosten betalen en Gauguin hem met schilderijen daarvoor vergoeden. Telkens en telkens blijft hij met de hem eigene hardnekkigheid en vasthoudendheid op dit plan aandringen en hamert steeds op hetzelfde onderwerp, hoewel Gauguin er in 't eerst volstrekt niet op gesteld schijnt. Zij hadden elkaar in Parijsch leeren kennen, maar 't was niet meer dan een oppervlakkige kennismaking geweest, en zij waren te zeer verschillend van aanleg en karakter om ooit te kunnen harmoniëeren in den dagelijkschen omgang.

Gauguin, in 1848 te Parijsch geboren, was de zoon van een Bretonschen vader, journalist te Parijs en een Creoolsche moeder; hij had een avontuurlijke jeugd gehad, was als scheepsjongen naar zee gegaan, had later op een bankierskantoor gewerkt, en alleen in zijn vrijen tijd geschilderd. Toen, nadat hij al getrouwd was en een gezin had, wijdde hij zich geheel aan zijn kunst; hij liet zijn vrouw met de kinderen naar haar geboortestad Kopenhagen teruggaan, daar hij toch niet voor hen zorgen kon, maakte een reis naar Martinique, vanwaar hij o.a. zijn beroemde schilderij ‘Les négresses’ mee terug bracht, en was nu in Pont-Aven in Bretagne, zonder eenige bron van inkomsten, zoodat de groote geldverlegenheid waarin hij verkeerde hem ten slotte er toe dreef Vincent's aanbod aan te nemen en naar Arles te komen. Het geheele plan werd een droevige mislukking en had voor Vincent een noodlottig einde.

Ondanks de maanden van bovenmenschelijke inspanning die hij achter zich had, wist hij zich vóór de komst van Gauguin nog op te zweepen tot een laatste uiting van kracht; ‘j'ai l'amourpropre de faire par mon travail une certaine impression sur Gauguin’. ‘J'ai tout de même poussé aussi avant que j'ai pu ce que j'avais en train, dans le grand désir de pouvoir lui montrer du neuf et de ne pas subir son influence avant de pouvoir lui montrer indubitablement mon originalité propre,’ schrijft hij (zie brief 556). Wanneer men bedenkt dat onder dit laatste werk behoort een van Vincent's beroemdste schilderijen ‘La chambre à coucher,’ en de serie ‘Jardin du poëte,’ dan staat men wel eenigszins sceptisch tegenover Gauguin's latere verklaring, dat Vincent vóór zijn komst

[p. LIII]

eigenlijk maar wat geknoeid had en eerst na zijn lessen vorderingen maakte! Men weet dan tevens welke waarde er te hechten valt aan Gauguin's geheele relaas omtrent de episode te Arles, dat zulk een mengeling is van waarheid en dichting.*) Een feit is dat Vincent volkomen uitgeput en overspannen was en niet opgewassen tegen den ijzeren Gauguin met zijn sterke zenuwen en koele beredeneerdheid; het werd als een stille strijd tusschen hen, en de eindelooze discussies, die er al rookende gehouden werden in het kleine gele huisje, waren niet geschikt Vincent te kalmeeren. ‘Votre frère est en effet un peu agité et j'espère le calmer petit à petit’ schrijft Gauguin aan Theo, kort na zijn aankomst te Arles, en aan Bernard vertelt hij meer vertrouwelijk hoe weinig Vincent en hij eigenlijk sympathiseeren. ‘Vincent et moi nous sommes bien peu d'accord en général surtout en peinture. Il admire Daudet, Daubigny, Ziem et le grand Rousseau, tous gens que je ne peux pas sentir. Et par contre il déteste Ingres, Raphaël, Degas, tous gens que j'admire; moi, je réponds: “Brigadier vous avez raison” pour avoir la tranquillité. Il aime beaucoup mes tableaux, mais quand je les fais il trouve toujours que j'ai tort de ceci, de cela. Il est romantique et moi je suis plutôt posté à un état primitif.’**)

En als Ganguin zich later nog eens dien tijd herinnert, schrijft hij: ‘Entre deux êtres, lui et moi, lui étant tout volcan et l'autre bouillant aussi mais en dedans, il y avait en quelque sorte une lutte qui se préparait.’***) De toestand wordt dan ook hoe langer hoe meer gespannen. In de laatste helft van December ontvangt Theo van Gauguin het volgende briefje:

‘Cher monsieur van Gogh, je vous serais obligé de m'envoyer une partie de l'argent des tableaux vendus. Tout calcul fait je suis obligé de rentrer à Paris; Vincent et moi ne pouvons absolument vivre côte à côte sans trouble, par suite d'incomptabilité d'humeur, et lui comme moi avons besoin de tranquillité pour notre travail. C'est un homme remarquable d'intelligence, que j'estime beaucoup et que je quitte à regret, mais je vous le répète c'est nécessaire. J'apprécie toute la délicatesse de votre conduite vis-à-vis de moi et vous prie d'excuser ma résolution.’ Ook Vincent schrijft er over (zie brief 565) dat Gauguin blijkbaar genoeg heeft van Arles, van het gele huisje en van hemzelf, maar de twist wordt bijgelegd.

[p. LIV]

Gauguin vraagt Theo zijn teruggaan naar Parijs als een ‘chose imaginaire’ te beschouwen en den brief dien hij hem geschreven heeft, als ‘un mauvais rêve;’ het is echter slechts de windstilte vóór den storm.

Den dag vóór Kerstmis - Theo en ik waren juist verloofd en zouden samen naar Holland reizen - (ik logeerde te Parijs bij mijn broer A. Bonger, den vriend van Theo en Vincent) kwam een telegram van Gauguin dat Theo naar Arles riep. Vincent had zich den avond van 23 December in een toestand van hevige opwinding ‘un accès de fièvre chaude’ een stuk van het oor afgesneden en dat aan een vrouw in een bordeel gebracht - er was een groot tumult ontstaan, Roulin de postman had Vincent naar huis gebracht, de politie had er zich in gemengd, had Vincent bloedend en bewusteloos in bed gevonden en hem naar het hospitaal doen overbrengen. Daar vond Theo hem in een hevige zenuwcrisis, en bleef de Kerstdagen bij hem. De dokter zag den toestand hoogst ernstig in.

‘Er waren oogenblikken terwijl ik bij hem was, dat hij goed was, maar om heel kort daarop weer in zijn tobben over philosophie en theologie te vervallen. Het was diep droevig om bij te wonen, want van tijd tot tijd kwam al zijn lijden bij hem op en trachtte hij te weenen maar kon niet; arme strijder en arme, arme lijder; niemand kan thans er iets aan doen om zijn leed te verzachten en toch voelt hij het diep en zwaar. Had het moge zijn, dat hij ééns iemand gevonden had, bij wie hij zijn hart kon uitstorten dan ware het mogelijk nooit zoo ver gekomen,’ schreef Theo mij, nadat hij met Gauguin naar Parijs was teruggekeerd; en een dag later: ‘Er is weinig hoop, maar in zijn leven heeft hij meer gedaan dan zoovelen en meer geleden en gestreden dan voor de meeste menschen mogelijk is. Moet hij ter ruste gaan, het zij zoo, maar mijn hart breekt als ik er aan denk.’

Nog een paar dagen duurde de spanning. Dr. Reij, de interne van het hospitaal, in wiens zorg Theo den zieke zoo dringend had aanbevolen, hield hem trouw op de hoogte; ‘je serai toujours enchanté de vous donner de ses nouvelles, car moi aussi j'ai un frère, moi aussi j'ai été éloigné de ma famille’ schrijft hij 29 December, als de berichten nog even slecht zijn. Ook de protestantsche geestelijke Ds. Salles bezoekt Vincent, en schrijft Theo zijn bevinden, en dan is er ten slotte de postman Roulin, die geheel verslagen is over het ongeval ‘l'ami Vincent’ overkomen, met wien hij zoovele gezellige uurtjes in het ‘Café de la gare’ van Joseph Ginoux heeft doorgebracht, en die hem zelf en zijn geheele familie

[p. LV]

zoo mooi gelijkend heeft uitgeschilderd! Iederen dag gaat hij hooren aan het hospitaal en zendt dan trouw bericht naar Parijs, waarvoor zijn jongens Armand*) en Camille hem om beurten tot secretaris dienen, want hemzelf gaat het schrijven niet al te vlug af. Ook zijn vrouw, die voor de ‘Berceuse’ poseerde, (Mme Ginoux was het origineel van de ‘Arlésienne’), bezoekt den zieken vriend en het eerste teeken van beterschap is wel dat Vincent haar vraagt naar de kleine Marcelle, de mooie bébé die hij nog zoo kort geleden schilderde. Dan komt er ook plotseling een omkeer ten goede in zijn toestand. Ds. Salles schrijft 31 December dat hij bij zijn bezoek Vincent volmaakt kalm heeft gevonden en dat deze verlangt weer aan 't werk te gaan; den dag daarop schrijft Vincent zelf met potlood een briefje om Theo gerust te stellen, en 2 Januari komt er weder een briefje van hem waarbij ook Dr. Reij nog een woordje ter geruststelling voegt. 3 Januari een opgetogen schrijven van Roulin: ‘l'ami Vincent est complètement guéri, il est mieux qu'avant qu'il lui arriva ce malheureux incident’ en hij zal dan ook met den dokter gaan spreken en hem zeggen ‘de rendre le brave Vincent à ces tableaux.’ Den dag daarop zijn zij samen uitgeweest en hebben vier uur samen doorgebracht. ‘Je regrette beaucoup mes premières lettres alarmantes et je vous en demande pardon; heureusement je me suis trompé sur son sort. Tout ce qu'il regrette c'est l'ennuie qu'il vous a donné, il est navré de la peine qu'il vous a fait. Soyez sans inquiétudes, je ferai tout ce que je pourrai pour le distraire’ schrijft Roulin. Den 7den Januari verlaat Vincent het hospitaal, schijnbaar genezen, maar helaas bij iedere groote opwinding of vermoeidheid keert de zenuwcrisis terug - die nu eens korter dan eens langer duurt, maar hem toch ook tusschenperioden laat van bijna volmaakte gezondheid, waarin hij weer met den ouden lust aan het werk gaat. In Februari wordt hij weer na korten tijd in het hospitaal opgenomen maar als hij daarna in zijn huisje terug keert, zijn de buren bang voor hem geworden en zenden een adres aan den burgemeester dat het gevaarlijk is hem in vrijheid te laten; wat ten gevolge heeft dat hij inderdaad den 27 Februari opnieuw geïnterneerd wordt - ditmaal geheel zonder reden. Vincent zelf bewaart bijna een maand lang over deze treurige zaak het diepste stilzwijgen tegenover Theo, maar Ds. Salles houdt hem steeds op de hoogte. 2 Maart schrijft hij: ‘Les voisins se sont montés la tête les uns les autres. Les actes que l'on reproche à

[p. LVI]

votre frère (à supposer qu'ils sont exacts) ne permettent pas de taxer un homme d'aliénation et de réclamer sa réclusion. Malheureusement l'acte de folie qui a nécessité la première entrée à l'hospice fait interpréter dans un sens tout à fait défavorable tous les actes un peu singulier auxquels peut se livrer parfois ce pauvre jeune homme. Chez un autre ils ne seraient peut-être pas remarqués, chez lui ils prennent tout de suite une importance particulière........Comme je vous l'ai dit hier tout le monde à l'hospice lui est sympathique et après tout ce sont les médecins et non le commissaire de police, qui doivent être juge en pareille matière.’

De geheele geschiedenis maakt op Vincent diepen indruk en veroorzaakt weer een crisis, die echter verwonderlijk gauw geneest. Het is weer Ds. Salles, die Theo van de beterschap op de hoogte brengt. 18 Maart schrijft hij: ‘Votre frère m'a parlé avec calme et une lucidité d'esprit parfaite de sa situation, et aussi de la pétition signée par ses voisins. Cette pétition l'afflige beaucoup. “Si la police,” m'a-t-il dit, “protégeait ma liberté en empêchant les enfants et même de grandes personnes de se grouper autour de mon domicile et d'escalader les croisés comme ils l'ont fait (comme si j'étais une bête curieuse) je serais resté plus calme; en tout cas je n'ai fait de mal à personne.” En résumé j'ai trouvé votre frère transformé et Dieu veuille que cette amélioration se maintienne. Son état a quelque chose d'infénissable et il est impossible de se rendre compte des changements si brusques et si complets qui s'opérent en lui. Il est évident que tant qu'il restera dans la situation où je viens de le voir, il ne saurait être question de le faire interner; personne que je sache n'aurait ce triste courage.’

Den dag na dit onderhoud met Ds. Salles schrijft Vincent voor het eerst ook weer zelf aan Theo en klaagt terecht dat dergelijke herhaalde emoties wel eens oorzaak konden worden dat een voorbijgaande zenuwstoring verergerde tot een chronische kwaal. En met stille berusting voegt hij er bij: ‘Souffrir sans se plaindre, est l'unique leçon qu'il s'agit d'apprendre dans cette vie.’

Spoedig herkrijgt hij nu wel zijn volkomen vrijheid, maar blijft voorloopig in het hospitaal gehuisvest, totdat Ds. Salles een nieuwe woning in een andere buurt voor hem zal hebben gevonden. Zijn gezondheid is zoo goed, dat Ds. Salles 19 April schrijft: ‘parfois même il semblerait qu' il n'y a chez lui aucune trace du mal qui l'a si vivement affecté,’ maar toen hij definitief met den nieuwen huisheer zou afspreken had hij plotseling aan Ds. Salles bekend dat hij

[p. LVII]

toch geen moed had weer opnieuw een eigen atelier te beginnen en dat hij zelf 't het beste vond om een paar maanden in een inrichting te gaan. ‘Il a une pleine conscience de son état et il parle avec moi de ce qu' il a eu et dont il craint le retour, avec une candeur et une simplicité touchante.’ schrijft Ds. Salles. ‘Je ne suis pas capable’ me disait-il avant-hier, ‘de m'administrer et de me gouverner moi-même; je me sens tout autre qu'auparavant.’ Ds. Salles had toen inlichtingen ingewonnen en raadde de inrichting te St. Remy aan, ‘aux ports d' Arles’ gelegen. Hij voegt er nog bij dat ook de doktoren te Arles dit goedkeuren ‘étant donné l'état d'isolement où se trouverait votre frère à sa sortie de l'hospice.’

Dat was juist ook wat Theo bezwaarde. ‘Ja’ schreef hij mij kort voor ons huwelijk, in antwoord op mijn vraag of Vincent niet liever naar Parijs terug wilde komen of eens een tijd bij moeder en zuster in Holland verzorgd worden, daar hij in Arles zoo alleen was, ‘een van de grootste bezwaren is, dat 't zij ziek 't zij gezond, zijn leven zoo dor is wat betreft hetgeen van buiten komt. Maar als je hem kende zou je dubbel gevoelen hoe moeilijk de oplossing van de vraag is wat er gedaan moet en kan worden.

Zooals je weet heeft hij sedert lang gebroken met wat men convenances noemt. Zijn manier van kleeden en zijn allures doen onmiddellijk zien dat het iemand bizonders is en sedert jaren zeggen die hem zien: “c'est un fou.” Voor mij is dat niets, voor thuis kan dat niet. Dan is in zijn manier van spreken iets wat maakt, dat men of heel veel van hem houdt of hem niet dulden kan. Hij heeft altijd om zich heen menschen die zich tot hem voelen getrokken, maar ook heel veel vijanden. Het is hem niet mogelijk om op een onverschillige manier met iemand om te gaan. Het is òf het een òf het ander. Zelfs voor hen, waar hij de beste vrienden mee is, is zijn omgang niet makkelijk daar hij niets of niemand spaart. Had ik tijd er voor, dan zou ik naar hem toe gaan en bijv. een voetreis met hem doen, zoo iets is het eenige wat ik mij denken kan wat hem werkelijk wat kalmte zou kunnen geven. Kon ik iemand vinden onder de schilders die zoo iets zou willen doen dan zal ik hem er heen sturen. Maar die, waar hij mee op en neer kan gaan, hebben een zekeren angst voor hem, waar het verblijf van Gauguin bij hem geen verandering in gebracht heeft, integendeel.

Dan is er nog iets waarom ik bang ben hem hierheen te laten komen. In Parijs zag hij massa 's dingen die hij graag had willen schilderen; maar telkens werd hem de mogelijkheid daartoe benomen. Mo-

[p. LVIII]

dellen wilden niet voor hem poseeren, op straat werd hem verboden te zitten werken en met zijn prikkelbaar humeur waren daardoor telkens scènes die hem zoo irriteerden dat hij voor ieder ongenaakbaar was en tot slot van zaken kolossaal het land heeft gekregen aan Parijs. Was het een verlangen van hemzelf om hierheen te komen ik zou geen oogenblik aarzelen......maar nog eens ik geloof dat er niets voor hem te doen is dan hem zijn eigen zin te laten doen....Een kalme omgeving, behalve in de natuur of met heel eenvoudige luidjes als de Roulins, bestaat voor hem niet, daar, waar hij komt, hij de sporen van zijn voorbijgaan achterlaat. Hij kan niet anders doen, dan wat hij ziet dat niet is zooals het wezen moet, te signaleeren, en brengt daardoor dikwijls strijd.

Wat ik hoop dat hij nog eens vinden zal, is dat een vrouw zooveel van hem houden zal dat zij met hem zal willen leven, maar die zich daar voor geroepen zou voelen zal zeker niet de eerste de beste zijn. Herinner je je dat vrouwenfiguur uit Terre Vierge van Tourgenief, die met de nihilisten omging en de comprometteerende papieren over de grenzen bracht? Ik stel mij haar zóó voor. Iemand die zelf de misère van de wereld tot op den bodem toe doorleefd heeft.......

Het doet mij pijn zoo onmachtig te zijn iets voor hem te doen, maar voor buitengewone menschen zijn buitengewone middelen noodig en mijn hoop is maar dat die dan ook gevonden worden waar de gewone menschen het niet zouden zoeken.’

Als Vincent nu zelf de beslissing neemt om naar St. Remy te gaan is Theo's eerste gedachte of dit ook een soort zelfopoffering is, om verder niemand meer tot last te zijn, en met nadruk schrijft hij hem nog eens of hij niet liever b.v. naar Pont-Aven wil gaan voor den zomer, of naar Parijs komen. Maar als Vincent bij zijn plan blijft, schrijft Theo: ‘Je ne considère pas ton aller à St. Remy comme une retraite comme tu dis, mais simplement comme un repos d'un moment pour revenir bientôt avec des forces nouvelles. Pour moi j'attribue une grande partie de ta maladie à ce que ton existence matérielle a été trop négligée. Dans un établissement comme à St. Remy il y a une grande régularité dans les heures de repas etc. et je crois que cette régularité ne te fera pas de mal, au contraire.’

Nadat Theo alles met den directeur der inrichting, Dr. Peyron, geregeld heeft, een vrije kamer voor Vincent en een kamer om te werken, en zooveel mogelijk vrijheid om zich buiten het gesticht te begeven, vertrekt Vincent den 8en Mei er heen, vergezeld van

[p. LIX]

Ds. Salles die den volgenden dag aan Theo schrijft: ‘Notre voyage à St. Remy s'est effectué dans d'excellentes conditions. M. Vincent était parfaitement calme et a expliqué lui-même son cas au directeur, comme un homme qui a pleine conscience de sa situation. Il est resté avec moi jusqu'à mon départ et quand j'ài pris congé de lui il m'a chaleureusement remercié et a paru quelque peu ému à la pensée de la vie toute nouvelle qu'il allait mener dans cette maison. M. Peyron m'a assuré qu'il aurait pour lui toute la bienveillance et tous les égards que comporte son état.’ Hoe ontroerend klinkt dat ‘quelque peu ému’ bij het afscheid van den trouwen raadsman! Met diens heengaan was de laatste band verbroken, die Vincent nog met de buitenwereld verbond en hij bleef achter in - wat erger was dan de grootste eenzaamheid - een omgeving van zenuwzieken en krankzinnigen, zonder iemand aan wien hij zich kon uiten, zonder iemand met wien hij kon omgaan.

Wel was Dr. Peyron hem goedgezind maar deze had een stijven, teruggetrokken aard, en in de maandelijksche brieven, waarin hij Theo op de hoogte houdt van den toestand, klinkt niet de hartelijke sympathie voor Vincent, die men in het hospitaal te Arles voor hem had.

Een vol jaar bracht Vincent door in deze troostelooze omgeving, met ongebroken geestkracht worstelend met de telkens terugkeerende aanvallen van zijn ziekte, doch met den ouden rusteloozen ijver zet hij zijn werk voort; dat alleen kan hem staande houden nu alles on hem heen hem ontvallen is.

Hij schildert het eenzame landschap, dat hij uit zijn venster ziet, bij zonsop- en zonsondergang, hij onderneemt lange zwerftochten om de wijde akkers te schilderen, begrensd door de heuvelrij der Alpinen, hij schildert de olijfboomgaarden met hun droevig verwrongen takken, de sombere cypressen, den triesten tuin van het gesticht zelf, en ook schildert hij den faucheur, ‘image de la mort tel que nous en parle le grand livre de la nature.’

Het is niet meer het blijde, zonnige, juichende van zijn werk uit Arles, er klinkt een dieper, droeviger toon dan de felle klaroenschal van zijn sinfoniën in geel van het vorig jaar, zijn palet is soberder geworden, de harmoniën van zijn schilderijen zijn in mineur overgegaan.

‘Souffrir sans se plaindre,’ wèl had hij die les geleerd; en als in Augustus de verraderlijke kwaal hem bespringt, juist toen hij begon te hopen dat de genezing blijvend zou zijn, klinkt slechts

[p. LX]

even de moedelooze zucht: ‘je ne vois plus de possibilité d'avoir courage ou bon espoir.’

Na een moeizaam doorgeworstelden winter, waarin nog enkele zijner schoonste werken ontstaan, als de Pietà naar Delacroix, de Opwekking van Lazarus en de barmhartige Samaritaan naar Rembrandt, de Quatre heures du jour naar Millet, volgen een paar maanden waarin hij niet in staat is om te werken, en nu voelt hij dat zijn werkkracht voor goed zou bezwijken indien hij langer in die noodlottige omgeving bleef, hij moet uit St. Remy weg.

Reeds lang had Theo uitgezien naar een geschikte gelegenheid waar Vincent - dicht bij Parijs en toch buiten - onder toezicht kon zijn van een geneesheer, die tegelijk als een vriend voor hem zou zijn, en als hij dit eindelijk op aanbeveling van Pissarro gevonden heeft te Auvers sur Oise, een uur sporen van Parijs waar Dr. Gachet woont, de jeugdvriend van Cézanne, Pissarro en de andere impressionisten, dan komt Vincent 17 Mei 1890 uit het Zuiden terug.

Eerst zou hij een paar dagen bij ons te Parijs doorbrengen. Een telegram uit Tarascon meldde ons dat hij 's nachts zou reizen en 's morgens tegen 10 uur aankomen. Theo sliep dien nacht niet van angst - als Vincent onderweg eens iets overkwam, hij was maar ternauwernood hersteld van een lange ernstige crisis, en had beslist geweigerd zich door iemand te laten vergezellen!

Hoe dankbaar waren we toen het eindelijk tijd was voor Theo om hem te gaan afhalen! Van de Cité Pigalle naar de Gare de Lyon is een groote afstand; zij bleven eindeloos lang weg en ik begon angstig te worden dat er iets gebeurd zou zijn, toen ik eindelijk een open fiacre de Cité zag binnenrijden, twee vroolijk lachende gezichten knikten mij toe, twee handen wuifden - een oogenblik later stond Vincent voor me.

Ik had verwacht een zieke te zien, en voor mij stond een stevige breedgeschouderde man met een gezonde kleur, een vroolijke uitdrukking en iets zeer vastberadens in zijn voorkomen; van al de zelfportretten geeft dat voor den schildersezel hem in dien tijd 't beste weer. Blijkbaar had er weder zulk een plotselinge, onbeschrijfelijke omkeer in zijn toestand plaats gehad, als Ds. Salles reeds in Arles tot zijn verbazing had waargenomen.

‘Hij is volkomen gezond, hij ziet er veel sterker uit dan Theo,’ was mijn eerste gedachte.

Dan troonde Theo hem mee naar de slaapkamer, waar het wiegje stond van onzen kleinen jongen, die naar Vincent genoemd

[p. LXI]

was; zwijgend keken de twee broers naar het rustig slapend kindje - zij hadden beiden tranen in de oogen. Toen keerde Vincent zich lachend tot mij en zei, wijzend naar het eenvoudige gehaakte spreitje op de wieg: ‘Je moet hem maar niet te veel in de kanten leggen, zusje.’

Drie dagen bleef hij bij ons en was al dien tijd vroolijk en opgewekt. Over St. Remy werd niet gesproken. Hij ging zelf uit om olijven te koopen, die hij gewend was iederen dag te eten, en die wij absoluut ook moesten proeven; den eersten morgen stond hij al heel vroeg in hemdsmouwen zijn schilderijen te bekijken waarvan ons appartement vol was; de muren waren er mee behangen; in de slaapkamer hingen de bloeiende boomgaarden, in de eetkamer boven den schoorsteen de Aardappeleters, in de zitkamer (salon was te weidsche naam voor het kleine gezellige kamertje) het groote landschap uit Arles en het nachtgezicht op de Rhône; verder lagen overal - tot groote wanhoop onzer femme de ménage - onder het bed, onder de sofa, onder de kasten, in het logeerkamertje, groote stapels onopgezette doeken, die nu op den grond uitgespreid en aandachtig bekeken werden. Er kwam ook veel bezoek, maar Vincent merkte al spoedig dat de drukte van Parijs hem toch niet dienstig was, en verlangde om weer aan 't werk te gaan. En zoo vertrok hij den 21en Mei naar Auvers, met een introductie aan Dr. Gachet, wiens trouwe vriendschap hem tot grooten steun werd, den korten tijd dien hij te Auvers zou doorbrengen.

Wij beloofden hem spoedig te zullen opzoeken en hij wilde ook over een paar weken bij ons terugkomen om onze portretten te schilderen.

In Auvers nam hij zijn intrek in een herberg en toog al dadelijk aan 't werk. Het heuvellandschap met de gloeiende akkers en de bemoste rieten daken van het dorp trokken hem wel aan, maar vooral genoot hij er van weer modellen te hebben en figuur te kunnen schilderen. Een van de eerste portretten die hij maakte was dat van Dr. Gachet, die zich onmiddellijk sterk tot Vincent voelde aangetrokken, zoodat zij den meesten tijd samen doorbrachten en groote vrienden werden; een vriendschap die niet eindigde met den dood, want Dr. Gachet en de zijnen bleven Vincent's herinnering in eere houden met zeldzame piëteit, die tot een culte werd, treffend in haar eenvoud en oprechtheid. ‘Plus j'y pense plus je trouve Vincent un géant. Il n'est pas de jour que je suis en face de ses toiles, toujours j'y trouve une idée nouvelle, autre chose que la veille......je reviens à l'homme

[p. LXII]

que je trouve un colosse. C'était en outre un philosophe....’ schreef hij aan Theo kort na Vincent's dood. En sprekende over diens liefde voor de kunst, zegt hij: ‘le mot amour de l'art n'est pas juste, c'est croyance qu'il faut dire, croyance jusqu'au martyre!’

Geen van zijn tijdgenooten die hem beter begrepen had.

Eigenaardig was het dat Dr. Gachet zelf eenigszins het physiek van Vincent had (hij was veel ouder) en zijn zoon Paul - toen een jongen van 15 jaar - wel op Theo geleek.

Hun huis, op een heuvel gebouwd, was vol schilderijen en antiquiteiten, die door het licht uit de kleine ruitjes slechts spaarzaam verlicht werden; vóór het huis was een prachtige terrasvormige bloementuin, achter een ruime cour waar allerlei eenden, kippen, kalkoenen en pauwen rond liepen, in gezelschap van vier of vijf katten. Het geheel was de omgeving van een zonderling, maar van een zonderling met veel smaak. Praktijk oefende de dokter in Auvers niet meer uit, wel had hij een pied-à-terre te Parijs, waar hij enkele dagen in de week consult gaf, maar den overigen tijd schilderde of etste hij zelf, in zijn kamer die 't meest geleek op de werkplaats van een alchimist uit de middeleeuwen. Al spoedig omstreeks 10 Juni ontvingen wij van hem een uitnoodiging om met het kind een geheelen dag in Auvers te komen doorbrengen. Vincent haalde ons van den trein en had als speelgoed voor zijn kleinen. neef en naamgenoot een vogelnestje meegebracht. Hij was er op gesteld het kind zelf te dragen en rustte niet voor hij hem al de dieren had laten zien in de cour, totdat een al te hard kraaiende haan het kind vuurrood van angst aan 't schreien bracht, terwijl Vincent maar lachend riep ‘et le coq fait cocorico’ en er heel trotsch op was dat hij zijn petekind kennis had laten maken met de dierenwereld.

Wij dejeuneerden buiten en daarna werd er een groote wandeling gemaakt; de dag was zóó vreedzaam rustig, zóó gelukkig, dat niemand zou hebben kunnen vermoeden op hoe tragische wijze ons geluk weinige weken later voor altijd verwoest zou worden.

In de eerste dagen van Juli kwam Vincent nog eens bij ons te Parijs; wij waren oververmoeid door een ernstige ongesteldheid van het kind - Theo had het oude plan weer opgevat weg te gaan van Goupil om zelf een zaak te beginnen, Vincent was niet tevreden over de ruimte waar de schilderijen waren opgeborgen, zoodat er gesproken werd over onze verhuizing naar een grooter appartement, dus waren het dagen vol zorg en spanning.

[p. LXIII]

Ook kwam er voortdurend bezoek voor Vincent, o.a. Aurier die kort te voren zijn beroemd artikel over Vincent geschreven had*), en nu nog eens met den schilder zelf al het werk bezag, en Toulouse Lautrec, die bij ons bleef dejeuneeren en met Vincent de grootste pret had over een croque-mort, dien zij op de trap waren tegengekomen. Guillaumin zou ook nog gekomen zijn, maar het werd Vincent te veel, hij wachtte dit bezoek niet meer af en ging overhaast naar Auvers terug; oververmoeid en overspannen, zooals blijkt uit zijn laatste brieven en uit zijn laatste schilderijen, waarin men het dreigend onheil voelt naderen als de zwarte vogels, die in den storm over het korenveld jagen.

‘Als hij maar niet melancholiek is en er weer een crisis op handen is, het ging nu zoo goed’ schreef Theo mij den 20en Juli, toen hij mij met 't kind naar Holland had gebracht en zelf nog een korten tijd naar Parijs was teruggekeerd, totdat hij ook vacantie zou nemen. Den 25en schreef hij: ‘er is een brief van Vincent, die ik weer zeer onbegrijpelijk vind. Wanneer zal er voor hem eens een gelukkige tijd aanbreken! En hij is zoo door en door goed.’ Die gelukkige tijd zou nooit meer voor Vincent aanbreken - de angst voor de weer dreigende ziekte, of de crisis zelf dreef hem in den dood - aan den avond van den 27en Juli trachtte hij met een revolverschot een eind aan zijn leven te maken. Dr. Gachet schreef dien zelfden avond aan Theo het volgende briefje: ‘J'ai tout le regret possible de venir troubler votre repos. Je crois pourtant de mon devoir de vous écrir immédiatement. On est venu me chercher à 9 heures du soir aujourd'hui dimanche de la part de votre frère Vincent, qui me demanda de suite. Arrivé près de lui je l'ai trouvé très mal. Il s'est blessé......N'ayant pas votre adresse qu'il n' a pas voulu me donner, cette lettre vous parviendra par la maison Goupil......’ Het briefje bereikte Theo dan ook eerst den volgenden morgen en onmiddellijk vertrok hij naar Auvers. Van daar uit schreef hij mij dienzelfden dag, 28 Juli: ‘Van morgen kwam een Hollandsche schilder**) die ook in Auvers is, mij een brief brengen van Dr. Gachet, die slechte berichten van Vincent gaf en mij verzocht te komen. Ik ging er dadelijk heen, alles in den steek latende en vond hem nog beter dan ik gedacht had. Ik zal maar niet in bijzonderheden treden, die zijn al te triest, maar weet het lieveling dat zijn leven wel eens in gevaar kon zijn.......

[p. LXIV]

Hij vond goed dat ik gekomen was en wij zitten bijna aldoor bij elkaar....Arme kerel, hem werd het geluk niet in groote mate toegedeeld en illusie's blijven hem niet over. Het wordt hem soms te zwaar, hij gevoelt zich zoo alleen....Hij vroeg zoo naar jou en den jongen, en zei dat jij die droefheid in het leven niet vermoed had, och konden wij hem toch maar wat moed in 't leven geven. “Maak je niet te ongerust, het was vroeger ook al zoo hopeloos, en zijn sterk gestel bedroog de dokters......”

Die hoop bleek ijdel. In den vroegen morgen van 29 Juli ontsliep Vincent.

Theo schreef mij: ‘Een van zijn laatste woorden was: “ik wilde dat ik zóó heen kon gaan,” en zoo was het ook; eenige oogenblikken en het was gedaan, en hij vond die rust, die hij op aarde niet vinden kon.......

Den volgenden morgen kwamen er van Parijs en elders 8 vrienden, die de kamer waar de kist stond behingen met zijn schilderijen, die o zoo mooi deden. Er waren veel bouquetten en kransen. Dr. Gachet was de eerste, die een groote bouquet zonnebloemen bracht omdat hij daar zooveel van hield.......

Hij ligt op een zonnig plekje midden in de korenvelden.’

Uit een brief aan zijn moeder:

‘Men kan niet schrijven hoe bedroefd men is, noch troost vinden....

Het is een smart, die mij lang zal wegen en die mij mijn heele leven zeker niet uit de gedachte zal gaan, maar als men iets zou willen zeggen is het dat hijzelf rust heeft, waar hij naar verlangde,..

Het leven woog hem zoo zwaar; maar zooals het meer gaat is nu ieder vol lof voor zijn talent.......

O moeder, hij was zoo mijn eigen broer.’

 

Theo's reeds wankele gezondheid was gebroken. Zes maanden later, den 25en Januari 1891 was hij zijn broeder gevolgd.

Zij rusten samen op het kleine kerkhof tusschen de korenakkers te Auvers.

 

December 1913.

J. van Gogh-Bonger.